Op deze pagina columns over Engeland.        


 

Uit de Volkskrant van 8 juni

                                                                                         Dozen vol boeken

Zal ooit over één nog regerende politiek leider al zoveel zijn geschreven als over Tony Blair? Mijn verhuizers weten zeker van niet. Twee dozen vol: zo’n tachtig boeken over Blair, zijn naaste medewerkers en zijn project. ‘Heb je die allemaal gelezen?’ Ze kijken mij aan alsof ik  een dorpsgek ben. Het zijn ook Nederlandse verhuizers in Engeland. Politieke biografieën zijn in Nederland onontgonnen gebied. Ieder aankomend sportster in dit land krijgt makkelijker een biografie dan een groot staatsman. Is de biografie over Joop den Uyl al uit? Is er een van Wim Kok? Max van Weezel heeft er net een geschreven over Jan Peter Balkenende, maar eigenlijk stelt het niet zoveel voor. Vergelijk dat eens met alle boeken over Johan Cruyff…
 In Groot-Brittannië word je als politicus niet serieus genomen zonder een biografie van minimaal vijfhonderd pagina’s aan kleine letters met alle kleuterschoolervaringen en amoureuze escapades. Clement Attlee, de meest kleurloze Britse premier van de vorige eeuw, kreeg in 1948 ver voor het einde van zijn regeringstermijn al zijn eigen biografie, geschreven door Roy Jenkins, toen nog een obscuur backbencher. En het houdt ook nooit op. Roy Jenkins schreef bijna vijftig jaar na diens dood ook een ‘definitieve biografie’ over Winston Churchill, niet alleen de meest kleurrijke premier maar ook iemand over wie alles al bekend leek.
 Wanneer zal ieders fantasie over Tony Blair zijn uitgeput en het definitieve oordeel zijn gegeven over zijn regeringsperiode? Zeker niet bij zijn aftreden eind deze maand, ook niet na het verschijnen van zijn autobiografie of het verschijnen van alle biografieën van zijn naaste medewerkers (Alastair Campbell, Gordon Brown), zelfs niet over twintig jaar als iedereen echt weet wat de gevolgen zijn geweest van de invasie van Irak.
 Ondanks tachtig boeken en het 24-uurs mediatijdperk is de figuur Tony Blair eigenlijk nog een onbeschreven blad. Hij is bijna nog mysterieuzer dan toen hij dertien jaar geleden Labourleider werd en tien jaar geleden premier. Toen straalde hij van jong élan en optimisme over de toekomst – een politicus die anders was en meer integer leek dan alle anderen.
 Nu is hij bij zijn aftreden een groot vraagteken: Waarom voelt deze moralistische christen zich zo thuis in het gezelschap van miljardairs en celebrities? Waarom omhelst deze sociaal-democraat de uitgangspunten van het thatcherisme? En waarom heeft deze idealist liefst vijf oorlogen gevoerd, waarvan de twee laatste met een Texaanse cowboy met wie hij zo weinig leek te delen?
 Geen biograaf is het tot nu toe gelukt het goed te verklaren. Er bestaat geen eensluidend oordeel over zijn beweegredenen. De een denkt dat hij gedreven is door een jeugdtrauma, de ander door zijn geloof, een derde door zijn vrouw en een vierde door zijn eeuwige conflict met Gordon Brown. Misschien weet hij het zelf niet eens.
 De politicus Tony Blair is er een meester in om iedereen op het verkeerde been te zetten. Tegelijkertijd is deze eenvoudige huisvader uit het noordelijke Durham zo fascinerend en inspirerend dat er al tijdens zijn regeringstermijn tachtig boeken zijn verschenen over hem en zijn tijdperk: van journalisten als John Rentoul, John Kampfner en Peter Riddell tot historici en wetenschappers als Anthony Seldon en Richard Rose en talrijke van zijn naaste medewerkers en medepolitici. Een aantal deed Zijn  werk zelfs een keer dunnetjes over, zoals Rentoul die na zijn eerste biografie uit 1995 met Tony Blair Prime Minister in 2001 kwam, en oud-Labourpoliticus Leo Abse die The Man Behind The Smile uit 1996 liet volgen tot The Man Who Lost His Smile uit 2003. Ze hebben allemaal hun eigen agenda, waarvan ze niet kunnen afwijken, wat Blair ook daarna heeft gedaan. Twee van zijn eigen mannetjesmakers beschreven hem het eerst - Peter Mandelson (samen met Roger Liddle) publiceerde in 1996 de Blair Revolution en Philip Gould in 1998 The Unfinished Revolution – zodat de grote meester van Labour meteen was neergezet. Daarna heeft iedereen geprobeerd er doorheen te prikken. Blair heeft ze graag geholpen hem zwart te maken, maar niemand is daarin tot nu toe geslaagd.

 

Uit de Volkskrant van 14 december

 

Nieuws begraven

 

Vlak nadat de vliegtuigen op 11 september 2001 het WTC in New York binnenvlogen, ging op het Britse ministerie van Transport een e-mailtje rond van een topambtenaar: ‘Dit is een mooie dag om slecht nieuws te begraven’, schreef Jo Moore. Haar ondergeschikten brachten meteen alle onheilstijdingen naar buiten zoals een toename van vertragingen bij de treinen en het opheffen van buslijnen.

 Op alle andere dagen zou die feiten allemaal voorpaginanieuws zijn geweest, maar nu werden ze weggedrukt in een kolommetje op pagina 14 of haalden ze de krant niet eens, laat staan het televisienieuws. Ze werden ondergesneeuwd door de dramatische gebeurtenissen in de VS.

 Nieuwsmanagement is misschien niet uitgevonden, maar het is zeker geperfectioneerd onder New Labour. De grootmeesters van het genre zijn de huidige Europees commissaris Peter Mandelson, bijgenaand de prins der duisternis, en Blairs chef-spindoctor Alastair Campbell, de vroegere PMOS (prime ministers official spokesman) die na 2003 naar de achtergrond verdween maar Blairs belangrijkste vertrouweling bleef.

 Velen zagen dan ook de hand van Alastair Campbell in de reeks van voor Labour onaangename nieuwstijdingen die in een adembenemend korte tijd bekend werden gemaakt op de dag dat de wereld maar één ding aan zijn hoofd had: de raadsels rond de dood van prinses Diana.

 Al ver van tevoren was bekend dat die dag het ‘definitieve’ onderzoek naar de dood van ’s werelds bekendste glamourprinses zou worden gepubliceerd. Op dat moment werd door de regering meegedeeld dat 2500 postkantoren zouden worden gesloten, een onderzoek naar corruptie zou worden stopgezet en Blair zelf als eerste zittende premier in de Britse politieke geschiedenis door de politie was verhoord.

 Tegelijkertijd dat de Londense politie het rapport over Diana’s dood presenteerde in de Queen Elizabeth Hall, sprak een ander team van Scotland Yard op Downing Street met de premier over corruptie. Hoewel Blair niet werd gearresteerd en waarschijnlijk zelf ook niet in staat van beschuldiging zal worden gesteld, is het politieverhoor een persoonlijke blamage voor een premier die heeft beloofd ‘witter dan wit’ te zijn.

 Publicitair ontsnapte hij echter de dans. Slechts een enkele krant had er plaats voor op de voorpagina. Het was geen toeval. Blair had zelf het tijdstip van het verhoor bepaald op donderdag 12.00 uur, vlak na het kabinetsberaad en net voor zijn vertrek naar de top in Brussel. En ook tegelijkertijd met de presentatie van het Diana-rapport.

  ’s Middags maakte minister voor Transport Alistair Darling in het Lagerhuis bekend dat 2500 postkantoren zullen worden gesloten. Omdat postkantoren voor veel kleine Britse dorpen het hart vormen van hun gemeenschap en veel ouderen hier hun pensioen moeten ophalen, is het besluit zeer controversieel. En om 17.00 uur liet de regering in een vrijwel leeg Hogerhuis zich het meest explosieve nieuws van de dag ontvallen: een onderzoek naar het betalen van steekpenningen door de Britse wapenfabrikant BAE aan Saoedi-Arabië wordt stopgezet, zogenoemd in het belang van de nationale veiligheid maar in werkelijkheid om toekomstige orders niet in de waagschaal te stellen.

 Corruptie verdoezelen met het oog op de commerciële belangen is op zich al tamelijk cynisch. Maar dat te doen op een wijze dat het de kranten niet haalt is het toppunt van cynisme. In een van de cartoons die vandaag in de kranten staat leest de Britse Machiavelli met zijn bekende grijns de achterkant van een krant wiens voorpagina is gevuld met de kop ‘Het was een ongeluk’.

 Niemand weet wat precies de erfenis zal zijn van Tony Blair na zijn vertrek. Maar met het voortdurend rekken van zijn premierschap maakt hij die er niet beter op.

 

 

 

 

Uit de Volkskrant van 10 december

Fascinatie voor de ‘Ripper’

 

Wie Engelse kranten leest en naar de Engelse televisie kijkt, lijkt in het meest criminele land ter wereld terecht te zijn gekomen. Moord en doodslag beheersen de voorpagina’s. En op het televisiejournaal staat er altijd wel een verslaggever voor de Old Bailey in Londen of een van de andere rechtbanken verslag te geven van een moordzaak onder het motto hoe gruwelijker hoe beter.

 In feite is Engeland een veilig land. Zelfs Londen kent een laag misdaadcijfer. Per duizend inwoners worden hier jaarlijks 61,9 misdaden aangegeven tegen 168,9 in Berlijn en 146,7 in Parijs. Het aantal moorden bedraagt slechts drie per honderdduizend inwoners, de helft van dat in Amsterdam en zelfs nog lager dan dat in Bern. In de hele stad Londen vinden per jaar evenveel schietpartijen plaats als op een gemiddelde dag in New York. ‘De meest markante en meest originele karaktertrek van de Engelsen is de gewoonte om elkaar niet te vermoorden’, zei George Orwell. De Britten mogen dan een luidruchtig en af en toe gewelddadig volk zijn, diep in hen koesteren ze altijd respect voor de ander.

 Het Britse karakter kent echter ook andere kant. Als ze gaan moorden, dan doen ze het meteen bloediger, wreder en nietsontziender zijn dan in andere landen. Geen natie heeft zo’n imponerende lijst van seriemoordenaars.

 Mary Ann Cotton vermoordde in de negentiende eeuw twintig mensen door vergiftiging. William Burke en William Hare -  bijgenaamd de Body Snatchers - brachten in de Victoriaanse tijd zestien mensen om het leven en verkochten de lichaamsdelen aan medische scholen. Een van de bekendste seriemoordenaars is Jack The Ripper die in Whitechapel in Londen in 1888 vijf prostituees vermoordde en de lichamen aan stukken sneed. De Yorkshire Ripper, die dertien vrouwen ombracht in de jaren zeventig, werd na een politieklopjacht wel opgepakt en zit nu een gevangenisstraf van dertig jaar uit. Hij beweerde dat hij de moorden in opdracht van God had uitgevoerd. Minstens even berucht zijn de Ian Brady en Mara Hindley, de zogenoemde Moors-moordenaars, die vijf kinderen vermoordden en op een onbekende plek in een van de moors rond Manchester begroeven.

 Deze week heeft een nieuwe Ripper ineens het slapende stadje Ipswich en het landerige graafschap Suffolk op de landkaart gezet. De ‘Ipswich Ripper’ of ‘Suffolk Ripper’ blijkt in korte tijd vijf prostituees te hebben omgebracht. Ipswich en Suffolk sidderen van angst en de rest van het land spreekt over niets anders. Vrouwen – ook die niet aan betaalde seks doen - is te kennen gegeven binnen te blijven, waardoor Ipswich vlak voor kerst in de avonduren en spookstad is geworden. Politici in het Lagerhuis roepen dat ‘dit monster zo snel mogelijk wordt gepakt’. Zelfs premier Blair beloofde persoonlijk alle steun aan het onderzoek.

In de Britse respectable society bestaat een bizarre fascinatie voor criminaliteit. Plaatsen van grote misdaden zijn toeristische attracties en boeken over seriemoordenaars geheide bestsellers. Voordat een onderzoekscommissie zijn verslag uitbracht over de moordende huisarts Dr. Death, had ITV tot woede van sommige nabestaanden al een televisiedrama over de 215-voudige moordenaar Harold Shipman uitgezonden.

 De media overschreeuwen elkaar in koppen als de Killer Machine of loven zelfs beloningen uit voor tips die leiden tot de opsporing van de dader. Sinds de dagen van de klopjacht op Jack de Ripper weten de kranten dat misdaad verkoopt – zeker bij de Britten.

 

 

 

Uit de Volkskrant van 4 december

Trein vol smokings

 

His Royal Highness, my Lords, ladies & gentlemen. Het is een heel lange zin die allemaal van de schaarse spreektijd afgaat. Maar de instructies voor deze awards-ceremonie zijn duidelijk. ‘Je begint zo en je gaat niet je moeders, oma’s en alle vrienden en kennissen bedanken’, zegt komiek en feestspreker Clive Anderson. Voor zijn eigen grappen en grollen die hij als een mitrailleur de zaal inschiet, neemt hij overigens behoorlijk de tijd. ‘De ceremonie duurt drie uur, de tijd die Michael Grade nodig heeft om weer een andere baan te vinden’, zegt hij met verwijzing naar de BBC-topman die na al zijn omzwervingen de dag daarvoor weer naar ITV is getransfereerd.

 Dinsdagavond vindt de jaarlijkse uitreiking van de Media Awards plaats in het exclusieve Sheraton Park Lane hotel. Black tie is verplicht. Britten zijn gek op onderscheidingen. Het snel uitdijende aantal televisiekanalen kunnen met deze uitreikingen goedkoper hun uren vullen dan met reality tv en de sponsors kunnen hun namen meer profileren dan in een reclameblok.

 Het is ook niet mijn eerste awards-ceremonie. Ik heb al de awardsuitreikingen van de staalfabrikanten, auteurs, City-dealmakers, soapies en Bafta-sterren bijgewoond. Maar het is wel de eerste waarvoor ik zelf ben genomineerd. Het voelt een beetje onwennig aan voorin te zitten in plaats van op een tafeltje tegen de achtermuur, waar je lekker met je collega’s over andere dingen kunt roddelen.

 In Nederland mag elke journalist tussen al zijn jeans en corduroy net één nette broek hebben hangen, in Groot-Brittannië hangt er standaard ook een smoking in de journalistieke klerenkast. Mijn black tie is al enkele jaren geleden tweedehands voor 10 pond aangeschaft bij de Oxfam. Het enigszins vergeelde overhemd kan echter niet meer, zo heeft mijn partner beslist.

 Bij Zeeman in Nederland is een nieuwe - inclusief strik - voor 8 euro in de aanbieding. Maar dit is een duur land. Marks & Spencer adverteert er hier mee voor 15 pond. Bij de M&S in winkelcentrum Bluewater is die echter al uitverkocht. De enige van 15 pond – hopelijk precies passend – hangt nog om de etalagepop. Een verkoper sloopt die er voor mij af, zodat ik niet in de klasse 45 pond hoef te zoeken. Enigszins verkreukeld gaat die in een plastic zak mee naar huis. Maar een strijkbout haalt de laatste plooien weg, zodat de royal highness noch de lords zich zullen ergeren.

 Maar echt gemakkelijk voel ik mij er en public nooit echt in. De Engelsen staan zonder schaamte in black tie op het perron of het hun dagelijkse kloffie is – op weg naar het concert (muzikant of bezoeker?), theater, kerstparty of andere awards-uitreiking. Maar ik doe een speciale lange regenjas aan waarvan het bovenste knoopje ook werkt.

 Pas in het Sheraton Park Lane aan Piccadilly vlakbij het sushi-restaurant waar Litvinenko mogelijk is vergiftigd (‘u bent terreurdoelwit’, grapt Anderson) durf ik de lange jas uit te doen. De drie uur is al snel gevuld met cocktails vooraf, dineren daarna en toespraken daartussen. Minister Margaret Beckett van Buitenlandse Zaken zegt ‘dat het buitenland niet meer bestaat’, hetgeen niet alleen haar functie maar ook de mijne meteen overbodig maakt. De onderscheidingen zelf zijn ondergeschikt aan de celebrities. Hoe meer sterren uit de Londense filmscene, popmuziek (bejaarde rockers verdienen er de kost mee) en televisie aanschuiven bij het diner, hoe hoger de onderscheiding wordt gewaardeerd. Award-ceremonies kunnen ook niet zonder tragiek en emotie. Daarom zijn de familieleden van de vermoorde Russische journaliste Anna Politskovskya en de eerder door de Taliban gekidnapte en later vrijgelaten fotojournaliste Gabriele “Kash” Torsello overgevlogen voor speciale awards.

 Een vriend had mij aangeraden aan de goede kant van de tafel te gaan zitten, zodat je niet de hele avond je rug moet omdraaien om het podium te zien. Snel weet ik de kaartjes te verplaatsen. Helaas gebeurt er niets tot half elf. Mijn categorie story of the year – uitgereikt door de Duke of Gloucester – is daarna als een van de eerste aan de beurt. ‘Wat is de Volkskrant?’, vragen tafelgenoten als ze een lawaaierige clip krijgen te zien met een verkreukelde krant van 10 januari die met het voor hen onleesbare Nederlands abracadabra meer lijkt op een document uit Schatteneiland.. ‘De prijs gaat naar Time Magazine’. Deze krant eindigt als runner-up. ‘Laten we naar huis gaan’, merkt mijn partner op. ‘Anders missen we de laatste trein en sta je met je nieuwe overhemd als een etalagepop de hele nacht op het station.’ We rekken het nog even en halen hijgend de trein, eentje vol met mensen in smoking.

 

 

 

 

 

Uit de Volkskrant van 2 oktober

Drank, seks en netwerken

 

Nooit zoveel verlopen hoofden gezien als in de trein van Manchester Piccadilly naar London Euston.

 De politieke elite keert huiswaarts na de Labour-partijconferentie. De gezichten zijn getekend door te veel alcohol en te weinig slaap.

 Op de partijconferenties draait het om drank, seks en networking – in die volgorde. Politieke besluitvorming is er al lang niet meer en zelfs nieuwe politieke ideeën zijn er even schaars als grappen in de speeches van Gordon Brown. ‘Na tien jaar Labour is er ook weinig nieuws meer te verzinnen’, moppert een gedelegeerde uit de Londense wijk Hackney in mijn hotel, tweeënhalve mijl buiten het centrum van Manchester. ‘Sinds de Blair-crowd de boel heeft overgenomen, zijn we klapvee geworden. De Britse partijconferenties zijn nu hetzelfde als de Amerikaanse partijconventies.’

