Op deze pagina eerdere lezingen.
Lezing 13 november 2011 voor Volkskrant op Zondag, column voorafgaande aan eurodebat
‘Het zou nooit meer zo worden als het was’, zei Den Uyl. De PvdA-premier was doctorandus in de economie en zag de hongerwinter al terugkeren: benzine ging op de bon, de gordijnen moesten weer worden dichtgetrokken als tijdens de verduistering en op zondag zou je op plofbanden over de A1 kunnen rijden. In de Rotterdamse haven zaten intussen de olie-opslagtanks tot hun nok vol.
Toen zes jaar later de tweede oliecrisis begon kon ieder Nederlands gezin zich een kleurentelevisie en auto permitteren en hadden al gezinnen een tweede kleurentelevisie op de slaapkamer en een tweede auto als boodschappenwagentje.
Daar veranderde ook de Latijns-Amerikaanse schuldencrisis niets aan noch de Azië-crisis of de Rusland-crisis. Niettemin werd de apocalyps op de economische faculteit in Tilburg en in het vakblad ESB vaker uitgesproken dan in de kerk van Staphorst.
Economen zijn doemdenkers. Als er een crisis komt, zeggen ze hem ook altijd te hebben voorspeld. Ze hebben inmiddels zeker vijftien van de laatste zes crises voorspeld, grapte iemand onlangs. Alleen de kredietcrisis van 2007 zagen ze niet aankomen. John Kay, – hoogleraar aan de London School of Economics – vroeg zich onlangs in de Financial Times dan ook af of economen er überhaupt nog toe doen?
‘Niet alleen de kredietcrisis zelf werd niet voorzien maar ook niet de gevolgen van de val van de bank Lehman.’ Zelfs de nobelprijswinnende economen hadden geen enkel model die ook maar een zorgelijk voorteken uitte.
De economie trekt zich blijkbaar net zo weinig aan van de voorspellingen van Willem Buiter, Sweder van Wijnbergen en Aernout Boot als het weer van die van Erwin van de Krol en Helga van Leur. Weermodellen hebben ten opzichte van economische modellen tenminste het voordeel dat je er vrij nauwkeurig het weer van de volgende dag mee kunt voorspellen en ook nog een enigszins betrouwbare prognose kunt geven van de drie of vier dagen daarop. Met economische modellen kun je zelfs de toekomst over drie seconden niet voorspellen.
Dat neemt niet weg dat economen als nooit tevoren opinies uitventen. Sinds het begin van de kredietcrisis is economie seksy geworden. Economen zijn de nieuwe sterren van de vaderlandse televisie geworden en steken de spelers van het Nederlands Elftal en de deelnemers aan Wie is De Mol naar de kroon.
Ze ontbreken in geen enkele televisie-talkshow. Het enige waarin de presentatoren echter geïnteresseerd zijn is een antwoord op de vraag naar de afloop. Economen die op televisie alleen analyses maken, wikken en wegen, laat staan modellen tevoorschijn toveren, worden de volgende keer niet meer in de uitzending gevraagd. En wie niet vaak genoeg in de media is, doet er als econoom niet toe.
De economen moeten dus in de glazen bol kijken. Dat kunnen ze niet. Het kenmerk van economische systemen is dat ze dynamisch en non-lineair zijn. Behalve dat de uitkomsten door de kleinste verandering van parameters totaal anders kunnen uitvallen zijn ze ook afhankelijk van massapsychologie of massahysterie. Of: wat mensen geloven dat zal gaan gebeuren, beïnvloedt wat gebeurt.
Dat schrikt de meeste economen niet af. In wezen hebben hun voorspellingen echter alleen maar entertainmentwaarde. Ze gaan er even vaak mee de mist in als Johan Derksen bij het invullen van de voetbaltoto, zij het dat die laatste zich tegenover Wilfred Genee in de week daarop nog wel voor zijn miskleunen moet rechtvaardigen.
Zelfs op de vraag of overheden nu beter kunnen bezuinigen, of de economie juist moeten stimuleren door er geld in te pompen leveren economische modellen geen eenduidig antwoord. Dat moet de politiek zelf zien uit te vogelen. Want wat het best werkt – bezuinigen of stimuleren – is ook afhankelijk van psychologische, antropologische, sociologische en nog vele andere aspecten.
Van economen wordt op televisie ook zwarte humor verwacht. Ze moeten doemdenken en vooroordelen benadrukken. Op televisie kun je als econoom niet zeggen dat de Grieken, aldus de Oeso, van alle Europeanen de langste werkweek hebben. Ook mag niet worden gezegd dat de Italianen het hoogste spaarquotum van alle Europeanen hebben, nog voor de Nederlanders, en de laagste privéschulden. Economen moeten, zo zegt het script, de tegenhanger zijn van de politici die nu eenmaal de verbeten optimisten moeten uithangen.
De economen moeten dood en verderf aankondigen.. Zelfs de zo voorzichtige BBC geeft het liefst ruimte aan economen die voorspellen dat miljoenen mensen hun spaargeld verliezen.
De politici beseffen tenminste dat hun uitspraken leugentjes om bestwil zijn. Het probleem van economen is dat ze pretenderen het te weten. In televisieprogramma’s als Pauw & Witteman, DWDD en Nieuwsuur of radioprogramma’s als Met het Oog op Morgen worden politici tenminste kritisch ondervraagd over hun niet gemeende optimistische visies. De economen mogen kritiekloos roeptoeteren. Zij zijn de rijdende rechters in de crisis.
Donderdagavond hoorde ik hoogleraar/econoom Alfred Kleinknecht in Met Het Oog op Morgen een pleidooi houden voor de opdeling van de euro in een Germaanse en mediterrane versie (neuro en zeuro). Dat was ongeveer de enige oplossing voor deze crisis, zo beweerde hij. Er werd geen vraag gesteld bij welk blok Frankrijk zou moeten komen - of België, noch hoe dat de concurrentiepositie van Nederland zou beïnvloeden.
Niemand weet hoe deze crisis afloopt. Zelfs Merkel moet raden of ze de geschiedenis zal ingaan als de redder van de euro of de vernietiger van de munt. Niemand weet ook wat de beste economische remedie is voor de huidige crisis. Misschien kan de gulden het best worden ingevoerd zoals de PVV wil of moet het maar gesplitst worden in een neuro en een zeuro zoals Kleinknecht bepleit. Misschien is het toch het beste de boel, de 17 eurolanden, maar bijelkaar te houden.
Geen economisch model geeft antwoord. Politici moeten de keuzes maken, niet op economische grondslagen maar op idealistische. En dan kun je zeggen net als in een crisis in de eigen familie van 17 dat het beter is dat men niet uiteenvalt in twee kampen of dat iemand in zijn eentje op een kamertje met zijn gulden gaat zitten. Het beste is solidair te blijven ongewis de financiële uitkomst.
Lezing 4 maart 2010 voor Club van 100 Zeevogels in voetbalkantine
Jullie hadden vast gehoopt op Johan Derksen. Die kost drieduizend euro. Mart Smeets kost het dubbele, net als Dirk Scheringa.
En nu sta ik hier.
Zeevogels heeft geen sponsorgeld. Daarom mijn persoon. Ik doe het voor niets.
Al het geld kan dan aan drank worden besteed.
Ik kan rustig afgaan. Hoevers onder elkaar. We hoeven ons even niet te schamen voor misperen. Die zien we elke week op het veld. Of die horen we langs de lijn.
Jullie mogen ook miskleunen. Daarom een simpele vraag.
Wie wordt volgende week de opvolger van Neelie Kroes als Europees commissaris voor Mededinging?.
Even nadenken. Niet meteen schreeuwen zoals we iedere zondag langs de lijn doen
Kom op…..een kantine vol amateur-politici die hier meestal aan de bar ongezouten hun mening geven. Van de week was ie nog prominent op televisie
de Spanjaard Joaquin Almunua.
en onze Neelie gaat techniek doen. Sarkozy heeft onlangs gezegd dat ze twee hersencellen heeft. Hij overschat haar, zo weet ik uit ervaring. Maar ze weet zich heel slim te verkopen als een oudere stoeipoes van de emancipatie.
Dat zij nieuwe media gaat doen is even tragisch als grappig, want ze kan niet eens een sms’je versturen. En nu moet ze zich buigen over Playstation 3, wi, ipod en ipad.
Ze mag het gelukkig uitleggen bij pauw & witteman, net zulke digibeten als Neelie zelf.
Alles komt op zijn pootjes terecht.
Maar van Almunia nooit gehoord.
Oké, jullie hoeven niet alles te weten. Het is een bijeenkomst van sponsors. En wel voetbalsponsors. Ik neem aan dat jullie daar wel iets van weten.
Laten we vragen. Wie is de shirtsponsor van Manchester United, de rijkste en grootste club ter wereld?
Nobody?
AIG – dat staat voor American Insurance Group, een verzekeraar die met staatssteun overeind moest worden gehouden.
En van Barcelona? Die heeft er geen.
En ADO20 uit Heemskerk om dichter bij huis te blijven?
Buko, een dienstverlener uit Beverwijk die sinds gisteren ook even shirtsponsor is van AZ. Hebben jullie Toon Gerbrands nog gezien. Trots als een paus. Kan hij er direct toch lekker tussenuit knijpen zonder veel gezichtsverlies.
Niemand kent de sponsors. Heeft sponsoring zin? Is het minder nuttig, even nuttig of nuttiger dan een advertentie in De Uitkijkpost of in het Contact.
Kan je er als bedrijf profijt van hebben of is het alleen liefdewerk oud papier?
Natuurlijk kan sportsponsoring effectief zijn.
Rabo heeft wel eens berekend dat de totale waarde van de sponsoring van de wielerploeg, indien men dit om zou zetten naar minuten televisie reclame inkopen en milimeters advertenties, een veelvoud is van de tien miljoen die men ongeveer in het wielerplan stopt. Dus ondanks al het gedoe rondom doping is Rabo blijven sponsoren..
Een van de beste voorbeelden van slimme sportsponsoring vind ik nog altijd de wijze waarop Kees en Klaas Molenaar eind jaren zeventig Wastora op de kaart hebben gezet. Ze hadden Japanse apparatuur – toen nog heel goedkoop – ingekocht en wisten het zo goed aan de man te brengen dat elke zaterdag een gigantische file voor een van de meest ontoegankelijke plekken van Noord-Holland – de Westeinde in Zaandam – ontstond. De Molenaars koppelden heel slim aan hun sponsorschap een gratis huis aan huis krant toe die glossier was dan andere huis aan huis-kranten. Ze wisten zich echt te onderscheiden.
De Molenaars waren ook voetballiefhebbers.
Dirk Scheringa is dat niet echt. Hij houdt van sport – vooral om er zelf in uit te blinken – maar zijn sponsoractiviteiten stonden niet in dienst van AZ en zelfs niet de DSB. Hij deed het voor zichzelf – de Stichting Dirk Scheringa Vooruit. Hij bouwde in de jaren tachtig een fraai kredietbedrijf op vanuit Spanbroek. Maar hij kreeg persoonlijk geen erkenning. Hij bleef een ordinaire leenboer.
Daarom ging hij begin jaren negentig eerst AZ sponsoren. Maar daarmee kon hij zijn minderwaardheidscomplex niet van zich afschudden. AZ moest kampioen worden. En om bij de echter rijke patsers te horen ging hij rijden in gepantserde Mercedessen en kocht een privévliegtuig.
Ik weet dat ik mijn eerste interview met hem had. Toen zat hij nog in het oude klooster in Wognum die met zijn rust en stilte een pastorale sfeer uitstraalde. Wat detoneerden waren Dirks vijf lijfwachten in ongeveer de saaiste plaats van Nederland. Bos, Balkenende en zelfs Wilders hebben niet zo veel beveiliging.
Dirk wilde belangrijk zijn. Voetbal was niet genoeg. Hij wilde ook waardering bij de intellectuele elite. Dus Dirk ging schilderijen verzamelen en een museum openen om hen de ogen uit te steken.
Enfin we weten hoe het afgelopen is.
De curator van de DSB Bank maakt bekend dat AZ niet meer mag voetballen in hun stadion.
Bij de bouw van het stadion is namelijk verkeerd cement gebruikt: het failli-cement.
Dirk komt wel terug. Hij heeft zijn schapen en schilderijen niet meer, maar zijn celebrity-status is nog.te exploiteren.
Dirk stond voor de hemelpoort en probeerde naar binnen te glippen op het moment dat Petrus even was afgeleid. 'Hoho, mannetje riep Petrus dadelijk, wat kom jij hier doen?'
'Nou, stotterde Dirk, ik wil wel heel graag naar binnen.'
'Vertel maar eens welke goede dingen je in je leven hebt gedaan'',stelde Petrus voor.
'Nou, ik heb veel mensen een mooie keuken gegeven en veel voetballende jongeren een bal en hoop', vertelde Dirkje glunderend.
'En wat heb je dan fout gedaan in je leven beste jongen', vroeg Petrus heel vaderlijk.
'Nou', begon Dirkje snikkend, 'eigenlijk maar een ding! Ik had in 2008 naar het buitenland moeten vluchten.'
Of AZ terugkomt is maar de vraag.
Een gek als Scheringa die honderd miljoen in 20 jaar bijpast is niet meer te vinden. Dat doet Jan Deurwaarder niet of die jongens van Vezet.
Dus AZ mag blij zijn als ze over drie of vier jaar nog in de eredivisie zit en ze nog niet de weg van Haarlem is ingeslagen en de Kooimeer met een spookhuis van een stadion achterblijft.
Ik heb mij altijd verbaasd over het DSB Stadion. In De Hout deed ik vroeger wel eens een keer een interview met een bestuurder. Dat was ergens in een bezemkast waar een bureautje in de hoek stond. Of gewoon in de kantine met een bedkertje koffie uit de automaat, zoals het nu nog bij Volendam gebeurt.
De laatste keren dat ik Marcel Brands of Toon Gerbrands interviewde gebeurde dat in een kantoor waar de topman van Shell een puntje aan kan zuigen. Er waren al drie passjes nodig om toegang te verschaffen.
Bankstel, vergadertafel, sjiek bureau, computer, fax en een magnifiek vergezicht over de Schermer. En een mooi juffrouw – witte blouse, zwarte rok - die de koffie bracht in een stenen kopje. ‘Sigaartje nog meneer?’ ‘Nee, ik ben Johan Derksen niet.’
Het voetbal heeft op veel te grote voet geleefd. Niet alleen de voetballers. Brands en Gerbrands verrdienen samen zo’n zeven ton.
Ik denk dat de verschillen in het topvoetbal nog veel groter worden. Vorige maand was ik in Singapore en China. In bijna elke bar stond de Premier League aan. Gewone Chinezen lopen met shirtjes van Giggs en Gerrard. Ik weet niet hoeveel miljarden er aan televisierechten en merchandising er naar een club als Liverpool gaan. Maar dat het alleen al meer is dan naar het hele Nederlandse betaalde voetbal is wel duidelijk. Of Man United heeft een begroting van een miljard, Ajax van 60 miljoen euro, AZ van 40 miljoen en Volendam van 2 miljoen.
Ajax is even kansrijk tegen Man United als Zeevogels tegen Roda JC.
Dat hoeft voor de rest niet zo erg te zijn. Ik heb zeven jaar in Engeland gewoond waar ik alleen de premier league kon zien. Misschien een hoger niveau, maar de wedstrijden waren meestal dodelijk saai. Ging ik met een vriend naar Chelsea Aston Villa eindigde het meestal in 1-0. Ado tegen Sparta is veel mooier.
We zijn een Mickey Mouse-land. Laten we dat waarderen. Ajax moet zichzelf meten met Anderlecht en Grashoppers – de Zwitserse club bedoel ik.
Nederland wil altijd graag meedoen met de grote landen. Niet alleen in het voetbal. Oorlogswinter moet voor de oscars genomineerd worden en De Toppers zouden vorig jaar het songfestival kunnen winnen. T’s is een beetje de tragiek van het land.
In zeven jaar Engeland leer je hoe onbetekend Nederland is. Als ik in de pub begon over onze bijdrage in Urzugan, riepen de Britten altijd: hande hoch. Als we ergens aan worden herinnerd is het niet aan totaalvoetbal maar aan die vijf dagen in 1940.
Niettemin wil Balkenende naar de G20. België mag dan een pare rare snoeshanen als premier hebben gehad in afgelopen 20 jaar – denk aan de omvangrijke De Haene
Maar Nederland spant de kroon. Na de fietsende pastoor Dries van Agt kregen we de ongeschoren macho Ruud Lubbers.
Ik pretendeer niet te weten hoeveel keer hij vreemd is gegaan en z’n Ria heeft bedrogen. Ik weet alleen dat hij in persconferenties in Nieuwspoort even ging verzitten als een mooie jour aliste een vraag stelden. En als hij daarna zo dom is om ’s avonds met Maria Henneman bij een tafeltje te gaan zitten vlakbij het raam, ja….dan is het gerucht snel geboren.
Wim Kok deed dat nooit. Hij keek nooit iemand aan, behalve misschien Rita. Hij was in de buurt van journalisten altijd verongelijkt. Hij vertrouwde ons nooit. Ik heb zelden een man gezien die zo humorloos was als Wim kok.
Ik mocht Pronk wel. Of anders Van der Stee
Ja, en nu Balkenende en Bos.
Op Balkenende kun je als journalist niet boos worden. Keurige man en keurige antwoorden. Na een overleg komt hij naar buiten met zo’n gribus van de RVD naast hem en geeft een mooie samenvatting. Het overleg is altijd moeilijk maar het compromis haalbaar. Als de formele interviews achter de rug zijn, kan hij overigens wel goed vertellen.
Het valt ook niet mee zo’n G20. Twintig regeringsleiders die allemaal tien minuten voorgekookte standpunten voordragen. Dat is 3 uur en 20 minuten luisteren zonder in slaap te vallen. Wie het land wil besturen moet vooral zonder slaap kunnen. Thatcher kon met drie uur per nacht toe, Blair had vier uur nodig. Toen Balkenende onlangs zo is de mist ging, bleek hij een hele nacht niet te hebben geslapen.
Bos slaapt wel. Hij houdt ervan een beetje te provoceren, te plagen, uit te dagen. En dan die grote glimlach die tegenstanders wel van zijn gezicht kunnen afslaan.
Ach, Den Haag – het verveelt nooit. Zeker niet Den haag in Washington, Istanboel of Pittsburgh waar ik ze dan het meest tegenkom.
Ik schrijf alleen zijdelings over Den Haag. Wat doe je als journalist? Ik weet het eigenlijk nooit. De dag begint zonder agenda. Ik word wakker, zet koffie, eet mijn cruesli, knap mij op en reis naar de krant – meestal luisterend naar Radio 2. Tussen tien en elf ben ik er.
Wat deed ik gisteren? Nou, eigenlijk ben ik al de hele week bezig met de Griekse problemen die zich nu hebben verspreid over de garlic belt.
Goedkoper is cds te kopen.
En dan iets heel anders. Heb je nog een profiel voor ons van iemand. We willen eigenlijk iets doen aan carnval.
Wim Kersten, suggereer ik, die heeft ook mooie liedjes voor
Terug naar de sportsponsoring. Het is niet iets nieuws. Op het moment dat sporters helden werden, stonden de bedrijven klaar om ze voor reclame-doeleinden in de kladden te grijpen. Jaap Eden had in 1896 al vijfduizend gulden aan sponsorinkomsten – toen een gigantisch bedrag. En Hendri Desgranges begon tien jaar later met de Tour de France die gesponsord werd door zijn blad L’Equipe.
Wereldwijd wordt nu 20 miljard euro aan sportsponsoring uitgegeven. Dat is gigantisch. In Nederland is het al een miljard – dus gezien de omvang van ons land zeer veel – waarvan de helft naar het voetbal gaat en daarvan weer de helft naar het amateurvoetbal.
Voor betaald voetbalclubs zijn sponsors de belangrijkste inkomstenbron. Voor amateursclubs de een na belangrijkste – na de contributies maar voor de barinkomsten. En het zal niet meer lang duren of de sponsoring is de belangrijkste inkomstenbron.
Vroeger deed je iets voor de club, nu koop je het af.
maar al te vaak op de voorlopige begroting sponsoring opgevoerd,zonder dat daar enig plan aan ten grondslag ligt.Veel bedrijven worden dan ook bestookt met aanvragen om geld te geven, wat het imago van sponsoring niet bepaald ten goede komt. Bij veel projecten, clubs, bonden en evenementen geldt al lang niet meer het oorspronkelijke principe, dat sponsoring iets extra’s is.
Lezing 22 november 2009 voor Schrijversfeest in bibliotheek Alkmaar tgv lancering boek Opkomst en Ondergang van DSB
Dit is het boek over de opkomst en ondergang van DSB: Of eigenlijk van Dirk Scheringa, want hij was DSB
Het is het eerste en daarom ook het beste boek zeg ik zonder bescheidenheid omdat het in het vuur van de strijd is gemaakt.
Gek genoeg heeft iedereen in Nederland nu al een mening waardoor zijn bank tenonder is gegaan. De onderzoekscommissie is nog niet begonnen maar aan een paar flarden informatie, een emotionele Dirk, enkele woedende klanten of een bevlogen OR-voorzitter hebben we genoeg om onze mening te bepalen.
Iedereen weet wie de schuldige is.
Laat ik het hier eens vragen?
Wie hier vindt dat De Nederlandsche Bank schuldig is?
Wie denkt dat Pieter Lakeman het heeft gedaan?
Wie vindt dat de media het hebben gedaan?
En wie vindt dat Wouter Bos de schuldige is?
En zijn er ook die vinden dat Dirk misschien ook zelf schuldig is?
Een paar. Maar ik denk dat er niet veel overblijven als Dirk direct zijn eigen boek met een oplage van 100 duizend exemplaren gaat presenteren?
Ik ga jullie wat over Dirk vertellen.
En zoals jullie weten is de Volkskrant een positieve krant die vooral naar de zonnige zijde kijkt. Dus ik vertel alleen iets over zijn opkomst. De neergang kun je lezen in het boek.
Scheringa heeft zich altijd willen laten zien als iemand die gewoon is gebleven – het is een imago dat Scheringa goed bevalt, wanneer hij zich afzet tegen duurdoende collega-bankiers. Maar tegelijkertjd vertoont hij megalomane trekjes. Dat hij zichzelf in het voorjaar van 2009 als ‘gevolmachtigd crisisminister’ in staat ziet het hele land te redden, is het hoogtepunt in een oplopende reeks.
Zijn zachte, verlegen stemgeluid maakt het bijna onmogelijk om in deze man een gladde en keiharde ondernemer te zien. Is deze eenvoudige provinciaal, die als een ouderwetse restaurant-uitbater braaf al zijn diploma's en oorkondes aan de muur heeft hangen, werkelijk degene die armlastige Nederlanders welbewust opzadelt met veel te hoge schulden?
. ‘In mijn diensttijd werden jongens met psychische problemen afgekeurd op S-5’, zei hij later, in 2007. ‘Ik had S-1. Stabieler kan niet.’
Scheringa lijkt echt in complotheorieën te geloven. Het is in zijn beleving werkelijk oorlog - hij de eenvoudige jongen met zijn oer-Hollandse christelijke moraal van matigheid tegen het ontspoorde grootkapitaal.
Hij kokketeert al 25 jaar met zijn eenvoud. Juist deze eenvoud geeft hem een soort gevoel van onfeilbaarheid tegenover de elite die eind jaren zestig maagdenhuizen bezette terwijl hij voor een grijpstuiver aan het werk is.
