Uit de Volkskrant van 8 juni
Dozen vol boeken
Zal ooit over één nog regerende politiek leider al zoveel zijn geschreven als over Tony Blair? Mijn verhuizers weten zeker van niet. Twee dozen vol: zo’n tachtig boeken over Blair, zijn naaste medewerkers en zijn project. ‘Heb je die allemaal gelezen?’ Ze kijken mij aan alsof ik een dorpsgek ben. Het zijn ook Nederlandse verhuizers in Engeland. Politieke biografieën zijn in Nederland onontgonnen gebied. Ieder aankomend sportster in dit land krijgt makkelijker een biografie dan een groot staatsman. Is de biografie over Joop den Uyl al uit? Is er een van Wim Kok? Max van Weezel heeft er net een geschreven over Jan Peter Balkenende, maar eigenlijk stelt het niet zoveel voor. Vergelijk dat eens met alle boeken over Johan Cruyff…
In Groot-Brittannië word je als politicus niet serieus genomen zonder een biografie van minimaal vijfhonderd pagina’s aan kleine letters met alle kleuterschoolervaringen en amoureuze escapades. Clement Attlee, de meest kleurloze Britse premier van de vorige eeuw, kreeg in 1948 ver voor het einde van zijn regeringstermijn al zijn eigen biografie, geschreven door Roy Jenkins, toen nog een obscuur backbencher. En het houdt ook nooit op. Roy Jenkins schreef bijna vijftig jaar na diens dood ook een ‘definitieve biografie’ over Winston Churchill, niet alleen de meest kleurrijke premier maar ook iemand over wie alles al bekend leek.
Wanneer zal ieders fantasie over Tony Blair zijn uitgeput en het definitieve oordeel zijn gegeven over zijn regeringsperiode? Zeker niet bij zijn aftreden eind deze maand, ook niet na het verschijnen van zijn autobiografie of het verschijnen van alle biografieën van zijn naaste medewerkers (Alastair Campbell, Gordon Brown), zelfs niet over twintig jaar als iedereen echt weet wat de gevolgen zijn geweest van de invasie van Irak.
Ondanks tachtig boeken en het 24-uurs mediatijdperk is de figuur Tony Blair eigenlijk nog een onbeschreven blad. Hij is bijna nog mysterieuzer dan toen hij dertien jaar geleden Labourleider werd en tien jaar geleden premier. Toen straalde hij van jong élan en optimisme over de toekomst – een politicus die anders was en meer integer leek dan alle anderen.
Nu is hij bij zijn aftreden een groot vraagteken: Waarom voelt deze moralistische christen zich zo thuis in het gezelschap van miljardairs en celebrities? Waarom omhelst deze sociaal-democraat de uitgangspunten van het thatcherisme? En waarom heeft deze idealist liefst vijf oorlogen gevoerd, waarvan de twee laatste met een Texaanse cowboy met wie hij zo weinig leek te delen?
Geen biograaf is het tot nu toe gelukt het goed te verklaren. Er bestaat geen eensluidend oordeel over zijn beweegredenen. De een denkt dat hij gedreven is door een jeugdtrauma, de ander door zijn geloof, een derde door zijn vrouw en een vierde door zijn eeuwige conflict met Gordon Brown. Misschien weet hij het zelf niet eens.
De politicus Tony Blair is er een meester in om iedereen op het verkeerde been te zetten. Tegelijkertijd is deze eenvoudige huisvader uit het noordelijke Durham zo fascinerend en inspirerend dat er al tijdens zijn regeringstermijn tachtig boeken zijn verschenen over hem en zijn tijdperk: van journalisten als John Rentoul, John Kampfner en Peter Riddell tot historici en wetenschappers als Anthony Seldon en Richard Rose en talrijke van zijn naaste medewerkers en medepolitici. Een aantal deed Zijn werk zelfs een keer dunnetjes over, zoals Rentoul die na zijn eerste biografie uit 1995 met Tony Blair Prime Minister in 2001 kwam, en oud-Labourpoliticus Leo Abse die The Man Behind The Smile uit 1996 liet volgen tot The Man Who Lost His Smile uit 2003. Ze hebben allemaal hun eigen agenda, waarvan ze niet kunnen afwijken, wat Blair ook daarna heeft gedaan. Twee van zijn eigen mannetjesmakers beschreven hem het eerst - Peter Mandelson (samen met Roger Liddle) publiceerde in 1996 de Blair Revolution en Philip Gould in 1998 The Unfinished Revolution – zodat de grote meester van Labour meteen was neergezet. Daarna heeft iedereen geprobeerd er doorheen te prikken. Blair heeft ze graag geholpen hem zwart te maken, maar niemand is daarin tot nu toe geslaagd.
Uit de Volkskrant van 14 december
Nieuws begraven
Vlak nadat de vliegtuigen op 11 september 2001 het WTC in New York binnenvlogen, ging op het Britse ministerie van Transport een e-mailtje rond van een topambtenaar: ‘Dit is een mooie dag om slecht nieuws te begraven’, schreef Jo Moore. Haar ondergeschikten brachten meteen alle onheilstijdingen naar buiten zoals een toename van vertragingen bij de treinen en het opheffen van buslijnen.
Op alle andere dagen zou die feiten allemaal voorpaginanieuws zijn geweest, maar nu werden ze weggedrukt in een kolommetje op pagina 14 of haalden ze de krant niet eens, laat staan het televisienieuws. Ze werden ondergesneeuwd door de dramatische gebeurtenissen in de VS.
Nieuwsmanagement is misschien niet uitgevonden, maar het is zeker geperfectioneerd onder New Labour. De grootmeesters van het genre zijn de huidige Europees commissaris Peter Mandelson, bijgenaand de prins der duisternis, en Blairs chef-spindoctor Alastair Campbell, de vroegere PMOS (prime ministers official spokesman) die na 2003 naar de achtergrond verdween maar Blairs belangrijkste vertrouweling bleef.
Velen zagen dan ook de hand van Alastair Campbell in de reeks van voor Labour onaangename nieuwstijdingen die in een adembenemend korte tijd bekend werden gemaakt op de dag dat de wereld maar één ding aan zijn hoofd had: de raadsels rond de dood van prinses Diana.
Al ver van tevoren was bekend dat die dag het ‘definitieve’ onderzoek naar de dood van ’s werelds bekendste glamourprinses zou worden gepubliceerd. Op dat moment werd door de regering meegedeeld dat 2500 postkantoren zouden worden gesloten, een onderzoek naar corruptie zou worden stopgezet en Blair zelf als eerste zittende premier in de Britse politieke geschiedenis door de politie was verhoord.
Tegelijkertijd dat de Londense politie het rapport over Diana’s dood presenteerde in de Queen Elizabeth Hall, sprak een ander team van Scotland Yard op Downing Street met de premier over corruptie. Hoewel Blair niet werd gearresteerd en waarschijnlijk zelf ook niet in staat van beschuldiging zal worden gesteld, is het politieverhoor een persoonlijke blamage voor een premier die heeft beloofd ‘witter dan wit’ te zijn.
Publicitair ontsnapte hij echter de dans. Slechts een enkele krant had er plaats voor op de voorpagina. Het was geen toeval. Blair had zelf het tijdstip van het verhoor bepaald op donderdag 12.00 uur, vlak na het kabinetsberaad en net voor zijn vertrek naar de top in Brussel. En ook tegelijkertijd met de presentatie van het Diana-rapport.
’s Middags maakte minister voor Transport Alistair Darling in het Lagerhuis bekend dat 2500 postkantoren zullen worden gesloten. Omdat postkantoren voor veel kleine Britse dorpen het hart vormen van hun gemeenschap en veel ouderen hier hun pensioen moeten ophalen, is het besluit zeer controversieel. En om 17.00 uur liet de regering in een vrijwel leeg Hogerhuis zich het meest explosieve nieuws van de dag ontvallen: een onderzoek naar het betalen van steekpenningen door de Britse wapenfabrikant BAE aan Saoedi-Arabië wordt stopgezet, zogenoemd in het belang van de nationale veiligheid maar in werkelijkheid om toekomstige orders niet in de waagschaal te stellen.
Corruptie verdoezelen met het oog op de commerciële belangen is op zich al tamelijk cynisch. Maar dat te doen op een wijze dat het de kranten niet haalt is het toppunt van cynisme. In een van de cartoons die vandaag in de kranten staat leest de Britse Machiavelli met zijn bekende grijns de achterkant van een krant wiens voorpagina is gevuld met de kop ‘Het was een ongeluk’.
Niemand weet wat precies de erfenis zal zijn van Tony Blair na zijn vertrek. Maar met het voortdurend rekken van zijn premierschap maakt hij die er niet beter op.
Uit de Volkskrant van 10 december
Fascinatie voor de ‘Ripper’
Wie Engelse kranten leest en naar de Engelse televisie kijkt, lijkt in het meest criminele land ter wereld terecht te zijn gekomen. Moord en doodslag beheersen de voorpagina’s. En op het televisiejournaal staat er altijd wel een verslaggever voor de Old Bailey in Londen of een van de andere rechtbanken verslag te geven van een moordzaak onder het motto hoe gruwelijker hoe beter.
In feite is Engeland een veilig land. Zelfs Londen kent een laag misdaadcijfer. Per duizend inwoners worden hier jaarlijks 61,9 misdaden aangegeven tegen 168,9 in Berlijn en 146,7 in Parijs. Het aantal moorden bedraagt slechts drie per honderdduizend inwoners, de helft van dat in Amsterdam en zelfs nog lager dan dat in Bern. In de hele stad Londen vinden per jaar evenveel schietpartijen plaats als op een gemiddelde dag in New York. ‘De meest markante en meest originele karaktertrek van de Engelsen is de gewoonte om elkaar niet te vermoorden’, zei George Orwell. De Britten mogen dan een luidruchtig en af en toe gewelddadig volk zijn, diep in hen koesteren ze altijd respect voor de ander.
Het Britse karakter kent echter ook andere kant. Als ze gaan moorden, dan doen ze het meteen bloediger, wreder en nietsontziender zijn dan in andere landen. Geen natie heeft zo’n imponerende lijst van seriemoordenaars.
Mary Ann Cotton vermoordde in de negentiende eeuw twintig mensen door vergiftiging. William Burke en William Hare - bijgenaamd de Body Snatchers - brachten in de Victoriaanse tijd zestien mensen om het leven en verkochten de lichaamsdelen aan medische scholen. Een van de bekendste seriemoordenaars is Jack The Ripper die in Whitechapel in Londen in 1888 vijf prostituees vermoordde en de lichamen aan stukken sneed. De Yorkshire Ripper, die dertien vrouwen ombracht in de jaren zeventig, werd na een politieklopjacht wel opgepakt en zit nu een gevangenisstraf van dertig jaar uit. Hij beweerde dat hij de moorden in opdracht van God had uitgevoerd. Minstens even berucht zijn de Ian Brady en Mara Hindley, de zogenoemde Moors-moordenaars, die vijf kinderen vermoordden en op een onbekende plek in een van de moors rond Manchester begroeven.
