NECROLOGIEËNRUBRIEK DE VOLKSKRANT
Ferdinand ‘butzi’ Porsche (1935-2012)
Ontwerper
Geestelijk vader van de ‘911’
Ferdinand Porsche leidde geen jetsetleven. Wandelen was zijn favoriete hobby. Maar de zevende generatie van zijn ‘911’ verleidt nog steeds liefhebbers van snelheid en glamour.
Het wordt de Mondeo van de zakenbankier genoemd. Wie in de Londense City of de financiële centra van Frankfurt of Amsterdam redelijk goed boert, schaft een Porsche 911, uitgesproken als neun-elf, nine-eleven of negen-elf, aan.
De sportauto waarvan de zevende generatie vorig jaar werd onthuld, is het ontwerp van Ferdinand ‘Butzi’ Porsche, de kleinzoon van oprichter Ferdinand Porsche die ook de Kever van VW ontwierp. Butzi overleed donderdag op 76-jarige leeftijd in Salzburg. In een verklaring zei Matthias Müller, de huidige bestuursvoorzitter van Porsche, zijn dood te betreuren. ‘Als schepper van de 911 heeft hij in deze onderneming een designcultuur gevestigd die onze wagens tot op de dag van vandaag uitdragen.’ In de verkiezing van de auto van de eeuw in 1999 kwam de Porsche 911 op de vijfde plek.
Porsche, die in 1935 werd geboren, studeerde industriële vormgeving in Ulm, voordat hij in 1956 in dienst trad van wat toen nog een familiebedrijf was. Zes jaar later benoemde zijn vader hem tot hoofd van de ontwerpstudio met als opdracht een opvolger van de Porsche 356 te ontwerpen. Hij bleek meteen een groot talent te hebben voor styling. Porsche had een simpele filosofie: ‘Design moet functioneel zijn en die functionaliteit moet visueel in esthetiek worden omgezet, zonder opsmuk waarvoor een verklaring nodig is.’
Een jaar later lanceerde Butzi de fameuze Porsche 901. Omdat Peugeot echter het recht had op alle automodelnummers van drie cijfers met een nul in het midden, moest dat worden veranderd in de Porsche 911. De sportwagen met een 6 cilindermotor achterin kwam in 1964 op de markt en bleek binnen 9 seconden van 0 naar 100 kilometer te kunnen accelereren. De topsnelheid was 210 kilometer per uur.
Maar het succes was vooral te danken aan het ontwerp. De wagen was simpel en nuchter, zoals de ontwerper zelf, en stond daarmee in scherp contrast met de Amerikaanse Corvette en de Italiaanse merken Ferrari, Maserati en Lamborghini. Het was meteen een klassieker – ‘een auto die rijdt, ook als hij stilstaat’, omschreef een van zijn medeontwerpers de eerste 911.
In de loop van de jaren werd het modellenprogramma vergroot, met naast de standaard T ook de comfortabele E en de sportieve S. Ook nam de motorinhoud toe. Butzi was ook nauw betrokken bij het ontwerp van de Formule 1-raceauto 804 of de Porsche 904 Carrera GTS, die nu nog als een van de mooiste raceauto’s uit de geschiedenis geldt.
In 1972 werd Porsche een NV en op de beurs genoteerd. Het was voor Butzi en de rest van de familie reden het bedrijf te verlaten. Porsche richtte in Stuttgart zijn eigen ontwerpstudio Porsche Design Group op. Later verhuisde dit bedrijf naar Zell am See in Oostenrijk, waar de familie een groot landgoed heeft. Onder de naam Porsche werden allerlei luxe voorwerpen ontworpen: van keukens tot brillen, mobiele telefoons en zelfs de trams die in Wenen rijden. Maar vooral zijn horloges trokken veel aandacht en behoorden tot de standaarduitrusting van verscheidene militaire organisaties. Zijn zonnebril-ontwerpen werden daartegen bekritiseerd als plagiaat.
Maar de enige echte icoon van zijn hand bleef de Porsche 911. Toen de autofabriek begin jaren negentig in problemen kwam, trad Butzi weer toe tot de raad van commissarissen. Hier belandde hij in een wespennest – onder meer met zijn neef Ferdinand Piëch – toen het eigendom van Porsche en VW werd betwist. Pas in 2005 kon hij het stokje eindelijk overdragen aan zijn zoon Ferdinand Olivier Porsche.
Porsche, aan wie in 1999 in Oostenrijk de eretitel professor werd verleend, leidde geen jetsetleven zoals zoveel andere ontwerpers van snelle auto’s. Hij trouwde met een vriendin die hij al vanaf zijn 15de kende. En hij was meer geïnteresseerd in middeleeuwse kastelen dan in glitter en glamour. Zijn favoriete hobby was wandelen.
Zijn ontwerp leeft echter voort in de huidige generatie Porsches die naast zakenbankiers ook geliefd is bij voetbalsterren als David Beckham en andere beroemdheden.
Butzi Porsche zal worden bijgezet in het familiegraf in Zell am See. De Porsche die volgend jaar zijn 50-jarig bestaan zal vieren, heeft hem overleefd.
(6-4-2012)
Kees Hoogendijk (1956 – 2012)
Schaker en weldoener
Kees Hoogendijk stierf op 56-jarige leeftijd aan een hartstilstand. In zijn korte leven was hij vooral avonturier, idealist en schaker, maar ook zakenman en leraar.
Peter de Waard
Kees Hoogendijk was een rasoptimist die volgens zijn weduwe Wen Dong zelfs een snelheidsbekeuring ‘een plezierbelasting’ noemde.
Op zaterdag 10 maart speelde hij volgens de Meppeler Courant op het achtste bord van het eerste team van de Meppeler Schaakvereniging tegen Jan Nagel van het Hilversumse Schaakgenootschap. In een ruilvariant van het Spaans wist hij de voormalige politicus en omroepman zo onder druk te zetten dat die moedeloos opgaf. Maandag 12?maart aan het begin van de avond werd hij door zijn echtgenote Wen Dong levenloos in de badkamer gevonden.
Kees Hoogendijk, schaker, computerdeskundige, idealist, avonturier, zakenman, leraar en oprichter van SmartKids Foundation werd slechts 56 jaar. In 2004 won hij de nationale IQ-test van de jongerenomroep BNN. In 2008 was Hoogendijk even internationaal nieuws toen hij voor het schaakteam van Ghana meedeed aan het wereldkampioenschap voor landen, de zogenoemde Olympiade, in Dresden. Elk jaar was hij enige tijd in dat land, waar hij zijn eigen particuliere opleidingsproject had voor hoogbegaafde kinderen.
Hoogendijk werd geboren in Abcoude. Zijn vader was oliehandelaar en het gezin verhuisde diverse keren voordat het in Balkbrug in het oosten van het land neerstreek. Kees Hoogendijk was hoogbegaafd, waardoor hij weinig problemen had met de veelvuldige wisselingen van school. Maar hij was ook al jong eigenzinnig. Op zijn 11de zat hij al op de hbs, maar hij gaf er na drie maanden de brui aan en zei tegen zijn ouders dat hij naar de lts wilde. Uiteindelijk werd het de rijksscholengemeenschap in Meppel, waar hij in de vijfde klas van het atheneum roem vergaarde als eerste streaker van de stad, toen hij met brommerhelm maar verder naakt voor een weddenschap van 100 gulden van de ene naar de andere kant van een overvolle winkelstraat rende. Uiteindelijk ging hij psychologie studeren in Groningen. Hij genoot van de studententijd maar besloot na bijna drie jaar iets totaal anders te gaan doen: het exploiteren van een pompstation in Twente.
Ook daar had hij na drie jaar genoeg van. Hij moest vervolgens de militaire dienst in. ‘Na enkele maanden ging het mis’, zegt zijn vriend Albert Bloemert. ‘Kees werd ernstig ziek. Hij lag zes weken in het ziekenhuis en belandde zelfs tijdelijk in een rolstoel. Het veranderde zijn levenshouding. Hij wilde geen materialist zijn en al helemaal geen carrièreman.’ Hoogendijk zou alleen nog losse baantjes hebben: van administratief medewerker tot magazijnbediende en vrachtwagenchauffeur.
Op een van zijn wereldreizen leerde hij in China zijn vrouw Wen Dong kennen, met wie hij in 1988 trouwde. Met computeronderwijs en beleggen probeerde hij daarna in zijn onderhoud te voorzien. In 1997 begon hij zijn eigen bedrijf: Hoogendijk Computer Opleidingen. Hij besloot in 2004 ook een eigen stichting op te richten – Smart Kid Foundation – die scholingsprojecten voor hoogbegaafde kinderen uit arme gezinnen in Ghana opzette. Hij zamelde hier fondsen voor in, maar stak er ook veel van zijn eigen geld in.
Een andere passie van hem was schaken. Hij was al enkele malen clubkampioen geweest, toen hij zijn project in Ghana begon. Daar leerde hij kinderen ook schaken. Toen Hoogendijk op een toernooi in Ghana tweede werd, bleek dat achteraf het nationaal kampioenschap te zijn en werd hij opgenomen in het nationale team. Op weg naar de Olympiade in Dresden nam Hoogendijk zijn teamleden, die soms nog nooit buiten hun dorp waren geweest, nog even mee voor een bezoek aan Meppel. In 2010 maakte hij opnieuw deel uit aan het Ghanese team dat deelnam aan de schaakolympiade die toen in Khanty Mansiysk in Siberië plaatsvond.
Elk jaar was hij minimaal enkele weken in Ghana met het doel de Smart Kid Foundation te laten slagen. ‘Ik geef geen vis of een hengel aan hen, maar de methoden om zelf een hengel te maken. Ik ben ervan overtuigd dat dit de beste manier is om armoede de wereld uit te helpen ’, zei hij. ‘Het zou me niet verbazen als één van hen over veertig jaar president van Ghana is. Maar dat ga ik niet meemaken.’
(31-3-2012)
Hans van den Doel (1937-2012)
Politicus en hoogleraar
Ideoloog van de PvdA
Hij was binnen de PvdA een van de weinigen die een geleide loonpolitiek wilde. Hans van den Doel moest niets weten van ‘het biefstuksocialisme’.
Peter de Waard
‘Ik verdien veel te veel’, vond hoogleraar en PvdA’er Hans van den Doel in de jaren zeventig. ‘Maar ik stort het niet terug bij Joop den Uyl. Ik pleit ervoor dat ze het mij afpakken.’
Net op het moment dat dit kabinet weer de Loonwet van stal haalt, is de kleurrijke PvdA-econoom Hans van den Doel op 74-jarige leeftijd overleden. Hoewel hij vanwege een hersenbloeding al sinds 1981 weinig in de publiciteit trad, had Van den Doel in de jaren daarvoor met zijn dwarse standpunten een groot stempel op de partij gedrukt.
Hij was binnen de PvdA een van de weinige voorstanders van een geleide loonpolitiek, omdat hij niets moest weten van wat hij ‘het biefstuksocialisme’ noemde. ‘Weet je wat de consequenties zijn van loonsverhoging? Eerst allemaal een auto, dan allemaal een zeiljacht en tenslotte een privévliegtuig. Dat proces moet doorbroken worden’, zei hij in 1976 in een interview met Bibeb. ‘Ik weet zeker dat arbeiders werkgelegenheid, woningen en onderwijs belangrijker vinden dan verre vliegreizen.’
Van den Doel werd geboren in een gereformeerd gezin in Zierikzee waar zijn vader directeur was van de plaatselijke bank. Met zijn eeneiige tweelingbroer Huib groeide hij zij aan zij op met muziek en het lezen van Nietzsche en Jung. Hij ging studeren aan de Vrije Universiteit en werd lid van de PvdA.
In 1966 behoorde hij samen met Jan Nagel, André van der Louw, Arie van der Zwan en Han Lammers tot de initiatiefnemers van Nieuw Links en schreef mee aan het manifest Tien over Rood. Maar met zijn pleidooi voor een regering met KVP en D66 kreeg hij het ook met de partijvernieuwers aan de stok. ‘Ik onderscheidde mij ook van hen doordat ik niet dronk en niet zo goed was in vrouwen versieren’, zei hij later.
In 1967 werd hij Tweede Kamerlid. Het eerste wat hij deed was pleiten voor volledige afschaffing van de hypotheekrenteaftrek. Maar de partij schrok van de vele boze brieven van de eigen aanhang op dit voorstel.
Hij was minister van Volkshuisvesting in het schaduwkabinet van Den Uyl, maar weigerde later de echte post. Van den Doel, die in 1971 was gepromoveerd bij Tinbergen, was toen al hoogleraar politieke economie in Nijmegen geworden. ‘Mijn kracht ligt niet in de politiek, maar in het bestuderen van wat anderen doen.’ In 1976 verscheen zijn boek Democratie en Welvaartstheorie waarin hij het dilemma schetste van een democratische overheid voor de collectieve voorzieningen en de markt die dat moest financieren.
In oktober 1981 kreeg hij twee hersenbloedingen achter elkaar. Hij lag twee maanden in coma. Toen hij bijkwam kon hij niet meer praten. Langzaam pikte hij dat woordje voor woordje weer op. Gelukkig bleek zijn denkvermogen niet aangetast. Hij leefde verder als afasiepatiënt op het Friese platteland. In een interview met Jan Tromp in de Volkskrant in 1994 bleek hij niet van standpunt te zijn veranderd: ‘Ik ben nog steeds overtuigd dat als werknemers moeten kiezen tussen meer poen of meer werkgelegenheid, sociale zekerheid en gemeenschapsvoorzieningen, zij voor het laatste kiezen.’
(31-3-2012)
Fioen Blaisse (1932-2012)
Beeldhouwster
Peter de Waard
De meeste Nederlanders zullen weleens een beeld van Fioen Blaisse hebben gezien, zonder zich af te vragen door wie het was gemaakt. Gekend maar niet bekend.
Fioen Blaisse, die 29 februari op 80-jarige leeftijd overleed in haar woonplaats Amsterdam, was een van de aansprekende beeldhouwers van het land.
Haar werk past in een realistische traditie, waaraan in de kunstkritiek niet veel aandacht is geschonken, omdat het minder interessant werd gevonden. Haar neef Arjen Oosterman heeft daar wel een verklaring voor: ‘De media-aandacht is nu eenmaal geconcentreerd op de avant-garde. Critici zijn op zoek naar verandering en vernieuwing, kunst die zich ergens tegen afzet. De meer realistische stromingen doen het in de media slechter.’
Fioen Blaisse werd in 1932 geboren als tweede dochter van het echtpaar Kramer. Haar vader was violist bij het Concertgebouworkest, dat in die tijd onder leiding van Willem Mengelberg als het beste orkest ter wereld gold. Haar vader overleed echter toen ze pas zes jaar was. Haar moeder – een pianiste – overleed eveneens jong. Niettemin kreeg ze in haar kinderjaren de muziek met de
paplepel ingegoten. Vanaf haar vijfde volgde ze al vioolles en tot op hoge leeftijd bleef ze vioolspelen in kwartetten en ensembles.
Maar uiteindelijk koos ze, na in de na-oorlogse jaren eerst administratief werk te hebben gedaan, voor een op eiding in de beeldende kunst. Aan de Opleidingsschool voor tekenleraren volgde ze een cursus portretboetseren. Ook werkte ze regelmatig in de studio van beeldhouwer en graficus Paul Koning, bij wie ze in contact kwam met vooruitstrevende kunstenaars.
Op haar 26ste jaar begon ze aan een opleiding aan de Gerrit Rietveld Academie. Ze koos niet voor de abstracte vormen van vele van haar tijdgenoten, maar juist voor beelden waarin het figuratieve element overheerste. Haar eerste opdrachtgevers waren vooral particulieren, maar in 1968 maakte ze haar eerste beeld in het kader van een openbare opdracht – een bronzen olifant voor het kindertehuis Amstelland in Amsterdam. Later maakte ze onder meer het bijna twee meter hoge beeld Danseres met tamboerijn voor de Maliebaan in Utrecht.
In 1954 trouwde ze met Erik Blaisse, psycholoog en eigenaar van de likeurstokerij Van Zuylekom. Naast muziek werd de dans de belangrijkste inspiratiebron voor haar werk. Veel van haar beelden waren dan ook danseressen. Bij haar tentoonstelling in de Utrechtse galerie Quintessens in 2003 schreef ze zelf een toelichting. ‘Het gaat niet om wat je ziet, maar om wat je voelt. En om dat gevoel in beeld te brengen, is een ware zoektocht.’
Vanaf 1960 trok ze zich vijf dagen per week terug in haar atelier aan de 3de Wittenburgerdwarsstraat in Amsterdam, waar ze in alle rust geconcentreerd kon werken. Hier was ze volgens haar man intens gelukkig. Ze maakte toen haar beelden – vooral danseressen – in gips. Vervolgens werden ze in brons afgegoten. Niemand hoefde te poseren, want ze werkte uit haar herinnering. ‘Fioen beeldt geen gezichten af, omdat het geen afbeeldingen van bestaande personen zijn. Het zijn verbeeldingen van essenties van dans en daarmee van het leven’, aldus Arjen Oosterman. ‘Zelfs haar vroege buffels zijn al veel meer expressie van ‘buffelachtigheid’, van een bepaald soort onverzettelijke aanwezigheid, dan afbeelding van drie dieren in Artis.’
Het beeld De Waterbuffels verrees in Bilthoven en al snel waren haar standbeelden overal te zien: Wind in de zeilen in Brielle, Danseres in concentratie in het stadswandelpark van Eindhoven, Portret van J.S. Bach in Muziekcentrum Vredenburg in Utrecht en Vrouw met vlinder in Nijmegen.
Fioen Blaisse kreeg in 1998 de Singerprijs voor haar hele oeuvre. Hetzelfde jaar opende koningin Beatrix een expositie in de Beurs van Berlage waarin werk van Blaisse was opgenomen. In 2010 moest ze met werken stoppen toen ze bij een val hersenletsel opliep. Uiteindelijk werd een longontsteking haar dit jaar fataal, precies op het moment dat in galerie Quintessens een nieuwe tentoonstelling van haar werk werd geopend.
(24-3-2012)
Herman Broekhuizen (1922-2012)
radiomaker
Voor kleuters en radiotalenten
Peter de Waard
Herman Broekhuizen gaf Ad ’s-Gravesande in 1967 de kans zijn eerste baanbrekende radioprogramma Rits te maken. Maar hij componeerde ook het kinderliedje Er liggen bolletjes in de grond, waarmee de lente werd ingeluid.
De generatie van veertig jaar en ouder zal hem echter vooral kennen als maker – samen met de in 2004 overleden ‘tante Lily’ (‘Hallo kindertjes van het hele land!’) Petersen – van het radioprogramma Kleutertje Luister waarmee de babyboomers tussen 1946 en 1975 opgroeiden toen de televisie nog in de kinderschoenen stond.
Broekhuizen is op 89-jarige leeftijd overleden, zo werd woensdag bekendgemaakt. Broekhuizen was een van de productiefste na-oorlogse schrijvers en componisten van kinderliedjes. Zijn invloed in de omroepwereld strekt zich echter veel verder uit.
Talrijke programmamakers en presentatoren van de gouden of ‘Minjon-generatie’ zijn bij hem opgeleid, zoals Joop van Zijl (nieuwslezer NOS), Paul Haenen (VARA), Marga van Arnhem (sportpresentator), Ad ’s-Gravesande (VPRO), Gerrit den Braber (AVRO), Koos Postema (VARA), de dj’s Felix Meurders, Skip Voogd en Krijn Torringa, Rob Out (Veronica), de broers Jan en Nico Haasbroek en componist Ruud Bos.
Herman Broekhuizen werd geboren in Den Haag en volgde voor de oorlog de kweekschool. Daarnaast studeerde hij aan het conservatorium in Den Haag. In 1946 werd hij dirigent bij AVRO’s Kinderkoor Jacob Hamel.
Een jaar later begon hij op verzoek van AVRO-directeur Willem Vogt het jeugdprogramma Kleuterje Luister, waarin op dinsdag en donderdag verhaaltjes werden verteld en liedjes werden gezongen met kinderen. In totaal zou hij 4.500 uitzendingen maken.
Broekhuizen richtte in 1953 met instemming van de AVRO de omroep Minjon (Miniatuur Jeugd Omroep Nederland) op, waar jongeren in staat werden gesteld zelf programma’s te maken of ‘met de radio te knutselen’ zoals hij zelf zei. Binnen een week had hij tweeduizend leden.
Dagelijks kwamen jongeren naar de studio, die met een bandrecorder de straat op werden gestuurd om een reportage maken die in schuurtjes aan elkaar moest worden geplakt. De beste reportages werden donderdagochtend uitgezonden in het programma Op de Jonge Golf.
Broekhuizen creëerde ook programma’s zoals het baanbrekende Rits, waarvoor ’s-Gravesande een reportage maakte over travestie, die de AVRO weigerde uit te zenden. Minjon werd de kweekvijver voor omroeptalent: de Minjonners. In 1969 hield Minjon op te bestaan.
In 1970 vertrok Broekhuizen naar het Opleidingscentrum voor de Omroep van de NOS als Hoofd Radio Opleidingen. Samen met Kees Schoonenberg (ex-VARA) trad hij ook daarna nog vaak op als muzikale kinderclown: Kees met de fluit en Herman met accordeon.
In 1984 nam hij afscheid. Broekhuizen bleef nog lp’s en later cd’s maken. Behalve dat hij veel eigen liedjes heeft geschreven (zoals Elsje Fiederelsje, Opa Bakkebaard en Helikopter, helikopter, mag ik met je mee) heeft hij ook talrijke traditionele kinderliedjes gepresenteerd zoals Tussen Keulen en Parijs, Zakdoekje leggen, Op een klein stationnetje en Schipper mag ik overvaren, die soms ten onrechte aan hem werden toegeschreven. Zijn zoon Tjeerd Broekhuizen is een bekende cameraman.
(22-3-2012)
Pierre Draps (1919-2012)
chocolatier
De man die pralines als juwelen verkocht
De vader van het chicste Belgische pralinemerk Godiva laat een keten met zeshonderd winkels in tachtig landen na.
Peter de Waard
‘Ik ben geboren in de chocolade. Ik voelde mij aangetrokken tot het vak en heb mijn hele leven in dienst gesteld van de chocoladekunst’, stond in het overlijdensbericht van Pierre Draps, de vader van het chicste – 28,50 euro voor een doosje met 500 gram – Belgische pralinemerk Godiva.
Draps overleed vorige week donderdag in het Zwitserse Ascona. In de jaren zestig kwam hij met het idee om pralines te verkopen als juwelen. Daarvoor moesten de winkels worden ingericht als juwelenzaken en de pralines worden verkocht in juwelenkistjes.
Het bleek een gouden greep te zijn. Godiva heeft nu zeshonderd winkels in tachtig landen en nog eens tweeduizend verkooppunten op luchthavens en luxewarenhuizen. De omzet is 440 miljoen euro.
Pierre Draps was pas 7 jaar oud toen zijn vader in 1926 in Molenbeek bij Brussel een chocolatier opende. Na diens overlijden neemt hij samen met zijn broers Joseph en François de zaak over die op dat moment vooral chocolade maakt voor kruideniers.
Pas na de Tweede Wereldoorlog openen ze in Koekelberg bij Brussel een eigen zaak onder de uit een Britse legende gepikte naam Godiva. Een half jaar later kan een tweede winkel worden geopend in Knokke. Eind jaren vijftig zijn er al twintig winkels in België, is Godiva gebombardeerd tot hofleverancier en wordt een eerste winkel geopend in Parijs.
In 1972 begint vanuit New York ook de expansie in de VS. De keten is dan al bij gebrek aan opvolgers verkocht aan het Amerikaanse soepenconcern Campbell’s, dat het in 2007 weer overdoet aan het Turkse bedrijf Yildiz Holding.
Pierre Draps zou niettemin tot het einde van zijn leven bij het bedrijf betrokken blijven en nog veel nieuwe ontwerpen bedenken. In 2008 was hij nog eregast bij de opening van een nieuwe zaak aan de Grote Markt in Brussel.
(20-3-2012)
Chaleo Yoovidhya (1923-2012)
Drankenfabrikant
Het genie achter Red Bull
Het drankje dat Chaleo Yoovidhya ontwikkelde om chauffeurs wakker te houden, was vaak doelwit van wilde verhalen.
Peter de Waard
Chaleo Yoovidhya was een van de meest illustere figuren van de moderne marketing. Van eendenhoeder in het noorden van Thailand klom hij op tot een van de rijkste mannen ter wereld dankzij de uitvinding van het energiedrankje Red Bull.
Het merk heeft 70 procent van de wereldmarkt voor energiedrankjes in handen en is daarnaast bekend van zijn racestal in de Formule 1 en de voetbalclubs Red Bull Salzburg en New York Red Bulls.
Chaleo overleed afgelopen zaterdag op 89-jarige leeftijd in Bangkok. Met een vermogen van 5 miljard dollar (3,8 miljard euro) stond hij op plek 205 op de Forbes-ranglijst van rijkste mensen ter wereld. Hij had elf kinderen – zes bij zijn eerste vrouw en vijf bij zijn tweede.
De entrepreneur werd geboren in een Chinees-etnische familie in de Thaise provincie Phichit, waar zijn straatarme ouders eenden hielden en vruchten verkochten. Na enkele baantjes in de nabije omgeving trok hij in 1960 naar Bangkok. Eerst was hij buschauffeur. Later ging hij zijn broer helpen in een apotheek. Daarna begon hij zelf farmaceutische producten – vooral antibiotica – te verkopen.
Een van de producten die hij zelf ontwikkelde, was een drankje dat vrachtwagenchauffeurs en fabrieksarbeiders wakker moest houden tijdens lange ritten of nachtdiensten. Het drankje bevatte naast veel suiker ook taurine (aminozuur), het pepmiddel glucuronolacton, vitamine B en net zo veel cafeïne als in drie blikjes cola.
Hij noemde het drankje Krating Daeng, wat later zou worden vertaald in Red Bull. Het werd een lokaal succes. In 1982 ontdekte de Oostenrijkse entrepreneur Dietrich Mateschitz het drankje tijdens een bezoek aan het Verre Oosten. Hij zocht Chaleo op en de twee zetten een joint venture op om het drankje internationaal te gaan verkopen.
De eerste tests met het drankje over de grenzen waren een fiasco. De flesjes werden verwisseld voor blikjes, waarna het product in 1987 in Oostenrijk werd geïntroduceerd. In hetzelfde jaar besloot Mateschitz tijdens de Grand Prix van Monaco het drankje te propageren. Het bleek de doorbraak te zijn. In 1997 kwam het ook in de VS op de markt. Vijfentwintig jaar later verkoopt Red Bull in 79?landen jaarlijks 3?miljard blikjes onder de reclameslogan ‘Red Bull geeft vleugels aan mensen die lichamelijk en geestelijk actief willen zijn’.
Het drankje is herhaaldelijk het doelwit geweest van mysteries, geruchten en wilde verhalen en bleef een dankbaar onderzoeksproject voor wetenschappers. Zo werd ooit beweerd dat het hoofdbestanddeel taurine uit de testikel van een stier gewonnen zou worden.
Er werd veel onderzoek gedaan naar de invloed van Red Bull op fysieke prestaties of de concentratie, zonder dat leidde tot een eenduidige uitslag. Ook onderzoek naar mogelijke schadelijke bijwerkingen bij hoge doseringen leidde tot elkaar tegensprekende resultaten, hoewel Red Bull tot 2009 nog was verboden in Noorwegen en Denemarken en nu nog verboden is in Uruguay.
In Canada moet er op het label een waarschuwing staan: ‘Niet aanbevolen voor kinderen, zwangere of borstvoedende vrouwen of personen die overgevoelig zijn voor cafeïne. Ook is mengen met alcohol niet aan te bevelen. Drink niet meer dan 500 ml per dag.’ Chaleo Yoovidhya had daar geen boodschap aan.
(19-3-2012)
Henk van der Straaten (1936-2012)
Oprichter Konmar
De koning van de zelfbediening
Mister?Konmar leidde de grootste supermarktketen in de regio Den Haag. Tot op late leeftijd genoot hij van de ‘zakelijke spanning’.
Peter de Waard
Zoals Albert Heijn Nederland leerde sherry te drinken in plaats van citroenbrandewijn, heeft Henk van der Straaten ervoor gezorgd dat de Nederlanders plakjes kaas tussen stokbrood gingen stoppen in plaats van op een witte boterham te leggen.
Van der Straaten overleed op zondag 4 maart op 76-jarige leeftijd aan de gevolgen van longkanker. Hij was samen met Jacques Koster de oprichter van de zelfbedieningswinkel Konmar die in de regio Den Haag tot de belangrijkste supermarktketen zou uitgroeien. Hij dankte hier de naam Mister Konmar aan. Uiteindelijk zou Konmar worden opgeslokt. Nu is de formule eigendom van Jumbo, zij het dat veel winkels andere eigenaren hebben gekregen.
Van der Straaten werd geboren in een gereformeerd gezin van twaalf kinderen in Werkendam. In 1944 trok zijn vader naar Den Haag om daar als bakker te gaan werken. Henk volgde de hbs, had enige tijd een kantoorbaan, vervulde met tegenzin de dienstplicht en begon daarna als marktkoopman. Hij stond met een bakfiets op de markt aan de Herman Costerstraat en op donderdag in Delft. Hij wilde al snel een zelfbedieningswagen hebben, maar kreeg geen toestemming. In Delft begon hij daarop met zelfbediening in een marktkraam. In Den Haag opende hij een zaak onder de naam Supersnoepmarkt. In 1966 sloeg hij de handen ineen met Jacques Koster, die drie jaar eerder aan het Haagse Ursulaland ook een zelfbedieningszaak had geopend. Samen richtten ze een nieuwe zelfsbedienings-supermarkt op. De eerste werd in 1968 geopend in een oude fabriekshal aan de Waldorpstraat. Van der Straaten was toen 32 jaar. Als naam werd gekozen voor Konmar – de afkorting van Konsumentenmarkt.
In een grote advertentie in de Haagsche Courant werd aangekondigd dat de winkel 10 tot 30 procent goedkoper zou zijn dan de concurrentie zoals Albert Heijn. Klanten kwamen verbaasd binnen. In de grote supermarkt waren ook een slagerij, bloemenafdeling, drogisterij, slijterij en bakkerij met een versbroodafdeling gevestigd. Dat had geen enkele supermarkt nog. Konmar kwam zelfs met een eigen stokbroodbakkerij.
De keten groeide snel. In het midden van de jaren zeventig konden geen panden meer worden gevonden die groot genoeg waren om winkels te openen. Van der Straaten kwam in contact met Anton Dreesmann die wel over veel grote panden beschikte. In 1977 verkochten Van der Straaten en Kosters hun Konmar-keten aan Vendex. Van der Straaten bleef directeur en de naam werd gehandhaafd. Al snel werden nieuwe Konmars geopend in Delft, Voorburg, Rotterdam, Zoetermeer, Katwijk, Maassluis en Zwijndrecht. In 1998 fuseerde de Vendex Food Groep, waartoe ook Edah en Basismarkt behoorden, met De Boer Unigro tot Laurus. Het werd een totale mislukking.
Door alle winkels om te bouwen tot Konmars wilde het concern Albert Heijn van de troon stoten, maar als gevolg van prijsstijgingen bleven de klanten weg en balanceerde Laurus op de rand van het faillissement. Het bedrijf werd gedwongen de naam te veranderen in Super De Boer en vele winkels opnieuw om te bouwen, en werd uiteindelijk overgenomen door Jumbo.
Van der Straaten maakte dit niet mee. Hij was al in 1990 bij Konmar als directeur afgetreden. Met zijn vertrek kwam een einde aan de specifieke Konmar-cultuur: de marktachtige presentatie van de producten, de oranje huiskleur en de hechte band tussen de personeelsleden – van vakkenvullers tot de directeur.
Van der Straaten lanceerde kort daarna een nieuw initiatief. Hij ontwikkelde een nieuwe overdekte marktplek in Rijswijk, Darling Market. Het idee had hij opgedaan tijdens een reis naar Australië. Lee Towers zong bij de opening in 1996. De ontwikkeling stokte, onder meer doordat de gemeente niet wilde meewerken aan bestemmingsplanwijzigingen. Vorig jaar organiseerde Van der Straaten nog een reünie voor alle Konmar-werknemers ter gelegenheid van zijn gouden bruiloft en 75-jarige verjaardag. Hij hoopte toen nog de Darling Market nieuw leven in te blazen met een congrescentrum, bakkerijmuseum en een speelstad. ‘Leeftijd speelt daarbij geen rol. Ik hou van die zakelijke spanning’, zei hij. ‘Van de adrenaline. En dat wissel ik netjes af met fietsen, wandelen en met golf.’ Begin dit jaar gaf hij de exploitatie van het gebouw uit handen, hoewel hij eigenaar bleef van het pand.
(17-3-2012)
Max de Winter (1920-2012)
Uitvinder pil
De man die de kerk op de kast kreeg
Dankzij zijn werk kon Organon in 1962 de anticonceptiepil Lyndiol uitbrengen
Peter de Waard
Zijn drijfveer was niet de wens voor grotere seksuele vrijheid. Max de Winter was in eerste instantie laboratoriumonderzoeker. ‘Pas toen na 2000 ineens gesproken werd over een lintje kwam zijn betekenis voor de seksuele vrijheid van vrouwen voor het voetlicht’, zegt zijn zoon Micha de Winter.
In 1962 kon Organon dankzij het onderzoek van Max de Winter en twee collega’s de anticonceptiepil Lyndiol op de markt brengen, die naast popmuziek, lang haar, de minirok en marihuana een van de symbolen zou worden van de jaren zestig.
De Winter overleed afgelopen donderdag op 91-jarige leeftijd in zijn woning in Oss. Hij werd in 1920 in Nijmegen geboren als zoon van Louis de Winter en Mietje Henriette Gomperts. Bij het uitbreken van de oorlog was hij net in dienst getreden van Shell, terwijl hij tegelijkertijd studeerde. In 1942 moest hij vanwege zijn Joodse afkomst ontslag nemen.
Om aan deportatie te ontkomen, trouwde hij tijdig met zijn vriendin Chelly Heymans. Samen met haar dook hij daarna onder bij een tuinder in Twello. Hij werd verraden en kwam in het vernietigingskamp Auschwitz terecht. Omdat het Duitse bedrijf Siemens zijn technische kennis kon gebruiken, wist hij de oorlog te overleven. Maar zijn vrouw stierf daar. Aan het einde van de oorlog werd hij nog twee keer overgeplaatst, naar de kampen Buchenwald en Sachsenhausen.
Na de oorlog kon hij bij Shell terugkeren. Hij volgde in de avonduren een studie voor chemisch ingenieur. In 1948 stapte hij over naar het farmaceutisch bedrijf Organon in Oss. Inmiddels was hij hertrouwd met Bertine Meijer, die een onderduikverleden had. Samen kregen ze twee zonen: de hoogleraar pedagogiek Micha de Winter en de media-ondernemer Harry de Winter. In 1955 slaagde hij erin met een team wetenschappers het hormoon lynestrenol te ontdekken dat de ovulatie bij de vrouw afremde. Dit leidde tot de ontwikkeling van een anticonceptiepil die in 1962 op de markt kwam – twee jaar nadat in de VS al een soortgelijke pil was geïntroduceerd. Maar de Organon-pil was hier veel succesvoller.
Met de pil kon een einde gemaakt worden aan ongewenste zwangerschappen die vaak tot illegale abortussen leidden. De katholieke kerk was er niet blij mee. Het verzet in Noord-Brabant was zo groot dat Organon de pillen door een ander bedrijf moest laten verpakken en het in België als middel tegen menstruatiestoornissen op de markt bracht.
De Winter deed daarna ook veel onderzoek naar vruchtbaarheid en onvruchtbaarheid onder vrouwen. ‘Als gevraagd werd wat onze vader deed, zeiden we altijd dat hij in de sekshormonen zat’, zegt Micha de Winter.
Max de Winter zette zich zeer in voor de zionistische zaak. Hij was een zogezegd socialistisch zionist. Na zijn pensionering in 1983 studeerde hij cultuurgeschiedenis en raakte hij geïnteresseerd in kunst.
(12-3-2012)
Tina Strobos (1922-2012)
Verzetsstrijdster
Een van de laatste verzetsheldinnen
Net als haar ouders in de Eerste Wereldoorlog hadden gedaan, ving ook Tina Strobos tijdens de Tweede Wereldoorlog onderduikers op.
Peter de Waard
Tina Strobos was een van de laatste levende verzetsheldinnen van Nederland. Ze hielp tijdens de oorlog ruim honderd mensen met onderduiken, onder wie de socialist en vakbondspionier Henri Polak.
Strobos overleed 27 februari in Rye, in de Amerikaanse staat New York, aan de gevolgen van borstkanker. Ze werd in Amsterdam geboren als Tineke Buchter in een socialistisch atheïstisch gezin. Al in de Eerste Wereldoorlog werd opvang geboden aan Belgische vluchtelingen.
Ze was de enige dochter van de vastgoedontwikkelaar Alphonse Buchter en Marie Schotte. Haar ouders gingen nog voor de oorlog uit elkaar, waarna zij bij haar moeder bleef. Toen de Duitsers op 10 mei 1940 het land binnenvielen, was Tina begonnen aan een studie medicijnen. Nog tijdens die oorlogsdagen boden zij en haar moeder, in het drie verdiepingen tellende huis aan de Nieuwezijds Voorburgwal 282 in Amsterdam, onderdak aan Polak. Om te verbloemen dat ze hem kenden moest ze de exemplaren van het socialistische dagblad Het Volk die als behangpapier waren gebruikt, losweken van de muren.
Het was de allereerste verzetsdaad. Vanaf die tijd zouden ze bijna honderd onderduikers opvangen, die na een kort verblijf meestal werden doorgeplaatst naar veiligere adressen. Al gauw werd ze betrokken bij andere verzetsdaden, zoals het vervoer van wapens en het vervalsen van persoonsbewijzen. Dat laatste deed ze door echte persoonsbewijzen te stelen op plekken waar veel mensen bijelkaar kwamen, zoals begrafenissen. Vervolgens verwisselde ze de foto’s. Ook organiseerde de familie elke dag van zes tot acht uur ’s avonds een bijeenkomst waarbij geluisterd werd naar de BBC-radio.
Tina Strobos werd drie keer opgepakt, haar moeder twee keer. Ze wist telkens de dans te ontspringen dankzij haar vrouwelijke charme en uitstekende kennis van de Duitse taal. Toen de Gestapo een keer binnenstapte zei ze tegen haar moeder: ‘Er is niets waar je bang voor hoeft te zijn. Ze hebben niets over ons. Ze kunnen niets bewijzen.’ Niettemin werd ze een keer tijdens de verhoren zo hard aangepakt dat ze bewusteloos raakte, nadat ze tegen een muur was gegooid.
Tot de onderduikers behoorde ook de verzetsstrijder Johan Brouwer. Hij deed in 1943 mee bij de aanslag op het bevolkingsregister onder leiding van Gerrit van der Veen. Hij werd later geëxecuteerd. Ook hielp ze vele joodse onderduikers. Een van hen was haar vriendin Trusah van Amerongen, die vijf kinderen had en als orthodoxe jodin haar eigen kosher eten maakte. Een andere was de beroemde natuurkundige Bram Pais met wie ze ook een korte relatie kreeg.
In het huis liet ze een speciale alarmbel aanleggen die iedereen kon waarschuwen als er politie voor de deur stond. De onderduikers waren ondergebracht in een door timmerlieden uit het verzet gebouwde zolder, die een vluchtweg bood naar een school. Omdat de Duitsers nooit scholen binnenvielen, was dit een zeer veilige schuilplaats. Ook verleenden moeder en dochter onderdak aan 18 studenten die weigerden de loyaliteitsverklaring te tekenen.
Na de oorlog verliet ze Nederland. Volgens haar zoon Jur Strobos was ze teleurgesteld in het bewind. Dat onderscheidde zich volgens haar niet van de mensen die voor de oorlog regeerden. Met haar verloofde, de neuroloog Robert Strobos vertrok ze naar Aruba, waar hij een baan kon krijgen bij Shell. In 1947 trouwden ze. Ze zouden drie kinderen krijgen. Tina Strobos studeerde ook nog bij Anna Freud in Londen, voordat zij zich met haar man in de VS vestigde. Ze werd kinderpsycholoog, een functie die ze tot op heel hoge leeftijd uitoefende. Later vestigde het gezin zich in North Carolina.
Op dat moment was ze nog vast van plan een keer naar Nederland terug te keren. Maar na een scheiding in 1964 hertrouwde ze met de Amerikaanse econoom Walter Chudson, die al twee kinderen had. Over haar oorlogservaringen sprak ze zelden, zegt Jur Strobos. Ze kwam heel vaak terug naar Nederland, waarbij ze ook altijd even langs het adres aan de Nieuwezijds Voorburgwal liep. In 1989 ontving ze de Righteous Among the Nations Award van Yad Vashem. Pas daarna profileerde ze zich meer. Zo sprak ze zich uit tegen martelingen en hielp ze slachtoffers van de orkaan Katrina in 2005.
(10-3-2012)
Jaap Boersma (1929-2012)
Politicus
Minister met een sociaal imago
Hij zat als minister namens de ARP in het kabinet, maar Boersma stond links van de christenen.
Als politicus moest je gewoon je werk doen. Jaap Boersma was een even eigenzinnige Fries als een ongecompliceerd politicus. Hij had geen hoge filosofische ideologie.
Boersma was twee keer minister van Sociale Zaken toen politiek even hip was als koken en mode nu: eerst in het kabinet-Biesheuvel (1971-1973) en daarna in het kabinet-Den Uyl (1973-1977). Hij stond aan de linkerkant van de christelijke politiek en had weinig op met het nieuwe CDA, waarin KVP, ARP en CHU in 1980 opgingen.
Hij koos voor een carrière in het bedrijfsleven. Het handels- en bouwconglomeraat OGEM, waar hij de baas werd van de divisie bouw en techniek, bleek precies de verkeerde keuze te zijn. Na zijn ontslag was hij anderhalf jaar werkloos totdat PvdA-wethouder Jan Schaefer, die staatssecretaris was geweest in hetzelfde kabinet-Den Uyl, hem een baantje gaf als directeur van de Stadsreiniging Amsterdam – ‘een carrière van minister tot vuilnisman’.
Boersma werd toen zelfs lid van de PvdA, maar keerde zich van de partij af toen die onder Paars in zijn ogen te behoudend was geworden. In 1992 vestigde hij zich in Noord-Brabant, waar hij het genoegen ontdekte van een ‘huisje waar je omheen kunt lopen’. Tien jaar geleden keerde hij weer terug naar Amsterdam waar hij dinsdag op 82-jarige leeftijd overleed.
Boersma werd geboren in een gereformeerd nest in Leeuwarden, waar zijn vader bij de Nederlandse Spoorwegen werkte. Vlak na de oorlog ging hij economie studeren, eerst in Rotterdam en later aan de VU. Meteen werd hij door vakbondsvoorman Marinus Ruppert binnengehaald als medewerker bij het CNV.