. Scheringa herinnert zich het eerste verslag van die trainingen. ’Ik weet nog precies wat er stond: loopt wat houterig maar beweegt voldoende snel. Nou da’s ook mooi dacht ik. Wat bleek? Ik liep misschien wat houterig maar was wel de snelste van de klas.’ hij is 23 jaar Maar voelt zich al voorbestemd als leider.
'Ik bezocht congressen in de hele wereld over management. Ik deed er trainingen in bedrijfsleiding, leerde interviews doen en samenwerken. Ik leerde er body language. Hoe je elkaar een hand een hand geeft. De manier waarop je dat doet, zegt iets over dominantie.' Scheringa laat ook testen. 'Ik wilde weten wat ik kon. Het bleek dat ik administratief goed was. Dat ik goed kon verkopen, kon communiceren en leiding geven. Maar ik wilde meer.'
In 1980 doet Scheringa zijn eerste overname. Hij koopt een plaatsgenoot die bemiddelt in persoonlijke leningen. 'Die man was dynamisch, maar ik ben nog dynamischer.' De oprichter van Frisia ziet zichzelf als een begenadigd zakenman. 'Mijn grootste talent? Ik ben een goede verkoper. En ik ben een goede inkoper. Mijn bedrijven adverteren veel in omroepbladen. Als ik met een grote omroep moet onderhandelen en ik ga daar 10 miljoen besteden dan moet ik scherp inkopen. Ik heb geen la waar ik zomaar even geld uit kan trekken. In de inkoop zit de winst. Als het om belangrijke deals gaat, wil ik erbij zijn.'
Scheringa is alleen erg ambitieus. ‘Ik ben veelzijdig en enorm creatief”, zegt hij. “Ik hou van iets opbouwen, dat geeft me een enorme kick. Ik geniet ervan om iets vanuit de pioniersfase helemaal neer te zetten.’ Hij is steeds meer overtuigd van zijn leiderskwaliteiten: ‘Ik heb het talent om leiding te geven, kan heel efficiënt werken en bovendien goed delegeren. Daar hoef ik mijzelf niet voor op de borst kloppen. Dat zit in mijn genen. Zoals ook Johan Cruyff het geluk heeft dat er bepaalde talenten in zijn genen zitten.’ Hij vergelijkt zichzelf zelfs met de primitieve mens: de man jaagt om in het levensonderhoud te voorzien, de vrouw organiseert de hut. ‘Ik kan zowel het wild schieten als het huis organiseren.’
Hij heeft ook een andere, voor een jongen uit een gereformeerd arbeidersmilieu ongewone, liefde gevonden: die voor de schilderkunst. Voetbal geeft erkenning bij het simpele, kunst bij de intellectuele elite. Hij heeft de schilderijen van Carel Willink ontdekt wiens liefdesleven in die tijd breed in de populaire pers wordt uitgemeten.
‘Willink bekwaamde zich in het magisch realisme. Ik herken daarin iets van de selfmade man die ik zelf ook ben. Ik begon als leerling-handzetter, klom op tot assistent-accountant en werd vervolgens politieman’, zegt hij.
Maar Scheringa haalt er voorlopig zijn schouders over op. De buitenwereld ziet niets. Op 11 april 2008 wordt Scheringa eindelijk uitgeroepen tot ‘CEO of The Year’, de topman van het jaar.
Tal van Nederlandse captains of industry kijken toe, sommige met gefronste wenkbrauwen, hoe Arthur Docters van Leeuwen, voormalig baas van de Autoriteit Financiële Markten, Scheringa de prijs en felicitaties overhandigt.
. Scheringa moest het opnemen tegen de fine fleur van het Nederlandse bedrijfsleven verslagen: Gerard Kleisterlee (Philips), Harold Goddijn (TomTom), Jeroen van de Veer (Shell), Feike Seibesma (DSM) en Michel Tilmant (ING).
Het tij is gekeerd, niet alleen vanwege de uitverkiezing tot CEO van het jaar. Op zakelijk, sportief en cultureel gebied timmert Scheringa inmiddels zo succesvol aan de weg, dat niemand meer om hem heen kan. Scheringa wordt na 33 jaar beetje bij beetje salonfähig, zo merkt hij zelf ook. ‘Iedereen wil opeens iets van me. Ik hoor er bij. Als ik wil kan ik elke dag ergens een gehoor toespreken. Dat is wel even wennen. Tot voor kort zag niemand me staan, ik werd met de nek aangekeken’, zegt hij over zijn nieuwe rol.
Vooral de kredietcrisis pakt ogenschijnlijk gunstig uit voor hem. Terwijl grote financiële instellingen zoals ABN Amro, Fortis en ING aan het geldinfuus van de overheid moeten, heeft DSB op het eerste oog nergens last van. Dat dwingt bij vriend en vijand toch wel enig respect af. En zorgt voor leedvermaak. Die simpele leenboer uit Wognum blijft in de financiële orkaan die over ons land raast overeind staan, terwijl de arrogante bankiers aan de Zuidas een voor een van hun uit spiegelglas en marmer opgetrokken tronen buitelen.
Als Gerrit Zalm, sinds juni 2007 in dienst bij de DSB, door de minster van Financiën eind november 2008 gevraagd wordt om topman van de nieuwe combinatiebank Fortis-ABN Amro te worden, roept Scheringa meteen de pers bijeen in Wognum. Daar zegt hij met glimmende oogjes van plezier: ‘Wij zijn als bank nooit naar Bos gestapt om steun te vragen, maar hij kwam wel naar ons toe voor hulp.’
Ook de bezoekers van de DSB-website krijgen de boodschap mee: ‘Wouter Bos vraagt DSB om hulp’ staat er pontificaal op de startpagina.
Amper een week later viert Scheringa nog een publicitaire en persoonlijke overwinning. Hij is uitgenodigd om op woensdag 26 november voor een hoorzitting in de Tweede Kamer te verschijnen, samen met de topmannen van álle banken die er in Nederland toe doen. Hij behoort nu tot de echt grote jongens.
Tijdens de hoorzitting willen de parlementariërs van de bankiers weten of zij zich verantwoordelijk voelen voor de kredietcrisis. En waarom ze zo hardnekkig blijven zitten op het geld dat ze van de belastingbetaler hebben ontvangen. En of er geen ‘sorry’ van af kan.
Als een van de weinigen voelt Scheringa zich niet aangesproken, en dat laat hij de Tweede Kamer weten ook. Terwijl hij de parlementariërs uitdagend aankijkt, zegt hij: ‘Wij maken winst waar andere banken verlies maken. Sterker: als alle banken zouden bankieren zoals wij, dan hadden wij hier niet vandaag met zijn allen gezeten. Wij bankieren op een veilige manier zonder veel risico’s te nemen’, zo slaat Scheringa zichzelf op de borst.
Het verhaal van de Wognumse bankier slaat aan bij de parlementariërs. Zo eenvoudig als ze daar in Noord-Holland opereren, zou een voorbeeld moeten zijn voor alle andere financile instellingen
Scheringa is na afloop zeer tevreden over zijn optreden. ‘De meeste collega-bankiers zaten met geknakte hoofden achter de tafel. Ik niet. Ik had een goed en simpel verhaal.’
Scheringa, die overloopt van zelfvertrouwen, weet namelijk hoe je deze crisis kunt oplossen. Hij heeft er ook de juiste eigenschap voor. ‘Je hebt ondernemende mensen nodig om te overleven, om uit die crisis te komen. Mensen die ratting hebben, de eigenschappen van een rat. Dat dier overleeft altijd als hij in een noodsituatie zit. Die bijt desnoods zijn eigen staart af om te overleven. Als er problemen op je af komen, moet je niet denken ‘Help!’, maar moet je die problemen gewoon oplossen.’
Het aanbod van Scheringa om crisisminister te worden verschijnt onder de kop - ‘Zonder Dirk dreigen donkere jaren’ op de voorpagina van de Volkskrant. Hoewel de ironisch getinte kop aangeeft dat de redactie het aanbod niet al te serieus neemt, leidt het bericht tot enkele boze brieven van lezers. ‘Te groot podium voor geldwisselaar Dirk’, schrijft een lezer uit Hoorn.
‘Scheringa is brutaal genoeg om zich op te stellen als de goedertieren redder des vaderlands. Terwijl hij crisisveroorzaker numero uno is!. Balkenende is op 18 mei 2009 in Alkmaar om campagne te voeren voor de Europese verkiezingen. De dag wordt ’s avonds afgesloten met een drankje in het DSB-stadion. Scheringa is als gastheer uiteraard van de partij.
Op een gegeven moment richt Balkenende het woord tot Scheringa. Nadat hij hem heeft bedankt voor de gastvrijheid, zegt Balkende: ‘Je bent een voorbeeld voor ons allemaal, je speelt een geweldige rol in de financiële sector, zet je in voor sport en cultuur. Ik vind dat fantastisch. We zijn trots op je,’ Scheringa glundert van oor tot oor. Maar hij is ook verbaasd. Weet de premier dan niet dat de Autoriteit Financiële Markten recent een onderzoek tegen DSB is gestart?
Scheringa is iemand met twee gezichten? Een hard gezicht van de ondernemer, die zijn klanten, leveranciers en voetballers het mes op de keel zet, en dat het grote publiek nooit krijgt te zien. En een zacht gezicht van een lieve knuffelopa met een hart van goud. In 2000 zegt hij over de kinderen van Tsjernobyl: ‘Er worden daar nog steeds baby's geboren zonder voeten, zonder handen heel triest.’ In 2003 over zijn kinderen: ‘Ze hebben een hoge emotionele intelligentie en voor de rest zijn het hartstikke knuffels.’ In 2007 over zijn schapen: ‘En ik heb bruine Texelaars. Die komen altijd naar je toe. Echte knuffelschapen. En Ukkie is er nog, een potlam. Ukkie loopt altijd als een hondje achter ons aan. Die hebben we de fles gegeven toen-ie klein was.’
Een gezicht kortom, dat iedereen inpakt.
Of is hij inderdaad wat hij zelf denkt - of
Het is moeilijk om Scheringa af te stoppen. Iemand die altijd gewend is te winnen, gunt zichzelf geen enkele nederlaag. Hij is zo aan zijn imago van winnaar gehecht, dat het niet in hem opkomt om verlies te nemen. De terugtrekkende beweging is hem onbekend.
Lezing 12 februari 2009 in Alkmaar bij lancering van zijn boek Crisis!
Nog bedankt dat jullie zijn gekomen. Er wordt verwacht dat ik iets gaan zeggen. Dat doe ik hierbij. Het zijn wat spontane gedachten die gisteravond bij mij opkwamen – geen hoofdstuk uit mijn degelijke boekje.
‘Als je een jaar geleden voor duizend euro aandelen Aegon had gekocht, zou je daar nog maar 49 EURO van over hebben. Als je dat gedaan had met SNS, had je nog maar 16 euro over. Met ING-aandelen zou je nog maar 5 euro overhebben. En als je voor duizend euro Fortis-aandelen had gekocht, waren die helemaal niets meer waard. Maar als voor duizend euro bier had gekocht, alles had opgedronken en weer had gerecycled, zou je nog voor 214 euro aan blikjes hebben kunnen vullen. Het beste beleggingadvies dat ik kan geven is dus veel te drinken en recyclen. Dit mag ook wel het Peter de Waard-731 beleggingsplan genoemd.
Het is anders maar zeker beter dan het beleggingplan van Bernie Madoff. Het is ook anders dan die van Willem Middelkoop, een van de goeroe’s die dankzij de crisis faam en fortuin heeft vergaard. Weet je wat het verschil is tussen Middelkoop en God. God denkt niet dat hij Willem Middelkoop is.
Goeroe’s, ze zijn de moderne versie van de profeten van het oude testament. Laten we eerlijk zijn. Ze hebben de wijsheid niet in pacht. Er is nog nooit een goeroe geweest die meer wist dan de markt of de zogenoemde geblinddoekte aap die met het werpen van een pijltje op de koersenpagina willekeurig een belegging selecteert. Het enige advies dat ik zal durven geven – behalve dan mijn beleggingsplan - is ‘als je een klein bedrijf wilt beginnen, koop een grote.’
Want laten we geen illusies hebben. Niemand weet hoe de crisis afloopt. Middelkoop niet, Rienk Kamer niet, Nout Wellink niet. Obama niet. En Wouter Bos al helemaal niet. Uiteindelijk doet de overheid ook maar iets waarvoor geen precedent is. Ze doen iets anders dan in de jaren dertig, of tenminste ze proberen iets anders te doen - want Bos is nu toch ook een beetje protectionist aan het worden, maar niemand weet of Keynesiaanse stimulering – het geld smijten in de economie – ook dit keer de beste remedie is. Of dat we hiermee juist een averechts effect bereiken: dat wil zeggen de euro opblazen, het land failliet laten gaan, de Chinezen nopen hun biljoenen aan Amerikaans staatspapier te verramsjen en uiteindelijk een crisis veroorzaken die in een wereldoorlog uitmondt.
Het lijkt soms niet meer slechter te kunnen. De AEX-index is nog maar eenderde van wat ie was. En de koersen van de bankaandelen zijn minder dan de kosten van een bankpasje. Dus het dieptepunt moet toch zijn bereikt. Maar is dat waar? Juist niet. Er zijn teveel mensen die nu denken dat het dieptepunt is bereikt en lichtpuntjes zien, zoals deze week de redacteuren van het blad Elsevier.. Er zijn te veel mensen die een herstel in 2010 verwachten.
Het keerpunt wordt pas bereikt als IEDEREEN denkt dat het dieptepunt nog NIET is bereikt en niemand een schimmetje hoop meer heeft. Het is pas bereikt als je bij de geldautomaat staat en na het indrukken van de pincode de melding krijgt: Onvoldoende saldo. Maar dan niet het saldo van jezelf maar van je bank. Of als je tien euro aan je broer uitleent, en ineens de op een na grootste bank van het land blijkt te zijn. Of als je leest dat een gemaskerde centrale bankier een bank binnendringt en dreigt met een pistool naar de kassier en zegt: ‘Ik wil je geld niet. Ik wil alleen dat je die andere bank geld uitleent.’
Wie heeft al die ellende veroorzaakt? Ach, we wijzen graag naar zakenbankiers en andere woekeraars en oplichters die grote bonussen in de haute finance hebben opgestreken. En aan falende toezichthouders op de banken. Om dan toch de bijbel er bij te halen: wie zonder schuld is werpe de eerste steen.
We zijn allemaal schuldig. Ieder volk krijgt zijn bankiers, banken, politici en toezichthouders die het zelf heeft gewild. De hebzucht van de afgelopen 25 jaar was een nationale volkssport, niet alleen een rare afwijking van een kwaadwillende elite. Uiteraard waren er gradaties. En de bankier had wat meer – soms veel meer - mogelijkheden om te graaien dan de docent. Maar uiteindelijk deed iedereen er aan mee: tot Willem Kok en Lodewijk de Waal aan toe. De babyboomers hebben massaal hun idealen verraden. Ze werden lid van beleggingsclubs, kochten opties en wreven zich in de handen over de waardestijging van hun woningen. En ze keken met bewondering hoe hun kinderen nog hebzuchtiger werden.
Greed is good. We waren er eigenlijk allemaal voor: van Groen Links tot Fortuyn-rechts. Gunden we niet iedereen zijn eigen huisje. Wat Clinton, Greenspan en Bush deden in de VS vonden we helemaal niet zo gek. Als alle mensen in de slums van grote steden – in Nederland eufemistisch achterstandswijken of Vogelaarwijken genoemd – hun huurwoning zouden kunnen inwisselen voor een eigen woning, dan zouden ze als bezitters meer gemotiveerd zijn om een baan te zoeken, hun afgebladderde kozijnen te schilderen en hun tuin te onderhouden en zelfs de graffiti op de schutting aan de overkant te verwijderen. Want je wilt de waarde van je eigen bezit toch koesteren.
Geen gek idee. Mooie rechtse filosofie die ook de love en peace-generatie aanspreekt. Bezit verhoogt de kwaliteit van de leefomgeving. Dus we geven al die mensen goedkoop geld om ze te helpen en de maatschappij als geheel beter te maken. En om te voorkomen dat het fout zou aflopen bij de banken die veel van deze hypotheken verstrekten, knipten we die schulden aan al die sloebers in de slums in kleine partjes en verdeelde ze over de wereld.
En alle mooie dromen werden waar. En de risico’s werdengespreid. En in die handel van het spreiden van risico’s werd ook nog veel geld verdiend, waar bankiers vette bonussen voor kregen. En die spendeerden ze weer in de economie. Het leek een eindeloze vicieuze cirkel van waardevermeerdering.
Niemand realiseerde zich een moment welk gif of virus over de wereld werd verspreid. Rabo-topman Heemskerk zei onlangs dat 20 procent van alle uitstaande schulden giftig is, zo’n twee biljoen. Hij had het nog niet gezegd of het was misschien al 25 procent. Want elke keer als weer iets van het vertrouwen afneemt, wordt er weer meer giftig.
De 250 miljard aan Amerikaanse hypotheken die ING had – allemaal vorderingen op gesalieerde mensen die een bescheiden huisje hadden gekocht – leek helemaal niet giftig totdat ook deze mensen in de crisis worden meegetrokken.
Banken zijn in principe insolvabel. Ze houden maar 8 procent van hun leningen aan als tegoed. Dus als tien procent zijn geld opeist is de bank bankroet. Niemand had het verwacht dat dit zou kunnen. Zelfs de zakenbankiers die zo dicht bij het vuur zaten, hadden er nooit rekening mee gehouden. Ik sprak er vorige week een uit mijn Londense kennissenkring die net zijn baan kwijt is. Hij is desperaat. ‘Dit is erger dan een scheiding. Ik heb de helft van het geld verloren, maar ik heb nog steeds mijn vrouw.’
Hij houdt er rekening mee dat hij nog een keer de helft zal kwijtraken. Ik heb geen medelijden met hem en niemand hoeft het te hebben. Hij heeft tenminste nog een vrouw. En als hij niet alles in aandelen Fortis heeft gestoken van de enorme bonussen is er een appeltje voor de dorst voor vele jaren. Ik begrijp soms niet waar die zakenbankiers over klagen. Ze wilden allemaal drie jaar werken en dan rentenieren. Dat kunnen ze nu…Tijd genoeg. En het heeft ook voordelen. Ze hoeven op zondagavond geen vijf overhemden meer te laten strijken.
Ook voor Van Gaal en al die andere profvoetballers die een groot deel van hun kapitaal in aandelen of zelfs bij Madoff hebben belegd, komen wel weer boven Jan. Ze verdienen meer per week dan menigeen in een jaar. Zes miljoen verliezen lijkt veel, maar is ook relatief.
Ach, ze zijn niet de echte verliezers. In Londen worden nu veel minder Ferrari’s verkocht, gaan de restaurants van Gordon Ramsey over de kop en zal misschien Chelsea een paar spelers moeten verkopen. Voor veel mensen is minder geld ook heel heilzaam. Ook voor de Chinees en Ajax.
Uiteindelijk zijn bij elke crisis de sociaal zwakkeren de eerst gedupeerden. Daarom stel ik hen de opbrengst van dit boek beschikbaar aan hen. .
Lezing 16 mei 2008 voor Rotary Heiloo over Groot-Brittannië
Goedenavond allemaal
Ik moet uiteraard eerst René bedanken dat hij mij hier heeft uitgenodigd tussen de great & good van Heiloo. Een bijzondere eer.
Ik ben gevraagd iets te vertellen over Engeland.
Hoe doe je dat?
Een kwartier of twintig minuten is de maximale tijd dat een gehoor naar één iemand kan luisteren zonder iets terug te zeggen.
Ik heb drie boeken geschreven over dit land. Dikke pillen soms. Dus ik kan in die tijd onmogelijk alles gaan vertellen. Het leukste is dat ik een paar inleidende opmerkingen maakt en dat jullie daarna vragen stellen.
Zo krijgen we een debat.
Afgelopen zaterdag kreeg ik een Engelse krant in handen. Niet zo’n krant die de koopt en …showt zoals The Guardian of The Times maar een die het volk leest…en……...de koningin kan begrijpen
Dus een zogenoemd schandaalblad die de elite graag meeleest in de trein, maar van hun dekens in Oxford en Cambridge zelf niet mogen kopen.
Ik wilde weten hoe Nederland had gespeeld tegen Frankrijk. Op de achterpagina was alleen het nieuws te vinden dat de nieuwe manager van Chelsea. Daarna volgde rugby, cricket, het golf in Amerika en de paarden…En…oh ja, helemaal links bovenaan: VIJF regels dat Nederland de vice-wereldkamioen had verslagen.
Voetbal is de grootste sport in Engeland…Maar ALLEEN als de Engelsen het zelf organiseren, erin meespelen en het liefst nog WINNEN.
Dat laatste gebeurde alleen in 1966. De Engelsen vinden dat zonder meer dan ook het enige WK in de geschiedenis dat ooit heeft geteld. Het wordt elk jaar weer uitgeroepen tot het mooiste WK, hetgeen inhoudt dat Engeland eigenlijk nog altijd WERELDKAMPIOEN is.
Het bewijst de eilandersmentaliteit van de Engelsen. Kranten zijn voor 80 procent gevuld met wat er in Engeland zelf gebeurt, voor 15 procent wat er bij de grote vriend de VS gebeurt, 4 procent in de oude koloniën en 1 procent op het vasteland van Europa.
God schiep niet voor niets Het Kanaal’, zei Margaret Thatcher ooit.
Engeland ligt verder van ons weg dan Timboektoe of de Fiji-eilanden. Alleen beseffen we het nooit.
Nederlanders die er gaan werken of op vakantie gaan, hebben altijd hoge verwachtingen. We zien Engelsen toch als respectabele en sympathieke burgers, wier taal we verstaan en wier humor we zo hogelijk waarderen. En bij het eerste restaurant, pub & B&B word je ook meteen op het verkeerde been gezet.
In werkelijkheid zijn Engelsen afstandelijker, wereldvreemder en ondoorgrondelijker dan alle andere volkeren, de Papoea’s incluis.
Ze zullen het nooit laten blijken, want ze zijn zoals ze zelf zeggen…..beschaafd.
De Daily Express schreef tijdens de oorlog over een bij een boerderij gelande neergeschoten Messerscmidt. ‘Gaan jullie me doodschieten?’ vroeg de Duitse piloot soldaat angstig aan de mensen die hem vonden. ‘Nee’, antwoordde een dame. ‘Zo zijn we niet. Wilt U een kopje thee?”
Maar de beschaving is eigenlijk niet meer dan een keurslijf waarin de Engelsman zich hult om niet meteen tot misdadiger terug te vallen. Als Engelsen drank ophebben, laten ze het masker vallen. Jongens gaan vechten, meisjes kotsen en volwassenen worden onbeschoft of gaan oorlog voeren.
Engelsen kennen maar twee houdingen: Of ze zijn overbeleefd en terughoudend of ze zijn luidruchtig en gewelddadig.
Ze zijn nooit zichzelf.
Nederlandse managers hebben er al heel veel leergeld voor betaald. In sommige bedrijven ---Shell, Unilever - wordt al honderd jaar samengewerkt, maar telkens laaien de cultuurverschillen weer op.
Het grootste probleem, zo heb ik en met mij vele andere Nederlanders die in Engeland wonen ondervonden, is de interpretatie van de taal. Wij denken dat de Engelsen bedoelen wat ze zeggen. En vaak is juist het omgekeerde het geval.
Er is een bekend verhaal binnen Shell van een Nederlander die terugkeert van een gesprek met zijn Britse baas. Hij vertelt zijn vriend: ‘Ik dacht even dat hij mij wilde ontslaan maar het enige wat hij zei was of ik misschien zou kunnen overwegen een andere baan te zoeken.’