Deze week heeft een nieuwe Ripper ineens het slapende stadje Ipswich en het landerige graafschap Suffolk op de landkaart gezet. De ‘Ipswich Ripper’ of ‘Suffolk Ripper’ blijkt in korte tijd vijf prostituees te hebben omgebracht. Ipswich en Suffolk sidderen van angst en de rest van het land spreekt over niets anders. Vrouwen – ook die niet aan betaalde seks doen - is te kennen gegeven binnen te blijven, waardoor Ipswich vlak voor kerst in de avonduren en spookstad is geworden. Politici in het Lagerhuis roepen dat ‘dit monster zo snel mogelijk wordt gepakt’. Zelfs premier Blair beloofde persoonlijk alle steun aan het onderzoek.
In de Britse respectable society bestaat een bizarre fascinatie voor criminaliteit. Plaatsen van grote misdaden zijn toeristische attracties en boeken over seriemoordenaars geheide bestsellers. Voordat een onderzoekscommissie zijn verslag uitbracht over de moordende huisarts Dr. Death, had ITV tot woede van sommige nabestaanden al een televisiedrama over de 215-voudige moordenaar Harold Shipman uitgezonden.
De media overschreeuwen elkaar in koppen als de Killer Machine of loven zelfs beloningen uit voor tips die leiden tot de opsporing van de dader. Sinds de dagen van de klopjacht op Jack de Ripper weten de kranten dat misdaad verkoopt – zeker bij de Britten.
Uit de Volkskrant van 4 december
Trein vol smokings
His Royal Highness, my Lords, ladies & gentlemen. Het is een heel lange zin die allemaal van de schaarse spreektijd afgaat. Maar de instructies voor deze awards-ceremonie zijn duidelijk. ‘Je begint zo en je gaat niet je moeders, oma’s en alle vrienden en kennissen bedanken’, zegt komiek en feestspreker Clive Anderson. Voor zijn eigen grappen en grollen die hij als een mitrailleur de zaal inschiet, neemt hij overigens behoorlijk de tijd. ‘De ceremonie duurt drie uur, de tijd die Michael Grade nodig heeft om weer een andere baan te vinden’, zegt hij met verwijzing naar de BBC-topman die na al zijn omzwervingen de dag daarvoor weer naar ITV is getransfereerd.
Dinsdagavond vindt de jaarlijkse uitreiking van de Media Awards plaats in het exclusieve Sheraton Park Lane hotel. Black tie is verplicht. Britten zijn gek op onderscheidingen. Het snel uitdijende aantal televisiekanalen kunnen met deze uitreikingen goedkoper hun uren vullen dan met reality tv en de sponsors kunnen hun namen meer profileren dan in een reclameblok.
Het is ook niet mijn eerste awards-ceremonie. Ik heb al de awardsuitreikingen van de staalfabrikanten, auteurs, City-dealmakers, soapies en Bafta-sterren bijgewoond. Maar het is wel de eerste waarvoor ik zelf ben genomineerd. Het voelt een beetje onwennig aan voorin te zitten in plaats van op een tafeltje tegen de achtermuur, waar je lekker met je collega’s over andere dingen kunt roddelen.
In Nederland mag elke journalist tussen al zijn jeans en corduroy net één nette broek hebben hangen, in Groot-Brittannië hangt er standaard ook een smoking in de journalistieke klerenkast. Mijn black tie is al enkele jaren geleden tweedehands voor 10 pond aangeschaft bij de Oxfam. Het enigszins vergeelde overhemd kan echter niet meer, zo heeft mijn partner beslist.
Bij Zeeman in Nederland is een nieuwe - inclusief strik - voor 8 euro in de aanbieding. Maar dit is een duur land. Marks & Spencer adverteert er hier mee voor 15 pond. Bij de M&S in winkelcentrum Bluewater is die echter al uitverkocht. De enige van 15 pond – hopelijk precies passend – hangt nog om de etalagepop. Een verkoper sloopt die er voor mij af, zodat ik niet in de klasse 45 pond hoef te zoeken. Enigszins verkreukeld gaat die in een plastic zak mee naar huis. Maar een strijkbout haalt de laatste plooien weg, zodat de royal highness noch de lords zich zullen ergeren.
Maar echt gemakkelijk voel ik mij er en public nooit echt in. De Engelsen staan zonder schaamte in black tie op het perron of het hun dagelijkse kloffie is – op weg naar het concert (muzikant of bezoeker?), theater, kerstparty of andere awards-uitreiking. Maar ik doe een speciale lange regenjas aan waarvan het bovenste knoopje ook werkt.
Pas in het Sheraton Park Lane aan Piccadilly vlakbij het sushi-restaurant waar Litvinenko mogelijk is vergiftigd (‘u bent terreurdoelwit’, grapt Anderson) durf ik de lange jas uit te doen. De drie uur is al snel gevuld met cocktails vooraf, dineren daarna en toespraken daartussen. Minister Margaret Beckett van Buitenlandse Zaken zegt ‘dat het buitenland niet meer bestaat’, hetgeen niet alleen haar functie maar ook de mijne meteen overbodig maakt. De onderscheidingen zelf zijn ondergeschikt aan de celebrities. Hoe meer sterren uit de Londense filmscene, popmuziek (bejaarde rockers verdienen er de kost mee) en televisie aanschuiven bij het diner, hoe hoger de onderscheiding wordt gewaardeerd. Award-ceremonies kunnen ook niet zonder tragiek en emotie. Daarom zijn de familieleden van de vermoorde Russische journaliste Anna Politskovskya en de eerder door de Taliban gekidnapte en later vrijgelaten fotojournaliste Gabriele “Kash” Torsello overgevlogen voor speciale awards.
Een vriend had mij aangeraden aan de goede kant van de tafel te gaan zitten, zodat je niet de hele avond je rug moet omdraaien om het podium te zien. Snel weet ik de kaartjes te verplaatsen. Helaas gebeurt er niets tot half elf. Mijn categorie story of the year – uitgereikt door de Duke of Gloucester – is daarna als een van de eerste aan de beurt. ‘Wat is de Volkskrant?’, vragen tafelgenoten als ze een lawaaierige clip krijgen te zien met een verkreukelde krant van 10 januari die met het voor hen onleesbare Nederlands abracadabra meer lijkt op een document uit Schatteneiland.. ‘De prijs gaat naar Time Magazine’. Deze krant eindigt als runner-up. ‘Laten we naar huis gaan’, merkt mijn partner op. ‘Anders missen we de laatste trein en sta je met je nieuwe overhemd als een etalagepop de hele nacht op het station.’ We rekken het nog even en halen hijgend de trein, eentje vol met mensen in smoking.
Uit de Volkskrant van 2 oktober
Drank, seks en netwerken
Nooit zoveel verlopen hoofden gezien als in de trein van Manchester Piccadilly naar London Euston.
De politieke elite keert huiswaarts na de Labour-partijconferentie. De gezichten zijn getekend door te veel alcohol en te weinig slaap.
Op de partijconferenties draait het om drank, seks en networking – in die volgorde. Politieke besluitvorming is er al lang niet meer en zelfs nieuwe politieke ideeën zijn er even schaars als grappen in de speeches van Gordon Brown. ‘Na tien jaar Labour is er ook weinig nieuws meer te verzinnen’, moppert een gedelegeerde uit de Londense wijk Hackney in mijn hotel, tweeënhalve mijl buiten het centrum van Manchester. ‘Sinds de Blair-crowd de boel heeft overgenomen, zijn we klapvee geworden. De Britse partijconferenties zijn nu hetzelfde als de Amerikaanse partijconventies.’
In de grote conferentiezaal spreken de gedelegeerden meestal tegen een handvol andere gedelegeerden, vooral gepensioneerden die mijmeren over de tijd dat de leden nog de dienst uitmaakten Alleen bij de speeches van de celebrities zoals de premier zelf en president Clinton is de ruimte vol.
De rest wandelt door de tentoonstellingsruimte en verzamelt zijn weggevertjes – pennen, blocnotes, I love Teddy Blair T-shirts en gouden olympische medailles van chocolade. Een ander deel duikt in de zogenoemde fringes (kleine bijeenkomsten) waar altijd sandwiches en wijn klaar staan. Weer een ander deel laat zich continu interviewen want er zijn zoveel media dat je elke vijftig meter drie keer aangesproken wordt. En de rest ligt nog in bed.
Want echt leuk wordt het pas in de avond als de party’s losbreken. ‘Wat kijken al die mannen hier hongerig’, merkt een jonge Nederlandse journaliste op die voor de eerste keer naar de conferentie is gekomen. Ja, de jacht is geopend. Wie een partijconferentie bezoekt, begrijpt waarom zoveel Britse politici in een seksschandaal belanden.
Dat president Bill Clinton hier zo graag komt, is niet vreemd. De charmeur complimenteert BBC’s Jo Coburn met haar mooie halsketting. ‘Het is van mijn grootmoeder’, zegt ze blozend. Maar later bekent ze die voor tien pond bij Marks & Spencer te hebben gekocht.
De mooiste party’s zijn de ‘alleen voor genodigden’ party’s die meestal door de Britse media worden georganiseerd. Hier zijn alle ministers bijna verplicht naartoe te gaan. Pottenkijkers uit het buitenland worden niet geduld. ‘Alleen voor de main media’, zegt de kleerkast bij de ingang. Maar na zeven jaar confereren weet ik altijd binnen te komen. Hoofdredacteur Simon Kellner van The Independent (de meest linkse krant) kust hier hoofdredactrice Rebekah Wade van The Sun vol op de lippen. Minister van Binnenlandse Zaken John Reid heeft de grootste lol met de politieke verslaggever van de vijandige Daily Mail. En Gordon Brown kijkt mat argusogen naar ex-minister Charles Clarke vijf meter verderop die hem onlangs ‘stom stom’ en een ‘controlfreak’ noemde.
Presentator Jeremy Paxman van Newsnight is omringd door de drie mooiste fractie-assistentes. Hij vertelt over zijn nieuwe boek On Royals. Als een van de dames hem erop aanvalt, roept de rottweiler van de Britse televisie nijdig: ‘Niet zo agressief.’ Hij vraagt of er in Nederland ook van zulke conferenties zijn. ‘Jullie partijen hebben gelijk het op een zaterdag te doen. Ik weet ook niet waarom het er nog is.’ Tony en Cherie Blair zijn op de door ITV georganiseerde partijtje van Coronation Street, waar vice-premier John Prescott voor de verandering danst er dit keer met zijn vrouw.
Als het partybudget van ITV, The Times of Tne New Statesman om twee uur ‘s nachts op is, wordt het feesten voortgezet in de hotellobby’s van The Midland en de Edwardian Radisson. Hier kost een glas champagne gauw 12 pond, maar daar laat niemand zich door weerhouden. Om half vijf is de bar nog stampvol. Minister Geoff Hoon kijkt glazig uit zijn ogen. ‘Jij bent toch van het land waar ze neen tegen de Europese grondwet hebben gezegd. En maar schrijven dat wij zo anti-Europa zijn.’
Uit de Volkskrant van 13 september
Blair gaat weg. Maar wat nu?
Wat nog ontbreekt is een T-shirt met het opschrift: Jeruzalem 9/9, Ramallah 10-9, Beiroet 11-9, Brighton 12-9, Manchester 25-9 enz. Tony Blair is begonnen met zijn wereldwijde afscheidstournee. Maar tot nu toe verloopt de Last Waltz weinig feestelijk. In Beiroet verstoorde een demonstrant de persconferentie van de Britse premier. En in Brighton op het congres van de TUC – de centrale van Britse vakbonden – werd Blair dinsdag uitgefloten en liepen leden demonstratief de zaal uit.