Ruppert zette hem als econoom in 1964 ook op de lijst voor de Tweede Kamer voor de Anti Revolutionaire Partij (ARP). Zeven jaar later kreeg een ministerspost in het kabinet Biesheuvel.
Als links politicus kwam hij al snel in aanvaring met andere kabinetsleden. Hij moest niets hebben van de coalitiepartners VVD – ‘de partij van de drie H’s: halen, hebben en houden’ – en DS’70 van Drees jr. Met name met minister jonkheer Mauk de Brauw (DS’70) kreeg hij het al snel aan de stok.
Na de verkiezingen van 1973 besloot Boersma zich tegen het advies van partijleider Biesheuvel in als minister beschikbaar te stellen voor een regering van PvdA, D66 en PPR. Daarna volgden ook Gaius de Gaay Fortman hem, en vier KVP’ers onder wie Van Agt en Lubbers.
In het kabinet stond hij dichter bij de PvdA dan bij de christelijke partijen. ‘Eigenlijk was ik zelfs linkser van de PvdA-ministers. Ik was voor nationalisering van alle grond.’
In 1975 drukte hij na een negatief advies het plan door voor een vervroegde uittredingsregeling vut om op deze wijze iets te doen aan de jeugdwerkloosheid. Dankzij de vut kon Boersma een grote staking in de haven van Rotterdam afwenden.
Ook in het onderwijs, de bouw en de metaal werd al snel de mogelijkheid geschapen om op 63-jarige leeftijd met pensioen te gaan. Een ander hoogtepunt was voor hem de totstandkoming van een nieuwe Wet op de Ondernemingsraad die werknemers veel meer invloed gaf.
Na de val van het kabinet Den Uyl vertrok hij naar OGEM, dat een veilig bolwerk leek van christelijke politici met Berend-Jan Udink als topman, Biesheuvel als commissaris en Hannie van Leeuwen als personeelschef. Het bleek daar een complete janboel te zijn. Boersma werd nadat hij zijn collega’s in een interview met Vrij Nederland als graaiers, geldwolven en absolute nullen had afgeschilderd, ontslagen.
Hij koesterde zijn sociale imago. Toen hij in 1987 voorzitter werd van het Voorzieningenfonds voor Kunst zei hij krijgshaftig: ‘Mensen in het verdomhoekje kunnen op mij rekenen.’
Boersma trouwde drie keer, onder anderen met de omroepster en journaliste Alice Oppenheim.
(8-3-2012)
Jo Zwaan (1922-2012)
De atleet naast Fanny
Zijn grootste liefde was voetbal en vooral Ajax, maar hij brak door in de atletiek. Voor het Olympisch Stadion stonden rijen fans.
Hij en niet Rinus Michels werd in 1965 als eerste gevraagd trainer te worden van Ajax. Maar Jo Zwaan bedankte onder druk van zijn vrouw die een carrière in het voetbal te onzeker vond.
Hij is er volgens zijn zoon Jan Zwaan altijd gefrustreerd over gebleven dat hij deze kans heeft laten liggen. ‘Stel hoe het was gelopen als híj in plaats van Michels de gouden generatie onder wie Johan Cruijff had kunnen trainen.’
Voormalig voetballer en atleet Jo Zwaan overleed op 5?februari in een bejaardenhuis in Diemen op 89-jarige leeftijd. Hij en zijn broer Jan waren begenadigde sporters en leden van de Amsterdamse atletiekclub AAC in de tijd dat de vrouwenafdeling ADA met Fanny Blankers-Koen een absolute wereldster had.
In het jaar dat Blankers-Koen vier maal goud won in Londen was Jo Zwaan de beste Nederlander op de 100 meter sprint bij de mannen. Hij werd in 1948 dan ook Nederlands kampioen. Op de Spelen in Londen werd hij echter al in de achtste ronde uitgeschakeld met een tijd van slechts 11,0 seconden. De oorzaak volgens Jan Zwaan was dat de bondscoach van de atletiekploeg Jan Blankers alleen maar aandacht had voor zijn eigen vrouw. ‘Begrijpelijk. Zij was de grote ster en zou goud gaan winnen. Maar hierdoor heeft Jo wel twee uur langs in een ijskoud en nat Wembley de warming-up moeten doen. En dat heeft hem opgebroken. Hij had 10,6 kunnen lopen en de finale kunnen halen. Maar in die toestand lukte dat niet.’
Met de estafetteploeg haalde hij wel de finale, maar een medaille zat er niet in. Eén jaar later wist hij met een estafetteploeg nog een nieuw nationaal record te vestigen op de 4x200 meter, dat tot 1970 standhield. Zij eigen record op die afstand was 22,0 seconden. Ook zou hij met een ander estafetteteam het record op de 4x100 meter houden.
Jo Zwaan werd geboren in de Vijzelbuurt in het centrum van Amsterdam. Zijn vader was een tabaksmakelaar die er in mei 1940 in slaagde een lading tabak van Hamburg naar Nederland te krijgen voor de Deli Maatschappij. Jo had een jongere broer Jan die later meermalen Nederlands kampioen zou worden op de 110 meter horden.
Op zijn zesde jaar kreeg Jo Zwaan een bizar ongeluk. Hij kreeg op een bouwlocatie een enorme balk op zijn hoofd. Jo Zwaan zou enige tijd school moeten missen en zou zijn hele leven last houden van hoofdpijn.
Ondanks een leerachterstand lukte het hem om het diploma van de vierjarige Mulo te halen. Op deze school leerde hij ook zijn latere vrouw kennen. Hij bleek daar een zeer talentvol sporter te zijn. Hij hield van boksen en atletiek, maar zijn eerste liefde was voetbal. Op 16-jarige leeftijd speelde hij bij Ajax. Maar in een derby tegen Blauw-Wit kreeg hij zo’n enorme schop dat hij gedwongen was met topvoetbal te stoppen.
Hij ging een opleiding bouwkunde volgen aan de HTS. In 1946 haalde hij het diploma waarna hij aan de slag kon bij Ballast Nederland. Als alternatief voor het voetballen was hij in 1940 lid geworden van AAC. Al in het eerste jaar vestigde hij als junior een clubrecord op het verspringen met 6,23 meter. In 1944 vestigde hij een nieuw clubrecord op de 4x100 meter in een team waar ook Chris Berger deel van uitmaakte. Berger – vader van de omroepster Elles Berger – was voor de oorlog al twee keer Europees kampioen geweest op de sprint.
Na de oorlog groeide Zwaan uit tot een Nederlandse topper. Zijn beste jaren waren tussen 1946 en 1949. Atletiek was toentertijd een grote sport en bij atletiekwedstrijden was het hele Olympisch Stadion vaak uitverkocht. Zwaan was in Nederland dan ook bekender dan de grote schaatsers en wielrenners van die tijd. Rijen fans stonden vaak voor het Olympisch Stadion om een handtekening van hem te krijgen.
Vanaf 1950 ging het minder met zijn sportcarrière. Jo Zwaan begon een gezin en had minder tijd om te trainen. Hij zou later bouwopzichter worden bij de gemeente Amsterdam en uiteindelijk technisch hoofdambtenaar. ‘Sport bleef zijn lust en zijn leven.’ Atletiek was daarbij zijn grote liefde, maar zijn allergrootste liefde was voetbal en vooral Ajax. Jo Zwaan bleef zijn hele leven in Amsterdam wonen, waar ook zijn drie kinderen opgroeide. Een half jaar geleden moest hij overgebracht worden naar een bejaardentehuis in Diemen waar hij overleed.
(3-3-2012)
Adriaan Bontebal (1952-2012)
Stadsdichter en performer
Markant Haags artiest
Adriaan Bontebal, de artiestennaam van Aad van Rijn, kende weinig geluk. Hij was in zijn gedichten vaak zelf onderwerp éen slachtoffer tegelijk.
Peter de Waard
Op de dag voor zijn dood werkte hij nog aan een gedicht. De Haagse stadsdichter Adriaan Bontebal stierf op 11 februari in het harnas. Hij werd slechts 59?jaar. Ondanks de tegenslagen in zijn leven heeft hij als schrijver en performer een groot oeuvre achtergelaten. Vooral in de jaren tachtig en negentig was hij een bekende gast op de literaire festivals en podia. Hij was een markante persoonlijkheid met zeer bijzondere humor, die hij met een Haagse tongval bracht.
Bontebal werd geboren als Adriaan – ‘Aad’ – van Rijn in een katholiek arbeidersgezin in Leidschendam. Zijn vader had meerdere banen, maar verdiende vooral de kost bij een zaadveredelingsbedrijf. Adriaan was de tweede in een gezin met negen kinderen. Hij was even acoliet in de parochiekerk, maar volgens zijn broer Theo van Rijn waren zijn ouders links georiënteerd. ‘Noem het een rood katholiek nest’. Aad van Rijn ging na de mulo studeren aan de Landbouwhogeschool in Wageningen. Hij maakte die opleiding niet af. Hij begon een carrière als computerprogrammeur bij de PTT in Den Haag. In 1975 kreeg hij een ernstig motorongeluk, waardoor hij zijn rechterbeen verloor. Die beperking frustreerde hem, zegt zijn broer Theo. ‘Maar sommige keuzes had hij daarvoor al gemaakt. Zo besloot hij enkele weken nadat hij met S5 uit militaire dienst was teruggekeerd, geen kinderen te willen. Hij keerde zich tegen alle burgerlijkheid.’
Hij volgde een opleiding aan de Sociale Academie, waarna hij een tijdje in een wijkcentrum in Den Haag ging werken. Hij kwam in contact met radicaal linkse en anarchistische kringen en was een van de pioniers rond het legendarische Haagse kraakpand De Blauwe Aanslag.
In 1982 begon hij onder het pseudoniem Adriaan Bontebal als dichter op te treden. Hij was een opvallende verschijning, met zijn zwarte krakersjas, zijn lange haar en zijn hinkende tred. De dichter Bontebal vond al snel aansluiting bij geestverwanten in het krakers- en undergroundcircuit. Met onder anderen Frank Starik, Koos Dalstra, Arthur Lava, Eddie Kagie en Jaap Blonk vormde hij een jaar later de dichtersgroep H.J. van de Bijl. Zijn gedichten, zoals Ontwaken, werden gekenmerkt door zwarte humor :
Ieder ontwaken
een feest
Ik sta op
rek me uit en
krab me eens flink
aan het onderlijf
Als rijpe vruchten
vallen de eitjes
van mijn schaamluis
op het dauwvochtige
slaapkamerzeil
(…)
Hij stak graag de draak met zichzelf. ‘Schrijvers zijn over het algemeen in gezelschap van de mooiste vrouwen. Zo zijn er meer vraagtekens bij mijn schrijverschap te zetten’ schreef hij in zijn verhalenbundel Een goot met uitzicht uit 1988. Behalve zijn teleurstellende ontmoetingen met vrouwen beschreef hij in korte vaak autobiografische verhaaltjes op soms absurdistische wijze zijn aanvaringen met agenten en andere belevenissen in het Haagse stadsleven.
In 1987 was hij mede-organisator van De Haagse Nach van de Literatuur. Er zouden daarna podiumsamenwerkingen volgen met filmmaker Theo van Gogh en striptekenaar Eric Schreurs. In 1998 maakte hij samen met de Haagse cabaretier Sjaak Bral het theaterprogramma Uit de Haagse School geklapt. Verder las hij verhalen voor in het VPRO-radioprogramma Music-Hall. Hoewel de Belgische schrijver Herman Brusselmans hem een aanwinst noemde voor de Nederlandse literatuur, bleef Bontebal aan zichzelf twijfelen.
Na duizend optredens zette hij een punt achter zijn carrière. Hij trok zichzelf terug in zijn hofjeswoning in de Schilderswijk. Sporadisch trad hij nog op, zoals in 2010 toen hij bij Imagine in The Park in Scheveningen en vorig jaar bij de presentatie van zijn broers bundel Vissen zonder aas in Leidschendam. ‘Ik ben meer dan tevreden over dit leven’, zei hij vlak voor zijn dood.
(25-2-2012)
Bram Aardewerk (1932 - 2012)
Zilverexpert
Bevlogen AVRO-antiquair
Toen Bram Aardewerk een keer zijn vader mocht vervangen in diens antiek-zaak, raakte hij verslingerd aan zilverwerk uit de 17de en 18de eeuw.
Peter de Waard
Iedereen valt nu voor een Rembrandt of Vermeer. Maar in de 17de en 18de eeuw stonden zilveren voorwerpen hoger aangeschreven, als kunst en als waardeobject. 'Als je baas in die tijd zilveren voorwerpen kon tentoonstellen, had hij voldoende geld om een inkomen te garanderen', zei Bram Aardewerk, de Haagse zilverantiquair, eens.
Tegenwoordig zijn schilderijen veel duurder. 'Dat komt doordat schilderijen eeuwenlang, onophoudelijk en ononderbroken zijn gepromoot, terwijl het zilver uit de aandacht verdwenen is toen er geen zilveren munten meer in omloop werden gebracht. De koppeling van zilver en geld viel weg en inflatie deed zijn intrede.'
Aardewerk overleed 28 januari aan de gevolgen van kanker. Hij werd 79 jaar. Twintig jaar lang was hij de zilverexpert van het AVRO-programma Tussen Kunst & Kitsch. Daarnaast heeft hij zich ingezet voor het behoud van de vermaarde kunst- en antiekbeurs in Delft.
Tot hij ziek werd, vorig jaar augustus, was hij nog altijd betrokken bij zijn eigen antiek- en juwelierszaak aan de Jan van Nassaustraat in Den Haag. 'Wij hadden de dagelijkse leiding overgenomen', zegt zijn dochter Esther. 'Maar hij was onze president-commissaris, bij wie wij altijd voor advies terecht konden.'
Abraham (Bram) Aardewerk werd in 1932 geboren in Den Haag in een joodse gezin met vier kinderen. Zijn vader had al een antiekzaak. In de oorlog dook de hele familie op verschillende adressen onder - Bram verbleef als jongetje in De Steeg, niet ver van Velp. Wonder boven wonder overleefden ze allemaal.
Na de oorlog ging hij naar de hbs en volgde een opleiding aan Nyenrode. Hij werkte daarna bij de diamantzaak van de familie in Amsterdam en op de administratie van de Curaçaose Handels Maatschappij. Ook was hij nog twee jaar lang souschef op de huishoudafdeling van De Bijenkorf. Toen zijn vader door griep werd geveld, viel Bram Aardewerk een keer in bij de familieonderneming. Hij zou het vak meteen koesteren. Aardewerk specialiseerde zich daarna in 17de- en 18de-eeuws Nederlandse zilverwerk.
'Zilver is plastisch en weerkaatst 99 procent van het licht. Hij vond dit een zeer boeiend materiaal', zegt zijn dochter. In 1970 vestigde hij zich als zelfstandig antiquair aan de Jan van Nassaustraat, samen met zijn vrouw Magdie. Collega's raadden het hem af, want buiten Amsterdam zou zo'n zaak geen toekomst hebben. Bram Aardewerk liet zich er niet door weerhouden: 'Als de collectie mooi genoeg is, maakt het niet uit waar je zit.'
Hij besefte dat de tijd voorbij was dat antiekhandelaren voldoende hadden aan persoonlijkheid en reputatie om te verkopen. In deze moderne tijd was kennis onontbeerlijk.
De nieuwe clientèle was niet meer opgegroeid met antiek. Ze kenden en herkenden de objecten van vroeger niet meer en twijfelden over de waarde. De kennis kwam nu vooral uit boeken, of van de razendpopulaire studie kunstgeschiedenis. Dit dwong de handel ook te gaan studeren en onderzoeken, iets wat Aardewerk toejuichte.
Aardewerk zag liefde voor kunst als een oerdrift. Volgens hem hebben mensen allemaal een ingebouwd gevoel voor schoonheid; een gevoel dat is gebaseerd op overleven. En dat mensen ook dezelfde dingen mooi vinden. Dat veranderde echter in de 19de eeuw toen de objectieve schoonheid plaatsmaakte voor de eigen interpretatie. Het einde van de oude gildenstructuur was voor Aardewerk het einde van het echte vakmanschap. 'Er werden allerlei varianten verzonnen om de aandacht van de koper te trekken. Het werd er niet beter op.'
Hij zette zich in voor het behoud van het beroep van zilversmid. Samen met Jan van Nouhuys heeft hij het moderne Nederlandse zilver gepromoot en nieuw leven ingeblazen, onder meer door het uitschrijven van ontwerpwedstrijden voor jonge zilversmeden. Daarnaast was hij de initiatiefnemer voor de cursus 'Antiek in de praktijk' en was hij jarenlang lid van de keuringscommissie van de Pan- en Tefaf-beurzen waaraan hij zelf ook deelnam.
(18-2-2012)
Alwine barones de Vos van Steenwijk (1921 - 2012)
Idealiste
Behoedster van de Vierde Wereld
Toen ze 16 jaar was, haalde ze al haar diploma gymnasium. Ook was ze de eerste vrouwelijke attaché van Nederland. Maar het bekendst werd ze als 'barones van de armoede'.
Peter de Waard
Ze werd de barones van de armoede genoemd. Alwine Antoinette de Vos van Steenwijk was de eerste vrouwelijke diplomaat van Nederland, maar ze werd vooral bekend als de vrouw die zich sinds begin jaren zestig onvermoeibaar inzette voor de ATD Vierde Wereld Beweging, die de armoede in de krottenwijken van de wereldsteden bestrijdt. Ze was de aristocratische versie van Moeder Teresa, hoewel ze veel te bescheiden was om zich met haar te vergelijken.
De barones overleed op 24 januari op 90-jarige leeftijd in haar vakantiehuis in Nederland aan de gevolgen van een longontsteking. De laatste jaren woonde ze vooral in Frankrijk. 'Ze is in het harnas gestorven', zegt Niek Tweehuijsen, coördinator en volontair bij de Nederlandse afdeling van ATD.
Haar grootvader, mr. Willem Lodewijk baron de Vos van Steenwijk, heer van de Gelder en Hagevoerde, was een conservatieve Overijsselse landedelman die in de jaren dertig van de vorige eeuw een markante voorzitter was van de Eerste Kamer. Formeel was hij lid van de CHU, maar eigenlijk had hij - net als zijn vriend Hendrik Colijn - een tamelijk grote hekel aan partijpolitiek. Alwine werd in Noordwijk geboren - in een woning tegenover het huidige Huis ter Duin - als derde in een gezin van zes kinderen. Ze was een intelligente leerling die op haar 16de jaar al het gymnasiumdiploma behaalde. 'Maar daarnaast was ze ook een zeer serieus kind', zegt haar jongere broer Roelof baron de Vos van Steenwijk, advocaat in Den Haag. Daarna werd ze - zoals gebruikelijk was in adellijke kringen - naar een privéschool in Engeland gestuurd, waar ze de specifieke etiquetteregels voor toekomstige echtgenotes moest leren. Alwine zou echter nooit trouwen.
De oorlog stond na haar terugkeer in Nederland een verdere studie in de weg. Ze werd verpleegster bij het Rode Kruis en was betrokken bij het verzet. Na de oorlog wist ze een plaats te bemachtigen in het diplomatenklasje en werd daarna de eerste vrouwelijke attaché van Nederland. Na Bonn en Washington was Parijs haar derde standplaats.
In Parijs leerde zij tijdens een bezoek aan een kamp voor dak- en thuisloze gezinnen priester Joseph Wresinski kennen. Hij had in de krottenwijk Noisy-le-Grand, vlakbij Parijs, een hulpproject. Hij vroeg Alwine om uit een enorme berg tweedehands schoenen paren bij elkaar te zoeken en oude kleding te sorteren. 's Avonds trof Père Joseph Wresinski haar aan in tranen. Ze vertelde hem dat ze zich schaamde voor de manier waarop mensen uit haar milieu de armsten vernederden door ongelijke paren schoenen en andere rommel te geven. Alwine barones de Vos van Steenwijk vroeg wat ze zou kunnen doen voor hem en zijn project.
Hij vroeg haar een onderzoeksinstituut op te zetten. L'Institut de Recherche des Relations Humaine (het Instituut voor Onderzoek naar Menselijke Relaties) moest de beweging van Wresinski een wetenschappelijke grondslag geven en internationaal kredietwaardig maken. De ATD (All Together for Dignity) werd daarmee een van de raadgevende ngo's in de wereld, naast bijvoorbeeld Oxfam en het Rode Kruis. De EU, de VN en andere intergouvernementele organisaties kregen talrijke adviezen.
Alwine de Vos van Steenwijk publiceerde acht boeken, waaronder een biografie over Wresinski, en honderden artikelen over het bestrijden van armoede. Na het overlijden van Joseph Wresinski in 1988, zag ze het als haar opdracht zijn gedachtengoed te verspreiden. Dat leidde tot de oprichting van het Internationale Joseph Wresinski Centrum.
De afgelopen jaren heeft zij, met Laurens Umans, acteur, scenario-schrijver en regisseur, gewerkt aan theaterstukken. De voorstellingen zijn niet alleen gebaseerd op het leven van de allerarmsten, maar de rollen worden ook door hen gespeeld.
Daarmee probeerde zij vorm te geven aan een van de idealen van Joseph Wresinski. Cultuur en creativiteit waren volgens hem ook een wapen tegen de armoede. Alwine de Vos van Steenwijk was Officier in de Orde van Oranje Nassau en ridder in de Franse Orde van het Legioen van Eer (Légion d'Honneur).
(4-2-2012)
Emile den Tex (1918 - 2012)
Geoloog
De koning van de petrologen
Zijn vader, een bankdirecteur, vond het maar niks dat zijn zoon wilde gaan studeren. Emile den Tex hield echter vol en werd een beroemd geoloog.
Peter de Waard
Geoloog Ilse den Tex zei dat hij in Australië nog altijd ‘Professor Den Tex, the king of petrology’ wordt genoemd. ‘Ik was de kleindochter van die beroemde geologen-opa’, verklaarde ze trots op de afscheidsdienst van de op 3 januari in zijn woonplaats Zoeterwoude overleden Emile den Tex.
Emile den Tex was een petroloog of gesteentekundige. Uit de structuur en samenstelling van stenen kon hij de geschiedenis aflezen. Behalve wetenschapper was hij ook een avonturier, een dichter, Elfstedenschaatser, zeezeiler en vader van zes kinderen.
Hij was hoogleraar aan de universiteiten van Leiden en Utrecht, lid van de afdeling natuurkunde van de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen en mede-oprichter van de International Union for the History of the Geosciences. Emile was de broer van de in 1997 overleden Bergense kunstschilder Kees den Tex.
Hij werd geboren in een patriciërsgezin. Zijn vader was bankdirecteur in Amsterdam. Toen Emile den Tex hem vertelde dat hij geologie wilde studeren, vond hij dat maar niets. Studeren was niet zo de gewoonte in dit zakenmilieu.
Emile zette door en begon in 1937 aan zijn studie in Leiden. De sluiting van deze universiteit door de bezetters dwong hem naar Groningen te gaan, nadat hij was ontsnapt uit tewerkstelling in Duitsland. Tijdens de oorlog schreef hij twee dichtbundels (Slagzij en Schipbreuk). Vlak na de oorlog publiceerde hij de novelle Het Jaar Job, een tirade tegen de wereld van het geld, de verstikkende fatsoensnormen en de behoudzucht die, naar zijn overtuiging, leidde tot het afstompen van de geest.
De wetenschap bood de uitweg. Hij ging na de bevrijding terug naar Leiden, werd daar president van de studentensociëteit Minerva en slaagde erin alsnog af te studeren. Hij promoveerde op een onderzoek naar stollingsgesteenten in de Franse Alpen. Zijn zoon, de schrijver Charles den Tex, noemt hem een geoloog in hart en nieren. ‘Hij had weinig op met spiritualiteit of andere vormen van onstoffelijke verklaring. Hij hield van de aarde en alles wat deze fantastische steenklomp sinds zijn ontstaan heeft meegemaakt en nog zal meemaken.’
Omdat in Nederland weinig werk te vinden was besloot hij in 1950 – zoals veel andere Nederlanders in die tijd – naar Australië te emigreren. Daar was een plek aan de universiteit van Melbourne vacant. Hij had toen al twee kinderen, met zijn vrouw Finette Lips. Den Tex zou tot 1959 in Australië blijven, totdat hij werd gevraagd hoogleraar te worden in Leiden. Terug in Nederland bleek hij een bekwaam en geliefd leermeester, maar hij bleef ook de fanatieke onderzoeker. Samen met zijn studenten was hij vaak te vinden in de Spaanse landstreek Galicië en later ook in de Pyreneeën, waar ze zich bezighielden met ‘het stukslaan van stenen’. ‘Aan de hand van gesteentevondsten en de vormenrijkdom van de in het landschap zichtbare rotsformaties moest je zien af te leiden hoe de verschillende soorten gesteenten zich tot elkaar verhouden. Daaruit kun je – met enig geluk – conclusies trekken over hun ontstaan en hun opeenvolgende vervormingen en kristallisaties’, zegt zijn student en latere medewerker Peter Floor over het onderzoekswerk.
Charles den Tex omschrijft het nog beeldender. ‘Als wij op het terras stonden voor het huis in de Fourchas en over het dal naar de overkant keken, dan zag ik bomen en velden, hier en daar een huis, een rood dak, wat koeien, schapen, een weg die langs de helling draaide. Hij zag verschuivende platen, gestolde of afgezette gesteenten en breuklijnen. Ik bedoel dit: ik zag minuten, hij zag eeuwen. Hij had een sterk relativeringsvermogen.’
Toen in 1980 de subfaculteiten Geologie-Geofysica van de Leidse en Utrechtse universiteiten in Utrecht werden samengevoegd, bewees hij ook zijn kwaliteiten als bestuurder. ‘Bedachtzaam en diplomatiek’, zo prijst zijn dochter Loutje den Tex hem. Hij wist boven de partijen te staan en zou nog vier jaar in Utrecht werken.
Na zijn emeritaat in 1984 kreeg hij de tijd te werken aan zijn standaardwerk over de historie van de vulkanologie (Een voorspel van de moderne vulkaankunde in West-Europa). Het door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen uitgegeven boek verscheen in zijn 80ste levensjaar.
(21-1-2012)
Govert Nooteboom (1930 – 2012)
politicus
Een dwarse democraat
Peter de Waard
'Iemand die goed met zichzelf overweg kon', omschrijft Adriaan Nooteboom, fiscalist en oud-staatssecretaris in het kabinet-Van Agt I (1977-1981), zijn broer Govert Nooteboom - voormalig D66-politicus en vermaard stralingsdeskundige. De afgelopen twintig jaar vond hij het heerlijk om in gezelschap van alleen zijn hond in de Dordogne te klussen aan zijn cascohuis. Nooteboom overleed op 2 januari als bijna vergeten politicus, hoewel hij in de woelige jaren zeventig een groot stempel op de Haagse politiek heeft gedrukt.
Hij werd geboren in Den Haag, waar zijn vader werkte als bankemployé en belastingconsulent. Hij volgde daar de hbs, waar hij uitblonk in exacte vakken. Geen wonder dat hij daarna in Leiden organische chemie studeerde.
Nederland had begin jaren vijftig grote ambities op het gebied van vreedzaam gebruik van kernenergie. Misschien zou energiegebruik in de toekomst zelfs gratis worden. Daartoe werd het Reactor Centrum Nederland opgericht in Petten - het latere ECN. Nooteboom kwam daar bij als iemand die de limieten van de chemische effecten zou moeten bepalen. Hij volgde opleidingen radiochemie en reactorkunde, en werkte enige tijd in het Noorse Kjeller, waar in 1951 als gezamenlijk Noors-Nederlands project een kerncentrale was gebouwd.
Maar acht jaar later werd bij Slochteren gas gevonden. De aandacht voor kernenergie verslapte daarna snel. En nadat eind jaren zestig de milieubezwaren van deze vorm van energieopwekking meer onder de aandacht kwamen, haakte Nederland bijna helemaal af.
In het intellectuele milieu rond Petten was veel interesse voor de nieuwe politieke beweging die Hans van Mierlo in de jaren zestig had opgericht. Ook Nooteboom sloot zich bij de nieuwe partij aan. Hij werd verkozen tot Kamerlid toen D66 bij de verkiezingen van 1971 steeg van 7 naar 11 zetels. Een van de andere nieuwkomers dat jaar was Jan Terlouw - de latere fractievoorzitter. 'Een eigenzinnige en koppige man. Hij was ook iemand van details. Zijn vragen over kernenergie waren soms zo gedetailleerd dat zelfs de ambtenaren er weinig mee konden', aldus Terlouw over Nooteboom. Als stralingsdeskundige bij uitstek - zijn eerste echtgenote was radiologe - beschouwde hij zijn kennis over dit onderwerp superieur.
Nooteboom liet zich meteen gelden als Kamerlid door tegen de motie-Brautigam te stemmen, waarin het kabinet werd gevraagd om een algemene prijsmaatregel. Bij de verkiezingen in 1972 zakte de partij weer terug naar 6 zetels, zodat Nooteboom uit de Tweede Kamer raakte. In 1974 kon hij echter een vacante zetel innemen. Omdat D66 een jaar eerder was gaan meeregeren in het kabinet-Den Uyl moesten compromissen worden gesloten. Als wetenschapper had Nooteboom daarmee moeite.
Nadat net als D66 ook de nieuwe partij DS70 van de jonge Drees fors had verloren, lanceerde Nooteboom een plan voor een nieuwe gezamenlijke partij. Hij richtte het Democratisch Actie Centrum (DAC) op, waarvoor ook enkele andere D66-Kamerleden aanvankelijk sympathieën koesterden.
Intussen liet Nooteboom zich vooral op het gebied van pensioenen gelden. De aanvaringen met de partijleiding werden steeds feller, vooral nadat Nooteboom in De Telegraaf de inkomensnota van het kabinet als 'boerenbedrog', 'onthutsende smeerlapperij' en 'een greep van de vakbonden naar de macht' had afgekraakt.
In 1976 stapte hij uit de partij uit onvrede over de fractiediscipline, nadat D66 zich had moeten neerleggen bij het kabinetsstandpunt om toch reactorvaten te leveren aan Zuid-Afrika. Hij vormde een jaar lang de dissidente fractie Groep-Nooteboom, waarvan hij zelf het enige lid was.
Toen in 1977 nieuwe verkiezingen werden gehouden, deed hij mee met zijn eigen DAC. De partij kreeg in heel het land slechts 2.150 stemmen. Het betekende het einde van de politieke ambities van Nooteboom.
Nooteboom zou daarna secretaris worden van enkele commissies van de Gezondheidsraad Hij werkte ook achter de schermen als adviseur. Daarnaast gaf hij adviezen over kernenergie. In een interview met Vrij Nederland bekritiseerde hij de versoepeling van de stralingsnormen.
De laatste jaren woonde hij behalve in de Dordogne samen met zijn tweede vrouw in Sassenheim. Daar is hij overleden aan de gevolgen van longemfyseem.
(14-1-2012)
Dionys Obers (1957 - 2011)
De laatste Nederlandse hofnar
Dionys Obers maakte naam als hofnar van het pretpark de Efteling, maar hij ontwikkelde zich tot een veelzijdig artiest.
Peter de Waard
Dionys Obers was de enige, en daardoor automatisch beroemdste hofnar van Nederland. Heel veel Nederlanders zullen hem in levenden lijve hebben gezien, hoewel ze zich zijn naam misschien niet meer zullen herinneren.
In de jaren tachtig was hij, onder zijn artiestennaam Dio Oberon, de hofnar op de Efteling. Later maakte hij carrière als muzikant, componist en beeldend kunstenaar. Hij noemde zich dan ook het liefst 'nartiest'. Dionys Obers overleed zaterdag 17 december aan een hartstilstand tijdens een optreden als hofnar in Kasteel Dussen. Hij was pas 54 jaar oud. In zijn paspoort stond als beroep nog altijd: hofnar.
Hij werd op 8 september 1957 geboren in St. Oedenrode, als de jongste zoon uit het eerste huwelijk van de dichter en kunstcriticus Frans Obers - beter bekend als Frans Babylon - met Tosca de Vries. De creativiteit van zijn vader, die op de bruine kroegtafels zong en de flamengo danste, zat vanaf het begin bij Dionys in de aderen. Hij ging echter naar de grafische school en werkte vervolgens bij het milieucentrum De Kleine Aarde in Boxtel als kruidentuinman.
In 1980 solliciteerde hij bij het pretpark De Elfteling als ontwerper. Omdat hij wist dat zich voor de functie vele honderden mensen zouden melden, vond Dionys dat hij zich moest onderscheiden. Hij deed dat met een felkleurige sollicitatiebrief die was volgeplakt met foto's. Hoewel hij niet de vereiste papieren had voor de baan, werd hij toch uitgenodigd voor een gesprek en door directeur Ton van der Ven in dienst genomen, echter niet als ontwerper maar als nar. Dionys Obers werd de eerste levende attractie in het populairste Nederlandse pretpark. Dansend, buitelend, muziek makend en plagend was hij elke dag in Kaatsheuvel te vinden. Met 12 fluiten klom hij over de daken van de huisjes in het pretpark. In 1983 verliet hij De Efteling om zijn horizon te verbreden.
Hij sloot zich aan bij bekende entertainmentbureaus als de Arjan van Dijk Groep en Marc van Laere Producties. Vaak trad hij op tijdens grote bedrijfsfeesten in burchten en kastelen - eerst vooral als hofnar, later ook als dj en vj. Met bandrecorders en computers maakte hij eigen composities waarbij hij alle instrumenten zelf inspeelde. Hij bracht cd's uit in de categorieën world, fusion, ambiënt, lounge, dance en orchestral en maakte soundtracks voor televisieseries en films. Noten lezen kon hij niet, maar dat hoefde ook niet, want er was toch geen bladmuziek voor het spelen van twee blokfluiten in twee neusgaten, twee fluiten met vaste toon in de mond en een trommel tussen de knieën. Hij had zijn eigen geluidsstudio en maakte daarnaast beeldende kunst, zogenoemde e-paints.
Later kwam hij in aanraking met de Tilburgse cineast Leonard Retel Hemrich die onder meer twee keer de hoofdprijs won op het IDFA-festival. 'Dionys inspireerde hem door te tonen hoe films uit een ander perspectief konden worden bekeken', aldus zijn broer Léon Obers.
Partykoning Arjan van Dijk had het talent van Obers al heel snel gezien. Hij richtte in 1986 al een bronzen standbeeld op voor wat hij noemde 'zonder overbodige luxe, de enige echte Nar van de Benelux'. Het standbeeld stond aanvankelijk voor het bedrijf van Van Dijk in Oosterhout, maar verhuisde later naar de achtertuin van Van Dijk zelf.
De Efteling zou de hofnar blijven koesteren. Dio Oberon werd als nar opgevolgd door Jokie de Prrretneus en Pardoes de Tovenaar. Nu is de nar zelfs in het logo van het pretpark opgenomen. 'Een nar is een mens die zijn gevoelens en die om hem heen tot een karikatuur maakt. Nooit grof, nooit beledigend of lomp maar een beetje stoutmoedig. Nar zijn is een echt vak', zei Obers.
Obers ging zeven jaar geleden samenwonen. Dit jaar verhuisde hij met zijn partner van Vugt naar Valkenswaard. Misschien dat alle drukte rond zijn vele optredens en de verhuizing hem fataal zijn geworden. Tijdens zijn afscheid werd zijn veelzijdigheid als artiest gememoreerd. Maar hij werd vooral neergezet als de levenskunstenaar, de troubadour die mensen om hem heen inspireerde en zijn omgeving kleur gaf. Dionys Obers is begraven op de natuurbegraafplaats St. Odiliënberg in Limburg. Dit was de streek waar Obers 17de-eeuwse voorvaderen vandaan kwamen. Het geslacht leeft voort. Op de dag van zijn teraardebestelling kwam in Nieuw-Zeeland een nieuwe Obers ter wereld.
(8-1-2012)
Joop Koopman (1930-2011)
Presentator en impresario
Leverancier van beschaafd amusement zonder vloeken
De keurige VARA-presentator, mentor van menig artiest, is niet meer: Joop Koopman werd 81 jaar
Peter de Waard
Als Youp van ’t Hek 28 keer ‘godverdomme’ zei in zijn theaterprogramma, was Joop Koopman aanwezig om op te merken dat het misschien ook een paar keer minder kon. Tot drie jaar geleden stond Koopman de cabaretier nog steeds met raad en daad terzijde. En Van ’t Hek hechtte grote waarde aan diens inbreng. ‘Zijn adviezen waren van onschatbare waarde’, zei hij dinsdag.
Joop Koopman is op Eerste Kerstdag op 81-jarige leeftijd overleden. Bij het grote publiek is hij vooral bekend als de eerste presentator van de door Ellen Blazer bedachte quiz Twee voor Twaalf (die nu door Astrid Joosten wordt gepresenteerd) en het kunstprogramma De Connaisseur. Koopman was echter veel meer dan presentator.
Hij was een van de vormgevers van de naoorlogse VARA en was als mede-eigenaar van theaterbureau De Lumen begeleider van talrijke Nederlandse artiesten onder wie Fons Jansen, Martine Bijl, Adèle Bloemendaal en Harrie Jekkers.
Koopman begon in 1950 als 20-jarige jongeling bij de VARA-radio als omroeper. In die tijd eiste de VARA dat de omroeper ook zelf programma’s ging maken. Koopman werd ook al gauw een van de belangrijkste radiomakers van de VARA. Hij was met name verantwoordelijk voor de amusementsshows op de populaire zaterdagavond waar Tom Manders als Dorus en een jonge Rudi Carrell de grote publiekstrekkers waren. ‘Het programma moet zo leuk zijn dat de mensen er al handenwrijvend naar uitkijken’, zei hij in 1959 in een interview met Het Parool. Maar het moest ook beschaafd zijn. Joop Koopman wilde bij de VARA geen vloeken, krachttermen of gruwelgrapjes. Toen Jelle de Vries zong ‘Mijn hormonen roepen luid en hoorbaar om een bruid…’, leidde dat al tot briesende brieven.
Hij was twintig jaar verknocht aan de radio toen hij in 1970 chef tv-amusement werd van de VARA. Hij merkte al gauw dat televisie een veel grotere impact had dan radio. Hij was de man achter Eén van de Acht met Mies Bouwman, de Stratemakeropzeeshow met Joost Prinsen, Aart Staartjes en Wieteke van Dort en de oudejaarsconferences van Wim Kan op de televisie.
In 1971 ging hij zelf Twee voor Twaalf presenteren. In 1976 stapte hij op bij de VARA als chef amusement vanwege de voortdurende ideologische strijd. Een jaar later werd hij mede-eigenaar van het door Fons Jansen opgerichte impresariaat De Lumen, waar hij tot 1994 bleef. Hij begeleidde artiesten en stelde ook cd’s voor hen samen. Daarnaast presenteerde hij in die tijd voor de NOS nog de Nederlandse versie van de BBC-quiz De Connaisseur over beeldende kunst, architectuur en fotografie.
(28-12-2011)
Werner Otto (1909-2011)
Postordertycoon
Pionier zonder last van zelfoverschatting
Het postorderbedrijf van Werner Otto was een van de pijlers van het Duitse Wirtschaftswunder.
Peter de Waard
Zijn bewonderaars noemden hem ‘de man van de eeuw’. In de winter van 1949 knipt en bindt de 40-jarige Werner Otto in een oude oorlogsbarak in Hamburg een blaadje van veertien pagina’s bijeen. De plaatjes plakt hij zelf in. Hij biedt onder meer sigaretten en schoenen te koop aan. De driehonderd zelf in elkaar gezette catalogi verspreidt hij in de stad. Het is het begin van een wereldconcern.
Drie jaar voordat Herman Wehkamp zijn postorderbedrijf in Slagharen oprichtte, was Werner Otto er al een begonnen in Hamburg. Het Otto-imperium werd een van de pijlers van het naoorlogse Duitse Wirtschaftswunder. Werner Otto trok zich al in de jaren tachtig terug uit de actieve bedrijfsvoering en overleed op 21 december in Berlijn, zo werd dinsdag door zijn familie bekendgemaakt. Hij laat een bedrijf achter met 50 duizend werknemers en een omzet van 11 miljard euro dat sinds het terugtreden van zijn zoon Michael in 2007 wordt geleid door een buitenstaander. Otto’s jongste zoon is nog bestuurder van ECE, een van de grootste projectontwikkelaars van Duitsland.
Otto werd in 1909 geboren als zoon van een koopman in het plaatsje Seelow, niet ver van Berlijn. Hij wilde schrijver worden, maar moest al jong van school af. Hij opende een tabakswinkel in Berlijn en later een schoenenzaak in Chelmo in het huidige Polen.
In die tijd verspreidde hij ook pamfletten voor de gebroeders Otto en Gregor Strasser, die tot de linkervleugel van Hitlers nazi-partij behoorden. Na de machtovername door Hitler kwamen zij in aanvaring met de kanselier. Gregor Strasser werd vermoord en Otto Strasser vluchtte. Werner Otto, die de Tweede Wereldoorlog als korporaal overleefde, werd vanwege de verspreiding van pamfletten nog twee jaar gevangen gezet.
In 1947 begon hij een schoenenfabriekje in Hamburg, maar dat werd geen succes. Hij besloot koopman te worden zonder dat hij een eigen winkel zou exploiteren. ‘Een onderneming oprichten zonder mislukkingen bestaat niet’, zei hij. In 1952, toen Herman Wehkamp in Nederland begon, wist hij voor het eerst winst te behalen. Zijn succes wordt wel toegeschreven aan het feit dat hij altijd voor de beste mensen koos als naaste medewerkers en zich niet beperkte tot de familiekring. Daarnaast was hij in staat snel in te haken op nieuwe ontwikkelingen in de massamedia. Hij wist als eerste de telefoon, de televisie en later ook de computer in te zetten voor de verkopen.
Bondskanselier Helmut Schmidt schreef in 1981 Otto’s succes toe aan zijn bescheidenheid. ‘Veel ondernemers zijn bankroet gegaan omdat ze zichzelf hadden overschat. Otto luisterde liever dan zelf het woord te voeren.’ Door de jaren heen groeide de onderneming uit tot een van de grootste van Europa. Otto zelf bleef tot 1981 president-commissaris, daarna nam zijn zoon Michael het stokje van hem over. Hij richtte zich vooral op de internetverkoop.
Werner Otto werd een bekend filantroop, die geld beschikbaar stelde voor de restauratie van kerken, de kindergeneeskunde en de bouw van een museum bij Harvard. Otto Werner trouwde drie keer en kreeg vijf kinderen.
(28-12-2011)
Rienk H. Kamer (1943-2011)
Beursprofeet
Goeroe met een smetje
Eigenlijk had hij bijna zijn hele leven een verkeerde visie op de aandelenmarkt, toch was Kamer de man van het grote geld.