 In de grote conferentiezaal spreken de gedelegeerden meestal tegen een handvol andere gedelegeerden, vooral gepensioneerden die mijmeren over de tijd dat de leden nog de dienst uitmaakten Alleen bij de speeches van de celebrities zoals de premier zelf en president Clinton is de ruimte vol.

 De rest wandelt door de tentoonstellingsruimte en verzamelt zijn weggevertjes – pennen, blocnotes, I love Teddy Blair T-shirts en gouden olympische medailles van chocolade. Een ander deel duikt in de zogenoemde fringes (kleine bijeenkomsten) waar altijd sandwiches en wijn klaar staan. Weer een ander deel laat zich continu interviewen want er zijn zoveel media dat je elke vijftig meter drie keer aangesproken wordt. En de rest ligt nog in bed.

 Want echt leuk wordt het pas in de avond als de party’s losbreken. ‘Wat kijken al die mannen hier hongerig’, merkt een jonge Nederlandse journaliste op die voor de eerste keer naar de conferentie is gekomen. Ja, de jacht is geopend. Wie een partijconferentie bezoekt, begrijpt waarom zoveel Britse politici in een seksschandaal belanden.

 Dat president Bill Clinton hier zo graag komt, is niet vreemd. De charmeur complimenteert BBC’s Jo Coburn met haar mooie halsketting. ‘Het is van mijn grootmoeder’, zegt ze blozend. Maar later bekent ze die voor tien pond bij Marks & Spencer te hebben gekocht.

 De mooiste party’s zijn de ‘alleen voor genodigden’ party’s die meestal door de Britse media worden georganiseerd. Hier zijn alle ministers bijna verplicht naartoe te gaan. Pottenkijkers uit het buitenland worden niet geduld. ‘Alleen voor de main media’, zegt de kleerkast bij de ingang. Maar na zeven jaar confereren weet ik altijd binnen te komen. Hoofdredacteur Simon Kellner van The Independent (de meest linkse krant) kust hier hoofdredactrice Rebekah Wade van The Sun vol op de lippen. Minister van Binnenlandse Zaken John Reid heeft de grootste lol met de politieke verslaggever van de vijandige Daily Mail. En Gordon Brown kijkt mat argusogen naar ex-minister Charles Clarke vijf meter verderop die hem onlangs ‘stom stom’ en een ‘controlfreak’ noemde.

 Presentator Jeremy Paxman van Newsnight is omringd door de drie mooiste fractie-assistentes. Hij vertelt over zijn nieuwe boek On Royals. Als een van de dames hem erop aanvalt, roept de rottweiler van de Britse televisie nijdig: ‘Niet zo agressief.’ Hij vraagt of er in Nederland ook van zulke conferenties zijn. ‘Jullie partijen hebben gelijk het op een zaterdag te doen. Ik weet ook niet waarom het er nog is.’ Tony en Cherie Blair zijn op de door ITV georganiseerde partijtje van Coronation Street, waar vice-premier John Prescott voor de verandering danst er dit keer met zijn vrouw.

 Als het partybudget van ITV, The Times of Tne New Statesman om twee uur ‘s nachts op is, wordt het feesten voortgezet in de hotellobby’s van The Midland en de Edwardian Radisson. Hier kost een glas champagne gauw 12 pond, maar daar laat niemand zich door weerhouden. Om half vijf is de bar nog stampvol. Minister Geoff Hoon kijkt glazig uit zijn ogen. ‘Jij bent toch van het land waar ze neen tegen de Europese grondwet hebben gezegd. En maar schrijven dat wij zo anti-Europa zijn.

Uit de Volkskrant van 13 september

Blair gaat weg. Maar wat nu?

 

Wat nog ontbreekt is een T-shirt met het opschrift: Jeruzalem 9/9, Ramallah 10-9, Beiroet 11-9, Brighton 12-9, Manchester 25-9 enz. Tony Blair is begonnen met zijn wereldwijde afscheidstournee. Maar tot nu toe verloopt de Last Waltz weinig feestelijk. In Beiroet verstoorde een demonstrant de persconferentie van de Britse premier. En in Brighton op het congres van de TUC – de centrale van Britse vakbonden – werd Blair dinsdag uitgefloten en liepen leden demonstratief de zaal uit.

 Na bijna tien jaar zijn de Britten uitgekeken op Tony Blair, net zoals ze dat eind jaren tachtig waren op Margaret Thatcher. De populariteit van Blair is gedaald tot een absoluut dieptepunt. Volgens de laatste peiling ziet slechts 25 procent van de Britten in hem een capabele leider.

 Maar het probleem is dat ze nog minder enthousiasme kunnen opbrengen voor zijn mogelijke opvolger Gordon Brown, de huidige minister van Financiën. Slechts 17 procent vindt hem een capabele leider. En slechts 8 procent (voor Blair is dat tenminste nog 22 procent) denkt dat Brown voldoende persoonlijkheid voor de baan heeft. Alleen wordt Brown geacht de problemen van de natie (22 procent tegenover 20 procent voor Blair) beter te begrijpen.

 De val van Tony Blair vorige week heeft zijn ‘opvolger’ nog verder beschadigd. Brown is afgeschilderd als de nieuwe Brutus, de man die de poten onder de stoel van de premier heeft weggezaagd en daarna lachend in de auto stapte. Hij is verweten de kwade genius te zijn geweest achter de coup die Blair dwong aan te kondigen binnen twaalf maanden op te stappen. Hij zou hierdoor de partij zelfs hebben vernietigd.

 Daarnaast wordt door Labourkopstukken als voormalig minister Charles Clarke openlijk getwijfeld aan zijn geschiktheid als premier. Brown zou een control freak zijn. Hij zou over te weinig moed beschikken en niet in staat zijn de psychologische vraagstukken van het land aan te voelen. Hij wordt gezien als een emotieloze robot die alleen op de centen kan passen maar niet de natie kan inspireren of een nieuwe koers kan uitzetten. Kortom, Brown is niet bepaald iemand naar wiens premierschap door de natie reikhalzend wordt uitgekeken.

 Brown zelf probeert op dit moment zijn imago bij te stellen. Afgelopen zondag ontkende hij zijn betrokkenheid bij de coup in een taal die volgens BBC-verslaggever Nick Robinson zelfs ‘menselijk leek’. De 55-jarige Brown probeerde cool over te komen. Hij zei een fan van de Arctic Monkeys te zijn. En hij verklaarde zelfs als Schot – mogelijk de enige in dat land – te hopen dat Engeland ooit wereldkampioen voetballen zal worden. Gisteren benadrukte hij zijn patriottisme verder door een bevlogen speech bij de lancering van de nieuwe Mini – ‘een bewijs dat dit land kan concurreren in de wereldeconomie’.

 Brown is nog altijd de meest waarschijnlijke opvolger van Blair, maar niet langer de gedoodverfde, laat staan automatische troonpretendent. Bij de bookmakers in Londen die over het algemeen betere voorspellers zijn dan opiniepeilers, is de odd voor de huidige minister van Financiën in de afgelopen week al flink gedaald. Daarentegen is die van mogelijke Blairite-uitdagers gestegen. Op dit moment zijn de politieke zwaargewichten binnen Labour aan het wikken en wegen: scharen ze zich achter Brown of gaan ze voor hun eigen kansen met het gevaar uit de politieke boot te vallen?

 De meest waarschijnlijke uitdager voor Brown is op dit moment de huidige minister van Onderwijs Alan Johnson. In een gisteren gehouden speech liet hij iets van zijn ambities doorschemeren. In plaats van zich tot zijn portefeuille te beperken pleitte hij voor een vereniging van New Labour en Old Labour in Real Labour. Maar voor Britten is Johnson een even onbekend fenomeen als voor buitenlanders. Een meer geprofileerde Blairite als de huidige minister van Binnenlandse Zaken John Reid zou het volk meer aanspreken dan Johnson, hoewel zijn populariteit even gering is als die van Blair zelf. Mogelijk staat op het laatste moment is de leiderschapsstrijd nog een outsider op die de natie wel kan begeesteren. Maar de meeste Britten hebben er weinig vertrouwen in.

 Tory-leider David Cameron wordt door velen nog het meest gezien als Blairs natuurlijke opvolger, maar deze jonge politicus zal op zijn vroegst pas bij de verkiezingen van  2009 een kans maken op het premierschap. Daarnaast is hij te veel een upperclass-figuur om echt in de voetsporen van Tony Blair te treden.

 De Britten zullen bij gebrek aan alternatief Tony Blair waarschijnlijk nog gaan missen. En hoe dichter zijn echte afscheid nadert – vermoedelijk in mei volgend jaar – hoe populairder hij waarschijnlijk zal worden. Mogelijk zal zijn de long goodbey niet hoeven te eindigen met spitsroeden lopen.

Uit de Volkskrant van 23 augustus (25000 editie)

BLAIR ANTWOORDT NIET


Het echte nieuws is te vinden op straat, in de wandelgangen van het parlement en vooral in de pub, waar de Britten zichzelf en hun land minder serieus nemen en graag bakkeleien met that nosy-parker from Holland.

 

Word je met een ander gevoel wakker in een land dat nog altijd pretendeert over de wereldzeeën te regeren? Nee, zij het dat het bier slapper is en daardoor de kater na een pubbezoek minder erg.
Maar het nieuws lijkt iedere ochtend zoveel opwindender te zijn dan in Nederland. De politici zijn uitgesprokener, de celebrity’s beroemder, de gebeurtenissen dramatischer en het debat heftiger.
De Britten hebben het buitenland niet nodig. De voorpagina’s van Britse kranten die ik ’s morgens op de stoep vind, zijn op een hoge uitzondering na gevuld met binnenlandse onderwerpen. Nederlandse kabinetscrises, Indonesische vulkaanuitbarstingen en Tsjetjeense onlusten kunnen zelfs in de serieuze pers niet concurreren met binnenlandse trivialiteiten als de koopwoede van de Engelse voetbalvrouwen en het feit dat Sadie Frost blij is dat Kate Moss niet wordt vervolgd voor cocaïnegebruik. Bekende Britten lijken zoveel meer voor te stellen dan BN’ers.
Voordat ik doorblader naar het echte nieuws, kijk ik op de website van de BBC. Ik zou niet willen dat een buitenlandredacteur mij belt met de opmerking ‘Elizabeth is dood’ en ik van niks weet.
Het enige opmerkelijke bericht zit in mijn e-mailpot: een persbericht van Cardiff University dat uit een onderzoek is gebleken dat deze vrijdag – 23 juni – de gelukkigste dag van het jaar is: het is lang licht, iedereen verheugt zich op het weekeinde, de vakanties zijn in aantocht en de zomer is nu echt begonnen. Ik maak er meteen een berichtje van op mijn weblog – je kunt er in de krant van de 24ste niet meer mee aankomen. Het idee dat vandaag de gelukkigste dag van het jaar moet zijn, stemt mij meteen depressief.
Toen ik als correspondent begon, bladerde ik zeven kranten door, knipte alles uit en vormde in twee weken een stapel knipsels die voldoende kopij voor vijf jaar zou genereren. Twee maanden later gooide ik de vergeelde knipsels weg en beperkte mij tot twee kranten. Het echte nieuws is beter te vinden in de wandelgangen van het parlement, op straat en in de pubs, waar de mensen zichzelf en hun land minder serieus nemen dan de media en graag met that nosy-parker from Holland redetwisten.
Het correspondentschap begint met een lege agenda, een blanco adressenboek en veel vrije tijd, waardoor ik dacht in een jaar mijn golfhandicap te kunnen halveren. Inmiddels is het netwerk zo groot dat een hoofdredacteur zich aan kapitaalvernietiging zou schuldig maken door mij terug te halen naar Nederland en is de agenda zo vol dat driekwart van alle borrels moet worden afgezegd om niet in de Betty Ford-kliniek te eindigen.
Elke dag begint met de kruistocht tegen de Britse bureaucratie. Waarom ontbreekt de contrasignering op de accreditatie voor de Labour-conferentie eind september? Als je te laat bent, kost het tweehonderd pond. En waarom heb ik nog niets van Arsenal gehoord over de benefietwedstrijd van Bergkamp?
Vandaag zijn er vijf persconferenties in Londen die ik graag zou willen bezoeken. Maar ik kan er maar één doen, omdat ze bijna allemaal om elf uur beginnen. Ik wil een reportage maken over de Speaker’s Corner op Hyde Park die teloor lijkt te gaan en heb een interviewafspraak met ex-hardloper, Tory-toff en bobo Lord Seb Coe die de Olympische Spelen in Londen gaat organiseren.
Als correspondent lijkt ineens alles interessant. Ik zal niet over de baan klagen. Je mag in een ander land vijf jaar boven je stand leven. Je hoeft daarvoor niet eens zoals een zakenbankier elke ochtend om half zes op te staan, maar kunt tot half negen in bed blijven liggen. Je wordt uitgenodigd voor de garden party op Buckingham Palace en de preview van de nieuwe Velasquez-tentoonstelling in de National Gallery, waarvoor het publiek uren in de rij moet staan. Met een accreditatie kun je vooraan zitten op Old Trafford, Wimbledon en de royal enclosure van Royal Ascot. En je mag zelfs af en toe de premier een vraag stellen.
De persconferenties van Tony Blair kennen een vaste hiërarchie van vragenstellers: BBC, ITV, Channel 4, Sky, The Sun, The Times tot uiteindelijk Robin Oakley van CNN.
De rest of the presspack mag daarna om de microfoon vechten. Blairs vinger gaat wijzend rond. Ik ben ik er twee keer in geslaagd een vraag te stellen. Antwoord krijg je niet. Blair is de grootmeester van het ontwijkende antwoord. En je kunt er niet op door gaan: Prime minister, that was not an answer to my question. De microfoon is al weer verplaatst naar een Poolse journalist die iets wil weten over een diplomatiek incident in Warschau.
Nieuws levert Blairs persconferentie nooit op. Het gaat er ook niet om wat hij zegt, maar hoe hij zegt. Het draait om presentatie en spin.
Van de schijnwereld van Garden Party’s, Brit Awards, Downing Street en Seb Coe waar iedereen zich belangrijk vindt, ga ik naar huis. Om vier uur ’s middags heb ik nog niets voor de krant van de volgende dag. Mijn vingers jeuken. Een krant zonder stukje van mij is mijn krant niet.
Gelukkig staat de reportage over Nottingham er morgen in. Maar ik wil ook nog iets schrijven voor de nieuwspagina.
Er ligt nog een onderzoek dat de verkeersopstoppingen in de stad nu erger zijn dan voor de invoering van de omstreden congestieheffing – een toltarief waar ook in Nederland naar wordt gekeken. Het onderzoek lijkt goed onderbouwd met cijfers van gemiddelde snelheid op vele punten in de stad. Maar de bron is verdacht: de autolobby. Ik bel de dienstdoende voorlichter van Transport for London voor een reactie. Hij laat mij vijf minuten aan de lijn hangen. ‘Helaas. Mijnheer O’Hara moet u antwoord geven, maar die is al naar huis. Belt u maandag maar terug.’ ‘Dat kan niet’, roep ik boos. ‘Het gaat om een stukje voor de krant van morgen. Ik moet vandaag antwoord hebben.’
Hij laat mij weer vijf minuten hangen. ‘Sorry. Maar u kunt beter een e-mail sturen met de vragen.’ Uiteindelijk zoek ik mijn toevlucht tot chantage. ‘Als u niet reageert staat in een Nederlandse kwaliteitskrant de kop Congestieheffing mislukt.’ Na tien minuten heen en weer praten, zegt hij mij weer even geduld te hebben. Daarna klinkt het aan de andere kant van de lijn: ‘John O’Hara.’
Ik kan het nieuwsstukje genuanceerd opschrijven. Mijn vrouw komt thuis uit het echte Engeland. Ze heeft een baan als gids op Hever Castle (kasteel van Hendrik VIII’s tweede echtgenote Anne Boleyn) waar ze rondleidingen geeft aan Britse schoolkinderen, wier ouders nooit snappen dat een buitenlander met de onuitspreekbare naam Zuurbier hen over de Tudor-periode vertelt. ‘Hoe was het?’, vraag ik. ‘Ik had vandaag een groep kinderen uit Belgravia. Toen ik vertelde dat de broer van Hendrik VIII Arthur heette, zei een 8-jarige wijsneus: ik heet ook Arthur. Ik vroeg hem of hij ook de prins van Wales was. Nee, zei hij, maar zijn familie is wel gerelateerd aan de Duke of Wellington.’
’s Avonds kijk ik met timmerlieden, huisschilders, een boekhouder en een leraar in het clubhuis van de cricketclub naar een WK-voetbalwedstrijd. ‘Heet iemand van jullie Arthur? Geloven jullie dat Londen in 2012 klaar is voor de Spelen? En wanneer treedt Blair af? In krijg antwoorden waar geen krant tegenop kan. Ik voel mij een beetje wijzer en geniet van de gelukkigste dag van het jaar.

Uit de Volkskrant van 12 juli

 

Engelsen en de McMaffia

 

Cristiano Ronaldo mag in Engeland een haatfiguur zijn geworden, in Schotland zou hij even groots worden ingehaald als de Italiaanse wereldkampioen in Rome. Teams – zoals Portugal – die van Engeland winnen, worden traditioneel ‘ere-Schotten’ genoemd, zelfs als daarbij middelen worden gebruikt die neutrale voetbalsupporters niet echt zullen waarderen.

 Is de voetbalhaat tussen Engelsen en Schotten groter dan die tussen Duitsers en Nederlanders? Waarschijnlijk niet, alleen leven Duitsers en Nederlanders niet in hetzelfde koninkrijk.

 Indien een ZDF-televisieploeg tijdens het WK een VW Golf met een grote en twee kleine Duitse vlaggen op een zaterdagavond in de Schildersbuurt van Den Haag had geparkeerd, zou er ook een gerede kans zijn geweest dat het voertuig niet onbeschadigd teruggevonden zou worden. Indien aan de vooravond van de wedstrijd ADO-Ajax een Nederlandse auto met een Ajax-vlag daar was geplaatst, zou er heel waarschijnlijk weinig van over zijn gebleven.

 De uitkomst van de Newsnight-undercoveroperatie met het parkeren van een in Engeland-vlaggen gedrapeerde auto in een arbeidersbuurt in Glasgow was dan ook tamelijk voorspelbaar en de kritiek over uitlokking van vandalisme niet helemaal onterecht.

 Het undercoverproject zegt in dat opzicht ook weinig over de betrekkingen tussen de twee landen die samen met Wales Groot-Brittannië vormen en samen met Wales en Noord-Ierland het Verenigd Koninkrijk. Sportieve rivaliteit is een slechte indicator voor de daadwerkelijke betrekkingen tussen landen en volken.