Na bijna tien jaar zijn de Britten uitgekeken op Tony Blair, net zoals ze dat eind jaren tachtig waren op Margaret Thatcher. De populariteit van Blair is gedaald tot een absoluut dieptepunt. Volgens de laatste peiling ziet slechts 25 procent van de Britten in hem een capabele leider.
Maar het probleem is dat ze nog minder enthousiasme kunnen opbrengen voor zijn mogelijke opvolger Gordon Brown, de huidige minister van Financiën. Slechts 17 procent vindt hem een capabele leider. En slechts 8 procent (voor Blair is dat tenminste nog 22 procent) denkt dat Brown voldoende persoonlijkheid voor de baan heeft. Alleen wordt Brown geacht de problemen van de natie (22 procent tegenover 20 procent voor Blair) beter te begrijpen.
De val van Tony Blair vorige week heeft zijn ‘opvolger’ nog verder beschadigd. Brown is afgeschilderd als de nieuwe Brutus, de man die de poten onder de stoel van de premier heeft weggezaagd en daarna lachend in de auto stapte. Hij is verweten de kwade genius te zijn geweest achter de coup die Blair dwong aan te kondigen binnen twaalf maanden op te stappen. Hij zou hierdoor de partij zelfs hebben vernietigd.
Daarnaast wordt door Labourkopstukken als voormalig minister Charles Clarke openlijk getwijfeld aan zijn geschiktheid als premier. Brown zou een control freak zijn. Hij zou over te weinig moed beschikken en niet in staat zijn de psychologische vraagstukken van het land aan te voelen. Hij wordt gezien als een emotieloze robot die alleen op de centen kan passen maar niet de natie kan inspireren of een nieuwe koers kan uitzetten. Kortom, Brown is niet bepaald iemand naar wiens premierschap door de natie reikhalzend wordt uitgekeken.
Brown zelf probeert op dit moment zijn imago bij te stellen. Afgelopen zondag ontkende hij zijn betrokkenheid bij de coup in een taal die volgens BBC-verslaggever Nick Robinson zelfs ‘menselijk leek’. De 55-jarige Brown probeerde cool over te komen. Hij zei een fan van de Arctic Monkeys te zijn. En hij verklaarde zelfs als Schot – mogelijk de enige in dat land – te hopen dat Engeland ooit wereldkampioen voetballen zal worden. Gisteren benadrukte hij zijn patriottisme verder door een bevlogen speech bij de lancering van de nieuwe Mini – ‘een bewijs dat dit land kan concurreren in de wereldeconomie’.
Brown is nog altijd de meest waarschijnlijke opvolger van Blair, maar niet langer de gedoodverfde, laat staan automatische troonpretendent. Bij de bookmakers in Londen die over het algemeen betere voorspellers zijn dan opiniepeilers, is de odd voor de huidige minister van Financiën in de afgelopen week al flink gedaald. Daarentegen is die van mogelijke Blairite-uitdagers gestegen. Op dit moment zijn de politieke zwaargewichten binnen Labour aan het wikken en wegen: scharen ze zich achter Brown of gaan ze voor hun eigen kansen met het gevaar uit de politieke boot te vallen?
De meest waarschijnlijke uitdager voor Brown is op dit moment de huidige minister van Onderwijs Alan Johnson. In een gisteren gehouden speech liet hij iets van zijn ambities doorschemeren. In plaats van zich tot zijn portefeuille te beperken pleitte hij voor een vereniging van New Labour en Old Labour in Real Labour. Maar voor Britten is Johnson een even onbekend fenomeen als voor buitenlanders. Een meer geprofileerde Blairite als de huidige minister van Binnenlandse Zaken John Reid zou het volk meer aanspreken dan Johnson, hoewel zijn populariteit even gering is als die van Blair zelf. Mogelijk staat op het laatste moment is de leiderschapsstrijd nog een outsider op die de natie wel kan begeesteren. Maar de meeste Britten hebben er weinig vertrouwen in.
Tory-leider David Cameron wordt door velen nog het meest gezien als Blairs natuurlijke opvolger, maar deze jonge politicus zal op zijn vroegst pas bij de verkiezingen van 2009 een kans maken op het premierschap. Daarnaast is hij te veel een upperclass-figuur om echt in de voetsporen van Tony Blair te treden.
De Britten zullen bij gebrek aan alternatief Tony Blair waarschijnlijk nog gaan missen. En hoe dichter zijn echte afscheid nadert – vermoedelijk in mei volgend jaar – hoe populairder hij waarschijnlijk zal worden. Mogelijk zal zijn de long goodbey niet hoeven te eindigen met spitsroeden lopen.
Uit de Volkskrant van 23 augustus (25000 editie)
BLAIR ANTWOORDT NIET
Het echte nieuws is te vinden op straat, in de wandelgangen van het parlement en vooral in de pub, waar de Britten zichzelf en hun land minder serieus nemen en graag bakkeleien met that nosy-parker from Holland.
Word je met een ander gevoel wakker in een land dat nog altijd pretendeert over de wereldzeeën te regeren? Nee, zij het dat het bier slapper is en daardoor de kater na een pubbezoek minder erg.
Maar het nieuws lijkt iedere ochtend zoveel opwindender te zijn dan in Nederland. De politici zijn uitgesprokener, de celebrity’s beroemder, de gebeurtenissen dramatischer en het debat heftiger.
De Britten hebben het buitenland niet nodig. De voorpagina’s van Britse kranten die ik ’s morgens op de stoep vind, zijn op een hoge uitzondering na gevuld met binnenlandse onderwerpen. Nederlandse kabinetscrises, Indonesische vulkaanuitbarstingen en Tsjetjeense onlusten kunnen zelfs in de serieuze pers niet concurreren met binnenlandse trivialiteiten als de koopwoede van de Engelse voetbalvrouwen en het feit dat Sadie Frost blij is dat Kate Moss niet wordt vervolgd voor cocaïnegebruik. Bekende Britten lijken zoveel meer voor te stellen dan BN’ers.
Voordat ik doorblader naar het echte nieuws, kijk ik op de website van de BBC. Ik zou niet willen dat een buitenlandredacteur mij belt met de opmerking ‘Elizabeth is dood’ en ik van niks weet.
Het enige opmerkelijke bericht zit in mijn e-mailpot: een persbericht van Cardiff University dat uit een onderzoek is gebleken dat deze vrijdag – 23 juni – de gelukkigste dag van het jaar is: het is lang licht, iedereen verheugt zich op het weekeinde, de vakanties zijn in aantocht en de zomer is nu echt begonnen. Ik maak er meteen een berichtje van op mijn weblog – je kunt er in de krant van de 24ste niet meer mee aankomen. Het idee dat vandaag de gelukkigste dag van het jaar moet zijn, stemt mij meteen depressief.
Toen ik als correspondent begon, bladerde ik zeven kranten door, knipte alles uit en vormde in twee weken een stapel knipsels die voldoende kopij voor vijf jaar zou genereren. Twee maanden later gooide ik de vergeelde knipsels weg en beperkte mij tot twee kranten. Het echte nieuws is beter te vinden in de wandelgangen van het parlement, op straat en in de pubs, waar de mensen zichzelf en hun land minder serieus nemen dan de media en graag met that nosy-parker from Holland redetwisten.
Het correspondentschap begint met een lege agenda, een blanco adressenboek en veel vrije tijd, waardoor ik dacht in een jaar mijn golfhandicap te kunnen halveren. Inmiddels is het netwerk zo groot dat een hoofdredacteur zich aan kapitaalvernietiging zou schuldig maken door mij terug te halen naar Nederland en is de agenda zo vol dat driekwart van alle borrels moet worden afgezegd om niet in de Betty Ford-kliniek te eindigen.
Elke dag begint met de kruistocht tegen de Britse bureaucratie. Waarom ontbreekt de contrasignering op de accreditatie voor de Labour-conferentie eind september? Als je te laat bent, kost het tweehonderd pond. En waarom heb ik nog niets van Arsenal gehoord over de benefietwedstrijd van Bergkamp?
Vandaag zijn er vijf persconferenties in Londen die ik graag zou willen bezoeken. Maar ik kan er maar één doen, omdat ze bijna allemaal om elf uur beginnen. Ik wil een reportage maken over de Speaker’s Corner op Hyde Park die teloor lijkt te gaan en heb een interviewafspraak met ex-hardloper, Tory-toff en bobo Lord Seb Coe die de Olympische Spelen in Londen gaat organiseren.
Als correspondent lijkt ineens alles interessant. Ik zal niet over de baan klagen. Je mag in een ander land vijf jaar boven je stand leven. Je hoeft daarvoor niet eens zoals een zakenbankier elke ochtend om half zes op te staan, maar kunt tot half negen in bed blijven liggen. Je wordt uitgenodigd voor de garden party op Buckingham Palace en de preview van de nieuwe Velasquez-tentoonstelling in de National Gallery, waarvoor het publiek uren in de rij moet staan. Met een accreditatie kun je vooraan zitten op Old Trafford, Wimbledon en de royal enclosure van Royal Ascot. En je mag zelfs af en toe de premier een vraag stellen.
De persconferenties van Tony Blair kennen een vaste hiërarchie van vragenstellers: BBC, ITV, Channel 4, Sky, The Sun, The Times tot uiteindelijk Robin Oakley van CNN.
De rest of the presspack mag daarna om de microfoon vechten. Blairs vinger gaat wijzend rond. Ik ben ik er twee keer in geslaagd een vraag te stellen. Antwoord krijg je niet. Blair is de grootmeester van het ontwijkende antwoord. En je kunt er niet op door gaan: Prime minister, that was not an answer to my question. De microfoon is al weer verplaatst naar een Poolse journalist die iets wil weten over een diplomatiek incident in Warschau.
Nieuws levert Blairs persconferentie nooit op. Het gaat er ook niet om wat hij zegt, maar hoe hij zegt. Het draait om presentatie en spin.
Van de schijnwereld van Garden Party’s, Brit Awards, Downing Street en Seb Coe waar iedereen zich belangrijk vindt, ga ik naar huis. Om vier uur ’s middags heb ik nog niets voor de krant van de volgende dag. Mijn vingers jeuken. Een krant zonder stukje van mij is mijn krant niet. Gelukkig staat de reportage over Nottingham er morgen in. Maar ik wil ook nog iets schrijven voor de nieuwspagina.
Er ligt nog een onderzoek dat de verkeersopstoppingen in de stad nu erger zijn dan voor de invoering van de omstreden congestieheffing – een toltarief waar ook in Nederland naar wordt gekeken. Het onderzoek lijkt goed onderbouwd met cijfers van gemiddelde snelheid op vele punten in de stad. Maar de bron is verdacht: de autolobby. Ik bel de dienstdoende voorlichter van Transport for London voor een reactie. Hij laat mij vijf minuten aan de lijn hangen. ‘Helaas. Mijnheer O’Hara moet u antwoord geven, maar die is al naar huis. Belt u maandag maar terug.’ ‘Dat kan niet’, roep ik boos. ‘Het gaat om een stukje voor de krant van morgen. Ik moet vandaag antwoord hebben.’