Peter de Waard
Hij was de allereerste beursgoeroe in een tijd dat winst een vies woord was en beleggen een amodieuze bezigheid van bejaarde couponknippers. Met zijn baard en pijp leek hij ook op een goeroe. En zijn volgelingen waren net zo trouw als die van een Indiase goeroe die zichzelf tot God heeft uitgeroepen.
Rienk H. Kamer, die zijn eigenbelang en dat van zijn cliënten dacht te kunnen samenvoegen, is op 9 december overleden, zo is woensdag pas bekendgemaakt. De crematie heeft in besloten kring plaatsgevonden. Kamer is 68 jaar geworden. Hij stierf rijk als eigenaar van vier exclusieve appartementen en landhuizen en een collectie peperdure auto’s.
Gek genoeg had hij bijna zijn hele leven een verkeerde visie op de aandelenmarkt. Hij was een doemdenker of een baissier zoals dat toen chic werd genoemd. Hij profeteerde continu dat de beurzen in het Westen zouden instorten en de wereld aan een crisis tenonder zou gaan. Hij kreeg pas in 2008 een beetje gelijk. Maar hij investeerde wel tijdig in de opkomende markten in Azië, toen daar nog veel geld kon worden verdiend.
Bluffen en provoceren was hem niet vreemd. Hij ging prat om zijn contacten met de grote economen Hayek en Friedman en zei alleen met Warren Buffet op niveau te kunnen converseren. Miljonair worden was geen kunst, zo zei hij in de jaren tachtig. Hij wil multimiljonair zijn – de mensen die in die tijd meer dan 25 miljoen gulden (12 miljoen euro) op de bank hebben staan.
Kamer groeit op in een burgerlijk Rotterdams gezin met vijf kinderen. Hij wil zeeman worden, maar wordt afgekeurd vanwege zijn bril. Daarna besluit hij journalist te worden, omdat hij ‘die mannen die op scooters met het bordje pers door de stad rijden machtig mooi’ vindt. Op zijn 13de schrijft hij al stukjes voor de krant. Hij begint een jaar later een persbureautje voor kopij in schoolkranten. Als leraren hem hierover belachelijk maken, verlaat hij de school.
Wereldcorrespondent:
Hij gaat in 1959 werken voor het Rotterdams Weekblad. Nog voor zijn 18de jaar heeft hij een baan bij Het Parool in Amsterdam. Met carbonvelletjes produceert hij al zijn stukken in tienvoud waarvan hij er negen doorverkoopt aan andere kranten. Het Parool is niet van deze vorm van schnabbelen gediend en ontslaat hem, waarna hij zich vestigt als wereldcorrespondent van het prestigieuze tijdschrift Der Spiegel. Hij reist over de hele wereld en doet verslag van de onafhankelijkheidsstrijd in Rhodesië en de studentenopstand in Parijs in 1968. Hij onthult schandalen en brengt bondsdagleden ten val. ‘Als er voor de volgende ochtend een schandaal voor de krant nodig was, zorgde ik voor een schandaal.’
Uiteindelijk wordt hij chef van het zakenblad Capital, maar hij verlaat de journalistiek in 1974 als zijn jongste zoon tijdens een vakantie in zee verdrinkt. Hij schrijft thuis een kinderboek totdat Panorama hem vraagt als columnist. Zijn stukjes in het mannenblad slaan aan. In 1976 brengt hij het boek Alles over Geld uit dat een regelrechte bestseller wordt. Hij ontdekt een enorme maas in de belastingwetgeving die het kopers van vastgoed in de VS mogelijk maakt 150 procent van hun belegging af te trekken. Kamer koopt hiervoor waardeloze woestijngrond, wordt gearresteerd wegens oplichting – de Amerikaanse officier van justitie spreekt van de grootste zwendel aller tijden – maar gaat na een verblijf in de Bijlmerbajes uiteindelijk vrijuit, omdat de beleggers in zijn American Land Program hun geld door de superaftrek dubbel en dwars terugverdienen. Kamer raadt daarna iedereen al aan in goud te stappen als Willem Middelkoop nog in korte broek loopt.
In 1985 begint hij zijn eigen beleggingsblad Financiële Strategie – een vodachtig blauw pamflet vol speculatieve tips en met veel uitroeptekens waarvoor zijn aanhangers niettemin 350 gulden – later 350 euro – per jaar neertellen. Parallel daaraan heeft hij zijn eigen beleggingsfonds en houdt hij jaarlijks het grootste beleggingssymposium van de Benelux voor tweeduizend van zijn trouwste volgelingen.
Hij wordt even vaak een ziener genoemd als een charlatan. Kamer begint als eerste met een 06-beleggingslijn, maar stopt er ook als eerste weer mee als het niet meer loont. Hij wil nog jaren met zijn werk doorgaan, maar dit jaar moet hij om gezondheidsredenen het seminar afzeggen. In Elsevier beschrijft hij in 2001 zijn ideale dood. ‘Op mijn 94ste, met een pen in de hand, halverwege een zin voor de nieuwe Financiële Strategie.’
(22-12-2011)
Jos van der Vleuten (1943-2011)
Wielrenner
Een flamboyante knecht
Hij moet tijdens het WK in 1967 in Heerlen de sprint aantrekken voor Jan Janssen. Maar Jos van der Vleuten zet de sprint van de kopgroep van vijf te vroeg in. Janssen verliest van Eddy Merckx. Van der Vleuten zelf wordt later uit de uitslag geschrapt vanwege een positieve dopingcontrole.
In die tijd kost dat een wielrenner niet ook meteen de reputatie. Van der Vleuten – liefkozend De Vleut – blijft een van de populairste coureurs. Hij is een bon vivant – iemand die van een goed glas wijn houdt – en een avonturier – iemand die er niet voor terugdeinst 180 kilometer solo te rijden. Maar meestal wordt hij vlak voor de streep weer door het peloton opgeslokt. Niettemin wint hij 146 koersen als nieuweling en amateur en 27 als professional. Zijn mooiste zeges haalt hij in de Ronde van Spanje. Hier wint hij in 1966 dankzij drie tweede plaatsen het puntenklassement voor Gerben Karstens, hoewel hij absoluut geen sprinter is. In de jaren daarop wint hij in de Vuelta ook drie etappes. Hij zal zes keer de Tour de France rijden en haalt daarvan vijf keer de finish in Parijs.
Jos van der Vleuten is op 6 december, net 68 jaar oud, overleden aan de gevolgen van een hersenbloeding. Hij wordt geboren als zoon van een klompenmaker in het Brabantse dorp Mierlo-Hout dat nu deel uitmaakt van Helmond. Hij heeft nog vijf broers en twee zussen, waarvan ook Ad een zeer verdienstelijk wielrenner is. Als gevolg van polio is het voor hem onmogelijk in zijn jeugdjaren als wielrenner te starten. Als tiener zet hij door, meldt zich aan bij de lokale wielerclub en begint te trainen. Begin jaren zestig is hij één van de betere amateurwielrenners van ons land. Hij is dan ook zeer teleurgesteld dat hij niet wordt geselecteerd voor de achtervolgingsploeg die in 1964 op de Olympische Spelen in Tokyo goud zal winnen. Onmiddellijk besluit hij over te stappen naar de professionals. Hij zal tien jaar de sport als beroep uitoefenen en koerstin beroemde ploegen als Televizier, Goudsmid Hoff, Willem II-Gazelle en onder leiding van ploegleiders als Lomme Driessens en Cees Pellenaars die toentertijd grootheden zijn.
In zijn eerste Omloop Het Volk wordt hij derde. Maar in zijn eerste Parijs-Nice leert hij de wetten van de harde wielersport kennen. Hij wordt door de toprenners al snel tot de orde geroepen. De snelste en de beste wint niet altijd. Er speelt altijd meer in een koers. Van der Vleuten denkt erover maar te stoppen en solliciteert als verpleger bij het ziekenhuis. Maar hij wordt afgewezen. Hij besluit daarna maar zijn diensten te verkopen op de fiets. ‘Als goeie knecht moet er handelsgeest in je zitten. In Parijs-Nice kwam Poulidor vragen of ik een gat dicht wilde rijden. Voor Poulidor had ik dat over, dat was een simpele. Maar voor Gimondi heb ik een keer niet gewerkt. Ik dacht: gij bent hier de grote kampioen, rij het zelf maar dicht.’ Jan Janssen huurt hem in voor het WK in Heerlen in 1967. Van der Vleuten maakt al snel deel uit van een kopgroep van vijf die door het peloton niet meer kan worden teruggepakt. Als Jan Janssen er alleen naar toerijdt, wacht Van der Vleuten hem op. Maar uiteindelijk wordt Janssen slechts tweede.
Hoewel zijn populariteit in de loop der jaren groeit, zet hij er na tien jaar een punt achter. ‘Ik had geen zin meer in dat circus en ik had twee kinderen om voor te zorgen.’ Van der Vleuten neemt samen met zijn zwager Berry Bloemers het bedrijf van zijn vader over dat inmiddels een gereedschapsslijperij is geworden. Hij is een geweldig zakenman en het bedrijf telt op een gegeven moment 40 tot 50 werknemers. Vele jaren is hij ook voorzitter en sponsor van de Helmondse wielervereniging Buitenlust, waar hij ooit is begonnen. Dankzij zijn fotografische geheugen kan hij zich ieder detail van elke koers herinneren.
Met zijn privéleven gaat het minder goed. Zijn eerste vrouw Joske loopt bij hem weg. Zes jaar geleden krijgt hij een hartaanval, waardoor hij nooit meer tot het gaatje kan gaan. Hij stopt met zijn bedrijf en laat zich uitkopen. Hij gaat een cursus ontspanningstherapie doen, hertrouwt en gaat met zijn nieuwe echtgenote Tania en gaat in het Zeeuwse Nieuw en Sint Joosland wonen. Een Zebra noemt hij zichzelf – een Zeeuwse Brabander. Ook koopt hij een optrekje in de Dominicaanse republiek om daar te overwinteren. Hier overlijdt hij. Vandaag zal hij in zijn geboorteplaats worden begraven.
(17-12-2011)
Coco de Meyere (1962 – 2011)
Styliste
Feelgood-expert die zelf het leven niet aankon
Het middelpunt van de Amsterdamse glitter & glamour was imagostyliste Coco de Meyere. Ze ontwikkelde zich tot lifestylecoach, in een poging de worsteling met haar eigen imago te winnen.
Ze was de feelgoodexpert van Nederland. Imago-styliste Coco de Meyere, ook bekend van de televisieserie Dames in de Dop op RTL5, kleedde onder anderen Linda de Mol, Astrid Joosten en Anita Meyer. Ze was het middelpunt van de Amsterdamse scene van glitter & glamour. Zeven jaar lang was ze getrouwd met Oger Lusink, eigenaar van de bij veel BN’ers geliefde herenmodezaak Oger aan de P.C. Hooftstraat in Amsterdam. Daarvoor had ze ook verhoudingen gehad met de acteur Liam Neeson (onder meer Schindler’s List ) en een stripper van de mannengroep Chippendales. Haar levensmissie was in haar eigen woorden ‘mensen te inspireren en te ondersteunen om zich prettig te voelen’.
Op donderdag 24 november maakte ze op 49-jarige leeftijd echter een einde aan haar leven. Het leidde tot een onverkwikkelijke rel tussen haar familie en haar vriend, die door de roddelpers de afgelopen weken breed is uitgemeten. Haar partner Kim Tjoa (45), die in 2010 bij haar was ingetrokken en die haar ook levenloos vond in haar huisje in Laren, mocht niet bij de begrafenis op St. Barbara in Amsterdam zijn.
Coco de Meyere is vernoemd naar de bekende ontwerpster Coco Chanel. Ze werd in Amsterdam geboren op 9 juli 1962, de Dag der Verbazing, als dochter van een Amsterdamse koopman. Zelf hechtte ze grote betekenis aan haar geboortedag. Dat zou de oorzaak zijn van een soort zesde zintuig om dingen waar te nemen. ‘Als iemand mij niet ziet staan, kan ik daar behoorlijk van slag van raken’, zei ze.
Haar vader inspireerde zowel haar als haar broer voor zichzelf te beginnen. Toen ze de modeacademie had afgerond, vroeg ze meteen een BTW-nummer aan. Ze begon als styliste bij het VARA-programma Zeg ’ns aaa, dat door Nico Knapper werd geregisseerd. Hij zou veel later dankzij haar inspanning ook haar stiefvader worden Ze werd ook als styliste gevraagd voor de series Medisch centrum West en Oppassen!!! Dankzij haar televisiewerk kreeg ze een groot netwerk van bekende Nederlanders die haar om stijl- en kledingadviezen vroegen. Het leverde haar bekendheid op die ze weer gebruikte om opdrachten uit het bedrijfsleven te krijgen. In 1999 trouwde ze met Oger Lusink, in wat toen als een groot societyhuwelijk werd gezien. Maar de buitenwereld wist niet dat ze al sinds haar 17de jaar leed aan anorexia en boulimia. Hierdoor worstelde ze enorm met haar eigen imago. Het was voor haar reden zich van imagostyliste te ontwikkelen tot lifestylecoach. Ze specialiseerde zich in onder meer NLP en ‘timelinetherapie’, en schreef zelfhulpboeken als Powerwoman – Leven met lef, De zon in mijn gezicht en De kracht van verandering.
In 2007 en 2008 werd ze een bekende televisiepersoonlijkheid dankzij haar medewerking aan het televisieprogramma Dames in de Dop – gebaseerd op de BBC-formule From Ladette to Lady – waarin asociale meisjes werden veranderd in echte dames.
Het zo intensief nadenken over haar eigen leven en dat van anderen hielp haar niet echt. In 2009 kwam ze voor enkele maanden in een gesloten inrichting terecht. Tot ieders verbazing plaatste zij een verhaal van het roddelblad Story met de kop ‘Schokkend!’ op haar eigen website. Ze leek haar leven echter weer op te pakken. Later kreeg ze een relatie met de jurist en publicist Kim Tjoa.
Uiteindelijk kwam ze opnieuw in een depressie terecht. Twee dagen voor haar zelfdoding is ze nog bij de crisisdienst langs geweest. Tjoa vond haar op donderdag bij thuiskomst dood. Hoewel hij niet thuis was om haar bij te staan, beweerde hij alles in het werk te hebben gesteld om haar te helpen.
Coco’s moeder en broer verweten hem echter haar te hebben gesteund toen ze naar alternatieve genezers ging, terwijl ze volgens hen naar de reguliere geneeskunde had gemoeten. Ook zou hij haar financieel nauwelijks hebben geholpen. Ze wilden ook niet dat hij bij de begrafenis was. Een aparte herdenkingsdienst die Tjoa met enkele omroepvrienden in Hilversum had willen houden, werd afgeblazen om het conflict niet te laten escaleren.
(10-12-2011)
Doreen Cranch-Vermeulen (1915 – 2011)
Geneeskundige
Pionier van de anesthesiologie
De geneeskunde was een mannen-zaak. Doreen Vermeulen-Cranch doorbrak dat in Engeland en Nederland. Ze maakte van anesthesiologie een professie.
Peter de Waard
Ze klopte in 1946 met haar koffer bij het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam aan. De chirurgie was in die tijd een masculien bolwerk, waarin anesthesiologie niet als een wetenschap werd gezien. De chirurgen lieten hun jongste assistent of verpleegkundigen de narcose, die toen uit zeer simpele methoden bestond, verzorgen. De 30-jarige Britse – ze had het haar opgestoken om ouder te lijken – toonde haar moderne apparatuur, overtuigde met haar enorme kennis en legde een grote dosis slagvaardigheid aan de dag, waardoor ze van de anesthesiologie in Nederland binnen twee jaar een specialisme maakte.
Doreen Vermeulen-Cranch overleed op 8 november op 95-jarige leeftijd in haar woonplaats Elburg. Ze werd op 30?december 1915 in Abertillary in Wales geboren, niet ver van Cardiff. Haar vader was een enthousiast fotograaf, die belangstelling had voor met name röntgenfotografie. Dat inspireerde haar om geneeskunde te gaan studeren. Het was in Groot-Brittannië veel gewoner dat vrouwen gingen studeren dan in Nederland, door de Eerste Wereldoorlog en de strijd van de suffragettes. Op haar 24ste jaar deed ze haar artsexamen en meteen daarna examens in verscheidene specialismen. Bij toeval kwam ze in aanraking met anesthesiologie. Een kennis werkte bij Robert Macintosh in Oxford, de eerste Europese hoogleraar in dat vak. Doreen Cranch mocht een keer komen kijken en was meteen enthousiast. ‘Ik vond het daar fantastisch. Er werkte een heel team samen met artsen, fysici en noem maar op. Die combinatie vond ik een echte verdieping van het vak’, zei ze later.
Ze ging werken op de afdeling anesthesiologie van een ziekenhuis in Wales, maar wilde een betere opleiding. Ze kwam uiteindelijk in Londen terecht. Nog tijdens de oorlog voltooide ze haar anesthesiologieopleiding.
In die tijd leerde ze haar Nederlandse man kennen, kapitein op de koopvaardijvaart Geert Vermeulen. Hij was een oorlogsheld die met zijn schip twee keer was getorpedeerd. Later zou hij directeur worden van de KNSM in Amsterdam. Ze ging met hem mee naar Nederland. In 1946 trad ze in dienst bij het Amsterdamse Wilhelmina Gasthuis; bij hoogleraar chirurgie Willem Noordenbos sr.
Nederland telde op dat moment geen anesthesiologen. De jongste assistent gaf meestal de narcose (af en toe een druppeltje ether) onder verantwoordelijkheid van de chirurg. Omdat de narcose niet nauwkeurig was, werden patiënten tot haar verbijstering vastgebonden. Dat deden ze in Engeland al jaren niet meer. Langzaamaan voerde ze veranderingen door. Ze ging patiënten monitoren met een bloeddrukmeter. ‘Het moest met tact gebeuren, want die mannen lieten niet alles zomaar gebeuren. Ik was heel standvastig en dat bleef ik mijn hele carrière. Met haar kennis en haar grote tactische gaven wist zij de anesthesiologie tot een volwaardig specialisme te maken. In het najaar van 1946 ging Noordenbos met emeritaat. De nieuwe hoogleraar, Boerema, vroeg Vermeulen-Cranch te helpen bij het opzetten van een thoraxkliniek.
Ze werd ook gevraagd te helpen bij andere ziekenhuizen, zoals in Utrecht, waar door verkeerde narcoses drie patiënten waren overleden. Het was bijzonder dat ze gespecialiseerde verpleegkundigen opleidde en een eigen technische instrumentenmaker aan zich kon binden. Binnen korte tijd rolden de voorheen ongenaakbare chirurgen voor haar de rode loper uit. In 1951 werd zij kroondocent, in 1958 de eerste hoogleraar in dit nieuwe vakgebied op het Europese vasteland.
Doreen Vermeulen-Cranch stond aan de wieg van de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (1948) en van de World Federation of Societies of Anesthesiologists (1955). Begin dit jaar werd ze nog geïnterviewd door Sytze van der Zee over haar pionierswerk op het gebied van de bestrijding van chronische pijnen.
Tot afgelopen zomer heeft ze nog volop deelgenomen aan het anesthesiologische leven. Gesteund door oud-collega’s voorzag ze jaarlijks de naar haar genoemde lezing tijdens de Anesthesiologendagen van commentaar. Ze was draagster van hoge onderscheidingen, zowel in ons land als in Engeland, en erelid van de wetenschappelijke verenigingen in beide landen.
(3-12-2011)
Fred Meijer (1920-2011)
Ondernemer
Man achter Amerikaanse hypermarkt
Fred Meijer bouwde het bedrijf van zijn vader uit tot een keten van ruim 200 supermarkten. Hij liet de Amerikanen kennismaken met het concept one-stop-shopping.
Peter de Waard
Geboorteplaats van Meijer’, staat er op een groot bord. Nederlanders kijken vaak verbaasd op als zij bij toeval het plaatsje Greenville in de Amerikaanse staat Michigan binnenrijden. ‘Wie is nu weer die Meijer?’ Naast Albert Heijn, Evert de Boer, Simon de Wit en Piet de Gruyter mag Fred Meijer tot de Nederlandse pioniers worden gerekend van de levensmiddelenketen die tot supermarktconcerns zouden uitgroeien.
Alleen deed Meijer dat in de VS – in het stukje dat wel het kleine Nederland kan worden genoemd. Greenville ligt op 40 kilometer van Grand Rapids, de stad waar het hoofdkantoor van de Meijer-keten staat. Dat is weer 40 kilometer van de calvinistische enclave Holland, waar de politie nog de emblemen ‘God zy met ons’ en ‘Eendragt maakt magt’ draagt en zelfs de derde generatie Nederlandse immigranten nog altijd met Sinterklaas speculaas en kruidnoten komen kopen.
Vrijdag overleed de ondernemer Fred Meijer op 91-jarige leeftijd in Grand Rapids. Zijn vermogen wordt geschat op 5,4 miljard dollar (4 miljard euro).
Fred Meijers vader Hendrik:
Meijer emigreerde in 1907 naar Holland in Michigan. Hij had daarvoor gewerkt als leerling-spinner bij de textielfabriek van Stork in Hengelo en beproefde zijn kansen in de nieuwe wereld. Als socialist kon hij moeilijk wennen aan de calvinistische omgeving in Holland. Vijf jaar later vestigde hij zich als kapper in Greenville.
In de crisisjaren opende hij naast de kapsalon een kruidenierszaak die eerst Meijers Grocery en later Thrift Market heette. Op 14-jarige leeftijd werd zijn zoon Fred Meijer werknemer. Dankzij de klantenkaart en de zelfbediening werd de winkel zo’n succes dat Hendrik en zijn zoon al snel nieuwe zaken konden openen. Na de oorlog ontwikkelde zich dit tot een keten van supermarkten in de hele staat Michigan.
In 1957 was Fred Meijer de eerste eigenaar van een snelgroeiende supermarktketen die zwarte caissières in dienst name. Fannie Levine is een van hen en zij was de eerste die zondag haar grote bewondering en waardering voor de ondernemer van Nederlandse afkomst uitsprak. ‘Ik was de enige zwarte tussen allemaal blanke personeelsleden, maar Fred Meijer stelde alles in het werk om ervoor te zorgen dat ik mij bij het bedrijf thuis voelde. Uiteindelijk heb ik er 23 jaar gewerkt.’
Na de dood van zijn vader maakte Fred Meijer er hypermarkten van en introduceerde hij het concept one-stop-shopping: één winkel waar je alles kunt kopen. Hiervoor nodigde hij ondernemers uit arme wijken uit om hun eigen winkeltje in de hypermarkten van Meijer onder te brengen.
Het concern spreidde zijn vleugels uit naar vijf staten en breidde uit tot een keten van meer dan tweehonderd winkels. Na zijn pensionering namen zijn zonen Hank en Doug Meijer de leiding over.
Fred Meijer werd een bekende filantroop die onder meer in Grand Rapids een 50 hectare groot park ontwikkelde voor de gemeenschap met vele tuinen, een beeldenpark en een amfitheater. Ook opende hij een hartkliniek in de stad en financierde hij de renovatie van het theater dat nu Meijer Majestic Theatre heet.
Meijer was een groot natuurliefhebber en heeft veel bijgedragen aan de ontwikkeling van een reeks wandel- en fietsroutes in Michigan, die nu het Fred Meijer Trails Net
(29-11-2011)
Drikus Veer (1918 – 2011)
motorcoureur
Eerste held van de TT
Oerend hard ging hij over de weg en door het mulle zand. Drikus Veer was de eerste Nederlander die punten scoorde voor de wereldtitel tijdens de TT van Assen.
Peter de Waard
Als Drikus Veer in de jaren vijftig de TT van Assen moest rijden, arriveerde hij vaak vanwege zijn werk in de garage in Borculo op vrijdagavond. ‘Hij reed dan met mij de hele nacht rondjes over het circuit in de auto en berekende bij elke bocht precies waar hij gas kon geven en kon remmen’, herinnert zijn weduwe Marie Veer zich.
Drikus Veer overleed op 21 oktober op 93-jarige leeftijd in Doetinchem. Hij was al enige tijd ziek. Toen Jumping Jack (Jack Middelburg) en de Witte Reus (Wil Hartog) nog in korte broek liepen was Drikus Veer uit Borculo de grootste Nederlandse motorheld. In 1955 was hij de eerste Nederlander die tijdens de TT van Assen in de punten reed. Hij werd vierde achter de vedetten Geoff Duke en Reginald Armstrong. Veer beweerde dat hij die ook had kunnen inhalen, maar dat hij vanwege stalorders moest inhouden. Hij zou daarna nog twee jaar blijven rijden.
Toen Veer in 1957 voor het eerst een echte fabrieksmotor kon krijgen, zei hij van de ene op de andere dag: ‘Ik stop ermee.’ Even daarna hield hij ook op als monteur in het garagebedrijf van de familie en werd hij vertegenwoordiger van het Oost-Duitse automerk Trabant.
Drikus Veer werd geboren in Voorthuizen op de Veluwe. Op 10-jarige leeftijd begon hij bij toeval met motorrijden. Een oom had een oud beestje in de schuur staan dat hij mocht gebruiken om de renpaarden te trainen. Hij moest de paarden met de motor opjagen.
In 1932 verhuisde de familie naar Borculo in de Achterhoek, waar zijn vader een transportbedrijf begon voor een vleesverwerkingsbedrijf. Drikus ging met zijn twee broers als monteur in de garage werken. Daar sleutelde hij ook altijd aan zijn eigen motor. Op 16 en 17-jarige leeftijd deed hij vooral mee aan races op grasbanen. Maar in 1937 begon hij ook wedstrijden te rijden op de weg. Een jaar later maakte hij zijn debuut op de TT van Assen.
Tijdens de oorlog werd Veer verplicht te werken in Duitsland. Hij kon pas in 1945 zijn hobby weer oppakken. Maar met zijn eigen Triumph, die hij continu ombouwde om te crossen, of aan enduro (betrouwbaarheidsritten) te doen en dan weer om te racen op de weg, kon hij geen potten breken.
In 1951 won hij wel een Zilveren Vaas bij de motorzesdaagse in Italië. De grote doorbraak kwam in 1954 toen hij voor de 500?cc-race op de TT in Assen een Gilera mocht lenen. Op deze fabrieksmotor reden in de jaren vijftig bijna alle wereldkampioenen. Op de reservemotor van de beroemde Italiaanse stal werd hij achtste. Hij dankte er de bijnaam ‘de Tijger van Borculo aan’.
Een jaar later kreeg hij weer een reservemotor van Gilera te leen, maar daarbij werd hem uitdrukkelijk verboden wereldkampioen Geoff Duke in te halen. Hij werd vierde, maar haalde wel punten voor de wereldtitel. Hoewel hij af en toe in het buitenland reed, maakte Veer niet echt deel uit van het Grand Prix-circuit.
Veers rijstijl kenmerkte zich door veel lef en agressie. Hoewel motorrijden zijn passie was, blonk hij ook uit in andere sporten. In 1957 besloot hij na het behalen van de Nederlandse titel zijn carrière op de motor te beëindigen. Zijn vrouw Marie, met wie hij in 1945 was getrouwd en drie jongens kreeg (Hans, Henk en Henri), erkent dat ze vaak heel bang is geweest. ‘Het racen was niet zo veilig als nu. Langs het circuit stonden bomen en tot 1955 ging een deel van de race nog over straten met klinkers.’
Het is dan ook niet vreemd dat geen van zijn drie zonen in zijn voetsporen trad. Veer zou in de Achterhoek blijven wonen, elk jaar de TT bezoeken en zelfs zijn racecarrière nog voortzetten als autocoureur. Met de Trabant haalde hij ‘oerend hard’ in zijn klasse zelfs nog een eerste prijs in de toenmalige wegrace SLS (Scheveningen-Luxemburg-Scheveningen).
Joop van Stigt (1934-2011)
Architect
De man van de Bijlmer
Hij ontwierp de woontorens in de Bijlmermeer, omdat met het minimale het maximale moest worden bereikt. Van Stigt was de architect die zelf de spijkers kon afwegen – tot aan in Mali toe.
Peter de Waard
Hij werd in 2006 benoemd tot Ridder in de Orde van Mali, maar Nederlanders kennen hem vooral als de man die Amsterdam een nieuw gezicht gaf. Architect Joop van Stigt, die op 4 november overleed, was de man die de woontorens in de Bijlmermeer creëerde en een nieuw uiterlijk gaf aan het Entrepotdok, het Olympisch stadion, en de Oranje Nassaukazerne. Maar in veel meer plaatsen heeft hij zijn stempel gezet op het stadsgezicht. Zo was hij de ontwerper van het raadhuis in Ter Aar, de Werven in Almere-Haven en de Faculteit der Letteren in Leiden. Zijn ontwerpen kenmerken zich vooral door de structuralistische inslag, een houding die van Stigt meenam vanuit de bouwpraktijk: met weinig middelen veel voor elkaar krijgen. Hij beschreef zichzelf graag ‘als een echte Calvinist met een rood pakje aan’.
Van Stigt leerde het vak van architect ook niet uit de leerboeken maar als een gewone timmerman.. Als gevolg daarvan kon hij niet alleen de werktekeningen en de directievoering leveren, maar ook de materialen exact berekenen. ‘Hij is in staat om een pond spijkers te wegen, het aantal te tellen en dan te concluderen dat als je goed kan timmeren vier kilo spijkers wel voldoende is’, schreef zijn eerder dit jaar overleden collega Wiek Röling in het boek Bouwmeesters met draagvlak.
Joop van Stigt werd geboren in 1934 als een van de 14 kinderen van een postbeambte in de Amsterdamse wijk De Pijp. Na de lagere school werd hij naar een internaat in Leusden gestuurd voor een opleiding aan wat toen de ambachtsschool heette. Hij begon daarna als timmerman bij het bouwbedrijf Antonisen in Amsterdam. Behalve dat hij goed kon timmeren had hij ook ruimtelijk inzicht en was hij gefascineerd door de bouw van de RAI hallen die op dat moment plaatsvond. Met zijn bevlogenheid lukte het in 1953 een baan te krijgen bij het architectenbureau van Alexander Bodon dat hij combineerde met aan avondopleiding aan de HTS Bouwkunde. Zijn eerste klus was die van tekenaar en opzichter bij de bouw van het Burgerweeshuis in Amsterdam. Dit project leverde Van Stigt veel contacten op en al snel stond hij samen met jaargenoot Piet Blom bekend als ‘the angry young men’ van de Nederlandse architectuur. Met de opdracht voor het ontwerp van de personeelskantine van de Universiteit Twente startte Van Stigt zijn eigen bureau.
Vanaf 1987 was Van Stigt als hoogleraar bouwtechniek verbonden aan de TU Delft. Ondertussen bracht hij zijn ideeën in de praktijk met steeds meer restauratie- en herbestemmingprojecten zoals de grote kerk in Breda. Hij zette ook veel onderzoeken op over behoud en restauratie, bijvoorbeeld naar de reiniging van zandsteen gevels.
Naast zijn werk in Nederland, was Joop van Stigt ook zeer actief in Mali. Hij maakt in 1972 zijn eerste reis naar de Bandiagara-kliffen in Mali. Getroffen door de armoede en onder de indruk van de cultuur, was dit het begin van een blijvende liefde voor de Dogon. Het werk begon met kleinschalige acties: het bouwen van een put en vervolgens de bouw van de eerste school. In 1992 ontving hij in Mali de Dogon-naam Akouni Poudiougo (‘hij die geluk brengt’) ‘Laat je nooit vertellen dat je het zelf niet kan’, zei hij tegen zijn mensen daar. ‘Pas simple pas bon!’ Toen de vraag naar scholen en watervoorzieningen steeds groter werd, besloten ze, Joop en Gonny, zijn vrouw met wie hij zijn hele samen werkte, in 1995 de Stichting Dogon Onderwijs op te richten om hun werk voor de Dogon te kunnen continueren. Twaalf jaar geleden bij zijn afscheid van de universiteit zei Van Stigt: ‘Cultuur en techniek zijn bepalend voor de architectuur. Een land, een volk dat zijn cultuurbezit afbreekt heeft geen toekomst.’
Joop van Stigt won diverse prijzen met zijn werk, waaronder de BNA-kubus voor zijn hele oeuvre en De Nationale Renovatieprijs voor het Entrepotdok en het Olympisch Stadion.
(19-11-2011)
Simon Jelsma (1918-2011)
Grondlegger van de Novib
Pionier van derdewereldbeweging
De in Groningen geboren en in Brabant opgeleide Simon Jelsma was een ex-priester die het van idealist tot multimiljonair schopte.
Peter de Waard
Op pinksterzaterdag 1954 hield pater Simon Jelsma een van zijn preken in het gebouw van de Hoge Raad in Den Haag. Hij verwees naar de bevrijding. ‘Er was toen een grote eenheid en openheid. Maar nu, negen jaar later, is er opnieuw vervreemding.’
Jelsma is dan bekend van radiopraatjes bij de KRO, maar nog steeds een roepende in de woestijn. Nederland is bezig met de wederopbouw en de Koude Oorlog. ‘Jelsma was de eerste die weer over de grenzen keek’, zegt Boudewijn Poelman, die hem later verzocht voorzitter te worden van de in 1989 op te richten Nationale Postcodeloterij.
Jelsma is samen met geestverwanten in 1954 al de Pleingroep begonnen, een zuiloverstijgende discussiegroep. Jelsma roept in zijn Pleinpreken op tot vrede en gerechtigheid en zamelt geld in voor het kinderfonds van de VN. Het is het begin van de Nederlandse derdewereldbeweging.
Jelsma, die dinsdag op 93-jarige leeftijd overleed in Blaricum, werd geboren in Groningen, waar zijn vader postbode was. Hij voelde zich al gauw geroepen tot het priesterambt. ‘Zoveel spektakel, zoveel theater: het leek mij prachtig.’
Hij ging naar het seminarie en belandde in Tilburg bij de missionarissen van het Heilig Hart. Het kloosterleven was zwaar – ‘een soort kindermishandeling in Brabantse gemoedelijkheid’ – maar hij wilde de studie niet opgeven. Hij besloot de missie niet in te gaan, maar pater Henri de Greeve te volgen, de pater die op zaterdagavond met het programma Lichtbaken katholiek Nederland aan de radio kluisterde.
Jelsma kreeg ook zijn radiopraatje, maar zijn toespraken vielen niet in goede aarde bij de KRO. Hij zette zich af tegen de oprichting van de KVP, omdat hij partijen op confessionele grondslag afwees vanwege de scheiding tussen kerk en staat. Hij ging discussiëren met sociaal-democraten in de Pleingroep, waar ook dominee Buskes, de econoom Jan Tinbergen en Fons Hermans (de broer van Toon) aan deelnamen. Toen hij op de KRO-zender een onderscheid maakte tussen de ‘zwakke en de menselijke priester’, werd hij door de omroep ontslagen.
Hij richtte zich vanaf toen op het tijdschrift van de Pleingroep, maar al gauw zocht Jelsma de buitenlucht op. ‘Ontwikkelingshulp was iets van geleerden in studeerkamers. Er stond geen letter over in de partijprogramma’s.’ Daarom werd de Nederlandse Organisatie voor Internationale Bijstand opgericht, de Novib. Jelsma werd vicevoorzitter en bleef dertig jaar bestuurslid — later naast zijn werk als NOS-journalist.
Hij begon acties als ‘Eten voor India’ en ‘Hoop voor de Sahel’. Hij overleefde als bestuurder de roerige jaren zeventig waarin soms scherpe kritiek op het salonfähige Novib werd geuit. Jelsma trouwde in die tijd (zijn echtgenote is in 1994 overleden), en brak definitief met de katholieke kerk.
In 1983 ging Jelsma met pensioen bij de NOS en twee jaar later vertrok hij als bestuurslid bij de Novib. Toen Novib-man Boudewijn Poelman met zijn idee kwam voor de oprichting van Nationale Postcodeloterij, benaderde hij Jelsma. ‘We zochten een voorzitter die een wijs woord zou zeggen als we overhoop zouden liggen. Ik ben naar Jelsma gestapt en heb gezegd: jij wordt voorzitter. Hij antwoordde: oké, als dat zo moet zijn.’
Hij werd als mede-oprichter ook aandeelhouder en kwam in de jaren negentig onder vuur te liggen toen bleek dat hij er multimiljonair mee was geworden. ‘Wij doen het goed en helaas is het gevolg dat we ons overal moeten verontschuldigen’, reageerde Jelsma.
Tot hij twee maanden geleden ziek werd, vervoegde hij zich nog vrijwel dagelijks aan de Postcodeloterijburelen bij het Amsterdamse Vondelpark. Directeur Farah Karimi van Oxfam Novib: ‘Hij ergerde zich verschrikkelijk aan de negatieve discussie over ontwikkelingshulp. In Oxfam Novib laat hij een prachtige erfenis achter, die al ruim vijftig jaar miljoenen mensen over de hele wereld bijstaat in hun armoede en hen een kans biedt op een beter bestaan.’
(17-11-2011)
Arie Kuiper (1934-2011)

Katholiek, vooruitstrevend, journalist
De oud-hoofdredacteur van weekblad De Tijd is dinsdag overleden aan de complicaties na een hartoperatie.
Peter de Waard
Arie Kuiper stuurde de net op de School voor de Journalistiek afgestudeerde journalist Frénk van der Linden langs bij secretaris-generaal Joseph Luns van de NAVO, die niet bepaald gecharmeerd was van diens brutale vragen. Al helemaal niet omdat die afkomstig waren van iemand van het katholieke weekblad De Tijd. Kuiper had lak aan de bezwaren van de KVP’er. Van der Linden vestigde er meteen zijn naam mee. Hij werd de nieuwe meester-interviewer van Nederland en zou heel veel interviews voor De Tijd gaan doen.
Kuiper overleed dinsdagavond op 77-jarige leeftijd aan de complicaties na een hartoperatie. Hij was 16 jaar hoofdredacteur van het weekblad De Tijd – ook korte tijd samen met zijn vriend Tony van der Meulen – en vele jaren buitenlandcommentator voor KRO Radio. Zijn belangrijkste interesses waren de Amerikaanse politiek, de oost-westverhoudingen en de Palestijnse kwestie. Kuiper was aanvankelijk zeer pro-Israël, maar maakte langzaam een draai en koos steeds meer de Palestijnse kant.
De laatste jaren schreef hij nog af en toe beschouwingen voor het dagblad Trouw over het geloof. Kuiper was een vooruitstrevende katholiek die steeds meer twijfels kreeg over het bestaan van een God die Auschwitz had toegelaten.
Kuiper werd in Haarlem geboren als een van de dertien kinderen van de bekende katholieke vakbondspionier en KVP’er Henk Kuiper die in de oorlog als gijzelaar in St.-Michielsgestel zat en later een van de vertrouwelingen werd van kardinaal De Jong.
Kuiper groeide op in Utrecht. Na een opleiding aan het gymnasium begon hij hier zijn journalistieke carrière, als verslaggever bij het katholieke dagblad Het Centrum. In 1960 werd hij redacteur buitenland bij De Tijd, de avondkrant die toentertijd gold als het gezaghebbendste katholieke dagblad van Nederland.
Het was het lijfblad van pastoors en bisschoppen en van de katholieke elite. Kuiper werd hier uiteindelijk de chef van de buitenlandredactie. In tegenstelling tot de katholieke vakbondskrant de Volkskrant wist De Tijd in de jaren zestig niet de jonge generatie aan te spreken en kon het ook niet het katholieke imago van zich af schudden. In 1974 werd De Tijd als dagblad opgeheven. Het ging verder als weekblad. Arie Kuiper werd de eerste hoofdredacteur.
Bij uitgever VNU bleef de krant een vreemde eend in de bijt. Kuiper wist De Tijd naar het midden te loodsen, maar een commercieel succes werd het niet. In 1990 volgde de fusie met de Haagse Post tot HP/De Tijd. Kuiper vertrok. Hij bouwde een freelancebestaan op dat onder meer leidde tot de publicatie van een veel geprezen biografie over Abel Herzberg.
(10-11-2011)
Pierre Vinken (1927-2011)
Kille ondernemer en non-conformist
Volgens Pierre Vinken, topman van uitgeverij Elsevier, was een bedrijf een winstmachine. De hoogbegaafde intellectueel, eerst hersenchirurg, had lak aan conventies. Interviews weigerde hij, ook aan zijn eigen media.
Peter de Waard
Pierre Vinken, vrijdag op 83-jarige leeftijd overleden, was een van de kleurrijkste naoorlogse Nederlandse ondernemers. Hij was een hoogbegaafd intellectueel met een voor Nederlandse begrippen ongekende eruditie. Hij provoceerde, had lak aan conventies en roeide graag tegen de stroom in. Maar naast de rebel was hij ook de kille ondernemer die in 1987 met een vijandige overname op concurrent Kluwer ook de hebzucht onder Nederlandse aandeelhouders aanwakkerde.
Niettemin behoort hij met onder meer Anton Dreesmann en Paul Fentener van Vlissingen tot het opmerkelijke groepje Nederlandse ondernemers die misschien meer vrienden hadden in linkse kringen dan in rechtse. Op het eerste gezicht was Vinken een publiciteitsschuwe, vaak binnensmonds mompelende en weinig charismatische man, maar hij kon als geen ander mensen voor zich innemen. Hij was bevriend met schrijvers en journalisten als Martin van Amerongen, Theo van Gogh en Theodoor Holman en uitgevers als Geert van Oorschot en Theo Sontrop. Hij haalde ook de roddelbladen vanwege zijn drie huwelijken, waaronder die met Sylvia Tóth (‘een administratief foutje’, noemde hij dat zelf) en zijn vele affaires met onder anderen Merel Laseur en Annemarie Oster. Hij was een zo universele geest dat de journalist en beleggingsdeskundige Paul Frentrop al in 2007 een meer dan duizend bladzijden tellende biografie over hem schreef.
Vinken werd geboren als oudste kind in een katholieke mijnwerkersfamilie in Sittard. Toen zijn broer Jacques ter wereld kwam, moest bij zijn moeder de baarmoeder worden verwijderd. ‘Alleen daardoor heb ik verder kunnen studeren. Anders waren er wel meer kinderen gekomen en had mijn vader dat niet kunnen betalen. Dan was ik ook in de mijn terecht gekomen’, zei hij daar later over.
Vinken twijfelde al op zijn 8ste aan de kerk en wist op zijn 15de volgens Frentrop zeker dat ‘alles wat de kerk hem aan godsdienst inpompte even grote onzin was als het Sinterklaasverhaal’. Hij was al jong zeer belezen. Hij verslond niet alleen de boeken van Multatuli, Vestdijk, Du?Perron en Ter Braak, maar ook die van grote filosofen, psychologen en analytici als Nietszche, Hume, Locke en Freud. Die pakte hij vaak stiekem op bij tweedehands winkeltjes in Sittard.