Nadat Margaret Thatcher een einde had gemaakt aan de Engelse ziekte, wilde vele Nederlandse bedrijven ineens een Britse partner.
DAF ging in zee met Leyland, uitgever Elsevier fuseerde met Reed, ABN Amro en ING kochten Britse zakenbanken, Nedlloyd Lijnen ging op in P&O en Hoogovens vond een nieuwe fusiepartner in British Steel. Maar in vele gevallen vloog het servies in de wittebroodsweken al door de kamer. De tegenstelling van de stiff upper lip en de Hollandse nuchterheid bleek groter te zijn dan verwacht.
Nederlanders mogen zich op de borst kloppen over hun directheid, in Britse ogen is dat soms ordinaire botheid. ‘Als een Brit iets totaal niet interesseert, zegt hij: ‘that’s interesting.’ Quite good betekent in de VS ‘heel goed’ maar in Engeland ‘waardeloos, maar we maken er geen woorden over vuil’. Als een buitenlander wordt gevraagd ‘Would you like another coffee?’ is dat een signaal dat het gesprek is beëindigd en het beter is weg te gaan. Wie zegt ‘lekker’ wordt niet-begrijpend aangestaard.
Nederlanders die op directe wijze hun mening kenbaar maken, worden algauw onbeschoft gevonden. ‘Talking like the Dutch’ is een Engels spreekwoord voor ‘op een botte manier praten’. Wie als buitenlander denkt beleefd te zijn door te zeggen ‘Please close the door’ zal algauw de vergissing inzien. Britten doen het verzoek in de vorm van een vraag: ‘Would you mind closing the door?’ Wie na een week hard werken op vrijdagmiddag roept ‘We must go to the pub’ zal de collega’s niet meekrijgen. Dat klinkt heel opdringerig. ‘Would you fancy a drink?’ is beter.
Vaak verraadt de intonatie wat wordt bedoeld. Er zijn talrijke manieren om sorry - I’m sorry (sor-re) - te zeggen: als een manier om zich te verontschuldigen, als een manier om zich niet te verontschuldigen, als een manier om iemand de mond te snoeren, als een manier om te zeggen dat je iemand niet hebt verstaan, als een manier om iemand te kennen te geven dat hij op moet schieten of plaats moet maken, als een manier om te interrumperen, als een manier om ongeloof te tonen, als een manier om ongeduld uit te drukken en als een manier om medelijden te tonen: ‘sorry, little man’. Als je Britten niet kunt verstaan, kun je beter zeggen: Could you repeat that, please? I’m not with you, I haven’t a clue of gewoon What”Eh?, Huh?
De cultuurverschillen tussen Nederlanders en Engelsen zijn niet beperkt tot de subtiliteiten van de taal. Nederlanders hebben een collegiale bestuursstructuur. Managers zijn gewend een voorstel te doen en het daarna dagenlang onderling te bespreken. Vervolgens wordt een vergadering belegd met een officiële agenda, waarin de knoop wordt doorgehakt. In Groot-Brittannië worden de besluiten voorgekookt in de wandelgangen. Het land kent niet voor niets de beroemde lunchcultuur.
Omdat de Britten graag met een enkele baas werken, ontstonden in veel Brits/Nederlandse bedrijven met een tweekoppige leiding zoals Reed Elsevier en Corus algauw spanningen. Binnen Britse bedrijven wordt net als in de Britse politiek geen collegiaal bestuur verwacht, maar krachtig individueel leiderschap. Geen compromissen. De Britten willen één duidelijke baas, in dit land CEO (chief executive officer) genoemd.
Britten praten de baas niet alleen naar de mond. Ze eten zelfs wat de baas eet. Ben Verwaayen vertelde mij een keer dat sinds hij bestuursvoorzitter van British Telecom was geworden, de baguette-winkel aan de overkant van het hoofdkantoor in Londen goede zaken deed.
‘Totdat ik kwam haalde niemand van het personeel daar iets. Maar ik vind baguette lekker. En nu eet iedereen ineens baguette’, zo zei hij.
In Engeland zet de baas nog de toon, aldus Verwaayen. ‘Ondergeschikten zeggen in een vergadering niet wat ze willen zeggen, omdat ze de baas niet tegen willen spreken’, zo zei hij te hebben leerd. En ook hij had subtiliteiten van de Engelse taal ondervonden. ‘Als mijn secretaresse zegt of ik happy ben dat de vlucht naar Amerika wordt verzet, dan moet die worden verzet.
Een van de wapens van de Britren in de humor. Bernard Haitink, vertelde mij een keer een anekdote: dat Engelse orkestleden zijn aanwijzingen altijd precies en gelijktijdig opvolgen in tegenstelling tot bijvoorbeeld Duitse die altijd later lijken te reageren. Humor is het Britse wapen om overeind te blijven in de hiërarchie. ‘Een keer moest ik een razend ingewikkeld stuk spelen van drieduizend noten. Ik had mijn vrouw een zweepje gegeven voor haar paa
.
De strikte hiërarchie in Groot-Brittannië leidt in Nederlandse ogen vaak tot inefficiëntie. In Groot-Brittannië bestaat in het bedrijfsleven – zeker in de industrie – nog een klassenstructuur. Niet altijd wordt de beste gekozen. Afkomst is bij benoemingen vaak even belangrijk als geschiktheid.
Britse topmanagers koesteren ook de mysterieuze aureool van hun hoge positie. Nederlandse directeuren loodsen hun goede klanten zelf langs de beveiliging. Britse ceo’s laten een klant – hoe belangrijk ook – altijd door een secretaresse ophalen. Daarna wordt de klant in een wachtkamer gezet en wordt koffie beloofd die er meestal niet komt.
Secretaressen zijn in dit land ‘voetvegen’ en gedragen zich er naar. Ze doen werkelijk alles – van het halen van een fles melk tot het poetsen van de schoenen. Een Nederlandse manager die na en carriere in Londen naar Nederland terugkeerde en zijn secretaresse vroeg of zij zijn declaratie wilde doen, kreeg als antwoord: ‘bij ons doen de managers de expenses zelf’.
Britse topmanagers houden zich – mogelijk in hun jacht op ridderslagen en aristocratische titels – in Nederlandse ogen ook te veel bezig met nevenactiviteiten die weinig met het werk te maken hebben: liefdadigheid, cultuur en de herenclubs. Nederlanders zijn pretentieloos. Ze houden niet van flauwekul en opsmuk. De gulle gaven van Reed aan instellingen als de National Gallery en de Royal Opera House noopte de Elsevier-top tot zijn grote ve
De Britse visie op Nederlanders is tamelijk paternalistisch en arrogant. Britten zien Nederlanders als good chaps die eeuwenlang zij aan zij stonden in de strijd tegen despoten, die stoer genoeg waren om hen een paar keer te verslaan, maar nu samen met hen optrekken in Bosnië en Irak. Als zakenpartners vinden Britten de Nederlanders efficiënt, professioneel en hardwerkend. Ze begrijpen de Britse humor weliswaar niet echt, maar hebben er meer waardering voor dan de Fransen en Duitsers.
Nederlanders zijn een solide volk - goede techneuten die je projecten kan toevertrouwen - maar die helaas ook tamelijk bot zijn. Britse ondernemers vinden Nederlanders koppig en weinig behulpzaam bij klachten. Nederlanders hebben op hun beurt moeite met het aangeboren acteertalent en de politieke vaardigheid van de Britten. Het ‘doen alsof’ ligt de recht-door-zee Nederlanders niet. Een bekende uitdrukking in Londen is: ‘The Dutch are too honest to be embarrassed and the English are too embarrassed to be honest’ (‘De Nederlanders zijn te eerlijk om het gênant te vinden en de Engelsen vinden het te gênant om eerlijk te zijn’).
‘Engelse managers zijn net als hun politici. Ze zijn geniepig. Ze proberen hun opponenten continu een beentje te lichten. Ze geven een gunstige draai aan ongunstige tijdingen, de spin. Ze laten zaken lekken. Ze nemen hun toevlucht tot roddel en achterklap’, vertelde iemand die veel zaken in dit land deed. De trage respons, de besluiteloosheid en de eilandmentaliteit stuiten Nederlanders tegen de borst.
Britten hebben het altijd druk, zelfs als ze niets te doen hebben. ‘Ik heb al twee keer gebeld of u de videoband zou willen opsturen.’ ‘Sorry. Maar ik heb nog geen tijd gehad.’
In dit land kan beter geen druk worden uitgeoefend als iemand zijn afspraak niet nakomt. Wie boos of argwanend wordt als iemand er op het afgesproken tijdstip niet is, spant het paard achter de wagen. ‘Het werkt averechts,’ zo wordt van alle kanten gezegd.
Als in Nederland een manager geen tijd of zin heeft met iemand te praten, dan wordt gezegd ‘onze manager heeft geen gelegenheid u te ontvangen’. Engelsen vinden dat bot. ‘Ik kan de manager niet vinden’, zo luidt de smoes van de secretaresse. Het gevolg is dat iemand uren voor niets wacht in de hoop dat hij alsnog wordt gevonden.
Buitenlanders kunnen behoorlijk gefrustreerd raken van de Britse werkethiek. ‘We hadden afgesproken dat ieder zijn deel zou doen. Na een week bleek alleen ik mijn deel te hebben gedaan,’ vertelde een Nederlander die bij een Britse bank was gaan werken.
De Britse werkmoraal ligt ergens tussen die van het protestantse ‘het-moet-vandaag-af’-ethiek en het katholieke ‘het-kan-morgen-ook’-ethiek. Britten nemen hun werk serieus, maar niet te serieus. Werk is een plicht, maar geen heilige plicht. Mensen die niet werken worden met de nek aangekeken, maar ook mensen die zich te veel uitsloven. Britten relativeren hun werk vooral via hun gevoel voor understatement. Als iemand denkt ‘Verdorie, dat had gisteren al afgemoeten’, zegt hij: ‘Ik denk dat we een klein probleem hebben’.
De tijd wordt gevuld met grappen. Vergaderingen zijn meestal vrolijke gebeurtenissen vol kwinkslagen. Humor scoort tijdens deze bijeenkomsten. Het is een wapen om staande te blijven. Vergaderingen beginnen met gezelligheid en wat plagerijen. Met milde zelfspot slaan de Britten zich door de bijeenkomst.
Buitenlanders – hoe goed ze ook Engels spreken – hebben het vaak moeilijker tijdens vergaderingen en briefings door de beperktheid van hun woordenschat en uitdrukkingen. Daarnaast hanteren Engelsen op hun werk een soort dialect – kantoorslang – dat voor buitenlanders vaak onbegrijpelijk is. Buitenlanders verliezen niet zelden de discussie binnen een organisatie door hun taalachterstand.
Collega’s gaan vriendschappelijk met elkaar om, maar houden wel een zekere afstand. Na het werk met de collega’s naar de pub is vrij gebruikelijk, maar men nodigt de collega’s niet thuis op verjaardagen uit. Collega’s verwachten van elkaar dat ze onderhoudend gezelschap zijn en humor hebben. Grappen zijn soms subtiel maar soms ook ongewoon grof (zelfs uitgesproken seksueel getint of racistisch). Sociologen verklaren dat als uitlaatklep voor de gereserveerde en soms bekrompen omgangsvormen. In de televisiekomedie The Office – door Ricky Gervais geschreven op grond van zijn eigen ervaringen op kantoor – is David Brent een zelfvoldane bureauchef die voortdurend politiek incorrecte grappen maakt en hunkert naar waardering van zijn medewerkers.
Buitenstaanders denderen soms onwetend over onzichtbare grenzen heen en begaan dan in de ogen van de Britten de vreselijkste blunders, zoals het aantrekken van een fout pak met een das van een club of privé-school waar je helemaal geen band mee hebt.
Ook op het werk beschermen de Britten hun privacy. Vaak weet je niet of collega’s zijn getrouwd, kinderen hebben, laat staan waar ze tijdens hun vakantie naartoe gaan.
Britten beschermen hun privacy zelfs aan de telefoon. Ze nemen veelvuldig de telefoon op met het noemen van het telefoonnummer. Als ze bellen en iemand anders willen spreken noemen ze niet hun naam, maar vragen alleen naar de juiste persoon.
Maar Britten vinden zichzelf hierdoor allesbehalve onbeschoft. Ze gaan er juist prat op altijd beleefd te blijven. Zelfs bij hoogoplopende ruzies gooien ze in tegenstelling tot mensen van het continent nooit de hoorn op de haak. Ze laten zich niet meevoeren door hun emoties, zelfs niet als jij kwaad of woedend wordt. Maar ze sturen je met een kluitje in het riet door eindeloos te blijven doorverbinden – ‘daar ga ik niet over’ - en niet terug te bellen.
Vooral met dat laatste kunnen ze het bloed onder de nagels vandaan halen. Omdat Britten zo veel uren in vergaderingen doorbrengen, is het een ware kunst om in dit land de juiste persoon aan de lijn te krijgen. De secretaresse – of telefoniste – belooft altijd plechtig dat er wordt teruggebeld. Maar de beleefdheid beperkt zich tot de belofte. In werkelijkheid wordt er nooit teruggebeld.
Een Britse vriend van mij bedacht een oplossing voor dit dilemma. Als je de inkoopdirecteur aan de lijn wilt, zo legde hij uit, dan bel je de secretaresse van de algemeen directeur op. Je zegt tegen haar dat je de directeur inkoop wilt spreken. Zij zal zeggen dat je de secretaresse van de directeur inkoop moet bellen. Daarna bel je de secretaresse van de directeur inkoop op en zeg dat je door de algemeen directeur naar hem bent verwezen. ‘Kijk, hoe snel je wordt teruggebeld.’
Toekomst van het Britse buitenlandse beleid, lezing 22 oktober 2007 voor diplomaten
Lezing Peter de Waard voor Instituut Clingendael op 22 oktober 2007-10-13
Iedereen die pogingen doet trends in de buitenlandse politiek van een land te signaleren loop het risico zich belachelijk te maken. Voorspellingen die nu voor de hand liggen, kunnen hem of haar later blijven achtervolgen. Wat te denken van Neville Chamberlain die in 1938 na het Akkoord van München riep ‘Vrede voor Deze Tijd’ te hebben gebracht.
Dus het is begrijpelijk en zelfs aanbevelingswaardig dat u enigszins sceptisch zal zijn over wat ik zal zeggen. Drie weken geleden had ik mogelijk voorspeld dat we op 1 november in Groot-Brittannië verkiezingen voor een nieuw Lagerhuis zouden hebben gehad. Maar de nieuwe premier Gordon Brown heeft iedereen voor gek gezet – de analisten, de journalisten, zijn eigen achterban en eigenlijk ook zichzelf – door te zeggen dat er deze herfst en waarschijnlijk zelfs volgend jaar geen verkiezingen worden gehouden.
Politieke landschappen veranderen snel. Labour lag drie weken geleden mijlen voor in de peilingen. In een weekeinde veranderde het tij en hebben de Conservatieven Labour ingehaald. Nu staan zij volgens de laatste peilingen ver voor.
De Britse buitenlandse politiek is in vele opzichten onvoorspelbaar. Ten eerste heeft zich dit jaar een machtswisseling voorgedaan op Downing Street. Blair ging en Brown kwam. Na tien jaar wisten we ongeveer waar de flamboyante Tony Blair voor stond. Maar Brown is nog altijd een groot vraagteken. Misschien wacht hij de gebeurtenissen af – de ontwikkelingen in Irak, de nieuwe president in de VS, de houding van de andere Europese landen over het grondwetve
Echte nieuwe beleidspunten zijn niet ontwikkeld, hoewel zijn minister van Buitenlandse Zaken David Miliband op het laatste Labour-congres sprak van een ‘tweede golf van buitenlandse politiek’ na Blairs ‘eerste golf’.
Maar hoe die golven zich onderscheiden laat zich nog raden. Zal er ook schuim op Browns golf staan, zoals die van Blair, of wordt het een uitkabbelend rollertje?
Iets nieuws heeft Brown na vier maanden premierschap nog niet gedaan. Zelfs de aankondiging de Britse troepen in Irak volgend jaar te halveren, is eigenlijk een besluit dat al door Blair was genomen hoewel Brown er goede sier mee probeerde te maken. Maar Blair had al besloten dat in de Britse zone de verantwoordelijk voor de veiligheid zou worden overgedragen aan de Iraki’s zelf. En nu het aantal aanslagen daar sterk is verminderd, kon dat ook probleemloos. De vraag zou zijn wat Brown zou doen, als de veiligheidssituatie daar ineens weer verslechtert. Gaat hij dan ook door met het terugtrekken van troepen of zullen zelfs nieuwe troepen moeten worden ingebracht? Daarop hebben we nog geen antwoord.
Browns retoriek tot nu toe is tamelijk obligaat. Hij zegt dat de alliantie met de Amerikanen een feit is, dat samenwerking met landen in Europa wordt toegejuicht en dat het Gemenebest nog altijd een hoeksteen is. Het klinkt even vaag als Blairite.
Brown lijkt nog geen doordacht buitenlands beleid te hebben. Ik denk dat veel Britse diplomaten al stilletjes terugverlangen naar Tony Blair. Hij kon een buitenlands beleid presenteren. Hij kon zich sterk profileren dankzij zijn overtuigingen – of ze die nu deelden of niet.
Voor Blair – de omhoog gevallen politicus - was de wereld duidelijk – een gevecht tussen goed en slecht. Voor Brown – de geboren politicus – is die veel complexer. Hij bekijkt de wereld meer door een economische bril. Hij weegt Britse belangen af aan de economische voordelen voor het eigen land en de rest van de globe. Brown is een supporter van het grote zakenleven en huldigt neo-liberale economische opvattingen. Hij denkt dat vrije handel elk probleem kan oplossen – zelfs de armoede in Afrika.
Blair was in 1997 een nieuwkomer, een onbeschreven blad. Iemand die tot zijn achttiende maar een keer over de grens was geweest en in zijn verkiezingscampagne van toen het woord buitenland maar een keer had genoemd.
Brown is de ervaren rot. Voordat hij premier werd was hij al tien jaar chancellor – minister van Financiën. Maar hij liet zich zelden uit over buitenlandse politiek. De enige twee dingen wat we van hem weten was zijn vastberadenheid iets te doen aan de armoede in Afrika en zijn fameuze vijf tests waarvoor het land zou moeten slagen voordat de euro zou mogen worden ingevoerd.
De vraag is of Brown in het buitenlands beleid voorzichtiger zal zijn dan Blair. Zal hij minder vaak zijn nek uitsteken? Zal hij bij zijn besluitvorming meer rekening houden met wat het Britse volk denkt? Brown lijkt op het eerste gezicht banger te zijn dan Tony Blair om de steun van etnische minderheden, de vakbonden, de burgerrechtgroeperingen en de linkervleugel van zijn partij te verliezen. Door zo weinig mogelijk te zeggen over buitenlandse politiek kan hij tenminste iedereen te vriend houden.
De wereld zal het hem minder in dank afnemen. Onduidelijkheid in de Britse buitenlandse politiek is internationaal een probleem. In de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw leek Groot-Brittannie er niet zoveel meer toe te doen. Het land werd gezien als een natie die het niet was gelukt de transformatie van een imperiale macht naar een gewoon land te maken. De Britse buitenlandse politiek leek altijd te worden overschaduwd door nostalgie naar het verleden. De inval in Suez in 1956 en het besluit niet mee te doen aan de EEG een jaar later bewezen de stelling van de toenmalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Dean Acheson - ´Groot-Brittannie heeft een wereldrijk verloren en is er niet in geslaagd een nieuwe rol te vinden.´
Het oordeel was toen een schot in de roos. Maar vijftig jaar later is dat veranderd. Dankzij Margaret Thatcher en Tony Blair is Groot-Brittannie weer een zelfverzekerde natie geworden. Het heeft geen imperium meer en is ook geen supermacht, maar wel een van ´s wereld invloedrijkste naties. Het is een belangrijk en soms ook leidend lid van de EU, het is natuurlijk een leidend lid van het Gemenebest, het geniet een culturele invloed in de wereld die in geen verhouding staat tot de omvang van het land, het heeft het voordeel van de Engelse taal, het is een financieel centrum en heeft cool Londen, de stad met zijn theaters, popsterren en de ---nog-----onverslaanbare BBC waarmee de hele wereld de ogen worden uitgestoken.
En daarnaast is het land ook nog een permanent lid van de VN en lid van de G8. Het heeft de op vier na grootste economie ter wereld, een actief ontwikkelingsprogramma, kleine maar zeer efficiente strijdkrachten en meer overzeese investeringen dan welk land ter wereld ook met uitzondering van de VS.
Zo’n land heeft een ambitieuze buitenlandse politiek nodig met mondiale uitstraling.
Dus gaan we toch proberen de trends op een aantal beleidsterreinen vast te stellen met het risico ons belachelijk te maken.
In de eerste plaats Europa:
De relatie met Europa is mogelijk de grootste obsessie en frustratie van Britse politici. Het is ook voer voor een hoogoplopend debat dat het land al generaties splijt. En het is ook het terrein waar de schandaalbladen hun grootste invloed laten gelden. Het Europa van de EU is in hun ogen een grote geldverspilling. Als er over EU wordt geschreven gaat het over geld over de balk smijterij zoals nieuwe dienstauto’s, champagneparty’s en enorme declaraties. Europa is een groot Frans/Duits samenzweringsproject.
Premiers zijn daardoor al bij voorbaat gijzelaar van het volkspopulisme.
De hele paradox is dat het Europa van de EU een Britse uitvinding is – hoewel een Frans/Duitse creatie. Winston Churchill was in 1945 de eerste die opriep tot de vorming van een Verenigde Staten van Europa die harmonische relaties, economische samenwerking en een soort van Europese identiteit zou moeten propageren.
Als oppositieleider pleitte Churchill na 1945 even vurig voor Europese samenwerking als dat hij als oorlogsleider had opgeroepen tot bloed, zweet en tranen in de strijd tegen het nazisme.
Op de conferentie van de Europese beweging – hier in Den Haag van 7 tot 10 mei 1948 – zette Churchill zijn visie voor Europa uit. Hij benadrukte dat het onmogelijk zou zijn om economische en militaire samenwerking niet gepaard te laten gaan met een politieke structuur. Hij riep op tot de vorming van een Europese Assemblee en sprak over de drie pilaren van de Verenigde Naties: de Sovjet-Unie, de VS en een Raad van Europa met daarin Groot-Brittannië verbonden met zijn Imperium en Gemenebest. Hij sprak de hoop uit dat ook Britten trots zouden kunnen zeggen; ‘Ik ben een Europeaan’.
Maar toen hij in 1951 weer premier werd verstomde zijn enthousiasme voor Europa. De dekolonisatie, de koude oorlog, het einde van het imperium, de moeizame relatie met de nieuwe Amerikaanse president Eisenhower en zijn eigen ouderdomskwaaltjes verbruikten al zijn energie.
Zijn retoriek van de jaren daarvoor mondde uit in een enorme ambivalentie ten opzichte van Europa. Toen de EGKS in 1952 en de EEG vijf jaar later werden gevormd nam Groot-Brittannië geen deel. Pas in de jaren zestig toen de Britse economie in het slop raakte en de economie op het continent de wind in de zeilen kreeg, wilden de Britten wel lid worden. Maar de Franse president de Gaulle zag de Britten als een soort Amerikaans paard van Troje en sprak zijn veto uit. Toen De Gaulle ontslag nam pakte Edward Heath – mogelijk de enige echte eurofiel van alle na-oorlogse Britse premiers – zijn kans. Groot-Brittannië werd EEG-lid, hoewel een referendum daarover twee jaar later net goed afliep.