Hij laat mij weer vijf minuten hangen. ‘Sorry. Maar u kunt beter een e-mail sturen met de vragen.’ Uiteindelijk zoek ik mijn toevlucht tot chantage. ‘Als u niet reageert staat in een Nederlandse kwaliteitskrant de kop Congestieheffing mislukt.’ Na tien minuten heen en weer praten, zegt hij mij weer even geduld te hebben. Daarna klinkt het aan de andere kant van de lijn: ‘John O’Hara.’
Ik kan het nieuwsstukje genuanceerd opschrijven. Mijn vrouw komt thuis uit het echte Engeland. Ze heeft een baan als gids op Hever Castle (kasteel van Hendrik VIII’s tweede echtgenote Anne Boleyn) waar ze rondleidingen geeft aan Britse schoolkinderen, wier ouders nooit snappen dat een buitenlander met de onuitspreekbare naam Zuurbier hen over de Tudor-periode vertelt. ‘Hoe was het?’, vraag ik. ‘Ik had vandaag een groep kinderen uit Belgravia. Toen ik vertelde dat de broer van Hendrik VIII Arthur heette, zei een 8-jarige wijsneus: ik heet ook Arthur. Ik vroeg hem of hij ook de prins van Wales was. Nee, zei hij, maar zijn familie is wel gerelateerd aan de Duke of Wellington.’
’s Avonds kijk ik met timmerlieden, huisschilders, een boekhouder en een leraar in het clubhuis van de cricketclub naar een WK-voetbalwedstrijd. ‘Heet iemand van jullie Arthur? Geloven jullie dat Londen in 2012 klaar is voor de Spelen? En wanneer treedt Blair af? In krijg antwoorden waar geen krant tegenop kan. Ik voel mij een beetje wijzer en geniet van de gelukkigste dag van het jaar.
Uit de Volkskrant van 12 juli
Engelsen en de McMaffia
Cristiano Ronaldo mag in Engeland een haatfiguur zijn geworden, in Schotland zou hij even groots worden ingehaald als de Italiaanse wereldkampioen in Rome. Teams – zoals Portugal – die van Engeland winnen, worden traditioneel ‘ere-Schotten’ genoemd, zelfs als daarbij middelen worden gebruikt die neutrale voetbalsupporters niet echt zullen waarderen.
Is de voetbalhaat tussen Engelsen en Schotten groter dan die tussen Duitsers en Nederlanders? Waarschijnlijk niet, alleen leven Duitsers en Nederlanders niet in hetzelfde koninkrijk.
Indien een ZDF-televisieploeg tijdens het WK een VW Golf met een grote en twee kleine Duitse vlaggen op een zaterdagavond in de Schildersbuurt van Den Haag had geparkeerd, zou er ook een gerede kans zijn geweest dat het voertuig niet onbeschadigd teruggevonden zou worden. Indien aan de vooravond van de wedstrijd ADO-Ajax een Nederlandse auto met een Ajax-vlag daar was geplaatst, zou er heel waarschijnlijk weinig van over zijn gebleven.
De uitkomst van de Newsnight-undercoveroperatie met het parkeren van een in Engeland-vlaggen gedrapeerde auto in een arbeidersbuurt in Glasgow was dan ook tamelijk voorspelbaar en de kritiek over uitlokking van vandalisme niet helemaal onterecht.
Het undercoverproject zegt in dat opzicht ook weinig over de betrekkingen tussen de twee landen die samen met Wales Groot-Brittannië vormen en samen met Wales en Noord-Ierland het Verenigd Koninkrijk. Sportieve rivaliteit is een slechte indicator voor de daadwerkelijke betrekkingen tussen landen en volken.
Engelsen hebben geen hekel aan de Schotten – in tegenstelling tot de Ieren en de Welsh. Schotten worden beschouwd als rechtdoorzee en zuinig en mogen daarom de schatkist bewaren. Misschien zijn ze wat zwaarmoedig, maar ook gastvrij en vriendelijk. Zelfs op sportgebied koesteren Engelsen enige sympathie voor de Schotten, omdat ze bijna altijd zo vriendelijk zijn te verliezen. De echte aartsrivalen zijn de Welsh, vooral met rugby.
De Schotten maken het op hun beurt de Engelsen zelden moeilijk. Sinds de Jacobieten in 1746 het onderspit moesten delven tegen het Britse leger (veertig jaar nadat het Schotse parlement was afgeschaft) is het nooit meer tot een serieuze opstand gekomen. De Schotten koesteren weliswaar graag het romantische beeld van een onafhankelijk Schotland – het land heeft er meer historische rechten op dat menig staatje in Oost-Europa of de Balkan – maar gaan daarvoor niet op de barricades.
In de jaren dertig van de vorige eeuw werd met de Scottish National Party (SNP) een politieke beweging opgericht die nadrukkelijk onafhankelijkheid nastreefde. Maar het duurde tot in de jaren zeventig tot de SNP electoraal werkelijk enige voet aan de grond kreeg. De Mel Brooks-film Braveheart over de Schotse held William Wallace gaf het Schotse nationalisme in 1995 een nieuwe impuls. In 1999 gunde Tony Blair de Schotten een eigen parlement en regering waarmee Schotland – behalve op het gebied van defensie en buitenlandse zaken – zelfbestuur kreeg.
Maar de meerderheid van de Schotten wil geen verdere stap zetten en ook de koningin bij het oud vuil dumpen. De SNP is nooit de grootste partij van het land kunnen worden (nu de tweede achter Labour) en verloor zelfs tijdens de laatste parlementsverkiezingen een deel van haar achterban.
In Groot-Brittannië hebben de Schotten economisch en politiek gezien ook weinig reden tot klagen. Ze zijn hier bijna een bevoorrechte minderheid. De Schotten ontvangen gemiddeld per inwoner 1500 pond per jaar meer uit de staatskist dan de Engelsen.
En de vijf miljoen Schotten (tegen vijftig miljoen Engelsen) zijn oververtegenwoordigd in alle Britse bestuursorganen. Ze hebben relatief meer parlementariërs dan de 10 procent waarop ze getalsmatig recht hebben en vooral veel meer kabinetsleden. Niet alleen heeft Blair zelf sterke Schotse wortels, liefst zeven ministers zijn Schots, onder wie minister van Defensie Desmond Browne, minister van Handel en Industrie Alistair Darling en ook minister van Financien Gordon Brown. De huidige leider van de Liberaal-Democraten is Schots, net als zijn voorganger. En de Speaker van het Lagerhuis (kamervoorzitter) is eveneens een Schot.
De ‘McMaffia’ wordt in Westminster getolereerd. Dat de Schotse kabinetsleden beslissen over onderwijs, gezondheidszorg en pub-openingstijden in Engeland - terwijl Engelse parlementariërs niets te vertellen hebben in Schotland – heeft alleen bij een conservatief deel van de Engelsen kwaad bloed gezet. Zelfs het verscheuren van de Engelse vlag tijdens het WK, windt de meeste Engelsen niet op. Het werd pas een zaak toen de Schotten zich er druk over gingen maken omdat het door de BBC uit Londen was uitgelokt.
Uit de Volkskrant van 10 juli
Huizenjacht
Cash or mortgage?’, klinkt het korzelig. Een jongeman van begin twintig zit achter een tafeltje bij de entree van het showappartement van een nieuwbouwproject in de Londense wijk Bermondsey.
Hier verrijzen op ruim een kwartier loopafstand van station London Bridge 43 nieuwe koopappartementen. De eerste dertien op de twee eerste verdiepingen worden vandaag te koop aangeboden. Vanmorgen stond de advertentie in de krant dat vanaf 10.00 uur een showappartement van het Artesian Building is te bezichtigen.
Als woningzoekenden in Londen hebben we belangstelling. De prijzen zijn voor Londen en zeker voor een wijk met de postcode SE1 heel aantrekkelijk: vanaf 215 duizend pond (ruim drie ton) voor een éénkamerappartement.
De buurt valt in eerste instantie niet mee. SE1 is nog niet zo hip als Islington of Notting Hill, laat staan zo sjiek als Chelsea of Kensingston. Maar Bermondsey is in ontwikkeling en trendy aan het worden, zo wordt ons van alle kanten verzekerd. Dat lijkt echter vooral voor het gedeelte aan de oever van de Theems te gelden.
Het Artesian Building aan Tabard Square ligt nog in een gribusbuurt waar veel winkels zijn dichtgetimmerd en met graffiti beklad, huisvuil op straat is gegooid en de kleine rijtjeswoningen zeker al enkele decennia geen likje verf meer hebben gezien.
Hoe verder we van London Bridge afdwalen hoe stiller het wordt op straat. ‘Ik weet niet of ik hier ’s avonds wel durf te lopen’, zegt mijn vrouw. ‘Het valt mee’, houd ik nog even de moed erin. ‘Kijk, daar is het al. Tenminste dat moet het zijn.’
Om de hoek is de ingang naar het showappartement op de eerste verdieping. Het is even na één uur s’middags. Ineens staan we in de rij. Het showappartement is te klein om alle belangstellenden tegelijkertijd een kijkje te laten nemen.
Als we aan de beurt zijn, volgt meteen de vraag van de jonge vertegenwoordiger van makelaar Savills: ‘In contanten of hypotheek?’ Aan dat antwoord zijn wij eigenlijk nog lang niet toe. ‘We wilden even kijken..’
Kijkers? Hij lijkt verbaasd. ‘Er zijn er nog twee te koop. Type D2 op de tweede verdieping van 71 vierkante meter vloeroppervlak voor 294 duizend en type C2 – eveneens 71 vierkante meter – voor 296 duizend pond.’ Hij zet een kringetje om de twee resterende appartementen op het A4-tje met de hele lijst. In amper drie uur zijn er al elf verkocht.
Drie minuten later lijkt ook de twaalfde een koper te hebben. De man achter ons in de rij zegt meteen ongezien te willen kopen. ‘Oh ja,’ antwoordt de jongeman van Savills. ‘Met hem kunt u de financiën afhandelen.
De Londense huizemarkt is al jaren overspannen, maar lijkt nu compleet te zijn dolgedraaid. We nemen toch maar eerst even een kijkje in het showappartement. In de woonkamer ligt een lametvloer. In de slaapkamer moet je gebukt lopen om het hoofd niet te stoten aan de schuine wand. Het is echt piepklein. Er is uitzicht op een park. Maar er is geen balkon. ‘En de ramen van zowel de woon- als slaapkamer zijn op het noorden. Dus helemaal geen zon’, merkt mijn vrouw op.
En met de aankoopsom ben je er nog lang niet. Er komt ook nog 250 pond grondrente per jaar bij. En dan natuurlijk een fors bedrag aan servicekosten. ‘Is het dan tenminste een freehold?’ Nee, ook niet. Een leasehold van 125 jaar.
We sommen de lijst van nadelen op aan een vrouwelijke medewerker van het makelaarskantoor die een oogje in het zeil houdt. Ze lacht er een beetje om en schudt zelfs het ervaren vastgoedhoofd. Buitenlanders die niets weten van de Engelse woningmarkt en die proberen te onderhandelen over de prijs, zo lijkt ze te denken. In Londen betaal je de vraagprijs, zo niet meer dan de vraagprijs. Twee mensen die ook een kijkje nemen hebben er al één gekocht en kijken nog wat rond. Een echtpaar heeft er een voor de dochter die binnenkort het huis uit wil. Een andere jongen zegt hem als investering te hebben gekocht. ‘Ik ga er niet zelf wonen. Ik hoop als de bouw is voltooid hem meteen weer te verkopen. Dit levert altijd geld op. Van London Bridge heb je ideale verbindingen naar St. Pancras, waar volgend jaar de Channel Tunnel Rail Link eindigt en naar Stratford, waar in 2012 de Olympische Spelen worden gehouden. Ik zou meteen kopen… Location. Location’, adviseert hij.