In 1947 kon hij zich van zijn katholieke juk verlossen toen hij het bisschoppelijk college in Roermond verliet om geneeskunde te studeren aan de Universiteit Utrecht. De studie ging hem gemakkelijk af en hij besteedde zijn tijd vooral aan het oeverloos discussiëren met gelijkgezinde rebellen. Hij meed de traditionele studentenverenigingen en bracht zelfs een tegenhanger uit van de officiële universiteitskrant. Hij stond aan de basis van het literaire blad Tirade, waar hij overigens zelfs maar drie artikelen voor schreef. Samen met de antropogeneticus John Huizinga ging hij zich bezighouden met de erfelijke kenmerken van schedels, waarvoor opgravingen werden gedaan in Zeeland.
Een andere hobby, zo mogelijk obsessie, werd de iconografie, een tak van de wetenschap die tot doel had beeldende kunst te verklaren door ze te vergelijken met de literaire productie uit dezelfde tijd. Op voordracht van Huizinga kon hij wat geld verdienen met het maken van Engelstalige uittreksels van medische onderzoeken voor de uitgeverij Excerpta Medica.
Nadat hij in 1955 was afgestudeerd, wilde hij zenuwarts worden. Na een stage bij epilepsiekliniek Meer & Bosch te Heemstede kreeg hij een baan bij de Utrechtse universiteitskliniek voor psychiatrie en neurologie. Maar het werken met patiënten gaf hem weinig vreugde. Ook stelde hij al snel vast ‘dat psychiatrie geen wetenschap was’, omdat er zelfs verschillende meningen waren over wat een depressie was. Vinken koos een opleiding tot neurochirurg in het Wilhelmina Gasthuis. Hij slaagde met glans, maar vond het werk, vooral tumoren weghalen, al snel te routinematig.
In 1964 werd hij opgenomen in de redactiecommissie van Excerpta Medica. Naast zijn operaties op de Boerhave Kliniek, ging hij dagelijks naar Excerpta aan de Herengracht. In 1966 werd hij mededirecteur van Excerpta Medica. Hoewel het computertijdperk nog in de kinderschoenen stond, was Vinken een van de eerste die databanken opzette waarmee het werk van de uitgeverij internationaal kon worden ontsloten. Excerpta Medica werd een geldmachine. In 1970 besloot hij de medische uitgeverij onder te brengen bij uitgeverij Elsevier, waarmee hij niet alleen grote rijkdom verwierf maar ook een plek in de raad van bestuur bedong.
In 1979 werd hij topman van Elsevier, dat vlak daarvoor de Nederlandse Dagblad Unie (AD en NRC) had overgenomen. Vinkens fascinatie was de uitbouw van de wetenschappelijke tak, waarmee de grootste marges konden worden gemaakt. ‘Een bedrijf is een winstmachine, geen omzetmachine’, zei hij.
Dat viel slecht in linkse kringen, vooral toen Vinken zijn woorden in daden omzette met forse saneringen, de overval op Kluwer en de poging de Perscombinatie over te nemen. Interviews weigerde hij, zelfs aan zijn eigen media, omdat journalisten toch niet zouden opschrijven wat hij bedoelde. Zijn doel Elsevier tot de elite van de wereld te promoveren zou hij alleen kunnen bereiken met de overname van een grote Angelsaksische uitgeverij. Uiteindelijk wist hij Elsevier in 1992 samen te voegen met de Britse uitgeverij Reed. Hij bleef nog drie jaar topman en daarna nog jaren commissaris. Maar het werd geen gelukkig huwelijk. Vinken werd na zijn vertrek weer in de armen gesloten als cultfiguur van het grachtengordeldeel van liberaal-progressief Nederland.
Zijn republikeinse gezindheid was een mooi aanknooppunt. Vinken had een hekel aan de Oranjes, omdat hij een keer een uur op een vliegveld had moeten wachten omdat de zoon van Margriet en Pieter met meisje Van den Broek eerst moesten opstijgen. In 1996 was hij een van de oprichters van het Republikeins Genootschap met als een van de controversiële statuten: ‘Leden worden ook op hun lichamelijke kenmerken geselecteerd: alleen autochtone mannen komen in aanmerking’.
(8-11-2011)
Hans van den Bergh (1932-2011)

Onderzoeker naar de lach
Peter de Waard
Hans van den Bergh kreeg drie dingen van huis mee. In de eerste plaats zijn liefde voor het klassieke toneel. Elk jaar ging de hele familie bijvoorbeeld naar de nieuwjaarsopvoering van Vondels Gijsbrecht toe. Daarnaast was er de liefde voor de schrijver Multatuli. Zijn vader kon hele stukken van de Max Havelaar uit zijn hoofd. En ten slotte het debatteren over de monarchie. Zijn vader was geen republikein. Maar het koningshuis interesseerde hem nagenoeg niets. ‘Aan de tafel werd er goedhartig over gediscussieerd. Hans was daarbij de felste tegenstander. De andere familieleden waren te bang dat we misschien De Quay, Luns of Dries van Agt dan als president zouden krijgen. Maar die waren volgens Hans na vier jaar weer te vervangen’, zegt zijn jongste broer Flip van den Bergh. Hans van den Bergh overleed op 21 oktober op 78-jarige leeftijd. Hij was getroffen door een goedaardige vorm van kanker die uiteindelijk toch fataal bleek te zijn. Hij was letterkundige, toneelwetenschapper, cultuurwetenschapper en ook professor aan de Open Universiteit in Heerlen. Hij was een zoon uit het tweede huwelijk van de hoogleraar George van den Bergh, een telg uit de oprichters van de margarinefabrikant Van den Bergh & Jürgens die de grondslag hadden gelegd voor het Unilever-concern. Hij had uit zijn eerste huwelijk al vier kinderen, waarvan Robert wethouder van Amsterdam en minister van Financiën in een van de schaduwkabinetten van Joop den Uyl werd. Na zijn scheiding hertrouwde hij met een christelijke vrouw met wie hij nog eens acht kinderen kreeg. Hoewel van joodse afkomst wist hij dankzij zijn gemengde huwelijk net als zijn kinderen later aan de transporten in de Tweede Wereldoorlog te ontkomen. Hans van den Bergh studeerde begin jaren vijftig Nederlands en Frans aan de universiteit van Amsterdam. Samen met ondermeer Peter Lohr en de latere minister Hedy d’Ancona had hij een studentencabaret. Hij was gefascineerd door de reden waarom mensen de ene avond wel geweldig moesten lachen en de volgende avond niet. Dat leidde ertoe dat hij uiteindelijk zou promoveren op het proefschrift Konstanten in de komedie: een onderzoek naar komische werking en ervaring. Een blauwe maandag werkte hij ook mee aan het legendarische televisieprogramma Zo Is Het Toevallig Ook Nog Eens Een KeerHAls toneelliefhebber schreef hij al snel recensies voor het Haarlems Dagblad. In 1965 stapte hij over naar Het Parool waarvoor hij tot 1997 zou blijven schrijven. Van den Bergh moest niets hebben van de actie tomaat en de toneelvernieuwing in de jaren zestig. Integendeel, hij ergerde zich bijzonder hoe grote acteurs als Albert van Dalsum en Hans Bentz van den Berg werden bekogeld met tomaten. ‘Moet ik naar een stuk gaan kijken van een gezelschap met de naam Mug met een Gouden Tand’, riep hij dan verontwaardigd. Hij trouwde eind jaren zestig met Renee Samson met wie hij twee kinderen kreeg: de architect Ella van den Bergh en zijn zoon Thomas van den Bergh, nu uitgever bij de Bezige Bij. Hij was een initiatiefrijk persoon, warm, uiterst kritisch, belangstellend en stimulerend. Hij gunde iedereen van harte succes. ‘Hij was eigenlijk mijn vadertje, Mijn echte vader troonde aan het hoofd van de tafel en rookte sigaren uche, uche in zijn studeerkamer.. Hans voedde mij op. Hij vertelde hoe ik moest scheren, dat ik geen licht jasje bij een donkere pantalon moest aantrekken en welk boek ik moest lezen. Hij hielp mij als ik iets op school niet snapte of troostte als ik verdrietig was’, vertelt Flip van den Bergh. Naast het schrijven van toneelrecensies was hij leraar Nederlands en Frans in Amsterdam en leverde hij bijdragen aan literaire bladen als Tirade en De Gids. Veel van die bijdragen gingen over de door hem zo bewonderde Multatuli. In 1985 volgde hij Garmt Stuiveling op als voorzitter van het Multatuli Genootschap met de taak de uitgave van diens verzameld werk tot een goed einde te brengen. Het leidde tot aanvaringen met de schrijver W.F. Hermans. Maar het lukte hem wel om in 1987 een standbeeld van Multatuli in Amsterdam te laten onthullen. Met voormalig Elsevier-topman Pierre Vinken werd Van den Bergh eind jaren negentig een van drijvende krachten van het Republikeins Genootschap. In 2002 publiceerden ze samen Het Klein Republikeins Handboek. Begin dit jaar verscheen nog van de hand van Van den Bergh het boek Doe het niet, Alex! met dertig redenen waarom Willem-Alexander beter zou kunnen afzien van het koningschap. Zo past de term ‘majesteit’ niet bij Willem-Alexander, schreef Van den Bergh. “Je bent zelf toch veeleer een beweeglijke, sportieve vrolijke frans, en in veel te veel opzichten een jongen van deze eenentwintigste, door en door democratische eeuw om van jezelf te geloven dat je werkelijk uitsteekt boven het Nederlandse maaiveld.’ Verder schreef Van den Bergh onder verschillende pseudoniemen columns voor een reeks van kranten zoals NRC Handelsblad (Paul Abbey), Vrij Nederland (Ten Braven), Het Parool (Jansen en Tilanus) en het Algemeen Dagblad (E.D. Dekker).
(5-11-2011)
Morris Tabaksblat (1937-2011)
Het geweten van ondernemers
Morris Tabaksblat, oud-Unilevertopman en naamgever van de code voor verantwoord besturen in het bedrijfsleven, is donderdag op 74-jarige leeftijd overleden.
‘Fatsoen maakt geen carrière; succes maakt carrière.’ Managers die opklimmen tot topbestuurders, hebben dat niet te danken aan hun integriteit, maar aan hun succes. En daarom waren er volgens Morris Tabaksblat regels nodig om te voorkomen dat ze zichzelf te veel mooie baantjes en te hoge beloningen toebedeelden.
Morris Tabaksblat klom zelf in 35 jaar bij Unilever op tot een kleurrijk topman met te veel commissariaten (de SP noemde hem in 1998 de machtigste Nederlander) en te hoge beloningen (5 miljoen gulden in zijn laatste jaar bij Unilever). Nadat hij in 1999 afscheid had genomen werd hij evenwel de grote voorvechter van maatschappelijk ondernemen.
Met zijn in 2003 tot stand gekomen code-Tabaksblat schreef hij geschiedenis. Er zou paal en perk worden gesteld aan het aantal commissariaten (maximaal vijf) en de hoogte van gouden handdrukken (een jaarsalaris). Hiermee joeg hij zijn vriendjes van het old boy network zo hoog in de gordijnen dat ze in het Hilton Hotel een speciale bijeenkomst organiseerden om protest aan te tekenen. Tabaksblat wist met zijn onweerlegbare argumenten en steun van de publieke opinie het maatschappelijke debat te winnen.
Tabaksblat, die al enige tijd aan kanker leed, is afgelopen donderdag op 74-jarige leeftijd overleden. Hij werd in 1937 in Rotterdam geboren als zoon van tot het christendom bekeerde Pools-Joodse immigranten. Ondanks deze bekering werd het gezin in oktober 1943 opgepakt en naar concentratiekamp Theresienstadt gevoerd, waar het in maart 1945 door de Russen werd bevrijd.
Zijn herinneringen aan die periode waren vooral de eindeloze verveling in Theresienstadt, de angst om naar Auschwitz te worden getransporteerd en de keer dat hij als klein jongetje na de bevrijding de vissen uit het dode water mocht halen die boven kwamen drijven nadat door soldaten handgranaten in het water waren gegooid.
In de jaren bij Unilever kwam hij regelmatig mensen tegen die ooit lid waren geweest van de Hitler Jugend of voor de Wehrmacht hadden gevochten. ‘Dat konden prima mensen zijn, waarmee ik goed kon opschieten’, vertelde hij in 2009 in het pensioenblad Aanspraak.
Hij studeerde na het gymnasium rechten in Leiden en begon in 1964 bij Unilever, waar hij voortvarend carrière maakte. In 1984 werd hij directeur van een nieuwe divisie die zich bezighield met het opzetten van een nieuwe cosmeticapoot. Het resulteerde in de spectaculaire overnames van Chesebrough Pond’s (bekend van de gezichtscrème Pond’s), Faberge, Calvin Klein en Elizabeth Arden. Daarna werd hij de baas bij de divisie Food, waarbij hij onder meer het ijsje Magnum lanceerde.
In 1994 volgde hij in het midden van de ‘vuile wasmiddelenoorlog’ Floris Maljers op als bestuursvoorzitter. Unilever had met Omo Power een product op de markt gebracht dat de overheersende marktpositie van Proctor & Gamble’s Ariel in Europa moest breken. Maar Proctor toonde aan dat het wassen met Omo Power bij hoge temperaturen gaten in het textiel veroorzaakte. ‘We wilden de eerste zijn, om te winnen, net als bij ons Magnumijs’, gaf hij uiteindelijk de fout toe. De lancering in de VS van Black Pearl, een parfum van de beroemde actrice Liz Taylor, kostte het bedrijf ook miljoenen, omdat de diva niet wilde dat die ook via goedkope ketens werd verkocht.
Tabaksblat nam het voortouw in het stroperige debat over de door aandeelhouders gehate beschermingsconstructies tegen ongewenste overnames die uiteindelijk vragen opriep over de hele corporate governance van beursbedrijven. Binnen Unilever zelf saneerde hij talrijke bedrijven, waarna hij tot woede van de vakbonden bij zijn afscheid in 1999 de aandeelhouders een superdividend van 16 miljard euro uitkeerde.
In 2003 werd hij door minister Hans Hoogervorst gevraagd om regels te gaan opstellen voor het gedrag van bestuurders naar aanleiding van de boekhoudschandalen bij Ahold, Shell en Enron.
‘Bij de 125 beursgenoteerde ondernemingen kom je steeds dezelfde koppen tegen’, zei Tabaksblat die zelf als eerste een fiks aantal commissariaten moest opgeven. Het old boy network was onaangenaam verrast over wat het ‘Nederlandse koldermodel’ werd genoemd. ‘Zelfs Amerikaanse ministers mogen nog meer beleggen dan bestuurders in de voorstellen van Tabaksblat’, reageerde Cor Boonstra, ex-Philips. Aad Jacobs, ex-boegbeeld van ING, riep: ‘Mijn vrouw is de enige supporter van Tabaksblat. KPN-topman Ad Scheepbouwer noemde de voorstellen slecht voor het Nederlandse investeringsklimaat.
Niettemin kwamen de ruim honderd voorstellen er bijna ongeschonden door en stond Nederland een jaar later hoog in de ranglijst van landen met de beste corporate governance. Maar er kwam later ook kritiek op de code. Zo werd het opbreken van het old boy network de oorzaak genoemd van het afketsen van een fusie tussen ING en ABN Amro die de dramatische ondergang van de laatste bank betekende.
Ook de laatste jaren vervulde Tabaksblat nog tientallen bestuursfuncties.
(24-10-2011)
Floris Meydam (1919-2011)
Ontwerper van Leerdam Glas
De bescheiden kunstenaar Floris Meydam was de man achter producten die iedereen kent, zoals de beugel-fles van Grolsch en de jampotten van De Betuwe.
Peter de Waard
Naast bijna honderd musea heeft ook ieder huishouden in Nederland wel iets van de Leerdammer kunstenaar Floris Meydam in huis, al is het maar een barbecuesausflesje van Calvé, een fles bessenlikeur van Coebergh, het mosterdpotje van Luyckx of de jampotten van De Betuwe. Zelfs op het bierpijpje van Heineken en de beugelfles van Grolsch heeft hij zijn stempel gedrukt.
Meydam was een geniaal ontwerper. Volgens zijn vrouw Leny kon hij urenlang verzonken in gedachten achter een bureau zitten, totdat hij ineens het potlood pakte en zijn ideeën op papier zette. Hij ontwierp ook veel sierglaswerk, waaronder de bekende Leerdam Unica-collectie en serviezen voor de Goudse aardewerkfabriek Regina (onder meer Black Princess), de Porceleye Fles in Delft, Fris in Edam en de vazenfabriek Hofra in Herwijnen.
Meydam overleed op 25 september in Leerdam. Zijn vader was glasinpakker in Leerdam. De oudste van zijn drie kinderen, Floris (of Floor), bleek hoogbegaafd te zijn. Eigenlijk had hij naar het gymnasium moeten worden gestuurd, maar zijn vader – een echte SDAP’er – kon dat niet betalen. Floris moest een opleiding voor elektricien volgen op de ambachtsschool. In 1935 kwam hij in dienst van de Glasfabriek Leerdam, waar hij letters kon gaan figuurzagen op de reclame-afdeling. ‘Een baantje met een boordje’, zoals zijn vader toen zei. Zijn leermeester was de vormgever AD Copier, die in 1940 de glasschool Leerdam opzette. Aanvankelijk was die alleen voor glasblazers en slijpers, maar in 1942 ook voor decorateurs. Meydam bleek zo talentvol dat hij in een jaar opklom van leerling tot leraar.
Met Copier ontstond al gauw een echte rivaliteit, vooral op het gebied van Leerdam Unica. Meydam haalde een reeks van prijzen binnen en exposeerde in de beroemdste musea ter wereld, zoals het Museum of Modern Art in New York en het Musée des Arts Décoratifs in Parijs. Meydam werd in 1949 hoofd van de ontwerpafdeling van de Glasfabriek Leerdam. Een jaar later lanceerde hij het servies Folium, dat prins Bernhard in 1953 zou aanbieden als relatiegeschenk aan de president van Mexico. Meydam gaf de na-oorlogse collectie van de glasfabriek een eigen gezicht. Veel van het werk kenmerkte zich door lichtspel, veroorzaakt door luchtbellen of ingevoegd maalsel. Naast gebruiksglas, sierglas en serviezen ontwierp hij ook talrijke glaspanelen voor bedrijven (Union Fietsen, De Baronie, Heineken) en instellingen (Stedelijk Museum).
Volgens conservator Hélène Besançon van het Nationaal Glasmuseum is het bijzondere van Floris Meydam dat hij vernieuwend bleef in zijn ontwerpen. ‘Vooral met het aanbrengen van kleuren in geblazen glas was hij echt briljant.’ Joan Temminck, die zijn biografie schreef, stelt dat Meydam een zeer introverte en gesloten man was. ‘In deze tijd zou hij vermoedelijk autistisch worden genoemd’. Volgens Temminck was Floris ook een vrouwenman. Vrouwen waardeerden zijn bescheidenheid (‘Ja, zei hij, ik ben een van de grootste glaskunstenaars, maar dat blijft onder ons’) en zijn humor met subtiele woordspelingen. Hij zou drie keer trouwen en kreeg zeven kinderen. Ondanks privéproblemen bleef hij ook een zeer sociale man. Toen de glasfabriek Leerdam in 1964 werd gedwongen meer markgericht te werken, was hij niet te beroerd om concessies te doen in zijn ontwerpen, zoals bijvoorbeeld in de collectie voor het Duitse Kaufhaus, om de werkgelegenheid van collega’s veilig te stellen. Ook was hij nauw betrokken bij het personeelsblad waarvoor hij onder meer cartoons tekende.
Meydam bleef na zijn pensionering in 1984 als onafhankelijk glaskunstenaar Unica vervaardigen. Dat deed hij vooral met de Engelse glasblazer Neil Wilkin en vanaf 1993 kreeg hij zijn vaste galerie, Glas Galerie Leerdam. Zijn laatste ontwerp was het Ariane Oranjevaasje. Het Nationaal Glasmuseum eerde hem vorig jaar nog met de overzichttentoonstelling De negentig van Meydam ter gelegenheid van zijn 90ste verjaardag. Daar werd een beeld gegeven van zijn artistieke veelzijdigheid, maar zelfs na zijn dood zijn al weer nieuwe ontdekkingen gedaan van zijn fenomenale werkdrift en talent, zoals bijvoorbeeld een hele collectie van badkamerglas.
(22-10-2011)
Anton Witkamp (1929-2011)
De man van Telesport
Als chef sport van De Telegraaf bouwde Anton Witkamp goede banden op met sporters. Als dank hesen de spelers van Oranje hem in 1974 op de schouders.
Peter de Waard
Er was nog geen Bert Maalderink of een andere televisieverslaggever die het Nederlands elftal ook buiten de wedstrijden om van minuut tot minuut volgde. Wel organiseerde de redactie Telesport van De Telegraaf tijdens het WK van 1974 buiten het zicht van de camera's de steeds wilder wordende feestjes, waarvoor de BN'ers van toen (Lex Goudsmit, Rita Corita en Fred Kaps) waren uitgenodigd.
De bedenker was Anton Witkamp. In zijn periode als chef tussen 1968 en 1976 veranderde hij mogelijk meer bij de krant dan alle andere chefs samen hebben gedaan. Hij maakte van de sportpagina's de bijlage Telesport en smeedde de hechte band tussen de krant en de commercie. Zo organiseerde hij tijdens het WK voetbal van 1974 de volgens het Duitse boulevardblad Bild tot orgiën verworden feestjes van de Oranje-spelers. Op 23 juni 1974 werd Volkskrant-verslaggever Ben de Graaf door enkele spelers in het zwembad gegooid vanwege diens 'zure stukken'. Op maandag 1 juli werd Witkamp vanwege zijn positieve toon op de schouders gehesen.Witkamp overleed op 29 september in Den Ilp op 81-jarige leeftijd. Nadat hij in 1992 als adjunct-hoofdredacteur bij de krant was vertrokken, leefde hij in de anonimiteit. Op de crematie in Zaanstad spraken behalve hoofdredacteur Sjuul Paradijs nog zijn autosportvriend Ben Huisman en zijn enige nog levende broer. Bij de sporters die hem ooit zo adoreerden, was hij vergeten.
Witkamp was een loodgieterszoon uit Den Haag. Hij was gek op sport en speelde waterpolo bij ZIAN (Zwemmen Is Altijd Nuttig). Met zijn mulo-diploma probeerde hij een baantje te vinden in de journalistiek. Bij de Haagsche Courant, waar onder anderen Herman Kuiphof werkte, mocht hij af en toe wedstrijdverslagen maken van lokale voetbalclubs als HGC en VUC, zonder dat hij er een cent voor betaald kreeg. In 1948 ging Witkamp op eigen kosten naar de Olympische Spelen in Londen. Hij slaagde er in enkele stukjes in de krant te krijgen, hoewel de ruimte voor sportverslaggeving nog klein was. Uiteindelijk vond hij een baan bij het ANP als telexscheurder. Af en toe kon hij ook sportverslagen maken. Jan Blankers - de echtgenote van de atlete Fanny Blankers-Koen - was in die tijd chef sport bij De Telegraaf. Hij haalde Witkamp in 1955 naar de krant. En toen Blankers in 1969 opstapte, was de kleine Witkamp zijn natuurlijke opvolger.
Witkamp viel met zijn neus in de boter. Dankzij de successen van Ard en Keessie, de Tour-zege van Jan Janssen en de overwinningen van Feyenoord en Ajax in de Europa Cup nam de belangstelling voor sport enorm toe. Witkamp bedacht Telesport, dat zich en passant ontpopte als het clubblad van Ajax. Witkamp was zo nauw bevriend met toenmalig Ajax-voorzitter Jaap van Praag dat hem exclusief de primeur werd gegund van de transfer van Johan Cruijff naar Barcelona. Witkamp bedacht zelfs wedstrijden voor Ajax zoals de Supercup-ontmoeting tegen Glasgow Rangers in 1972. Hij stimuleerde verslaggevers ook de sponsors in de journalistieke rubrieken te noemen - iets wat bij andere kranten not done was. Ben de Graaf van de Volkskrant was zijn tegenhanger, maar koestert ondanks het natte pak van toen geen rancune tegen Witkamp: 'Hij had zijn Telegraaf-kantjes maar was een goed en objectief verslaggever van wedstrijden. Hij manipuleerde niet bij Ajax, zoals Jaap de Groot nu doet.'
In 1976 werd Witkamp als adjunct-hoofdredacteur verantwoordelijk voor de hele krant. 'We gaan vanavond een krantje maken, dat er morgenochtend weer ingaat als kip', riep hij dan tegen de avondploeg. In 1982 nam hij van het voetbalmarketingbedrijf Inter Football van Maarten de Vos het idee over voor het Voetballer van het Jaar-klassement. Ook nam hij sporters in dienst om columns te schrijven zoals Johan Cruijff. Witkamp stond ook altijd vooraan als er gefuifd werd. Herhaaldelijk hing hij in café's als Scheltema en Hoppe aan de lamp. Maar altijd zat hij de volgende ochtend om 9 uur weer achter het bureau. Hoofdredacteur Sjuul Paradijs noemde hem op de crematieplechtigheid 'Mister Telegraaf, de bon vivant, de ijzervreter, die collega's op de avond dat hij ze ontsloeg ook weer aannam. Toen hij in 1992 tegen zijn zin met de VUT moest, nam hij meteen afstand van de krant. Misschien wilde Witkamp na alle hectiek de nodige rust.
(16-10-2011)
Peter Geerlings (1939-2011)
Grondlegger van het gedoogbeleid
Peter de Waard
Hij introduceerde in 1968 methadon op de Nederlandse markt voor morfinisten. Vier jaar later zou Peter Geerlings deel uitmaken van een commissie die het baanbrekende onderscheid tussen harddrugs en softdrugs ging maken. In de jaren negentig stond hij aan de wieg van een nieuw geneesmiddel voor alcoholverslaving, acamprosaat.
Hij was tegelijkertijd psychiater, psychotherapeut, psycho-analyticus, neuroloog, wetenschapper, docent en ook nog hoofd geneeskunde van de Jellinek Kliniek. Peter Geerlings overleed op 20 september aan de gevolgen van maagkanker. Hij is de belangrijkste pionier voor de verslavingszorg in Nederland en een van de grondleggers van het gedoogbeleid. ‘Hij was de meest beminnelijke man die ik kende. En ondanks zijn zachtaardige karakter heeft hij enorme invloed gehad op de veranderingen in de zorg en het politieke denken’, zo stelt Wim van den Brink die zijn benoeming als hoogleraar verslavingszorg aan Geerlings’ pionierswerk had te danken.
Geerlings werd in 1939 geboren in Batavia – in het toenmalig Nederlands-Indië, waar zijn vader administratief directeur was op een rubberplantage van de Nederlandse Handelsmaatschappij. Als militair van het Koninklijk Nederlands-Indisch leger werd hij na de Japanse bezetting te werk gesteld aan de beruchte Birma-spoorweg, terwijl zijn vrouw met zes kinderen aan internering konden ontkomen door zich als Indiërs voor te doen. Na de bevrijding pakte zijn vader na een korte onderbreking in Nederland zijn werk op de plantage weer op. Maar de nationalisten moesten niets van hem hebben. Zijn gezin werd geïnterneerd. In 1951 werd hij vermoord door nationalisten waarna het gezin naar Nederland terugkeerde en in Haarlem ging wonen.
Peter Geerlings was een hartstochtelijk sporter die zowel boksen als wielrennen in wedstrijdverband deed. Hij ging geneeskunde studeren in Amsterdam en volgde later ook de studie tot psychiater of zenuwarts zoals dat toen heette. Tijdens zijn opleiding psychiatrie werd hij in 1965 in Paviljoen III van het Wilhelmina Gasthuis geconfronteerd met drugsgebruikers die last hadden van psychiatrische verschijnselen. In de stage bij de GG&GD die hierop volgde, kwam hij opnieuw in aanraking met kunstenaars, provo’s en andere mensen uit de tegenbeweging die verslaafd waren aan opiaten. In 1968 besloot hij geheel op eigen advies een wekelijks poliklinisch drugsspreekuur te beginnen. Een jaar later werd dat omgedoopt tot het Consultatiebureau voor Alcohol & Drugs (CAD). In de VS had hij inmiddels kennisgemaakt met een nieuw middel voor de behandeling van opiaatverslaafden: het lang werkende methadon.
Geerlings maakte daarna deel uit van twee commissies die begin jaren zeventig het Nederlandse drugsbeleid bepaalde: de commissie Hulsman die in 1971 pleitte voor de legalisering van cannabis en de commissie Baan die in 1972 de decriminalisering van drugsgebruik bepleitte door een onderscheid tussen harddrugs en softdrugs. Geerlings beperkte zich niet tot medicijnengebruik als behandeling voor drugsverslaving. Hij beschouwde verslaving als een psychische stoornis, waarbij afwijkende hersenprocessen een rol spelen. Verslaving was geen zwakte maar een ziekte. Bij de behandelmethodes moesten verslaafden altijd de hoop kunnen hebben een nieuw leven op te bouwen.
Als waarnemend hoofd van de afdeling psychiatrie van het AMC legde hij een directe verbinding tussen verslavingszorg en academisch onderzoek. Hij was continu nieuwsgierig naar nieuwemethoden zoals behandelingen onder narcose met naltrexon en Diepe Hersen Simulatie. Geerlings ging in 2004 met pensioen, maar bleef actief op zoek naar wetenschappelijk en medisch-ethisch verantwoorde oplossingen voor verslaving. Hij pakte ook het fietsen weer op en werd daarnaast een fanatiek ruiter. Vrijwel tot aan zijn dood was hij medisch directeur van Castle Craig Nederland, een Schotse kliniek voor alcohol- en drugsverslaafden.
(11-10-2011)
Meta de Vries (1941-2011)
Disc-amazone van Hilversum III
Ruim veertig jaar lang was Meta de Vries met haar kenmerkende stem te horen op de radio
Meta de Vries werd begin jaren zeventig de ‘disc-amazone’ genoemd. Ze was toen de enige vrouwelijke dj op de popzender Hilversum 3 (nu 3FM). Ze deed haar programma’s live: twee keer per week diep in de nacht van twee tot vier uur, één op maandagavond. In dat laatste programma draaide ze verzoeknummers van gedetineerden die ze ook interviewde.
Haar zwoele stem en haar losse manier vielen in goede aarde. Ook bij de niet-gedetineerde Nederlanders en zelfs bij de toenmalige AVRO, die niet zozeer het doorbreken van taboes als doelstelling had. Toen een gedetineerde zei dat hij niet in Amsterdam in de gevangenis zat maar in Den Bosch, antwoordde ze spontaan: ‘Maakt niet uit waar je zit. Als je maar zit.’ Bij het 25-jarig regeringsjubileum van koningin Juliana in 1973 begon De Vries een discussie over gratie voor gevangenen.
Iedere Nederlander herkende toen haar stem uit duizenden. ‘Ik beschouw mijn stem als een instrument en ga nooit zonder sjaal naar buiten.’ Wie niet naar Hilversum III luisterde, hoorde haar op de zondag op Hilversum 1 waar ze eerst het programma Delta had en later Juist op Zondag, waarin ze vlak voor Willem Duys’ Muziek Mozaïek uitgaanstips gaf voor de zondag. Als het evenement werd genoemd – de Trekker-trek wedstrijden in Egmond of de vliegershow in Hengelo – stond daar prompt twee uur later een lange file.
Meta de Vries (70), die donderdagavond in Leusden overleed aan de gevolgen van kanker, werd in 1941 geboren in Den Haag als dochter van een schoolhoofd. Ze groeide op in het Gooi, waar ze op de MMS vijf talen leerde spreken en de kweekschool volgde. Ze begon in 1961 als kleuterleidster in Hilversum, maar solliciteerde in 1963 bij de AVRO als radio-omroepster. Vanaf 1967 presenteerde ze twintig jaar Juist op Zondag. Haar naam werd in die periode synoniem voor een dagje uit. Drie jaar later werd ze ook dj bij Hilversum 3 met programma’s als de Negen Uur Show. Na een kort uitstapje naar de piraat Radio Noordzee keerde ze terug op Hilversum III voor het programma Muziek met Meta.
Vanaf 1978 werd ze bekend als televisiepersoonlijkheid dankzij AVRO’s Platenpanel. Ze was vanaf dat moment bijna veertien jaar de vaste commentaarstem van de AVRO. In 1991 werd de samenwerking verbroken. De Vries keerde later terug bij commerciële zenders als de Gouwe Ouwe en Euro Jazz. Vanaf 1998 was ze ook weer te zien en te horen bij de regionale zenders RTV West en RTV Utrecht. Ze werkte ook enige tijd voor Radio Max.
Haar laatste programma’s waren Easy Listening voor omroep Max op Radio 2 en een STER-spot voor het Nederlands Bureau voor Toerisme, waarin op zaterdag en zondag toeristische tips worden gegeven onder de titel Lekker weg in eigen land. In 2009 kreeg ze nog een oeuvreprijs als beste vrouwelijke radiomaker, omdat ze alle muziekgenres had gedaan. ‘Discjockeys leggen nadruk op alles klemtonen. Ik doe daar niet aan mee. Je moet niet schreeuwen, maar gewoon laten horen wie je bent, dan hou je het het langste vol.’
Tot het einde van haar leven hield ze vast aan de ouderwetse draaitafel. ‘Tegen de langspeelplaat kan geen cd of iPod op.’ Minder bekend is dat Meta de Vries ook nog twee musicals schreef en vanaf 1965 zong in het jazzorkest De Gooische Compagnie.
(8-10-2011)
Leo Auping (1917-2011)
Man van de spiraalbodem
Met zijn vertrek in 1976 verdween de naam Auping uit de directie van het Deventer beddenbedrijf, in 1888 opgericht door zijn opa.
Peter de Waard
Leo Auping was de man van de verstelbare spiraalbodem. In 1967 kwam hij met deze noviteit waarmee de Deventer beddenfabrikant de concurrentie mijlenver achter zit liet en een grote naam werd op de Nederlandse beddenmarkt. Leo Auping zou nog tien jaar de scepter zwaaien bij het familiebedrijf. Daarna ging hij met pensioen en verdween de naam Auping uit de directie, hoewel de aandelen nog altijd in handen van de familie zijn.
Auping is op 29 september in Den Bosch op 94-jarige leeftijd overleden. Hij woonde hier de laatste 19 jaar met zijn tweede vrouw. Maar hij zal donderdag worden begraven in Deventer, waar zijn opa, de Deventer kachelsmid Jan Auping, in 1888 aan de Smedenstraat de Eerste Nederlandsche Fabriek van Stalen Gezondheidsbedden oprichtte. Willem Auping nam in het begin van de 20ste eeuw het bedrijf van zijn vader over en begon een fabriek aan de Laan van Borgele waar het bedrijf nu nog gevestigd is. Hij zorgde ervoor dat Auping een van de eerste echte merknamen werd in de beddenindustrie.
Leo Auping was een van de drie zonen van Willem. Hij studeerde aan de Technische Universiteit in Zürich en kwam automatisch in de zaak van zijn vader terecht, net als zijn broer Albert. In 1951 namen zij de leiding over. Zij haalden al na twee jaar een buitenstaander in de directie met de econoom Frans Savenije. In datzelfde jaar werd de Cleopatra gelanceerd, het eerst klassieke bed van Auping, waarvan 1,3 miljoen exemplaren werden verkocht. Savenije werd in 1966 na het opstappen van Albert Auping algemeen-directeur. Leo Auping concentreerde zich op de technische kant van het bedrijf. In 1973 ontwierp Frans de la Haye op zijn verzoek het bedmodel Auping Auronde, dat met achterwand en verschuifbare kastjes en tafeltjes het succesmodel van de fabrikant werd. Van het bed werden meer dan één miljoen exemplaren verkocht.
Auping breidde na het vertrek van Leo Auping in 1976 de collectie snel uit met nieuwe ontwerpen en nam ook een boxspringfabriek over waardoor het de grootste beddenfabrikant van Nederland werd. De familie maakt in de raad van commissarissen nog de dienst uit. Leo Auping was zelf in 2008 voor het laatst op het bedrijf toen hij ter gelegenheid van het 120 jarig bestaan het gedenkboek van de Stichting Industrieel Erfgoed Deventer (SIED) over het bedrijf kreeg overhandigd.
(4-10-2011)
Frans Nypels (1937-2011)
Getrouwd met de krant
Peter de Waard
‘Je bent getrouwd met de krant en je gaat vreemd met je vrouw’, zei Frans Nypels. Het liefst was hij eigenlijk in het harnas gestorven, maar De Telegraaf zette deze eigenzinnige journalist veertien?jaar geleden al buiten de deur als hoofdredacteur van het Haarlems Dagblad, hoewel hij deemoedig de gang naar de Basisweg had gewaagd om respijt te krijgen.
Nypels, die op 10 september op 74-jarige leeftijd overleed, begon zijn carrière als sportjournalist op de Rotterdamse redactie van de toen net gefuseerde katholieke kranten De Tijd De Maasbode. Hij verwierf vooral faam toen hij van de Haagse Post in de jaren zeventig het meest vernieuwende opinieblad maakte. Hij schreef vele artikelen – en ook boeken – met onder meer Kees Tamboer en Flip de Kam.
Frans Nypels werd vlak voor de oorlog geboren in Alkmaar, waar zijn vader een herenmodezaak had (hij zou zelf nog twee textielbrevetten halen) en volgde een opleiding aan de handelsschool. Zijn eerste baan was die op de advertentieafdeling van De Tijd, waar hij ook zijn echtgenote Marianne van den Raadt leerde kennen, met wie hij in 1961 trouwde.
Al snel stapte Nypels over naar de journalistiek. Hij werkte ruim een jaar voor het Noordhollands Dagblad in Alkmaar. Daarna stapte hij over naar De Tijd, dat de sportjournalistiek had vernieuwd met kleedkamerverhalen en artikelen over de maatschappelijke kant van sport. Nypels was een voorloper in het schrijven over het dopinggebruik in de wielrennerij.
In 1969 kwam hij bij de Haagse Post terecht, waar hij vooral over sociaal-economische onderwerpen ging schrijven. ‘Nypels was de motor en het hart van die redactie’, zegt Kees Tamboer. Toen Boebi Brugsma opstapte, was hij de man om hoofdredacteur te worden. Nypels weigerde. Hij wilde liever schrijven. Nypels was een van de eerste die de oplopende kosten van de verzorgingsstaat signaleerde, waarmee hij zich de woede van de vakbonden op de hals haalde.
In 1977 stapte hij over naar het Haarlems Dagblad – eerst als chef stadsredactie, vier jaar later als hoofdredacteur. ‘Hij vond dat hij te veel voor een selecte groep schreef, een soort Haagse grachtengordel’, zegt zijn vrouw. ‘Hij wilde meer mensen bereiken. Hij had er zelfs een lager salaris voor over.’
Het Haarlems Dagblad moest spraakmakend zijn, zowel in de regio als nationaal. Nypels wilde dat iedereen in simpele bewoordingen schreef voor de Henk en Ingrid van die tijd – Jan Modaal en Mien met de Bloemetjesjurk. Maar daarbij mochten wel de ingewikkeldste kwesties worden aangepakt. En zo lang daar de democratie een dienst mee werd bewezen, mochten de artikelen zo lang zijn als nodig. ‘Laat die orang-oetang met zijn scheermes uit de buurt van mijn verhaal blijven; elk woord is gewogen en het is door mij geautoriseerd!’, zei hij dan.
Spraakmakende journalistieke projecten mochten tijd en geld kosten, ook bij de regionale krant. ‘Ik ben geen chef ruitjespapier’, zei hij een keer toen iemand begon over budgetten. Hij stelde journalisten voor grote onderzoeksprojecten maandenlang vrij, zoals bij het onderzoek naar de dubbelspion King Kong. De speurtocht naar de Velsense oorlogsmisdadiger Abraham Kipp strekte zich uit tot Argentinië. Twee verpleeghuizen kregen in totaal zes maanden lang een journalist over de vloer om de werking van de zorg te doorgronden. Pim Fortuyn kreeg zijn eigen column, nog vóór hij in Elsevier verscheen.
Nypels zag zijn werk als een levensstijl. Hij beoefende die ongezond met stress, roken en drank. Zijn commentaar: ‘Als ik dood ga, heb ik twintig levens achter de rug.’
Bij zijn gedwongen afscheid in 1996 kreeg Frans Nypels bij het stadhuis een klinker in de straat – een ‘steen des aanstoots’ als aanmoediging aan regionale journalisten om kritisch te blijven op het stadsbestuur. De laatste veertien jaar woonde hij semi-permanent in Frankrijk, maar dat weerhield hem er niet van zijn licht over Nederland te laten schijnen.
(4-10-2011)
Frans Kordes (1926-2011)
Rekenmeester van de overheid
Peter de Waard
Toen Frans Kordes (CDA) in 1984 PvdA’er Henri Peschar opvolgde als president van de Rekenkamer was deze al druk bezig zich op de grote overschrijdingen van de rijksuitgaven te storten. Alleen lag hij jaren achter. Toen Kordes zelf in 1991 werd opgevolgd door Henk Koning (VVD) was de Rekenkamer bijna bij.
Kordes, die op 22 september op 84-jarige leeftijd overleed, maakte de Rekenkamer doelmatig en efficiënt. In zijn periode begonnen politici te vrezen voor dit hoge college van staat. ‘De Rekenkamer is niet het geliefde meisje van de politici’, erkende Kordes in zijn afscheidsinterview met de Volkskrant. ‘Maar we proberen ze te overtuigen dat ons onderzoek nuttig is.’
Kordes had geen boodschap aan smoezen van ministeries om onderzoeken op de lange baan te schuiven vanwege reorganisaties of staatsgeheimen. Hij wilde de cijfers hebben, zij het dat hij daar discreet mee wilde omgaan.
Aan de andere kant zocht de Rekenkamer tijdens zijn periode steeds vaker de publiciteit. Vier keer per jaar werden verslagen naar de media gestuurd, waarbij excessieve uitgaven van het Rijk aan de kaak werden gesteld.
De Rekenkamer was ook niet meer alleen de interne accountantsdienst van de regering. In opdracht van de Tweede Kamer ging de Rekenkamer tijdens de periode-Kordes onderzoeken doen naar onder meer de studiefinanciering, het Oosterscheldeproject en de paspoortenkwestie. Kordes liet zelfs onderzoeken of musea voldoende deden om zich tegen schilderijendiefstal te beschermen.
Kordes werd geboren in Rotterdam, waar zijn vader stationschef was. Tijdens de oorlog werd hij weggevoerd voor tewerkstelling in Duitsland maar wist als verstekeling op treinen via een omweg naar Nederland te ontsnappen. Na de oorlog besloot hij marine-officier te worden. Op de schepen werd hij al gauw de administrateur, wat hem ertoe bewoog in 1966 de overstap te maken naar het ministerie van Binnenlandse Zaken waar toen werd begonnen met automatisering.