 Engelsen hebben geen hekel aan de Schotten – in tegenstelling tot de Ieren en de Welsh. Schotten worden beschouwd als rechtdoorzee en zuinig en mogen daarom de schatkist bewaren. Misschien zijn ze wat zwaarmoedig, maar ook gastvrij en vriendelijk. Zelfs op sportgebied koesteren Engelsen enige sympathie voor de Schotten, omdat ze bijna altijd zo vriendelijk zijn te verliezen. De echte aartsrivalen zijn de Welsh, vooral met rugby.

 De Schotten maken het op hun beurt de Engelsen zelden moeilijk. Sinds de Jacobieten in 1746 het onderspit moesten delven tegen het Britse leger (veertig jaar nadat het Schotse parlement was afgeschaft) is het nooit meer tot een serieuze opstand gekomen. De Schotten koesteren weliswaar graag het romantische beeld van een onafhankelijk Schotland – het land heeft er meer historische rechten op dat menig staatje in Oost-Europa of de Balkan – maar gaan daarvoor niet op de barricades.

 In de jaren dertig van de vorige eeuw werd met de Scottish National Party (SNP) een politieke beweging opgericht die nadrukkelijk onafhankelijkheid nastreefde. Maar het duurde tot in de jaren zeventig tot de SNP electoraal werkelijk enige voet aan de grond kreeg. De Mel Brooks-film Braveheart over de Schotse held William Wallace gaf het Schotse nationalisme in 1995 een nieuwe impuls. In 1999 gunde Tony Blair de Schotten een eigen parlement en regering waarmee Schotland – behalve op het gebied van defensie en buitenlandse zaken – zelfbestuur kreeg.

 Maar de meerderheid van de Schotten wil geen verdere stap zetten en ook de koningin bij het oud vuil dumpen. De SNP is nooit de grootste partij van het land kunnen worden (nu de tweede achter Labour) en verloor zelfs tijdens de laatste parlementsverkiezingen een deel van haar achterban.

 In Groot-Brittannië hebben de Schotten economisch en politiek gezien ook weinig reden tot klagen. Ze zijn hier bijna een bevoorrechte minderheid. De Schotten ontvangen gemiddeld per inwoner 1500 pond per jaar meer uit de staatskist dan de Engelsen.

 En de vijf miljoen Schotten (tegen vijftig miljoen Engelsen) zijn oververtegenwoordigd in alle Britse bestuursorganen. Ze hebben relatief meer parlementariërs dan de 10 procent waarop ze getalsmatig recht hebben en vooral veel meer kabinetsleden. Niet alleen heeft Blair zelf sterke Schotse wortels, liefst zeven ministers zijn Schots, onder wie minister van Defensie Desmond Browne, minister van Handel en Industrie Alistair Darling en ook minister van Financien Gordon Brown. De huidige leider van de Liberaal-Democraten is Schots, net als zijn voorganger. En de Speaker van het Lagerhuis (kamervoorzitter) is eveneens een Schot.

  De ‘McMaffia’ wordt in Westminster getolereerd. Dat de Schotse kabinetsleden beslissen over onderwijs, gezondheidszorg en pub-openingstijden in Engeland - terwijl Engelse parlementariërs niets te vertellen hebben in Schotland – heeft alleen bij een conservatief deel van de Engelsen kwaad bloed gezet. Zelfs het verscheuren van de Engelse vlag tijdens het WK, windt de meeste Engelsen niet op. Het werd pas een zaak toen de Schotten zich er druk over gingen maken omdat het door de BBC uit Londen was uitgelokt.


Uit de Volkskrant van 10 juli

Huizenjacht

Cash or mortgage?’, klinkt het korzelig. Een jongeman van begin twintig zit achter een tafeltje bij de entree van het showappartement van een nieuwbouwproject in de Londense wijk Bermondsey.

 Hier verrijzen op ruim een kwartier loopafstand van station London Bridge 43 nieuwe koopappartementen. De eerste dertien op de twee eerste verdiepingen worden vandaag te koop aangeboden. Vanmorgen stond de advertentie in de krant dat vanaf 10.00 uur een showappartement van het Artesian Building is te bezichtigen.

 Als woningzoekenden in Londen hebben we belangstelling. De prijzen zijn voor Londen en zeker voor een wijk met de postcode SE1 heel aantrekkelijk: vanaf 215 duizend pond (ruim drie ton) voor een éénkamerappartement.

 De buurt valt in eerste instantie niet mee. SE1 is nog niet zo hip als Islington of Notting Hill, laat staan zo sjiek als Chelsea of Kensingston. Maar Bermondsey is in ontwikkeling en trendy aan het worden, zo wordt ons van alle kanten verzekerd. Dat lijkt echter vooral voor het gedeelte aan de oever van de Theems te gelden.

 Het Artesian Building aan Tabard Square ligt nog in een gribusbuurt waar veel winkels zijn dichtgetimmerd en met graffiti beklad, huisvuil op straat is gegooid en de kleine rijtjeswoningen zeker al enkele decennia geen likje verf meer hebben gezien.

 Hoe verder we van London Bridge afdwalen hoe stiller het wordt op straat. ‘Ik weet niet of ik hier ’s avonds wel durf te lopen’, zegt mijn vrouw. ‘Het valt mee’, houd ik nog even de moed erin. ‘Kijk, daar is het al. Tenminste dat moet het zijn.’

 Om de hoek is de ingang naar het showappartement op de eerste verdieping. Het is even na één uur s’middags. Ineens staan we in de rij. Het showappartement is te klein om alle belangstellenden tegelijkertijd een kijkje te laten nemen.

 Als we aan de beurt zijn, volgt meteen de vraag van de jonge vertegenwoordiger van makelaar Savills: ‘In contanten of hypotheek?’ Aan dat antwoord zijn wij eigenlijk nog lang niet toe. ‘We wilden even kijken..’

 Kijkers? Hij lijkt verbaasd. ‘Er zijn er nog twee te koop. Type D2 op de tweede verdieping van 71 vierkante meter vloeroppervlak voor 294 duizend en type C2 – eveneens 71 vierkante meter – voor 296 duizend pond.’ Hij zet een kringetje om de twee resterende appartementen op het A4-tje met de hele lijst. In amper drie uur zijn er al elf verkocht.

 Drie minuten later lijkt ook de twaalfde een koper te hebben. De man achter ons in de rij zegt meteen ongezien te willen kopen. ‘Oh ja,’ antwoordt de jongeman van Savills. ‘Met hem kunt u de financiën afhandelen.

 De Londense huizemarkt is al jaren overspannen, maar lijkt nu compleet te zijn dolgedraaid. We nemen toch maar eerst even een kijkje in het showappartement. In de woonkamer ligt een lametvloer. In de slaapkamer moet je gebukt lopen om het hoofd niet te stoten aan de schuine wand. Het is echt piepklein. Er is uitzicht op een park. Maar er is geen balkon. ‘En de ramen van zowel de woon- als slaapkamer zijn op het noorden. Dus helemaal geen zon’, merkt mijn vrouw op.

 En met de aankoopsom ben je er nog lang niet. Er komt ook nog 250 pond grondrente per jaar bij. En dan natuurlijk een fors bedrag aan servicekosten. ‘Is het dan tenminste een freehold?’ Nee, ook niet. Een leasehold van 125 jaar.

 We sommen de lijst van nadelen op aan een vrouwelijke medewerker van het makelaarskantoor die een oogje in het zeil houdt. Ze lacht er een beetje om en schudt zelfs het ervaren vastgoedhoofd. Buitenlanders die niets weten van de Engelse woningmarkt en die proberen te onderhandelen over de prijs, zo lijkt ze te denken. In Londen betaal je de vraagprijs, zo niet meer dan de vraagprijs. Twee mensen die ook een kijkje nemen hebben er al één gekocht en kijken nog wat rond. Een echtpaar heeft er een voor de dochter die binnenkort het huis uit wil. Een andere jongen zegt hem als investering te hebben gekocht. ‘Ik ga er niet zelf wonen. Ik hoop als de bouw is voltooid hem meteen weer te verkopen. Dit levert altijd geld op. Van London Bridge heb je ideale verbindingen naar St. Pancras, waar volgend jaar de Channel Tunnel Rail Link eindigt en naar Stratford, waar in 2012 de Olympische Spelen worden gehouden. Ik zou meteen kopen… Location. Location’, adviseert hij.

 Als Nederlanders kijken we wekenlang later nog steeds

 

Uit de Volkskrant van 2 juni

            Schild begraven onder croquetgazon

 

Een onschuldig spelletje croquet is de nieuwe nagel aan de Blair-regering’s doodskist die zoveel nagels nodig lijkt te hebben.

 Vice-premier John Prescott werd vorige week gesnapt toen hij tijdens kantooruren croquet speelde op het gazon van zijn buitenhuis Dorneywood in Buckinghamshire, een langoed dat in de jaren veertig door de Courtauld-familie ter beschikking van de regering werd gesteld.

 Indien premier Blair zich op zijn eigen Chequers aan deze sport had gewaagd had er waarschijnlijk geen haan naar gekraaid. Maar nu de arbeidersklassejongen John Prescott – de man het linkse gezicht van de Blair-regering moet ophouden – zich aan dit upperclass-vermaak bezondigde was Westminster in rep en roer. Zijn verdediging – ‘ik kende de regels niet eens. Ik werd er door mijn mensen toe gedwongen en kon toch moeilijk zeggen dat het tegen mijn ideologische positie is’ – hielp hem weinig. Woensdagavond moest Prescott zijn buitenverblijf opgeven om zijn politieke lijf te redden.

 ‘Als een minister negen dagen van slechte krantenkoppen weet te overleven, dan kan hij aanblijven’, formuleerde de fameuze spindoctor Alastair Campbell ooit de regels binnen Blairs kabinet.

 Prescott ligt al een meer dan een maand lang onder vuur van de Britse media, maar heeft tot nu toe zijn functie kunnen behouden. De woensdag 68 jaar geworden vice-premier is een bijzonder geval in Blairs kabinet. Hij is, zoals hij gisteren zelf uitdrukte, het schild van de premier. Hij is ook de scheidsrechter die de opvolging van Blair door Gordon Brown in goede en soepele banen moet gaan leiden.

 Volgens sommigen vormt hij een onverbrekelijk duo met de premier. Als Prescott valt, dan valt ook Blair. Verkiezingen voor een nieuwe plaatsvervangend leider voor Labour, betekenen ook automatisch verkiezingen voor een nieuwe leider. Of zoals Prescott het gisteren zelf zei: ‘Het eigenlijke doel van de campagne tegen mij is de scalp van de premier.’

 Prescott heeft daardoor altijd meer krediet gehad dan welke andere minister dan ook. Hij overleefde een crisis rond zijn persoon toen hij over twee dienst-Jaguars bleek te beschikken. ‘Two Jags’, zoals zijn bijnaam vervolgens luidde, mocht ook aanblijven nadat hij twee keer in de Jaguars op te hard rijden werd betrapt. En nadat Prescott in 2001 op de vuist ging met iemand van het publiek die een ei op zijn rug had stukgegooid, ontlokte hij zelfs een glimlach bij Blair. ‘Dit is John! Je kent hem toch.’

 Heethoofd Prescott was te belangrijk voor Blair. Hij werd geboren in een gezin dat in 1951 door een krant werd uitverkoren als een typisch Britse familie en daarvoor een prijs kreeg van duizend pond. Zijn vader was een spoorwegarbeider uit Noord-Wales die later naar Yorkshire verhuisde. Op zijn elfde jaar zakte hij voor het toelatingsexamen voor een VWO-school. Hij kreeg nog een ander trauma te verwerken toen zijn ouders scheidde en zijn moeder mij vroeg mijn vader op te hangen. Hij werkte als steward op een oceaanstomer voordat hij dankzij zijn verbale talenten in 1970 een parlementszetel voor Labour wist te veroveren als een voorbeeldige representant van de arbeidersklasse.

 Toen Blair in 1994 leider werd, zag hij in Prescott de man die zijn Derde Weg aan de linkervleugel zou kunnen verkopen. Prescott was graag bereid die rol te vertolken. En de schavuit hield het lang uit totdat hij eind april een affaire bleek te hebben met zijn secretaresse. Blair ontnam hem na het verkiezingsdebacle van 3 mei al zijn departementale functies, maar hij mocht zijn positie als vice-premier (inclusief dienstwagens, salaris, pensioenvoorziening en buitenhuis) behouden.

 Labourparlementarièrs zagen dit met argusogen aan. ´Waartoe dient John?’ vroegen zij zich openlijk af nadat de vice-premier keer op keer door de oppositie werd geridiculiseerd.  Zelfs Blairs naaste medewerkers hadden zo weinig waardering voor het krampachtige compromis dat ze een vertrouwelijk gesprek tussen Blair en zijn vice-premier lieten uitlekken, waarin Prescott smeekte zijn landgoed te mogen behouden omdat zijn vrouw het daar zo leuk vond. Maar toen de vice-premier hier besloot met een houten hamer een bal onder negen poortjes probeerde door te slaan, moest hij zijn vrouw het genot alsnog ontnemen.

 Na zijn departement is Prescott ook zijn buitenhuis kwijt. Hij heeft nog zijn functie, Londense huis, Jags en salaris over. Hoe lang nog? Is de nieuwe concessie opnieuw te laat en te weinig? Binnen Labour zoemen de namen van Prescott opvolger al rond: staatssecretaris Harriet Harman (die het vrouwelijke electoraat aan Labour zal moeten binden) of minister Allan Johnson (een andere uitgesproken arbeidersjongen). De opvolger van Blair is al bekend.

 

 

 

Uit de Volkskrant van 28 april

Ethiek! Is dat iets uit Middlesex?

 

Kunnen alleen Britse ministers niet van hun secretaresses afblijven?

 Soms lijkt het er op. Het politieke seksschandaal is in Nederland vrijwel onbekend (Lubbers?), in Amerika uitzonderlijk (nu ja, Clinton dan), in Frankrijk zeldzaam maar in Groot-Brittannië een onafwendbaar einde van bijna elke politieke carriere met uitzondering van die van Margaret Thatcher.
 Het is niet de vraag met wie een minister het nog meer doet dan met zijn eigen vrouw, het is de vraag wanneer het uitkomt. In het laatste Conservatieve kabinet van John Major waren buitenechtelijke affaires en prostitutiebezoek schering en inslag. Alleen de moraalpredikende premier (overhemd in de onderbroek, aldus Spitting Image) stond erboven. Zeven jaar na zijn aftreden werd bekend dat Major in die tijd zelf een affaire had met zijn mede-minister Edwina Currie.

 Tony Blair met zijn belofte van witter dan wit en schoner dan schoon, stelde na zijn aantreden een kabinet samen van keurige huisvaders en
– moeders. Maar tien jaar later is van dat imago niet veel meer over. Het mannelijk deel van zijn New Labour doet tenminste in rokken jagen niet onder voor dat van de Tory’s.

 Wijlen minister Robin Cook ging er met zijn secretaresse vandoor, minister David Blunkett kostte een affaire met een journaliste de kop en nu is het toppunt van hypocrisie bereikt: vice-premier John Prescott blijkt een affaire van twee jaar te hebben gehad met zijn secretaresse. Juist de man die keer op keer de Conservatieven openlijk pestte over hun losbandigheid en zedeloosheid (‘Tory’s denken dat ethiek een graafschap in de buurt van Middlesex is’) staat nu in het centrum van een seksschandaal.

 Kolommen krantenpapier worden gevuld met de smeuïge escapades van de gezette 67-jarige vice-premier die door zijn 24 jaar jongere secretaresse tijdens het liefdesspel DPM (Deputy Prime Minister) werd genoemd. Niemand weet hoe de affaire openbaar is geworden – haar vriend: ‘mijn hart houdt nog steeds van haar, maar mijn verstand haat haar nu’ – maar gezien de vele foto’s die nu in de kranten verschijnen zal er goed geld aan zijn verdiend.

 Toeval of niet: de affaire kwam aan het licht op de dag dat twee andere ministers van Blairs kabinet onder vuur kwamen te liggen. Een bewindsvrouwe werd uitgefloten door woedende verpleegsters, terwijl een andere bewindsman eindeloos sorry moest zeggen omdat duizend criminelen spoorloos in de maatschappij zijn verdwenen.

 Tony Blair heeft in tien jaar al vele crises meegemaakt, maar de driedubbele van woensdag kon toch met een hoofdletter worden bijgeschreven. Zelfs Labour sprak over ‘Zwarte Woensdag’ – een term die ook werd gebruikt voor 16 december 1992 toen het pond sterling onder druk van valutaspeculanten uit het Europees Monetair Stelsel (EMS) werd gehaald. De dag geldt nu in de historie als het begin van het einde van het Tory-tijdperk.

 ‘Zwarte woensdag’ 26 april 2006 zou het symbolische einde van New Labour kunnen inluiden. De opeenstapeling van ‘incompetentie, corruptie en zedeloosheid’ vergde gisteren van de dagbladen complete bijlagen. De Daily Mail had er alleen al veertien pagina’s voor uitgetrokken. Maar ook het Blair vriendelijk gezinde deel van de media sprak over ‘een ineenstorting van New Labour’. Op zijn aardigst werd het kabinet beschreven als een gezelschap ‘politieke clowns’.

 Binnen Labour zelf wordt echter niet gelachen. De zaak Prescott kan nog worden afgedaan als een privé-affaire  (‘Heeft Clinton die ook niet overleefd’, zei Labourparlementariërs Ian Gibson), maar de posities van minister van Gezondheidzorg Patricia Hewitt en vooral minister Charles Clarke van Binnenlandse Zaken zijn heikel geworden. Clarke heeft al tweemaal zijn ontslag aangeboden, maar tot nu toe heeft Tony Blair dit geweigerd. Maar indien blijkt dat een van de verdwenen criminelen recidive heeft gepleegd zal zijn positie waarschijnlijk onhoudbaar worden. Dat laatste is zeker niet ondenkbaar. Liefst 40 procent van de ex-gedetineerden in dit land komt na vrijlating opnieuw in aanraking met justitie.

 Als Blair echter Clarke verliest dan lijkt het spel van tien kleine negertjes te kunnen beginnen. Prescott is de laatste barriere voordat de premier zelf valt. Vanaf het aantreden van Blair is de getapte man van de working classes erin geslaagd de natuurlijke achterban aan de partij te blijven binden. Nu is hij aangeschoten wild geworden, net als zoveel van zijn mede-ministers en zijn premier zelf. Alleen moddert aangeschoten wild soms ook nog jaren voort.

 

 

 

Uit Seasons van 15 april

 

 Leve het kanalenvolk

 

Het zou ons niet gebeuren. Misschien zou na driehonderd mijl een keer een plastic Tesco-zak in de schroef kunnen raken, maar een paar keer goed gas geven in de voor- en achteruit zou afdoende zijn om het euvel te verhelpen. Na drie mijl ging het echter al mis en sloeg op het Trent & Mersey Canal in canalcounty Staffordshire een fuik met metalen ringen om de schroef.