Als Nederlanders kijken we wekenlang later nog steeds
Uit de Volkskrant van 2 juni
Schild begraven onder croquetgazon
Een onschuldig spelletje croquet is de nieuwe nagel aan de Blair-regering’s doodskist die zoveel nagels nodig lijkt te hebben.
Vice-premier John Prescott werd vorige week gesnapt toen hij tijdens kantooruren croquet speelde op het gazon van zijn buitenhuis Dorneywood in Buckinghamshire, een langoed dat in de jaren veertig door de Courtauld-familie ter beschikking van de regering werd gesteld.
Indien premier Blair zich op zijn eigen Chequers aan deze sport had gewaagd had er waarschijnlijk geen haan naar gekraaid. Maar nu de arbeidersklassejongen John Prescott – de man het linkse gezicht van de Blair-regering moet ophouden – zich aan dit upperclass-vermaak bezondigde was Westminster in rep en roer. Zijn verdediging – ‘ik kende de regels niet eens. Ik werd er door mijn mensen toe gedwongen en kon toch moeilijk zeggen dat het tegen mijn ideologische positie is’ – hielp hem weinig. Woensdagavond moest Prescott zijn buitenverblijf opgeven om zijn politieke lijf te redden.
‘Als een minister negen dagen van slechte krantenkoppen weet te overleven, dan kan hij aanblijven’, formuleerde de fameuze spindoctor Alastair Campbell ooit de regels binnen Blairs kabinet.
Prescott ligt al een meer dan een maand lang onder vuur van de Britse media, maar heeft tot nu toe zijn functie kunnen behouden. De woensdag 68 jaar geworden vice-premier is een bijzonder geval in Blairs kabinet. Hij is, zoals hij gisteren zelf uitdrukte, het schild van de premier. Hij is ook de scheidsrechter die de opvolging van Blair door Gordon Brown in goede en soepele banen moet gaan leiden.
Volgens sommigen vormt hij een onverbrekelijk duo met de premier. Als Prescott valt, dan valt ook Blair. Verkiezingen voor een nieuwe plaatsvervangend leider voor Labour, betekenen ook automatisch verkiezingen voor een nieuwe leider. Of zoals Prescott het gisteren zelf zei: ‘Het eigenlijke doel van de campagne tegen mij is de scalp van de premier.’
Prescott heeft daardoor altijd meer krediet gehad dan welke andere minister dan ook. Hij overleefde een crisis rond zijn persoon toen hij over twee dienst-Jaguars bleek te beschikken. ‘Two Jags’, zoals zijn bijnaam vervolgens luidde, mocht ook aanblijven nadat hij twee keer in de Jaguars op te hard rijden werd betrapt. En nadat Prescott in 2001 op de vuist ging met iemand van het publiek die een ei op zijn rug had stukgegooid, ontlokte hij zelfs een glimlach bij Blair. ‘Dit is John! Je kent hem toch.’
Heethoofd Prescott was te belangrijk voor Blair. Hij werd geboren in een gezin dat in 1951 door een krant werd uitverkoren als een typisch Britse familie en daarvoor een prijs kreeg van duizend pond. Zijn vader was een spoorwegarbeider uit Noord-Wales die later naar Yorkshire verhuisde. Op zijn elfde jaar zakte hij voor het toelatingsexamen voor een VWO-school. Hij kreeg nog een ander trauma te verwerken toen zijn ouders scheidde en zijn moeder mij vroeg mijn vader op te hangen. Hij werkte als steward op een oceaanstomer voordat hij dankzij zijn verbale talenten in 1970 een parlementszetel voor Labour wist te veroveren als een voorbeeldige representant van de arbeidersklasse.
Toen Blair in 1994 leider werd, zag hij in Prescott de man die zijn Derde Weg aan de linkervleugel zou kunnen verkopen. Prescott was graag bereid die rol te vertolken. En de schavuit hield het lang uit totdat hij eind april een affaire bleek te hebben met zijn secretaresse. Blair ontnam hem na het verkiezingsdebacle van 3 mei al zijn departementale functies, maar hij mocht zijn positie als vice-premier (inclusief dienstwagens, salaris, pensioenvoorziening en buitenhuis) behouden.
Labourparlementarièrs zagen dit met argusogen aan. ´Waartoe dient John?’ vroegen zij zich openlijk af nadat de vice-premier keer op keer door de oppositie werd geridiculiseerd. Zelfs Blairs naaste medewerkers hadden zo weinig waardering voor het krampachtige compromis dat ze een vertrouwelijk gesprek tussen Blair en zijn vice-premier lieten uitlekken, waarin Prescott smeekte zijn landgoed te mogen behouden omdat zijn vrouw het daar zo leuk vond. Maar toen de vice-premier hier besloot met een houten hamer een bal onder negen poortjes probeerde door te slaan, moest hij zijn vrouw het genot alsnog ontnemen.
Na zijn departement is Prescott ook zijn buitenhuis kwijt. Hij heeft nog zijn functie, Londense huis, Jags en salaris over. Hoe lang nog? Is de nieuwe concessie opnieuw te laat en te weinig? Binnen Labour zoemen de namen van Prescott opvolger al rond: staatssecretaris Harriet Harman (die het vrouwelijke electoraat aan Labour zal moeten binden) of minister Allan Johnson (een andere uitgesproken arbeidersjongen). De opvolger van Blair is al bekend.
Uit de Volkskrant van 28 april
Ethiek! Is dat iets uit Middlesex?
Kunnen alleen Britse ministers niet van hun secretaresses afblijven?
Soms lijkt het er op. Het politieke seksschandaal is in Nederland vrijwel onbekend (Lubbers?), in Amerika uitzonderlijk (nu ja, Clinton dan), in Frankrijk zeldzaam maar in Groot-Brittannië een onafwendbaar einde van bijna elke politieke carriere met uitzondering van die van Margaret Thatcher.
Het is niet de vraag met wie een minister het nog meer doet dan met zijn eigen vrouw, het is de vraag wanneer het uitkomt. In het laatste Conservatieve kabinet van John Major waren buitenechtelijke affaires en prostitutiebezoek schering en inslag. Alleen de moraalpredikende premier (overhemd in de onderbroek, aldus Spitting Image) stond erboven. Zeven jaar na zijn aftreden werd bekend dat Major in die tijd zelf een affaire had met zijn mede-minister Edwina Currie.
Tony Blair met zijn belofte van witter dan wit en schoner dan schoon, stelde na zijn aantreden een kabinet samen van keurige huisvaders en
– moeders. Maar tien jaar later is van dat imago niet veel meer over. Het mannelijk deel van zijn New Labour doet tenminste in rokken jagen niet onder voor dat van de Tory’s.
Wijlen minister Robin Cook ging er met zijn secretaresse vandoor, minister David Blunkett kostte een affaire met een journaliste de kop en nu is het toppunt van hypocrisie bereikt: vice-premier John Prescott blijkt een affaire van twee jaar te hebben gehad met zijn secretaresse. Juist de man die keer op keer de Conservatieven openlijk pestte over hun losbandigheid en zedeloosheid (‘Tory’s denken dat ethiek een graafschap in de buurt van Middlesex is’) staat nu in het centrum van een seksschandaal.
Kolommen krantenpapier worden gevuld met de smeuïge escapades van de gezette 67-jarige vice-premier die door zijn 24 jaar jongere secretaresse tijdens het liefdesspel DPM (Deputy Prime Minister) werd genoemd. Niemand weet hoe de affaire openbaar is geworden – haar vriend: ‘mijn hart houdt nog steeds van haar, maar mijn verstand haat haar nu’ – maar gezien de vele foto’s die nu in de kranten verschijnen zal er goed geld aan zijn verdiend.
Toeval of niet: de affaire kwam aan het licht op de dag dat twee andere ministers van Blairs kabinet onder vuur kwamen te liggen. Een bewindsvrouwe werd uitgefloten door woedende verpleegsters, terwijl een andere bewindsman eindeloos sorry moest zeggen omdat duizend criminelen spoorloos in de maatschappij zijn verdwenen.
Tony Blair heeft in tien jaar al vele crises meegemaakt, maar de driedubbele van woensdag kon toch met een hoofdletter worden bijgeschreven. Zelfs Labour sprak over ‘Zwarte Woensdag’ – een term die ook werd gebruikt voor 16 december 1992 toen het pond sterling onder druk van valutaspeculanten uit het Europees Monetair Stelsel (EMS) werd gehaald. De dag geldt nu in de historie als het begin van het einde van het Tory-tijdperk.
‘Zwarte woensdag’ 26 april 2006 zou het symbolische einde van New Labour kunnen inluiden. De opeenstapeling van ‘incompetentie, corruptie en zedeloosheid’ vergde gisteren van de dagbladen complete bijlagen. De Daily Mail had er alleen al veertien pagina’s voor uitgetrokken. Maar ook het Blair vriendelijk gezinde deel van de media sprak over ‘een ineenstorting van New Labour’. Op zijn aardigst werd het kabinet beschreven als een gezelschap ‘politieke clowns’.
Binnen Labour zelf wordt echter niet gelachen. De zaak Prescott kan nog worden afgedaan als een privé-affaire (‘Heeft Clinton die ook niet overleefd’, zei Labourparlementariërs Ian Gibson), maar de posities van minister van Gezondheidzorg Patricia Hewitt en vooral minister Charles Clarke van Binnenlandse Zaken zijn heikel geworden. Clarke heeft al tweemaal zijn ontslag aangeboden, maar tot nu toe heeft Tony Blair dit geweigerd. Maar indien blijkt dat een van de verdwenen criminelen recidive heeft gepleegd zal zijn positie waarschijnlijk onhoudbaar worden. Dat laatste is zeker niet ondenkbaar. Liefst 40 procent van de ex-gedetineerden in dit land komt na vrijlating opnieuw in aanraking met justitie.
Als Blair echter Clarke verliest dan lijkt het spel van tien kleine negertjes te kunnen beginnen. Prescott is de laatste barriere voordat de premier zelf valt. Vanaf het aantreden van Blair is de getapte man van de working classes erin geslaagd de natuurlijke achterban aan de partij te blijven binden. Nu is hij aangeschoten wild geworden, net als zoveel van zijn mede-ministers en zijn premier zelf. Alleen moddert aangeschoten wild soms ook nog jaren voort.
Uit Seasons van 15 april
Leve het kanalenvolk
Het zou ons niet gebeuren. Misschien zou na driehonderd mijl een keer een plastic Tesco-zak in de schroef kunnen raken, maar een paar keer goed gas geven in de voor- en achteruit zou afdoende zijn om het euvel te verhelpen. Na drie mijl ging het echter al mis en sloeg op het Trent & Mersey Canal in canalcounty Staffordshire een fuik met metalen ringen om de schroef.
Meteen leerden we het onderscheid tussen het Engelse kanalenvolk en het rivieren- en merenvolk kennen. Binnen een kwartier waren drie boten aangemeerd om een helpende hand te bieden.