Het referendum vernietigde bijna de Labourpartij. Tien jaar later splitste Labour ondermeer hierdoor in de Old Labour van Michael Foot en de SDP van Roy Jenkins. Het zou niet de laatste keer zijn dat een grote Britse partij bijna aan Europa tenonder ging.
Margaret Thatcher, die in 1979 premier werd, was aanvankelijk pro-Europees. Maar dat veranderde snel toen het leidende Europese duo – de Franse president Giscard d’Estaing en Helmut Schmidt en later ook hun opvolgers Mitterand en Kohl – de as Bonn-Parijs niet wilde vergroten met een Londense variant. Thatcher trok liever op met de Amerikaanse president Ronald Reagan en de nieuwe Russische leider Gorbatsjov – mensen met wie wel zaken te doen vielen.
Thatcher werd een uitgesproken euroscepticus. ‘God heeft niet voor niets Het Kanaal geschapen’, werd haar patrool.
En toen zij in 1990 moest opstappen, liet zij een Tory-partij achter die tot op het bot verdeeld was over Europa en verdergaande samenwerking zoals de in het Ve
Tony Blair zou alles veranderen toen hij in 1997 aan de macht kwam. Groot-Brittannië zou in het hart van Europa moeten staan. Blair tekende vol enthousiasme het Ve
Maar dat betekent niet dat het beleid nu drastisch zal veranderen. Niet alleen heeft Brown een Blairite als minister van Buitenlandse Zaken benoemd – David Miliband – hij heeft zelfs beloofd net als Balkenende geen referendum te houden over het nieuwe grondwetve
Europa is een achilleshiel voor elke Britse politicus. De ervaren Brown beseft dat. In de komende drie maanden zal hij in het Lagerhuis moeilijk genoeg krijgen met dit voornemen geen referendum te houden. Niet alleen de Tory’s zullen hem het vuur na aan de schenen leggen, ook veel labour-parlementariërs. Sommigen voorspellen al dat Labour hier even verdeeld zal uitkomen als de Tory’s na het debat over Maastricht in 1992.
Brown zal niet het Europese project willen frustreren. Maar hij zal ook niet de grote visionair willen zijn, zoals Blair die alles op zijn kop wilde zetten maar eigenlijk nergens in slaagde. Brown kondigde afgelopen vrijdag al aan dat na het grondwetve
De Speciale Relatie
Net als Tony Blair en George Bush is Gordon Brown een praktiserend christen. Maar hij ziet de wereld toch meer door een economische kijker dan door religieuze opvattingen van goed en slecht.
De linkervleugel van Labour die Blair altijd hebben gezien als een schoothondje van George Bush, hopen in Brown een minder trouwe bondgenoot van Washington te hebben gevonden. In een cartoon werd Brown getekend als een bulldog die op de schoenen van Bush plaste.
In wezen is Brown echter een trouwere atlanticus dan Blair. Hoewel hij zich minder makkelijk door George Bush in militaire avonturen zal laten meeslepen, zal hij zeker geen afstand nemen van de VS. Brown heeft een grote voorkeur voor het economische model van de VS met zijn flexibele arbeidsmarkten boven dan van het continent met de starre regels.
Sinds de Tweede Wereldoorlog is de relatie tussen Groot-Brittannië en de VS altijd hecht gebleven. De speciale relatie zoals Churchill die in de oorlog noemde, is steeds in tact gebleven. Er zijn meningsverschillen geweest – zo waren de Amerikanen kritisch over de Britse invallen in Suez in 1956 en de Falklands in 1984 en deden de Britten niet mee aan de oorlog in Vietnam in de jaren zestig – maar hun visie op de wereld is al sinds Pearl Harbour bijna hetzelfde.
Zeker in de laatste dertig jaar waren de koppels Thatcher/Reagan, Major/Bush sr. en Blair met Clinton en Bush jr bijna onafscheidelijk. Gordon Brown en David Cameron – de Toryleider die eventueel na de verkiezingen premier zou worden - zullen even nauw bevriend zijn met de volgende Amerikaanse president – wie dat ook mag worden.
De Britten realiseren als geen ander hoe machtig de Amerikanen zijn in de wereld van vandaag. De VS zijn zo groot en zo speciaal – zo vol potentie en kansen – dat zonder Amerikaanse inmenging geen conflict in goede banen kan worden geleid.
Het Amerikaanse isolationisme zoals dat gepredikt werd in de negentiende eeuw, mag in Britse ogen ook nooit meer klinken. Sinds Woodrow Wilson in de Eerste Wereldoorlog de VS een baken van licht noemde met de plicht vrijheid en democratie te brengen in alle hoeken van de wereld, zijn ze onafscheidelijk met de Britten.
Blair besefte dat het conflict in Bosnie en later in Kosovo alleen met Amerikaanse hulp was op te lossen. Gordon Brown zou zeker ook een beroep willen doen op Amerikaanse militaire hulp als dat nodig mocht zijn. Maar hij zal niet alleen met de Amerikanen een militair avontuur aangaan. Daarvoor is te veel geleerd van Irak. ‘Vier keer hebben we onze mensen in een oorlog gestuurd om te vechten voor onze waarden en normen’, zo zei zijn minister van Buitenlandse Zaken Miliband tijdens het Labourcongres. ‘En dat was volgens mij ook de juiste beslissing. Maar terwijl we de oorlog makkelijk wonnen, bleek het moeilijker te zijn om de vrede te winnen.’
De regering van Brown zal eerder kiezen voor wat zij zachte macht – soft power – (bestemming ontwikkelingsgelden, diplomatie) noemt om veranderingen in andere landen te bewerkstelligen dan voor harde macht – economische sancties en militaire interventie. Brown is overtuigd dat geld een wapen is om arme landen te winnen, hoewel de daders van de aanslag van 9/11 rijke Saoedi’s waren.
Brown wil graag de brugfunctie tussen de VS en Europa weer terug die Groot-Brittannië door Irak heeft verloren. Op elke Europese top moet Groot-Brittannië het land worden dat niet de echo is van de VS, maar die beter als ieder ander weet wat zich in Washington afspeelt en kan zeggen hoe de Amerikanen voor het karretje zijn te spannen. En telkens zullen de Britten erop hameren dat de VS cruciaal zijn voor de Europese veiligheid en welvaart.
Uit electoraal oogpunt zal Brown misschien iets meer afstand nemen van de VS. Hij zal Blairs politiek ten aanzien van Amerika in eigen land niet openlijk prijzen, maar hij zal diens beleid ook niet begraven. Zonder de VS zal er voor Groot-Brittannië op het wereldtoneel geen grote rol te spelen zijn, zo weet ook Brown.
Het Midden-Oosten
In zijn soms grenzeloze zelfoverschatting kondigde Tony Blair elke partijconferentie een splinternieuw vredesinitiatief aan voor het Midden-Oosten, waarvan meestal noch Israel, de Arabische landen, de VS en zelf niemand van zijn eigen Foreign Office iets van afwist.
Als premier leden alle plannen schipbreuk, nu mag hij het als speciaal gezant proberen.
Blair was overtuigd dat de oorlog tegen de terreur niet kon worden gewonnen zonder vrede tussen Israel en de Palestijnen. Traditioneel is Groot-Brittannië een vriend van de Arabische landen en een pleitbezorger voor de Palestijnse zaak. Sinds Lawrence of Arabia de Arabische sultans hielp in hun onafhankelijkheidsstrijd heeft Londen altijd een innige relatie gehad met de landen, waarvan ze ook veelal de koloniale heerser was.
Sinds het begin van de creatie van de joodse staat stond de relatie met Israel onder druk. Tijdens de onafhankelijkheidsstrijd van de zionisten werd ondermeer het King David Hotel in Jeruzalem opgeblazen, het hoofdkwartier van het Britse mandaat over Palestina. Dat gaf zo’n grote schok in Londen dat sinds die tijd de relaties slecht zijn gebleven. De grote universiteiten van Engeland als Oxford en Cambridge hebben altijd veel Arabische studenten gekend of Britten die arabistiek studeren. Meestal eindigen zij op het Foreign Office.
De VS en niet Groot-Brittannië is altijd de grote bondgenoot van Israel geweest. Britse premiers liet zich graag zien met Arabische royalty, presidenten of zelfs dictators.
Tony Blair was de eerste premier in vele decennia die ook nauwe relaties met Israel probeerde aan te knopen. Vorig jaar zomer steunde hij openlijk de Israelische inval in Libanon. Hiermee joeg hij zijn hele kabinet en zijn partij tegen zich in het harnas. Sommigen denken dat dit hem uiteindelijk ook zijn baan als premier kostte.
Gordon Brown zal meer afstand houden van Israel. David Miliband – hoewel een Blairite – was vorig jaar nog iemand die de Israelische acties in Libanon bekritiseerde. Brown is van plan na het Irak-debacle de banden met de Arabische landen aan te halen. Mark Malloch – een criticus van de Irak-oorlog – werd door Brown zelfs in het kabinet geparachuteerd als staatssecretaris voor Afrika. En Douglas Alexander – nu minister voor Ontwikkelingssamenwerking – is bijna een symbool van terughoudendheid in de oorlog tegen de terreur.
In een eventueel conflict met Iran zal mogelijk Frankrijk en niet Groot-Brittannië de grootste bondgenoot van de VS zijn. In buitenlandse politiek is Sarkozy misschien een waardiger opvolger van Blair dan Brown.
Groot-Brittannië voelt de behoefte een pas op de plaats te maken in de oorlog tegen de terreur. Miliband heeft al erkend dat het moeilijk is om vrede te winnen en dat de Britten bij zichzelf te rade moeten gaan waarom de aanvallen op Irak en Afghanistan zoveel Arabieren hebben geërgerd. Groot-Brittannië zal onder Brown in conflicten meer willen rekenen op multilaterale instituten als de VN, de NAVO of de EU. Dat geldt niet alleen voor het Midden-Oosten, maar ook voor Zimbabwe, Darfur, Columbia en Birma. Militaire overwinningen zijn niet altijd militaire oplossingen, zo zei Miliband onlangs. Goede bedoelingen alleen, zoals Tony Blair die had, zijn niet genoeg, gedeelde waarden zijn zelfs niet genoeg, het Westen zal bij een eventueel nieuw conflict de Arabische wereld eerst ook moeten winnen voor gezamenlijke instituten.
Een kans daarvoor is Turkije zo snel mogelijk lid maken van de EU. Groot-Brittannië ziet dat als een mogelijkheid om een brug te slaan tussen het westen en het oosten of tussen het christendom en de islam. Londen licht geen land een zo cruciale rol toe dan Turkije. Daarbij wordt zelfs verder gekeken dan het Midden-Oosten. Met Turkije als lid nadert de EU ook geografisch de grote nieuwe economieën van India en China. Turkije vormt niet alleen het front in de strijd tegen islamitisch extremisme, het ligt ook op de kruising tussen Oost en West.
Uitbreiding van de EU past overigens in een lange termijnbeleid van de Britse europese politiek. De Britten zijn altijd de grootste voorstanders van uitbreiding geweest. Hoe groter de EU, hoe minder de macht van de as Berlijn-Parijs en hoe groter de steun voor Londen. In de beroemde sitcom Yes Minister wordt het al zo mooi gezegd.:
Secretaris-generaal Sir Humphrey Appleby zegt tegen zijn minister: ‘Groot-Brittannië heeft dezelfde buitenlandse politiek voor 500 jaar: het creëren van een verdeeld Europa. Voor die zaak vochten we met de Nederlanders tegen de Spanjaarden, met de Duitsers tegen de Fransen en met de Fransen en Italianen tegen de Duitsers en met de Fransen weer tegen de Duitsers en Italianen. Verdeel en heers, ziet u. Waarom zouden we dat veranderen nu het zo goed werkt.´
´Maar dat is toch geschiedenis´, antwoordt minister Hacker. Sir Humprhey: ‘Ja, geschiedenis en huidig beleid. Om de hele EU op te breken moesten we lid worden. We probeerden het van buitenaf, maar dat lukte niet. Nu we lid zijn maken we er een zootje van door de Duitsers op te zetten tegen de Italianen, de Italianen tegen de Nederlanders en ga zo maar door. Iedereen is hier bij mee, vooral het ministerie van Buitenlandse Zaken.´
´Maar waarom willen we dan meer landen erbij´, vraagt Hacker.
Sir Humphrey - ´Dat lijkt mij duidelijk. Hoe meer leden er zijn, hoe meer discussies en ruzies er zijn, hoe meer onbelangrijk onvruchtbaar het is.
´Maar dat is heel cynisch´, weerspreekt Hacker.
´Wij noemen dat diplomatie. Minister.´
Rusland en China
Het eerste wat Gordon Brown en zijn nieuwe minister van Buitenlandse Zaken David Miliband deden of eigenlijk waren gedwongen te doen, was het uitwijzen van vier Russische diplomaten over de Litvinenko-affaire. Het leidde tot de ergste crisis in de onderlinge betrekkingen sinds het einde van de Koude Oorlog.
Het gebeurde niet van het ene op het andere moment en het is ook niet uitsluitend een bilaterale crisis. Ook de VS en andere Europese landen maken zich zorgen over het autoritaire bewind van president Poetin, zowel binnenlands als buitenlands.
Maar de Britse relaties met Rusland zijn het meest onder druk komen te staan. Van alle kanten is de ontwikkeling negatief. Britse bedrijven voelen zich buitengesloten bij joint-ventures in Rusland, ambassadestaf en andere Britse organisaties voelen zich geïntimideerd door Putin-aanhangers en Londen is het domicilie geworden voor veel zeer rijk geworden Russische zakenlieden die in ongenade bij Putin zijn gevallen. Een van deze zakenlieden Boris Berezovsky die door de Russische regering als een handlanger van terroristen werd beschouwd, stak niet onder stoelen of banken liefst Putin via een coup af te zetten. Rusland vroeg om zijn uitlevering, maar kreeg nul op rekest.
De Litvinenko-affaire, waarbij een Russische dissident in november vorig jaar werd vergiftigd met radio-actief materiaal in Londen en postuum de schuld gaf aan Poetin, was slechts een escalatie. Nu wees Londen naar KGB-figuren in Moskou, maar kreeg op zijn beurt nul op rekest bij een uitleveringsverzoek.
Eigenlijk is het vreemd dat het zo gelopen is. Sinds de ontspanning in de jaren tachtig was Groot-Brittannië het eerste land waar de perestroijka en glasnot doo
De verslechtering trad vier jaar geleden langzaam in toen Putin aarzelde met zijn steun aan de oorlog tegen Irak. De Britse steun aan een Amerikaans rakettenafweersysteem in Polen en Tsjechië zorgde voor boze gezichten in Moskou.
Dat Groot-Brittannië zich daarna ook nog eens ontpopte als een hoofdkwartier voor vijanden van Poetin leidde tot een anti-Britse stemming, niet alleen in het Kremlin maar in de hele Russische samenleving. Britse multinationals als Shell en BP moesten joint-ventures opgeven bij de olie- en gaswinning. Pro-Poetin jeugdorganisaties intimideerden de Britse ambassadeur in Moskou en kantoren van de British Council kregen invallen te verduren van in bivakmutsen uitgeruste politie die zeiden dat er belasting werd ontdoken.
Op dit moment lijkt de Britse relatie met China beter dan die met Rusland, ondanks de schendingen van de mensenrechten in dat land. Groot-Brittannië heeft de Chinezen hard nodig – niet alleen door hun grote invloed in landen als Birma en Darfur – maar vooral ook doordat Londen na Beijng de Olympische Spelen mag houden.
En hoe gaat het dus nu verder met Gordon Brown?
Niet zo veel anders dan met zijn voorganger Tony Blair. Zijn minister van Buitenlandse Zaken – zo vaak de helderste geest in het hele kabinet genoemd en voormalig hoofd van Blairs Policy Unit – zal geen belangrijke veranderingen doorvoeren. Tijdens de top in Lissabon hielden de Britten zich afgelopen weekeinde erg gedeisd, ondanks de anti-Europese campagne die de kranten rond deze top hadden ontketend. Brown lijkt voorlopig niet te willen zwichten voor de roep naar een referendum over het grondwetve
Groot-Brittannië zal internationale actie ondersteunen tegen de dubbele dreiging van terreur en massavernietigingswapens. Misschien zal het nieuwe kabinet van Gordon Brown een minder luidruchtige en vooraanstaande rol vervullen dan dat van Blair, maar ze zal ook niet willen achterblijven bij de Fransen of de Duitsers. Brown zal samen optrekken met Sarkozy en wie de nieuwe Amerikaanse president ook mag zijn. Groot-Brittannië zal deelnemen aan elke coalitie. Miliband heeft al gezegd dat Groot-Brittannië standvastig zal zijn in de eisen tegenover Iran. Als de mullahs vastbesloten zijn verder te gaan met hun nucleaire programma, zal Groot-Brittannië zij aan zij staan met George Bush. Het enige verschil is dat pas meegedaan zal worden een militaire aanval gedaan op Iran in het kader van een veel grotere coalitie en met alle resoluties van de VN.
Groot-Brittannië zal een wereldmacht willen blijven. Daarom heeft het land besloten om aan zijn kernarsenaal vast te houden. Blair heeft al besloten de kernonderzeeërs na 2020 te vervangen. Groot-Brittannië is niet bestemd voor de periferie van de wereld.
Een tweede prioriteit van Brown zal een veilig Europa zijn. De uitbreiding van de EU en de Navo krijgen Britse steun, omdat dit de veiligheid bevordert, ofschoon het verdere integratie kan blokkeren. Brown zal het pond sterling de komende jaren niet opgeven.
De derde prioriteit is het versterken van internationale instituties als de Verenigde Naties. Hoewel Tony Blair bij de inval in Irak de VN passeerde, denkt de Britse regering dat de organisatie een sleutelrol moet vervullen. De VN heeft niet alleen al miljoenen mensen gered van armoede, onde
Ten vierde zal Brown zich misschien nog meer als Blair inspannen om een einde te maken aan de armoede in de wereld. Brown denkt dat de problemen van Afrika niet alleen kunnen worden opgelost door schuldkwijtschelding en ontwikkelingshulp maar juist door het wegnemen van handelsbelemmeringen en het einde van subsidiëringen in rijke landen. Binnen de EU wordt nog 35 procent van het inkomen van boeren door de staat verstrekt. Groot-Brittannië zal volgend jaar opnieuw de discussie over het Europese landbouwbeleid aanzwengelen.
Brown is net als Blair een globalist. Hij denkt dat instabiliteit in andere landen - drugsproductie in Columbia en Afghanistan – rechtstreeks invloed heeft op de onveiligheid in Britse wijken.
De vraag rest of en hoe Brown zijn persoonlijke stempel op het buitenlands beleid zal zetten. Tony Blair haalde de besluitvorming weg bij het Foreign Office en bracht het naar Downing Street. Zijn eigen adviseurs waren belangrijker dan de minister van Buitenlandse Zaken – zeker in de aanloop naar de oorlog in Irak. Brown heeft nog geen apparaat opgetuigd. Ook daarom is het moeilijk om te speculeren wat hij precies zal gaan doen.
Net als Blair zullen gebeurtenissen de buitenlandse politiek ban Brown bepalen. Event..dear boy, events’, zei ex-premier Harold McMillan ooit over hoe de uitslag van verkiezingen worden bepaald. Brown heeft dat in zijn oren geknoopt. Kosovo en 9/11 bepaalden Blairs buitenlandse beleid. Bij Brown weten we niet wat zijn Kosovo en zijn 9/11 zullen zijn.
Dank u wel
Lezing 11 oktober 2007 voor diplomaten voormalige Sovjet-republieken
Lecture by Peter de Waard for Institute Clingendael
Anyone who attempts to divine trends in British international relations risks inviting ridicule. There is always a danger that predictions which seemed sensible at this moment will come back to haunt them. Neville Chamberlain’s epitaph will forever be his promise of 'peace for our time.'
So when we deliver speeches on themes such as 'The Future of British Foreign Policy, I should prepare myself for a sceptical audience.
One week ago every analyst should predict that there would be parliamentary elections on the 1st of November. But last Saturday prime minister Gordon Brown announced that there will be no elections this autumn or this winter and perhaps not even next year. He made a fool of the whole of the Westminster-lobby – so as the political journalists are called in
Political landscapes change very fast. Ten days ago Labour had a comfortable lead on the Tories in the opinion polls. Now the opposition has a lead on Labour. Gordon Browns honeymoon is over.
Especially at this moment there are also many more reasons to be sceptical about predictions. In the first place there has been a major shift of power in
The new Prime Minister Gordon Brown took over from the flamboyant Tony Blair in May. After ten years we knew where Blairs was standing for. But his successor Brown is still a foreign policy void thus far. He may be awaiting events – how are things developing in
After more than hundred days of Gordon Brown we have not seen a real new policy.
Even his announcement first to withdraw one thousand British man from Iraq and than to halve the troops to 2500 men next year were more or less decisions made by Tony Blair although Gordon Brown tried to cut a dash with it. But Blair has decided that British forces should hand over the combat role to Iraqi troops. It is also possible because the number of attacks is dramatically reduced. The question is what Brown will do when the security situation in
There is the brilliant British rhetoric – a second wave of foreign policy – but nobody knows what it means. Brown said the American alliance we have, the European cooperation we welcome and will strengthen and our role in the Commonswealth we will build upon. It sounds as vague as it sounds Blairite.
Brown is much more ambivalent to face a world with global, complex, overlapping insecurities and not a world the power politics of the Cold War. One of the reasons that for him the world is not as simple as it was for Tony Blair.
At this moment it doesn't fill me with any great confidence that Brown has thought his foreign policy through. If he has, and is keeping it quiet, because his party won't like it, Great-Britain should have kept Blair in the first place. At least HE could articulate a policy! Blair had high profile thanks to the courage of his convictions, whether we liked them or not.
For Blair the world was easy – a struggle between the good and the bad. For Brown it is more difficult. He is a more complex thinker who looks at many other aspects – especially what is important for the global economy in general and the British economy in particular. Brown is a total supporter of big business and neo-liberal economics. He thinks that the best way to solve every problem is free trade – even the problems of the poor in
Before he became PM Gordon Brown has been ten years the chancellor of the exchequer – the second most powerful man in the
The big question is whether Brown will take more care than Tony Blair did. Will he is his foreign policy more thinking about ‘winning hearts and minds of the Brits' – something at the end was beyond Blair.
Brown is less the guy to take risks than Blair was. Perhaps he is more afraid of losing the ethnic vote than Blair, as well as the support of the press and civil libertarians. He worries more about social cohesion & civil unrest. That’s why he don’t want to say much about foreign policy because it can only damage him.
In the second place scepticism derives partly from the critique of British foreign policy which has been around for many years. It goes something like this:
This critique may have had some validity in the immediate post-war period, with the combined effect of
Today, however,
Let’s not forget
The aim of this speech is to look at look at the future of British foreign politics, in historic perspective, and to to examine some of the global trends that foreign policy makers of Gordon Brown will need to take into account in the coming years. Which impact may these trends have on the
Relation with
The paradox is that
At the Congress of the European Movement here at The Hague from the
But when Churchill returned as prime minister in 1951 he didn’t know how to do something with his ideas. The decolonisation, the end of the empire, the relation with the new American president Dwight Eisenhower and his old age took all his energy.
Churchill's rhetoric could not be reconciled with his ambivalence regarding
When the
Everything changed in the sixties when the British economy went into decline. Harold Wilson would like to become a member of the EEC, but was refused by General de Gaulle who didn’t want an ally of the
The referendum divided Labour so much that ten years later the party divided between the Old Labour of Michael Foot and the New Social Democratic Pary under pro-Europe Labour-politicians as Roy Jenkins. It was not the last time that
Margaret Thatcher, who became a PM in 1979, was at first a pro-European. But it changed already very soon. Valery Giscard D’Estaing en Helmut Schmidt – the French president and German bundeskanzler – didn’t want British interference. Already soon it created mistrust and Thatcher opposed many of their new plans at that of their successors – Mitterand and Kohl – for further European integration. It divided also the Tory-party. When Thatcher resigned in 1990 the Conservatives were torn apart by quarrels over the New Treaty of Maastricht.