In 1981 stapte hij over naar de Rekenkamer, waarvan hij drie jaar later president werd. Volgens de Rekenkamer ging bij hem veel aandacht uit naar de jaarverslagen. Niet voor niets is de jaarlijkse prijs voor het beste jaarverslag van Nederland in de (semi-)publieke sector naar hem genoemd: de F.G. Kordes-trofee.
Na zijn werk bij de Algemene Rekenkamer is Frans Kordes actief geweest in de archiefwereld als voorzitter van de commissie die Joodse tegoeden onderzocht. Ook was hij onder andere commissaris bij de Staatsloterij.
(28-9-2011)
Frans Drabbe
Peter de Waard
‘De vakbeweging moet elke dag laten zien waar ze voor staat. Anders zoeken leden hun heil ergens anders’, zei Frans Drabbe in zijn afscheidsinterview van de FNV in de Volkskrant, eind 1985
Frans Drabbe was secretaris en tweede vicevoorzitter van de FNV, maar iedereen kende hem in de jaren zeventig en tachtig als ‘de loondeskundige’. Veelvuldig stond zijn naam in de tweede regel van de openingen van de nationale en regionale bladen. Drabbe eist 2,5 procent. Drabbe tegen nieuwe loongolf.
Drabbe, die 22 september op 85-jarige leeftijd overleed, behoorde samen met voorzitter Wim Kok en Herman Bode tot wat toenmalig minister De Koning ‘de drie musketiers’ noemde. Zij gaven de bond na de fusie van NVV en NKV in 1976 meteen een gezicht. Drabbe was de strateeg naast de intellectueel Wim Kok en Herman Bode, de man van de werkvloer. Op zaterdag zat hij als loondeskundige vaker dan wie dan ook in het veelbeluisterde radioprogramma In de Rooie Haan waar hij zijn visie gaf op de cao’s waarover toen altijd wel werd geruzied. ‘Als er iemand van ons niet in dat programma zat, was het op maandag een discussiepunt.’ Een jaar na de oprichting van de FNV leidde hij de eerste grote actie ‘De FNV gaat niet opzij’ die meteen een groot succes werd.
Drabbe was een kleine donkere Zeeuw die met een ambachtsschool-diploma begon als leerlingbankwerker bij de scheepswerf De Schelde in Vlissingen. In 1958 werd hij districtsbestuurder van de NVV-bond Algemene Bedrijfs Centrale voor de drie zuidelijke provincies. Hij leidde namens het NVV de cao-onderhandelingen, waarbij niet werd geschroomd looneisen van meer dan 10 procent te stellen. Hij verwierf nationale bekendheid als actieleider bij de bezetting van de met sluiting bedreigde kunststoffabriek Enka in Breda in 1972. Een jaar later werd hij vicevoorzitter van het NVV en nam hij ook zitting in de Sociaal-Economische Raad, het symbool van het toenmalige Nederlandse overlegmilieu.
In 1976 kwam hij als secretaris in het bestuur van de nieuwe vakcentrale FNV. Hij ontwikkelde zich daar tot de realist die inzag dat grote loonstijgingen tot grote stijgingen van de werkloosheid leidden. Hij durfde als eerste FNV’er openlijk de automatische prijscompensatie ter discussie te stellen.
In 1982 was hij de naaste medewerker van Kok bij de totstandkoming van het zogenoemde Akkoord van Wassenaar, waarbij met de VNO afspraken werden gemaakt over loonmatiging. Het zou de basis worden voor het polderen. ‘We hadden dat echt niet in ons hoofd. We maakten ons alleen ongerust over de snel stijgende lonen en de stijgende werkloosheid.’ Na 1982 werd hij de belangrijkste pleitbezorger voor de 36-urige en later ook 32-urige werkweek.
Drabbe was een vasthoudend onderhandelaar maar had altijd oog voor goede verhoudingen met de sociale partners. Hij hekelde in een interview met de Volkskrant in 1984 het bezuinigingsbeleid van het duo Lubbers en Ruding, maar zei diplomatiek: ‘Ze liegen niet, maar ze verzwijgen wel zaken’.
Hij zou tot 1984 SER-lid blijven. Een jaar later ging hij met pensioen. Vlak voor zijn pensionering, op zijn 60ste jaar, had hij een gevaarlijke vaatziekte gekregen waardoor zijn voet dreigde te moeten worden geamputeerd. Hij bleef tot zijn 72ste jaar nog allerlei functies vervullen, zowel voor commissies binnen de FNV als bij de Postbank en de ING.
(27-9-2011)
Wim van Zijll (1916-2011)
Sportbobo uit de vakbond
Peter de Waard
Zijn bevlogen spreekstijl had hij van zijn vader – een bestuurder van de vakbond van metaalbewerkers. Wim van Zijll, de eerste directeur van het Nederlands Olympisch Comité (NOC) en de eerste algemeen secretaris van de Nederlandse Sport Federatie (NSF), was echter ook een vreemde eend in de bijt. In de jaren voor de oorlog en vlak na de oorlog was topsport nog een prerogatief van de elite en met name de aristocratie: mensen als ruiterkampioen Charles Pahud de Mortanges. Toen Van Zijll in 1947 solliciteerde voor de functie van directeur van het NOC was zijn concurrent een jonkheer. Van Zijll werd uitverkoren en werd later een van de belangrijkste vormgevers van de huidige Nederlandse topsport en recreatiesport.
Wim van Zijll, die op 18 augustus op 95-jarige leeftijd overleed, werd in Amsterdam geboren in een socialistisch nest van zes kinderen. Zijn vader verstond de kunst arbeiders van bedrijven als NDSM, Stork en Werkspoor op te roepen voor een staking, maar was ook in staat ze te laten afzien van actie.
Wim van Zijll bleek een uitstekende gymnast, die in de jaren dertig de kans kreeg naar de Academie voor Lichamelijke Opvoeding te gaan. Maar een topsporter werd hij niet. Zijn enige prestatie van formaat was de nationale handbaltitel met Niloc. Na zijn studie werd hij in 1937 eerst leraar lichamelijke oefening in Amsterdam. Vier jaar later verhuisde hij voor een nieuwe baan als consulent voor lichamelijke oefening naar Emmen. Hij werd ook gymleraar in Groningen, waar hij twee jaar later zou trouwen. Nadat hij in 1947 bij het NOC in dienst was gekomen, ging hij in Den Haag wonen, waar hij de rest van zijn leven niet meer zou weggaan.
Hij werd al gauw een drijvende kracht van de Nederlandse sportwereld. Hij wist dankzij goede contacten met de overheid de Dienst Uitvoerende Werken (DUW) te bewegen Nederland in de naoorlogse jaren te verrijken met talrijke zwembaden, atletiekbanen en sportvelden. Hij was drie maal chef d’équipe van de Nederlandse olympische ploeg: in 1948 in Londen, in 1952 in Helsinki en in 1956 in Melbourne. Vanwege een boycot moest hij bij de laatste Spelen tot zijn grote teleurstelling voortijdig terugkeren.
Hij stelde de Sportnota 1958 op, waarbij hij aan de regering zijn visie gaf op topsport, wedstrijdsport en recreatiesport. Dit document werd de basis voor de later door minister Cals gepubliceerde Nota Betreffende de Lichamelijke Vorming en Sport, waarin de rijksoverheid haar bemoeienis met de sport duidelijk maakte.
In 1959 werd besloten een nieuwe overkoepelende sportorganisatie op te richten, die naast de olympische sporten ook andere sporten kon vertegenwoordigen. Dit werd de Nederlandse Sport Federatie (NSF). Van Zijll werd de eerste algemeen secretaris.
Bij de NSF begon hij talrijke initiatieven. Al een jaar later werd de Nationale Sporttotalisator opgericht, waarbij Van Zijll bedong dat de baten niet alleen bij het topvoetbal maar bij de hele sport terechtkwamen. In 1961 werd besloten tot de aanleg van twee kunstijsbanen in Amsterdam en Deventer. Twee jaar later speelde hij een belangrijke rol bij de totstandkoming van Papendal. Hij verrichtte ook pionierswerk voor de maatschappelijke begeleiding van topsporters en droeg zorg voor de internationale contacten van de NSF. In de Nederlandse sportwereld genoot hij een groot gezag.
Van Zijll ging in 1980 met pensioen. Hij werd opgevolgd door Wim de Heer. Dertien jaar later zouden NOC en NSF samengaan in een bond NOC*NSF. Van Zijll zou in Den Haag daarna nog een tijdje het voorzitterschap van de schaatsbaan De Uithof vervullen en was als adviseur betrokken bij diverse projecten.
(27-9-2011)
Wim Doedel (1959-2011)
Beeldende spektakels als werk
Peter de Waard
Als een vrouw hem vroeg of hij voor haar of voor zijn werk koos, was het antwoord van Wim Doedel simpel: 'Ik kies voor mijn werk.'
Zijn werk was totaaltheater, of wat hij beeldende spektakels noemde. Hij bouwde installaties van jerrycans, olievaten, slijpschijven, stellingen, ijzer en schroot en veel vuur. Met zijn Compagnie Doedel trok hij daarmee door het land. Hij en zijn medewerkers klauterden op deze installaties naar boven en beneden, terwijl ze vuurpotten tot verbranding en ontploffing brachten. De spectaculaire performances waren soms de opening, maar vormden altijd een hoogtepunt van talrijke festivals. Hij had nog jaren door willen gaan, maar op zijn 51ste hield zijn hart op met kloppen. Doedel overleed op 21 augustus aan een versleten hart na zelf nog zijn groep te hebben zien optreden tijdens het later weggeblazen Pukkelpop.
Wim Doedel werd geboren in het Gelderse Elburg. Hij vormde met zijn broer Bert een eeneiige tweeling. Tot hun 18de waren de broers onafscheidelijk. Dat had er ook mee te maken dat het gezin vele malen verhuisde, omdat de vader als weg- en waterbouwkundige trok naar de plek waar het werk voorhanden was. Wim Doedel volgde de LTS en ging daarna enige tijd werken in de blindenzorg.
Op zijn 18de ging hij op kamers wonen in Vught en later Den Bosch. Hij ontmoette een vrouw die actief was als kunstenares. Samen begonnen ze sieraden en vitrinekasten te maken. Wim was een autodidact zonder enige opleiding in de kunst. Maar hij bleek talentvol te zijn en had ambitie. Toen er een ruimte vrij kwam in de Melkfabriek in Den Bosch besloot hij installatiekunstenaar te worden. Hij haalde allerlei rommel van de sloop en maakte daar grote installaties van. Het was daar dat Doedel in de ban kwam van primitieve materialen als hout, staal en vuur. Dankzij zijn LTS-achtergrond was hij kundig als metaalbewerker, houtbewerker en lasser. In de jaren negentig kreeg hij voor het theaterfestival De Boulevard in Den Bosch de kans zijn ideeën uit te werken. Doedel begon er in 1993 met twee kantelbare eettafels waaraan bezoekers konden eten. Tafels die hij in lichterlaaie zette. Hij werd vaste gast op het festival.
Maar de markt voor deze installaties is klein. Wim had een vaste relatie en ook een kind. Hij moest geld verdienen. In 1993 gaf hij zijn eerste grote performance aan de Boulevard in Den Bosch. In die tijd kwam hij in contact met Mark Romer. Samen besloten ze van deze performance een theatervoorstelling te maken onder de naam Compagnie Doedel, waarin ook muzikanten optraden - eerst een violiste en later een percussionist. Doedels performances werden steeds groter en spectaculairder. Hij smeedde vuur, chaos en duisternis samen tot een machine, rokend en vol brandende olie - bruisend als het leven zelf. Steekvlammen, ontploffingen, zwartgeblakerde trommelaars op oliedrums en stalen pijpen zorgden voor een bizarre, soms magische sfeer. Hoewel hij verschillende vaste relaties had, bleef Doedel privé een Einzelgänger. 'Onze karakters zijn hetzelfde, maar Wim was misschien was minder sociaal dan ik', zegt zijn broer Bert. 'Als Wim wat op zijn hart had, dan zei hij het meteen', aldus zijn partner bij Compagnie Doedel Mark Romer.
Na Den Bosch opereerde hij vanuit Gilze. In 2000 werd het voormalige luchtmachtdepot Buitenveld gekraakt door een groep kunstenaars waar Doedel bij hoorde. Hij werd de woordvoerder. Vanuit de 'Gilzer Vrijstaat' ontwikkelde hij zijn shows. Het bracht hem in conflict met de gemeente. Hij vond een nieuwe ruimte in Weeze over de Duitse grens en later in het Belgische Doel, waar hij overleed.
(20-9-2011)
Gerard Fokke (1924-2011)
Aalmoezenier van het circus
Peter de Waard
Van accountant werd hij een jezuïet en priester. Hij studeerde rechten, filosofie en theologie, promoveerde – met een proefschrift over Lof der Zotheid van Erasmus – om vervolgens aalmoezenier te worden van de kermisexploitanten en circusartiesten in Nederland. Tussendoor was hij handballer en bestuurder bij Hellas en reed hij drie keer de Elfstedentocht.
Weinig mensen hebben een zo kleurrijk leven als Gerard Fokke, die 16 augustus overleed aan een longontsteking. Zijn keuzen blijven ook voor zijn naaste omgeving ondoorgrondelijk. ‘Waarom
iemand na zeven jaar theologie te hebben gestudeerd kiest voor een aalmoezenierschap? Ik begrijp het niet’, zegt pater Van Gool, die hem de laatste twee jaar meemaakte in het verzorgingstehuis Berchmanianum aan de Houtlaan in Nijmegen. Ook zijn nicht Sylvia Donkers weet het niet: ‘Ik heb gemeend dat het beleid is geweest en dat hij dit deed in opdracht van de jezuïetengemeenschap.’
Gerard Fokke was de oudste zoon in een katholiek gezin in Den Haag met zes kinderen. Zijn vader was magazijnbediende, de familie had het niet breed. Op de lagere school was Fokke een briljante leerling. Zijn ouders wilden dat hij kon gaan studeren. Na het gymnasium B-diploma op het Aloysiuscollege te hebben behaald, kreeg hij een beurs, waardoor hij rechten kon studeren.
Als net afgestudeerd jurist trok hij eerst voor het avontuur naar Noorwegen. Na een tijdje kwam hij terug, werkte een blauwe maandag bij een verzekeraar en emigreerde in de jaren vijftig, na een verbroken verloving, naar Canada. Hier volgde hij nog twee universitaire studies waarna hij ging werken als ‘chartered accountant’. In Toronto trad hij ineens toe tot de orde der jezuïeten. Hij keerde terug naar Nederland en werd daar in 1967 tot priester gewijd.
In 1970 begon hij zijn studie kerkgeschiedenis aan de Universiteit van Leuven. Hij deed er zeven jaar over en haalde magna cum laude zijn doctoraal. Hij vestigde zich daarna in Brussel. Hij leek voorbestemd om les te geven aan een theologische hogeschool of een hoog ambt in de katholieke kerk te gaan vervullen. Hij had interesse in de rol van de kerk in de veranderende maatschappij, maar was niet de studeerkamerintellectueel die zich graag opsloot met een boek.
Hij was erg maatschappelijk betrokken en hield van mensen om zich heen. ‘Het mooie was dat hij met alle mensen die hij in zijn leven ontmoette contacten bleef onderhouden’, zegt zijn nicht.
In 1977 volgde zijn aanstelling als landelijk aalmoezenier voor kermisexploitanten en circusartiesten. Hij vestigde zich in Zeist. Hij kreeg als dank onder meer de gouden erespeld van de kermisbedrijfshouders. Hij zou zijn functie tot zijn pensioen in 1991 blijven vervullen. Later was hij nog jarenlang als pastoraal werker actief.
Fokke was een echte sportman. Hij speelde handbal op het hoogste niveau bij Hellas in Den Haag in de tijd dat nog met een elftal op het veld werd gespeeld in plaats met zijn zevenen in een zaal. Hij zou erelid worden van Hellas, waar hij door een oom naartoe was gehaald. ‘Bij Hellas was zijn vaste vriendenkring’, zegt zijn nicht. Ook reed hij drie keer de Elfstedentocht. In 1978 zat hij in het openingsfilmpje van Studio Sport: ‘Zelfs de paterjezuïet sport!’
Na zijn 80ste begon hij te sukkelen met zijn geestelijke gezondheid, waardoor hij, na tussenstops in Den Haag en Utrecht, in een verzorgingstehuis in Nijmegen terechtkwam.
(13-9-2011)
Tony van Leer
Leven in dienst van Albert Schweitzer
Peter de Waard
'Als Albert Schweitzer nog had geleefd, zou hij niet naar het oerwoud zijn gegaan, maar naar de slums', zo zei ze een keer. Tony van Leer was jarenlang verpleegster bij de fameuze theoloog, arts, zendeling, filosoof en musicus Albert Schweitzer. Met hem verbleef ze in Lambaréné, het toenmalige Frans Equatoriaal Afrika dat nu in Gabon ligt. Hier had Schweitzer in 1928 zijn oerwoudziekenhuis gebouwd waarin hij zich bezighield met de hulp aan lepra-patiënten.
Nadat Schweitzer in 1965 was overleden, wijdde Van Leer zich aan het behoud van zijn levenswerk. Zij verzamelde de nalatenschap van Schweitzer, waaronder de vele brieven, en hielp met het inrichten van Schweitzers huis in Günsbach in de Elzas tot een museum.
Van Leer overleed op 30 juli op 92-jarige leeftijd in Heelsum. Haar crematie vond in stilte plaats na een afscheidsdienst onder leiding van de dichter-predikant Hans Bouma.
Schweitzer - neef van de filosoof Jean Paul Sartre - was van origine muzikant. Hij blonk vooral uit als Bach-vertolker. Maar toen hij las over de totale afwezigheid van medische zorg in koloniaal Afrika besloot hij medicijnen te gaan studeren. In 1913 vertrok hij naar Lambaréné om daar van de opbrengsten van zijn concerten een ziekenhuis op te zetten. Oorlogen en de crisis maakten zijn werk moeilijk. Maar in 1928 was het ziekenhuis voltooid en zou hij daar duizenden operaties uitvoeren.
Al gauw groeide dit ziekenhuis uit tot een soort stad. Afrikanen kwamen ernaartoe en bouwden om het ziekenhuis hun hutjes. De verschillende stammen kregen allemaal hun eigen nederzetting. Er liepen dieren rond en er werd handel gedreven.
Van Leer werd geboren in Amsterdam, waar haar vader advocaat was. Ze volgde een opleiding als verpleegster en werkte daarna in diaconnessenziekenhuizen in Amsterdam en Naarden. De predikante in het laatstgenoemde ziekenhuis bracht haar in contact met Schweitzer. In 1951 kreeg ze een brief uit Gunsbach in de Elzas om te komen solliciteren. Ze werd door Schweitzer zelf in dienst genomen en kreeg zelfs het aanbod van Schweitzer om met hem mee te reizen naar Lambaréné - twee jaar voordat Schweitzer de Nobelprijs voor de Vrede zou krijgen. Op dat moment werkten in het oerwoudziekenhuis vier artsen en acht verpleegsters, onder wie, naast Tony van Leer, nog twee Nederlandse vrouwen: Maria Lagendijk en Ali Silver. Schweitzer had een speciale band met Nederland, hetgeen hij onderstreepte door in 1952 via de VPRO-radio het Nederlandse volk toe te spreken.
Tony van Leer werd al gauw een van zijn naaste vertrouwelingen. Zij kreeg in 1957 onder meer de opdracht zijn ernstig zieke vrouw Helene Schweitzer te begeleiden van Lambaréné naar Zürich, waar ze stierf in een ziekenhuis.
In 1960 moest Van Leer om gezondheidsredenen terugkeren naar Europa. Nadat ze korte tijd weer in Naarden werkte, kreeg ze het aanbod om de zorg op zich te nemen van Schweitzers huis in Gunsbach. Dat zou ze negentien jaar doen, waarbij ze onder meer trachtte zijn volledige correspondentie van zestigduizend brieven bij elkaar te krijgen. Uiteindelijk kwam ze in 1979 - 'Je wordt nooit echt geaccepteerd door de Fransen' - terug naar Nederland, waar ze in de buurt van een jeugdvriendin in Heelsum ging wonen. In haar gedachten bleef ze echter de rest van haar leven bezig met de periode dat ze voor Schweitzer in Afrika had gewerkt. 'Tot een maand voor haar dood, viel de naam Schweitzer nog elke dag', aldus een vriendin.
(6-9-2011)
Piet Stoffelen (1939-2011)
Verslaafd aan de politiek
Peter de Waard
‘Politiek is een verslaving en je weet dat het slecht voor je is. Een hondebaan, maar wel een verrukkelijke hondebaan’, zei Piet Stoffelen bij zijn afscheid van de Tweede Kamer in 1994. Hij vond het verschrikkelijk dat hij de Kamer zou moeten verlaten, omdat de partij liever een jongere vrouw op die positie wilde.
Liefst 23 jaar was Piet Stoffelen toen al Tweede Kamer-lid voor de Partij van de Arbeid lid geweest. Daarna zou hij ook nog enkele jaren voor deze partij deel uitmaken van de Eerste Kamer. ‘De politiek bleef hem tot op de dag van zijn dood fascineren’, zegt zijn echtenote.
Piet Stoffelen overleed op 4 augustus. Hij behoorde tot de generatie van politici die opereerde in een periode dat de politiek er nog toe deed. Hij was Kamerlid in een tijd dat partijleider Joop den Uyl zijn gevolg tot de totale fysieke uitputting bracht. Na een van die marathonsessies viel Stoffelen in zijn auto in slaap en belandde ’s nachts om twee uur in de vangrail op de terugweg naar zijn woning in Ouderkerk aan de Amstel.
Stoffelen werd in 1939 geboren in Oldenzaal, waar zijn vader accountant was. Hij had een veel oudere zus. Al op zijn 17de ging hij al het huis uit om rechten te gaan studeren in Utrecht. Toen hij zijn moeder belde dat hij zijn kandidaats had gehaald kreeg zij aan de telefoon plotseling een hersenbloeding. Het werd voor hem een van de grote tragedies die zijn karakter vormde – een degelijke integere man die zelden de grote grappenmaker uithing. Zijn moeder overleed en niet veel later ook zijn vader.
In Utrecht ontmoette hij ook zijn latere echtgenote Annie Miggelbrink. Na trouw de dienstplicht te hebben vervuld trad hij in 1964 als ambtenaar in dienst bij de gemeente Enschede, waar toentertijd de PvdA’er Wim Thomassen de burgemeester was. Stoffelen zelf was toen ook al PvdA-lid geworden, hoewel hij niet uit een rood nest afkomstig was. Hij besloot snel bij de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA, te gaan werken. In 1967 verhuisde hij naar Ouderkerk aan de Amstel, waar hij raadslid werd. In 1971 werd hij kamerlid voor de PvdA. Stoffelen was in de partij de man van het midden. Hij behoorde niet tot nieuw links van mensen als André van der Louw die de maatschappij totaal op de kop wilde zetten noch tot de rechtervleugel die niets daarvan wilde weten. In zijn eerste jaar mocht hij samen met Ko Wieringa (een latere burgemeester van Enschede) de verdediging op zich nemen van een ingrijpend voorstel voor de wijziging van de onteigeningswet. Het voorstel zou twaalf jaar later als onhaalbaar worden ingetrokken. Den Uyl droeg Stoffelen al snel een warm hart toe. Hij wilde hem in 1977 bij de kabinetsformatie benoemen tot staatssecretaris, maar een etentje tussen Wiegel en Van Agt stak daar een stokje voor. In 1981 was hij opnieuw in beeld voor deze post, maar nu eiste PvdA-voorzitter Max van der Berg dat een vrouw zou worden benoemd.
Stoffelen bleef het overijverige kamerlid dat zich vooral geducht weerde in de debatten over de bestuurlijke vernieuwing en reorganisatie van de politie. Zijn samen met de CDA'er Vincent van der Burg ingediende initiatiefwetsvoorstel om een parlementaire minderheid het recht van enquête te verlenen, werd door de Eerste Kamer verworpen. In de Raad van Europa brak hij een lans voor de verdediging van de burgerlijke vrijheden in Europa en bleef hij zich verzetten tegen voorstellen voor de verjaring van oorlogsmisdaden. Een jaar later moest hij op de kandidatenlijst van de partij plaatsmaken voor de voormalige politie-agenta Gerda Dijksman . Behalve Commandeur in de Orde van Oranje Nassau kreeg Stoffelen ook een belangrijke Spaanse onderscheiding vanwege zijn strijd voor de mensenrechten in Latijns-Amerika. Hij werkte nog korte tijd voor de directie politie van het ministerie van Binnenlandse Zaken en was daarna nog drie jaar lid van de Eerste Kamer. Hij verhuisde naar Hillegom om dichter bij Den Haag te kunnen wonen en niet zo veel last te hebben van het vermoeiende reizen.
(30-8-2011)
Henk Alkema (1944-2011)
Componist met vijf poten
Peter de Waard
Henk Alkema was geen workaholic, hoewel je dat zou denken gezien alle dingen die hij heeft gedaan: kamermuziek, balletmuziek, opera’s, filmmuziek, symfonische muziek, theatermuziek, songs, liederencycli en muziek voor symphonic band en Fanfareorkest . ‘Hij kon heel gedisciplineerd werken, maar kon ook goed stoppen als hij dacht dat het geen zin meer had en het niet beter werd’, zegt zijn partner, de celliste Anna Schweizer.
Hij was gefascineerd door spiritualiteit, astrologie en religie zonder een bepaalde geloofsrichting aan te hangen. Hij overleed op 4 augustus na een lang ziekbed als een diepgelovig mens. Zijn laatste grote werken – de opera Lou de Palingboer en het oratorium Job beide op een libretto van Peter te Nuyl – heeft hij niet kunnen voltooien.
Alkema heeft veel betekend voor de Nederlandse muziek. Hij werd in 1944 geboren in Harlingen in een gezin van drie kinderen. Al jong stierf zijn vader. Thuis werden de kinderen door de moeder met muziek opgevoed. Henk bleek al snel zo talentvol dat hij piano mocht studeren aan het Koninklijk Conservatorium te Den Haag bij Léon Orthel. ‘Ik ontdekte dat er twee soorten studenten waren in die tijd: de tonalen en de dodecafoniërs of met andere woorden er waren studenten die een mening hadden hoe muziek zou moeten klinken en studenten die gewoon muziek maakten. Ik werd bij een van de clubjes uitgenodigd waar mijn composities werden gecheckt op zuiverheid in de leer. Ik kreeg te horen dat ‘het klopte’, maar uit mijn ervaring met het protestantese geloof in Harlingen wist ik hoe voorzichtig je moest zijn met dingen die kloppen.
Vanaf 1976 volgde Alkema ook lessen als orkestdirigent bij ondermeer Zolt Deaky en Huub Kerstens. Behalve in klassieke muziek was hij geïnteresseerd in jazz. Samen met de vibrafonist Lodewijk Bouwens richtte hij het Lody Bouwens-Henk Alkema kwart et op. Hij was ook pianist van de befaamde Chris Hinze Combination met wie hij een aantal LP’s maakte. Hoewel Alkema zich al op jeugdige leeftijd met componeren bezighield, begon het pas echt vorm aan te nemen toen hij in 1970 bij de omroepen terecht kwam als studiopianist, componist en arrangeur. Hij speelde vaak in het Metropoolorkest en trad op als solist. Van 1979 tot 1984 componeerde hij in opdracht van de AVRO muziekraadsels voor het radioprogramma Op een klein stationnetje, een kinderprogramma over klassieke muziek . Hij componeerde samen met Edwin Rutten symphonische kindermuziek. Alkema was eveneens gefascineerd door theater. Hij was mede-oprichter en componist/pianist van de Theatergroep Honoloeloe en was huiscomponist van zowel het Amsterdamse theatergezelschap Sater en het Arnhemse gezelschap Theater. Samen met Hans Tuerlings maakte hij ook een aantal balletten, waarvan Suske en Wiske en QuaQuaraQua de bekendste zijn, en de opera’s Bonifacius (1250 jaar sinds de moord op Bonifacius in Dokkum in 2004) en Rixt (vanwege de opening van Stadsschouwburg de Harmonie in Leeuwarden in 1995). Hij dirigeerde koren (Sneker Cantate Koor en Concordia te Leeuwarden) en was enige jaren vaste dirigent van het Frysk Blazers Ensemble. Hij schreef de muziek voor voor de televisiefilms Klaaglied om Agnes en De moeder van David S.
In 1978 werd hij docent op de Muziek Pedagogische Academie te Leeuwarden en in 1983 docent op het Utrecht Conservatorium. Hij bracht zijn lessen met humor en ironie. Toen een student vroeg: ‘Hoe zou het klinken als ik hier een altviool met een fluit schrijf? antwoordde hij: ‘Nou, als een altviool en een fluit...’ Tot zijn pensionering in 2007 was hij hoofdvakdocent compositie aan het Utrechts Conservatorium.
(23-8-2011)
Cees de Wolf (1945-2011)
Een moment van roem
Peter de Waard
‘En een doelpunt. Ik weet niet op dit moment wie hem gemaakt heeft. …….Het was een kopbal na tweeënhalve minuut……Als ik mij niet vergis was het de invaller De Wolf.’
Het zijn nu legendarische woorden van wijlen Herman Kuiphof die zelf compleet werd overvallen door het snelle doelpunt in de befaamde mistwedstrijd op 7 december 1966 voor de Europacup waarbij Ajax met 5-1 won van het favoriete Liverpool. Het was het moment uit het leven van de toen 19-jarige Cees de Wolf uit Purmerend die als invaller van Piet Keizer, die zijn enkel met een potje tafeltennis had geblesseerd, zijn debuut maakte en bij zijn eerste balcontact een voorzet van Sjaak Swart inkopte. De geheel in het wit geklede Ajacieden waren compleet onherkenbaar in de dichte mist die hing in het Olympisch Stadion. 'Alleen de mensen achter het doel hebben mijn doelpunt gezien, zo mistig was het die avond in het Olympisch Stadion', zei Cees de Wolf later.
Na zijn moment van roem ging het meteen bergafwaarts met zijn carrière. ?Cees de Wolf was een feestbeest die niet de juiste instelling had voor topsport en soms zelf zonder zijn voetbalschoenen op de training kwam. Een jaar geleden werd een kwaadaardige tumor geconstateerd in zijn dikke darm. Hij kreeg een stoma maar er bleken al uitzaaiingen te zijn naar diverse organen. Hij overleed op 21 juli in zijn eigen Purmerend.
Hij werd geboren in een echt katholiek gezin van acht kinderen. Zijn vader verplichtte hem te gaan spelen bij het kleine RK Purmerend. Hij was een bijzonder talent en wilde op zijn 12de jaar de overstap maken naar het neutrale Purmersteijn dat op een hoger niveau acteerde. ‘Hij was de oogappel, dus dat mocht. Maar het zal ruzie thuis geweest zijn’, zo denkt zijn dochter Natasja. In het seizoen 1962/63 maakte hij zijn debuut in het eerste zondagsteam van Purmersteijn dat toentertijd in de Eerste Klasse A van de KNVB – toen nog de hoogste klasse van het amateurvoetbal- uitkwam. Een jaar later werd Purmersteijn kampioen van die klasse. De Wolf scoorde als linkbuiten in de beslissende wedstrijd tegen OSV uit Oostzaan. Aan het einde van het seizoen tekende hij een contract bij Ajax.
Ajax had echter al de formidabele Piet Keizer. De Wolf zou daar geen kans krijgen. Tot de dag voor de wedstrijd tegen Liverpool. ‘Piet heeft een zeer poot’, zei Michiels tegen De Wolf. ‘Jij speelt’.
De zondag na de mistwedstrijd stond De Wolf opnieuw in de basis van Ajax met grootheden als Cruyff, Swart, Nunninga, Muller en Henk Groot. Maar hij speelde slecht. Hij zou nog twee keer een kans krijgen van Rinus Michiels waarna hij in de zomer van 1967 werd verkocht aan Haarlem, waar Barry Hughes toen trainer was. Hughes wilde ook de feestneus wel opzetten, maar De Wolf zat bij de roodbroeken meer aan de bar dan dat hij trainde op het veld. Hij speelde daarna nog voor Blauw-Wit, Dallas Tornados in Amerika en KV Mechelen. ‘Hij kreeg een ton salaris bij KV?Mechelen. Dat was een topcontract. Maar het geld braste hij er binnen no time doorheen’, aldus Natasja die daar werd geboren.
Na zijn voetballoopbaan keerde hij weer terug in Purmerend. Kort daarna begon hij een café in Medemblik. Hij ging met zijn gezin boven het etablissement wonen en speelde voor de lokale vereniging MFC. In 1973 scheidde hij van zijn vrouw, stopte met het café en begon in Purmerend een montagebedrijf dat nu nog bestaat als De Wolf Bouwgroep. Hij speelde ook nog bij IVV in Ilpendam en ZOB in de Beemster, maar keerde uiteindelijk terug bij zijn oude liefde Purmersteijn. ‘In het tweede elftal stak hij zelfs na korte en natte nachten met kop en schouders boven zijn medespelers uit. Ik kan me nog herinneren hoe hij heupwiegend en met de broek op de enkels over de bar van de kantine van Limmen paradereerde, de kantinedames in verwarring achterlatend’, zegt Ruud Luiks die het jubileumboek over de club samenstelde. Toen hij de voetbalschoenen aan de wilgen had gehangen, bleef hij bij de club als elftalbegeleider, sponsor en trouw supporter. Boy, zijn zoon uit het tweede huwelijk, speelde ondermeer nog bij FC?Volendam en Omniworld. Op zondag was Cees de Wolf altijd rond het veld van Purmersteijn te vinden met zijn cowboyhoed, glas bier en shaggy, waarbij hij aan ieder die het wilde horen de verhalen vertelde over dat ene doelpunt dat niemand had gezien.
(16-8-2011)
Wiek Röling (1936-2011)
Bewaker van de stad
Peter de Waard
De stad Haarlem heeft misschien dankzij de inspanningen van stadsarchitect Wiek Röling meer kunnen behouden van het verleden dan andere Nederlandse steden. Maar toch had het ook in Haarlem volgens Röling beter en structureler gekund. Nu dreigen oude wijken van Haarlem die nog door Röling in de jaren zeventig en tachtig veilig konden worden gesteld, alsnog te sneuvelen en plaats te moeten maken voor nieuwbouw.
Wiek Röling overleed 14 juli op 75-jarige leeftijd aan de gevolgen van hersentumor die in september vorig jaar bij hem werd geconstateerd. Hij was een van de bekendste Nederlandse architecten die zijn hele werkzame carrière vocht voor het behoud van een herkenbare stad en groene ruimtes in het land.
Röling werd geboren in Utrecht als zoon van de rechter en voortrekker van de polemologie prof. B.V.A. Röling. Hij was de tweede in een gezin van vijf kinderen die allemaal een artistieke inslag hadden. Zo werd zijn zus Jet Röling pianiste en zijn broer Matthijs Röling kunstschilder. Tijdens de oorlog vluchtte het gezin naar Zeeland en daarna naar Groningen waar Wieks vader hoogleraar werd aan de universiteit. Zelf maakte hij daar de middelbare school af, voordat hij architectuur ging studeren in Delft. ‘Hij was toen al gefascineerd door bouwwerken die hersteld moesten worden zoals bijvoorbeeld een afgebrande boerderij die hij ooit in Friesland zag ’, aldus zijn latere vrouw Marijke Don.
Wiek Röling behoorde tot de opstandige generatie van de jaren zestig die zich afzette tegen de bestaande conventies. Zijn huwelijk met zijn eerste vrouw zou worden voltrokken door de vermaarde provo Luud Schimmelpennink, de bedenker van het witte fietsenplan. Tijdens de bezetting van het Maagdenhuis liep de enige (telefoon)verbinding met de buitenwereld via Rölings bureau, dat was gevestigd boven de door hem en Patrice Girod verbouwde Atheneumboekhandel en het Atheneumnieuwscentrum aan het Spui, waar rond het Lieverdje de vele provobijeenkomsten werden gehouden.
Voordat hij was afgestudeerd ging hij eerst werken bij Openbare Werken in Amsterdam, waar hij zich enige tijd later vestigde als zelfstandig architect. Nadat hij was afgestudeerd werd hij in 1970 als stadsarchitect in Haarlem benoemd - de enige gemeente die toentertijd een stadsarchitect in dienst had. Hij was de opvolger van Nico Andriessen.
Het was de periode van de stadsvernieuwing. In vele steden werden de arbeiderswijken rond het centrum gesloopt. In Haarlem was daar ook al mee begonnen, maar Röling wist met steun van burgers een volledige kaalslag te voorkomen. ‘Hij wilde dat mensen die jaren lang rond het centrum gewoond hadden niet plotseling naar de buitenwijken werden verbannen. Zoals hij ook zijn best deed het centrum herkenbaar te houden voor de inwoners van de stad, door afbraak te voorkomen, nieuwe functies te zoeken voor panden die daartoe verbouwd konden worden. Hij streefde naar zoveel mogelijk restauratie en/of renovatie van panden in de binnensteden. Dit beleid werd en wordt door veel inwoners gewaardeerd’, zegt zijn vrouw. In zijn tijd werd het centrum van Haarlem het eerste beschermde stadsgezicht van Nederland.
Hij was om dit te bereiken ook jarenlang lid van de Monumentenraad. Naast bescherming en behoud van het oude wist hij te bereiken dat ook moderne monumenten uit de twintigste eeuw op een beschermende lijst kwamen te staan, zodat afbraak daarvan moeilijker werd. Reeds voor zijn benoeming als stadsarchitect werkte hij samen met beeldend kunstenaar Jan Dibbets aan de vormgeving van een nieuwe stadswijk van Schalkwijk, Haarlem. Als stadsarchitect beijverde hij zich voor een experimentele nieuwe uitbreiding: de Zuiderpolder.
Hij wees hoogbouw in de buitenwijken van steden niet af. De Randstad zou zich in zijn visie moeten ontwikkelen tot een Bandstad rond het Groene Hart, een lint van geconcentreerde bebouwing, verbonden door hoogwaardig openbaar vervoer met onderbrekingen naar natuurgebieden daarbuiten, zoals de duinen.
In Haarlem ontwierp hij ook zelf, onder meer. woningen en scholen en de bekende muziekkoepel in de Haarlemmerhout.
Maar hij liet zich niet weerhouden ook andere projecten aan te pakken, zoals woningen en ecologisch en pedagogisch verantwoorde scholen in Delft en Leiden, en zijn meesterwerk, het drijvende beeldenpaviljoen van Sonsbeek (1986) in Arnhem waarvan de herbouw nu door een naar hem genoemde stichting wordt aangepakt.
In 1988 werd hij (deeltijd)hoogleraar ‘Ontwerpen Gebouwen’ in Delft. Hij wilde zijn kennis en gedachten doorgeven en die baan gaf hem ook de tijd om te publiceren. Na zijn emeritaat in 2001 schreef hij in 2004 samen met de toenmalige Rijksbouwmeester Jo Coenen een standaardwerk over het behouden van Rijksgebouwen, getiteld Gesloopt, gered, bedreigd. Ook was hij actief in de Stichting Gras en Wolken die streed voor het behoud van ’t Groene Hart. Daarnaast hield hij zich bezig met het ontwerpen van diverse bruggen in Utrecht en het ontwerp van een nieuwe inbouw voor de katholieke kathedraal van Casablanca om daar theatervoorstellingen en concerten te kunnen geven, waarvoor hij veel naar Marokko reisde.
(9-8-2011)
Hoss van Hardeveld (1945-2011)
Een van de beste bassisten
Peter de Waard
De Volendamse Cats waren eind jaren zestig misschien de bekendste band van Nederland. De zang is onmiskenbaar Volendams maar de muziek van de eerste palingsound zou in de studio van Bovema zijn ingespeeld door Pierre van der Linden (drums), Jan Akkerman (gitaar) en Hoss van Hardeveld (bas). Van der Linden en Akkerman waren bekend geworden met Focus, Van Hardeveld met de groep Unit Gloria. De grootste hit van de laatste, The Last of The Seven Days uit 1969, is nog altijd te horen in de laatste week van het jaar op Radio 2, als de Top-2000 wordt uitgezonden. Van Hardeveld was het muzikale brein van deze groep, die met Robert Long en Bonnie St. Claire vele hits scoorde.
Van Hardeveld is op 5 juli op 66-jarige leeftijd overleden aan de gevolgen van kanker, die zeven jaar geleden bij hem werd ontdekt. Hij laat een vrouw en drie kinderen achter.
Hoss van Hardeveld wordt geboren aan de Catherinasingel in Utrecht, waar zijn vader een delicatessenzaak runt. Muziek wordt hem met de paplepel ingegoten. Zijn ouders stimuleren hem pianoles te nemen. Hij raakt al gauw verslingerd aan de gitaarmuziek van The Shadows. De echte popscene is begin jaren zestig echter te vinden in Den Haag. Van Hardeveld vindt daar emplooi bij The Sioux en de John Russell Band, waarmee hij in het voorprogramma van het legendarische Beatles-concert in Blokker optreedt.
In Utrecht ontmoet hij ondertussen de gebroeders Hol. Samen met Ad Hol ontwikkelt hij in 1965 plannen om een eigen Utrechtse band op te richten. Een jaar later komt Gloria tot stand met naast Hardeveld (bas en toetsen) en Ad ‘Mouse’ Hol (gitaar, zang) ook diens broers Gerrit ‘Meep’ Hol (drums) en Geert Hol (zang). De laatste wordt een jaar later vervangen door de uit Veenendaal afkomstige Robert Long. In 1968 neemt de groep zijn eerste single op, So it Goes, die wordt geproduceerd door George Kooymans van Golden Earring. Maar het succes komt pas een jaar later, als Bobby Graham het nummer The Last Seven Days voor de groep produceert.
Hoss Hardeveld gebruikt daarbij als eerste basgitarist in de wereld een wah-wahpedaal, waarmee een zeer specifiek geluid kan worden gecreëerd. Het nummer haalt niet alleen de top van de Nederlandse hitparade, maar ook die in België, Duitsland, Italië, Spanje, Frankrijk, Zwitserland en zelfs Engeland. Om de groep meer kans te geven in de Verenigde Staten, wordt de naam veranderd van Gloria in Unit Gloria. De band treedt onder die naam een week lang op in het Hollywood Palladium aan Sunset Boulevard. Om de concerten precies op de plaatmuziek te laten lijken, ontwikkelt Hardeveld een nieuw soundsysteem dat partijen weergeeft die niet live kunnen worden uitgevoerd.