Eigenlijk is er geen mooiere manier om het green & pleasant land te zien dan vanaf het water. Wandelen – meestal is het klauteren – is te vermoeiend. En daarnaast raak je heel gemakkelijk de weg kwijt in het labyrint van wandelpaden. Sightseeing in een auto over de smalle slingerweggetjes vereist te veel aandacht voor het verkeer. En op de fiets is te gevaarlijk. Dubbeldeksbussen, lorry’s en terreinwagens drukken je continu de berm in als er al een berm is.
Vanaf de kanalen zie je de achterkant van Engeland, het onzichtbare leven van de talrijke mrs. Buckets in bloemetjesjurken die thee drinken uit met de hand geschilderde Royal Doulton-serviezen. Zelfs de achtertuinen – een veilig bastion waar de op privacy gestelde Engelsen normaliter buitenstaanders weren – zijn nu ineens te bewonderen.
Wie echt van de Engelse countryside wil genieten, moet zich verkleden als James Onedin en een narrow boat huren – een twee meter brede, twintig meter lange oncomfortabele ogende schuit die zo is gebouwd dat er mee door de smalste kanalen van de wereld kan worden gemanoeuvreerd.
Nederlanders zouden het niet verwachten. Maar Engeland is niet alleen omringd door water, het heeft ook in land talrijke waterwegen. Niet uit zichzelf. De Duke of Bridgewater, die in de 18-de eeuw zijn kolen naar Manchester wilde krijgen, besloot dat het rivierenarme land zelf de waterwegen zou moeten graven. Vijftig jaar later had Engeland een net van smalle kanalen gecreëerd waar door paarden voortgetrokken schepen de industriële revolutie mogelijk maakte, bijvoorbeeld de bouw van de beroemde aardewerkfabrieken (Wedgwood, Royal Doulton) van Staffordshire.
Maar al in de tweede helft van de 19-de eeuw kwam door de opkomst van de spoorwegen de klad in het watervervoer. Honderd jaar later waren de kanalen vervallen tot onbegaanbare sloten en nutteloos viswater. De oude voor deze kanalen gebouwde transportschepen roestten weg langs de kant.
Maar de afgelopen drie decennia zijn in het kader van de toeristische revolutie de kanalen uitgebaggerd en de sluizen hersteld. De narrow boats zijn opgekalefaterd en hebben moderne bedden en dito sanitair gekregen. Vaak zijn ze overgeschilderd in zulke bonte kleuren dat Venetiaanse gondeliers er zere ogen van moeten krijgen.
De boten zijn nu te koop, te huur of in time-sharing te verkrijgen. Niet iedereen is echter meteen een Engelse pikbroek. Wie zich op de narrow boat wil wagen, moet een korte cursus van een uur volgen hoe met de boot om te gaan. Het lange bakbeest wil niet altijd even snel op elke beweging van het roer reageren. Daarnaast moet kunnen worden geschut, want alle sluizen zijn handmatig en moeten zelf worden bediend. En ten slotte moet de geschreven en ongeschreven gedragsregels van de kanalen worden geleerd. Zo moet ineens heel onlogisch weer rechts worden gevaren. En ook is de maximum snelheid slechts vier mijl, zodat de rietkragen niet worden beschadigd. Iemand die stevig doorwandelt over het jaagpad, haalt tot zijn verbazing en soms niet geringe plezier de dobberende schippers in.
Ergernis daarover op het water is ongepast. Volgens de ongeschreven regels zijn kanalenvaarders geduldige mensen die van het landschap genieten en probleemloos een uur wachten bij een drukke sluis. Uiterlijk vertoon is eveneens taboe. Patserige jachten horen niet thuis op de kanalen, net als schippers met geruite petten of Nike-sportschoenen. Op het kanaal wordt niets op het hoofd gedragen, behalve een wollen muts bij extreme koude. Kanalenvaarders schuiven s’avonds in de pub bij elkaar aan en drinken samen een pint met real ale – nooit pils of wijn. Ze eten biologische groente die ze zelf telen in koperen ketels op het dak van de schuit. En kanaalmensen helpen elkaar in nood. Ze assisteren elkaar bij de sluizen. ‘Ja, ik hoorde dat u vanavond nog in Stone moest zijn. En het wordt al gauw donker. Daarom heb ik de sluis maar even voor u open gedaan’, zegt een vrouw die zelf even verderop al is aangemeerd voor de nacht.
En kanalenvaarders pakken hun gereedschapskist, trekken hun mouw op en knippen met een tang de metalen ring van de fuik door. Leve het kanalenvolk.
Uit de Volkskrant van 10 april
Woodward & Woodward
98 Keer zal ze haar mooiste glimlach tonen. Het is elf uur in de grote ballroom van Buckingham Palace. Koningin Elizabeth begint met het uitreiken van de onderscheidingen – een ceremonie die hier twintig keer per jaar plaatsvindt en nog een keer in Schotland.
Thomas Woodward uit Wales wordt als eerste naar voren geroepen – een zonnebankgebruinde zestiger met pikzwart geverfd haar. Hij wordt onmiddellijk herkend als het popidool Tom Jones, maar niemand in de zaal kan dat tegen zijn of haar buurman zeggen. Van te voren is te kennen gegeven dat tijdens de plechtigheid niet mag worden gefluisterd, laat staan mag worden geklapt of andere vormen van bijval mogen worden geuit.
De koningin prevelt een paar zinnetjes tegen hem en hij antwoordt. Maar in de zaal is er niets van te verstaan. Het geluid gaat verloren in de achtergrondmuziek van een militaire kapel. Iedereen heeft recht om een moment van privacy met hare majesteit. Daarna volgt de ridderslag. Vanaf nu heet de zanger van Delilah, Green Green Grass of Home en Sex Bomb Sir Tom Jones.
Voor de koningin is het routinewerk, maar voor de 98 mannen en vrouwen die een lintje krijgen is het een hoogtepunt in hun leven. David Woodward (59) – naamgenoot van Thomas (‘ook ik heb voorouders in Wales’) – heeft zijn vrouw en twee kinderen mee mogen nemen naar de ceremonie. Zijn andere gasten moeten buiten de paleispoort wachten. ‘Er is een maximum van drie gasten die je binnen mag uitnodigen’, zegt hij.
Hij heeft jarenlang voor BP in Azerbeidjan gewerkt aan een nieuwe pijpleiding en wordt daarvoor nu beloond met een CMG (Companion of St. Michael en St. George). Officieel behoort hij ook tot de British Order of Knighthood, zij het dat hij zich geen Sir kan noemen. Maar hij kan de titel wel achter zijn naam in het telefoonboek zetten. Twaalf Britten krijgen vandaag een CMG, een onderscheidingen die in de diplomatieke dienst ook wel gekscherend Call Me God wordt genoemd.
Quinta Woodward, zijn Nederlandse vrouw, is reuzentrots. ‘Ik was nog nooit op Buckingham Palace geweest. Het is leuk om mee te maken. En perfect georganiseerd.’ En ook de onderscheiding spreekt haar aan. ‘Niet zo’n klein dingetje als in Nederland. Neen. Een fors kruis. Met een groot lint en een klein lint zodat je het op het jacquet kunt dragen.’ Er zijn ook rechten aan verbonden. Zo mogen de familieleden van David Woodward in de toekomst hun doopjes en trouwerijen houden in de Royal Chapel van St. Paul’s Cathedral. ‘De bedoeling is eigenlijk wel dat je daarvoor in ruil een donatie geeft voor het onderhoud van de kapel’, zegt Quinta.
De koningin wisselt ook met David een paar woorden uit, nadat hij is aangekondigd als ‘president van BP in Azerbeidjan’. ‘Werkt u aan de pijpleiding?’ Ze weet ervan. ‘Ik moet haar bewonderen. Een uur lang staat ze recht overeind en heeft ze voor iedereen een persoonlijk woordje. Bijna honderd keer’, zegt Quinta Woodward.
Er volgen andere beroemdheden. Paddy Ashdown – voormalig Lib-Demleider en high representative in Bosnië – krijgt er een onderscheiding, net als de dames van het zangtrio The Beverly Sisters, die veel jonger zijn dan de koningin maar er veel ouder uitzien.
En daarna volgt het leger van naamlozen die ook een keer hun opwachting mogen maken op het paleis om hun OBE of MBE (Order of the Britsh Empire en Member of the British Empire) in ontvangst te nemen. Er mogen zelf geen foto’s worden gemaakt noch video’s gedraaid. Na afloop kan iedereen de officiële foto of video krijgen. Koffie of thee wordt evenmin geserveerd. Maar niemand ergert zich aan de koninklijke karigheid. ‘Het duurt maar een uurtje.’ De media wachten op de binnenplaats van het paleis de beroemdheden op. David Woodward schiet hier even zijn naamgenoot Thomas Woodward aan, nadat de laatste zijn interviewtje voor de BBC heeft gedaan. Vervolgens gaat iedereen over de grote trap het paleis weer uit. Toeristen vergapen zich aan de mensen die hun onderscheiding hebben opgehaald. Met hun hoeden en jacquets – vaak voor deze gelegenheid aangeschaft – lijkt het echt een hoog gezelschap. Uiteindelijk zullen ze niet alleen zijn onderscheiden, maar ook in een Amerikaans of Japans fotoboek belanden.
Uit de Volkskrant van 27 maart
‘Katholiek, protestant, katholiek, protestant’
Het is een koddig gezicht: dertig kleuters van vijf en zes jaar in hun uniformpjes en petjes voor de ophaalbrug van het kasteel. Ze staan even perfect in de rij als een peloton soldaten op Sandhurst. De school uit zuid-Londen heeft een excursie georganiseerd naar Hever Castle in Kent, het geboortehuis van Anna Boleyn, de tweede vrouw van koning Hendrik VIII.
In dit land kan de vaderlandse geschiedenis niet vroeg genoeg worden onderwezen. Het rijtje koningen sinds 1066 – William, William, Henry, Stephen, Henry, Richard, John, Henry, Edward, Edward, Edward, Richard enz. – wordt er op dezelfde wijze ingestampt als het rijtje Indische eilanden – Sumatra, Java, Bali, Lombok, Sumba, Sumbaya, Floris, Timor enz. – bij Nederlandse scholieren in de jaren dertig.
Maar het lijkt zelfs voor een privéschool overdreven om kinderen van die leeftijd al met de reformatie te confronteren. Mijn vrouw die daar als gids werkt en nooit verlegen zit om een aangepaste anekdote voor welke bezoekersgroep dan ook (van lichtelijk beschonken Londense effectenmakelaars tot negenjarige leerlingen van een immigrantenschool in een achterstandswijk), weet dit keer amper hoe ze moet beginnen met het verhaal.
Hoe leg je zulke jonge kinderen uit waarom de koning zes vrouwen had? En hoe zeg je dat Hendrik door te willen huwen met de tweede vrouw de paus van Rome tegen zich in het harnas joeg en daarna besloot zelf maar hoofd van de kerk te worden?
Tussen de twee valhekken na de ophaalbrug zijn gelukkig de moordenaarsgaten te zien. ‘Zien jullie ze ook?’ wijst ze omhoog. ‘Als de vijand naar binnen kwam werden de valhekken neergelaten en werd door die gaten pek en kokende olie op hun hoofden gegooid. Hoeveel tellen jullie er?’ De kinderen die bijna wezenloos met grote ogen het verhaal aanhoren, worden ineens actief. Ze gooien hun hoofden achterover en schreeuwen om het hardst. ‘Vijf.’ ‘Zeven.’