Tony Blair decided to change everything when he came to power.
The tabloidnewspapers – whose American owners don’t favour
Brown is an American schooled economic who prefers his holiday in the
But will he show it and will the Brown-policy really change British attitude towards
Tony Blair surprised everyone in the last few years with his plans for the middle east. After 9/11 he said everytime that the war against terrorism could only be won with a new peacedeal between
Every partyconference he announced a new peace initiative for the middle east of which sometimes
Peace in the
The relations with
Despite of the
Gordon Brown will also in this way be more careful. He will try to create some more distance from
Lord Malloch Brown's last job was as the UN's deputy secretary-general, which would itself be enough to alienate a certain class of American unilateralist. Last year he made some critical remarks about
It is not unthinkable that not the Brits but the French will be the most faithfull ally of the
Browns Foreign Secretary David Miliband said on the Labour-partyconference that the government needed to stop and think why the well-intentioned interventions in
British foreign politics will be more dull under Gordon Brown, although Miliband intends to employ actress Angelie Jolie – human rights ambassador for the UN- as a special campaign for more interest in foreign policy.
The first thing Gordon Brown en his new foreign secretary David Miliband did was the expelling of four Russian diplomats over the Litvinenko affair.This lead to the worst crisis in Russian-British relations since the cold war. It not happened from one moment to an other. The relations.
have been on a downward trajectory for years.
The continuing crisis is not simply a bilateral one.
The last time
This time round, all the indicators on the state of the relationship are negative. British companies have been shouldered out of joint ventures in
That the relations are so bad was not expected when Putin took office in 2000. Tony Blair was the first leader to visit Putin, even before he was really elected as a president. Blair thought to have find in him a new ally and Putin made even the first official state visit to
The downturn begun four years later when the president felt strong enough to take on his most powerful rivals, the business oligarchs. One of them, Mikhail Khodorkovsky, was jailed after attempting to play kingmaker in Russian politics, while another, Boris Berezovsky, was granted asylum in
British courts ruled that
The civil war inside the Russian state had spread to
The Litvinenko affair was just one battle in the war against the oligarchs. The former Russian spy claimed he had been commissioned by the FSB security service to assassinate Mr Berezovsky, and came under his wing when he took refuge in
The emergence of
Last year, the Anglo-Dutch company Royal Dutch Shell was obliged to hand over its controlling share in the huge Sakhalin II oil and gas field to the state-owned energy group Gazprom. TNK-BP, BP's Russian subsidiary, was also pressured into selling its interest in the Kovykta gas field. It was also swallowed by Gazprom.
When Alexander Litvinenko met Andrei Lugovoi and another former KGB agent, Dmitri Kovtun, for tea at
As the case gathered momentum with the British extradition request for Mr Lugovoi and its rejection last week by
The pro-Kremlin youth group Nashi has waged a campaign of intimidation against the British ambassador, Tony Brenton, while the British Council offices were raided by tax police dressed in balaclavas. With a steady flow of invective emerging from the Kremlin against British "stupidity and arrogance", British diplomats in
When Margaret Thatcher declared that she could "do business" with Mr Gorbachev, it seemed to mark a breakthrough in Anglo-Russian relations. More than 20 years later, there is a growing impression the relationship has come full circle.
Sometimes the relations with the Chinese government – real dictators – seems sometimes easier.
Special Relations, the
Like Tony Blair and George Bush Gordon Brown is a Christian, even a son of a vicar, but he seems to see the world more through the economic prism of GDP and jobs than the religious lens of good and evil. The opacity, plus the smoke signals, offer succour to those who would prefer to see Mr Brown as the heir to Clement Attlee—who rushed to Washington to see Harry Truman after loose talk of using nukes in Korea—than to Mr Blair. A cartoon in another paper, which replaced the Blair poodle with a Brown bulldog, peeing on Mr Bush's foot, captured their hopes.
Also this seems an illusion. Since the second world war the special relation with the
Especially the Brits realise how powerfull the Americans are. The
Gordon Brown will be the special friend of the next American president. But he will not do military adventures with him or her without more support. ‘Four times we’ve sent young men and women to fight for our values. Rightly in my view. But while we have won the war it’s been harder to win the peace’, said Foreign Secretary David Miliband.
The new British government will choose for soft power (aid budgets, diplomacy) instead of hard power (economic sanctions and military intervention) in countries which regimes they want to change. Bush is more convinced than Blair that economic aid can prevent terrorism although the perpetrators of 9/11 were rich Saudi’s
But the Brits want their position back as the bridge between the
A crucial element is now our position as a European power – not only a member of the European Union, but the member which alongside
Brown and especially Miliband are however masters of spin. Off course it is electoral interesting to take more distance of the
9/11
Everything changed on 9/11. Since the attack on the World Trade Centre, politicians and commentators have not been short of theories. A widely held view is that the world has entered an unstable, new era. In his book, The Shield of Achilles, Philip Bobbitt presents this case in apocalyptic terms. He argues that, 'for five centuries it has taken the resources of a state to destroy another state. This is no longer true.'
The Britis PM Tony Blair was one of the first statesmen to realise the treat from international terrorism. Already one day after 9/11 he warned for the danger of terrorist using weapons of mass destruction. It became such an obsession for Blair that he invented or his intelligence services weapons of mass destruction in
Nobody will dispute that we live in an unstable world, but you can argue that the forces of chaos have been with us for a lot longer than the past 6 years since 9/11. That eleventh September was the tragic confirmation of a trend in international affairs, which has been with us since the end of the Cold War.
For those who lived through the Cold War, perhaps our abiding memory will be of a time when nuclear deterrence kept the peace. Order – albeit based on a balance of terror – prevailed.
Order of a different kind now exists in
With the fall of the Iron Curtain, this arrangement unravelled. States used to a steady flow of support found the taps turned off, exposing internal weaknesses in many of their governments. This brought to the fore structural problems, in many cases the legacies of a colonial era when arbitrary borders took no account of ethnic and linguistic cohesion.
The genocide in
The formidable task for policy makers is to make sense of this chaos – to identify the forces, which are causing global change. The first indicator of change is people. In the coming years, the populations of the developed countries will be static and, in some cases, decline. The populations of the developing world, particularly in
The second indicator is economics. It is safe to assume that the
The economic prospects for the developing world are less rosy. Relatively,
Efforts to combat poverty and promote sustainable development in
The third indicator is on climate change and global energy supplies. The world has sufficient reserves of oil to meet growing global demand. But the trend in the coming years will surely be towards action to limit the risks that arise from dependence on the
This will not just be dictated by domestic and foreign policy objectives, particularly those on air quality and climate change. It will be driven by the need for Governments to ensure security of energy supplies. Paid predominantly by the
The fourth indicator is state failure. In the past, the primary source of conflict was rivalry between nation states. Today, the most likely source of conflict comes from within states that are unable to sustain themselves. State failure is a growing phenomenon. In the 1990s, almost all of the world’s conflicts took place within states rather than between them. According to the Stockholm International Peace Research Institute, last year only 1 of 24 conflicts worldwide was between states.
Over the past decade it is estimated that wars in and amongst failed states have killed about 8 million people, most of them civilians, and displaced another 4 million.
The world is now beginning to wake up to the threat. International intervention in the Balkans,
The West have realised that they have paid the eternal cost for turning a blind eye to the collapse of the state in
This brings us to the final indicator of change in the coming years: the debate on political ideas and religion. Since the end of the Cold War, the universal principles of the UN Charter – respect for human rights, democracy and the rule of law - have spread inexorably around the world. Of course there are exceptions. But the values of western democracy are slowly adopted by more and more countries. The clash of political ideologies, which defined the twentieth century, has become a thing of the past. But just as the threat of political extremism has waned, so the dangers of religious fundamentalism have grown. It is patently clear that many people in the Muslim world feel that western values and secularism threatens their faith and their way of life.
Who will Gordon Brown act in this world?
Not so much different from his predecessor Tony Blair. His Foreign Secretary – David Miliband – often praised as the brightest lad on the Labourbenches and in the past leader of Blairs Policy Unit on
First:
Forty years ago, President Kennedy voiced the fears of millions when he said that up to 25 states might eventually possess nuclear weapons. This nightmare scenario has not yet materialised, thanks largely to the Nuclear Non-Proliferation Treaty (NPT) and the associated inspections regime of the International Atomic Energy Agency. But the number of countries has grown. The consensus to prevent the proliferation of nuclear weapons is jeopardised by countries like
Often is asked if
A second priority for
One of the reasons is that
There is also a more cynical reason. How larger the EU how more weakened the as Berlin-Paris and how more powerful the
UN
A third priority for
No institution has made a greater contribution than the United Nations. The UN has not resolved all conflicts by peaceful means; nor could it. But its remarkable achievement has been to make the fine language of its Charter a force for good beyond the power of words; by this the UN has raised the bar against the illegitimate use of violence, by States and now by terrorists. In doing so, it has saved lives by the million, and saved millions more from fear, poverty and tyranny.
Without the UN there could have been no salvation for the people of
A fourth priority – and one of which Gordon Brown will even be more focused than Tony Blair - is global economic inequality. The developed world’s response to this problem will be one of the critical themes of the coming years. Experience tells us that infusions of aid may mitigate some of the symptoms of poverty, but they will not tackle the underlying problems. Further market liberalisation and the removal of trade barriers to the developing world are perhaps the single greatest contribution the developed world can make to third world growth prospects.
One of the single largest obstacles to the advance of global prosperity is the developed world’s attachment to inflated subsidies in the agriculture sector. The EU is one of the worst offenders with 35% of farm income derived from subsidies, a figure second only to
The
Brown realises even more than Blair that
In the past, international affairs were very much the exclusive preserve of the Foreign Office: not any longer. Tony Blair has shifted the foreign policy from
That will not change with Brown. So is there is a new chapter in the history of international relations, there is also a new era in the way Whitehall delivers the Government’s objectives. The foreign and domestic agendas are increasingly fused. Drug production in
One of the Foreign Office’s most important roles today is to co-ordinate
This review will make fundamental recommendations about the future allocation of Foreign Office their resources both at home and overseas. The outcome should be an organisation, which takes a more strategic approach to foreign policy, better able to predict emerging threats before they damage British interests.
Foreign Policy is seen much more anticipating in an equally dynamic environment. That makes it a challenging time for Gordon Brown. But he can draw strength from the fact that previous generations of diplomats had to operate in an equally dynamic environment.
In his autobiography, 'Present at the Creation', Dean Acheson examined the challenges of building a world order from the rubble of the Second World War. The late 1940s were a seminal period for international relations, as the world accepted a rules-based global system underpinned by the UN and the Bretton Woods institutions. Acheson rightly described the establishment of this order as 'an imaginative effort unique in history.'
With British foreign ambitions it will take a similar 'imaginative effort' to build a secure neighbourhood for
That the same for the second wave of Gordon Brown. Brown is a experienced politician. But the paradox is that we don´t know the way he chooses and which events that wille decide. It is the easy answer but so I don´t be a laughing stock over a year period.
Speech 20 september 2006 voor stedebouwkundigen
Wandelende stad
Ik weet niet waarom jullie zijn gehuisvest in Greenwich (spreek overigens uit Grenitsj omdat anders geen Londenaar weet waarover je het hebt) maar mogelijk was het de goedkoopste optie.
Grenitsj (befaamd voor zijn Royal Obersevatory en marinemuseum) is eigenlijk een afgelegen oord in de Londense metropool. Er is geen directe metroverbinding, zodat het tamelijk omslachtig is hier naartoe te komen. Het koestert zijn isolatie zoals blijkt uit de naam Greenwich Village. Eigenlijk wil het niet bij Londen horen.
Het ligt in het oosten van de stad en ten zuiden van de Theems. Tot tien jaar geleden was dit hele gebied een pleisterplaats voor havenarbeiders, sloebers, haveloze immigranten en andere paupers.
Grenitjs was samen met Black Heath een van de betere wijken – tenminste voor een deel – in het oosten van Londen – een soort oase met een koninklijke historie.
De gemiddelde huizenprijs is hier 230 duizend pond – 400 duizend euro. Dat lijkt veel, maar is weinig voor Londense begrippen. Gemiddeld doen woningen in deze stad (september 2006) 328 duizend pond sterling, vergeleken met 170 duizend pond in de rest van het land en 120 duizend pond in Wales.
Op toplocaties is dat vele malen meer. In Keningston en Chelsea is de gemiddelde woningprijs nu 836 duizend pond – omgerekend naar onze ouderwetse gulden drie miljoen!. Vorige week werd hier een eenkamerappartement te koop aangeboden voor 1,5 miljoen pond!. Ja, dat wordt echt betaald. De vastgoedgekte kent geen grenzen meer, vooral niet in wat de international castle wordt genoemd: de wijken in het centrum van de stad: befaamde postcodes als SW3, SW1, W8.
Waardoor wordt de huizencrisis veroozaakt? Een van de redenen is dat er in dit land gewoon te weinig wordt gebouwd. Vorig jaar werden 170 duizend woningen in heel Groot-Brittannië opgeleverd, nog niet de helft van Nederland. In ons land – met een kwart van het bevolkingsaantal – werden 85 duizend woningen opgeleverd. En dat was eigenlijk weinig, want het normale aantal schommelt rond de 110 duizend.
Een tweede reden is de gezinsverdunning. Een op de drie huwelijken in Groot-Brittannië strandt – meer dan in welk ander Europees land. In 2010 zal 40 procent van alle woningen in Londen worden bewoond door een alleenstaande.
Derde reden is de immigratie. Dankzij het Britse economische wonder van de laatste vijftien jaar is het land een geliefde bestemming geworden voor gelukszoekers, carrierejagers en werkloze immigranten. Alleen al een half miljoen Polen verblijven nu in dit land met een grote concentratie in Londen. Maar ook Russische miljardairs en Arabische tycoons zien Londen als een favoriete verblijfplaats. Zij jagen in concurrentie met de Citybankiers vooral de huizenprijzen in de dure wijken omhoog. Londen is meer nog dan Monaco of Beverly Hills een pleisterplaats voor mulitmiljonairs geworden. Ik las vandaag dat in Londen liefst zesduizend mensen wonen met een vermogen van meer dan dertig miljoen euro.
Wie ooit een nummer van Country Life in handen krijgt, ziet hoeveel mansions van meer dan vijf miljoen er tegenwoordig zijn.
Een vierde reden is speculatie. Er worden massaal tweede, derde, vierde en vijfde huisjes in dit land gekocht. Het volk is massaal geinspireerd door huizenprogramma’s op de televisie – location, location en property ladder – die de indruk geven dat men op de huizenmarkt slapend rijk wordt. En tot nu toe is het een selffulfilling prophecy. Speculatie rendeert. Elk jaar schieten de huizenprijzen verder omhoog. Sinds 1995 zijn ze ve
Vooral starters worden hierdoor uit de markt geprijsd. Ik ken een meisje en een jongen van eind twintig – allebei universitair geschoold en nu een goede baan – die zich geen huis kunnen permitteren.
Wordt daar veel aan gedaan?
Eingelijk niet. Onderwijzers en verpleegsters krijgen woningtoelages, omdat anders in de binnenstad van Londen geen school of ziekenhuis meer zou bestaan. Er is een ambitieus nieuwbouwprogramma – met name in het oosten van Londen. In totaal wil Londen 300 duizend nieuwe woningen bouwen tot 2016. Een groot deel van het oude havengebied zal door woningen worden ingevuld. Het grootste nieuwbouwprogramma is gepland in de Thames-monding – het zogenoemde Thames Estuary – waar op braakliggend land 120 duizend woningen moeten verrijzen. Het nieuwbouwprogramma probeert in te haken op de Spelen van 2012 die hier in oost-Londen (Stratford aan de andere kant van de Theems) zullen plaatsvinden.
Maar veel sociale – betaalbare – huizen zitten daar niet bij. Sinds Margaret Thatcher in 1979 kwam is het land bezig zijn hele voorraad sociale woningbouw zo snel mogelijk van de hand te houden via right-to-buy programma’s. Onder Tony Blair is dat alleen maar verder doorgezet.
Nieuwbouw stuit vaak op planologische problemen. Londen waakt ervoor de groene zones nauwlettend groen te houden. Het aureool van de green & pleasant land wordt nog meer gekoesterd dan de monarchie.
Groot-Brittannië is een tamelijk permanent land en Londen een permanente stad die aan de oude structuur vasthoudt. Na de verovering door de Normandiërs is de stad nooit meer door buitenlandse invallers bezet. Niettemin werd de stad veelvuldig in de as gelegd door branden en werd de bevolking gedecimeerd door ziekten als de pest. Maar de stad werd telkens herbouwd volgens het oorspronkelijke patroon met smalle straten en kleine steegjes dat tot op de dag van vandaag de City kenmerkt en veel toeristen doet verdwalen.
In 1700 was Londen Europa’s grootste stad met 600 duizend inwoners. De massale immigratie leidde tot een grote uitbreiding van de stad in noordelijke en zuidelijke richting, waar mensen de ziekten, de stank en het gevaar van de binnenstad trachten te ontvluchten. Nieuwe groene wijken als Kensington en Bloomsbury verrezen. Vanaf het begin van de twintigste eeuw slokte Londen ook de dorpen in Middlesex en de graafschappen Kent, Surrey en Essex op. Hier verrezen wijken als Barnet en Epsom met luxe semi-detached (halfvrijstaande) huizen.
Londen is zelf een wandelende stad die nu weer op de terugweg is. Terwijl de stad zich in de negentiende en twintigste eeuw uitbreidde naar het westen en noorden – Go west, my boy, go west!, zo klonk het nog in de jaren zestig - keert ze nu weer terug naar de gribusbuurten in het oosten en zuiden. Van de bijna één miljoen inwoners van de East End in 1900 waren er in 1980 nog maar 150 duizend over. Maar nu wordt er overal gesloopt en nieuw gebouwd. Het teloorgegane havengebied London Docklands is geheel opnieuw ontwikkeld. In 1981 werd onder Margaret Thatcher de zogenoemde Urban Development Corporations opgericht – publieke lichamen die de regeneration van wijken moesten aanpakken. Onder diens leiding werden de oude pakhuizen in de Londense haven omgetoverd tot yuppie-appartementen met zes slaapkamers of zijn het onderkomen van exclusieve delicatessenwinkels en galerieën.
De zuidoever van de Theems was ooit een desolate stad die de chic alleen maar betrad tijdens het Wimbledon-toernooi. Het was het domein van berenvechters en kermisklanten. Hier verzamelde Chaucer zijn pelgrims voor de tocht naar Canterbury en maakte de familie Hooligan de buurt zo onveilig dat ze er een wereldwijde reputatie mee vestigde. Nu is het ontsloten met nieuwe bruggen en de Jubilee Line en verrijkt met de Tate Modern, de Saatchi Gallery, het Shakespeare-theater Globe, een reuzenrad en talrijke andere attracties. Nu verrijzen er rond London Bridge kantoorkolossen. In Lambeth is het uitgaanscentrum voor de liefhebbers van de hiphop en dance te vinden.
Binnen sommige wijken is langzamerhand een cultuurkloof ontstaan tussen de oorspronkelijke stadsbevolking en de hier in de laatste decennia binnengedrongen Thatcher’s Yuppies. De nieuwe klasse van bovenmodale tweeverdieners heeft minder band met de eigen woonwijk en zoekt haar vertier met collega’s in de dure restaurants en moderne café’s in het centrum van de stad. Ze sturen hun kinderen naar privé-scholen en winkelen in upmarket delicatessenzaken in plaats van bij de kruidenier om de hoek. Maar het oosten en het zuiden van de stad zijn herboren. Vele bewoners vinden de kwaliteit van leven in wijken als Hackney, Southwark of Grenitsj nu beter dan in Chelsea.
Lezing 20 september 2006 voor delegatie Nederlandse woningbouwcorporaties in Trafalgar Taverne in Greenwicj
Lezing 31 mei voor vertegenwoordigers sociale zorg uit Nederland
David Beckham en de drop-outs
We zijn hier vanavond op Hoxton Square in de East End van Londen. Ooit was dit een van de armste plekken van de stad – een verzamelplaats van sloebers, kermisartiesten, prostituees en moordenaars als Jack de Ripper die hier even verderop in Whitechapel op gruwelijke wijze huishield.
– Doe nooit zijn tour, het is de populairste van de stad maar ook de grootste anti-climax
Nu wordt Jack geromantiseerd, zoals Engelsen graag hun grootste en meest bloedige criminelen romantiseren. Misschien is daarom de East End ook trendy geworden. Hoxton nu is een geliefde verzamelplek van studenten excentriekelingen, jonge kunstenaars, mode-ontwerpers en sociale wetenschappers die de wederopstanding van een gribusbuurt bestuderen. Jamie Oliver is hier begonnen met zijn Fifteen en ook vanavond worden we hier in Hoxton Apprentice door werklozen in opleiding geserveerd.
Het zijn de enige plekken waar de Britten nog serveren. In de rest van de stad doen de Polen het.
In de White Cube – een van de galerieen hier – kun je miljoenen kostende kunstwerken kopen. Eind jaren tachtig, begin jaren negentig ontwikkelde zich hier de Britart – een nieuwe onder Jay Jopling en Charles Saatchi geëntameerde kunststroming die deze wijk van Londen op de kaart zette. Misschien zeggen de namen van Damien Hirst – hij is nu bezig met een kunstwerk van platina en diamanten – en Tracy Emin – die van het onopgemaakte bed met lakens vol gele vlekken – Jake & Dinos Chapman en Gilbert & George jullie iets.
In hun voetspoor trokken ze cityyuppies aan voor wie deze plek zo mooi strategisch ligt, ingeklemd tussen aan de ene kant het oude financiële hart – de City van Londen – en de andere kant het nieuwe bankendomein – Canary Wharf.
Ze willen hier wonen, maar niet in de oude councilestates (sociale woningbouw) maar in fraaie appartementen. Speculanten kopen oude panden op, laten ze vaak jarenlang leegstaan – of brengen er tijdelijk immigranten in onder – in de hoop toestemming te krijgen ze te slopen of om te bouwen tot penthouses met powerdouches, gyms en privézwembaden. Verbaas je over niets: Maserati’s, Ferrari’s en Range Rovers rijden nu ook rond in de East End.
Het is deels een natuurlijke ontwikkeling. Londen is in zijn hele geschiedenis een wandelende stad geweest – van noord naar zuid en weer terug. Of van oost naar west. In de negentiende eeuw keerden de opkomende middleclass zich af van de haven- en gribusbuurten van de East End en zochten de ruimte op in het groene westen van de stad – Kensington, Chelsea en nog verderop Chiswick.
Go west, my boy, go west’ was de gevleugelde uitspraak. Toen Jack de Ripper hier zijn slachtoffers in stukjes hakte, woonde er nog bijna één miljoen mensen in de East End. Het was nog een industrie- en havenwijk, waarvan je lopend over de schepen de zuidoever van de Theems kon bereiken, in 1980 waren de havenkranen en pakhuizen verdwenen en woonden er nog maar 150 duizend mensen, meestal werklozen en immigranten (joden en Bengalen) uit de koloniën die het als startplaats zagen voor een beter leven in Engeland.