 Meteen leerden we het onderscheid tussen het Engelse kanalenvolk en het rivieren- en merenvolk kennen. Binnen een kwartier waren drie boten aangemeerd om een helpende hand te bieden.

 Eigenlijk is er geen mooiere manier om het green & pleasant land te zien dan vanaf het water. Wandelen – meestal is het klauteren – is te vermoeiend. En daarnaast raak je heel gemakkelijk de weg kwijt in het labyrint van wandelpaden. Sightseeing in een auto over de smalle slingerweggetjes vereist te veel aandacht voor het verkeer. En op de fiets is te gevaarlijk. Dubbeldeksbussen, lorry’s en terreinwagens drukken je continu de berm in als er al een berm is.

 Vanaf de kanalen zie je de achterkant van Engeland, het onzichtbare leven van de talrijke mrs. Buckets in bloemetjesjurken die thee drinken uit met de hand geschilderde Royal Doulton-serviezen. Zelfs de achtertuinen – een veilig bastion waar de op privacy gestelde Engelsen normaliter buitenstaanders weren – zijn nu ineens te bewonderen.

 Wie echt van de Engelse countryside wil genieten, moet zich verkleden als James Onedin en een narrow boat huren – een twee meter brede, twintig meter lange oncomfortabele ogende schuit die zo is gebouwd dat er mee door de smalste kanalen van de wereld kan worden gemanoeuvreerd.

 Nederlanders zouden het niet verwachten. Maar Engeland is niet alleen omringd door water, het heeft ook in land talrijke waterwegen. Niet uit zichzelf. De Duke of Bridgewater, die in de 18-de eeuw zijn kolen naar Manchester wilde krijgen, besloot dat het rivierenarme land zelf de waterwegen zou moeten graven. Vijftig jaar later had Engeland een net van smalle kanalen gecreëerd waar door paarden voortgetrokken schepen de industriële revolutie mogelijk maakte, bijvoorbeeld de bouw van de beroemde aardewerkfabrieken (Wedgwood, Royal Doulton) van Staffordshire.

 Maar al in de tweede helft van de 19-de eeuw kwam door de opkomst van de spoorwegen de klad in het watervervoer. Honderd jaar later waren de kanalen vervallen tot onbegaanbare sloten en nutteloos viswater. De oude voor deze kanalen gebouwde transportschepen roestten weg langs de kant.

 Maar de afgelopen drie decennia zijn in het kader van de  toeristische revolutie de kanalen uitgebaggerd en de sluizen hersteld. De narrow boats zijn opgekalefaterd en hebben moderne bedden en dito sanitair gekregen. Vaak zijn ze overgeschilderd in zulke bonte kleuren dat Venetiaanse gondeliers er zere ogen van moeten krijgen.

 De boten zijn nu te koop, te huur of in time-sharing te verkrijgen. Niet iedereen is echter meteen een Engelse pikbroek. Wie zich op de narrow boat wil wagen, moet een korte cursus van een uur volgen hoe met de boot om te gaan. Het lange bakbeest wil niet altijd even snel op elke beweging van het roer reageren. Daarnaast moet kunnen worden geschut, want alle sluizen zijn handmatig en moeten zelf worden bediend. En ten slotte moet de geschreven en ongeschreven gedragsregels van de kanalen worden geleerd. Zo moet ineens heel onlogisch weer rechts worden gevaren. En ook is de maximum snelheid slechts vier mijl, zodat de rietkragen niet worden beschadigd. Iemand die stevig doorwandelt over het jaagpad, haalt tot zijn verbazing en soms niet geringe plezier de dobberende schippers in.

 Ergernis daarover op het water is ongepast. Volgens de ongeschreven regels zijn kanalenvaarders geduldige mensen die van het landschap genieten en probleemloos een uur wachten bij een drukke sluis. Uiterlijk vertoon is eveneens taboe. Patserige jachten horen niet thuis op de kanalen, net als schippers met geruite petten of Nike-sportschoenen. Op het kanaal wordt niets op het hoofd gedragen, behalve een wollen muts bij extreme koude. Kanalenvaarders schuiven s’avonds in de pub bij elkaar aan en drinken samen een pint met real ale – nooit pils of wijn. Ze eten biologische groente die ze zelf telen in koperen ketels op het dak van de schuit. En kanaalmensen helpen elkaar in nood. Ze assisteren elkaar bij de sluizen. ‘Ja, ik hoorde dat u vanavond nog in Stone moest zijn. En het wordt al gauw donker. Daarom heb ik de sluis maar even voor u open gedaan’, zegt een vrouw die zelf even verderop al is aangemeerd voor de nacht.

 En kanalenvaarders pakken hun gereedschapskist, trekken hun mouw op en knippen met een tang de metalen ring van de fuik door. Leve het kanalenvolk.

 

Uit de Volkskrant van 10 april

Woodward & Woodward

 

98 Keer zal ze haar mooiste glimlach tonen. Het is elf uur in de grote ballroom van Buckingham Palace. Koningin Elizabeth begint met het uitreiken van de onderscheidingen – een ceremonie die hier twintig keer per jaar plaatsvindt en nog een keer in Schotland.

 Thomas Woodward uit Wales wordt als eerste naar voren geroepen – een zonnebankgebruinde zestiger met pikzwart geverfd haar. Hij wordt onmiddellijk herkend als het popidool Tom Jones, maar niemand in de zaal kan dat tegen zijn of haar buurman zeggen. Van te voren is te kennen gegeven dat tijdens de plechtigheid niet mag worden gefluisterd, laat staan mag worden geklapt of andere vormen van bijval mogen worden geuit.

 De koningin prevelt een paar zinnetjes tegen hem en hij antwoordt. Maar in de zaal is er niets van te verstaan. Het geluid gaat verloren in de achtergrondmuziek van een militaire kapel. Iedereen heeft recht om een moment van privacy met hare majesteit. Daarna volgt de ridderslag. Vanaf nu heet de zanger van Delilah, Green Green Grass of Home en Sex Bomb Sir Tom Jones.

 Voor de koningin is het routinewerk, maar voor de 98 mannen en vrouwen die een lintje krijgen is het een hoogtepunt in hun leven. David Woodward (59) – naamgenoot van Thomas (‘ook ik heb voorouders in Wales’) – heeft zijn vrouw en twee kinderen mee mogen nemen naar de ceremonie. Zijn andere gasten moeten buiten de paleispoort wachten. ‘Er is een maximum van drie gasten die je binnen mag uitnodigen’, zegt hij.

 Hij heeft jarenlang voor BP in Azerbeidjan gewerkt aan een nieuwe pijpleiding en wordt daarvoor nu beloond met een CMG (Companion of St. Michael en St. George). Officieel behoort hij ook tot de British Order of Knighthood, zij het dat hij zich geen Sir kan noemen. Maar hij kan de titel wel achter zijn naam in het telefoonboek zetten. Twaalf Britten krijgen vandaag een CMG, een onderscheidingen die in de diplomatieke dienst ook wel gekscherend Call Me God wordt genoemd.

 Quinta Woodward, zijn Nederlandse vrouw, is reuzentrots. ‘Ik was nog nooit op Buckingham Palace geweest. Het is leuk om mee te maken. En perfect georganiseerd.’ En ook de onderscheiding spreekt haar aan. ‘Niet zo’n klein dingetje als in Nederland. Neen. Een fors kruis. Met een groot lint en een klein lint zodat je het op het jacquet kunt dragen.’ Er zijn ook rechten aan verbonden. Zo mogen de familieleden van David Woodward in de toekomst hun doopjes en trouwerijen houden in de Royal Chapel van St. Paul’s Cathedral. ‘De bedoeling is eigenlijk wel dat je daarvoor in ruil een donatie geeft voor het onderhoud van de kapel’, zegt Quinta.

 De koningin wisselt ook met David een paar woorden uit, nadat hij is aangekondigd als ‘president van BP in Azerbeidjan’. ‘Werkt u aan de pijpleiding?’ Ze weet ervan. ‘Ik moet haar bewonderen. Een uur lang staat ze recht overeind en heeft ze voor iedereen een persoonlijk woordje. Bijna honderd keer’, zegt Quinta Woodward.

 Er volgen andere beroemdheden. Paddy Ashdown – voormalig Lib-Demleider en high representative in Bosnië – krijgt er een onderscheiding, net als de dames van het zangtrio The Beverly Sisters, die veel jonger zijn dan de koningin maar er veel ouder uitzien.

 En daarna volgt het leger van naamlozen die ook een keer hun opwachting mogen maken op het paleis om hun OBE of MBE (Order of the Britsh Empire en Member of the British Empire) in ontvangst te nemen. Er mogen zelf geen foto’s worden gemaakt noch video’s gedraaid. Na afloop kan iedereen de officiële foto of video krijgen. Koffie of thee wordt evenmin geserveerd. Maar niemand ergert zich aan de koninklijke karigheid. ‘Het duurt maar een uurtje.’ De media wachten op de binnenplaats van het paleis de beroemdheden op. David Woodward schiet hier even zijn naamgenoot Thomas Woodward aan, nadat de laatste zijn interviewtje voor de BBC heeft gedaan. Vervolgens gaat iedereen over de grote trap het paleis weer uit. Toeristen vergapen zich aan de mensen die hun onderscheiding hebben opgehaald. Met hun hoeden en jacquets – vaak voor deze gelegenheid aangeschaft – lijkt het echt een hoog gezelschap. Uiteindelijk zullen ze niet alleen zijn onderscheiden, maar ook in een Amerikaans of Japans fotoboek belanden.

 

 

Uit de Volkskrant van 27 maart

Katholiek, protestant, katholiek, protestant’

 

Het is een koddig gezicht: dertig kleuters van vijf en zes jaar in hun uniformpjes en petjes voor de ophaalbrug van het kasteel. Ze staan even perfect in de rij als een peloton soldaten op Sandhurst. De school uit zuid-Londen heeft een excursie georganiseerd naar Hever Castle in Kent, het geboortehuis van Anna Boleyn, de tweede vrouw van koning Hendrik VIII.

 In dit land kan de vaderlandse geschiedenis niet vroeg genoeg worden onderwezen. Het rijtje koningen sinds 1066 – William, William, Henry, Stephen, Henry, Richard, John, Henry, Edward, Edward, Edward, Richard enz. – wordt er op dezelfde wijze ingestampt als het rijtje Indische eilanden – Sumatra, Java, Bali, Lombok, Sumba, Sumbaya, Floris, Timor enz. – bij Nederlandse scholieren in de jaren dertig.

 Maar het lijkt zelfs voor een privéschool overdreven om kinderen van die leeftijd al met de reformatie te confronteren. Mijn vrouw die daar als gids werkt en nooit verlegen zit om een aangepaste anekdote voor welke bezoekersgroep dan ook (van lichtelijk beschonken Londense effectenmakelaars tot negenjarige leerlingen van een immigrantenschool in een achterstandswijk), weet dit keer amper hoe ze moet beginnen met het verhaal.

 Hoe leg je zulke jonge kinderen uit waarom de koning zes vrouwen had? En hoe zeg je dat Hendrik door te willen huwen met de tweede vrouw de paus van Rome tegen zich in het harnas joeg en daarna besloot zelf maar hoofd van de kerk te worden?

 Tussen de twee valhekken na de ophaalbrug zijn gelukkig de moordenaarsgaten te zien. ‘Zien jullie ze ook?’ wijst ze omhoog. ‘Als de vijand naar binnen kwam werden de valhekken neergelaten en werd door die gaten pek en kokende olie op hun hoofden gegooid. Hoeveel tellen jullie er?’ De kinderen die bijna wezenloos met grote ogen het verhaal aanhoren, worden ineens actief. Ze gooien hun hoofden achterover en schreeuwen om het hardst. ‘Vijf.’ ‘Zeven.’

 Het spelletje ‘ik zie, ik zie, wat jij niet ziet’ lijkt aan te slaan. Binnen in het kasteel zijn er de priestergaten – de plekken waar de katholieke priesters die in de Tudor-periode werden vervolgd zich opscholen als de protestanten binnenkwamen. De kinderen vinden ze tot bovenop het hemelbed van Hendrik VIII. ‘Maar waarom deden ze dat?’ willen ze daarna weten.

 ‘Ja, eerst was iedereen katholiek en toen kwam de zoon van Henry en die wilde dat iedereen protestant zou zijn. Maar hij overleed al snel. Daarna kwam er een koningin op de troon die katholiek was en Bloody Mary heette. Maar ze werd opgevolgd door haar halfzus die weer protestant was. En elke keer gingen de anderen weer op de brandstapel. Je weet wel zoals bij jullie thuis op de barbecue’, legt ze uit.

 Met de schilderijen van Hans Holbein hoef je als gids bij deze kinderen niet aan te komen, net als de fraaie lambrisering. De namen van de zes vrouwen van Hendrik kennen ze ook niet, maar wel het rijmpje waarmee iedere Brit ze onthoudt: divorced, beheaded, died, divorced, beheaded, survived (gescheiden, onthoofd, doodgegaan, gescheiden, onthoofd, overleefd). Dat hebben ze op school al uit hun hoofd moeten leren.

 Anna Boleyn was de tweede en werd onthoofd, zo weten ze. ‘Maar hoe?’, wil een kind weten. ‘Met een zwaard.’ ‘Dat zwaard.’ ‘Nee, maar wel met een soortgelijk zwaard.’ ‘Waar werd ze onthoofd?’ vraagt een ander kind. ‘In de Tower of London.’ ‘Welke City is dat?’ vraagt een jongetje met een rood hoofd. ‘Londen!.’

 De tour eindigt op de Long Gallery vol manshoge poppen met figuren uit de Tudor-tijd en een kamer met martelwerktuigen en een middeleeuws toilet. ‘Wat een koude billen kregen de mensen op dit toilet’, merkt de grootste slimmerik op. Het is een sprookje, zij het een eng sprookje.

 Heb je er wat van opgestoken, vraagt ze aan het einde van de anderhalf uur durende tour. ‘Ja,’, zegt de kleinste kruimel. ‘catholic, protestant, catholic, protestant.’ Zelfs de juffrouw – een streng kijkende dame in mantelpak – moet er even om lachen.

 

 

Uit de Volkskrant van 20 februari

Eh, ah, ja Sjoukjie…….

 

Deze week heb ik voor het eerst curling gespeeld – een sport waarbij op grote fluitketels lijkende stones over het ijs moeten worden geschoven naar een verderop gelegen cirkel. Sinds een viertal Schotse huisvrouwen hiermee vier jaar geleden goud wonnen is ook in Engeland een heuse curlingbaan verrezen, toevallig in een oude boerderij niet ver van waar wij wonen.

 Het spel viel niet mee. De bedoeling is dat iemand de stone op subtiele wijze over het ijs laat glijden en dat de andere teamleden heel snel vooruit lopen en met een bezem over het ijs vegen om het projectiel te sturen en wat meer snelheid te geven. De stone moet uiteindelijk in het midden van een cirkel eindigen. Maar onze aanvoerder gooide het granieten ding met zo grote snelheid de baan uit dat zijn met bezems gewapende teamleden slechts verbouwereerd konden toekijken.

 Het was hilarisch en het gaf ons tenminste een beetje een Olympisch gevoel in een land waar het lijkt of Olympische Spelen alleen in de zomer worden gehouden.

 De BBC zendt de Olympische Winterspelen weliswaar uit, maar alleen als tijdvulling en zure verplichting aan de olympische beweging die zo goed geweest de Zomerspelen van 2012 aan Londen te gunnen. Zo gauw er echt Britse sporten zijn, zoals het jaarlijks rugby-onderonsje van zes landen, verdwijnt het olympisch programma meteen van de nationale zender.

 Afgelopen zondag was er echter acht uur voor vrijgemaakt. De dames zouden over 3000 meter schaatsen en daarbij hadden we als Nederlanders toch enkele troeven in de strijd. Nadat eindeloos door Finnen, Noren, Japanners en Oostenrijkers van een schans was gesprongen, zou er vanaf 19.00 uur live schaatsen te zien zijn. Maar toen ik op dat tijdstip naar BBC2 zapte, zag ik slechts een klein baantje waarop duwende shorttrackers op het ijs balanceerden. Van schaatsen op de lange baan was niets te zien. Zelfs in de samenvatting later op de avond werd de gouden medaille van Ireen Wüst niet genoemd in het overzicht van winnende snowboarders, shorttrackers, crosscountry-skiers, biathlon-atleten, afdalers en rodelaars.

 De volgende dag kwam ik sportfanaat Tony Brown tegen in de supermarkt. ‘Nog de winterspelen gezien? vroeg ik zo argeloos mogelijk. ‘Nee. Doen jullie daaraan mee?’, luidde de wedervraag van de man die elke week de sportquiz presenteert in de verderop gelegen social club. Ik was bijna beledigd. Hebben we goud en dat valt het niemand in dit land op. Denken de Britten dat we alleen pijltjes kunnen gooien?

‘Ja, en we hebben goud gehaald’, riep ik bijna verontwaardigend. ‘En we halen er nog veel meer’, overdreef ik meteen maar. ‘Maar dat is bij jullie niet te zien. Let eens op de uitslagen van skating. Misschien is het een leuke vraag voor je volgende quiz.’

 Tony keek mij bijna verontschuldigend aan. Hij wordt als Brit niet graag op gebrek aan kennis over sportzaken aangesproken. Hij kent alle Derbywinnaars, alle uitslagen van honderd jaar FA-cupwedstrijden en alle cricketers die meer dan duizend runs hebben gescoord in testmatches.

 Woensdag was de pubquiz. En tot mijn grote verbazing was er ineens een vraag over schaatsen. En zelfs over Nederlands schaatsen. ‘Welke Nederlandse schaatster won goud bij de Olympische Winterspelen?’ ‘Jaartal?’ vroeg ik luid. Hij keek onverstoord en haalde zijn schouders op. Ik moet het doen zonder verder uitleg. ‘Is het Stien, Annie, Yvonne of Marianne? Dan toch maar Ireen. Want dat zal hij wel bedoelen’, overwoog ik aangestaard door drie radeloze Britse teamleden.

 Even voor elven gaf hij de antwoorden op de quiz van de avond. ‘Het antwoord op de vraag 19 over de Nederlandse schaatster is Sjoukjie Dijkstra.’ Onze medailles zijn parels voor de zwijnen. Skating bestaat, maar speedskating zal in dit land wel nooit bestaan.

 

 

Uit de Volkskrant van 5 februari

Pub of levensstijl

 

Hoe lang kun je afscheid nemen van een pub? Drie weken geleden was de officiele besloten afscheidslunch van ‘The Farmers’, vorige week zaterdag het afscheidsfeest en de dag daarna de afscheidsborrel waarbij de klandizie de hele resterende drankvoorraad gratis soldaat mocht maken.