Na The Last Seven Days scoort Unit Gloria hits met Our Life, Wild Bird, Our Father en Back in the Sun. Daarnaast maakt de band onder inspiratie van Hardeveld in die tijd de jingles voor de radiopiraat Veronica. Met de langspeelplaat Ultrajectum wordt in 1971 het accent meer verschoven naar rock, niet Hardevelds favoriete genre. Een jaar later kiest Robert Long voor een solocarrière. Zijn plaats wordt ingenomen door de Amsterdamse zangeres Bonnie St. Claire, met wie de groep hits scoort als Clap Your Hands And Stamp Your Feet en Waikiki Man. Hardeveld verlaat de band in 1974. Hij gaat werken in de zaak van zijn vader en wordt studiomuzikant. In de jaren daarna concentreert hij zich meer en meer op zijn favoriete Shadows-muziek. Hij speelt in bands als The Black Albinos, The Dakotas en Seaside Shadows. Veel succes heeft hij met FBI, waarmee hij in de jaren tachtig in Ahoy speelt tijdens de Lee Towers-concerten.
(2-8-2011)
Willem Geenen (1954-2011)
Een bourgondiër met een zakelijk talent.
Peter de Waard
Als hij een week met familie of vrienden op reis was, vierde Willem (roepnaam Wim) Geenen drie keer zijn verjaardag. Zo leerde hij vele mensen Lang zal hij leven in verschillende talen zingen. Wim Geenen was de ultieme bourgondiër - een echte Limburger die genoot van het leven. Hij werkte zijn hele leven bij de familiebrouwerij Lindeboom, waarvan hij sinds 1998 de algemeen directeur was. Op 1 juli overleed hij op pas 56-jarige leeftijd aan de gevolgen van longkanker. Zijn broer en mededirecteur Ben Geenen was in 1998 aan dezelfde ziekte overleden op nog veel jongere leeftijd.
Wim en Ben waren de vierde generatie van het illustere brouwerijgeslacht in Neer. De Lindeboom werd in 1870 opgericht door Willem Geenen die hiervoor toen toestemming had verkregen van Gedeputeerde Staten van het Hertogdom Limburg. De brouwerij werd opgezet in de schaduw van een statige linde in Neer. Willem Geenen verspreidde zijn bieren vooral in de regio Neer-Roermond, maar ook veel Maas-schippers die in de haven aanmeerden, namen een kratje mee, waardoor Lindeboom ook landelijke bekendheid kreeg. De tweede en derde generatie moderniseerden de brouwerij en gingen ook bier met ondergisting brouwen, het zogenoemde pils. Het afzetgebied werd verbreed tot Weert en Venlo.
Wims vader, ook Wim geheten, bouwde een nieuw brouwhuis en schakelde als eerste Limburgse brouwer over van de open gistkuip naar de gesloten-gisttankmethode. Eind jaren vijftig was hij gedwongen daardoor geld te lenen bij een bank, iets waar hij een grondige hekel aan had. Wim kreeg vier kinderen. De oudste dochter Marie-Louise werd president van de rechtbank in Arnhem, zoon Gé werd radioloog. De brouwerij werd uiteindelijk overgenomen door twee broers: Ben, geboren in 1949, en Wim, geboren in 1954. De rolverdeling was het resultaat van hun studies. Ben volgde de Economische Hogeschool in Tilburg en haalde daar zijn kandidaats economie. Hij werd de commerciële man. Wim, de jongste, ging naar de brouwerijschool Lievens in Gent en werd de technische man.
Lindeboom wist zich in de Limburgse regio goed te handhaven tussen de grote merken en zelfs marktaandeel te winnen in de vele cafés. In 1980 werd alleen nog pils, oud bruin en meibok gebrouwen. Maar in 1987 kwam Lindeboom met de Gouverneur en twee jaar later met de Meibock. Ook werd enige tijd Raaf pilsener gebrouwen uit ecologische grondstoffen. 'Wim was de bindende kracht in het bedrijf', zegt zijn oudste broer Gé. 'Hij kon goed met iedereen opschieten en wist mensen aan zich te binden.'
Na het overlijden van zijn broer Ben lukte het Wim als algemeen directeur de commerciële kant moeiteloos over te nemen. Tot ieders verrassing ging het al gauw nog beter met Lindeboom. Met de slogan 't Bier van Hier benadrukte hij het regionale karakter.
Wim Geenen stond bekend als een uitstekend redenaar die bestuursfuncties niet schuwde. Maar hij kon zich ook goed ontspannen met golf en vakanties. 'Wim was een markante persoonlijkheid die als geen ander kon relativeren en ons allen met een kwinkslag weer met beide benen op de grond deed belanden', werd gezegd op zijn begrafenis, waar talrijke vertegenwoordigers van schuttersgildes, harmonieën en ook vele café-eigenaren uit de omgeving naartoe kwamen.
Zijn zoon Bernd die nu nog studeert, zal ooit de brouwerij voortzetten, want Lindeboom Bierbrouwerij blijft een familiebedrijf.
(26-7-2011)
Mary Michon (1939-2011)
Strijder voor de oudere generatie
Peter de Waard
Ze was een socioloog die rondtrok door het land.’ Zo typeerde Paul Schnabel van het Sociaal-Cultureel Planbureau actrice, programmamaakster en schrijfster Mary Michon tijdens de afscheidsdienst. Zij overleed 21 juni op 71-jarige leeftijd na een complicatie bij een operatie. De laatste jaren ontpopte ze zich als een fanatiek voorvechter van de oudere generatie.
Michon maakte voor de IKON vele taboedoorbrekende programma’s, waarvoor ze ondermeer de Nipkow-schijf kreeg. Maar ze vond ook de lichtheid in het bestaan door de vele voorstellingen die ze zingend en tappend deed in het theater. Ze trad op in de beroemde Annie MG Schmidt-musical Heerlijk duurt het langst en de musicals van Jos Brink en Frank Sanders als Maskerade, Amerika, Amerika en Evenaar. Ook maakte ze deel uit van de jury van het Musical Awards Gala. Daarnaast was ze een bekend feministe.
Michon wordt geboren in een vrijzinnig gereformeerd gezin in Amersfoort waar haar vader schoolhoofd was. Als kind wordt ze door haar moeder veelvuldig meegenomen naar theater en film. Na de middelbare school besluit ze naar de kleinkunstacademie te gaan. In 1965 maakt ze haar debuut in Heerlijk duurt het langst. Maar ze heeft ook andere ambities. Vooral televisie fascineert haar. In 1969 wordt ze door de IKON aangenomen als programmamaakster. Met de Geloof-, Hoop- en Liefdeshow, gepresenteerd door Wim Neijman en geregisseerd door Fons Rademakers, zet Mary Michon een totaal nieuw programma op de kaart. Voor de eerste keer geven mensen voor de camera de meest intieme details uit hun leven prijs en praten vrijuit over seksualiteit, verliefdheid, abortus, eenzaamheid en de dood. Sommige critici zijn lovend, anderen vinden dat het gif via de televisie over ons wordt uitgestort.
De show trekt echter twee miljoen kijkers en wordt bekroond met de Zilveren Nipkow-schijf. De serie loopt van 1970 tot 1979. De inhoud krijgt een soort van vervolg in Een Spannend Bestaan, de allereerste docudrama. Ook die zal met de Nipkow worden beloond. Ze zal ook daarna talrijke (jeugd)series en documentaires maken voor de IKON. In de jaren negentig scoort ze hoog met Prima Donna, een serie over de derde feministische golf. Met de serie In het Teken van het Hout over beelden van Jezus wint ze de Spaanprijs.
Als ze in 1999 met pensioen gaat, verzet ze zich tegen het Zwitserleven-gevoel dat ouderen alleen maar mogen rentenieren. Ze publiceert in dat jaar haar boek Later als ik oud ben over de strijd tegen lichamelijk verval Zij wil dat ouderen een vuist maken en blijven werken. Zelf maakt ze op haar 63ste jaar de theatervoorstelling Hinderlijk Blij. Ze richt zelfs een stichting op onder de naam Grey Power die ‘de grijze energie tot een grijze macht wil maken’. ‘We hebben nog een enorme tijd voor ons. De gemiddelde leeftijd die vrouwen tegenwoordig halen is 83 jaar. Voor mannen is dat 81 jaar. Mijn vader is 92 geworden! Ik zou dus nog een half leven voor me kunnen hebben. Laten we de koppen bij mekaar steken en kijken wat we als jonge nieuwe bejaarden kunnen doen’, zegt ze in 2003 in een interview met Trouw. Tegelijkertijd probeert ze de fysieke aftakeling en vergane glorie – ‘het haar wordt dunner, de rimpels smeer je niet meer weg, die zwembandring om je taille’ – als iets natuurlijks te accepteren.
Ze blijft ook actief met het coachen van televisietalent. ‘Bij de Ikon was ze al bezig jonge stagiairs en makers op te leiden, en toen ze stopte ging ze gewoon daarmee door. Vanaf mijn stage en daarna als jonge programmamaker, heeft ze me de kneepjes voor het vak bijgebracht’, zegt programmamaakter Ida Overdijk. in mei 2009 verschijnt haar boek Van die damesdingen over de kunst van het ouder worden’. Op 29 april 2010 wordt ze benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Mary Michon heeft wel enige tijd een relatie gehad, maar laat zelf geen kinderen na.
(19-7-2011)
Christa Rosier-Veldkamp (1960-2011)
Kunstenares van de psalmen
Peter de Waard
'Hoe meer je het gevecht met God aangaat, hoe meer God zich ook laat zien', zo zei ze. Ze had enorm geworsteld met het geloof toen eerst in 2001 haar zoon overleed en in 2005 borstkanker bij haar werd ontdekt. Maar uiteindelijk vond ze troost in de grote verdieping van het geloof, die het gevolg was van deze grote tegenslagen.
Christa Rosier-Veldkamp overleed op 19 juni. Ze was 50 jaar geleden in Hilversum geboren in een gelovig protestants-christelijk nest. Ze groeide op tegenover het omroepkwartier. Haar vader was psycholoog, maar werkte een blauwe maandag voor de Evangelische Omroep (EO). Als kind was ze gek op tekenen en schilderen. Maar na de havo ging ze studeren voor medisch secretaresse. 'Haar vader zag een opleiding aan de Kunstacademie absoluut niet zitten', zegt Victor Rosier, nu weduwnaar, en zelf regisseur en programmamaker voor de EO.
Ze werkte een jaar als medisch secretaresse, maar besloot daarna journalistiek te gaan studeren aan de christelijke school voor journalistiek, die toentertijd in Amersfoort was gevestigd. Hier ontmoette ze ook haar latere man Victor Rosier. Ze liep stage bij de EO en dat beviel de omroep zo goed dat ze aan de slag kon als productieassistente bij de afdeling verkondigende programma's, waar Henk Binnendijk in die tijd de scepter zwaaide. Als productieassistente was ze ook automatisch van de partij bij screentesten voor nieuwe omroepers en omroepsters. Kandidaten moesten haar interviewen. Regisseur Dirk-Jan Bijker stelde tijdens een van de interviews voor de rollen om te draaien. Ze bleek meteen de geschikste kandidaat. Aanvankelijk met tegenzin, omdat ze geen rol voor de camera wilde, begon ze in 1984 als omroepster. Ze zou het dertien jaar volhouden. Tussentijds presenteerde ze ook andere programma's, zoals het middagmagazine Van Hart tot Hart. Ook viel ze in voor Manon Thomas, bij het programma Kook TV. 'Grappig was dat zij als EO-presentatrice in tegenstelling tot de mensen van de TROS en Veronica, haar kandidaten geen fles wijn mocht meegeven', weet Victor Rosier.
In 1996 besloot de EO plotseling het fenomeen omroepers af te schaffen en hiermee verdween Christa van het scherm. Vlak daarna werd haar zoon Ephraïm ernstig ziek, daarmee kwam het werk op het tweede plan. Ephraïm had de ziekte primaire erytromelalgie, een zeldzame pijnaandoening waarbij de patiënt het gevoel heeft dat zijn benen in brand staan. Hij overleed in 2001. Na zijn dood pakte Christa het schilderen serieus op. Tot die tijd schilderde ze voornamelijk stillevens, portretten en paarden. Nu ging ze psalmen symbolisch proberen weer te geven. Ze putte de inspiratie uit de gedachte aan haar zoon, die zo graag psalmen las. Uiteindelijk verscheen een boek met haar kunstwerken en de psalmen.
In 2005 werd bij Christa een kwaadaardige vorm van borstkanker ontdekt. Ze kreeg chemotherapie en bestraling en er werd een borst afgezet. In 2008 keerde de ziekte terug en verloor ze ook haar andere borst. Even was ze weer gezond, totdat de ziekte dit voorjaar toch bleek te zijn uitgezaaid. Haar lange survivalstrijd beschreef ze in columns voor het vrouwenblad Eva. Ze zijn gebundeld in het boek Ik wil vliegen. Geregeld was ze in die tijd te gast bij televisieprogramma's om over haar leven en werk te vertellen. Zo was ze in 2008 te zien in Herberg De Verandering, waarin ze met Andries Knevel praatte over haar verdriet en angst. Vlak voordat ze overleed, trouwde haar dochter. Eind dit jaar zal er nog een laatste boek van haar verschijnen, met als titel Lijden in Gods hand.
(12-7-2011)
Michael Smit (1957- 2011)
Mode-ondernemer pur sang
Peter de Waard
Misschien was Michael Smit nog meer ondernemer als stylist. Hoewel hij graag in gezelschap van andere ontwerpers als Piet Hein Eek en Piet Boon verkeerde, had de zorg voor zijn modeketen Sissy Boy prioriteit. Op 7 juni overleed hij aan het non-Hodgkin-lymfoom, een chronische ziekte die twee jaar geleden de kwaadaardige vorm had aangenomen.
‘Hij was eigenlijk nooit echt met zijn ziekte bezig’, zegt Dave Lens – een van zijn naaste medewerkers bij Sissy Boy. 'Op het laatste moment dacht hij aan zijn zaak en kwam hij met ideeën.’ ‘Hij beschouwde de ziekte als een vriend die hij moest omarmen’, vertelt zijn vriendin Tanja Kuindersma. ‘Hij was flamboyant, energiek maar vooral positief. En dan bedoel ik: echt positief.’
Michael Smit werd geboren in Koog aan de Zaan. Zijn vader en moeder exploiteerden een bonthandel. Zijn vader maakte de bontjassen en zijn moeder verkocht die in een zaak aan de Gedempte Gracht in Zaandam. Michael was als jongste van de drie kinderen al snel geïnteresseerd in mode. Hij maakte de MULO af, sjeesde op de Pedagogische Academie en stond daarna op de markt met hoedjes en houthakkersoverhemden. En als hij onvoldoende verkocht had, ging hij nog eens langs bij de bars en café’s in de stad om de rest proberen te verkopen.
In 1982 begon hij zijn eigen modezaak in de winkel van zijn ouders. De naam luidde Scoot. Een jaar later opende hij al een winkel in de Kalverstraat in Amsterdam. Hij besloot ook zelf kleding te gaan ontwerpen die hij liet naaien in België. Hij wilde nog meer een persoonlijk stempel op de winkels leggen. ‘Michael was een filmfreak. Hij kon overdag bij een wandeling zo een bioscoop induiken om een film te gaan zien. En hij was ook gek op de Sissy-reeks met Romy Schneider. Dus die naam wilde hij. Maar het moest niet alleen dameskleding zijn. Daarom werd er Boy achter gezet.’ Smit richtte zich met zijn kleding op mannen en vrouwen van 25 tot 50 jaar – te oud voor de hippe boetiek maar te jong voor C&A. Zijn collectie was eigentijds, vrolijk, basis en ‘ontzettend draagbaar’. Daarnaast moest de presentatie in de winkels warmte uitstralen. Het labeltje Sissy Boy was al snel een begrip.
In 1995 had hij al 21 zaken geopend. In dat jaar werd de ziekte bij hem ontdekt. Hij was toen pas 35 jaar. ‘Het is dan wachten wanneer de ziekte transformeert van laaggradig naar hooggradig. Michael kon er heel lang mee leven.’ De ziekte noopte hem wel de leiding van het bedrijf tijdelijk over te geven.
De nieuwe managers maakten een potje van de bedrijfsvoeringen. Het geld werd met ladingen tegelijk over de balk gesmeten. Uiteindelijk was een faillissement onontkoombaar. Nog geen zes uur nadat het bedrijf failliet was gegaan, kocht Smit al weer zeven zaken terug van de curator en begon opnieuw. Uiteindelijk besloot hij naast mode ook andere producten te gaan verkopen waarin hij zelf geïnteresseerd was zoals meubels en verzorgingsproducten. Tien jaar later was de keten weer uitgegroeid tot 31 winkels, waarvan alleen al zeven in Amsterdam en een zelfs in een strandtent in Bergen aan Zee. In 2009 opende hij nog zijn eerste winkel in België. Hij wilde Sissy-Boy laten uitgroeien tot een Europese keten. In dat jaar lanceerde Sissy-Boy ook een nieuw concept: Homeland junior, met meubels- en kleding voor kinderen. Het was ook het fatale jaar dat de ziekte was getransformeerd en hij scheidde van zijn vrouw Marloe die nauw met hem had samengewerkt, en met wie hij drie kinderen had.
(5-7-2012)
Jan van Roessel (1925-2011)
Hij was de populairste voetballer toen Willem II de beste club was.
Peter de Waard
Hij werd in 1999 door de supporters van Willem II verkozen als de speler van de eeuw. Hij was nog altijd een publiekslieveling, hoewel alleen stokoude supporters hem hadden zien spelen. In 1959 had hij zijn schoenen al aan de wilgen gehangen.
Jan van Roessel overleed vrijdag 3 juni op 86-jarige leeftijd. Hij leed al enige tijd aan Alzheimer maar op het laatste moment werd ook kanker ontdekt. Als voetballer stond hij bekend vanwege zijn harde schoten en kopkracht. Hij was de topscorer in de jaren dat Willem II twee keer landskampioen werd (in de seizoenen 1951/52 als amateurclub en 1954/55 als betaalde vereniging) waardoor hij een legendarische status verwierf. In de 168 wedstrijden die Van Roessel voor Willem II speelde, zou hij liefst 152 maal scoren.
Van Roessel was een geboren en getogen Tilburger. Zijn vader werkte al in de textielindustrie. Op zijn 14de jaar ging hij werken bij de weverij AaBe. Van de katholieke voetbalclub St. Willibrord stapte hij over naar het grote LONGA. Dankzij de vroege bevrijding kon het voetbal in Tilburg sneller opgepakt worden dan in de steden ten noorden van de rivieren. Naast LONGA speelden in de na-oorlogse jaren ook het meer volkse NOAD en het sjiekere Willem II in de top.
Nadat hij als speler van LONGA in 1949 zijn debuut voor het Nederlands elftal had gemaakt in de wedstrijd tegen Finland – hij scoorde tweemaal – stonden de clubs in de rij voor hem. Hoewel hij vlak daarna zijn been brak probeerden PSV en NAC hem te contracteren. Maar een rancuneus LONGA verraadde dat Van Roessel in de jaren daarvoor was betaald – iets wat absoluut was verboden in het toenmalige amateurvoetbal. Van Roessel werd voor een jaar geschorst en was daarover zo woedend dat hij een jaar daarna overstapte naar stadsgenoot Willem II. Op 21 oktober 1951 maakte hij zijn debuut bij Willem II in de wedstrijd tegen RBC. Hij scoorde meteen een hattrick. Met die club werd hij in 1952 kampioen van Nederland. Pas toen speelde hij ook zijn tweede interland tijdens de Olympische Spelen in Helsinki tegen een oppermachtig Brazilië. Ook dit keer maakte hij een doelpunt. Van Roessel was nu ook begeerd bij buitenlandse clubs. Het Italiaanse Torino bood hem een driejarig contract aan met een jaarsalaris van 80 duizend gulden – toen een vermogen. Van Roessel reisde naar Italië om daar over het contract te praten. ‘Ik was met hem mee’, zegt Louisa van Roessel, de vrouw met wie hij in 1946 was getrouwd. ‘Maar onze tolk vonden we niet betrouwbaar. En dan doe je ook geen zaken.’
Toen hij weer terugkeerde in Tilburg haalde de toenmalige Willem II-coach Frantisek Fadrhonc hem over toch bij Willem II te blijven. Dankzij de invoering van het betaalde voetbal kon hij nu een vergoeding krijgen, hoewel het slechts een fooi was in vergelijking tot wat hij in Italië had kunnen verdienen. In 1955 werd Willem II de eerste kampioen van de betaalde competitie. Maar de club bedankte voor deelname aan de Europa Cup 1. Twee jaar later degradeerde Willem II al weer uit de hoogste klasse. In 1957 werd Van Roessel zelf getransfereerd naar BVV in Den Bosch waar hij zich niet gelukkig voelde. Hij raakte regelmatig geblesseerd en haalde zijn oude vorm niet meer. Hij besloot zijn voetbalcarrière bij LONGA in 1959 als stopperspil.
Van Roessel is zijn gehele leven in Tilburg blijven wonen en heeft zich tot het laatst toe betrokken gevoeld bij Willem II. ‘Als het even kon ging hij kijken naar Willem II’, zegt zijn weduwe. Hij zou in de jaren na zijn voetbalcarrière in de textiel blijven werken totdat alle textielfabrieken in Tilburg gesloten waren. Daarna zou hij nog enige jaren in een gieterij de kost verdienen.
(28-6-2011)
Henny Thijssing-Boer (1933-2011)
De koningin van de streekroman
Peter de Waard
Dolf Thijssing zegt dat ze vaak de inhoud van haar boeken met hem besprak. ‘Ik las ze altijd nog wel een keer als ze uitkwamen.?Maar dan ging ik er driftig doorheen.’ Zijn vrouw Henny Thijssing-Boer werd met twee miljoen verkochte boeken de koningin van de streekroman genoemd. Op 24?mei overleed ze, 78 jaar oud, in Winschoten aan een longziekte.
Eigenlijk stak het haar dat ze niet serieus werd genomen door de literatuurcritici. Terwijl de namen van veel grote literatoren in de vergetelheid raakten, stonden haar boeken steevast in de toptien van de uitleenboeken in de bibliotheken. Zelf zei ze daarom geen literatuur te lezen. ‘Zo’n boek wordt dan enorm aangeprezen, maar als ik het uit heb, denk ik vaak: nou, nee. Dan valt het tegen.’
Ze werd in het Groningse dorp Sint-Annen geboren als dochter van een boerenknecht. Op 9-jarige leeftijd verhuisde zij naar Warffum. In 1945 moest ze na de lagere school meteen in de huishouding en ging ze ’s middags naar naailes. In 1953 trouwde zij met Dolf Thijssing, een beroepsmilitair. Ze kregen twee kinderen, een dochter (Marga, 1954) en een zoon (Theo, 1959) die later zou trouwen met Leida Verhagen, een schrijfster die aanvankelijk in de voetsporen van Thijssing-Boer zou treden maar zich nu vooral richt op stichtelijke lectuur.
Het werk van haar man dwong het echtpaar kriskras door het land te trekken. Na Warffum woonde ze in ’s Hertogenbosch, Arnhem, Assen, Amersfoort, Appingedam, Uithuizen, Wirdum, Drachten, Groningen, Appingedam en Winschoten.
Als klein meisje schreef ze al graag verhaaltjes. Na haar huwelijk zette ze het schrijven stiekem voort. ‘Terwijl andere vrouwen aan het breien en naaien waren, was ik aan het schrijven. Daar voelde ik me weleens schuldig over’, zei ze later. Op aanraden van haar dochter besloot ze een script naar een uitgever te sturen.
Haar eerste boek Als de tijd daar is verscheen in 1976. Het was een succes. Omdat ze niet meer dan lagere school had, besloot ze zowel een studie Nederlands als een cursus Algemene Ontwikkeling te volgen. Vanaf 1981 konden lezers van de Vereniging Christelijke Lectuur (VCL) via haar uitgeverij Kok zich op haar boeken abonneren. Gemiddeld schreef ze vanaf dat moment drie boeken per jaar. In uitzonderlijke gevallen, zoals in 1997, lukte het haar zelfs zeven boeken te schrijven. Ze werkte heel gedisciplineerd: vijf dagen per week vanaf ’s morgens tien uur. ’s Avonds las ze het over en ging delen schrappen. ‘Elk boek schrijf ik eigenlijk twee of drie keer.’
Al haar boeken hebben een kern van waarheid. De protestants-christelijke signatuur is te herkennen, net als de achtergrond van het Groningse platteland. Zelf vond ze niet dat ze streekliteratuur schreef, maar vertellingen over gewone mensen die op eigen kracht, door volharding en geduld, hun problemen weten te overwinnen. Ze schuwde hedendaagse thema’s niet. Een van haar boeken gaat over twee lesbische vrouwen. Ze schreef ook een boek over een getrouwde man die ontdekt dat hij homo is.
In 1992 behaalde ze de eerste plaats in de top-100 van de leenrechtvergoeding over 1991. In 1996 ontving ze een koninklijke onderscheiding en in 2002 ontving ze de zilveren Erepenning van de stad Groningen. In 2008 verscheen de roman Het jongetje Duco, waarna ze besloot te stoppen. In totaal zijn 98 romans van haar hand verschenen en publiceerde ze in 335 diverse uitgaven. Henny Thijssing-Boer zei zelf over haar auteurschap: ‘Schrijven is voor mij een vorm van liefhebben en is dat niet het mooiste wat er is?’
(21-6-2011)
Daan Dura (1932-2011
Man met zaagsel in het haar
Peter de Waard
Ondernemen was voor hem tamelijk simpel. 'Opereren binnen de spelregels en zorgen dat er uiteindelijk meer in de buidel komt dan eruit gaat. O ja, en dat moet nu ook op maatschappelijk verantwoorde wijze.'
Daan Dura, beter bekend als 'mijnheer Dura', overleed 13 juni op 78-jarige leeftijd in Rotterdam. Hij was de vierde generatie van het 150 jaar oude bouwbedrijf Dura dat in 1998 fuseerde met de Vermeer Groep tot een van de grootste bouwbedrijven van het land. In 2003 trad hij terug uit de leiding van Dura Vermeer. Zijn zoon Job en Age Vermeer namen de leiding over. Via de houdstermaatschappij Puissance bezat Daan Dura nog altijd de macht in het bedrijf waarvan de omzet ongeveer 1,1 miljard euro bedraagt. Zijn persoonlijke vermogen werd door Quote geschat op 109 miljoen euro. Maar hij ontkende daadwerkelijke zeggenschap te hebben, hoewel hij bij zijn goedgemeende adviezen 'de ruiten in de sponningen kon laten trillen'.
Daan Dura's vader heette ook Job. Hij - bijgenaamd De Wervelwind - bouwde een simpel bouwbedrijf met een betonmolen uit tot een middelgrote NV die zich in de jaren dertig had gespecialiseerd in de betonbouw. Daan werd door zijn vader tijdens de oorlog op een woonboot bij Woubrugge in veiligheid gebracht. Hij fantaseerde daar om boer te worden, maar was voorbestemd om zijn vader in dit bedrijf op te volgen. Na de oorlog studeerde hij aan de HTS in Utrecht. Om geld bij te verdienen werkte hij in zijn vrije tijd mee aan de bouw van de Lijnbaan die het gebombardeerde stadshart van Rotterdam vorm moest geven. Zijn vader wilde dat hij ook buitenlandse activiteiten zou ontplooien. 'Het was begin jaren vijftig, toen er een grote angst voor de Russen heerste. Heel Scheveningen lag vol met vluchtboten van ondernemers. Veel bedrijven keken dus naar uitbreiding van de activiteiten in het buitenland', vertelde hij in een interview met Het Financieele Dagblad.
Uiteindelijk leidde dat ertoe dat Dura zich helemaal ging concentreren op de uitbouw van de buitenlandse activiteiten in Australië, Brazilië en Zuid-Afrika. Het werk in dat laatste land leidde tot conflicten, omdat daar toentertijd nog een apartheidsregime de dienst uitmaakte. Onder druk van de Rotterdamse burgemeester Bram Peper moest Dura zich uit dat land terugtrekken.
Daan Dura was ook de man die het sociale netwerk van de onderneming beheerde. Hij was samen met havenondernemer Jacques Schoufour de drijvende kracht achter het paardensportevenement CHIO in Rotterdam en oprichter van de Stichting Job Dura Fonds en het Dura Kunst Fonds. Daan Dura wilde Rotterdam iets teruggeven voor de vele projecten die het bouwbedrijf na de oorlog waren gegund in het kader van de wederopbouw, zoals het Groothandelsgebouw, het Hilton, de aankomsthal van de Holland-Amerikalijn, de Thaliabioscoop en de Lijnbaan. De fusie met Piet Vermeer ('hij heeft bagger aan zijn schoenen en ik zaagsel in mijn haar') was zijn laatste grote project.
(20-6-2011)
Co de Koning (1935-2011)
De man achter 14 fusies
Organisatieadviseur Co de Koning ontving de bestuurders van multinationals in zijn tuinhuisje. Ik ben een waarzegger die ook vertrouwt op zijn intuïtie.
Eigenlijk wist Co de Koning van geen ophouden. De voormalige organisatieadviseur richtte vorig jaar samen met de KLM de Sky Health Club op die een vakantie met zorg combineerde in een gebied met een aangenaam en helend klimaat. De eerste reis ging natuurlijk naar De Konings geliefde Bonaire.
De Koning had toen net zijn eigen vrouw verloren. Afgelopen vrijdag overleed hij zelf op 76-jarige leeftijd, nadat hij drie weken geleden een herseninfarct had gehad. ‘Onze pater familias is er niet meer. Het feest wordt ergens anders voortgezet’, schreef de familie in een rouwadvertentie.
De Koning was in de jaren zeventig en tachtig de bekendste organisatieadviseur van Nederland. De meeste AEX-bedrijven wonnen in die tijd wel eens advies bij hem in. Hij ontving de topmannen in zijn tuinhuis achter zijn woning aan de Prinsengracht. Hier konden ze vertrouwelijk spreken over fusies en reorganisaties. Hoewel De Koning nooit uit de school klapte over zijn cliënten, maakte Aegon-baas Kees Storm bekend dat hier bijvoorbeeld in 1983 de fusie van de verzekeraars Ago en Ennia werd beklonken.
De Koning studeerde economie en econometrie in Rotterdam. Na zijn studie ontplooide hij zich als een avonturier. Hij reisde met een verbouwde ijsbreker langs de kust van Groenland, ging met een klein bootje door het Panamakanaal, rondde Kaap Hoorn. In 1956 ontmoette hij in een brouwerij in Helsinki zijn Deense vrouw.
Hij ging werken voor het toen bekende adviesbureau van Jan Wage. Hij noemde zich geen strateeg, maar een waarzegger – iemand die weet hoe een plan gaat uitpakken. Hij werkte graag intuïtief. In 1962 zat De Koning in de trein die bij Harmelen verongelukte. Hij voorvoelde de ramp, ging in een andere coupé zitten en overleefde.
‘Financieel, strategisch, juridisch en analytisch ben ik van alle markten thuis. Ik doorzie meteen dat cijfers niet kloppen’, beweerde hij.
In 1968 richtte hij samen met Dirk Horringa het organisatieadviesbureau Horringa & De Koning op. Tien jaar later stapte hij op na onenigheid en begon voor zichzelf.
Hij schreef een boek (Goed Bestuur) en richtte een club op (KLOS) van mannen die in raden van bestuur zaten. Met zijn humor, eruditie en charme wist hij bestuurders voor zich te winnen. Hij vertelde eens in veertien grote fusies als adviseur te zijn opgetreden. Slechts een daarvan mislukte – die van BolsWessanen.
De Koning stond bekend als een levensgenieter. Hij had vier huizen, verzamelde kunst en hield van de geneugtes van het leven.
(9-6-2011)
Theo Quené (1930-2011)
Beschaafd vechter voor overlegeconomie
Ruim tien jaar was hij voorzitter van de SER. ‘Honderd procent toegewijd aan de publieke zaak.’
Peter de Waard
Toen Theo Quené in 1985 voorzitter werd van de Sociaal-Economische Raad (SER) was dit orgaan nog het symbool van de Nederlandse consensus en overlegeconomie. Hier bespraken werkgevers en werknemers samen met gewichtige kroonleden de toestand van het land en brachten adviezen uit die regeringen zonder een enorme rel niet in de wind konden slaan. Toen Quené elf jaar later wegging, werd de SER door Frits Bolkestein weggehoond als ‘de Sociaal-Economische Ren’.
Quené overleed afgelopen zaterdag op 80-jarige leeftijd. Hij werd in 1930 in Oostzaan geboren als een verre afstammeling van de Franse Hugenoten. In 1940 verhuisde het gezin naar Tiel waar zijn vader directeur van het Ziekenfonds werd. Op school blonk hij uit, niet alleen qua resultaten maar ook qua leiderschap. Op het gymnasium werd hij altijd gekozen tot klassevertegenwoordiger. Hij werd voorzitter van de vereniging van gymnasiasten en van de NJN, de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie.
Hij studeerde voor landbouwkundig ingenieur in Nijmegen. Nadat hij in 1956 zijn studie had afgemaakt kon hij bij bierbrouwer Heineken terecht. Maar hij wilde zijn aandeel leveren aan de na-oorlogse wederopbouweconomie. ‘Nog geen fractie van een seconde heb ik over het aanbod van Heineken nagedacht. Ik wilde het algemeen belang dienen.’ Om dezelfde reden weigerde hij later ook een ministerspost in het kabinet Den Uyl (1973-1977).
Quené vergeleek zichzelf met bijvoorbeeld Sicco Mansholt, de latere Europees Commissaris voor Landbouw, en Emiel van Lennep, de latere secretaris-generaal van de OESO. Hij werd zelf na zijn studie hoofd directie algemene zaken Rijksdienst voor het Nationale Plan. Van 1967 tot 1972 was hij directeur van de Rijksplanologische Dienst en vervolgens secretaris-generaal van VROM en directeur van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR).
Quené volgde in 1985 Jan de Pous, bijgenaamd Jan Compromis, als SER-voorzitter op. De SER was in 1950 opgericht als het toporgaan van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties. Op dat moment kende Nederland een geleide loonpolitiek waarbij werkgevers en werknemers gezamenlijk een advies uitbrachten.
Onder De Pous waren de tegenstellingen al flink verscherpt, maar de SER genoot nog altijd de status van een belangrijke autoriteit. Toen Quené aftrad, was nog maar enkele jaren eerder het Akkoord van Wassenaar gesloten voor loonmatiging. Vanaf 1985 kalfde de consensus af. De Reaganomics en het Thatcherism waaiden over naar Nederland, het kapitalistische model herleefde. Hoewel Quené een diplomaat was kon hij zich er flink aan ergeren dat de SER minder serieus werd genomen.
Wijlen FNV-voorzitter Johan Stekelenburg typeerde Quené als iemand die beschaafd vocht voor de overlegeconomie en voor fatsoenlijke arbeidsverhoudingen, in een wereld vol stijlloosheid. De huidige SER-voorzitter Alexander Rinnooy Kan leerde Quené kennen als VNO-topman. ‘Hij was volstrekt integer en honderd procent toegewijd aan de publieke zaak. Hij was zeer gezaghebbend door zijn intellectuele kwaliteiten.’
Na zijn vertrek in 1996 werd hij nog even burgemeester van Zaanstad en bijzonder hoogleraar in Leiden. Hij grossierde verder in bijbanen als voorzitter van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten, het Prins Bernhardfonds, de Boekmanstichting en de raad van toezicht van het Rijksmuseum Amsterdam.
(8-6-2011)
Gerard Keijzers (1951-2011)
Voorganger in duurzaamheid
‘Ze zagen me oorspronkelijk als een halve communist’, zei hij bij zijn afscheid van Nyenrode in maart van dit jaar. Als voorvechter van het milieu en ontwikkelingssamenwerking nam hij op de Nyenrode Business Universiteit een bijzondere plaats in.
Gerard Keijzers overleed op 10 mei aan de gevolgen van kanker. Hij was net 60 jaar geworden. In 2000 was hij van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) naar Nyenrode gekomen als hoogleraar duurzaamheid. Hier richtte hij het Center for Sustainability op. Hij maakte er met zijn enorme passie een gerenommeerd kennisinstituut van, dat bedrijven de kans bood van duurzaamheid business te maken.
Gerard Keijzers werd in 1951 geboren. Hij was de oudste in een katholiek gezin van vier kinderen in Oss. Zijn vader werkte bij Philips. Hij kreeg de kans economie te studeren, aan wat toen nog de Katholieke Hogeschool in Tilburg heette. Nog tijdens zijn studie, op 21 jarige leeftijd, trouwde hij zijn schoolliefde Inez Toncman.
Nadat hij was afgestudeerd trad hij als ontwikkelingseconoom in dienst van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij werd uitgezonden naar de idyllische Cook-eilanden in de Stille Oceaan, waar hij de regering hielp met het opstellen van jaarrekeningen. Daarna werkte hij voor de Verenigde Naties in Bangkok.
Begin jaren tachtig keerde het echtpaar met twee kinderen terug in Nederland. Hij werkte achtereenvolgens als wetenschappelijk medewerker aan de Vrije Universiteit, voor de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en als raadslid en wethouder namens de PvdA in zijn toenmalige woonplaats Leiderdorp.
In 1990 trad hij in dienst van het ministerie van VROM, waar hij milieu-econoom werd. Hij stelde daar de Nationale Milieu Plannen op, de eerste serieuze poging een strategie op het gebied van duurzaamheid op te zetten. In 2000 werd hij hoogleraar aan Nyenrode. Drie jaar later promoveerde hij. Als belangrijkste taak zag hij het behoud van de wereld voor nieuwe generaties. ‘Wij moeten er voor zorgen dat ook de kinderen van onze kinderen op deze planeet kunnen leven zoals wij gedaan hebben.’
Keijzers combineerde een groot idealisme met een uitermate pragmatische kijk op de wereld. Hij was een doordouwer, maar kon uiteindelijk ook met humor zijn werk relativeren. Bovenal wist hij altijd de mensen om zich heen te binden door zijn eigen openheid en enthousiasme. Zowel bij VROM als bij Nyenrode werd hij gezien als een pater familias. Hij nodigde zijn teams veelvuldig uit voor wandel- en praatsessies door de duinen naar de uitspanning Boerderij Meyendel bij Wassenaar.
Twee jaar geleden maakte hij nog een wereldreis waarbij hij onder meer terugkeerde naar de Cook-eilanden. Bij terugkomst werd kanker bij hem geconstateerd. Hij moest de dagelijkse leiding van het Center opgeven. Hij zocht vooral afleiding in klassieke muziek en geschiedenis – twee van zijn grote hobby’s. Tot overmaat van ramp kreeg zijn echtgenote tijdens zijn ziekte borstkanker, waarvan ze inmiddels is genezen.
Zijn ex-collega Anke van Hal heeft samen met Danielle Zandee zijn werk overgenomen. ‘Gerard heeft zo veel voor mij en zijn collega’s betekend. Het is enorm triest dat dat hij maar zo kort heeft mogen meemaken dat zijn visie op duurzaamheid in grote delen van het bedrijfsleven en binnen Nyenrode gemeengoed is geworden.
Hans Wijnberg (1922-2011)
Ondernemer en hoogleraar
Peter de Waard
Hij begon als hoogleraar in Groningen met het idee 70ste jaar actief te blijven. Toen hij in 1987 toch werd verplicht werd op zijn 65ste jaar met pensioen te gaan, hield hij een vlammend betoog waarin hij onder de titel ‘Tot Ziens’ betoogde dat in geen enkel land ‘oudere vakmensen zo werden gedumpt als in Nederland’. Na zijn pensionering begon hij voor zichzelf en richtte het bedrijf Syncom op.
Hans Wijnberg was een van de bekendste chemici van Europa, hoogleraar in Groningen en succesvol ondernemer. Hij was ook CIA-agent, luitenant van het Amerikaans leger en een jager op de Nazi’s die zijn familie hadden vergast en vermoord.
Professor Hans Wijnberg overleed op 25 mei in zijn woning aan het Zuidlaardermeer na een op zijn zachts gezegd tumultueus leven. Hij werd in 1922 samen met zijn tweelingbroer Louis in een joodse familie in Overveen geboren. Zijn grootvader had in Amsterdam de bandenplakfabriek Simson opgericht. Zijn vader Leonard Wijnberg was hier directeur. In de jaren dertig keek hij met groot achterdocht naar de gebeurtenissen in het vooroorlogse Duitsland. In tegenstelling tot veel andere Nederlanders geloofde vader niet dat dit land neutraal zou blijven. Daarom nam hij in 1939 een tweede hypotheek op zijn huis. Met het geld werden Hans Wijnberg en zijn tweelingbroer Louis – hij kreeg de nieuwe naam Loek - met het stoomschip s.s. Statendam naar New York gestuurd. Tevens werd voor hen allebei 3000dollar op een bank in New York gezet. Ze konden hier worden ondergebracht bij een Nederlandse vrouw met de naam Elly Frank.
Hans Wijnberg – pas 17 jaar oud – ging een opleiding volgen aan een technische high school in de wijk Brooklyn. Hij was gefascineerd door het vak scheikunde en die fascinatie werd versterkt toen hij daarna enige tijd op het researchlaboratorium van het farmaceutisch bedrijf Pfizer mocht werken. Daar werd in de oorlog onder leiding van de beroemde chemicus Peter Regna voor het eerst fabrieksmatig vitamine C en penicilline gemaakt.
Wijnberg werd aan het einde van de oorlog ingelijfd bij het Amerikaanse leger. Hij kwam cht in Oostenrijk terecht , waar hij als spion van de OSS, de voorloper van de CIA, onder de naam Hugh Wynn (you win) vluchtende nazi’s moest proberen te pakken. Na de bevrijding van Nederland vroeg hij verlof om zijn ouders en jongere broer Robert op te zoeken in het ouderlijk huis in Overveen. Maar daar bleken vreemden te wonen. Een tante in Den Haag vertelde hem dat zijn moeder en jongere broer in Auschwitz waren vergast en dat zijn vader van uitputting in een ander concentratiekamp was gestorven.
Na de oorlog kon hij met een GI-studiebeurs scheikunde in Ithaca gaan studeren. Hij promoveerde in 1952, in Madison, Wisconsin. Na een periode als postdoc en assistentprofessor in Iowa verhuisde Wijnberg, inmiddels met vrouw en vier kinderen, per ss Rotterdam naar Nederland. Hij werd eerst Fulbright fellow in Leiden en in 1960 hoogleraar Organische Chemie aan de Rijksunversiteit van Groningen. Met een mix van Europese degelijkheid en Amerikaans opportunisme zette hij de organische chemie van Groningen op de internationale kaart. Hij zou 63 promovendi begeleiden, waaronder een twaalftal – onder wie de winnaars van de Spinozaprijs Ben Feringa en Bert Meijer – dat het ook tot hoogleraar zou schoppen. Na zijn 65ste begon hij met een nieuw bedrijf dat farmaceutische en chemische bedrijven hielp het productieproces te versimpelen. In ruil voor de octrooien moesten de fabrikanten de uren betalen die de mensen in het onderzoek staken.