Maar nu wandelt de stad terug naar het oosten. Er wordt overal gesloopt en opnieuw gebouwd. Canary Wharf was de eerste grote uitbreiding in die richting. Nog verder in het oosten in Stratford zullen in 2012 de olympische spelen plaatsvinden. En in de monding van de Theems staat de grote stadsuitbreiding gepland.
Dat de East End trendy en daardoor duur is geworden vindt niet iedereen leuk. De traditionele Eastenders – de Cockneys – worden ve
Misschien is nergens de groeiende tegenstelling tussen arm en rijk in dit land van zo dichtbij te zien als juist in deze wijk. Er zijn nog eindeloze rijen verouderde council flats uit de jaren vijftig, waar de projectontwikkelaars nog niet aan hebben kunnen zitten. Maar vlak daarnaast staat de luxueuze nieuwbouw van yuppie-ppartementen.
De lagere inkomensgroepen worden ve
Vorige week was ik op een kijkdag van nieuwe eenkamerflats en studio’s vanaf 350 duizend pond – een half miljoen euro. Om twee uur s’middags waren er van de vijftig al vijfenveertig verkocht.
In de afgelopen 25 jaar is veel veranderd in Groot-Brittannië. Onder Thatcher maar niet in de laatste plaats onder Tony Blair. Ooit was zijn Labour de partij van de herverdeling. Nu is het de partij van de groeiende tegenstelling tussen arm en rijk. De na-oorlogse nivellering – eerst door oud Labour bewerkstelligd – is nu onder New Labour teruggedraaid. Groot-Brittannië is een van de meest ongelijke samenlevingen in Europa geworden.
Vroeger was de Engelse samenleving makkelijk in te delen: je had de upper class, de middle class en de working classes die wegens hun massaliteit in het meervoud werden uitgesproken. Vanaf het begin van de twintigste eeuw werden de working door de de-industrialisatie gedecimeerd. Het grootste deel wist op te klimmen naar de middle class. Maar een andere deel miste de boot. Zij vormen nu een onderklasse.
Nu heb je superrijken, welvarenden en armen.
De superrijken – of de superclass – is een bovenlaag van succesvolle entrepreneurs, oude aristroctaten, voetbal- en filmsterren, captains of industry en de rijke buitenlandse jetset. Ze worden in dit land met open armen ontvangen, door de fiscus met fluwelen handschoenen aangepakt en krijgen alle prerogatieven. Ze zijn graag geziene gasten op Buckingham Palace en zeker ook op 10 Downing Street.
In de sociale revolutie van de afgelopen kwart eeuw is Groot-Brittannië een van de meest gepolariseerde welvaartstaten ter wereld geworden. Slechts 1 procent van de Britten verdient 10 procent van het nationale inkomen. Zij baden zich in de ongekende weelde van limousines, champagneparty’s, privéjets en privé-eilanden.
Richard Branson verkocht deze week zijn 17,5 miljoen kostende woning in Holland Park hier in Londen. Niets aan de hand. Hij heeft er nog vijf, waaronder een privé-eiland ter waarde van vijftig miljoen in de Virgin Isles.
Vorige week bekende David Beckham een stel trainers – sportschoenen – nooit meer dan één keer te dragen. ‘Maar’, zo zei hij met zijn bekende piepstemmertje – ‘ik gooi ze niet weg, ik geef ze weg.’
De rijke bovenlaag is zich in de Engelse geschiedenis niet alleen altijd te buiten gegaan extravagantie, ze heeft ook een dominante politieke en uiteraard economische rol gespeeld. In de negentiende eeuw was de dominantie van het establishment zo groot dat het tegenstromen in de vorm van nieuwe massabewegingen als het socialisme en communisme uitlokten. Voor één generatie – de periode na de Tweede Wereldoorlog – werd hun welvaart en invloed aan banden gelegd – met name door de Labourregering van Clement Attlee – de Britse Drees - die met torenhoge successierechten en progressieve inkomstenbelastingen de rijke bovenlaag aanpakte.
Maar, het was slechts een tijdelijk fenomeen. In de laatste twee decennia zijn de rijken in dramatische stijl opgeveerd en hebben hun oude status opgepakt en hun fortuinen weer verder vergroot.
Het aantal superrijken is niet alleen geëxplodeerd, ook hun vermogen is exponentieel gestegen. Vergeleken met 1995 verdienen tien keer zoveel Britten meer dan één miljoen pond per jaar. Het aantal mensen met vijf miljoen pond aan liquide middelen stijgt jaarlijks met 13 procent! Het aantal miljardairs is in die periode ve
Het huidige New Labour ziet de groeiende welvaartskloof niet langer als een misstand, maar als een groot goed. ‘New Labour is relaxed over het feit dat mensen stinkend rijk worden’, zei New Labour-goeroe Peter Mandelson. New Labour huldigt dezelfde opvatting als ‘nieuw rechts’, namelijk dat herverdeling welvaartsgroei blokkeert. In de negentiende eeuw was het in een Brits mijndorp duidelijk dat de mijneigenaar zijn rijkdom vergaarde over de ruggen van de arme mijnwerkers.
In de mondiale economie is de gemene kapitalist moeilijker te vinden. Bill Gates heeft zijn miljarden niet rechtstreeks voer de ruggen van het proletariaat in Seattle verdient of Roman Abramovitsj niet rechtstreeks over dat in Moskou. En Richard Branson niet over die van cd-kopers en vliegtuigpassagiers.
Rijkdom in de 21-ste eeuw wekt minder afgunst op dan in de 19-de en 20-ste eeuw. Welvaartsconcentratie en ongelijkheid zijn acceptabeler geworden.
New Labour verdedigt megarijkdom door erop te wijzen dat de huidige Britse samenleving meritocratischer zou zijn dan de oude klassensamenleving. Rijkdom is te verkrijgen door iedereen ongeacht afkomst of klasse. Margaret Thatcher en Tony Blair hebben afgerekend met het establishment en de aristocratie en geven iedereen de kans van krantenjongen op te klimmen tot miljonair, zoals David Beckham, of met Endemols Big Brothers een megaster te worden.
Maar in werkelijkheid is het aantal selfmade-figuren op de ranglijst van duizend rijkste Britten nog altijd klein. Veruit de meeste hebben een geprivilegieerde afkomst. ‘De belangrijkste kwaliteit voor het bereiken van een miljonairschap is ook in 2006 nog altijd een rijke vader. Groot-Brittannië scoort ondermeer als gevolg van het public school-systeem internationaal gezien slecht op het gebied van sociale mobiliteit. Een eeuw van economische en sociale veranderingen heeft de mogelijkheden van mensen uit kansarme groepen om de top te bereiken slechts marginaal vergroot. Meritocratie is in dit land een mythe, ondanks Beckham en Big Brother.
Tegenover de 1 procent superrijken staan de armen. Het proletariaat is geen massabeweging meer. Viervijfde van de Britten rekent zich tot de middleclass. Dat betekent dat 19 procent tot de onderklasse behoort – de drop outs in de hedonistische vechtsamenleving.
De working classes - de lauw bier drinkende, petten dragende, in rijtjeshuisjes wonende arbeiders die ooit als de ruggengraat van de Engelse samenleving gold – zijn alleen nog te vinden in Coronation Street. De working class hero bestaat niet meer. De roemruchte stakingsleider Arthur Scargill kreeg bij de verkiezingen in 2001 in het district Hartlepool slechts een paar honderd stemmen.
Dee working classes zijn in de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw op straat gezet door de bankroete staalbedrijven en mijnen.
Ze vonden geen baan meer. Ze belandden in de ww of nog vaker in de wao- de incapacity benefit. Deze uitkeringen zijn net als het staatspensioen onder Thatcher en Blair tot een absoluut minimum bevroren of zelfs teruggebracht. Hierdoor ontstond een nieuwe onderklasse van mensen die niet allen zelf nooit meer een baan hebben gevonden maar ook wier kinderen tot de kansarmen in de samenleving behoren.
Ze zijn geconcentreerd in de slums van Britse steden die vaak nog naargeestiger zijn dan de Brazilaanse favela’s. Aan deze deprived areas is de economische opbloei van de jaren tachtig en negentig voorbij gegaan. De straten worden beheerst door de kaalgeschoren hoofden van agressief ogende tieners die zich met ciggies, blikjes bier - of nog erger drugs – verveeld op straathoeken ophouden.
De wijken ogen als een slagveld. Ze kenmerken zich door eindeloze rijen voor een groot deel leegstaande council houses - vaak met onverzekerde auto’s in de tuinen -gesloten winkels met dichtgetimmerde ramen vol graffiti, met prikkeldraad afgezette scholen en met kinderwagens wandelende tienermoeders.
Terwijl de elite zich kleedt in trendy Burberry, houden de bewoners van verpauperde wijken de hele dag hun pyjama aan. Vrouwen brengen in nachtgewaad hun kroost naar school of doen 's avonds om tien uur boodschappen bij de Asda-supermarkt. In achterstandswijken is arbeid na decennia van structurele werkloosheid - grootvader in de jaren zestig ontslagen in de textiel, vader altijd werkloos geweest, net als zoon - een bijna onbekend begrip geworden: jongeren weten niet beter dan dat ze hun hele leven een uitkering zullen krijgen. Niet werken is een manier van leven geworden. De jonge generatie staat ook niet als unemployed te boek maar als workless. Hoe komt deze klasse uit de misere als ze niet voor Big Brother worden geselecteerd?
De upper class en middle classes bekommeren zich nauwelijks om de onderklasse. Ze komen nooit in achterstandswijken. Ze zien de sociale misère hoogstens als een openbare orde- en criminaliteitsprobleem. Ook de politiek, inclusief Labour, heeft zich van hen afgewend: de mensen in de onderklasse vormen een minderheid en meestal gaan ze toch niet naar de stembus. Ze hebben geen vakbond noch een andere spreekbuis. Ze zijn of zielig of gevaarlijk.
Niemand bekommert zich waar en hoe ze wonen. De sociale woningbouw in dit land is vrijwel tot stilstand gekomen. De mensen zijn niet dakloos, maar wonen vaak onder erbarmelijke omstandigheden. Geisers en boilers werken niet, het vocht druipt van de wandel, ramen zijn dichtgetimmerd. Jaarlijks overlijden in Groot-Brittannië meer bejaarden aan de koude dan in Siberië. Net als in de VS is eigenlijk alleen de liefdadigheid die zich met die mensen bezighoudt. Weldoeners als Jamie Oliver en de eigenaren van dit restaurant.
Smakelijk eten.
(lezing 31 mei in Hoxton Apprentice aan Hoxton Square)
Lezing 9 mei voor studenten marketing van Universiteit Groningen in Londen
Engels of Nederlands? Nederlanders rukken in Londen op, dus laten we ook onze taal hier maar laten klinken. De machtigste zakenman van dit land is tenslotte een Nederlander: Lloyds TSB-baas Maarten vd Bergh. BT heeft een Nederlander aan het hoofd, Ben Verwaayen.
Als Nederlanders worden we hier dus blijkbaar ook buiten het voetbalstadion en het schilderijenmuseum gewaardeerd. Tenminste zo lang we maar Engels spreken. Een van onze sterkste eigenschappen in Britse ogen is dat we saai zijn – of degelijk om het wat positiever te stellen. Dat geldt misschien een beetje meer voor Van den Bergh dan voor Verwaayen die eigenlijk al veramerikaniseert was voordat hij naar Londen kwam.
Van de week stond er een column over Jan Peter Balkenende in een Engelse krant. Met enige jaloezie werd vastgesteld dat Nederland over een premier beschikte die zichzelf saai vond. ‘Hadden wij maar saaie politici, dan zou het een stuk beter gaan in het land.’
Nederlanders zijn ook spaarzaam. Ze denken op lange termijn. Er is geen Engels equivalent voor de Nederlandse zinsnede ‘Wie wat bewaart, heeft wat.’
Hebben jullie The Apprentice gezien? Ik geloof dat morgenavond de finale is tussen The Badger en The Blonde – twee pinnige dames die allesbehalve saai zijn maar waar geen Nederlander voor zou kunnen of willen werken. Ze zetten alles op het spel. Het enige doel is winst op korte termijn.
Kenmerkt de serie de Britse ondernemingscultuur? Het zegt in de eerste plaats heel veel over de reality tv-cultuur. Maar het is ook zeker een weerslag van de huidige ondernemerscultuur. Organisaties in dit land zijn veel hiërarchischer. Iemand als Sir Alan Sugar – de man die in The Apprentice op een stoel zit met een extra hoge leuning en met een vinger priemt You’re fired – is geen uitzondering. Tony Blair deed afgelopen vrijdag hetzelfde. En de ontslagen ministers liepen over van begrip. ‘Het is zijn recht en verantwoordelijkheid’, zei minister Charles Clarke. Het is fair play. Men ligt zich neer bij de autoriteit.
Nederlanders hebben er meer moeite mee. Alex Ferguson ontsloeg Ruud van Nistelrooij nadat hij eerder ook al Jaap Stam had ontslagen. Wij reageren verongelijkt.
Toen mijn vrouw hier een baan vond in een echt Engelse onderneming, viel ze op haar werk meteen van de ene verbazing in de andere. Zo moest ze haar Hollandse eigenzinnigheid inleveren. Ze werd geacht te luisteren, niet mee te denken. In Engeland is de baas nog de baas. Zij nemen de beslissingen en invloed of inspraak van onderaf wordt niet geduld. Geen baas laat zijn autoriteit aantasten door bijvoorbeeld suggesties van ondergeschikten over te nemen. Als een werknemer een goed idee heeft, dan wordt het verworpen als slecht. Mogelijk wordt het later toch doorgevoerd, maar pas als de baas het zelf een keer als idee heeft geopperd.
Werknemers gedragen zich vaak als kwajongens in een schoolklas. Ze luisteren netjes naar hun chef, maar steken hun middelvinger omhoog als hij zijn rug toedraait. De oude hiërarchische structuur is nog in tact en opvallend genoeg hechten niet alleen de chefs en bazen aan deze duidelijke gezagsverhoudingen, maar willen ook de ondergeschikten niet anders.
Elke Britse organisatie heeft een militaire structuur. Ondanks een lange rij voor de kassa neemt de caissière in een tearoom alle tijd voor het ontkalken van de koffiezetmachine, omdat op de instructie staat dat ze dat moet doen als het rode lichtje gaat branden.
De caissière bij het golfcentrum weet niet wie de golfleraar is of de clubsecretaris. Zij is aangenomen om af te rekenen. ‘Ik kan u echt niet helpen. U moet de clubsecretaris daarvoor hebben.’ ‘Mag ik dan misschien zijn telefoonnummer?’ ‘Sorry, maar dat weet ik niet. Daar ga ik niet over.’
Ook secretaresses beperken zich strikt tot de opgedragen taken: het opnemen van de telefoon, het bijhouden van de agenda en het uittypen van de brieven. ‘Ik wilde graag de locatie van de persconferentie weten die morgen wordt gehouden’, vroeg ik aan de secretaresse van de persafdeling die de telefoon opnam. ‘Sorry maar dat kan ik u helaas niet zeggen. U moet daarvoor de perswoordvoerder hebben.’ ‘Oké, verbindt u mij maar door met hem.’ ‘Dat kan helaas niet. Hij is in vergadering.’ ‘Hoe laat is de vergadering afgelopen?’ ‘Dat weet ik niet. Maar ik zal een briefje neerleggen dat hij u moet terugbellen.’ Meestal hoor je er niets meer van.
In Nederland zijn werknemers gewend zelfstandig te opereren en zelf verantwoordelijkheid te nemen. Vaak wordt de afwezigheid van de baas niet eens opgemerkt. In Engeland verschuilen de werknemers zich continu achter hun baas. Als in Engeland de chef op vakantie is of een dag vrij, loopt onmiddellijk alle besluitvorming vast. Niemand neemt zijn werk over. Voor Nederlanders die de eigen platte organisaties gewend zijn, is het erg wennen aan de strikte hiërarchische structuur van het Britse zakenleven.
Een Britse kennis kwam op zijn negentiende jaar in dienst bij het winkelconcern Marks & Spencer. Hij werd gedetacheerd bij een van de zaken in Londen, waar hij achtereenvolgens moest werken bij verschillende afdelingen – van herensokken tot damesondergoed. ‘De hoofden – veelal mannen en vrouwen die er al decennia werkten – beschouwden de afdeling als hun eigen koninkrijkjes. Het waren allemaal captain Peacocks’, constateerde hij. Alle ideeën die door de nieuwe jonge bediende werden aangedragen, werden onmiddellijk als bedreigend ervaren en verworpen. ‘Al een keer geprobeerd.’ Niettemin maakte de kennis carrière. Uiteindelijk werd hij plaatsvervangend hoofd van een Marks & Spencer Foodstore in Londen. Toen in een van de andere winkels aan de overkant van de Theems de baas ziek werd, moest hij hem waarnemen. ‘Het was een nieuwe zaak’, zo vertelde hij mij. ‘Op donderdag moet je de inkopen voor het weekeinde doen: de groenten, de vleeswaren, de kippenbouten enz. Je moet er daarbij voor zorgen dat er aan het einde van de zaterdag zo weinig mogelijk aan bederfelijke waar overblijft – een zo laag mogelijk percentage afval. Ongeveer 5 procent is heel goed. Omdat het een nieuwe zaak was, kon ik de omzet niet goed inschatten. Maar ik had enorm veel geluk. Zaterdagavond resteerde er slechts een afval van 3 procent. De regiodirecteur kwam na het sluiten van de winkel poolshoogte nemen. Ik kreeg enorm op mijn lazer vanwege het ‘hoge’ afval-percentage. Toen ik de maandag daarop mijn beklag deed bij mijn eigen baas, keek hij nauwelijks verrassend op. “Je denkt toch niet dat een regiodirecteur iemand die net nieuw is op die positie een compliment geeft”.’
In Nederland mogen jonge werknemers ouderen de tent uitkijken, in Engeland worden ouderen met respect bejegend. Zelfs in een beroepsgroep als de journalistiek – in Nederland zijn er alleen hoofdredacteuren en redacteuren/verslaggevers – is er een complete hiërarchische structuur. Er zijn senior correspondents en chief sport writers.
De hiërarchische structuur maakt het moeilijk snel carrière te maken in grote en vaak stroperige organisaties. Interne carrières lopen vaak stuk op wijzigingen in de top. Als in een organisatie een nieuwe chef wordt benoemd, dan worden talrijke veelbelovende loopbanen abrupt afgebroken. De nieuwkomer neemt vaak een heel team van vertrouwde gezichten mee van zijn vorige betrekking die de mooie en belangrijke functies krijgen. De rest is terug bij af.
Jonge ongeduldige Britten beginnen daarom ook liever voor zichzelf. Meer dan de helft van alle Britten die van school komen, zegt een eigen bedrijf op te willen richten, terwijl in Nederland tweederde juist de veiligheid zoekt van een baan als werknemer.
Entrepreneurschap wordt in het land ook gewaardeerd. Sinds de Thatcheriaanse revolutie heeft het ondernemersklimaat een metamorfose ondergaan. Engeland geeft alle ruimte aan entrepreneurs. Iedereen kan een eigen bedrijf beginnen zonder veel administratieve rompslomp: je koopt een huis, doet de voordeur open, hangt er twee jurken op en je hebt een eigen modewinkel. Veel immigranten nemen niet alleen een baan – of vaak twee banen – maar beginnen tegelijkertijd een eigen bedrijf.
Wie niet voor zichzelf begint, moet zich echter aan de bestaande Engelse bedrijfscultuur aanpassen. Dat betekent dat je diplomatiek moet leren te zijn.
Engelsen zeggen nooit waar het echt op staat. Ze verschuilen zich achter hun understatements.
Nederlanders mogen zich op de borst kloppen over hun directheid, in Britse ogen is dat soms ordinaire botheid. ‘Als een Brit iets totaal niet interesseert, zegt hij juist: ‘that’s interesting.’ Quite good betekent in de VS ‘heel goed’ maar in Engeland ‘waardeloos, maar we maken er geen woorden over vuil’. Als een buitenlander wordt gevraagd ‘Would you like another coffee?’ is dat een signaal dat het gesprek is beëindigd en het beter is weg te gaan. Wie zegt ‘lekker’ wordt niet-begrijpend aangestaard.
Nederlanders die op directe wijze hun mening kenbaar maken, worden algauw onbeschoft gevonden. ‘Talking like the Dutch’ is een Engels spreekwoord voor ‘op een botte manier praten’.
Wie als buitenlander denkt beleefd te zijn door te zeggen ‘Please close the door’ zal algauw de vergissing inzien. Britten doen het verzoek in de vorm van een vraag: ‘Would you mind closing the door?’ Wie na een week hard werken op vrijdagmiddag roept ‘We must go to the pub’ zal de collega’s niet meekrijgen. Dat klinkt heel opdringerig. ‘Would you fancy a drink?’ is beter.
De cultuurverschillen zijn niet beperkt tot de subtiliteiten van de taal. Nederlanders hebben een collegiale bestuursstructuur. Managers zijn gewend een voorstel te doen en het daarna dagenlang onderling te bespreken. Vervolgens wordt een vergadering belegd met een officiële agenda, waarin de knoop wordt doorgehakt. In Groot-Brittannië worden de besluiten voorgekookt in de wandelgangen. Het land kent niet voor niets de beroemde lunchcultuur.
Nederlanders vinden zakendoen in dit land over het algemeen lastig. ‘Engelse managers zijn net als hun politici. Ze zijn geniepig. Ze proberen hun opponenten continu een beentje te lichten. Ze geven een gunstige draai aan ongunstige tijdingen, de spin. Ze laten zaken lekken. Ze nemen hun toevlucht tot roddel en achterklap’, vertelde iemand die veel zaken in dit land deed. De trage respons, de besluiteloosheid en de eilandmentaliteit stuiten Nederlanders tegen de borst.
Engelsen komen ook hun afspraken niet na. Nederlanders hebben moeite met het aangeboren acteertalent en de politieke vaardigheid van de Britten. Het ‘doen alsof’ ligt de recht-door-zee Nederlanders niet. Een bekende uitdrukking in Londen is: ‘The Dutch are too honest to be embarrassed and the English are too embarrassed to be honest’ (‘De Nederlanders zijn te eerlijk om het gênant te vinden en de Engelsen vinden het te gênant om eerlijk te zijn’).
(lezing Nederlandse ambassade, 9-5-2006)
Lezing 3 april 2006 voor Commission for Racial Equality in Manchester
Non-white, yet better in ‘Britishness’
When in the Post Office to pay my TV-licence, I say
“I’d like to pay” to the Indian counter clerk. “You have to pay” is his witty answer. The ethnic minorities have even adopted the British sense of humour.
The annual finals of the most difficult TV quizzes, Hard Spell and Mastermind, had taken place a month earlier. The final of Hard Spell, consisting of spelling quantities of practically incomprehensible words like disequilibrium or genealogical, was fought between a 13 year old girl of Indian origin and a 12 year old girl of Indian origin, after having eliminated all the children of Oxford professors, English Lit teachers and other representatives of the elite.
The 13-year old Gayathri Panikker who, at the age of five, still lived in India and did not speak a word of English, won the spelling competition from hundreds of thousands teenage participants.
If language is the main aspect of ‘Britishness’ the natives are beaten on their home ground. That same evening, the final of Mastermind was won by a 44-year old Londoner of Jamaican origin, on the very British subject of queen Elizabeth II.
After the break-up of the Empire in the 50’s and 60’s of the previous century, many people from the former colonies settled in
Many lawyers as well as professors were born in immigrant families. A considerable number of businessmen are immigrants, even a merchant
Bank like Merrill Lynch in the City, immigrants have been promoted to vice-president and managing directors.