 ‘Ik ben de laatste twee weken elke avond geweest – behalve dinsdag want toen was mijn zuster jarig. Alle keren was het drie uur ’s nachts voordat ik naar huis ging’, zei de 24-jarige bedrijfsjuriste Kate vorige week zondag met tranen in haar stem. Zij heeft wekenlang heel veel gehuild. Ze vindt het zo erg dat haar pub dicht gaat, dat ze afgelopen weekeinde is geemigreerd naar de Kaaiman-eilanden.

 Britten gaan toch anders met hun pub om dan een Nederlander met een café of bar. Ook ik vond het jammer dat de pub tegenover het station van Sevenoaks sloot. En ook in betreurde het dat het monumentale gebouw zal worden gesloopt om plaats te maken voor yuppie-appartementen. En ook ik denk dat toeristen die van de trein stappen en het bord 'welcome in historic markettown Sevenoaks ' zullen zien, zich in de toekomst verwonderd afvragen wat er nu historisch aan deze plaats is.

 Maar ik heb er geen acute depressie van gekregen. Wekenlang afscheid nemen van een pub valt mij eigenlijk te zwaar, zeker als dat telkens gepaard gaat met drinkgelagen, sing-a-longs en spelletjes waarbij je van de bar in de armen van een groep mensen moet duiken.

 Ik vond het eigenlijk een opluchting dat vorige week zondagavond echt de laatste avond was. Maar mijn Britse vrienden niet. Ze gingen maandag weer heen, hoewel de bar al was gesloopt en de lampen waren weggehaald. ‘We hadden zelf drank meegenomen’, zei Emma. ‘En dat hebben we in het donker opgedronken. Nadat de slopers dinsdagmiddag zijn gearriveerd, zit ze met acht andere stamgasten van The Farmers in de Black Boy, een even verderop gelegen pub. ‘We hebben ons vandaag allemaal ziek gemeld, want we willen The Farmers nog een keer uitluiden. Een voor een – zes mannen, acht vrouwen – vertellen ze hun eerste herinnering aan de pub die er niet meer is.

 ‘Niet alleen een pub – meer een levensstijl’ stond vorig weekeinde op een spandoek in The Farmers. Maandag verhuisde het spandoek naar buiten. En dinsdag lag het in een ABC-bak, weggehaald door de slopers, samen met al het ander campagnemateriaal dat was gemaakt om de pub te redden.

 Maar de stamgasten noch landlord Mike Collings slaagden erin de pub te behouden. The Farmers – een van de oudste en populairste pubs en de goedkoopste B&B van Sevenoaks – was veroordeeld de strijd tegen het grote geld te verliezen, net als die tegen de gemeente die zoveel historische panden heeft dat eentje meer of minder er niet toe doet.

 Op de plek waar honderdzeventig jaar lang reizigers van en naar Londen waren opgestoken lag eind vorige week niet meer dan een berg puin. Zelfs reizigers die er nooit kwamen, moesten er even aan wennen.

 The Farmers is niet de eerste pub die de afgelopen jaren in Sevenoaks is gesloten. De Beehive – de pub van Wobbly John die altijd slingerend over de weg liep en twee weken na de sluiting overleed - ging dicht, net als de Railway & Bicycle, The Vine en The Oak Tap. De lange werktijden, het wegvallen van de gemeenschapszin, het thuis drinken, gezondere levensstijlen - er zijn honderden redenen waarom zoveel pubs in dit land moeten sluiten.

 Maar The Farmers was niet noodlijdend. Het was er bijna altijd tjokvol – zeker in het weekeinde. ‘Dit is mijn tweede huis’, zo zeiden de klanten afgelopen weken in koor. Ze hielden van de barmensen Mike, Andy, Claire en Jane, de muziek op de achtergrond, de quiznight op woensdag en vooral de good laugh. Maar ze dronken samen te weinig om tegen een bod van 2,7 miljoen pond op te kunnen. Uiteindelijk kocht een Ierse projectontwikkelaar het.

 In de laatste week werden er elke avond in The Farmers meer tranen vergoten dan na afloop van de tennisfinale in Australie. Mijn opmerking
 – “het is uiteindelijk maar een pub, daar zijn er nog meer van ” – werd met onbegrip begroet. Ineens was ik weer even een gehate
buitenlander die het verschil tussen een pub en een levensstijl niet kent.

 

 

Volkskrantweblog van 1 februari

Cadeautjesetiquette

Britten zijn gek op het krijgen en vooral het geven van cadeautjes. Als buitenlander kun je beter nooit iets meenemen uit je vaderland en dat schenken aan de mensen die tijdens de zomervakantie op je huis of zoals bij ons – op je goudvissen – hebben gepast. Prompt komen ze week later op visite en geven jouw weer een cadeautje terug: een afzichtelijke vaas, een geborduurd tafellaken of een fotoboek van Cornwall die voor veel te hoge bedragen in een winkel van de National Trust zijn gekocht. Vervolgens wordt verwacht dat jij bij de volgende ontmoeting weer iets geeft - 'als het toch moet...ik verzamel theedoeken met Delfts blauw', waardoor zij zelf weer kunnen winkelen. En iedere keer moet je hoogstverbaasd en verrukt zijn net zoals de Britten.

  Wij: ‘Here. I bought this for you.’
  Brit: ‘For me? But..’
  Wij: ‘But it is only a little something’
  Brit: ‘Oh, you shouldn’t go spending your money on me.’
  Wij: ‘Really, it’s nothing. I’ve kept the receipt in case you want to change it.’
  Brit: ‘Change it? Oh, no. It’s perfect!
  Wij: ‘I had no idea what to get you.’
  Brit: ‘But it’s wonderful.’
  Wij: ‘Well it was luck really..I saw it and I thought of you.’
  Brit: ‘It’s absolutely brilliant. Thank you so much.
  Wij: ‘Not at all. I’m glad you like it.
  Brit: I will take the receipt, though, if you still got it. Just in case.
  Wij: Of course! Here you are.

 

 

Uit de Volkskrant van 24 januari

Bolwerk Britse hypocrisie

 

De ene liberaal dronk en de ander was een hoerenloper. Met uitzondering van die van Margaret Thatcher lijkt bijna elke carriere in de Britse politiek roemloos te eindigen met een zedenschandaal. Zelfs John Major – de grootste zedenprediker in de Tory-geschiedenis – bleek uiteindelijk een buitenechtelijke affaire te hebben met een collega in het kabinet.

 Een na-oorlogse bloemlezing:

 Het is slechts een kleine selectie van de zedenschandalen die politieke carrieres in de knop knakten en de tabloids maandenlang van kopij voorzagen. Bij zijn aantreden beloofde Tony Blair een einde te maken aan de Victoriaanse bekrompenheid. Er zou een frisse wind in het land gaan waaien. Groot-Brittannie zou een liberaal, tolerant en verlicht land worden. Het privé-leven en het politieke functioneren zouden niets meer met elkaar te maken hebben. Homoseksuelen, travestieten en mannen met buitenechtelijke affaires zouden welkom zijn in Westminster. Politici die een scheve schaats zouden rijden, zouden daar in cool Brittania  openlijk voor kunnen uitkomen. Kortom, Britse politici zouden niet langer chantabel en corrupt hoeven zijn.

 Blair is nu negen jaar premier en er lijkt weinig te zijn veranderd. Vorig jaar moest minister David Blunkett aftreden nadat hij in opspraak was geraakt wegens mogelijke gunsten aan een maitresse. En nu verkeert de Liberaal-Democratische partij – de meest libertijnse partij van allemaal – in totale chaos vanwege een opeenstapeling van schandalen. Nadat leider Charles Kennedy twee weken geleden tegen zijn zin moest aftreden vanwege overmatig alcoholgebruik haakte afgelopen weekeinde zijn potentiële opvolger Mark Oaten (41) af, omdat hij een zes maanden lange affaire bleek te hebben gehad met een 23-jarige mannelijke prostituee.

 Oaten is geen uitzondering. Uit een vorige week gepubliceerd onderzoek blijkt dat twee keer zoveel mannen naar een prostituee gaan als in het jaar dat Tony Blair aantrad. Het toenemende aantal echtscheidingen, internet en sekstoerisme worden als oorzaak genoemd. De Britse regering wil kleine bordelen nu legaliseren en sterren die prostituees bezoeken, zoals Hugh Grant, ondervinden nauwelijks meer een terugslag in hun carriere. Het land is veranderd. Westminster echter niet.

 De Britse politici blijven onverbeterlijke hypocrieten die denken hun menselijke fouten te kunnen verhullen. Kennedy loog jarenlang over zijn drankgebruik. Mark Oaten liet zich twee weken geleden met zijn kinderen aan het ontbijt fotograferen als een voorbeeldig huisvader. Hij dacht er geen moment bij na dat een prostituee die voor 80 pond zijn lichaam verkoopt mogelijk zijn verhaal voor een veelvoud van dat bedrag aan een tabloid zou verkopen. Britse politici zijn soms verbazingwekkend naïef. In Wesminster is Groot-Brittannie nog altijd een intolerant, homofobisch en hypocriet land.

 

 

Uit de Volkskrant van 18 januari

Englishness versus Britishness

 

 Is het portret van Hendrik VIII de icoon van Englishness? Of is het de Routemaster-dubbeldekker? Of wordt het misschien de controversiële vossenjacht? Of kiest het volk toch maar het kopje thee.

 Buitenstaanders denken vaak te weten wie Engelsen zijn. Maar de Engelsen zelf niet. Geen volk worstelt zo met de eigen identiteit als juist de Engelsen. Elke week verschijnt wel een boek over ‘wie we zijn’. In tegenstelling tot de Welsh en de Schotten hebben de Engelsen geen eigen volkslied (hoewel Land of Hope and Glory en Jerusalem wel worden gebruikt), geen eigen parlement en geen eigen aartsvijand die de natie verenigt (hoewel de Fransen graag proberen die positie te verwerven).

 De regering van Tony Blair vindt het gebrek aan nationale identiteit voor de Engelsen nu ook haar probleem. Er is door het ministerie van Cultuur één miljoen pond uitgetrokken om twaalf objecten te kiezen die het volkskarakter het best uitdrukken. In een advieslijst van de regering zelf staat het fameuze portret van Hendrik VIII uit de National Portrait Gallery nummer één.

 Maar het portret is geschilderd door de Duitser Hans Holbein. En de Tudor-koning was bepaald geen voorbeeldige Engelsman. Hij had zes vrouwen, bloed aan zijn handen en liet bij zijn dood een verdeeld land en verscheurde kerk achter. Tweede op de lijst staat het kopje thee, maar dat is eigenlijk uit India afkomstig. Derde op de voordracht zijn de poppenkastfiguren Punch & Judy (Jan Klaassen en Katrijn), maar die schijnen Italiaanse wortels te hebben. Verder staan op de officiële lijst het controversiële standbeeld Angel of the North, het schip SS Empire Windrush dat in 1948 vijfhonderd immigranten vanuit het Caribisch gebied naar Engeland bracht, Stonehenge, Alice in Wonderland, de FA Cup en de eind vorig jaar uit roulatie genomen Routemaster-dubbeldekker.

 De rode telefooncel staat er echter niet op, net zo min als de vlag met het St. George-kruis, York Minster en de Apple crumble. Maar het volk heeft de mogelijkheid gekregen om via een regeringswebsite de lijst van twaalf aan te vullen om daarna heel democratisch de beste te kiezen. Volgens staatssecretaris van Cultuur David Lammy moet de website Engelsen helpen aan een ‘icoon dat hun persoonlijke en nationale identiteit bepaalt’. Tot nu toe loopt de verkiezing chaotisch. De website is al bijna gecrasht door lobbyisten die de door de Labourregering verboden vossenjacht tot het nationale Engelse symbool willen bombarderen.

 Daarnaast heeft een Schot ook nog roet in het eten gegooid. Minister van Financiën Gordon Brown – de gedoodverfde opvolger van Blair – vindt juist dat het patriottisme moet worden bevorderd met een symbool van Britishness. Hij wil jaarlijks een nieuwe vrije dag invoeren waarmee Schotten, Welsh en Noord-Ieren samen met de Engelsen hun Britse identiteit benadrukken. De Fransen hebben quatorze juillet, de Amerikanen hebben Independence Day en de Nederlanders koninginnedag, maar de Britten hebben volgens hem niets. Als mogelijke datum voor Britain Day zijn 8 mei (de VE Day-viering) en Remembrance Sunday (de eerste zondag na 11 november) geopperd. Op deze dagen zou iedereen de Union Jack moeten laten wapperen, zodat de Britse vlag niet gekaapt kan worden door de rechts-extremisten.

 Brown heeft de suggestie geen ordinaire verkiezingsstunt genoemd. Volgens de minister is een nationale viering een noodzaak in een wereld waarin mensen dezelfde kleren dragen, dezelfde films zien en naar dezelfde muziek luisteren en waar multinationale instituten (VN, WTO, IMF en EU) meer en meer de dienst uitmaken.

 Brown – veel meer een atlanticus dan een Europeaan – vindt een Britse dag een betere manier om de nationale identiteit uit te drukken dan een icoon die al gauw met een etnische groep is verbonden. Hierbij wijst hij op Frankrijk, waar het establishment de verschillen tussen etnische groepen probeert te onderdrukken met bijvoorbeeld een verbod op het dragen van hoofddoeken op scholen. Deze van bovenaf opgelegde identiteit heeft in zijn ogen geleid tot de rellen van november waarbij in twintig nachten negenduizend auto’s in brand werden gestoken. Daarom mag er geen individueel object tot nationaal symbool worden uitgeroepen maar moet het worden uitgedragen met iets waarvan iedereen geniet: van Brick Lane en Brixton tot Cornwall en de Highlands. En een vrije dag zal zelfs een de vossenjacht van mannen in rode uniformen op paarden naar de tweede plaats van de iconenranglijst krijgen. Maar of het in de toekomst ook een verkiezingswinnaar is, valt nog te bezien.

 

Uit de Volkskrant van 2 januari                 

          Tweehondedduizend en geen wanklank

 

‘Je bent gek.’ ‘Wat ga je daar doen?’ ‘Het is echt niets.’ Engelsen raden je elk jaar eensgezind ten stelligste af nieuwjaar rond Trafalgar Square te vieren. Er is niets open, er is niets te krijgen en er is niets meer te doen dan eindeloos wachten op het moment dat de Big Ben twaalf keer slaat.
 ‘Ga gezellig naar je local’, adviseren ze. Engelsen vieren de jaarwisseling in de pub om de hoek. Er was dit jaar een extra reden om het centrum van Londen te mijden. De Londense metro had een 24 uurs-staking aangekondigd. Het zou een complete chaos worden, zo werd gewaarschuwd. ‘Blijft u aub thuis.’
 Maar het was een prachtige windstille avond. En al om acht uur zaterdagavond bleek dat niemand zich van de adviezen iets had aangetrokken. Op het moment dat alle wegen in het centrum werden afgesloten voor het verkeer, trokken de mensen massaal naar het centrum van de stad. ‘Het is nu al een gekkenhuis. Zo vroeg heb ik het nog nooit meegemaakt’, vertelde de 24-jarige Karen Field. Ze had op dat moment al een plaatsje veroverd op Westminster Bridge om niets van het vuurwerk te missen dat vier uur later boven het reuzenrad de London Eye zou worden afgestoken.
Op dat moment gingen bijna alle pubs en restaurants dicht. Wie binnen wilde zijn, moest naar een van de clubs verderopin de stad gaan die entreeprijzen rekenen van minimaal 35 pond. Souvenirwinkels aan Whitehall, Charing Cross Road en de Strand die nog open wilden blijven, werd door de politie te kennen gegeven de spullen binnen te halen. De uitgangen van de metrostations – er bleven opvallend veel treinen rijden ondanks de staking – werden voor het overgrote deel afgesloten. Om ongelukken door gedrang te voorkomen waren bepaalde routes in en uit de stations met dranghekken uitgezet.
 Een Italiaans restaurant op Leicester Square dat nog open was, rekende 25 procent extra als oudjaartoeslag. De absurde prijzen voorkwamen de stormloop niet. Men zou zelfs honderd pond voor een pizza willen betalen. Even na tienen waren de straten in Westminster overvol. Politie had op Leicester Square, Piccadilly Circus en de omringende wegen houten wachttorens opgebouwd, waarop zowel camera’s als patrouillerende agenten de mensenmassa in de gaten hielden. Om elke tien meter stonden politiewagens, om elke twintig meter ambulances of tenten van hulpdiensten die de indruk gaven dat een ramp onvermijdelijk was.
 Even voor tien uur waren Parliament Square en Trafalgar Square nog bereikbaar. Maar de Embankment en de bruggen over de Theems waren al overvol. Wie daar stond was veroordeeld er ook te blijven staan. Een ramp was niet ondenkbaar als iemand ruzie zou maken of vuurwerk zou gooien. Maar de Engelsen die zich anders altijd volgieten totdat ze niet meer op hun benen kunnen staan, blijven op oudjaar broodnuchter en steken zelf geen vuurwerk af.
 Op het moment dat de Big Ben elf keer sloeg (al volkomen onhoorbaar door het enorme gejuich) kon ook op de beide pleinen niemand meer naar links of rechts. Men was gedwongen een uur onbeweeglijk in de massa te blijven staan. In de stad waar privacy een heilig goed is, begon iedereen tegen elkaar te praten. Nooit was het kosmopolitische karakter van Londen zo duidelijk: er klonk Spaans, Russisch, Duits, Chinees, Afrikaans - ‘Viva Espana’ voor de Big Ben in plaats van ‘Land of Hope and Glory.’
 Er werd luidkeels afgeteld voor het einde van het oude jaar. Daarna viel iedereen elkaar om de hals, werden de champagneflessen ontkurkt en met confetti gegooid. Boven de Theems barstte het vuurwerk los. Twee minuten later ging iedereen zoeken naar een weg uit de massa – een weg die er niet te vinden was. ‘De laatste trein gaat om 0,57. Hoe kom ik ooit bij het station?’ vroeg iemand wanhopig. Heel langzaam kwam de massa in beweging. Politie te paard riep met megafoons op niet te dringen. En tweehonderdduizend mensen in het Londense centrum gingen met opvallend veel discipline voetje voor voetje vooruit om af en toe vast te lopen op een nieuwe opeenhoping van mensen die een glimp van het vuurwerk probeerde op te vangen. Mensen knepen elkaars handen fijn in een poging hun geliefden niet kwijt te raken. Iedereen werd platgedrukt op Whitehall, maar grote irritatie en ongelukken bleven uit. ‘Dit zou in Nederland niet mogelijk zijn’, constateerde een kennis. Om twee uur waren we weer thuis. De volgende morgen bleek dat er geen enkele arrestatie was verricht.