Het spelletje ‘ik zie, ik zie, wat jij niet ziet’ lijkt aan te slaan. Binnen in het kasteel zijn er de priestergaten – de plekken waar de katholieke priesters die in de Tudor-periode werden vervolgd zich opscholen als de protestanten binnenkwamen. De kinderen vinden ze tot bovenop het hemelbed van Hendrik VIII. ‘Maar waarom deden ze dat?’ willen ze daarna weten.
‘Ja, eerst was iedereen katholiek en toen kwam de zoon van Henry en die wilde dat iedereen protestant zou zijn. Maar hij overleed al snel. Daarna kwam er een koningin op de troon die katholiek was en Bloody Mary heette. Maar ze werd opgevolgd door haar halfzus die weer protestant was. En elke keer gingen de anderen weer op de brandstapel. Je weet wel zoals bij jullie thuis op de barbecue’, legt ze uit.
Met de schilderijen van Hans Holbein hoef je als gids bij deze kinderen niet aan te komen, net als de fraaie lambrisering. De namen van de zes vrouwen van Hendrik kennen ze ook niet, maar wel het rijmpje waarmee iedere Brit ze onthoudt: divorced, beheaded, died, divorced, beheaded, survived (gescheiden, onthoofd, doodgegaan, gescheiden, onthoofd, overleefd). Dat hebben ze op school al uit hun hoofd moeten leren.
Anna Boleyn was de tweede en werd onthoofd, zo weten ze. ‘Maar hoe?’, wil een kind weten. ‘Met een zwaard.’ ‘Dat zwaard.’ ‘Nee, maar wel met een soortgelijk zwaard.’ ‘Waar werd ze onthoofd?’ vraagt een ander kind. ‘In de Tower of London.’ ‘Welke City is dat?’ vraagt een jongetje met een rood hoofd. ‘Londen!.’
De tour eindigt op de Long Gallery vol manshoge poppen met figuren uit de Tudor-tijd en een kamer met martelwerktuigen en een middeleeuws toilet. ‘Wat een koude billen kregen de mensen op dit toilet’, merkt de grootste slimmerik op. Het is een sprookje, zij het een eng sprookje.
Heb je er wat van opgestoken, vraagt ze aan het einde van de anderhalf uur durende tour. ‘Ja,’, zegt de kleinste kruimel. ‘catholic, protestant, catholic, protestant.’ Zelfs de juffrouw – een streng kijkende dame in mantelpak – moet er even om lachen.
Uit de Volkskrant van 20 februari
Eh, ah, ja Sjoukjie…….
Deze week heb ik voor het eerst curling gespeeld – een sport waarbij op grote fluitketels lijkende stones over het ijs moeten worden geschoven naar een verderop gelegen cirkel. Sinds een viertal Schotse huisvrouwen hiermee vier jaar geleden goud wonnen is ook in Engeland een heuse curlingbaan verrezen, toevallig in een oude boerderij niet ver van waar wij wonen.
Het spel viel niet mee. De bedoeling is dat iemand de stone op subtiele wijze over het ijs laat glijden en dat de andere teamleden heel snel vooruit lopen en met een bezem over het ijs vegen om het projectiel te sturen en wat meer snelheid te geven. De stone moet uiteindelijk in het midden van een cirkel eindigen. Maar onze aanvoerder gooide het granieten ding met zo grote snelheid de baan uit dat zijn met bezems gewapende teamleden slechts verbouwereerd konden toekijken.
Het was hilarisch en het gaf ons tenminste een beetje een Olympisch gevoel in een land waar het lijkt of Olympische Spelen alleen in de zomer worden gehouden.
De BBC zendt de Olympische Winterspelen weliswaar uit, maar alleen als tijdvulling en zure verplichting aan de olympische beweging die zo goed geweest de Zomerspelen van 2012 aan Londen te gunnen. Zo gauw er echt Britse sporten zijn, zoals het jaarlijks rugby-onderonsje van zes landen, verdwijnt het olympisch programma meteen van de nationale zender.
Afgelopen zondag was er echter acht uur voor vrijgemaakt. De dames zouden over 3000 meter schaatsen en daarbij hadden we als Nederlanders toch enkele troeven in de strijd. Nadat eindeloos door Finnen, Noren, Japanners en Oostenrijkers van een schans was gesprongen, zou er vanaf 19.00 uur live schaatsen te zien zijn. Maar toen ik op dat tijdstip naar BBC2 zapte, zag ik slechts een klein baantje waarop duwende shorttrackers op het ijs balanceerden. Van schaatsen op de lange baan was niets te zien. Zelfs in de samenvatting later op de avond werd de gouden medaille van Ireen Wüst niet genoemd in het overzicht van winnende snowboarders, shorttrackers, crosscountry-skiers, biathlon-atleten, afdalers en rodelaars.
De volgende dag kwam ik sportfanaat Tony Brown tegen in de supermarkt. ‘Nog de winterspelen gezien? vroeg ik zo argeloos mogelijk. ‘Nee. Doen jullie daaraan mee?’, luidde de wedervraag van de man die elke week de sportquiz presenteert in de verderop gelegen social club. Ik was bijna beledigd. Hebben we goud en dat valt het niemand in dit land op. Denken de Britten dat we alleen pijltjes kunnen gooien?
‘Ja, en we hebben goud gehaald’, riep ik bijna verontwaardigend. ‘En we halen er nog veel meer’, overdreef ik meteen maar. ‘Maar dat is bij jullie niet te zien. Let eens op de uitslagen van skating. Misschien is het een leuke vraag voor je volgende quiz.’
Tony keek mij bijna verontschuldigend aan. Hij wordt als Brit niet graag op gebrek aan kennis over sportzaken aangesproken. Hij kent alle Derbywinnaars, alle uitslagen van honderd jaar FA-cupwedstrijden en alle cricketers die meer dan duizend runs hebben gescoord in testmatches.
Woensdag was de pubquiz. En tot mijn grote verbazing was er ineens een vraag over schaatsen. En zelfs over Nederlands schaatsen. ‘Welke Nederlandse schaatster won goud bij de Olympische Winterspelen?’ ‘Jaartal?’ vroeg ik luid. Hij keek onverstoord en haalde zijn schouders op. Ik moet het doen zonder verder uitleg. ‘Is het Stien, Annie, Yvonne of Marianne? Dan toch maar Ireen. Want dat zal hij wel bedoelen’, overwoog ik aangestaard door drie radeloze Britse teamleden.
Even voor elven gaf hij de antwoorden op de quiz van de avond. ‘Het antwoord op de vraag 19 over de Nederlandse schaatster is Sjoukjie Dijkstra.’ Onze medailles zijn parels voor de zwijnen. Skating bestaat, maar speedskating zal in dit land wel nooit bestaan.
Uit de Volkskrant van 5 februari
Pub of levensstijl
Hoe lang kun je afscheid nemen van een pub? Drie weken geleden was de officiele besloten afscheidslunch van ‘The Farmers’, vorige week zaterdag het afscheidsfeest en de dag daarna de afscheidsborrel waarbij de klandizie de hele resterende drankvoorraad gratis soldaat mocht maken.
‘Ik ben de laatste twee weken elke avond geweest – behalve dinsdag want toen was mijn zuster jarig. Alle keren was het drie uur ’s nachts voordat ik naar huis ging’, zei de 24-jarige bedrijfsjuriste Kate vorige week zondag met tranen in haar stem. Zij heeft wekenlang heel veel gehuild. Ze vindt het zo erg dat haar pub dicht gaat, dat ze afgelopen weekeinde is geemigreerd naar de Kaaiman-eilanden.
Britten gaan toch anders met hun pub om dan een Nederlander met een café of bar. Ook ik vond het jammer dat de pub tegenover het station van Sevenoaks sloot. En ook in betreurde het dat het monumentale gebouw zal worden gesloopt om plaats te maken voor yuppie-appartementen. En ook ik denk dat toeristen die van de trein stappen en het bord 'welcome in historic markettown Sevenoaks ' zullen zien, zich in de toekomst verwonderd afvragen wat er nu historisch aan deze plaats is.
Maar ik heb er geen acute depressie van gekregen. Wekenlang afscheid nemen van een pub valt mij eigenlijk te zwaar, zeker als dat telkens gepaard gaat met drinkgelagen, sing-a-longs en spelletjes waarbij je van de bar in de armen van een groep mensen moet duiken.
Ik vond het eigenlijk een opluchting dat vorige week zondagavond echt de laatste avond was. Maar mijn Britse vrienden niet. Ze gingen maandag weer heen, hoewel de bar al was gesloopt en de lampen waren weggehaald. ‘We hadden zelf drank meegenomen’, zei Emma. ‘En dat hebben we in het donker opgedronken. Nadat de slopers dinsdagmiddag zijn gearriveerd, zit ze met acht andere stamgasten van The Farmers in de Black Boy, een even verderop gelegen pub. ‘We hebben ons vandaag allemaal ziek gemeld, want we willen The Farmers nog een keer uitluiden. Een voor een – zes mannen, acht vrouwen – vertellen ze hun eerste herinnering aan de pub die er niet meer is.
‘Niet alleen een pub – meer een levensstijl’ stond vorig weekeinde op een spandoek in The Farmers. Maandag verhuisde het spandoek naar buiten. En dinsdag lag het in een ABC-bak, weggehaald door de slopers, samen met al het ander campagnemateriaal dat was gemaakt om de pub te redden.
Maar de stamgasten noch landlord Mike Collings slaagden erin de pub te behouden. The Farmers – een van de oudste en populairste pubs en de goedkoopste B&B van Sevenoaks – was veroordeeld de strijd tegen het grote geld te verliezen, net als die tegen de gemeente die zoveel historische panden heeft dat eentje meer of minder er niet toe doet.
Op de plek waar honderdzeventig jaar lang reizigers van en naar Londen waren opgestoken lag eind vorige week niet meer dan een berg puin. Zelfs reizigers die er nooit kwamen, moesten er even aan wennen.
The Farmers is niet de eerste pub die de afgelopen jaren in Sevenoaks is gesloten. De Beehive – de pub van Wobbly John die altijd slingerend over de weg liep en twee weken na de sluiting overleed - ging dicht, net als de Railway & Bicycle, The Vine en The Oak Tap. De lange werktijden, het wegvallen van de gemeenschapszin, het thuis drinken, gezondere levensstijlen - er zijn honderden redenen waarom zoveel pubs in dit land moeten sluiten.
Maar The Farmers was niet noodlijdend. Het was er bijna altijd tjokvol – zeker in het weekeinde. ‘Dit is mijn tweede huis’, zo zeiden de klanten afgelopen weken in koor. Ze hielden van de barmensen Mike, Andy, Claire en Jane, de muziek op de achtergrond, de quiznight op woensdag en vooral de good laugh. Maar ze dronken samen te weinig om tegen een bod van 2,7 miljoen pond op te kunnen. Uiteindelijk kocht een Ierse projectontwikkelaar het.
In de laatste week werden er elke avond in The Farmers meer tranen vergoten dan na afloop van de tennisfinale in Australie. Mijn opmerking
– “het is uiteindelijk maar een pub, daar zijn er nog meer van ” – werd met onbegrip begroet. Ineens was ik weer even een gehate
buitenlander die het verschil tussen een pub en een levensstijl niet kent.