In general, the British do not divide society into white versus non-white. The British are rather more interested in class and status then in colour or religion. Even during the
“The British” do not consist of a single race, but
are a loose conglomerate of various races. That is why Britishness cannot be defined by race or ethnic background as stated by the late Foreign Secretary Robin Cook in 2001.
Anyone taking a walk in
But there is a considerable difference between
The total number of people from ethnic minorities in
Discrimination and right-wing extremism are not unknown in
As many as 85 per cent of the British worry about the massive immigration and now the politically correct parties react more openly to the populist mood. But a visit to Leicester, the first town where the minorities are going to be the majority, indicated that many ethnic minorities feel more at home in England than in Holland. It is easier to start their own business over here - rent a house, open its door, hang a few dresses on it, lo and behold - we have a new fashion shop. Furthermore, they are not forced to assimilate, they have their own schools, their own holidays as well as their own shops without anyone getting worked up about it. Occasionally one gets the impression that they cherish their segregation. It looks as if many Somalis who lived in
Lezing 28 maart 2006 voor bijeenkomst leraren Engels in Ede
Tot nu toe had ik nog de illusie dat het een kwestie van tijd zou zijn voordat al die dialecten zouden uitsterven en in het land overal hetzelfde Engels zou worden gesproken. Maar de droom is inmiddels uiteen gespat. Het regionale dialect zal in de toekomst worden gepropageerd, net als de oude Keltische talen (Gaelic, Welsh en Cornish) die in andere uithoeken van het land worden gesproken.
De ‘Vrienden van het Norfolk Dialect’ kregen vorige week zelfs subsidie om de jeugd die van elders afkomstig is, het lokale dialect te leren. Het project Lost in Translation zal dit najaar in elf scholen van start gaan. ‘Scholieren moeten worden onderwezen over de taal die hun voorvaderen spraken’, stelde een trotste voorzitter van de “Vrienden van het Norfolk Dialect’.
Wie in de toekomst van Hoek van Holland in Harwich arriveert met zijn Engelse kennis, zal met een onverstaanbaar dialect worden geconfronteerd. Het enige juiste antwoord op He'yer fa'got a dickey?, zal zijn ‘Yis, an' he want a fule ter roid 'im?' wat betekent 'Yes and he wants a fool to ride him, will you come?'.
Hoewel niemand zal beweren dat Engels de mooiste taal ter wereld is, is de belangrijkste bijdrage van de Britten aan de wereld waarschijnlijk de taal. ‘Het grootste bezit dat we hebben is onze taal,’ zegt professor Henry Higgins in My Fair Lady als hij Eliza Doolittle haar achterbuurtaccent probeert af te leren.
Twee miljard mensen in de wereld spreken Engels of een beetje Engels. Als iemand uit Zambia met een Noor wil communiceren, gebeurt dat in het Engels. Engels is de taal van de wetenschap, de politiek, het reiswezen en de computers. Driekwart van alle e-mail in de wereld is in het Engels. Frans behoort aan de Fransen, Duits aan de Duitsers, Nederlands aan de Nederlanders maar Engels is van iedereen.
De Engelsen hebben al opgegeven zelf een andere taal te leren. Slechts één op de tien Britten kan in een vreemde taal tot tien tellen. Nog niet de helft van de Britten kan How are you? in het Frans vertalen. En 20 procent denkt dat Quelle heure est-il? betekent ‘Wat voor dag is het?’
Engelsen hebben er soms moeite mee dat buitenlanders wel zo goed hun taal spreken. Een Labour-minister die een keer tijdens een diner naast de Chinese ambassadeur zat, vroeg zijn tafelgenoot bij het eten van de soep ‘Likee Soup?’ Nadat de ambassadeur ja knikte, dacht hij aan zijn plicht van conversatie te hebben voldaan en keerde zich naar de andere kant. De Chinese ambassadeur die was opgeleid aan Eton, hield na het diner een toespraak. Op het einde keerde hij zich naar de minister: ‘Likee Speechie?’
Engelsen doen vaak net of ze buitenlanders niet verstaan of verkeerd begrijpen. Een kennis is Iers en woont in een huis met het nummer fortyfive. Drie keer zei hij tegen een bedrijf dat ze een brief naar fortyfive moesten sturen – ‘yes four two five’ – werd telkens geantwoord. ‘No FORTY FIVE,’ benadrukte hij wanhopig.
Waarom is Engels wereldtaal nummer één geworden? Een verklaring is dat de grammatica praktisch, betrouwbaar en simpel is. De meeste talen hebben vele vormen om jij te zeggen – afhankelijk van hoe goed je iemand kent. De Engelsen kennen alleen you. De Engelsen hebben ook geen boodschap aan vervormingen van zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden: geen mannelijk, vrouwelijk, enkel- of meervoud om maar niet te noemen eerste, tweede en derde naamvallen.
De Engelse taal heeft daarentegen veel voorzetsels. Dat is gemakkelijk bij het zoeken naar iets. Maar een buitenlander vraag zich wel continu af welk voorzetsel er moet worden gebruikt. Is she in the toilet or on the toilet? Is the melk on, in, beside, by, beneath of between de cornflakes.
Een ander voordeel is dat de Engelse taal ongekend veel synoniemen heeft: vijftig voor gek, tachtig voor dronkenschap en 231 voor het weer. Toen ik een keer bij wijze van experiment lezers op mijn weblog uitnodigde een lijst van woorden voor toilet samen te stellen, had ik binnen twee dagen meer dan vijftig inzendingen plus nog een dertig uitdrukkingen voor de toiletgang.
Engels is een levende taal die continu wordt vernieuwd. Jaarlijks komen er tientallen nieuwe woorden in de Collins- en Oxford-dictionaries. Terwijl de Fransen, de Vlamingen en misschien ook de Nederlanders hun taal zuiver proberen te houden en vreemde woorden weren staat het Engels open voor woorden uit alle culturen. In totaal telt de Engelse taal nu ruim 650 duizend woorden, die zijn opgenomen in de Oxford Dictionary of the English Language.
Wie al deze woorden heeft geleerd, moet echter niet de illusie koesteren zich overal in Engeland ook verstaanbaar te kunnen maken. Inmiddels lijkt het spreken van proper English allesbehalve een must. Eliza Doolittle’s uitspraken die Higgins een knallende hoofdpijn bezorgen, zouden tegenwoordig op de Engelse televisie niet misstaan. Niemand schrikt meer van ‘cuppatea’ in plaats van ‘a cup of tea’ en niemand slaat achterover als op Ascot een paard worden aangemoedigd met ‘Move yer arse’ – Jamie Oliver zou het kunnen zeggen. Het is helemaal niet meer cool om ‘The rain in Spain stays mainly in the plain’ perfect uit te spreken.
Het lijkt tegenwoordig juist een voordeel te zijn voor een televisiecarrière om in een accent te spreken of een spraakgebrek te hebben. De BBC lijkt zijn presentatoren, analisten en verslaggevers er bijna op te selecteren. Wie een avond naar de BBC kijkt hoort talrijke slissende reporters. Jonathan Ross, BBC’s sterpresentator, kan de r niet uitspreken. Regionale accenten zijn cool tot groot ve
Het bekendste accent is cockney, de taal van de bewoners van de East End in Londen. Een echte ‘cockney’ is iemand die is geboren. binnen gehoorafstand van de zogenoemde Bow Bells, de klokken van St.Mary-le-Bow. Kenmerken van het dialect zijn het niet uitspreken van de ‘h’, het gebruik van ain’t in plaats van isn’t of am not, het uitspreken van de ‘th’ als een ‘f’ en het gebruik van een lange ‘a’ in plaats van ‘ou’. Het woord ‘thousand’ klinkt als ‘faas’nd’.
Wie als student in het huis van een Engelse familie intrekt, hoort ineens een heel ander Engels: een samenraapsel van idioom, dialect, jargon en alledaagse uitdrukkingen. ‘Mrs Jones is her indoors. Mr Jones is her other half and their children are nippers. The woman next door is a pain in the neck, her son sells dodgy mobile phones, while her daughter is as nice as pie. Mr Jones likes to go down the boozer but mrs. Jones keeps the tabs on him because he is a ‘Jack the lad’. They are a little bit hard up at the moment, that’s why the bit extra of the foreign student comes in handy’.
Niet alleen de regionale accenten, de rhyming slang en de verschillende uitspraak maakt Engels moeilijk. Het grootste probleem, zo heb ik en met mij vele andere Nederlanders die in Engeland wonen ondervonden, is de interpretatie van de taal. Wij denken dat de Engelsen bedoelen wat ze zeggen. En vaak is juist het omgekeerde het geval.
Er is een bekend verhaal binnen Shell van een Nederlander die terugkeert van een gesprek met zijn Britse baas. Hij vertelt zijn vriend: ‘Ik dacht even dat hij mij wilde ontslaan maar het enige wat hij zei was of ik misschien zou kunnen overwegen een andere baan te zoeken.’
Nederlanders denken dat ze de Britten begrijpen, omdat ze de taal spreken, naar Britse televisieseries kijken en hun humor leuk vinden. En als de Britten in werkelijkheid complexere wezens blijken te zijn, voelen ze zich al gauw verongelijkt zo niet bedrogen. ‘Hun glimlach is verraderlijk,’ zo zeggen veel zakenmensen die met Britten te maken hebben.
In de jaren tachtig van de vorige eeuw fuseerden veel Nederlandse bedrijven met Duitse ondernemingen. Omdat Nederland in de Duitse invloedssfeer verkeert, dachten Nederlandse bedrijven dat de Duitsers de ideale fusiepartners waren: stipt, hardwerkend en op dat moment opererend in een bloeiende economie. Maar de fusies eindigden allemaal in een nachtmerrie. In de jaren negentig wilden alle bedrijven ineens een Britse partner. Hadden Koninklijke Olie en Shell en Lever Brothers en Margarine Unie niet bewezen dat Brits/Nederlandse bedrijfshuwelijken na negentig respectievelijk zeventig jaar nog even fris waren als in de eerste huwelijksnacht? ‘De Duitsers begrijpen onze humor niet. Maar wij begrijpen wel de Britse humor’, zo luidde het nieuwe bedrijfsadagium.
DAF ging in zee met Leyland, uitgever Elsevier fuseerde met Reed, ABN Amro en ING kochten Britse zakenbanken, Nedlloyd Lijnen ging op in P&O en Hoogovens vond een nieuwe fusiepartner in British Steel. Maar in vele gevallen vloog het servies in de wittebroodsweken al door de kamer. De tegenstelling van de stiff upper lip en de Hollandse nuchterheid bleek groter te zijn dan verwacht.
Nederlanders mogen zich op de borst kloppen over hun directheid, in Britse ogen is dat soms ordinaire botheid. ‘Als een Brit iets totaal niet interesseert, zegt hij: ‘that’s interesting.’ Quite good betekent in de VS ‘heel goed’ maar in Engeland ‘waardeloos, maar we maken er geen woorden over vuil’. Als een buitenlander wordt gevraagd ‘Would you like another coffee?’ is dat een signaal dat het gesprek is beëindigd en het beter is weg te gaan. Wie zegt ‘lekker’ wordt niet-begrijpend aangestaard.
Nederlanders die op directe wijze hun mening kenbaar maken, worden algauw onbeschoft gevonden. ‘Talking like the Dutch’ is een Engels spreekwoord voor ‘op een botte manier praten’. Wie als buitenlander denkt beleefd te zijn door te zeggen ‘Please close the door’ zal algauw de vergissing inzien. Britten doen het verzoek in de vorm van een vraag: ‘Would you mind closing the door?’ Wie na een week hard werken op vrijdagmiddag roept ‘We must go to the pub’ zal de collega’s niet meekrijgen. Dat klinkt heel opdringerig. ‘Would you fancy a drink?’ is beter.
Vaak verraadt de intonatie wat wordt bedoeld. Er zijn talrijke manieren om sorry - I’m sorry (sor-re) - te zeggen: als een manier om zich te verontschuldigen, als een manier om zich niet te verontschuldigen, als een manier om iemand de mond te snoeren, als een manier om te zeggen dat je iemand niet hebt verstaan, als een manier om iemand te kennen te geven dat hij op moet schieten of plaats moet maken, als een manier om te interrumperen, als een manier om ongeloof te tonen, als een manier om ongeduld uit te drukken en als een manier om medelijden te tonen: ‘sorry, little man’. Als je Britten niet kunt verstaan, kun je beter zeggen: Could you repeat that, please? I’m not with you, I haven’t a clue of gewoon What”Eh?, Huh?
De cultuurverschillen tussen Nederlanders en Engelsen zijn niet beperkt tot de subtiliteiten van de taal. Nederlanders hebben een collegiale bestuursstructuur. Managers zijn gewend een voorstel te doen en het daarna dagenlang onderling te bespreken. Vervolgens wordt een vergadering belegd met een officiële agenda, waarin de knoop wordt doorgehakt. In Groot-Brittannië worden de besluiten voorgekookt in de wandelgangen. Het land kent niet voor niets de beroemde lunchcultuur.
Omdat de Britten graag met een enkele baas werken, ontstonden in veel Brits/Nederlandse bedrijven met een tweekoppige leiding algauw spanningen. Na de fusie van de uitgevers Reed en Elsevier in 1992 volgde een exodus van managers totdat Morris Tabaksblat – bij Unilever gepokt en gemazeld in Brits/Nederlandse verhoudingen – orde op zaken stelde. Ook Corus koos na de fusie in 1999 van British Steel en Hoogovens voor een tweehoofdige leiding. Maar na ruim een jaar werd het duo de laan uitgestuurd en kwam er één echte baas. Binnen Hoogovens was de bestuursvoorzitter de eerste onder zijn gelijken. Binnen British Steel werd krachtig individueel leiderschap verwacht. De Britten willen één duidelijke baas, in dit land CEO (chief executive officer) genoemd.
De strikte hiërarchie in Groot-Brittannië leidt in Nederlandse ogen vaak tot inefficiëntie. In Groot-Brittannië bestaat in het bedrijfsleven – zeker in de industrie – nog een klassenstructuur. Niet altijd wordt de beste gekozen. Afkomst is bij benoemingen vaak even belangrijk als geschiktheid. Vaak moeten buitenlanders het puin ruimen dat door het Oxbridge-establishment is veroorzaakt. De Lords en Sirs zijn de laatste jaren uit de gratie geraakt omdat ze enorme verliezen bleken te combineren met even enorme salarissen, gratificaties en gouden handdrukken. British Airways (BA), British Telecom (BT) en Marks & Spencer trokken buitenlanders als topman aan.
De Nederlander Maarten van den Bergh die eind 2005 door The Times zelfs tot machtigste manager van het Britse zakenleven werd uitgeroepen, zegt dat Britten de besluitvaardigheid van buitenlanders kunnen waarderen. ‘Als je een vergadering met Britten hebt, dan krijg je zelden een duidelijk ja of nee. Na afloop moet je vragen: “Gaan we het nu doen of niet?”’’
Nederlandse managers denken meer op lange termijn. Ze zijn ook spaarzaam. Er bestaat geen Engelse equivalent voor het spreekwoord ‘Voor wie wat bewaart heeft wat.’ Britse topmanagers koesteren ook de mysterieuze aureool van hun hoge positie. Nederlandse directeuren loodsen hun goede klanten zelf langs de beveiliging. Britse ceo’s laten een klant – hoe belangrijk ook – altijd door een secretaresse ophalen. Daarna wordt de klant in een wachtkamer gezet en wordt koffie beloofd die er meestal niet komt.
Secretaressen zijn in dit land ‘voetvegen’ en gedragen zich er naar. Ze doen werkelijk alles – van het halen van een fles melk tot het poetsen van de schoenen. Een Nederlandse manager die na en carriere in Londen naar Nederland terugkeerde en zijn secretaresse vroeg of zij zijn declaratie wilde doen, kreeg als antwoord: ‘bij ons doen de managers de expenses zelf’.
Britse topmanagers houden zich – mogelijk in hun jacht op ridderslagen en aristocratische titels – in Nederlandse ogen ook te veel bezig met nevenactiviteiten die weinig met het werk te maken hebben: liefdadigheid, cultuur en de herenclubs. Nederlanders zijn pretentieloos. Ze houden niet van flauwekul en opsmuk. De gulle gaven van Reed aan instellingen als de National Gallery en de Royal Opera House noopte de Elsevier-top tot zijn grote ve
De Britse visie op Nederlanders is tamelijk paternalistisch en arrogant. Britten zien Nederlanders als good chaps die eeuwenlang zij aan zij stonden in de strijd tegen despoten, die stoer genoeg waren om hen een paar keer te verslaan, maar nu samen met hen optrekken in Bosnië en Irak. Als zakenpartners vinden Britten de Nederlanders efficiënt, professioneel en hardwerkend. Ze begrijpen de Britse humor weliswaar niet echt, maar hebben er meer waardering voor dan de Fransen en Duitsers.
Nederlanders zijn een solide volk - goede techneuten die je projecten kan toevertrouwen - maar die helaas ook tamelijk bot zijn. Britse ondernemers vinden Nederlanders koppig en weinig behulpzaam bij klachten. Nederlanders hebben op hun beurt moeite met het aangeboren acteertalent en de politieke vaardigheid van de Britten. Het ‘doen alsof’ ligt de recht-door-zee Nederlanders niet. Een bekende uitdrukking in Londen is: ‘The Dutch are too honest to be embarrassed and the English are too embarrassed to be honest’ (‘De Nederlanders zijn te eerlijk om het gênant te vinden en de Engelsen vinden het te gênant om eerlijk te zijn’).
‘Engelse managers zijn net als hun politici. Ze zijn geniepig. Ze proberen hun opponenten continu een beentje te lichten. Ze geven een gunstige draai aan ongunstige tijdingen, de spin. Ze laten zaken lekken. Ze nemen hun toevlucht tot roddel en achterklap’, vertelde iemand die veel zaken in dit land deed. De trage respons, de besluiteloosheid en de eilandmentaliteit stuiten Nederlanders tegen de borst.
Britten hebben het altijd druk, zelfs als ze niets te doen hebben. ‘Ik heb al twee keer gebeld of u de videoband zou willen opsturen.’ ‘Sorry. Maar ik heb nog geen tijd gehad.’
In dit land kan beter geen druk worden uitgeoefend als iemand zijn afspraak niet nakomt. Wie boos of argwanend wordt als iemand er op het afgesproken tijdstip niet is, spant het paard achter de wagen. ‘Het werkt averechts,’ zo wordt van alle kanten gezegd.
Als in Nederland een manager geen tijd of zin heeft met iemand te praten, dan wordt gezegd ‘onze manager heeft geen gelegenheid u te ontvangen’. Engelsen vinden dat bot. ‘Ik kan de manager niet vinden’, zo luidt de smoes van de secretaresse. Het gevolg is dat iemand uren voor niets wacht in de hoop dat hij alsnog wordt gevonden.
Buitenlanders kunnen behoorlijk gefrustreerd raken van de Britse werkethiek. ‘We hadden afgesproken dat ieder zijn deel zou doen. Na een week bleek alleen ik mijn deel te hebben gedaan,’ vertelde een Nederlander die bij een Britse bank was gaan werken.
De Britse werkmoraal ligt ergens tussen die van het protestantse ‘het-moet-vandaag-af’-ethiek en het katholieke ‘het-kan-morgen-ook’-ethiek. Britten nemen hun werk serieus, maar niet te serieus. Werk is een plicht, maar geen heilige plicht. Mensen die niet werken worden met de nek aangekeken, maar ook mensen die zich te veel uitsloven. Britten relativeren hun werk vooral via hun gevoel voor understatement. Als iemand denkt ‘Verdorie, dat had gisteren al afgemoeten’, zegt hij: ‘Ik denk dat we een klein probleem hebben’.
De meeste Britten klagen altijd over hun werk. Vooral op maandagmorgen. Meestal komt een Brit binnen met de opmerking: ‘It’s bloody cold’ of ‘Raining again’. Er wordt geklaagd over het openbaar vervoer, de werklast en vooral het aantal vergaderingen,
De vergaderlast is enorm. Iedereen zit altijd in een meeting. De vergaderingen of briefings zijn niet bedoeld om het personeel inspraak te geven, maar alleen om instructies van hogerhand door te geven.
De tijd wordt gevuld met grappen. Vergaderingen zijn meestal vrolijke gebeurtenissen vol kwinkslagen. Humor scoort tijdens deze bijeenkomsten. Het is een wapen om staande te blijven. Vergaderingen beginnen met gezelligheid en wat plagerijen. Met milde zelfspot slaan de Britten zich door de bijeenkomst.
Buitenlanders – hoe goed ze ook Engels spreken – hebben het vaak moeilijker tijdens vergaderingen en briefingsdoor de beperktheid van hun woordenschat en uitdrukkingen. Daarnaast hanteren Engelsen op hun werk een soort dialect – kantoorslang – dat voor buitenlanders vaak onbegrijpelijk is. Buitenlanders verliezen niet zelden de discussie binnen een organisatie door hun taalachterstand.
Managers beleven niet, ze verzoeken het personeel om medewerking. De toon is vriendelijk en gereserveerd. De relatie tussen managers en medewerkers is niet erg hecht. Britten zijn niet zo handig met persoonlijke gevoelens. Kritiek wordt vaak in een grapje verpakt. Opmerkingen of ongenoegen wordt op subtiele wijze kenbaar gemaakt. De chef fronst zijn wenkbrauwen of roept je even bij zich. Het is not done mensen in bijzijn van anderen af te zeiken.
Collega’s gaan vriendschappelijk met elkaar om, maar houden wel een zekere afstand. Na het werk met de collega’s naar de pub is vrij gebruikelijk, maar men nodigt de collega’s niet thuis op verjaardagen uit. Collega’s verwachten van elkaar dat ze onderhoudend gezelschap zijn en humor hebben. Grappen zijn soms subtiel maar soms ook ongewoon grof (zelfs uitgesproken seksueel getint of racistisch). Sociologen verklaren dat als uitlaatklep voor de gereserveerde en soms bekrompen omgangsvormen. In de televisiekomedie The Office – door Ricky Gervais geschreven op grond van zijn eigen ervaringen op kantoor – is David Brent een zelfvoldane bureauchef die voortdurend politiek incorrecte grappen maakt en hunkert naar waardering van zijn medewerkers.
Doordat samenwerking de norm is, zit de competitie meer in teams tegen elkaar dan tussen collega’s onderling. Daardoor lijken er geen individuele toppers te bestaan in het bedrijfsleven. Maar schijn bedriegt. De toppers zitten hoog in de organisatie en worden niet alleen op basis van kennis en kunde geselecteerd, maar ook rangen en standen spelen mee.
De topmensen herkennen vooral elkaar; voor buitenstaanders is dat vaak nauwelijks aan te voelen. Buitenstaanders denderen soms onwetend over onzichtbare grenzen heen en begaan dan in de ogen van de Britten de vreselijkste blunders, zoals het aantrekken van een fout pak met een das van een club of privé-school waar je helemaal geen band mee hebt.
Ook op het werk beschermen de Britten hun privacy. Vaak weet je niet of collega’s zijn getrouwd, kinderen hebben, laat staan waar ze tijdens hun vakantie naartoe gaan.
Britten beschermen hun privacy zelfs aan de telefoon. Ze nemen veelvuldig de telefoon op met het noemen van het telefoonnummer. Als ze bellen en iemand anders willen spreken noemen ze niet hun naam, maar vragen alleen naar de juiste persoon.
Maar Britten vinden zichzelf hierdoor allesbehalve onbeschoft. Ze gaan er juist prat op altijd beleefd te blijven. Zelfs bij hoogoplopende ruzies gooien ze in tegenstelling tot mensen van het continent nooit de hoorn op de haak. Ze laten zich niet meevoeren door hun emoties, zelfs niet als jij kwaad of woedend wordt. Maar ze sturen je met een kluitje in het riet door eindeloos te blijven doorverbinden – ‘daar ga ik niet over’ - en niet terug te bellen.