 

Uit de Volkskrant van 5 december

Krijtrots in mijn water

Een collega-journalist die net in dit land was gearriveerd belde mij deze week op. ‘Bij wie heb je de auto verzekerd? Niemand wil mijn auto verzekeren. De ene weigert mij, omdat ik nog geen twaalf maanden in het land woon, de ander omdat ik een journalist ben en de derde omdat de auto niet mijn eigendom is.’
 Hij heeft een splinternieuwe lease-bak maar die staat al wekenlang in de garage. Hij rijdt noodgedwongen in een huurauto rond – dubbele kosten, wat zijn noodlijdende werkgever met afschuw moet vervullen.
 De onmogelijkheid om zowel een bankrekening te openen als de auto te verzekeren is een traditionele binnenkomer voor iedere correspondent in Groot-Brittannië. Ik heb zelf een driehonderd pagina’s dik boek vol geschreven over Britse bureaucratie – de zogenoemde red tape – maar zelfs na bijna zes jaar word ik telkens weer verrast.
 In juli ontdekte mijn vrouw dat er kleine witte vlokjes in het kraanwater rond dreven. ‘Moet je kijken?’ kwam ze met een steelpan water naar mij toe. ‘Dat is niet goed.’ In de dagen daarop bestuurden we nauwkeurig ons kraanwater. De vlokken bleven: de ene keer meer dan de andere. Uiteindelijk besloten we onze waterleverancier te bellen. Na twee weken arriveerde een man van South East Water. We hadden een monster klaargezet. Maar hij wilde alleen wegrijden met een zelf genomen monster. Net op dat moment kwam er geen enkel vlokje uit de kraan. ‘Sorry. Maar dat neem ik niet mee. Bel maar weer als het terugkomt.’
 Verongelijkt namen we tijdens onze zomervakantie een watermonster mee naar Nederland en brachten dat bij een kennis die bij een van onze eigen waterleidingbedrijven werkt.
 ‘Oh, daar wil ik wel even naar kijken’, zei ze. Drie dagen later zond ze en e-mail. ‘Ik heb jullie watermonster laten zien bij onze adviseur en hij heeft het water laten onderzoeken bij de afdeling hydrobiologie. Die vlokjes die jullie in het water hebben zijn stukjes biofilm. Het bestaat uit een plakkaat bacteriën en daar doorheen zwemmen kleine beestjes, zogenaamde flagellaten. Af en toe laten stukjes biofilm van de leiding los en komen dan uit de kraan. Niet erg fris dus. Bij ons in Nederland komt het niet in deze mate voor. Ik zou zeker jullie eigen waterleidingbedrijf een bacteriologisch monster laten nemen.’
 Dood gaan we er niet aan, maar helemaal goed is het blijkbaar ook niet. Opnieuw gebeld. De man kwam op 6 september opnieuw langs. Dit keer zag hij de vlokjes zelf en nam een monster mee. Twee weken later zond South East Water ons een keurige brief. ‘We zijn verheugd u mee te delen dat uw leidingwater voldoet aan de voorwaarden van de Water Quality Regulations 2000.’ De witte vlokken waren, aldus het waterleidingsbedrijf, slechts het gevolg van het harde water dat zich in een reservoir in de zuid-Engelse krijtgrond bevindt. Het was onschuldig calcium - of minieme stukjes krijtrots - waaraan het waterbedrijf niets kon doen.  Maar uit het rapport bleek dat er geen bacteriologisch onderzoek was gedaan. We belden voor de derde keer. En weer zond South East Water iemand langs die dit keer zoveel haast had dat hij pardoes met zijn bestelwagen tegen de portiek reed.
 Hij nam een nieuw monster met de plechtige belofte het dit keer hoogstpersoonlijk naar het bacteriologisch laboratorium te brengen. Vorige week hadden we nog niets gehoord. We belden opnieuw het waterleidingbedrijf. Niemand kon ons te woord staan. Een argeloze en van al het gezeur moe geworden telefoniste gaf uiteindelijk het nummer door van het laboratorium zelf. ‘Hoe staat het met het onderzoek?’ ‘Hoe komt u aan ons nummer? U mag ons hier helemaal niet bellen’, luidde het antwoord. We weten nog niets. Deze week werden de mensen in Wales gewaarschuwd niet langer hun kraanwater te drinken, omdat daar tientallen mensen met buikkramp in het ziekenhuis zijn beland. Wij drinken het Britse kraanwater met de duistere witte vlokken al weer maanden in de hoop dat het slechts krijtrotsen zijn.

 

Uit de Volkskrant van 21 november 

 

Iedereen is al kerstmoe

 

Ik heb Whams Last Christmas al zeventien keer gehoord, stoot voortdurend tegen de kerstbomen aan die voor het vak met zuivel in de supermarkt zijn opgesteld en zucht diep bij het zien van een agenda met opnieuw vier kerstpartijtjes in een week.

 En er is nog zeker vier weken te gaan. Ik houd van Engelse tradities, maar de kersttraditie wordt op zijn zachts gezegd overdreven. De season to be jolly begint tegenwoordig in september en bereikt al zijn hoogtepunt half november. Het is op dit moment in dit land een complete kerstgekte. Op de televisie heb ik de Christmas Special van de televisiekomedie Vicar of Dibley al twee keer gezien. En afgezien van de traditionele kalkoen is alles al gekocht. Wat ontbreekt is dat de uitverkoop op 1 december begint.

 Tegenwoordig lijken alle tradities in Groot-Brittannië eerder te beginnen. Het vuurwerk voor bonfire night (de herdenking van de mislukte poging het parlement op te blazen in 1605) gaat al dagen voor 5 november de lucht in. Half oktober worden ook de poppy’s al opgespeld waarmee op 11 november de doden van de twee wereldoorlogen in dit land worden herdacht. ‘Vroeger deed niemand dat voor 1 november’, zo werd mij verzekerd door een kennis. En nu moet in diezelfde periode ook de kerstboom al worden gezet. ‘Het ontbreekt er maar aan dat tuincentra de halloween-pompoenen en kerstbomen in een pakket aanbieden’, merkte een buurman op.

 Het warenhuis Selfridges aan Oxford Street in Londen opende zijn kerstetalages op 2 november. Vorig jaar was dat 15 november. Maar de kerstshop in het warenhuis was al in augustus geopend. ‘Zo vroeg hebben we het nooit gedaan. Maar de toeristen stellen het op prijs’, excuseerde de winkel zich.

 Toeristen? De jongensband Westlife ontstak vorige week de kerstlichtjes op Oxford Street onder het oog van 15 duizend mensen die erg Brits deden. De aanloop naar de kerstmis duurt niet alleen langer, het wordt ook steeds meer. Dit jaar branden 260 duizend lichtjes aan de populairste Londense winkelstraat, tien keer zoveel als in andere jaren. Wie klaagt er over light-pollution?

 Maar eigenlijk was Oxford Street te laat. In Regent Street was de kerstverlichting al een week eerder officieel aangestoken door zanger Lee Ryan. Maar die kan natuurlijk niet tippen aan Westlife, want de nummer één-plaat van de jongensband is al uitverkoren tot ‘de kerstsingle’ van dit jaar hoewel er nog vijf Top of the Pops zijn te gaan.

 Het gevolg van de vroege kerst is dat ik op 27 oktober – een zeldzame mooie herfstdag met een zwoele avond – middernacht in T-shirt op een terras in Londen zat met uitzicht op kerstattributen.

 Op 13 november – een dag nadat Sinterklaas (Was hij overigens ook niet rijkelijk vroeg?) in Sneek arriveerde – zag ik in Bristol de eerste kerstman. Een winkel die mobiele telefoons verkoopt, had de immigrant uit Lapland echter al 22 oktober in kartonvorm in de winkel hangen. ‘Nog 64 dagen te gaan. Maar als de klanten nu al willen kopen, dan zijn wij klaar om te verkopen’, zei een optimistische winkelbediende. Uit cijfers blijkt dat meer dan de helft van de Britten al voor 31 oktober minimaal een kerstgeschenk heeft gekocht: van een innovatieve elektronische Sudokopuzzel-oplosser tot een traditionele badschuim in kadoverpakking. Eind augustus waren we met Britse vrienden in Battle Abbey bij Hastings. We keerden terug met een parasol, een koekenpan en een Hendrik VIII-hoofddeksel in de achterbak – allemaal voorbestemd om onder de kerstboom te worden gelegd.

 De winkels in Groot-Brittannië hebben geen goed eerste halfjaar achter de rug. In de laatste vijf maanden van het jaar moet dat blijkbaar worden goedgemaakt. Daarom wordt de kersttroef zo vroeg mogelijk uitgespeeld. Toys ‘R Us gooit zijn folder met kerstspeelgoed al zo vroeg in het najaar in de bus dat vele ouders voor de hopeloze opdracht staan hun kinderen uit te leggen dat ze nog ‘honderd nachtjes moeten slapen voordat de kerstman daadwerkelijk arriveert’.

  Op 1 december moet dit land compleet kerstmismoe zijn. En dan moet de eigenlijke kerstmaand nog beginnen. Ik heb alle uitnodigingen voor kerstparty’s deze week afgezegd, maar ik moet vrezen dat ik op die van de volgende week de enige gast ben.

 

Uit de Volkskrant van 30 september

 

Een korte ontmoeting

 

Twee mannen zitten in een hoek van de hotelbar. De een drinkt een glas wijn, de ander whisky. Om hun nekken bungelen nog de toegangspassen voor het Labourcongres.

 Het is drie uur in de nacht in Brighton. In de andere hoek evalueer ik met een collega van de GPD de gebeurtenissen van de dag en avond: de rede van Tony Blair, de speculaties over zijn aftreden en de celebrities die deze avond wel of niet zijn komen opdagen op het champagnefeest van de noodlijdende krant The Independent.

 Spontaan vraag ik de mannen of ze ook congresgedelegeerden zijn. ‘Ben je gek? Ik moet niets van dat zootje hebben’, roept de luidruchtigste van het stel.

 Zijn accent verraadt hem. ‘U komt uit Schotland…nee..eh.Noord-Ierland bedoel ik.’ ‘Ja, dat klopt.’ ‘Mogen we erbij komen zitten?’ ‘Ja, dat is goed’, zegt hij. ‘Willen jullie ook nog iets drinken. Gin tonic en een bitter. Oké, ik bestel.’

 Dat lijkt nog een leuke nazit te worden. Ik ben in de afgelopen jaren veelvuldig in Belfast en Derry geweest en weet uit ervaring dat je met de Noord-Ieren een goed glas kunt drinken.

 ‘Bent u protestant of katholiek?’ vraagt mijn collega. De man kijkt nu geërgerd op. ‘Waarom wilt u dat weten? Dat doet er niet toe.’

 ‘Waarom bent u hier?’, vraag ik. ‘Wij zijn hier als vertegenwoordigers van de politie in Noord-Ierland. De ROYAL ULSTER CONSTABULARY FORCE’, roept hij met luide stem. Ik weet meteen veel meer. Het Noord-Ierse politiekorps heeft vier jaar geleden deze naam moeten veranderen in de Police Service of Northern Ireland (PSNI), omdat de Royal Ulster Constabulary voor de katholieken synoniem stond voor protestantse overheersing en repressie. Republikeinen zagen het vrijwel uitsluitend uit protestanten bestaande politiekorps als een voorpost van het Britse leger en een dankbaar doelwit van de IRA.

 ‘U bent dus protestant’, zeg ik. De man lacht niet, zegt ook niet goed geraden maar wordt nog een beetje bozer. ‘Dat doet er niet toe. Ik ben iemand uit een arbeidersmilieu die politieman is geworden. En ik heb drie kinderen. En meer hoeft u niet te weten.’

 ‘Zijn er nu meer katholieken in het korps?’ ‘Ik ken ze niet. Wie katholiek is en bij de politie gaat, wordt door de IRA geliquideerd.’

 ‘Maar de IRA heeft de wapens vernietigd en het geweld afgezworen?’ probeer ik. ‘Ach, hou toch op. Er is helemaal niets vernietigd. Ik weet wat er nog allemaal over is. Er zijn nog zoveel pistolen en andere handwapens onder de republikeinen. Mag ik u wat vragen? Is Gerry Adams de Noord-Ierse Osama Bin Laden? Ja of neen.’

 Ik krijg niet eens tijd om antwoord te geven, als ik het al zou willen. ‘Weet u hoeveel mensen hij heeft vermoord: 3600 waarvan 302 van mijn collega’s. Is hij dan niet erger dan Osama Bin Laden?’

 Ik kijk zijn bebrilde collega aan. Hij is wat rustiger, maar zegt het helemaal met hem eens te zijn. Het gesprek wordt er niet prettiger op. ‘Ik weet niet wat u mankeert, maar u heeft mij beledigd door naar mijn geloof te vragen.’

 Ik probeer zijn woede wat weg te nemen door begrip te tonen, maar het helpt niet. ‘Wij bij de RUC hebben driehonderd collega’s verloren. Vermoord door Adams. Als je dat niet ziet, ben je vijandig?’

 ‘Neen, we zijn helemaal niet vijandig’, zo probeer ik, ‘Maar jullie moeten in Noord-Ierland misschien ook naar de toekomst kijken. Misschien voor uw kinderen. Waarom alles van het verleden weer oprakelen? Hoe denkt u dan dat er vrede kan komen in Noord-Ierland. Wat moet Blair doen? Iedereen in de gevangenis stoppen?’

 De suggestie valt in totaal verkeerde aarde. ‘U beledigt mij dus al weer. Ik ben in Nederland geweest. En ik vind Nederlanders over het algemeen echt prettige mensen. Maar jullie twee zijn een uitzondering. Waarom zijn jullie hier komen zitten? Wat moeten jullie eigenlijk in dit land? Ga toch weg. Bemoei je er niet mee. Ik ga naar bed. Met woeste blik stapt hij op. Zijn glas wijn dat hij keihard op tafel heeft nagezet is nog voor driekwart gevuld. De wijn gaat in het glas tekeer als de zee tijdens een orkaan. Zijn collega drinkt nog even zijn whisky op. Daarna stapt hij ook op zonder iets te zeggen. Ik kijk mijn collega aan. Wat hebben we misdaan?

 Als de politie in Noord-Ierland al zo denkt over de maatschappij en de collega’s van het andere geloof, hoe moet het dan met de rest van de mensen. De IRA mag dan deze week de wapens buiten gebruik hebben gesteld – tenminste volgens onafhankelijke waarnemers – de vrede is hier nog heel ver weg.

 

Uit de Volkskrant van 26 september

 

Koninklijke poep inspireert buren

 

Het was een van de dagen die in september als een toegift van de Engelse zomer mogen worden beschouwd. In korte broek en met een bezweet voorhoofd stond mijn overbuurman – iemand met twee linkerhanden en iemand zonder groene vingers – met een schep in de tuin. Achter de rododendronhaag groef hij een diep gat. Daarover bouwde hij zelf een houten stellage.

 ‘Wat moet dat worden?’, vroeg ik belangstellend toen ik een doos bonbons kwam brengen als dank voor het feit dat hij tijdens de vakantie op het huis had gepast.

 ‘Ja…eh..een..eh……organic toilet’, zei hij aarzelend. ‘Het is theetijd. Zal ik de ketel opzetten? Je drinkt toch wel een kopje mee’, vervolgde hij meteen op een ander onderwerp overschakelend.

 Tijdens de thee ging het over cricket en over de nieuwe sluitingstijd van onze pub. Uiteindelijk kwam het heikele thema van het buitentoilet toch weer aan de orde. ‘Ja, mijn dochters willen niet meer binnen naar toilet. Ze zijn op de alternatieve tour’, verzuchtte hij.

 Het generatieconflict bij de overburen was mij niet ontgaan. Twee jaar geleden waren de beide dochters van de overbuurman nog keurige meisjes met lange blonde haren die elke morgen in schooluniform op de bus stapten. Maar inmiddels waren ze 16 en 18, de jongste had een piercing in de tong, de oudste studeerde nu kunstgeschiedenis en had dat als reden gezien om een artistiek uiterlijk aan te meten en haar hoofd helemaal kaal te laten scheren.

 Vader – een 53-jarige functionaris op het hoofdkantoor van British Petroleum – was niet onverdeeld blij met de gedaanteverwisseling van zijn volwassen wordende dochters. Maar veel kon hij er niet aan doen. ‘To be honest. Ze zijn eigenzinnig, net als ik vroeger.’

 De meiden hadden daarom ook ineens besloten alleen nog groente te willen eten die ze zelf hadden verbouwd en die met hun eigen ontlasting zouden worden bemest. Vader had daarom de opdracht gekregen een gat in de grond te graven waar hun poep in alle rust zou kunnen composteren. ‘Het moet behoorlijk diep zijn. In de komende tien maanden zullen de meiden hier naar toilet gaan. Het zal niet stinken hoor. Dat kan ik je verzekeren. Er wordt elke keer houtskool, zaagsel en aarde overheen gegooid. Na tien maanden is het gat vol en moet dit hele vruchtbare aarde zijn. Je kunt er dan een stekkie inzetten en die groeit in een mum van tijd uit tot een prachtige plant. Daarna zal er weer ergens anders een gat worden gegraven.’

 De inhoud van het gat zal uiteindelijk over de moestuin worden uitgestort, waarin de beide meiden snijbomen, wortels en spinazie voor eigen gebruik willen gaan kweken.

 Gelukkig heeft mijn overbuurman de ruimte. Een flink deel van zijn halve acre metende tuin is overwoekerd met rododendrons. Voor de meiden is het een fikse wandeling om achter die haag in de zogenoemde outhouse plaats te moeten nemen, maar dat vinden ze volgens hem geen probleem.

 ‘Ze zeggen dat het helemaal niet zo alternatief is. Het establishment doet het ook. Prins Charles zou een soortgelijk gft-toilet hebben op Highgrove. Het is heel milieuvriendelijk. Denk alleen maar aan de waterbesparing. Of de prins en Camilla daarvan ook zelf gebruik maken, weten we niet. Ik denk niet dat Diana er graag naartoe ging’, speculeert hij.

 Ik geloof het verhaal graag. Een paar dagen eerder had ik Charles nog een pleidooi zien houden voor meer stilte in Engeland. De kroonprins had wel gekkere dingen in zijn leven gedaan dan in de open lucht poepen.

 En wie zou er in Engeland bij zijn fish & chips geen worteltjes en groene erwten willen eten die met koninklijke poep zouden zijn bemest. Helaas heb ik die nog nooit in de supermarkt zien liggen. Ook de buren zijn er niet van plan er mee aan de weg te timmeren. ‘De meiden willen de opbrengst helemaal zelf consumeren’, zegt de buurman.