Volkskrantweblog van 1 februari
Cadeautjesetiquette
Britten zijn gek op het krijgen en vooral het geven van cadeautjes. Als buitenlander kun je beter nooit iets meenemen uit je vaderland en dat schenken aan de mensen die tijdens de zomervakantie op je huis of zoals bij ons – op je goudvissen – hebben gepast. Prompt komen ze week later op visite en geven jouw weer een cadeautje terug: een afzichtelijke vaas, een geborduurd tafellaken of een fotoboek van Cornwall die voor veel te hoge bedragen in een winkel van de National Trust zijn gekocht. Vervolgens wordt verwacht dat jij bij de volgende ontmoeting weer iets geeft - 'als het toch moet...ik verzamel theedoeken met Delfts blauw', waardoor zij zelf weer kunnen winkelen. En iedere keer moet je hoogstverbaasd en verrukt zijn net zoals de Britten.
Wij: ‘Here. I bought this for you.’
Brit: ‘For me? But..’
Wij: ‘But it is only a little something’
Brit: ‘Oh, you shouldn’t go spending your money on me.’
Wij: ‘Really, it’s nothing. I’ve kept the receipt in case you want to change it.’
Brit: ‘Change it? Oh, no. It’s perfect!
Wij: ‘I had no idea what to get you.’
Brit: ‘But it’s wonderful.’
Wij: ‘Well it was luck really..I saw it and I thought of you.’
Brit: ‘It’s absolutely brilliant. Thank you so much.
Wij: ‘Not at all. I’m glad you like it.
Brit: I will take the receipt, though, if you still got it. Just in case.
Wij: Of course! Here you are.
Uit de Volkskrant van 24 januari
Bolwerk Britse hypocrisie
De ene liberaal dronk en de ander was een hoerenloper. Met uitzondering van die van Margaret Thatcher lijkt bijna elke carriere in de Britse politiek roemloos te eindigen met een zedenschandaal. Zelfs John Major – de grootste zedenprediker in de Tory-geschiedenis – bleek uiteindelijk een buitenechtelijke affaire te hebben met een collega in het kabinet.
Een na-oorlogse bloemlezing:
- 1955: Labourvoorzitter Tom Driberg, ook Baron Bradwell, heeft een homoseksuele affaire met een Noorse matroos in een schuilkelder.
- 1963: De Conservatieve minister voor Oorlog John Prufumo moet aftreden na een relatie met callgirl Christine Keeler die staatsgeheimen naar de Sovjet-Unie zou hebben doorgespeeld
- 1979: De Liberale leider Jeremy Thorpe wordt beschuldigd een huurmoordenaar te hebben ingehuurd die het mannelijke model Norman Scott moest doden om een homoseksuele affaire te verdoezelen.
- 1983: Tory-minister Cecil Parkinson treedt af na onthullingen over een buitenechtelijke affaire
- 1986: Bestsellerschrijver en Tory-coryfee Jeffrey Archer bezoekt een prostituee. Als een krant daarover schrijft spant hij een smaadzaak aan die hij wint met een vervalst dagboek als bewijs. Uiteindelijk wordt Archer veroordeeld wegens meineed
- 1987: Tory-minister Harvey Proctor moet ontslag nemen en wordt beboet na illegale contacten met schandknapen
- 1992: De nieuwe Liberale leider Paddy Ashdown raakt betrokken in een buitenechtelijke affaire. Kranten noemen hem Paddy Pantsdown
- 1992: Voormalig Tory-minister David Mellor wordt ontmaskerd als voetfetisj nadat hij slechts gekleed in een Chelsea-shirt in bed wordt betrapt met een aan lager wal geraakte actrice
- 1994: Tory-parlementarier Stephen Milligan wordt dood gevonden in vrouwenondergoed
- 1998: Labourminister voor Wales Ron Davies moet aftreden nadat hij is beroofd door een mannelijke prostituee die hij op straat heeft opgepikt
Het is slechts een kleine selectie van de zedenschandalen die politieke carrieres in de knop knakten en de tabloids maandenlang van kopij voorzagen. Bij zijn aantreden beloofde Tony Blair een einde te maken aan de Victoriaanse bekrompenheid. Er zou een frisse wind in het land gaan waaien. Groot-Brittannie zou een liberaal, tolerant en verlicht land worden. Het privé-leven en het politieke functioneren zouden niets meer met elkaar te maken hebben. Homoseksuelen, travestieten en mannen met buitenechtelijke affaires zouden welkom zijn in Westminster. Politici die een scheve schaats zouden rijden, zouden daar in cool Brittania openlijk voor kunnen uitkomen. Kortom, Britse politici zouden niet langer chantabel en corrupt hoeven zijn.
Blair is nu negen jaar premier en er lijkt weinig te zijn veranderd. Vorig jaar moest minister David Blunkett aftreden nadat hij in opspraak was geraakt wegens mogelijke gunsten aan een maitresse. En nu verkeert de Liberaal-Democratische partij – de meest libertijnse partij van allemaal – in totale chaos vanwege een opeenstapeling van schandalen. Nadat leider Charles Kennedy twee weken geleden tegen zijn zin moest aftreden vanwege overmatig alcoholgebruik haakte afgelopen weekeinde zijn potentiële opvolger Mark Oaten (41) af, omdat hij een zes maanden lange affaire bleek te hebben gehad met een 23-jarige mannelijke prostituee.
Oaten is geen uitzondering. Uit een vorige week gepubliceerd onderzoek blijkt dat twee keer zoveel mannen naar een prostituee gaan als in het jaar dat Tony Blair aantrad. Het toenemende aantal echtscheidingen, internet en sekstoerisme worden als oorzaak genoemd. De Britse regering wil kleine bordelen nu legaliseren en sterren die prostituees bezoeken, zoals Hugh Grant, ondervinden nauwelijks meer een terugslag in hun carriere. Het land is veranderd. Westminster echter niet.
De Britse politici blijven onverbeterlijke hypocrieten die denken hun menselijke fouten te kunnen verhullen. Kennedy loog jarenlang over zijn drankgebruik. Mark Oaten liet zich twee weken geleden met zijn kinderen aan het ontbijt fotograferen als een voorbeeldig huisvader. Hij dacht er geen moment bij na dat een prostituee die voor 80 pond zijn lichaam verkoopt mogelijk zijn verhaal voor een veelvoud van dat bedrag aan een tabloid zou verkopen. Britse politici zijn soms verbazingwekkend naïef. In Wesminster is Groot-Brittannie nog altijd een intolerant, homofobisch en hypocriet land.
Uit de Volkskrant van 18 januari
Englishness versus Britishness
Is het portret van Hendrik VIII de icoon van Englishness? Of is het de Routemaster-dubbeldekker? Of wordt het misschien de controversiële vossenjacht? Of kiest het volk toch maar het kopje thee.
Buitenstaanders denken vaak te weten wie Engelsen zijn. Maar de Engelsen zelf niet. Geen volk worstelt zo met de eigen identiteit als juist de Engelsen. Elke week verschijnt wel een boek over ‘wie we zijn’. In tegenstelling tot de Welsh en de Schotten hebben de Engelsen geen eigen volkslied (hoewel Land of Hope and Glory en Jerusalem wel worden gebruikt), geen eigen parlement en geen eigen aartsvijand die de natie verenigt (hoewel de Fransen graag proberen die positie te verwerven).
De regering van Tony Blair vindt het gebrek aan nationale identiteit voor de Engelsen nu ook haar probleem. Er is door het ministerie van Cultuur één miljoen pond uitgetrokken om twaalf objecten te kiezen die het volkskarakter het best uitdrukken. In een advieslijst van de regering zelf staat het fameuze portret van Hendrik VIII uit de National Portrait Gallery nummer één.
Maar het portret is geschilderd door de Duitser Hans Holbein. En de Tudor-koning was bepaald geen voorbeeldige Engelsman. Hij had zes vrouwen, bloed aan zijn handen en liet bij zijn dood een verdeeld land en verscheurde kerk achter. Tweede op de lijst staat het kopje thee, maar dat is eigenlijk uit India afkomstig. Derde op de voordracht zijn de poppenkastfiguren Punch & Judy (Jan Klaassen en Katrijn), maar die schijnen Italiaanse wortels te hebben. Verder staan op de officiële lijst het controversiële standbeeld Angel of the North, het schip SS Empire Windrush dat in 1948 vijfhonderd immigranten vanuit het Caribisch gebied naar Engeland bracht, Stonehenge, Alice in Wonderland, de FA Cup en de eind vorig jaar uit roulatie genomen Routemaster-dubbeldekker.
De rode telefooncel staat er echter niet op, net zo min als de vlag met het St. George-kruis, York Minster en de Apple crumble. Maar het volk heeft de mogelijkheid gekregen om via een regeringswebsite de lijst van twaalf aan te vullen om daarna heel democratisch de beste te kiezen. Volgens staatssecretaris van Cultuur David Lammy moet de website Engelsen helpen aan een ‘icoon dat hun persoonlijke en nationale identiteit bepaalt’. Tot nu toe loopt de verkiezing chaotisch. De website is al bijna gecrasht door lobbyisten die de door de Labourregering verboden vossenjacht tot het nationale Engelse symbool willen bombarderen.
Daarnaast heeft een Schot ook nog roet in het eten gegooid. Minister van Financiën Gordon Brown – de gedoodverfde opvolger van Blair – vindt juist dat het patriottisme moet worden bevorderd met een symbool van Britishness. Hij wil jaarlijks een nieuwe vrije dag invoeren waarmee Schotten, Welsh en Noord-Ieren samen met de Engelsen hun Britse identiteit benadrukken. De Fransen hebben quatorze juillet, de Amerikanen hebben Independence Day en de Nederlanders koninginnedag, maar de Britten hebben volgens hem niets. Als mogelijke datum voor Britain Day zijn 8 mei (de VE Day-viering) en Remembrance Sunday (de eerste zondag na 11 november) geopperd. Op deze dagen zou iedereen de Union Jack moeten laten wapperen, zodat de Britse vlag niet gekaapt kan worden door de rechts-extremisten.
Brown heeft de suggestie geen ordinaire verkiezingsstunt genoemd. Volgens de minister is een nationale viering een noodzaak in een wereld waarin mensen dezelfde kleren dragen, dezelfde films zien en naar dezelfde muziek luisteren en waar multinationale instituten (VN, WTO, IMF en EU) meer en meer de dienst uitmaken.
Brown – veel meer een atlanticus dan een Europeaan – vindt een Britse dag een betere manier om de nationale identiteit uit te drukken dan een icoon die al gauw met een etnische groep is verbonden. Hierbij wijst hij op Frankrijk, waar het establishment de verschillen tussen etnische groepen probeert te onderdrukken met bijvoorbeeld een verbod op het dragen van hoofddoeken op scholen. Deze van bovenaf opgelegde identiteit heeft in zijn ogen geleid tot de rellen van november waarbij in twintig nachten negenduizend auto’s in brand werden gestoken. Daarom mag er geen individueel object tot nationaal symbool worden uitgeroepen maar moet het worden uitgedragen met iets waarvan iedereen geniet: van Brick Lane en Brixton tot Cornwall en de Highlands. En een vrije dag zal zelfs een de vossenjacht van mannen in rode uniformen op paarden naar de tweede plaats van de iconenranglijst krijgen. Maar of het in de toekomst ook een verkiezingswinnaar is, valt nog te bezien.