Vooral met dat laatste kunnen ze het bloed onder de nagels vandaan halen. Omdat Britten zo veel uren in vergaderingen doorbrengen, is het een ware kunst om in dit land de juiste persoon aan de lijn te krijgen. De secretaresse – of telefoniste – belooft altijd plechtig dat er wordt teruggebeld. Maar de beleefdheid beperkt zich tot de belofte. In werkelijkheid wordt er nooit teruggebeld.
Een Britse vriend van mij bedacht een oplossing voor dit dilemma. Als je de inkoopdirecteur aan de lijn wilt, zo legde hij uit, dan bel je de secretaresse van de algemeen directeur op. Je zegt tegen haar dat je de directeur inkoop wilt spreken. Zij zal zeggen dat je de secretaresse van de directeur inkoop moet bellen. Daarna bel je de secretaresse van de directeur inkoop op en zeg dat je door de algemeen directeur naar hem bent verwezen. ‘Kijk, hoe snel je wordt teruggebeld.’
BEDANKT
Lezing Peter de Waard op WASP-reporterdag 2006
Lezing 4 en 5 maart 2006 in St. Pieterskerk in Leiden
ODE AAN HET BRITSE PLATTELAND
Onlangs vertelde een professor mij dat een Duitser een lezing begint met een definitie. En een Engelsman begint die met een grap.
Hoe kun je het Britse platteland definieren? Mensen in Londen noemen het platteland het gezondste graf van Engeland.
Wie niet tegen de dynamiek van Londen kan, vindt hier de rust. Wie de stad te hectisch vindt, de buik vol heeft van de herrie en de rotzooi en wie de cultuurschok en het inleveren van een cool imago op de koop toe wil nemen, kan zich hier levend laten begraven.
Engelsen noemen het platteland de schepping van God, de stad is die van de mensen. In William Blake’s Jeruzalem – het onofficiële Engelse volkslied, wordt er zelfs vanuit gegaan dat Jezus ooit voet op Engelse bodem heeft gezet, om de schepping van zijn vader te bekijken. Een Britse kennis zei dat dit onmogelijk is: ‘Jezus droeg geen sokken onder zijn sandalen’ zoals de Britten zelfs op strand schijnen te doen.
Maar Engeland is op zijn mooist in de dorpen en de velden. Het enige echte Engeland is het geluid van dorpssmederij.
Stedelingen hebben een even geromantiseerd als verwrongen beeld van het Engelse platteland, de rural. Ze zien de countryside als een groot museum, waar Agatha Christie’s Miss Marple de geraniums bewatert en Catweazle in een afgelegen schuur verwonderd naar elektrisch licht kijkt als een zonnetje in een glazen omhulsel. Als ze de Big Smoke in het weekeinde ontvluchten en op het platteland arriveren, dan begeven ze zich naar middeleeuwse kastelen, Victoriaanse landhuizen, straatjes met Tudor-cottages en traditionele plattelands pubs die uit commercieel oogpunt de nostalgie hoog houden met het serveren van ondrinkbare koffie en volgens grootmoeders recept geprepareerde gerechten.
De Britse televisie doet met haar eindeloze historische programma’s en kostuumdrama’s haar best de vooroordelen over het in het verleden levende platteland te bevestigen. De plattelanders doen zelf ook een duit in het zakje door zich onder het oog van stedelijke toeristen op straat te begeven in kniekousen en bloemetjesjurken.
Plattelanders zien de stadsbewoners als bevoogdende, in krijtjespak geklede regenten die geen hond van een vos kunnen onderscheiden. Londen is in hun ogen een reuzenparasiet die niets produceert en zich voedt met de rijkdom van de rest van het land. Hun karikatuur van de stedelingen wordt bevestigd door de soaps (Coronation Street en Eastenders) en in mantelpakjes gestoken weervrouwen die vanuit Londense studio’s zon voorspellen als er regen komt en hun neus ophalen voor een paardenvijg. In een advertentiespot van een bierfabrikant drinken twee buitenaardse wezens met peervormige hoofden een glas bier, terwijl de barman vraagt: ‘Up from London, are we?’
Voor veel stedelingen is het platteland een afgelegen soms zelfs gevaarlijke plek, bevolkt door vreemde mensen met antieke accenten, gewoonten en kleding.
In Oscar Wilde’s toneelstuk The Importance of Being Earnest wordt de stedelijke arrogantie prachtig samengevat.
Jack zegt: ‘Ik heb een buitenhuis, natuurlijk met wat land. Vijfhonderd hectare geloof ik. Maar ik ben er niet van afhankelijk voor mijn inkomen, de stropers zijn de enigen die er iets op verdienen.’
Lady Bracknell antwoordt: ‘Een buitenhuis? Je hebt toch een woning in de stad, hoop ik. Van een meisje met een eenvoudige onbedorven natuur als Gwendolen, kan niet verwacht worden dat zij in een buitenhuis gaat wonen.’
Iedereen die aan Engeland denkt, ziet de glooiende heuvels voor zich met pittoreske dorpjes op de achtergrond waar de kerkklokken luiden, William Blake’s green and pleasant land.
Maar in werkelijkheid is Engeland een verstedelijkt land. Van de 49,5 miljoen Engelsen woont slechts een minderheid van 14,1 miljoen in de countryside.
Historie
De urbanisatie is in Engeland veel eerder begonnen dan in andere landen. Met de industriële revolutie in de negentiende eeuw trokken de mensen massaal naar steden als Manchester (bijgenaamd Cottonpolis), waar weverijen en spinnerijen verrezen die textiel produceerden voor het hele imperium.
In 1801 leefden 70 procent van de Engelsen op het platteland en 30 procent in steden. Honderd jaar later zou 80 procent van de bevolking in steden leven – veel meer dan in welk ander Europees land ook. Londen groeide in de negentiende eeuw van 1,1 tot 7,4 miljoen inwoners.
De openlegging van de Amerikaanse prairies en de toenemende concurrentie van de koloniën brachten de landbouw in een crisis. Terwijl landbouw in 1851 nog 20,3 procent van het BNP uitmaakte, was dat in 1901 gedaald tot 6,4 procent. De roep om bescherming van de eigen landbouw zoals in andere landen in Europa viel in het handelsland Groot-Brittannië nooit in goede aarde. De bacon & eggs konden beter worden geïmporteerd dan dat de boeren in de koloniën zouden worden gebruuskeerd.Het leidde tot een ijskoude sanering die veel Britse boeren in de Victoriaanse tijd werkelijk het leven kostte.
Ruim honderd jaar later draagt in Ierland de landbouwsector 9 procent bijdraagt aan het BNP,n in Nederland 3 procent en in Engeland nog geen 1 procent.
Boeren zijn in dit land bijna per definitie hobbyisten of natuurbeheerders.De rest van het vroegere agrarische land herbergt nu golfcomplexen, paintball-centra en craftshops. Voormalige boeren bieden Bed & Breakfast en geven paa
De vroegtijdige rationalisatie van de landbouw heeft het Engelse platteland beschermd tegen de abrupte ontvolking waar bijvoorbeeld nu sprake van is in Frankrijk. Dorpskernen liggen in Engeland nog dicht bij elkaar en je hoeft nooit een heel stuk te rijden voordat je in een volgend dorp bent.
Engeland heeft het platteland al in het begin van de 20-ste eeuw opnieuw ingevuld. Er kwamen golfcourses en cricketgrounds. De overbodig geworden weide- en graanvelden werden ingericht als natuurgebieden waar de aristocratie het hele jaar op fazanten kon schieten. De vrijetijdssector ontwikkelde zich al snel tot een machtiger lobby dan de landbouwsector. Sportvissers – de hengelsport is een van de grootste Britse passies – bepaalden hoe het landschap werd ingericht, niet de boeren of projectontwikkelaars. Eind 19-de eeuw begon de National Trust kastelen en buitenhuizen en later zelfs complete dorpen, kustgebieden en landerijen op te kopen en veilig te stellen. Het Peak District werd het eerste nationale park. Naast nationale parken kreeg Engeland in de jaren vijftig zijn greenbelts van beschermde gebieden die nu 13 procent van het land uitmaken. Landschapsbeheer is belangrijker dan productie. Onder Labour werd het ministerie van Landbouw herbenoemd in het ministerie voor Rural Affairs (Plattelandszaken) waarmee duidelijk werd gemaakt waar de prioriteiten liggen.
Engeland heeft zijn groeikernen en zijn eigen Almeres zoals Milton Keynes. Maar het heeft niet zoals Nederland tegen elk dorpje nieuwbouwwijken aangeplakt en er wegen omheen gelegd. Mijn Nederlandse geboortedorp (Egmond a/d Hoef) en laatste woonplaats (Heiloo) zou iemand die vijftig jaar geleden is overleden nu niet meer herkennen. Hij zou na een verrijzenis denken op een compleet andere planeet te zijn terechtgekomen en volledig verdwaald raken. Zelfs tussen Egmond en Heiloo is het weinig resterende groen veranderd in bollenland.
In het ten zuiden van Londen gelegen Sevenoaks waar ik nu woon, zal iemand die uit de dode is opgestaan meteen de weg weten, zich vertrouwd voelen in de omgeving en bij zijn eigen pub binnenstappen. Pas als hij beter oplet, ontdekt hij ook hier de veranderingen. Het autoverkeer is geëxplodeerd, maar niemand zal erover peinzen het te laten doorstromen via een nieuwe randweg. Het loopt lekker vast in dezelfde smalle straat op dezelfde Tudor-huisjes. Ik ben altijd verbaasd dat zelfs elk dorpje rond Londen minimaal een eeuwenoude herberg heeft behouden waar tweehonderd jaar geleden reizigers te paard logeerden. In Nederland mag je al blij zijn een café van honderd jaar oud te vinden.
De schoonheid van het Britse platteland is niet alleen de verdienste van verlichte politici, het is ook het resultaat van de onuitroeibaarheid van het klassensysteem en grootgrondbezit. Het land heeft geen revolutie gekend. Nooit rolden hier de koppen van de bezittende klasse – upper class. De aristocratie heeft zijn positie van geld en macht lang kunnen handhaven. En de aristocraten passen beter op de natuur – als in het maar om passies als de jacht te beoefenen – dan stedebouwkundigen en nooddruftige boeren. Daarbij kwam dat de de Britse aristocratie zijn landgoederen spreidde over het hele land en niet zoals bijvoorbeeld de Franse adel aan een enkele rivier.
In de naoorlogse periode is veel van de Britse aristocratie als gevolg van de hoge successierechten aan de bedelstaf geraakt, maar volgens een onlangs gehouden onderzoek maakt nog altijd eenderde van het Engelse land deel uit van oude privé-landgoederen. Als de oude aristocratie ze niet meer kan betalen, dan staan de nouveau riches (popsterren zoals Madonna, Russische miljardairs zoals Abramovitsj) in de rij om ze over te nemen.
De nieuwe aristocratie ziet het platteland als een speelplaats, waar de weekeinden worden doorgebracht met croquet, golf en de jacht. De middle class kijkt daar naar de goedkope grond voor een eigen optrekje. Ze koesteren het beeld van pittoreske huisjes met hanging baskets vol met blauwe, rode en roze bloemen en restaurants waar gezeten op te kleine stoeltjes kan worden genoten van een creamtea.
Wie op zondagmiddag over een van de talrijke voetpaden kuiert en vanaf de heuvels kijkt, zal de dag prijzen dat de stenen jungle is ingeleverd voor het meest lieflijke landschap ter wereld. Wie in de valleien dorpen ziet liggen als Chiddingstone (Kent) of Chipping Camden (Cotswolds) zal zich in het mooiste land ter wereld wanen, dat alleen de pech heeft door God in de verkeerde klimaatzone te zijn geplaatst. De zondagwandeling eindigt steevast in de pub. In de Castle Inn in Chiddingstone verzamelen zich dan de dorpsbewoners in hun wellies en met hun honden voor een pint Larkins die door de lokale ‘biermagnaat’ Bob Dockerty is gebrouwen. Als Nederlanders werden we hier na één bezoek al in het midden opgenomen. ‘Hi Peter, Hi Ans,’ zo klinkt het nu, zelfs als we er weken niet zijn geweest. Daarna krijg je een pint aangeboden en word je op de hoogte gehouden van de laatste dorpsgossip.
Op het Britse platteland kun je heerlijk in je eentje ronddwalen. Toen ik twee jaar geleden in het voorjaar de fameuze pelgrimsroute liep van Winchester naar Canterbury waren er dagen dat ik helemaal niemand tegenkwam. Voor een Nederlander die in de zomermaanden in de file pleegt te recreëren (of hij nu op de fiets door de Noord-Hollandse duinen is of wandelend over het Pietenpad) is het een ongekende weelde. Het is geen wonder dat volgens alle onderzoeken de mensen op het platteland gelukkiger en gezonder zijn dan in de Britse steden.
Er is echter stil ve
In de laatste twintig jaar is de welvaartskloof tussen stad en platteland gegroeid. Londenaren verdienen gemiddeld bijna 30 procent meer dan de mensen in de countryside.
De regering van Tony Blair heeft met zijn ‘radicale hervormingen’ en zijn promotie van het stedelijke cool Britannia, het plattelandsideaal van behoud, bescherming en traditie getart.
De plattelanders vinden dat de beslissingen over hun hoofden heen worden genomen door lieden die nog nooit op het platteland zijn geweest. In 2000 verklaarde het dorpje Ashurst Wood in het zuidelijke graafschap Sussex zich zelfs onafhankelijk en ‘vrij van de Engelse overheersing’. Op het tot ministerie van Propaganda gebombardeerde postkantoor werden eigen paspoorten verkocht. De ludieke actie kreeg nationale bijval.
Labour lokte zelfs een regelrechte plattelandsopstand uit met twee revolutionaire besluiten: een verbod op de drijfjacht op vossen en het wettelijk vastleggen van het recht van wandelaars (ramblers) om vrij door de countryside te dwalen, het right to roam.
In 2000 werd het recht van vrijwel onbeperkt overpad over particulier land dat niet was gecultiveerd wettelijk vastgelegd. Plattelanders vinden echter dat het recht van de wandelaars in strijd is met hun recht het privé-bezit te beschermen. Boeren beweren dat de ‘stedelijke’ wandelaars het verschil tussen natuur en gecultiveerd land niet kennen en dat hun honden de landerijen bevuilen en besmetten.
Vanaf 2005 is ook de kleurrijke maar in stedelijke ogen zo wrede drijfjacht op vossen verboden. De campagnegroep Countryside Alliance - een bonte verzameling van boeren, bejaarde aristocraten, nouveaux riches, dorpsbewoners en jachtliefhebbers – heeft zich met alle juridische middelen en vormen van burgerlijke ongehoorzaamheid tegen het verbod verzet. Het jachtverbod op vossen wordt in de countryside niet gezien als een poging van Labour een einde te maken aan een ‘wrede’ sport, maar als stedelijke afgunst voor een hobby die wekelijks 80.000 mensen plezier schenkt.
Maar ondanks dit conflict sluiten de Britten het platteland in de armen. Behalve een speelplaats is het platteland voor de stedelingen ook een groot cultuurgoed dat moet worden veiliggesteld voor toekomstige generaties. Terwijl Fransen tegen het platteland aankijken als producent van hun geliefde wijn en kaas, zien de Britten het als een groot openluchtmuseum.
Terwijl Franse dorpjes tegenwoordig vooral lijken te bestaan uit een verzameling dichtgetimmerde huizen en tweede woningen zonder een boulanger en café, zijn Engelse dorpjes toonbeelden van levendigheid. Engeland kan trots zijn op zijn platteland. Het landschap is gevarieerder, de dorpjes zijn pittoresker, de heuvels zijn groener, de vergezichten zijn magnifieker en de cultuurhistorische waarde is groter.
In William Blake’s green and pleasant land luiden dagelijks de kerkklokken, is er een vijfhonderd jaar oude pub, een middeleeuwse kerk, een restaurant met te kleine stoeltjes waar creamtea wordt geserveerd en een aantal huizen uit de Tudor-periode, waar een vrouw in bloemetjesjurk de geraniums in de hanging-basket bewatert en een man met kniekousen de lavetera snoeit.
Dit is een lezing die Peter de Waard hield op 4 en 5 maart 2006 in de St. Pieterkerk in Leiden.
Speech dinsdag 7 juni 2005 voor Chatham House
What’s gone wrong with the Dutch?
I can do this speech a little bit in Dutch, because the British have learned in a whole week one Dutch word: nee. They have also wondered what’s gone wrong with the Dutch? And I am also more and more surprised every time I go back to my country. Friends even tell me: ‘You can better stay in Engeland. It is not nice here anymore. It’s too crowded, too expensive and too intolerant, even too dangerous’.
The Holland I left five years ago was a quiet devoted member of the EU with a government that was much more colourless than its purple name suggested. We had our Poldermodel, we had our liberal policies for drugs and euthanasia. Publicly foreign governments frowned upon the Dutch because of their liberalism and their tolerance, but in secret they admired it and saw it as an interesting experiment from which they could learn something.
The Holland of 2005 is totally changed. With 62 percent against the European Constitution with a turnout of more than 60 percent we seem to be turned into the most Europhobic country in the EU. We are even more euro sceptical than the Brits. And our politicians seem to be even more eccentric than those in Westminster. After the murdered gay right-winger Pim Fortuyn – someone who had a real butler - came the new right-winger Geert Wilders, because of his hairstyle nicknamed the Dutch Mozart, and the rising star Peter R. de Vries, a maverick crime reporter.
The Dutch have suddenly turned their back to the political classes. They think they are boring and they feel they let them down. For their wellbeing the people look for new populist politicians who rise out of noting.
The tolerant, liberal, Europhile and quiet nation has become the most anti-immigrant, euro sceptical and noisy nation of the EU. Perhaps it has not been a revolution, but at least is has been a revolt. What has changed the attitude?
Perhaps in their hearts the Dutch have never been as Europhile as the post-war period suggested. The United States of Europe is not a Dutch idea, even not a French idea. It was first mentioned by Winston Churchill. But the British didn’t join the original EEC. In the fifties they had won the war, they had still their empire and thought they were a world power on their own.
Continental Europe was by contrast at the end of the forties and the beginning of the fifties militarily weak and economically destroyed. The countries fell into each others arms, stimulated by the Americans and the Brits who saw them as a defence against communism.
Holland was in the beginning of the fifties especially a desperate nation, heavily damaged by the war, dependent of the American Marshall plan and traumatised by the deportation of their Jews. Many people emigrated to countries like Canada, Australia and New-Zealand, because they saw no future for themselves and their children. Holland was at that moment a poor agricultural nation who had to rebuild itself and had to become an industrial power.
When the French and the Germans came with their plan for a freetradezone and economic cooperation the Dutch saw that it as an outstanding chance. Holland became a few years later one of the founding members of the EEC in 1957. And it worked. Thanks to the Wirschaftswunder Dutch trade recovered. Rotterdam became the largest transitharbour in the world. The powerful agricultural lobby in Holland – which was the main force in the christen-democrats, the natural party of government – was a keen supporter of the EEC. The Durch farmers did profit the most of the EC-subsidies in the seventies and eighties.
But the Dutch have always been better salesmen than preachers. In an ideological way the Dutch never really favoured the European integration. They distrusted the political institutions of Europe. German and French politicians were never popular in Holland – not De Gaulle, not Helmut Kohl, not Schroder or Chirac. At this moment the most popular European politician in Holland is Tony Blair. The Dutch love and admire the Brits more than the French and more than the Germans, just as they love the British sense of humour.
Beside at the end of the nineties, the economic advantages for European cooperation became less clear. German industry was declining. In de globalised service-economy the mighty German neighbour looked not so important.
Simon Jenkins described in The Sunday Times the Dutch neen as a peasant revolt. But one of the problems with Europe is that farming in Holland has vanished now the EC-subsidies have nearly ended. The only cows you see in my country are the cows who are dressed up for the BBC who likes to portray the Dutch still as people on clogs who milk their cows with windmills on the background.
Everyone started to look at the downside of integration. Overpopulated Holland got more and more immigrants. In Holland the number of Muslims grew to 900 thousand, the highest percentage in Europe. Rightwing politicians pointed at the deprived areas in inner cities which seem to turn into third world slums. Because we have not the segregated society like the Brits or Americans, the Dutch got the ethnic groups really as their neighbours.
Unease started to grow, especially in a time of economic downfall and growing unemployment. Only the politicians did not see it. Multicultural en Europhile orthodoxy reigned in The Hague. Immigration was a taboo and a not debatable issue. Everybody has to be tolerant. Political correctness obliged everyone to favour the multicultural and liberal society.
The politicians were sitting on the European express train, which was gathering more and more pace. They were the main advocates for the enlargement and for the euro.
It all went too fast for much of the electorate. They got more and more frustrated with the political elite who did not hear their voices. For many years we had a so-called purple government, a coalition from rightwing liberals and leftwing socialists. A consensus government. And the opposition was in the middle. At the ballot box there was no possibility to protest. The Dutch had even no tabloid newspapers.
With the charismatic Fortuyn the people found someone who expressed their dissatisfaction. After his murder in 2002 his party went into disarray but his political legacy went on. The establishment didn’t want to listen. The gap between politics and the country had grown even wider.
A particular catalyst was the introduction of the euro. Prices skyrocketed in Holland. Everybody saw that in the shops. Everybody saw that especially when they bought a beer or cappuccino in a café. The politicians first denied it, but recently the minister of Finance acknowledged that the rate exchange between the old guilder and the euro was not good. The guilder has been 10 percent undervalued and the pension funds and savers had lost billions because of that.
The euro is in no other country as unpopular as in Holland. The Dutch feel cheated.
Politics seems to be out of touch with society. 85 percent of the politicians – the MP’s - were for the constitution, but 60 percent of the people were against. There is also a lack of leadership. The present PM is not a very strong and charismatic figure, not a big personality like his predecessors Wim Kok and Ruud Lubbers
Many Dutch fear for the European super state, just like the English. They look at Switzerland and Norway members of the European Union. and they see that the economy is doing great despite of the fact that they are not
The Dutch are asking even for a British-style rebate, because they think they pay to much to the European Union. In the last 15 years the Dutch paid more than that they got back from Brussels. And the prime-minister wants to change that. A little bit late.
growing objections against further enlargement of the EU, especially with Turkey and The Dutch have also other Eastern-European countries. Europe is growing too fast and too big. The Dutch think they have no influence anymore as a small country. Builders see how Polish and Baltic immigrants do their work against much cheaper rates. Sometimes the feeling is that the Dutch even seem to regret the fall of the Berlin wall in 1989.
A month ago there was popular fury when the Dutch were eliminated in the semi-finals of the Eurovision song contest. They thought they had a great song and didn’t make the final because all the new European countries help each other in the voting. Terry Wogan was right!
Against the will of the government parliament decided to hold a consultative referendum. And that was the chance for the people to show their frustration. The Dutch have never had a referendum. Not for 200 years. And now they wanted to speak out. The big confrontation between the establishment, the jacamp and the nee-camp has become a big victory for the no’s. The politicians have promised that this time they have learned their lessons and that want to slow down the further integration. It is not that the Dutch don’t like Europe anymore; it is that they don’t want a super-Europe.
The Dutch have even a problem with their own country. Last year 50.000 people emigrated. There is fear about a moslim Europe just as there was in the fifties about the communist Europe. People say to you: ‘Don’t come back’.
But I will.
This is the speech Peter de Waard made on the 7-th of June 2005 for de Royal Institution of International Affairs Chatham House in Londen, a leading organization for the analyses of international issues