 Maar het koninklijke voorbeeld heeft zijn twijfels over de juistheid van het besluit van de dochters niet helemaal weggenomen. ‘Mijn vader zat in de oorlog in het leger. En daar had je ook organische toiletten, waarvan de inhoud voor de moestuin werd gebruikt. Maar een van de soldaten kreeg tetanus en raakte aan de diarree. Omdat ook zijn ontlasting gebruikt werd voor het bemesten van de tuin kreeg het hele bataljon tetanus.’ Ik kijk hem ongelovig aan. ‘Kan dat? Is zoiets echt mogelijk?’ Buurman zegt het zeker te weten. Hij is geen dokter en ook geen bioloog, maar hij is een Engelsman. En de historische kennis van een Engelsman trek je nooit in twijfel. Ik zal niets eten uit die tuin.

 

Uit de Volkskrant van 31 juli

 

Verhuizen naar Belfast

 

Is het voor de enkele angsthazen onder de stoïcijnse Londenaren een idee om deze zomer naar Belfast te verhuizen?

 Het Ierse Republikeinse Leger (IRA) dat van de Noord-Ierse hoofdstad dertig jaar lang een no-go area maakte voor ieder die zijn leven lief had, vernietigt zijn complete wapenarsenaal (inclusief luchtdoelraketten, vlammenwerpers, zware machinegeweren en drie ton semtex) en wordt een vredelievende club van oude kameraden.

 De aankondiging van donderdag is historisch en monumentaal, zoals Blair en de Ierse premier Ahern terecht opmerkten. De veranderingen in Belfast zelf waren van de ene op andere dag echter veel minder historisch en opvallend.

 In de eerste plaats houdt de IRA al tien jaar een bestand in acht. Het centrum van Belfast is in die periode al een florerende en tamelijk rustig oord geworden waar katholieken, protestanten en atheïsten probleemloos met elkaar werken, uitgaan en winkelen zoals in elke andere stad.

 In de woonwijken zelf is er veel minder veranderd. Protestanten en katholieken wonen afgezonderd in hun eigen wijken beschermd door metershoge muren en hekken. Hier zijn nog overal de symbolen van het conflict te zien: de republikeinse muurschilderingen en vlaggen op Falls Road, de loyalistische muurschilderingen en Union Jacks op Shankill Road. Hier worden in kelders en pubs rekruten geworven en acties opgezet. Regelmatig laait hier het geweld weer op en wordt met stenen en soms ook met benzinebommen gegooid. Elk klein incident – een pubruzie, een onwelgevallige opmerking van een onderwijzer naar een kind, een mislukte liefde – kan de vlam in de pan doen slaan.

 Eigen ordediensten van de IRA en protestantse paramilitaire organisaties treden daar op als politie, aanklager en rechter. Deze gewelddadigheden halen echter alleen nog de wereldpers als er doden vallen, of als iemand een gevoelige snaar weet te raken zoals de vijf zusters van de in januari door de IRA vermoorde Robert McCartney.

 Het is niet te verwachten dat met de verklaring van de IRA ook al aan dit straatgeweld meteen een einde komt. Behalve de meest meedogenloze was de IRA in het verleden ook de meest gedisciplineerde terreurgroep. Maar na een bestand van tien jaar is onduidelijk hoe groot de autoriteit van de IRA-leiding nog is onder het voetvolk en of jonge strijders zich veel aan de woorden van ‘voormalige terroristen’ als Gerry Adams en Martin McGuinness zullen aantrekken. Veel IRA-strijders zijn na het bestand van 1994 in criminele activiteiten beland en zullen niet zonder meer hun lucratieve activiteiten in drugs- en wapenhandel willen opgeven. Politici hebben voorgesteld de werkloze republikeinse paramilitairen nu een uniform te geven en in het georganiseerde politie-apparaat op te nemen, maar een dergelijke gedaanteverwisseling van terrorist naar agent zal niet meteen iedereen bekoren.

 Daarnaast zijn er nog dissidente republikeinse groeperingen als de Real IRA en Continuity IRA actief. Zij wijzen het vredesproces af en hebben al enkele malen bloedig weten toe te slaan zoals bij de aanslag in Omagh in 1998.

 Verder zijn er ook talrijke protestantse paramilitaire groepen actief. Zij beschikken eveneens over grote hoeveelheden wapens. Deze zogenoemde loyalisten hebben nu al gezegd het voorbeeld van de IRA niet zonder meer te zullen volgen en ook de wapens in te leveren. In tegenstelling tot de IRA hebben deze paramilitairen geen politieke tak die hen tot concessies kan dwingen. Zij zullen alleen via politiemethoden kunnen worden ontmanteld en ontwapend. Bizar genoeg zouden ze in dat geval in de toekomst moeten worden opgepakt door voormalige IRA-leden die tot politie-agent zijn omgeturnd.

 Ondanks het historische akkoord gingen in Belfast donderdag dan ook nog geen vlaggen uit, vond er geen spontane vreugde-uitbarsting plaats en werd er geen feestbal georganiseerd. Hier wil iedereen eerst de kat uit de boom kijken.

 In de komende twaalf maanden zal moeten blijken of de verklaring van de IRA echt de grote ommekeer is en dat niet alleen het centrum van Belfast maar ook de woonwijken in het westen en noorden van de stad gewone buurten zullen kunnen worden – zonder angst, straatgeweld, represailles, gebarricadeerde politiebureaus en metershoge muren en hekken met prikkeldraad.

 Als deze barrieres kunnen worden geslecht en Gerry Adams en Ian Paisley de handen ineen kunnen slaan is het in Belfast tijd om feest te vieren en de vlag – welke dan ook – uit te hangen. Misschien moet ook maar tot zo lang worden gewacht met een verhuizing.

 

Uit de Volkskrant van 23 juli 

                      Na de shock de woede

 

Bij de vorige aanslagen in Londen bevond ik mij in het afgelegen Schotse golfresort Gleneagles beschermd door liefst 11 duizend politie-agenten

 Bij de aanslagen van donderdag was ik midden in de stad, op nog geen twee mijl van ongeveer alle vier de plekken waar de terroristen toesloegen.

 Ineens is het dichtbij. Op alle locaties die zijn getroffen, ben ik wel eens geweest. Soms nog geen week geleden. Het is louter toeval dat ik niet in die metro zat.

 Ineens is ook iedereen verdacht. Maar het gevoel van angst verdwijnt ook al snel in de vermoedelijk meest dynamische stad ter wereld. Sinds de vorige aanslag van twee weken geleden was er al weer zoveel gebeurd, dat de aanslag iets uit het verre verleden leek. Na de golfkampioenschappen van vorige week waren er deze week de cricketwedstrijden. Het schooljaar liep deze week af en iedereen praatte over vakanties. Woensdagavond in de pub was voor het eerst in twee weken terrorisme niet eens een gespreksonderwerp.

 Een bloemenverkoper op het metrostation The Oval dacht donderdag ook al helemaal niet meer aan een terreuraanslag toen hij geschreeuw hoorde en iemand riep: ‘Houd hem tegen’. ‘Ik dacht dat het een zakkenroller was. Ik probeerde hem tegen te houden, maar hij schudde zich los uit mijn rugbytackle en sprong over de tourniquet heen’, vertelde de man.

 In de eerste drie dagen na de eerste aanslag was iedereen met een grote rugzak, koffer of tas ineens een potentiële terrorist. ‘Daar zit toch geen bom in’, zei een passagier in de trein toen ik een koffer naast mij neerzette op de terugweg uit Leeds. Mensen werden gestigmatiseerd, vooral mensen met een donkere huidskleur en een baard. ‘Als ik iemand met een Pakistaans uiterlijk zag, dan stapte ik toch maar even uit de metro en nam een volgende trein. Het was een vooroordeel, zo weet ik. Maar ik had geen zin mij een half uur onveilig te voelen. Dan maar vijf minuten later thuis’, vertelde een collega.

 Maar na drie dagen zakte dat gevoel al weer weg. Londen is zo multicultureel dat je niet om de buitenlanders heen kunt en zeker niet om de Aziaten. Iedereen moet toch weer naar zijn Aziatische tandarts, iedereen koopt toch weer een krant bij een Aziatische kiosk of komt een Aziatische vriend tegen op een summer party.

 Na de eerste aanslagen werd de stoicijnse houding van de Londenaren van alle kranten geprezen. Na de tweede is het niet veel anders. Alleen heeft dit keer de shock plaatsgemaakt voor boosheid over de daders die het openbare leven in de stad zo verstoren. Een keer anderhalf uur wandelen naar huis in de avondspits is tot daar aan toe, maar twee keer wordt heel vervelend. Het politie-apparaat is totaal overbelast. Er zitten zoveel rechercheurs op de aanslagen dat andere zaken blijven liggen.

 Gevreesd wordt voor het domino-effect. Na de aanslagen van 7 juli was er naast de shock ook nog iets van opluchting. Londen heeft nu ook zijn beurt gehad, net als New York, Madrid en Bali. Voorlopig hoeft de stad niets meer te vrezen. Maar na de tweede aanslag lijkt Londen ineens het slagveld voor de terroristen te zijn geworden. Hoewel er nu geen doden zijn gevallen is er nu misschien een twee keer zo lange periode nodig om het psychologisch te verwerken.

 Er wordt ook gevreesd voor de financiële gevolgen. Winkels en horecagelegenheden in de buurt van de getroffen metrostations hebben al flinke schade opgelopen, omdat ze werden geevacueerd en achter de afzetting kwamen te liggen. Electronicawinkeliers zeggen hun omzet met 10 tot 15 procent te hebben zien dalen en een tassenverkoper zegt geen Burberry meer kwijt te komen.

 De toeristenindustrie klaagt ach en wee, omdat vooral de Noord-Amerikanen mogelijk Londen een tijdje gaan mijden. Makelaars vrezen voor de gevolgen voor de huizenprijzen in Londen.

 Maar de stad gaat door. Vrijdag is het weer even druk in het openbaar vervoer. Omdat een aantal lijnen van de metro stilliggen, is de druk op de andere lijnen groter. Er zijn niet alleen gedupeerden, er zijn ook sectoren die financieel profijt hebben van de aanslagen. De Londense cabbies hebben het nog nooit zo druk gehad.

 Londen weet als geen ander met het bijltje van de dreiging te hakken. In de jaren tachtig en negentig was de stad het doelwit van de IRA. ‘Ook in Bagdad en Jeruzalem gaat het leven door. Zo erg als daar is het hier voorlopig nog niet’, vertelde iemand met het Britse gevoel voor understatement.

 

Uit de Volkskrant van 18 juli

Potter-presentatie

 

Het was een heksentour om in de magische wereld van JK Rowling te komen. De accreditaties van de Nederlandse dreuzel-correspondemt voor de lancering van de nieuwe Potter in Edinburgh Castle waren onvoldoende. De eerste kleerkast, die vrijdagavond postte bij de afzetting van Magic at Midnight, wist zeker dat Nederlandse verslaggevers er niet welkom waren. Maar hij lette even niet op toen er een klas met schoolkinderen arriveerde. De bewaker bij het volgende lint was coulant en de derde aan de deur omkoopbaar.

 Uiteindelijk zat de verslaggever op de eerste rij en had er al binnen een kwartier spijt van. Als de nieuwe zesde Potter net zo saai zou zijn als de presentatie, dan hoefde hij het boek niet te lezen. Een in kilt geklede Popi Jopie van een Schots jongerenprogramma probeerde de duizend genodigden nog een beetje op te zwepen. Hij gooide een tissue vol paardenpoep in de tribune. ‘JK Rowling verwachten we spoedig. Heel spoedig’’, zo riep hij al om negen uur. Daarna moesten de kinderen oefenen in gillen, stampvoeten en klappen als het echt zover zou zijn. Helaas kwam de schrijfster niet ‘heel spoedig’ of was zijn interpretatie van ‘heel spoedig’ heel anders. Onduidelijk bleef of ze zich uit haar appartement in Edinburgh, haar landgoed in de Highlands of zelfs haar huis in Londen zou spoeden. Uiteindelijk arriveerde de multimiljonaire pas om elf uur als een Hollywood-actrice op de premiere van een film. Ze deelde wat handtekeningen uit aan de schorre kinderen van de VIPS vooraan, zwaaide een paar keer uitbundig, glimlachte, zei een paar keer ‘ja, ja’ en ‘neen, neen’ tegen camera’s en toog daarna het kasteel in. Het publiek op de tribunes moest weer wachten en kijken naar televisiebeelden van Britse ministers die de hoop uitspraken dat Harry in het laatste deel zou trouwen en lang en gelukkig zou leven en het met fakkels verlichte kasteel. Hoogtepunt was het aftellen voor middernacht, waarna een vuurwerk losbrak, de afbeelding van

Harry Potter op het middeleeuwse kasteel werd geprojecteerd en de schrijfster een ruimte binnenging om daar een stuk van hoofdstuk 6 voor te lezen dat buiten op een groot scherm kon worden gevolgd.

 Niemand mopperde. Niemand klaagde. Britse kinderen zijn daarvoor te gedisciplineerd. Chubby (7) naast mij bleef met broertje urenlang zoet kijken of het daadwerkelijk een hoogtepunt in zijn leven was. Na afloop mochten ze ook nog in de rij staan bij de boekenzaak van Waterstone aan de overkant om Harry Potter and the Half-Blood Prince te kopen. Als beloning mochten ze vervolgens van hun ouders iets eten in de McDonald’s daarnaast, want vervelen maakt hongerig. ‘Ah…je hebt nu al een vlek in het boek gemaakt’, merkte een moeder op.

 JK Rowling was op dat moment al 25 miljoen pond rijker. Want niet alleen in Edinburgh stonden rijen – van Peking tot Mexico City en van New York tot Kaapstad vlogen de boeken meteen de deur uit.

 

olkskrantwebog van 12 juli

Hectische weken

 

Het bestaan van een journalist is chaotisch, tumultueus en rennen van hot naar her, maar deze weken slaat alles. Het is een pendel van Schotland naar Engeland om telkens verrast te worden door de meest onverwachte ontwikkelingen. Wie had het ooit over komkommertijd en wie dacht dat tijdens de Tour de France de rest van de wereld stilstond?

 De bijeenkomst van de G8 – de groep van zeven rijke landen en Rusland – leek een paar maanden geleden slechts een formaliteit waar je je vooral fatsoenshalve voor accrediteerde. ‘Ga je echt naar Gleneagles? Wat komt daar uit behalve een statiefoto van de leiders?’ ‘Ja, maar ik combineer het met een wandeling langs Hadrian’s Wall en een bezoek aan Dundee voor het reiskatern. Ik denk niet dat ze in Amsterdam heel veel van de topontmoeting willen’, excuseerde ik mij voor de verre tocht.

 Maar nadat Bob Geldof besloot er een kruistocht tegen de armoede in Afrika van te maken, gepaard met een nieuw nog grootser Live 8-spektakel, was het ineens voorpaginanieuws - niet alleen van kwaliteitskranten als de Volkskrant maar zelfs van ordinaire boulevardbladen.

 Zaterdag 2 juli woonde ik in Londen Live 8 mee. Zondag had ik net tijd om daar de verhalen voor de krant van te maken en concludeerde ik dat ik nooit meer naar een concert hoefde te gaan omdat ik alles had gezien. Maandag reisde ik af naar Gleneagles met de intentie om veertien dagen in Schotland te blijven voor achtereenvolgens de G8, het bezoek aan Hadrian’s Wall en Dundee, de presentatie van de nieuwe Potter in Edinburgh en het Britse Open in St. Andrews. De tussenstop langs Hadrian’s Wall had ik al maar verkort tot een overnachting.

 Dinsdag werd ik verrast door de omvang van de demonstraties en ludieke acties in Edinburgh. Maar de grootste verrassing kwam op woensdag. Londen werd uitverkoren tot de Olympische stad van 2012. De Britse journalisten juichten, maar vroegen zich meteen af of ze niet op de verkeerde plaats zaten. Hadden ze niet op Trafalgar Square moeten staan in plaats van tussen de wereldleiders?

 Na de verrassing kwam de schok. Donderdag sloegen zelfmoordterroristen toe op een plaats die op dat moment niemand had voorspeld. Blair ging terug, de anti-terreurspecialisten pakten in paniek de koffers en de journalisten keken vertwijfeld wat ze nu moesten doen - de puinhopen en doden waren was in Londen, maar de politieke verantwoordelijken zaten hier. Amsterdam nam de beslissing uit handen. ‘Het is sneller vanuit hier naar Londen te gaan dan vanuit Gleneagles.’

 Maar zaterdag moest ik toch terug – ‘jij bent degene met de contacten en accreditaties’ – zodat ik zondag de persconferentie van Scotland Yard kon meemaken. Ik pakte nog wel even een paar persbriefings mee op St. Andrews, waar alles al klaar werd gezet voor The Open. Maandag was er een debat in het Lagerhuis, waarbij nog de indruk gevestigd werd dat het maandenlang zou gaan duren voordat duidelijkheid zou worden geschapen. Maar ineens was de doorbraak er al dinsdag, vlak nadat ik met de getroffen metrolijnen en bus nr. 30 had gereisd en de Peace Garden bij King’s Cross had bezocht. ‘Die gekte heb ik nog nooit meegemaakt. Zelfs niet met de dood van Diana’, stelde radio 1-collega Lia van Bekhoven die daar toevallig ook was.

 Scotland Yard gaf om vijf uur een persconferentie waarin een angstig vermoeden werd bevestigd: de daders waren vier zelfmoordenaars uit Leeds. ‘Nu weer naar Leeds?’ Ja, en dan maar weer doorrijden naar Schotland, waar daar begint donderdag het Britse Open hoewel niemand zich eigenlijk toch nog druk kan maken over het slaan van een minutieus balletje in een minutieus gaatje met materiaal dat er eigenlijk niet voor geschikt is.

 

Uit de Volkskrant van 4 juli

  ‘Je was in mijn slaapkamer’

‘Nee, het interview is niet binnen. Uw huis is te Engels ingericht. Het moet buiten zijn. Onze eigen verslaggever zit in Rotterdam en we willen net doen of u daar ook bent. Heeft u ook een vlak stukje tuin dat een beetje lijkt op Nederland?’ vraagt de televisiereporter van ITN, terwijl hij verontrust naar de enorme begroeide helling achter het huis kijkt.

   Nederlandse correspondenten in Londen zijn tegenwoordig populair en veelgevraagd in Groot-Brittannië. De media staan in de rij sinds het nee tegen de grondwet. Alle Britse commentatoren en verslaggevers willen weten wat er mis is gegaan met het Nederlandse volk aan iemand die met een accent spreekt en zelf ooit nog eens op klompen heeft gelopen. Waarom zijn de uitvinders van het poldermodel allemaal Fortuynisten geworden? En waarom zijn ze allemaal ineens net zo eurofobisch – of misschien nog eurofobischer – als de Britten?    Eerst vroegen BBC en andere zenders mij in hun studio’s, maar meestal op zulke ongelukkige tijdstippen dat ik er weinig zin meer in had. Nu komen ze bij mij thuis. De reportagewagens rijden af en aan. Elke keer mag ik weer ongeveer dezelfde vragen beantwoorden. ‘Waar is het mis gegaan?’ ‘En hoe zien Hollanders de toekomst van Europa?’