(31-5-2011)
Jan Brunnekreef (1935-2011)
Ster van het billiard artistique
Peter de Waard
Op 5 maart 1989 won Jan Brunnekreef in Grubbevorst de nationale titel kunststoten door in de finale Jan Bessems te verslaan. Meteen zei de Tukker bescheiden tegen Volkskrant-journalist Ben de Graaf: ‘De beste van de wereld is en blijft Jan Bessems.’
Brunnekreef, die op 12 mei na een lang ziekbed op 75-jarige leeftijd overleed in zijn geboorteplaats Goor, was geen formidabel biljartliefhebber noch eerzuchtig. ‘Er zijn duizend dingen die ik liever doe dan biljarten. Maar dit gaat mij het beste af.’
Brunnekreef was in alle opzichten een markante persoonlijkheid. Hij wilde eigenlijk wielrenner worden, voetbalde in de zaal met Twente-sterren Spitz Kohn, Epi Drost en Eddy Achterberg, bijgenaamd De Keu, won de Europacup met het waterpoloteam, schreef een feuilleton in een streekblad en zong cassettebandjes vol met liedjes.
Hij was ook eigenaar van café en discotheek De Zon, waar hij de dorpelingen vermaakte met kunststoten: ballen op een fles, glazen op het biljart, een carambole buiten in de goot.
De Brunnekreefs zouden naar zijn eigen zeggen Poolse wortels hebben gehad. Zijn voorouders kwamen vanuit Markelo in Goor waar ze een café kochten dat al snel het dorpsleven in Goor bepaalde. Zijn moeder overleed al toen hij 3 was, zijn vader hertrouwde maar overleed, nog maar 50 jaar oud, zodat hij door zijn oma werd opgevoed. Als kind stond hij al in het café – meestal achter het biljart. Als 14-jarige had hij al een moyenne van twee. Maar in die jaren dacht niemand aan een biljartcarrière. De sport was puur cafévermaak, met de plaatselijke bakker en plaatselijke slager. Op zijn 23ste stopte hij er helemaal mee. Hij ging voetballen. Toen een blessure die sport onmogelijk maakte, pakte hij de keu weer op. Eerst speelde hij driebanden in een hoofdklasseteam. Dat verveelde hem. ‘Veel plezier hebben en goed biljarten gaan bij mij niet samen. Ik sluit mij aan bij de gezelligen’, verklaarde hij zijn gebrek aan succes. Brunnekreef wilde lachen. ‘Als ik zie hoe weinig er wordt gelachen, lijkt het of de meeste mensen al dood zijn.’
De Belgische biljarter René Vingerhoedt bracht hem op het idee te gaan kunststoten. Hij kende de sport niet, maar leerde de honderd figuren van het billiard artistique uit een boekje. Na vijf jaar oefenen stond hij aan de top. De perfectie van het kunststoten fascineerde hem – ‘eenhonderdste afwijking op de speelbal is verderop twee meter’, zei hij in 1987 in een interview met de Volkskrant. Hij bedacht zelf nieuwe figuren: vijftig glazen op het biljart en een carambole maken zonder een glas te raken. En dan zijn fameuze gootstoot: de witte bal buiten in de goot, de deur van het café open, de stootbal vliegt van het biljart, passeert de drempel en raakt de bal in de goot.
Hij deed ook mee aan verscheidene EK’s en WK’s. Hij werd een keer tweede en een keer derde. Samen met Bessems en de in januari overleden Belg Raymond Steylaerts vormde hij een topdrie. Maar kunststoten was geen grote sport. Hij werd landelijk nog het meest bekend van de carnavalshit Roekie Zoekie die hij met zijn band Jan van de Zon (zijn bijnaam in Goor) en de Specials maakte. Ook presenteerde hij samen met zangeres Marga Bult jarenlang een programma op RTV Oost onder de titel ’n Bult Zon. Zeven jaar geleden onderging Brunnekreef een operatie aan zijn hartkleppen. Sinds die tijd kwam het niet meer goed met zijn gezondheid.
(24-5-2011)
Eddy van der Enden (1928-2011)
Een cinematografische Vermeer
Peter de Waard
Op dinsdag 26 april blies Eddy van der Enden (82) in het Rosa Spier Huis in Laren zijn laatste adem uit. Een hersentumor en een cocktail van medicijnen hadden hem geveld. Tegen het einde van zijn leven vond hij alsnog rust in het geloof van zijn zo vroeg overleden moeder.
Van der Enden was een van de beste en bekendste Nederlandse cameralieden. Hij was betrokken bij 47 speelfilms (waaronder Bert Haanstra’s Fanfare), 100 documentaires (waaronder Jan Vrijmans De werkelijkheid van Karel Appel, en Haanstra’s Oscarwinnende Glas) 400 commercials (waaronder de Grolsch-campagne Vakmanschap is Meesterschap) en 12 televisieseries (waaronder Hollands Glorie en De Komst van Joachim Stiller). Zijn belichtingstechniek was zo bijzonder dat Van der Enden de cinemafotografische Vermeer werd genoemd.
Van der Enden werd in 1928 geboren als enige zoon van een Haagse ambtenaar die was getrouwd met een Nederduits gereformeerde vrouw. De oorlog die hij als puber beleefde, had grote invloed op hem. Hij zag de strijd vlak om zich heen.
Hij volgde na de lagere school de elektrotechnische school. Toen de oorlog was afgelopen, moest hij onmiddellijk in militaire dienst. Hij kreeg daar uiteindelijk een functie als cartograaf bij de filmdienst. Maar al snel nam hij zelf de camera ter hand. Hij was er meteen aan verslaafd.
Nadat hij was afgezwaaid, kreeg hij de kans aan een uitwisseling met Italiaanse filmstudenten mee te doen. Zij zouden in Nederland studeren, hij en nog enkele andere Nederlanders in Italië. Uiteindelijk zou Van der Enden liefst vijf jaar een opleiding volgen aan het Centro Sperimentale di Cinematografia in Rome. Hier kwam hij in aanraking met beroemde naoorlogse Italiaanse filmmakers van wie hij onder meer leerde om te gaan met het licht. Terug in Nederland ging hij werken bij de Cinetone Studio’s in Diemen. Bert Haanstra vroeg hem in 1958 voor de documentaire Glas, die later dus een Oscar kreeg.
Maar zijn hoogtepunt was de De werkelijkheid van Karel Appel uit 1962. Op magistrale wijze bracht Van der Enden de scheppingskracht van de kunstenaar in beeld, die een doek met verf te lijf ging. Hij plaatste zijn camera achter het doek, zodat het gezicht van de wild schilderende Appel continu te zien was.
Hoewel het gezin hecht was, verbleef hij soms maanden voor opnamen in India, de Verenigde Staten, Frankrijk en België. Behalve met Haanstra en Vrijman zou hij veel werken met Fons Rademakers, Louis van Gasteren en Harry Kumel in België. Tot zijn succesvolste films behoorden Dorp aan de Rivier, Mira met Willeke van Ammelrooy en het voor de beste cinemafotografie gelauwerde Monsieur Hawarden. Eddy van der Enden was voor de crew altijd de tegenhanger van regisseurs die het onmogelijke eisten. Hij was een rustpunt en bracht ook discipline. Als er 12 uur gedraaid was, wilden de anderen vaak stoppen. Van der Enden zei dan: laten we nog even doorgaan.
Eddy van der Enden zou tot zijn 74ste jaar blijven doorwerken. Daarna gaf hij vooral adviezen en bezocht hij zo vaak het kon zijn geliefde Italië, waar het allemaal begonnen was.
(17-5-2011)
Jaap de Groot (1923-2011)
Bouwondernemer met een museum
Peter de Waard
Over de laatste vijf jaar van zijn leven lag een schaduw. Het tweede grote levenswerk van Jaap de Groot was hem volgens zijn dochter Jeanette Spaans ontstolen. Het oorlogs- en verzetsmuseum Overloon had zijn kostbare collectie oorlogsvoertuigen in handen gekregen en hem de toegang onmogelijk gemaakt.
Op 12 april overleed De Groot, 88 jaar oud. Jarenlang gold hij als de koning van de staalbouw. Hij was een van de grote ondernemers van de naoorlogse wederopbouw. Het door hem en zijn vader in 1948 opgerichte staalconstructiebedrijf Grootint zou uitgroeien tot een internationaal concern met vierduizend werknemers. In 1990 verkocht hij het familiebedrijf uit Zwijndrecht aan de Heerema Groep, omdat hij geen opvolgers had. Hij stortte zich vanaf dat moment op zijn tweede levenswerk: het verzamelen van legervoertuigen.
De Groot werd in 1923 geboren. Hij was de oudste zoon van Pieter de Groot uit Alblasserdam, die constructietekenaar was bij Kloos Kinderdijk, een voorloper van het latere Hollandia Kloos. Jaap de Groot volgde enkele jaren de technische school. Maar de oorlog maakte een verdere opleiding onmogelijk.
In 1945 werd een berooid en verwoest Nederland bevrijd. Samen met zijn vader Pieter de Groot begon Jaap een bedrijf dat vernielde spoorbruggen en spoorrails sloopte. Al gauw werd De Groot Staalconstructie, zoals het bedrijf eerst heette, ook een bouwbedrijf. Dankzij de Marshallhulp kon de wederopbouw voortvarend van start gaan, al hadden veel bouwondernemingen als materiaal slechts oude legervoertuigen tot hun beschikking. De Groot bouwde vooral bruggen (de Moerdijkbrug, de brug bij Ewijk, de Tweede Brienenoordbrug, de Erasmusbrug, de Willemsbrug), bedrijfsruimten en industriële gebouwen. In de jaren zeventig werd een nieuwe markt ontdekt: de offshore. In de loop van de tijd werden diverse ondernemingen overgenomen, zoals in 1977 Penn & Bauduin uit Dordrecht. De Groot Staalconstructie werd Grootint en begon enorme platforms te bouwen voor de olie-exploratie en -productie op zee.
Jaap de Groot was de patriarch: streng maar rechtvaardig. Hij leefde voor zijn werk. Zijn enige hobby’s waren het berijden van dressuurpaarden en het verzamelen van oude militaire voertuigen. Hij richtte in Zwijndrecht hiervoor zelfs zijn eigen museum – het Marshall Museum – op. In 2005 werd hij volgens zijn dochter overgehaald de collectie onder te brengen in het Liberty Park in Overloon. Hij kreeg daar zijn eigen kantoor, maar de toegang werd hem ontzegd toen hij de directie in Overloon ervan beschuldigde slordig met de collectie om te gaan. De Groot besloot zijn collectie op te eisen en spande een rechtszaak aan. Die zaak zal door zijn erfgenamen worden voortgezet. De Groot, die enkele jaren geleden nog tussen Johan de Witt, Elco Brinkman, Albert Cuyp, Ferdinand Bol, Kees Verkerk, Cor van der Gijp en Ronald Giphart op het lijstje van ‘Grootste Drechtstedeling Aller Tijden’ stond, is begraven in Hendrik Ido Ambacht.
(10-5-2011)
Seve Ballesteros (1957-2011)
Voorloper van de Europese golfelite
Hij won 87 toernooien en bracht de Ryder Cup naar Europa. Seve Ballesteros was geliefd bij fans en collega’s.
Hij was al een levende legende. Hij zal door zijn vroege dood nog een grotere legende worden. De Spanjaard Severiano Ballesteros heeft net zo veel, zo niet meer, voor zijn sport golf betekend als Tiger Woods.
Dankzij Ballesteros werd deze tot dan toe vrijwel uitsluitend in
Engelstalige landen beoefende sport, populair op het Europese continent en later ook Azië. Hij gaf met zijn vaak magische ballen, emotionele uitbarstingen en jeugdige overmoed de als saai en statisch bekende staande sport flair en joie de vivre.
Alle golfgrootheden reageerden afgelopen weekeinde verslagen en emotioneel op zijn dood. ‘Hij was een groot entertainer’, zei de Amerikaan Jack Nicklaus. ‘Hij was het Cirque de Soleil van het golf’, aldus Nick Faldo. ‘Seve was de meest creatieve speler ooit’, reageerde Tiger Woods.’
Ballesteros was de eerste speler van het continent die het Britse Open won en de eerste Europeaan die zegevierde op The Masters in
Augusta, de twee meest prestigieuze toernooien van het jaar. Dankzij Ballesteros werd de Brits/Ierse ploeg voor de Ryder Cup – de tweejaarlijkse titanenstrijd tegen de VS – een Europese ploeg.
Met Ballesteros in de gelederen won Europa vijf keer de Ryder Cup, nadat de Amerikanen 28 jaar lang de beker in handen hadden gehad.
Ballesteros overleed zaterdag in zijn woning in Noord-Spanje waar hij ook een privé-golfbaan had. Hij verloor de lange strijd tegen kanker. De laatste jaren werd op alle grote toernooien stilgestaan bij de ziekte van de man die niet alleen een groot speler was maar ook een zeer charismatische en flamboyante man. Hij verwierf daarmee de koosnaam Seve. ‘Seve Ballesteros is vredig ingeslapen in het bijzijn van zijn familie’, luidde een korte verklaring.
Ballesteros werd geboren in het Spaanse plaatsje Pedrena. Als klein jongetje begon hij op strand tegen ballen te slaan met een ijzeren vijf die hij op de kop had getikt. Hij wierp zich daarna al snel op als caddie. Helemaal uit het niets behaalde hij in 1976 zijn allereerste overwinning op de Europese Tour: de Dutch Open in Zandvoort.
In hetzelfde jaar kwam ook zijn grote doorbraak. Op het Britse Open op Royal Birkdale deed hij als 19-jarige jongen ineens mee voor de titel. Hij behaalde uiteindelijk een gedeelde tweede plaats met de Amerikaan Jack Nicklaus. Zijn naam was gevestigd. En in 1979 zou hij het Britse Open winnen, gevolgd door The Masters in het jaar daarop. Hij zou ook in 1984 en 1988 het Britse Open winnen en in 1983 nog een keer The Masters.
In totaal boekte Ballesteros in zijn carriere 87 toernooi-overwinningen, waarvan 50 op de Europese Tour – een record dat door niemand ook maar is benaderd. Na zijn overwinning in 1976 zou hij ook nog twee keer het Dutch Open winnen dat toen al het KLM Open heette. Tussen 1986 en 1989 voerde hij 61 weken de officiële wereldranglijst aan.
Na Ballesteros kwam een hele nieuwe generatie van grote Europese golfers op – de Duitser Bernhard Langer, de Engelsman Nick Faldo, de Schot Sandy Lyle, de Welsh Ian Woosnam en Ballesteros’ landgenoot Jose Marie Olazabal. In 1997 won hij als teamcaptain nog een keer de Ryder Cup – zijn laatste grote overwinning. In 2007 stopte hij definitief. Hij werd golfambassadeur en een veelgevraagd golfcommentator.
In 2008 stortte hij op het vliegveld van Madrid in. Er werd een hersentumor geconstateerd. Hij zou vier keer worden geopereerd en langdurig chemotherapie ondergaan. Maar uiteindelijk verloor hij na twee jaar en zeven maanden die strijd.
(9-5-2011)
Willem Wagenaar (1941-2011)
De man van de waarheidsvinding
Peter de Waard
Willem Albert Wagenaar gaf begin vorig jaar een wetenschappelijke verklaring voor de foute wissel van Sven Kramer op de 10.000 meter tijdens de Olympische Spelen in Vancouver. ‘Verschillende spelers maken vergissingen die voortvloeien uit het beperkte functioneren van hun psychologische functies. Die vergissingen komen om de haverklap voor, maar leiden zelden tot rampen omdat ze op tijd worden gecorrigeerd, en omdat noodlottige combinaties zeldzaam zijn. In dit geval gaat het om vergissingen van zowel Kramer als zijn coach Gerard Kemkers. Het zal vaker zijn voorgekomen dat Kramer onzeker was over de te maken wissel, of dat Kemkers een verkeerde aanwijzing gaf. Alleen het samengaan van die vergissingen is noodlottig,’ zo schreef hij in een opiniestuk in NRC Handelsblad. Dat ze in dit geval allebei in de fout gingen, had te maken met de absurde omstandigheden van de Olympische Spelen.
Hoewel het land ervan op zijn kop stond, was de verkeerde wissel van Kramer een van de meer triviale problemen van de rechtspsycholoog en internationaal bekende geheugendeskundige Willem Wagenaar die 27 april op 69-jarige leeftijd in Utrecht is overleden.
Wagenaar heeft een belangrijke rol gespeeld bij de wetenschappelijke onderbouwing van de waarheidsvinding tijdens juridische procedures. Voor het grote publiek werd de altijd met vlinderdas uitgedoste Wagenaar vooral bekend als getuige-deskundige in talrijke geruchtmakende strafprocessen zoals de Eper incestaffaire (de zaak Yolanda van B.) en die tegen de oorlogsmisdadiger John Demjanjuk. In totaal was hij deskundige in meer dan duizend zaken, waarbij hij vaak probeerde aan te tonen hoe weinig betrouwbaar en selectief het geheugen is bij herkenningen. Hij zocht met zijn bevindingen niet zelden de publiciteit op.
Wagenaar werd in 1941 geboren in Utrecht en studeerde in 1965 aan de universiteit van die stad cum laude af in de experimentele psychologie. Hij werkte eerst bij het TNO-instituut voor Zintuigfysiologie in Soesterberg voordat hij hoogleraar werd in Leiden. Hij deed zelf continu in de praktijk onderzoek. In 1986 schreef hij een gezaghebbend artikel over zijn eigen onderzoek naar waarnemingen, geheugen en herinneringen. Hiervoor had hij zelf zes jaar lang elke dag twee zaken opgeschreven die hij zich later moest proberen te herinneren.
Een jaar later trad hij in Israel op in het eerste proces tegen Demjanjuk die door getuigen zou zijn herkend als een bewaker van het concentratiekamp Treblinka. Wagenaar noemde de getuigenverklaringen onbetrouwbaar en Demjanjuk werd in 1993 vrijgesproken. Pas elf jaar later bleek dat hij als kampbewaarder zou hebben gewerkt in een ander kamp Sobibor. Hierna werd hij door de Amerikanen uitgeleverd aan Duitsland.
Wagenaar speelde ook een grote rol in de zogenoemde Eper incestaffaire in 1994 waarbijYolanda van B. door dorpsgenoten seksueel zou zijn misbruikt en daarna abortussen en satanische rituelen had moeten ondergaan. Wagenaar plaatste vraagtekens bij de verklaringen van Yolanda, hoewel de daders werden veroordeeld – een rechterlijke dwaling, aldus Wagenaar. In 2000 werd in Schiedam de 10-jarige Nienke Kleiss vermoord, waarvoor de Vlaardinger Cees B. werd veroordeeld. Vier jaar later bleek hij onschuldig te zijn. Wagenaar concludeerde dat het Openbaar Ministerie ‘in één op de 20 zaken onvoldoende bewijs heeft maar daarna via kunst en vliegwerk dossiers probeert rond te krijgen.’ Het OM zou geen onpartijdig magistraat meer zijn die zaken aan de rechter voorlegde maar een partijbehartiger die zaken wilde winnen. In de boeken De Slapende Rechter en Broddelwerk die respectievelijk in 2009 en 2010 verschenen, kwam Wagenaar met talrijke voorbeelden van rechterlijke dwalingen, waarbij verdachten soms tijdens het politieverhoor onder druk herinneringen hadden opgedrongen gekregen – een vorm van hersenspoeling, aldus Wagenaar.
Wagenaar was van 1 februari 1997 tot en met 31 januari 2001 was Wagenaar rector magnificus van de Universiteit Leiden. In 2001 kwam hij met een nieuwe discipline in Leiden: het artistiek onderzoek. Wagenaar was een gepassioneerd verzamelaar van toverlantaarns; in zijn huis had hij een theater voor het geven van voorstellingen laten bouwen. Wagenaar was vanaf 2004 universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht en was lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). In 2006 ging hij met emeritaat.
(4-5-2011)
Gerard van Straaten (1924-2011)
De man die Hielke en Sietse een gezicht gaf
Peter de Waard
Zijn dochter Astrid herinnert zich dat ze als kind een Droste-reep op zijn tekentafel zag liggen. ‘Ik wilde de reep pakken met mijn kleine kindervingers. Voordat het vies zou worden, greep mijn vader in. Het bewijst hoe echt mijn vader kon tekenen en schilderen.’
Op 6 april overleed Gerard van Straaten, onder meer de illustrator van honderden kinderboeken, waaronder de Kameleon-serie. Voordat een film over de Friese tweeling de fantasie doorbrak, moeten miljoenen Nederlandse jongens Hielke en Sietse Klinkhamer, Gerben Zonderland en agent Zwart zich voorgesteld hebben zoals Van Straaten ze had getekend.
Gerard van Straaten was de tweede zoon uit een gezin van vijf jongens van wie vader architect was. Ze hadden allemaal iets met tekenen. De jongste telg Peter van Straaten (nu 76) zou later roem vergaren als de bedenker van de strip Vader en Zoon, het feuilleton Agnes en de rubriek Dagelijks Leven.
Gerard droomde van een carrière als zeeman. Hij bracht veel van zijn vakanties door in Giethoorn. Gerard moest in 1942 voortijdig de hbs verlaten, maar kon later wel studeren aan de Kunst- en Nijverheidsschool in Arnhem. In 1944 sloot de school als gevolg van de bezetting. Pas ver na de bevrijding, in 1947, kon Gerard van Straaten zijn studie afmaken. Hij ging daarna voor een reclamebureau werken, maar vertrok al na een jaar naar de Toonder Studio’s. Hier tekende hij diverse strips, zoals Rex Rijvers, die vanaf 1948 verscheen in Het Vrije Volk. Hij tekende ook vele jaren strips voor in die tijd fameuze stripbladen als Tom Poes, Ping en Pep.
In 1953 maakte hij de illustraties en omslag voor het boek Patavia de holenjongen van C. Wilkeshuis. Het werd het begin van een langdurige samenwerking met uitgeverij Kluitman, die hem vroeg ook de tekeningen te maken voor de boeken van Hotze de Roos over de Kameleon-tweeling. ‘Gerard was heel precies. Hij had als tekenaar het architectenbloed. Technisch moest alles kloppen. Zijn broer Peter tekende meer uit het hart’, zegt Astrid van Straaten.
Gerard van Straaten trouwde, kreeg twee dochters en verhuisde naar Hilversum. Hij deelde het bohémienkarakter van de Van Straatens, maar was ook serieus. In tegenstelling tot Peter van Straaten, die na de oorlog behoorde tot de opstandige jeugd, was Gerard onderdeel van de gevestigde orde. ‘Maar ze deelden ook veel’, zegt zijn dochter Astrid. ‘Gevoel voor humor en misschien een beetje cynisme. Maar ook liefde voor de natuur.’ In 1969 verhuisde Gerard met zijn gezin vooral daarom naar een boerderijtje bij Empe. Hier kon hij een van zijn grootste hobby’s beoefenen: kijken naar de natuur en vogels. Hij ging in de loop van de jaren ook steeds meer schilderen, onder meer zeiljachten, zijn oude liefde.
De laatste jaren ging het bergafwaarts met zijn gezondheid en kwam hij via een serviceflat in een verzorgingshuis terecht, waar hij ook overleed. Zijn dochter Astrid, zelf tekenaar en illustrator, heeft op uitdrukkelijk verzoek van haar vader beloofd het eenmansbedrijfje voort te zetten. Bij de crematieplechtigheid van Gerard van Straaten werd hij herinnerd door zijn oudste dochter Marieke, Mascha van Straaten (dochter van Peter, die op Curacao was), zijn broer Jan, een 17-jarige fan van de Kameleon-serie en de voorzitter van de stichting Vrienden van de Kameleon, die nu al zijn tekeningen in beheer heeft.
(2-5-2011)
Pietro Ferrero (1963-2011)
Beleefd en verlegen
Peter de Waard
De fiets was zijn grote hartstocht. Pietro Ferrero, de CEO van de fameuze chocolademultinational Ferrero SpA, haalde graag grote Italiaanse wielrenners naar zijn bedrijf. Onlangs had hij nog Ivan Gotti – een drager van de roze trui in de Ronde van Italië – als vertegenwoordiger in dienst genomen.
Overal waar hij voor zijn werk kwam, ging hij een rondje fietsen. Met een delegatie van het bedrijf was hij in Zuid-Afrika om te praten over de opening van de negentiende fabriek van het concern. Hij maakte zijn fietstochtje. Onverwacht zagen zijn lijfwachten hem van zijn fiets vallen. Hij overleed vermoedelijk aan een hartstilstand. Pietro Ferrero was pas 47 jaar.
Ferrero is een familiebedrijf dat bekend is van producten als de chocoladepasta Nutella, het snoepje TicTac en de bonbons Ferrero Rocher en Mon Chéri. Het bedrijf haalde vorig jaar een omzet van 6,3 miljard euro. Pietro’s vader Michele Rocher (85) is nog steeds de voorzitter van het bestuur, maar de dagelijkse leiding droeg hij in 1997 over aan zijn twee zonen Pietro en Giovanni.
Het bedrijf werd in 1942 opgericht door zijn grootvader, die ook Pietro heette. Hij had een koffie- en gebakzaak in Piedmont. In de oorlog was er een groot tekort aan cacao. Hij ontwikkelde daarom een hazelnootpasta, die onder de naam Nutella op de markt werd gebracht. Zijn zoon Michele nam het bedrijf in 1957 over. Hij bouwde Ferrero uit tot een wereldconcern met 20 duizend werknemers door allerlei nieuwe producten te bedenken. In 1969 introduceerde hij Tic Tac op de Amerikaanse markt.
Zijn zoon Pietro studeerde biologie aan de universiteit van Turijn. In 1985 kwam hij in dienst van het bedrijf en in 1992 werd hij het hoofd van de Europese divisie van Ferrero. Hoewel Italiaan en schatrijk, stond hij niet bekend als een playboy. Hij was eerder een voorbeeldig huisvader: getrouwd en met drie kinderen. In Italië stond hij bekend als beleefd en verlegen. Zijn beste eigenschap pen waren discretie en creativiteit. Zo zocht hij naarstig naar een wijze waarop de afzet van chocoladeproducten in de zomermaanden op peil kon worden gehouden.
‘Italië heeft een zakenman verloren die de kwaliteiten van onze industriële geschiedenis goed representeerde’, aldus minister Franco Frattini van Buitenlandse Zaken. ‘Hij was altijd op zoek naar het beste. Hij was creatief en vastberaden overeind te blijven in de meest moeilijke omstandigheden. Daardoor werd het merk Ferrero een symbool van Italië.’
De dood van Ferrero komt op een ongelukkig moment. Ferrero is verwikkeld in een overnamestrijd rond Parmalat SpA, het grootste zuivelbedrijf van Italië. Een door de regering gesteunde groep van investeerders probeert daarmee te voorkomen dat Parmalat in handen komt van de Franse groep Lactalis.
In 2009 probeerden Pietro en Giovanni Ferrero het Britse snoepconcern Cadbury Plc over te nemen, maar hierbij werden ze afgetroefd door het Amerikaanse Kraft Foods. Volgens Forbes is het persoonlijk fortuin van Michele Ferrero 18 miljard dollar. Daarmee zou hij de rijkste man van Italië zijn.
Ferrero geniet in Italië groot respect vanwege verscheidene zogenoemde ‘sociaal-maatschappelijke bedrijven’ in landen als India, Kameroen en Zuid-Afrika.
(20-4-2011)
Louis Tas (1920-2011)
De psychotherapeut van de grachtengordel
Peter de Waard
Louis Tas was de psychotherapeut van de Amsterdamse grachtengordel. Kunstenaars, acteurs, schrijvers die of met hun carrière overhoop lagen, de in een midlifecrisis zaten of op een andere manier met zichzelf in de knoop lagen, konden terecht bij de man die gold als de meest vooraanstaande psychoanalyticus van Nederland en trouwe volgeling van Sigmund Freud.
Tas overleed afgelopen donderdag op 90-jarige leeftijd. Twee jaar geleden behandelde hij nog zo’n dertig mensen. Lang niet alle BN’ers liepen ermee te koop dat ze bij hem hadden aangeklopt. Maar sommigen vonden het een fascinerende ervaring en vertelden erover. Ischa Meijer behoorde daartoe. Ook het echtpaar Edwin de Vries en Monique van der Ven bekende in Trouw na de dood van hun kind bij hem te rade te zijn gegaan. Hij had altijd een luisterend oor en was iemand die met droge humor bij tegenslagen een helpende hand kon bieden.
Louis Tas werd geboren in een joods gezin van twee kinderen. Zijn vader was de psychiater Jacques Tas en zijn moeder de schilderes Frieda Herzberg. In 1943 werden Tas en zijn ouders door de Duitsers opgepakt en via Westerbork naar Bergen Belsen getransporteerd. Ze overleefden alledrie de oorlog. Zijn zus zou als onderduiker aan het transport weten te ontkomen. In 1947 verschenen Tas’ kampmemoires in boekvorm, Dagboek uit een kamp, gepubliceerd onder het pseudoniem Loden Vogel.
Twee jaar later kreeg hij angstaanvallen. Hij ging ermee naar iemand bij wie hij korte tijd in analyse was geweest. Die dacht dat de oorzaak lag in uitgestelde examenangst, omdat Tas kort daarvoor zijn kandidaatsexamen had gedaan. Aan het kamp dacht hij niet en Tas suggereerde dat ook niet.
Tas wilde eigenlijk hersenchirurg worden. Maar het vak leek bij nadere beschouwing toch niet zo geschikt voor hem. Daarom werd hij net als zijn vader psychiater. Hij concentreerde zich op de psycho-analyse die toentertijd nog niet zo geaccepteerd was in Nederland.
In 1958 begon Tas met een eigen praktijk als psychotherapeut. Pas toen alzheimer het werken onmogelijk maakte, stopte hij met de praktijk. ‘Eigenlijk ben ik een grote luiaard en als ik niet moet, doe ik niks. Maar ik heb naast drie kinderen uit mijn eerste huwelijk ook nog vier schoolgaande kinderen uit mijn volgende. Ik moet wel’, zei hij in een interview met De Groene. Later in een interview met Coen Verbraak in Vrij Nederland verklaarde hij dat het vak hem nog altijd boeide. ‘Het is prachtig om over het vak te theoretiseren, maar als je het daarnaast niet uitoefent in de praktijk lukt dat theoretiseren domweg niet.’
Tas’ behandelmethode bestond vooral uit veel luisteren. ‘Ik interview mensen. Niet voor de openbaarheid maar voor de eeuwige stilte.’ Hij was gefascineerd door de filosofie. In 1967 maakte hij een inleiding bij het door hemzelf vertaalde boek van Jean Paul Sartre Magie en Emotie. Hoewel hij zelf talrijke essays schreef, vond hij dit nog altijd een van de hoogtepunten van zijn oeuvre.
Filosofisch consulent Harm van der Gaag (eigenaar van Denk dieper) zegt dat Tas hem overtuigde filosoof te worden. ‘Ik wilde ook in de psychotherapie. Ik belde hem daarover op. Hij luisterde drie kwartier. En toen zei hij dat ik beter filosoof zou kunnen worden. Dat advies heb ik opgevolgd. En ik ben er hem nog altijd dankbaar voor.’
Schaamte was het kernbegrip in de behandelmethode van Tas. Hij formuleerde die schaamte ‘als het gevoel dat je in de ogen van anderen compleet waardeloos bent en dat ze daarin nog gelijk hebben ook’. Schaamte was daardoor in zijn ogen zeer verwant aan depressie. Tas liet het over aan de patiënt zelf wanneer die vond dat de behandeling ten einde liep. ‘Ik vergelijk het altijd met een kolenmijn: als de kosten van het delven groter worden dan de opbrengst, moet je ermee ophouden.’
De laatste jaren ergerde hij zich steeds vaker aan de behandelmethodes die Freud bij het oud vuil leken te zetten. Ook de houding van de zorgverzekeraars en het feit dat psychologische problemen vooral met geneesmiddelen werden bestreden, was hem een doorn in het oog. De farmaceutische industrie had volgens hem het vakgebied in gijzeling genomen.
Over de dood zei hij in het interview met Vrij Nederland. ‘Ik ben slecht op het sterven voorbereid en ben er echt bang voor. Ik begrijp heel goed dat Jezus daar een goudmijn mee heeft aangeboord. ‘Ik heb de dood overwonnen. Hoe? Ja, dat zeg ik niet. Geloof nou maar gewoon in mij, dan komt het goed’. Dat geeft mensen in die laatste momenten misschien wat zekerheid.’
(19-4-2011)
Ellen Helmus (1958-2011)
Beste dwarsfluitist van Nederland
Peter de Waard
Ze heeft zich wel eens achter de oren gekrabd, zo denk ik’, zegt haar partner Hans Voskamp. In 1983 kreeg ze het aanbod om Rundo Rosso (het ingekorte laatste deel uit het fluitconcert van Saverio Mercadante) op te nemen op een cd. Ze deed het niet omdat ze het idee te commercieel vond. Vervolgens werd het Berdien Stenberg gevraagd, twee maanden jonger en ook iemand die aan het Haags Conservatorium lichte muziek had gestudeerd. Stenberg scoorde er een nummer één-hit mee, niet alleen in Nederland, ook in veel andere Europese landen.
Ellen Helmus, die 26 maart op 53-jarige leeftijd overleed aan de gevolgen van borstkanker, is onder het grote publiek nooit zo bekend geworden als Strnberg. Maar muziekkenners achten haar talent vele malen groter. Ze werd algemeen beschouwd als de beste dwarsfluitist van Nederland en misschien van Europa. Ruim dertig jaar stond ze aan de top van met name de internationale jazzwereld en trad ze met alle groten op, onder wie de dwarsfluitist Hubert Laws en pianist-zanger Georgie Fame.
Helmus was ook bekend van de jaarlijkse tuinfeesten in het Gooise Laren, waar ze voor een school in Kenia geld inzamelde. Voor 50 euro konden BN’ers in de tuin van Ben Pandelaar en Nancy Vollebregt luisteren naar de beste muzikanten ter wereld. Afgelopen zomer vond het eerste lustrum plaats. Het werd meteen Ellen Helmus’ laatste optreden in deze tuin.
Helmus werd in 1957 geboren in Beverwijk. Haar vader werkte bij het provinciale waterbedrijf van Noord-Holland. Al jong trad ze met haar zuster op tussen de schuifdeuren. Toen speelde ze vooral nog gitaar. Maar voormalig Focus-dwarsfluitist Thijs van Leer – iemand met wie ze nog niet zo lang geleden optrad – inspireerde haar ook dit instrument ter hand te nemen.
Ze ging studeren op het Haags Conservatorium. Meteen daarna richtte ze haar eigen Ellen H. Band op met haar toenmalige partner, de pianist Robert-Jan Vermeulen. Vanaf het begin had ze succes en werd ze gevraagd voor optredens in binnen- en buitenland. Volgens Voskamp hield ze zo van jazz omdat die muzieksoort het instrument de volle vrijheid gunt. ‘Maar het moest altijd wel melodieus zijn. Ze had een hekel aan piep knor-improvisaties waarbij iedereen zo maar wat deed.’
Ze maakte uitstapjes naar andere muzieksoorten. Zo nam ze een cd op met Gipsy Boys die gebaseerd was op klassieke werken. Ze onderscheidde zich ook door haar rechtvaardigheidsgevoel. Ze nam het graag op voor mensen die buiten de samenleving raakten. Ze ontmoette de reclameman Hans Voskamp, die betrokken was bij een onderwijsproject in Kenia. ‘Ik vroeg haar met mij mee te gaan. Maar dat weigerde ze aanvankelijk. Toen hadden we een keer op het laatste moment nog geen bestemming voor onze vakantie en besloot ze toch mee te komen. Meteen was ze verkocht.’ Helmus richtte de Stichting Asante Sana op voor de bouw en instandhouding van de school in Kalaani. Ze ging er twee keer per jaar naartoe om ‘haar 250 kinderen toe te spreken’.
In 2007 kreeg ze borstkanker, maar ze genas. Ze wilde er daarna niet meer over praten. Ze bleef componeren en trad op samen met het Rosenberg Trio. Een jaar geleden verhuisden Ellen Helmus en Hans Voskamp naar een oude boerderij buiten het Brabantse Wanroij, waar ze ook een studio bij wilde bouwen. Daarnaast had ze de Ellen H. Band opnieuw opgericht – samen met Frans Tunderman en de jonge drummer Jamie Peet en jonge pianist Daniël von Piekartz. ‘Met deze band wil ik oud worden’, zei ze toen. Maar in augustus bleek de kanker te zijn uitgezaaid.
(19-4-2011)
Albert Harkema (1934-2011)
Veehouder die zijn eigen nederzetting schiep
Peter de Waard
Eigenzinnigheid was een van zijn kenmerken. ‘Als er op zijn terrein een boom weg moest, kapte hij die gewoon. Die boete nam hij op de koop toe’, zegt zijn vriend Dirk Ferwerda.
Op 14 maart overleed Albert Harkema (77), de Groningse veehouder die op zijn bedrijf in Den Ham bij de stad Groningen een complete reconstructie maakte van een middeleeuwse nederzetting, inclusief het befaamde kerkje van Harkema. Ook deze nederzetting was zonder de benodigde vergunningen gerealiseerd,maar uiteindelijk gaf de gemeente haar fiat en paste het bestemmingsplanaan. Nu komen er jaarlijks tienduizenden toeristen.
Eigenzinnigheid kenmerkte ook zijn vader, die op een boerderij vlakbij (aan de aaikemadijk) veehouder was. Hij weigerde in de oorlog melk te leveren aan de Duitsers en werd opgepakt en stierf op 15 januari 1945 in Dachau. Albert Harkema moest het al heel jong alleen zien te redden. Hij begon zelf in 1960 in het boerenbedrijf, trouwde en kreeg twee dochters, Janneke en Frouwkje. Al vanaf het begin zocht hij nieuwe uitdagingen. Zo ontwikkelde hij een speciale melkcarrousel. Hij liet de koeien na binnenkomst een draai maken zodat ze, in plaats van met de koppen, met de uiers aan de binnenkant kwamen te staan. De koeien konden zo vanuit het lager gelegen middengedeelte gemolken worden. Dat bespaarde tijd. Hij verwierf er zelfs een patent op.
Harkema wist toen al dat hij op een historische plaats woonde. In de eerste helft van de 20ste eeuw was op de boerderij een gedenksteen gevonden waarop de naam Arbere stond – een oud-Fries woord voor ooievaar. In een bewaard gebleven oud geschrift van 1313 van de abt van het klooster in Aduard wordt gesproken over ‘een plaats die Arbere heet’. Hij wist dat zijn land moest zijn bewerkt door zogenoemde conversen of halfmonniken, die zelf vanwege de afstand niet in het klooster van Aduard woonden, maar op de boerderij, waar naast de eet- en slaapzaal ook een kapel was gebouwd. Deze agrarische kloostergemeenschappen werden ‘voorwerk’ genoemd. Harkema besloot de ‘voorwerk’ compleet te gaan reconstrueren.
Harkema begon met het uitgraven en vergroten van de oude gracht om de kloosterboerderij en bouwde de kop-hals-rompboerderij in miniatuur na. Daarna bouwde hij een toren en een kerk, waarvoor hij 12 duizend bakstenen haalde uit België, een orgel uit IJhorst en mariabeelden uit nog zuidelijker oorden. Ten slotte bouwde hij ook nog in een container een theeschenkerij, zodat bezoekers even iets konden nuttigen. Het hele project duurde – inclusief de door de gemeente Zuidhorn opgelegde bouwstops–meer dan dertig jaar. Zijn veehouderij kwam daarna op een laag pitje te staan en Albert Harkema werd de gids op zijn eigen erf. In 2009 overleed zijn vrouw. Indie periode bleek ook Harkema een herseninfarct te hebben gehad. Uiteindelijk moest hij zijn hele hebben en houden verkopen en werd hij opgenomen in een verzorgingstehuis. Daar sleet Harkema de laatste jaren, nog altijd zijn verhalen vertellend.
(12-4-2011)
Pierre Celis (1925-2011)
De man en zijn witbier
Peter de Waard
Wat Bacchus was voor de Romeinen was Pierre Celis voor Vlamingen. De god van het witbier overleed zaterdagavond op 86-jarige leeftijd aan kanker. Ruim vijf jaar geleden slaagde Pierre Celis erin de brouwerij in Hoegaarden open te houden na een intensief gevecht met de biermultinational AB InBev, de eigenaar van Hoegaarden witbier. Het leverde hem het ereburgerschap van Hoegaarden op.
Celis was een simpele melkventer in het dorp Hoegaarden, dat tot na de Tweede Wereldoorlog een florerende bierindustrie had. In 1957 moest echter de laatste brouwer van witbier Tomsin de deuren sluiten omdat het witbier de concurrentiestrijd met pils leek te hebben verloren.
Pierre Celis had daar vaak gezien hoe het specifieke witbier werd gebrouwen. Hij geloofde er nog in en besloot in 1965 de productie weer op te pakken. Hij noemde zijn bier Hoegaarden witbier of bière blanche, want hij wilde hoe dan ook verkoopmogelijkheden hebben in Wallonië. Hij wist een partij confituurpotten op de kop te tikken waarin het bier moest worden uitgeschonken. Dit werd de basis voor het nu zo klassieke glas waarin witbier moet worden gedronken.
In 1978 stichtte Celis de brouwerij NV De Kluis en een jaar later verhuisde Celis van zijn eenmansbrouwerij naar de huidige fabriek. In 1985 vloog die in de brand. Celis kon alleen een herbouw financieren door in zee te gaan met AB InBev (toen nog Interbrew).
Pierre Celis verhuisde daarna naar de Verenigde Staten en richtte in 1992 in Austin, de hoofdstad van Texas, een nieuwe brouwerij op, die Celis White op de markt bracht. Die verkocht hij tien jaar later aan het concern Miller.
Teruggekeerd in België besloot hij Grottenbier te gaan brouwen. In 2005 wilde InBev de productie van witbier in een nieuwe brouwerij in Jupille concentreren. Maar dankzij een campagne van Celis werd dit voorkomen. Andermaal wilde hij nu weer naar de VS gaan om daar weer opnieuw te beginnen. Maar door ziekte lukte dat niet meer.
Celis heeft alles samen 25 types gebrouwen, van witbier tot Grand Cru, Verboden Vrucht, Grottenbier en Celis White. In de jaren negentig werd witbier een hype en kwam elke brouwerij met zijn eigen variatie. Maar Hoegaarden bleef de moeder van alle witbier. AB InBev distribueert Hoegaarden nu wereldwijd.
(11-4-2011)
Hans Martens (1945-2011)
De laatste van de circus-Boltini’s
Peter de Waard
Nog een keer waarde zijn aura rond. Vorige week maandag was op Het Laar in Tilburg een circustent opgezet voor de begrafenisplechtigheid van Hans Martens, een van de laatste grote circusexploitanten van Nederland. Op 19 maart overleed hij aan de gevolgen van kanker. De voorstellingen van zijn circus – het Staatscircus van Moskou - waren toen al geannuleerd. Of dat ooit nog wordt opgepakt, is een grote vraag. Hans Martens zelf zal er nooit van loskomen. Als er een ander leven is na de dood, dan is het in het circus. ‘ Ik ga heen maar ik ben niet weg, ik kan het circus niet verlaten’, stond op de condoleancekaart.