   De reportages moeten een Hollandse sfeer uitstralen. Een oranje pet met de pruik van Gullit die ik nog heb van de EK-finale van 1988 is overdreven. Maar een vlak stukje tuin is wenselijk. Helaas is het hier erg heuvelachtig. Maar dat kan worden verscholen achter een enorme bos rododendrons. ‘U heeft hopelijk ook rododendrons in Nederland’?, vraagt ze. Ja, die hebben we. We hebben niet alleen tulpen. Maar de natuur loopt hier in Engeland wel een stukje voor. Ze zijn al bijna uitgebloeid. Een kniesoor die daar op let, zegt ze.

  Een nieuwsgierige buurman biedt aan een koe na te doen om de Nederlandse sfeer te benadrukken, hoewel een containerschip in het geval van een interview in Rotterdam beter zou zijn. De cameraman vindt eindelijk zijn ideale hoekje waardoor mijn tuin zo vlak mogelijk lijkt. Daarna kunnen de vragen gesteld worden. De antwoorden moeten recht voor zijn raap zijn, zo verwacht de verslaggever. De kijker naar het ITV-nieuws zit niet te wachten op een nuancering of een verklaring dat wij in Nederland niet allemaal Fortuynisten en Europahaters zijn.

  Ik klets ongeveer een half uur vol, de tijd dat het ITV-journaal iedere avond duurt. Maar ik hoef niet te verwachten dat ik het hele journaal zal vullen en al die opmerkingen de kijker zullen bereiken. Na het monteren en snijden blijven een of anderhalve minuut opmerkingen over, die de redactie als de krenten in de pap beschouwt en uiteraard naadloos moeten aansluiten op de vooroordelen die de verslaggever in Rotterdam bevestigd heeft gekregen.

  Betaald word je voor deze diensten in Engeland niet. Een collega die veel meer ervaring heeft met Britse televisie vraagt altijd een symbolisch bedrag van 20 pond – ‘Wij Hollanders doen niets voor niets’ – maar op de betaling moet ze altijd maanden wachten. Ik vraag als beloning voor een televisie-optreden alleen altijd een videoband van het betreffende programma. En die krijg ik dus nooit, ondanks alle toezeggingen.

  Het item over Rotterdam zal om half zeven in de nieuwsuitzending te zien zijn, zo zegt de reporter. Omdat ik zelf ’s avonds ergens anders moet zijn, stel ik keurig de video op dat tijdstip in. Maar als ik om half een ’s nachts terugkeer en even terugzoem, blijkt het hele onderwerp niet in de uitzending te zijn geweest. Het is verhuisd naar het grote half elf-journaal dat ik uiteraard niet heb opgenomen. De volgende dag herhaal ik mijn verzoek om een videoband per e-mail en een week later doe ik er nog een keer een telefonische smeekbede overheen. Vergeet het maar. Na drie weken heb ik mijzelf en mijn in Engeland gelegen Rotterdamse tuin nog niet teruggezien.

  Dat ik er wel op was geweest, hoor ik dat weekeinde in de pub. ‘Je was donderdag in mijn slaapkamer’, roept een bezoeker enthousiast. ‘Ja, dat kan kloppen. Wat heb ik gezegd?’ ‘Geen idee, ik heb alleen maar gekeken, want ik herkende je tuin.’  Dankzij de televisie ben ik een lokale beroemdheid geworden, maar ik weet nog steeds niet wat ik de Engelsen eigenlijk over ons volk heb verteld. Misschien maar beter ook

 

Uit de Volkskrant van 13 juni

 

Een schriele superster

 

'Kan ik honderd pond zetten op Frankie Dettori?' vraag ik. 'Welk paard?', antwoordt zij aan de kassa van het Coral-wedkantoor aan High Street. 'Paard? Eh, dat is Dubawi.'

Ik beken haar eerlijk dat ik een buitenlander ben die nog nooit op een paard heeft gewed. Maar dit keer wil ik meedoen. Al vijf jaar loop ik op de eerste zaterdag van juni met mijn ziel onder de arm. Het is Derby Day. Heel Engeland heeft het hoofd en de mond vol van paarden en hoopt op een gelukje .

Al aan het begin van de 19de eeuw was de paardenrace op Epsom Downs een evenement, waarvoor heel Londen uitliep. En nog altijd is de Derby de meest aansprekende sportgebeurtenis van het jaar. Het is eigenlijk meer dan een sportevenement – het is het begin van de Britse zomer, het is de opmaat voor Wimbledon, cricket, Ascot, de Proms en de Summer Exhibition in de Royal Academy.

Ik heb geen verstand van paarden. Maar ik ken Frankie Dettori, een schriele Italiaanse jockey die in Engeland een superster is en die zo vaak op de televisie verschijnt en in de roddelbladen staat dat je er niet omheen kunt. Hij heeft alle koersen gewonnen en alle records gebroken, maar de Derby ontbreekt nog op zijn erelijst. Zal deze dertiende keer hem geluk brengen?

Voor zijn race op Dubawi staat hij bij Coral genoteerd op vier tegen een. Als ik honderd pond inzet, krijg ik dus vierhonderd pond als Dettori wint. Ik trek de stoute schoenen aan en stap het kantoor in. Binnen zijn de muren behangen met krantenpagina's vol koersuitslagen, de grond is bezaaid met verfrommelde papiertjes en wat oudere en twee jongere mannen volgen op enkele televisieschermen een windhondenrace .

'De quote voor de Derby is veranderd. Dubawi staat nu 9-2', zegt de caissière. 'Dat is beter. U krijgt nu 650 pond uitbetaald', legt ze uit. 'Als-ie wint, waar moet ik dan incasseren?' vraag ik. 'In elk Coral-kantoor, we hebben er 1200', zegt ze, terwijl ze mij een kassabonnetje geeft dat als bewijs dient.

'Op wie heb jij je geld gezet?', vraagt een 85-jarige man die naast mij komt staan. 'Dettori', zegt ik. Hij schudt zijn hoofd over zoveel domheid. 'Dubawi wint echt niet. Hij haat Epsom, net als zijn vader die hier ook nooit heeft kunnen winnen.' Het paard blijkt uit de stal te komen van een of andere sjeik uit Bahrein en beter uit de voeten te kunnen op het mulle woestijnzand dan op modderig Engels gras.

'Je had iemand uit de stal van Aidan O'Brien moeten nemen.' O'Brien – een Ierse stoeterijhouder – heeft liefst vier paarden meelopen in de Derby. Een daarvan, Gipsy King, wordt bereden door Kieren Fallon, die de laatste twee jaar de Derby heeft gewonnen.

Ik heb honderd pond over de balk gesmeten, begrijp ik. Maar ik voel mij voor de eerste keer betrokken bij deze nationale gebeurtenis. Net als koningin Elizabeth begin ik elke morgen de krant met de paardensportpagina's. Dagelijks loop ik even de Coral binnen, want elke dag zijn er in Engeland paardenkoersen en windhondenraces. En in de pub bespreek ik de kansen. Vrijdagavond – de avond voor Derby Day – blijkt Motivator de hoogste ogen te gooien nu het slecht weer dreigt te worden.

'Hij heeft het uithoudingsvermogen en de snelheid', vertelt een Engelsman mij. De paardensportliefhebbers spreken in een geheimtaal – over furlongs en de 2000 guineas – die mij totaal ontgaat. Ze wegen de kansen van hun paarden zelfs af aan de hand van de sterrenbeelden van vorige Derby-winnaars.

Zaterdag valt het weer mee: zon en af en toe een bui. Hoewel de race rechtstreeks door de BBC wordt uitgezonden, wil ik het zien in het Coral-kantoor – op zo'n hard houten bankje. Bij navraag blijkt het merendeel van de aanwezigen zijn geld te hebben gezet op Gypsie King, drie bekennen op Walk in the Park te hebben gegokt en één op Kong, die genoteerd staat voor 20-1 maar naar verluidt geen ezel is. Ik ben de enige met Dubawi. 'Maar de race is altijd onvoorspelbaar', troost iemand mij.

Om 16.10 uur is er een koers op Haddock, vier minuten later een windhondenrace. Daarna schakelt de televisie over naar Epsom voor de belangrijkste race van het jaar. 'Come on Frankie', schreeuw ik, alsof het paard daardoor harder loopt. Dettori, herkenbaar aan zijn blauwe buis, stormt naar voren, maar uiteindelijk wint Motivator met grote overmacht.

Honderd pond armer. 'Daar had je leuke dingen voor kunnen doen', zegt mijn vrouw, die mij die ochtend nog naar de supermarkt had gestuurd om 47 pence terug te vragen voor een pakje taugé die verrot was gebleken.

 

Uit de Volkskrant van 23 mei

Een Babylonisch tuinfeest

'Je krijgt zo moeilijk oogcontact met die Engelsen', klaagde een verjaardagsgast – enige tijd geleden gescheiden en op zoek naar een vrouw, van welke nationaliteit dan ook.

Deze maand vierde ik mijn 50ste verjaardag met 35 Engelse en 35 Nederlandse gasten, die elkaar aanvankelijk zo wantrouwend stonden aan te gapen als een kolonie pinguïns een groep zeeleeuwen.

De Engelsen bleven zo ver mogelijk verwijderd van de feesttent die ik had opgezet in de tuin en die al door de Nederlandse gasten in beslag was genomen. De Engelsen verzamelden zich rond een vuurkorf, waar ze hun zelf cadeau gegeven blikjes pils en flessen wijn met angstwekkende snelheid wegwerkten. Als antropologen op een afstudeeropdracht observeerden ze die buitenlanders wier taal zij niet verstonden.

'Ze zien er wel wat vreemd uit. Zo alledaags voor een verjaardag', merkte er een op. 'Maar er stond ook ''geen dresscode'' op de uitnodiging', verdedigde ik mijn landgenoten. 'Ja, dat snap ik ook niet. Als je een tuinfeest geeft, dan verwacht je toch dat de mensen zich daarvoor kleden. Dat de vrouwen een jurkje aantrekken en een strohoed dragen.'

De Nederlanders begrepen evenmin veel van de Engelse dresscode. Sommige Engelsen droegen trendy outfits, maar anderen vierden de Nederlandse verjaardag enigszins provocerend in een Chelsea-replicashirt. In tegenstelling tot de Nederlanders beschouwen in de Engelse working classes zelfs mannen van boven de vijftig een voetbalshirt als hun dagelijkse kloffie.

Zolang er thee werd geschonken en scones werden gegeten, bleven het gescheiden werelden. Maar alcohol doet wonderen. Nadat de tap met bitter was opengedraaid, vervaagden de grenzen. Na enige uren drinken en dansen was er niet alleen oogcontact, maar werd er openlijk geflirt. Het ijs was gebroken door de Nederlanders die, na even de kat uit de boom te hebben gekeken, de Engelsen aanspraken:

'Wat voor werk doe je?' 'Waar ken je hem van?' en 'Woon je hier in de buurt?' Allemaal vragen die in dit land tamelijk impertinent worden gevonden en die alleen door buitenlanders kunnen worden gesteld.

De Engelsen beperkten zich aanvankelijk tot de gebruikelijke, al dan niet gemeende, complimenten en dooddoeners: 'You speak such good English. All Dutch do'. Maar al gauw begonnen ze hun onwetendheid over Nederland te berde te brengen. 'Zijn alle huizen in Nederland oranje?' vroeg er een, waarbij hij meteen in de lach schoot. 'Waarom dragen jullie geen klompen?'

Europa mag dan één zijn, de cultuurkloof kan op een dergelijk feestje nog heel groot blijken. Van Abraham hadden de Engelsen nog nooit gehoord, laat staan dat ze iets begrepen van de poppen die op iemands vijftigste verj aardag in de tuin worden gezet. Hoewel ik op de uitnodiging had gezet dat alleen mensen die niet zouden komen hoefden te reageren, stuurden alle Engelsen een bevestiging. Van de Nederlanders deden dat alleen degenen die ik toevallig aan de lijn had gehad.

Bovendien stuurden de Engelsen na het feest allemaal een bedankje, of nog erger: ze belden op en bleven anderhalf uur aan de lijn om elk detail nog eens door te nemen, terwijl ik nog doodop was van de festiviteiten die tot diep in de nacht hadden geduurd.

Sommige Engelsen beschouwden de uitnodiging voor de party als een vrijbrief om iedere dag koffie te komen drinken. Ze staken hun bewondering voor de sociale vaardigheid van het klompenvolk niet onder stoelen of banken. 'Als je ook maar even alleen stond, kwam er iemand naar je toe voor een praatje. Dat zal je op een Engelse party nooit meemaken', vertelde Colin, een rechercheur van Scotland Yard. Een gepensioneerde professor, die meer van Willem van Oranje weet dan de gemiddelde Nederlander, was verbaasd hoe toegankelijk de mensen van overzee waren. 'Je kon met iedereen een praatje beginnen.' Een ander stelde vast dat de Nederlanders hetzelfde roken als de Britten. 'Je kon niet ruiken dat ze niet van hier waren.'

Of alle vooroordelen tegen het kikkerlandje zijn weggenomen valt te betwijfelen. De Britten zien Nederland, en met name Amsterdam, als een soort Sodom en Gomorra, waar iedereen de hele dag marihuana rookt en over de wallen zwerft. 'Ik denk dat ik met vakantie maar naar Berlijn gaan. Daar hebben ze meer moderne kunst', concludeerde de professor. Nederland is toch meer iets uit de tijd van Abraham.

 

Uit de Volkskrant van 11 april

Wat er onder de kilt schuilt

Wat de Schotten onder de kilt dragen, wordt gekoesterd als een van de grootste mysteries van de Britse natie. Maar dankzij de laatste rugbywedstrijd van Schotland tegen aartsrivaal Engeland is het geheim onthuld.

Op een mooie zaterdagavond om zes uur spelen de rugbyteams van Engeland en Schotland tegen elkaar op Twickenham in Zuid-Londen, the home of rugby. Vrienden uit de lokale pub -universitair geschoolde kleerkasten die nog altijd graag een gebroken nek riskeren in een scrum -hebben kaartjes gekocht .

'Hoe laat verwacht je mij? Twee uur, drie uur? Dan zijn we toch wel op tijd?', vraag ik vrijdagavond in de pub. 'Ben je gek, we vertrekken al om negen uur.' De volgende ochtend ben ik stipt om negen uur op het station. Daar heeft iedereen zich verzameld in Engeland-shirts: zes heren en twee dames van middelbare leeftijd, allemaal even uitgelaten.

In de trein haalt iemand meteen blikjes Engels bier uit een plastic zak. 'Mag ik even wachten? Het bier is nog te koud', probeer ik mij te excuseren. De blikken zeggen voldoende. Het bier smaakt in de vroege ochtend zoals de naam luidt: bitter.

De supporters zijn zeer geïnteresseerd in de Nederlandse taal. 'Wat is kitchen in het Nederlands?', vraagt er een. 'Keuken', antwoord ik. 'En dit?', terwijl hij op zijn achterste slaat.

'Billen', zeg ik. Iedereen giert het uit.

Om half elf arriveren we in Richmond. Hier hebben de Engelse supporters zich al verzameld in de overvolle pubs, waar bladen met bier rondgaan. Even na twaalf uur arriveert het Schotse legioen -iedereen gekleed in de kilt van de eigen clan. Terwijl bij voetbal de supporters van beide kampen gescheiden drinken, mengen de Schotse rugbyfans zich hier met de Engelsen. Er wordt samen gezongen en iedereen slaat de armen om elkaar heen.

Maar niemand wil laveloos de wedstrijd zien. Om twee uur is dus een tafel gereserveerd in een fish & chips-restaurant dat niets anders serveert dan enorme moten gepaneerde kabeljauw met patat-frites, desnoods met wat erwtenpuree voor de vitaminen. Liters thee met melk staan klaar om de alcohol van de ochtend weg te spoelen. Wie zijn buik nog niet vol heeft neemt nog een chipsbuttie (een portie patat tussen twee witte boterhammen) mee. Daarna spoedt men zich opnieuw naar de pub om op een groot scherm de wedstrijd Wales tegen Ierland te zien. Een eenzaam meisje roept voortdurend : 'Come on Wales'. Maar 95 procent hoopt op een overwinning voor de Ieren, omdat Engeland zich niet zoals vroeger vernederd wil voelen door triomferende Welsh.

Om half zes wandelen we onder begeleiding van doedelzakgejammer langs de Theems naar het stadion. Daar worden we omringd door al schorre Schotten en enkele verdwaalde Canadese zakenbankiers die de rugbygekte willen meemaken. Engelsen zingen de Flower of Scotland mee, zoals het Engelse (of eigenlijk Britse) volkslied God Save The Queen uit volle borst door de Schotten wordt meegezongen.

De Schotten zien berustend toe hoe het Engelse vijftiental try op try maakt, omdat hun eigen verdedigers telkens te laat de tackle inzetten. 'Volgend jaar beter', verzucht een Schot al na een kwartier. 'Ach, wij Schotten zijn gewend te verliezen. Zowel met voetbal als met rugby. We zijn een natie van losers.'

Na de wedstrijd gaat iedereen in afgeladen bussen terug naar Richmond, waar het feest echt begint. In een uit zijn voegen barstende Sun Inn worden de hits uit de jaren zestig gezongen. De Engelsen zetten het Beach Boysnummer Sloop John B. in, waarbij de Schotten voor de tweede stem zorgen. Daarna volgen Delilah en Come On Eileen en klinkt de strijdkreet 'A Long Strong Black Pudding'.

Een van de Schotten doet een striptease voor de ogen van vier hopeloos in verlegenheid gebrachte public school-meisjes. Onder de kilt schuilt een blauwe onderbroek van Marks & Spencer, die uiteindelijk ook naar beneden getrokken wordt. 'I see his keuken', roept een van de vrouwen, die de Nederlandse idioom door elkaar heeft gegooid.

We halen op het nippertje de laatste trein. Een van de Engelsen heeft nog een enorme kan met bier in de rugzak weten mee te smokkelen. Medereizigers die terugkeren van een verjaarsbezoek of een toneelvoorstelling kijken even geërgerd toe, maar al gauw zingen ook zij Sloop John B.. Vlak voor we er zijn wordt een van de Engelsen gebeld door zijn 19-jarige zoon die hem van het station moet ophalen. 'Waar zijn de autosleutels?', vraagt die. 'I think in the billen', roept Pa terug.