Martens was degene die in 1990 Oleg Popov, waarschijnlijk de beroemdste circusclown ooit, naar Nederland haalde toen perestroijka en glasnost de grenzen van de Sovjet-Unie opende.
Martens wordt in december 1945 geboren. Hij is de oudste zoon van Mimi Boltini en de eerste kleinzoon van de goochelaar Johan Akkerman die de artiestennaam Boltini heeft aangenomen. Voor de oorlog trekt deze Boltini met een variété-theater langs de kermissen in Nederland. Johan Boltini en zijn jonge tienerzonen Willi, Toni en Johnny koesteren aanvankelijk sympathie voor de nieuwe orde, maar later worden ze ook actief in het verzet.
In de oorlog is voor kermisreizigers door een gebrek aan benzine en diesel het werken onmogelijk. Hierdoor ontstaat het idee te beginnen in een vaste tent. Als begin jaren vijftig ook dieren (leeuwen) worden aangekocht, is er een echt circus. Toni Boltini is de grote man, maar ook de andere familieleden werken erin mee. Een van hen is Mimi Boltini die al jong is getrouwd met Johnnie Martens, die werkt bij een dierenpark op de Cauberg bij Valkenburg en later ook een restaurant en discotheek daar zou exploiteren. Hans Martens wordt in 1945 geboren en zo gauw hij kan lopen wordt hij – net als zijn vijf broers en zusters – ingeschakeld bij de voorstellingen. Mimi scheidt al in 1947 van Martens en hertrouwt met Herman Lijffering. Samen met Willi Boltini begint Lijffering zijn eigen circus Tosca, waarin Hans met zes pony’s de act ‘Hongaarse Post’ heeft. Vervolgens werkt Hans Martens vanaf 1961 in circussen in België en Zuid-Afrika. Hij ontwikkelt zijn eigen ‘vliegende trapeze act’. Als hij in 1967 terugkeert in Nederland vormt Martens zijn eigen trapezegroep ‘De Valkenburg Flyers’, waarmee hij dertien jaar lang in vele Europese circussen optreedt. Martens heeft de moeilijke taak van vanger – hij moet de mensen die van de rekstokken springen en driedubbele salto’s maken weer bij de armen vastpakken en ook weer teruggooien. Hij trouwt met een Spaanse danseres met wie hij één dochter krijgt. Later zou hij nog twee keer trouwen.
Eind jaren zeventig wordt Hans Martens te oud voor het trapezevak. Hij vindt emplooi als bedrijfsleider bij het Russische staatscircus en raakt bevriend met de grote Russische clown Oleg Popov. In 1980 begint hij met Willem Smitt een eigen circus onder de naam Circus Holiday. Hij koopt drie Afrikaanse olifanten, huurt zangeres Conny Vink in als spreekstalmeester en laat Ramses Shaffy een komische act verzorgen. Maar pas na de val van het communistische bewind kan hij zelf Popov vragen in zijn circus op te treden dat meteen wordt omgedoopt tot het Staatscircus van Moskou. Bij de première in 1991 in Amsterdam is prinses Juliana nog aanwezig. In 1988 scheiden de wegen van Smitt en Martens. Smitt begint zijn eigen Russische staatscircus dat vooral door Duitsland toert, Martens gaat verder met het Staatscircus van Moskou. Geldproblemen zijn nooit een beletsel. Antoinette Hendriks – een nicht van Hans Martens - noemt grenzeloze optimisme zijn grote kracht. ‘Soms konden mensen blind van woede bij hem binnenstappen. Maar als ze Hans dan zagen, smolten ze en wisten ze niet eens meer waarover ze zo boos waren.’
Hans Martens is naast zijn moeder Mimi Boltini begraven in Breda. Veel te vroeg. Volgens Antoinette Hendriks wilde hij eigenlijk nog jaren doorgaan. ‘In december was hij 65 jaar geworden. Maar het circus was zijn leven.’
Willem Cordia (1940-2011)
De Onassis van Rotterdam
Peter de Waard
Hij werd de Onassis van Rotterdam genoemd. Of Willem de Veroveraar. Met een vermogen van 330 miljoen euro stond Willem Cordia (70) op de 80ste plaats in de Quote 500. Art News rekende hem tot een van de grootste kunstverzamelaars in de wereld.
Willem Cordia – een van de laatste grote havenbaronnen in Nederland- is donderdag in de Zwitserse plaats Verbier onverwacht overleden als gevolg van een hartstilstand. ‘Hij was een man met een brede kennis en een grote maritieme statuur’, zo zegt Elly Groenendijk van HES Beheer, het bulkoverslagbedrijf dat hij in 1997 samen met de gebroeders Peterson redde.
Behalve bij HES Beheer, het offshore reparatiebedrijf Workships en het kraanbedrijf Huisman, was hij commissaris bij textielbedrijf Van Heeck Ten Cate en nog een zestal andere ondernemingen die in verschillende bedrijfstakken werkzaam waren. Hij had belangen in hotels, kuuroorden en olievelden. Hij was ook een bekend paardenfokker en jarenlang de grote man achter het CHIO in Rotterdam.
Cordia werd in Rotterdam geboren als de zoon van een Shell-ingenieur maar groeide op in Arnhem. In 1958 kwam hij als leerling-stuurman terecht bij de Holland Amerika Lijn. Tijdens de vele Atlantische oversteken behaalde hij zijn MO Wiskunde en raakte geboeid door het vervoer van goederen over de wereldzeeën. Hij besloot in 1967 twee studies te combineren – een aan de Hogere Zeevaartschool voor gezagvoeder en een aan de Economische Hogeschool in Rotterdam voor doctorandus economie. ‘Ze zaten tegenover elkaar, dus ik hoefde maar even over te steken.’ Nadat hij beide studies had voltooid, trad hij in dienst bij het cargadoors- en stuwadoorsbedrijf Furness. Hij trouwde snel daarna met Marijke Laan wiens vader een rederij had in zware ladingen. Hier werd hij meteen directeur. Dit gespecialiseerde bedrijf Dock Express nam een grote vlucht toen in de jaren zeventig complete olieraffinaderijen over de wereld werden verscheept. In 1983 verkocht de familie Laan het bedrijf voor veel geld aan rederij Van Ommeren. Cordia ging aan Harvard Businness School studeren maar richtte meteen een eigen familie-onderneming op. In 1986 trad hij voor het eerst uit de anonimiteit door te trachten zijn oude werkgever Furness (dat later zou worden overgenomen door Pakhoed) tot een ander beleid te dwingen.
Maar het liefst bleef hij op de achtergrond. Hij werkte in de tweede helft van de jaren tachtig vaak samen met andere investeerders – zoals Jan Onderdijk, Berry van den Brink, ex-directeur Peter de Ridder van het Centraal Planbureau en de nu omstreden Joep van den Nieuwenhuyzen – bij grote overnames in de Rotterdamse haven. Samen vormden ze de Groupe Courtier. Meestal nam hij een klein belang in bedrijven van wie de directie hem vertrouwen inboezemde (‘dat zie ik binnen een kwartier’), zoals ECT, bergingsbedrijf Wijsmuller. Maar niet alles was een succes. Zo verloor hij vele miljoenen bij de mislukte investering in TV10 eind jaren tachtig. ‘Waar Cordia is, is ook nieuws’, zo schreef Jort Kelder in Quote. De aandacht voor paarden kwam door zijn dochter die zo gek was op de televisieserie Black Beauty. Al snel had hij zijn eigen stal Juwelenhof waarvoor ondermeer Olympisch kampioen Piet Raymakers voor reed.
Daarnaast was Cordia een bekend schilderijenverzamelaar met als topstuk Stilleven met Korenbloemen van Vincent van Gogh Hij bleef echter ook als ondernemer actief. Twee jaar geleden stapte hij op bij Smit Internationale omdat hij het niet eens was met de overnamebod van Boskalis. Cordia woonde jarenlang in het Belgische Brasschaat, maar verhuisde later naar Zwitserland
(2-4-2011)
Ben Pauw (1943-2011)
Een bekwaam ristelaar
Peter de Waard
Vorige week vrijdag was hij nog op kantoor. ‘Kan jij dit even doen?’ ‘Vergeet je die klant niet?’ Ben Pauw was 67 jaar oud. Drie maanden eerder was bij hem een fatale vorm van alvleesklierkanker geconstateerd. ‘Maar van stoppen wilde hij niet weten. Hij werkte eigenlijk nog steeds zeven dagen per week’, zegt zijn collega Meindert Stolk van het bureau Pauw Sanders Zeilstra Van Spaendonck. Hoewel Pauw van zijn ziekte op de hoogte was, had hij zelf al zijn eigen 25-jarig jubileumfeest georganiseerd. Het jubileumboekje was al gereed. Afgelopen zondag overleed hij.
Pauw geldt als de godfather van de public affairs in Nederland, een mooi woord voor lobbyen. Hij begon in 1986 in de wandelgangen en borrelgelegenheden in en om het Binnenhof de zaken van bedrijven te bepleiten. Zijn eerste klant was Joep Brentjes van het toenmalige VNU, dat naast publiekstijdschriften als Libelle, Margriet en Revu ook kranten uitgaf. VNU had ambities. Zo wilde Brentjes een commercieel televisiekanaal beginnen. Ben Pauw moest de Haagse politici voor zich zien te winnen. ‘Hij was een eersteklas adviseur’, blikt Brentjens terug. Tot die tijd hadden politieke partijen vooral contacten met de maatschappelijke organisaties van de eigen zuil. Maar in de jaren tachtig was de ontzuiling voltooid en moesten bedrijven op een andere manier hun standpunten in Den Haag zien kenbaar te maken. Pauw was daar de ideale figuur voor: aimabel, oprecht geïnteresseerd, onvermoeibaar en bescheiden.
Pauw werd in Rijswijk geboren en studeerde rechten in Tilburg. Zijn eerste baan was die van adjunct-secretaris van het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW). Later werd hij hoofd interne en externe communicatie van de Sociaal-Economische Raad (SER). In 1986 begon hij zijn eigen bureau public affairs Pauw & Partners dat later zou opgaan in Van Spaendonck en uiteindelijk met Sanders & Zeilstra zou fuseren tot een bureau waar nu dertig mensen werken.
Pauw voldeed niet aan het beeld van de Hollywood-lobbyist, een man met een snelle auto die tijdens copieuze diners en drankorgiën vooral gebakken lucht probeert te verkopen. Hij nuttigde in perscentrum Nieuwspoort liever een broodje ham en reed daarna op een tweedehands Tomos-brommer met wapperende jas en sigaar naar zijn Haagse cliënten. Lobbyen was niet alleen mensen bewerken. Voor Pauw was het ‘ritselen’ een echt vak. Samen met hoogleraar politicologie Rinus van Schendelen schreef hij boeken over de kunst van het lobbyen. Lobbyisten waren geen boodschappenjongens, maar mensen die moesten analyseren, tegengas moesten geven en zeggen wat haalbaar was. ‘Hij was niet alleen een vakman. Hij was iemand die werd vertrouwd en ook kon worden vertrouwd’, zegt voormalig parlementair journalist Max de Bok. Daarom lukte het bijvoorbeeld de bouwlobby tijdens het kabinet Lubbers-Kok een verhoging van de huurwaardeforfait te voorkomen. Het lukte niet om de Hoge Snelheidslijn in Den Haag te laten stoppen; er kwam wel een aftakking naar het kopstation. Ook kreeg Pauw voor elkaar dat de kleine tabakshandelaren toch zwakalcoholische drank mochten verkopen toen minister Els Borst dat via een wijziging van de drank- en Horecawet probeerde te voorkomen.
Cliënten kwamen nooit bedrogen uit. Veel van hen werden zelfs zijn beste vrienden. Ze kwamen op zijn jaarlijkse Haagse nazomerborrel. Op de laatste, op 9 september vorig jaar, waren onder anderen Alexander Pechtold, Ed Nijpels, Ruud Lubbers, Hans Hillen en Marja van Bijsterveld aanwezig. Veel CDA’ers, want Ben Pauw wist het lidmaatschap van deze partij en zelfs zijn schrijvende werk voor partijblad CDActueel te combineren met zijn lobbywerk. De Bok: ‘Hij was enerzijds heel close met toenmalig premier Lubbers, maar stond anderzijds ook boven de partijen.’ Zijn contacten met Lubbers bleven heel nauw. De premier besloot op Pauws advies zelfs het hoogleraarschap in Tilburg in plaats van in Rotterdam te aanvaarden.
(31-3-2011)
Frans Moerland 1933-2011
De laatste molenaar
Peter de Waard
Hij was een van de laatste echte molenaar van Nederland. Op 1 maart overleed door een hartstilstand Frans Moerland (77), voor wie het malen op windkracht nog een broodwinning was. Volgens zijn broer Kees Molenaar (78) had hij de dag daarvoor de wieken van zijn molen in Halsteren nog laten draaien om tarwe, gerst, rogge en mais te malen.
‘Hij had zijn vaste klanten. Veel Marokkanen en Turken kochten bij hem 5 kilo meel voor 3,50 euro.’ Frans j was nog lang niet van plan op te houden. ‘Ik ga door zo lang het nog kan en dat is wat mij betreft heel lang’, vertelde hij in december nog aan een lokale krant. ‘Eigenlijk was hij helemaal gezond. Frans mankeerde nooit iets. En ineens hield het op’, aldus Kees.
De karakteristieke witte korenmolen ‘St. Antonius’ met groene deur is een baken in het landschap van West-Brabant. En dat was eigenlijk ook de witte krullenbos van de molenaar Frans Moerland. Hij was een bekend gezicht. Suus zoals zijn bijnaam luidde - naar Franciscus - was bijvorbeeld vaak op het voetbalveld van de zeer katholieke vereniging RKSV?Halsteren te vinden, hoewel hij zelf van protestantse huize was.
Hij was de derde generatie in de molenaarsdynastie. Zijn grootvader Anthony Moerland begon hier in 1909 koren te malen. Na zijn dood nam diens zoon Gerard Moerland de molen over. De jonge Frans was gefascineerd door het vak. Oudere Brabanders herinneren hoe hij samen met zijn vader Gerard langs de boerderijen kwam om veevoer te bezorgen. Ze deden dat toen nog met paard en wagen en dat alles in een tempo van die tijd: stapvoets.
In 1979 werd Frans de derde molenaar. Al gauw werd duidelijk dat de tijd van paard en wagen voorbij was en dat hij van het malen alleen niet langer zou kunnen leven. Daarom combineerde Frans het molenaarsbestaan met een veevoederbedrijf. De laatste jaren leverde hij vooral het voer aan de hobbyboeren en de talrijke maneges en fokkerijen rond Halsteren. Zijn klanten haalden bij hem het voer of hij bracht het zelf.
Maar hij bleef in de eerste plaats de plaatselijke molenaar, altijd met een meelpetje op zijn hoofd. ‘Het was meer dan een liefhebberij. Het was een hartstocht’, zegt Kees Moerland die zelf 43 jaar instructeur was op een flight simulator van de Koninklijke Luchtmacht.
Frans was de eeuwige vrijgezel en toen Kees zijn vrouw vrouw enkele jaren geleden overleed trok hij bij zijn broer naast de molen in. ‘Bij windkracht 3 of 4 liet Frans altijd de molen even draaien. Alleen liepen de kosten enorm uit de hand. Het onderhouden van een molen kost tegenwoordig tienduizenden euro’s per jaar. ’
In augustus 2002 brak bij het malen de binnenroede. Moerland maalde twee jaar lang met één binnenroede door. Daarna werd de molen stilgezet voor restauratie. Er kwam een stichting Vrienden van de St. Antonius tot stand die dankzij particuliere giften meehielp met de financiering. Mogelijk zal deze stichting de molen nu ook in eigendom overnemen. Kees Moerland heeft zelf geen verstand van het molenaarsvak. ‘ Frans probeerde jongeren te interesseren voor het werk, maar de meesten haakten al snel af. Maar er is een jonge knaap van 18 jaar. Die heet Raymond. En die zou er wel verder mee willen gaan. Mogelijk kan het een toeristische attractie worden.’
Frans is op 5 maart begraven. Op die dag stonden de molens in Brabant in de rouwstand. Honderden mensen uit heel Brabant waren op de uitvaart afgekomen. En iedereen wist dat met zijn uitvaart ook een oud vak ten grave werd gedragen.
(29-3-2011)
Bert Heemskerk (1943-2011)
Rabo’s missionaris in krijtstreep
Peter de Waard
Hij werd een bankier in habijt genoemd. Of een missionaris in krijtstreep. Bert Heemskerk leidde van 2002 tot 2009 de Rabobank. Dinsdag overleed hij na een kort ziekbed in zijn woonplaats Noordwijk. De huidige bestuursvoorzitter Piet Moerland zei gisteravond geschokt te zijn door het toch plotselinge overlijden van Heemskerk die het laatste decennium zijn stempel op de Rabobank heeft gedrukt, vooral tijdens de kredietcrisis.
Dankzij de coöperatieve structuur en een omzichtig beleid hoefde de Rabo niet zoals de concurrenten ING, SNS, ABN?Amro en Fortis bij de staat aan te kloppen voor steun. Ook had hij een broertje dood aan prestatiegerelateerde bonussen. ‘Ik heb 23 jaar bij de Amrobank gewerkt en 23 jaar zonder bonussen.’ Heemskerk groeide op in Noordwijkerhout in een katholiek gezin van acht kinderen. De plaatselijke pastoor predikte hel en verdoemenis, maar Heemskerk vond dat, zo zei hij in een interview met de Volkskrant, op een bepaalde manier wel machtig. Hij ging theologie en filosofie studeren. En hij studeerde af bij niemand minder dan Joseph?Ratzinger, de huidige paus. ‘Hij was een extreem inhoudelijke en zachtaardige man.’
Het offer van het celibaat weerhield hem uiteindelijk pastoor te worden. ‘Ik zag mijzelf toch niet in habijt lopen.’ Hij koos voor het krijtjestreep wat hij ook daadwerkelijk bijna altijd zou dragen. Heemskerk werd bankier. In 1969 begon hij zijn carrière bij de Amro Bank. Hij zou voor deze bank naar vele landen worden uitgezonden. In 1991 maakte hij de overstap naar de private bank Van Lanschot in Den Bosch. In 2002 zette hij de kroon op zijn carrière bij de Rabobank. Piet Moerland: ‘Hij ontdekte tot zijn eigen, niet geringe verbazing dat coöperatief bankieren echt bestaat. En dat klantwaarde geen slap aftreksel is van aandeelhouderswaarde.’
Heemskerk schuwde het niet om zich uit te spreken over grote maatschappelijke problemen zoals de voedselproblematiek en de opwarming van de aarde. In 2003 sprak hij zich duidelijk uit tegen de oorlog in Irak, waar ook de regering van Jan Peter Balkenende aan meedeed. Hij zei tijdens de kredietcrisis ook dat president Bush de verkeerde Amerikaanse banken redde. Moerland: ‘Bert geloofde in de maakbaarheid van de wereld en vond terecht dat ook een bancaire dienstverlener kan en moet bijdragen aan een leefbare wereld.’ Zo schreef hij een boek over duurzaam bankieren ‘Een gezonde krimp’, aldus Moerland. Hij bemoeide zich zelfs met de uitsluiting van de Rabo-renner Rasmussen in de Tour de France.
De financiële crisis brak in 2007 uit in het jaar dat Heemskerk met pensioen zou gaan. Vanwege de ernst van de crisis besloot hij nog twee jaar aan te blijven. Hij liet tijdens de crisis continu van zich horen. Hij legde de oorzaak bij de zelfverrijking van bankiers. Op de vraag of iedere bank het Rabomodel zou moeten hebben, zei hij in 2009: ‘Dat zou absoluut een borg voor een betere wereld zijn.’
(23-3-2011)
Hans Boskamp (1932-2011)
Van voetbalinternational tot vermaard acteur
Peter de Waard
Hij was een goede voetballer, maar dat was in het pré-televisietijdperk zodat hij daar nog niet bekend mee werd. Hans Boskamp, die dinsdag op 78-jarige leeftijd in zijn woonplaats Dordrecht aan een herseninfarct overleed, werd pas beroemd toen hij als acteur op de televisie kwam. Zijn rollen als Lange Pier in de serie Floris met Rutger Hauer en oom Titov in Ti Ta Tovenaar – een dagelijkse serie in het begin van de jaren zeventig – maakte van hem een bekende Nederlander. Hij zou in die tijd ook rollen spelen in de filmklassieker Turks Fruit – ook met Hauer – en televisieseries als Ja Zuster, Nee Zuster (met het lied Stroei Voei) en Sil de Strandjutter.
Of voetbalinternational, acteur en zanger niet genoeg waren voor een kleurrijk leven, beoefende Bosman ook enige tijd het beriep van kastelijn, hoekman op de beurs, spreekstalmeester in het circus, directeur van een platenmaatschappij en manager van artiesten. Hij was de man die de Lennon en Yoko Ono in 1969 begeleidde bij hun bed-inn voor de wereldvrede in het Amsterdamse Hilton Hotel. ‘Stilzitten is niets voor mij. Ja, af en toe een boek en een wijntje, maar in godsnaam geen geraniums voor m'n neus', zei hij ooit.
Hij werd in Rotterdam geboren als zoon van de joodse acteur Johan Hoelscher die als chansonnier, operazanger en acteur het pseudoniem Boskamp hanteerde. Zijn moeder was katholiek. Toen het gezin naar Amsterdam verhuisde nam ook Hans de naam Boskamp aan. Zijn vader wilde dat hij niet zou acteren, maar het bloed kroop waar het niet kon gaan. ‘Ik ben achter het toneel geboren, tussen de coulissen’, verklaarde hij. Hij was een intelligente jongen. Na het Barlaeus-gymnasium ging hij rechten studeren en ging werken bij een bank. In die tijd was hij ook gaan voetballen bij Ajax.
Als voetballer was hij een creatieve jongen – een schauspielerer noemde bondscoach Elek Schwartz hem nog. Hij begon als aanvaller maar Ajax-coach Jack Reynolds zette hem begin jaren vijftig linksback. Toen er een wilde profcompetitie ontstond ging Hans Boskamp spelen bij de profclub Amsterdam dat later opging in DWS. Tussen 1952 en 1954 speelde Boskamp vier keer voor het Nederlands elftal – twee keer tegen Zwitserland en twee keer tegen Denemarken. Hij beroemde zich er op dat hij daarnaast ook nog 47 keer reserve was. In 1960 werd zelfs ter gelegenheid van zijn 40ste reservebeurt een feestje georganiseerd. In werkelijkheid was hij maar zeven keer reserve. Boskamp kwam in 1957 in een wedstrijd tegen MVV zo hard in aanraking met een tegenstander dat zijn oogkas werd verbrijzeld en splinters tot enkele centimeters van zijn hersenen doordrongen. Drie maanden later speelde hij weer. ‘Hij was een redelijk goede back’, zo herinnert Volkskrant-sportjournalist Ronald ten Brink hem. ‘Arrogant. Met de borst naar voren.’
Als acteur en zanger brak hij door in de zestiger jaren. Zijn vader had een vervanger nodig voor Johan Kaart die in 1960 uit de het al tien jaar lopende toneelstuk Potasch en Perlemoer stapte. Hans kreeg een kans die hij meteen aanpakte. Andere rollen in musicals als Anatevka en Hair volgden. Hij genoot van zijn celebrity-status en was niet wars van gekke dingen. Zo nam hij met zijn oude voetbalmaatje Rinus Michiels een bekend duet uit de Parelvissers op. Hij bleef zijn hele leven een veelgevraagd musical- en televisie-acteur. Zo speelde hij in de laatste dertig jaar in series als Dossier Verhulst, Oppassen!, Baantjer, het Zonnetje in Huis en Toen was geluk heel gewoon. Ook gaf hij voorstellingen met Jiddische liederen en trad hij op in de musical My Fair Lady. In 2006 speelde hij zijn laatste rol in een Sinterklaasaflevering. Hans Boskamp werd in mei 2008 ziek nadat hij streptokokkenbacterie had opgelopen. Hij bleek uitgedroogd en zijn nieren functioneerden niet goed meer.
(23-3-2011)
Klaas de Jong Ozn (1926-2011)
Leraar, schrijver, staatssecretaris en redder van het Friesch Dagblad
Peter de Waard
‘Een stamboek gereformeerde intellectueel’, zo noemt zijn zoon romancier Oek de Jong (58) – ondermeer Opzwaaiende Zomerjurken - zijn vader Klaas de Jong Obzn die op 28 februari in Sneek overleed. Hij was een enorm veelzijdig persoon: leraar, rector, musicus, columnist, dichter, prozaschrijver en staatssecretaris van Onderwijs in twee kabinetten – die van Den Uyl en Van Agt.
Hij kwam uit ‘de emancipatiebeweging van de kleine luyden’ – een echt ARP-nest in Drachten. Hier had zijn vader voor de oorlog een meubelzaak met wat toen nog heette tien gezellen. Na veel omzwervingen kwam hij weer terug in Friesland om uiteindelijk te worden begraven in de Friese klei. ‘Hij was wat je noemde een Een Fries om utens – een Fries buiten Friesland. Zelfs toen we in Goes woonden, waar mijn vader rector was van het Lyceum, kwam de Dokkumer Courant bij ons thuis.’
Klaas de Jong verkeerde in de jaren zeventig binnen de ARP op de progressieve vleugel van Aantjes en Boersma. ‘De ARP was altijd een partij die goed kon regeren met de PvdA. Mijn vader kon heel goed opschieten met toenmalig minister van Onderwijs Jos van Kemenade. Ze hebben samen heel nauw samengewerkt bij de plannen voor de Middenschool.’ De christelijke en Friese achtergrond verklaart ook zijn enorme inzet voor het Friesch Dagblad – eigenlijk de nog enige overgebleven verzuilde regionale krant. ‘Zonder Klaas de Jong had het Friesch Dagblad niet meer bestaan’, zei de hoofdredacteur Lútsen Kooistra op de uitvaartdienst.
Zijn moeder was een onderwijzeres. Klaas was de oudste in een gezin van vijf kinderen. Hij studeerde Nederlands en geschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. In 1953 werd hij leraar in Dokkum, van 1960 tot 1972 was hij rector in Goes – waar zijn zoon Oek les van hem kreeg - en van 1972-1975 rector van het Farel College in Amersfoort. Hij was een gedreven leraar met een eigen visie op het onderwijs. Hij had toen al veel bestuursfuncties, waardoor hij in 1975 werd gevraagd voor de post van staatssecretaris van Onderwijs in het kabinet-Den Uyl. Vanaf 1978 zette hij die functie voort in het kabinet-Van Agt/Wiegel voor het CDA. ‘Het klikte beter met Van Kemenade dan met Pais die in dat laatste kabinet minister van Onderwijs was. Maar ook in die periode heeft hij veel kunnen betekenen – met name voor de scholenbouw’, aldus Oek de Jong. In zijn laatste jaar als staatssecretaris verdedigde hij met succes een wetsvoorstel in de Tweede Kamer dat het verschil tussen gymnasium alfa en bèta en atheneum alfa en bèta zou opheffen
Zijn vader was van 1982 tot 1991 voorzitter van de Unie School en Evangelie. In die functie reisde hij veel naar Indonesië en Afrika. Hij ging steeds meer schrijven. Zijn enorme kennis van de parlementaire geschiedenis gebruikte hij voor columns voor de Haagsche Courant. Verder schreef hij onder andere dichtbundels zoals Even ritselt het papier (1989) en Cantus firmus (1991), alsmede de novellenbundel Kiezen. Hij ging kerkmuziek componeren en werd voorzitter van de Gereformeerde Organisten-Vereniging. Hij werkte mee aan het Liedboek voor de Kerken en als cantor-organist.
In de jaren tachtig was hij ook lid van de redactiecommissie van het Friesch Dagblad worden. Tien jaar later leek de krant ten dode opgeschreven, Samen met dominee. Ype Schaaf en professor. Klaas Runia wist De Jong een klimaat te scheppen waarin de krant uiteindelijk de problemen te boven kon komen.Zijn levenswerk werd de tweedelige geschiedschrijving over het Friesch Dagblad onder de titel Zij zullen het niet hebben. Op zijn overlijdensdag verscheen nog een column van zijn hand waarin De Jong zijn grote zorgen uitte over de landelijke politiek en over het CDA in het bijzonder.
(22-3-2011)
Paul van Hilten (1947-2011)
De stem van de Albert Cuyp
Peter de Waard
Het was een schok op de Albert Cuyp: op 10 maart is groenteman Paul van Hilten overleden. Hij was een van de bekendste gezichten van wat de grootste dagmarkt van Europa heet te zijn.
Paul van Hilten stond sinds mensenheugenis in de groentestal. Hij kwam er al als kind, met zijn opa. Dat moet meer dan vijftig jaar geleden zijn geweest. Zijn welluidende stem was in Amsterdam even bekend als die van Philip Bloemendal die ooit de metrostations omriep. Van Hilten kwam om het leven door een verkeersongeluk, nadat hij achter het stuur een hartaanval had gekregen. Niemand kon het zich voorstellen. Hij was pas 63 en leek onsterfelijk. ‘Als marktkoopman had hij geen vijanden. Hij had alleen maar vrienden’, zo wordt gezegd in koffiehuis De Markt.
Zijn groentestalletje op de Albert Cuyp is er nog. Er brandt een kaarsje, er is een condoleanceboek, er hangt een foto van hem en overal liggen bloemen en bloemstukken. Vandaag wordt hij begraven op de Nieuwe Ooster. Klanten noemen hem een magiër. ‘Hij kon zo voordelig zijn, omdat zijn komkommers niet altijd even recht waren. Als je ’s ochtends kwam, kon hij achteloos minderwaardige paprika’s terzijde gooien, tot hij die ene perfecte voor jou had gevonden. Je zou zeggen dat hij aan het eind van de dag alleen maar rotzooi overhield, maar dit kunstje herhaalde hij moeiteloos om half 5 als iedereen al weg was en hij nog handel dreef’, schrijft een klant op het internet.
Een andere noemt hem de ‘alleraardigste, allereerlijkste en allerwijste marktkoopman’. ‘De Cuyp zal nooit meer zijn zoals het was.’ Een van zijn klanten is wetenschapscolumniste professor Marita Mathijsen: ‘De marktlieden en bezoekers zijn geschokt, want Paul was de aardigst denkbare groenteman en tevens vakman die zich niet inliet met allerlei liflafgroenten. Bij hem kon je terecht voor een halve selderijknol, hij verpakte erwtensoepgroenten in een krant en verkocht uiteraard zuurkool uit het vat.’ Van Hilten was een vernieuwer. Zo ontdekte hij dat Surinaamse en andere allochtone klanten de groente wilden aanraken voordat ze het kochten. Dat was niet mogelijk. ‘Je bestelde je sperziebonen en de groenteman deed ze in een papieren zak. Paul stalde zijn waar zo uit dat ook de nieuwe Nederlanders klant werden’, zegt een voorbijganger. Mathijsen: ‘Het vreemde is, dat Van Hilten alleen groente verkocht voor de Hollandse pot. Zijn nieuwste groente was misschien nog de broccoli.’
(17-3-2011)
Jan Verwer (1946-2011)
Wiskunde als hoogste vorm van denken
Peter de Waard
‘Een dag zonder fouten is een dag zonder wiskunde’, is de titel van de oratie die Jan Verwer in 2001 uitsprak bij het aanvaarden van het ambt van hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Verwer was een vooraanstaand onderzoeker in de numerieke wiskunde. In januari ging hij met emeritaat en werd hij geridderd in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Nog geen maand later, op 16 februari, overleed hij in zijn woonplaats Heiloo aan een hartstilstand.
Jan Verwer groeide op in een tuindersgezin van elf kinderen in Heerhugowaard-Noord. Net als zijn broers werd van hem verwacht dat hij met zijn handen zou gaan werken. Zijn ouders stuurden hem daarom naar de ambachtsschool. Verwer vond er het zijne van en weigerde na drie weken impelweg nog naar deze school te gaan.
Hij volgde mulo-A en -B, waar een enthousiaste docent zijn interesse voor wiskunde wekte. Jan Verwer werd toegelaten tot de hbs en bewees later zijn oudere broer – die samen met hun vader het landbouwbedrijf bestierde – een broederdienst door in zijn plaats de militaire dienstplicht te vervullen. Dit bood hem de gelegenheid in de avonduren een LOI-cursus wiskunde te volgen, waarna hij werd toegelaten tot de Universiteit van Amsterdam. Na zijn afstuderen werd hij in 1973 aangenomen bij het CWI, het Centrum Wiskunde & Informatica in Amsterdam, waar hij in 1977 promoveerde.
Hij ontwikkelde zich bij het CWI tot een gerenommeerd onderzoeker.Hij stortte zich op de numerieke wiskunde, een relatief jong vak waarmee door middel van algoritmen problemen in de natuurkunde en techniek worden opgelost. Hij schreef er twee standaardwerken over en publiceerde vele artikelen, begeleidde jonge onderzoekers en vervulde wetenschappelijke en bestuurlijke functies.
‘Het is tegenwoordig uniek dat iemand hier 37 jaar werkt’, aldus zijn CWI-collega Willem Hundsdorfer.
In de numerieke wiskunde deed Jan pionierswerk in wat Hundsdorfer ‘de ontwikkeling van impliciete en expliciete methoden’ noemt. ‘Als je bijvoorbeeld ‘x + 3/x =1’ zegt, werk je met één onbekende. In de numerieke wiskunde werkt men met computermodellen waar er wel tien miljoen of honderd miljoen onbekenden zijn.’ Die modellen zijn bedoeld als wiskundige benaderingen van de werkelijkheid, maar de keerzijde van benaderingen is dat ze per definitie niet exact zijn, aldus Hundsdorfer. ‘Daarom is een dag zonder fouten een dag zonder wiskunde.’
Verwer was internationaal vermaard om zijn wiskundige algoritmen voor computermodellen. Zijn rekenmethoden worden gebruikt in tal van toepassingen, zoals de weersvoorspelling op de langere termijn of het bepalen van de optimale vorm van vliegtuigvleugels voor vermindering van het brandstofgebruik. Dankzij zijn inspanningen is het nu mogelijk betrouwbare weersvoorspellingen over een periode van zes in plaats van drie dagen te doen. In 2004 werd het door hem geleide CWI-onderzoekscluster Modelling, Analysis and Simulation met het hoogst mogelijke cijfer beoordeeld. Ook leidde hij het miljoenenproject Bricks met succes en was hij jarenlang voorzitter van de landelijke WerkgemeenschapScientific Computing.
Jan trouwde in 1971 met Tineke Kraakman, de liefde van zijn leven. Samen kregen zij drie kinderen en in november werd hun eerste kleinkind geboren. Volgens zijn gezin wordt Jan tekortgedaan door wiskunde zijn werk te noemen. Het was zijn vak, passie en kunst. ‘Als er een schijnbaar onoplosbaar probleem was, dan bleef dat door zijn hoofd spelen. Hij moest het snappen’, zegt Tineke. ‘Hij noemde wiskunde niet voor niets de hoogste vorm van denken.’
(15-3-2011)
Toon Ebben (1930-2011)
Boegbeeld van de Nederlandse springsport
Peter de Waard
Hij was de eerste nationaal bekende springruiter na viervoudig gouden medaillewinnaar Charles Pahud de Mortanges.Toon Ebben was in de jaren zestig en zeventig het boegbeeld van de Nederlandse springsport. Zijn relativeringsvermogen, zijn sigaartje, zijn borreltje, zijn tweed jasje, zijn pet en zijn verantwoordelijkheidsbesef – hij ging vanwege de verzorging van zijn paarden nooit op vakantie – kenmerkten hem.
Anton (Toon) Ebben overleed op 4 februari op 80-jarige leeftijd na een langdurig ziekbed in zorghotel Jagtlust te ’s-Graveland. Ebben werd in 1930 geboren. Zijn vader was als pikeur werkzaam in de rijschool van de heren Van Loon in Tilburg. De jonge Toon (hij had nog één broer) wilde circusacrobaat worden, maar dat vond zijn vader te riskant. Hij besloot daarop ook in de stallen van Van Loon te gaan werken. Als jongeman ging hij in 1952 als groom met Max en Ernest van Loon mee naar de Olympische Spelen in Helsinki. In 1957 ging Toon Ebben van start in het Belgische Le Zoute in de eerste van de ruim zestig landenwedstrijden die hij voor Nederland zou rijden. In 1963 werd hij voor het eerst in Hoofddorp Nederlands kampioen.
Hij won ook de Nederlandse titel in 1970 in Arnhem met Abadan.Maar zijn sterkste troef was het paard Kairouan, in bezit van de Scheveningse vastgoedkoning Reinder Zwolsman, waarmee hij een koningskoppel vormde. Zij werden in 1966 vijfde bij het EK inLuzern en derde bij de Grote Prijs van Aken. Daarnaast hadden zij een groot aandeel in de tweede plaats die de Nederlandse equipe dat jaar wist te veroveren op het Rotterdamse CHIO.
Op grond van deze prestaties kwalificeerde Toon Ebben zich voor de wereldkampioenschappen in Buenos Aires. De reis werd een tiendaagse helletocht met treinen, vliegtuigen en auto’s over drie continenten. Niettemin werden Ebben en Kairouan in de eerste wedstrijd derde. In de derde en beslissende wedstrijd tikte Kairouan in de eerste manche vier balken uit de lepels en daar kwamen in de tweede ronde nog eens twee springfouten bij. Ebben haalde de finale niet.
Zijn carrière kwam in de jaren zeventig opnieuw in een stroomversnelling toen hij de van Millerole afstammende ruin Jumbo Design (in bezit van Jan des Bouvrie) mocht gaan berijden. Met dit paard nam Ebben deel aan de Olympische Spelen van 1976 in Canada.Met 7 jaar was Jumbo Design toen nog net iets te jong voor het grote werk, maar een jaar later won Ebben samen met Johan Heins, Henk Nooren en Harrie Wouters van den Oudenweijer goud op de Europese Kampioenschappen in Wenen. Op datzelfde kampioenschap won Ebben individueel brons. Dit Nederlandse ruiterteam werd Sportploeg van het Jaar en is daarmee de enige ruiterequipe die deze prijs ooit wist te winnen. In 1978 werd Toon Ebben Ridder in de Orde van Oranje Nassau. In dat jaar werd hij ook Nederlands Kampioen met Jumbo Design, zijn laatste grote succes. Na zijn carrière heeft hij voornamelijk leiding en advies gegeven aan de Stal de Limiten in het Gooi. Ebben was jarenlang getrouwd met Olga Verrijn Stuart, ook een bekende springruiter. Zij overleed tien jaar geleden. Het echtpaar had geen kinderen.
De laatste dertig jaar woonde Ebben in Naarden Vesting, waar hij een bekende persoonlijkheid bleef. Hij gaf zijn naam aan de Anton Ebben Award voor de succesvolste Nederlandse springruiter tijdens Jumping Amsterdam. Voor de rest verzorgde hij de paardrijlessen voor de koninklijke familie. Koningin Beatrix schreef hem nog een brief toen hij ziek werd.
(8-3-2011)
Han Peijnenburg (1924-2011)
De man die met ontbijtkoek heel Nederland veroverde
Peter de Waard
In Lech kwam hij in de sneeuw koningin Juliana tegen en hielp haar galant met oversteken. Ze bedankte hem en vroeg ‘U bent zeker verkenner geweest’. ‘Nee’, zei hij, ‘Ik ben Ridder in de Orde van Oranje Nassau, om u te dienen.’
an Peijnenburg overleed op 4 februari op 86-jarige leeftijd. ‘Mijnheer Han’ was in de woorden van zijn zoon Stephan de ouderwetse patriarch. De ontbijtkoekfabrikant uit het Brabantse Geldrop stond midden in de gemeenschap. Bij het wel en wee van zijn 150 werknemers was hij ten zeerste betrokken, net als dat van de hele plaats. Het was niet altijd een gemakkelijk heerschap. Hij was temperamentvol en kon zijn ongelijk maar moeilijk bekennen. Hij was de laatste Peijnenburg voor wie de koekfabriek nog een echt familiebedrijf is geweest dat hij helemaal zelf had uitgebouwd – ondermeer door de overnames van Klinkhamer in Groningen van de Groninger Koek en Wieger Ketellaper in Friesland van de Snelle Jelle.
Peijnenburg werd in 1883 in Geldrop door zijn grootvader Harry Peijnenburg opgericht als een van de vele bakkerijwinkels in de gemeente. De familie maakte brood, beschuit en ook koek.
In 1915 nam de tweede generatie het bedrijf over. Om twee zonen een bedrijf te kunnen geven werd Peijnenburg opgesplitst. De ene zoon kreeg de bakkerijwinkel en de andere zoon – Johan – de koekafdeling. Die specialiseerde zich in de industriële productie van de beroemde ontbijtkoek – naturel, met gember en rozijnen. In de loop van de jaren nam het assortiment enorm toe. Er werd speculaas, taai-taai, talloze koeksoorten en zelfs chocolade als bonbons geproduceerd. ‘Mijn grootvader had tien kinderen. Die wilde dat er ook voor ieder een bedrijfje zou overblijven’, vertelt Stephan Peijnenburg.
Uiteindelijk zouden twee zonen verder gaan met bedrijf: Henk en Han. De laatste werd in 1952 directeur van wat toen al een Naamloze Vennootschap was geworden. Han Peijnenburg ontwikkelde Peijnenburg van een regionale tot een nationale fabrikant. In 1967 moest in de eerste STER spot voor Peijnenburg gemaakt worden. Han Peijnenburg wilde graag de beroemde acteur Ko van Dijk, maar die had geen zin in om in een reclamespot op te treden. Hij besloot toen hem een speciaal geselecteerd pakket koeken te bezorgen. Ko van Dijk vond ze zo lekker dat hij alsnog zijn medewerking verleende. Toen Han Peijnenburg begon waren er in Nederland vijftig ontbijtkoekfabrikanten. Toen hij dertig jaar later stopte niet meer dan een handvol, waarbij Peijnenburg zelf 60 procent van de markt in handen had.
In 1988 stopte hij ermee en ging zijn zoon Stephan als laatste familielid nog 12 jaar door. In 2000 verkocht zijn familie het bedrijf aan het management en het risicokapitaalfonds Gilde Ventures dat het uiteindelijk weer doorverkocht aan het Belgische Lotus Bakeries.
‘Hij vond het moeilijk te begrijpen dat ik de mooiste baan in het mooiste bedrijf ter wereld opgaf en dat er geen Peijnenburg meer aan het roer stond, maar hij heeft dat uiteindelijk wel kunnen begrijpen’, zegt Stephan die daarna directeur van Max Havelaar zou worden.
Han Peijnenburg was jarenlang lid van het kerkbestuur in Geldrop. Ook was hij baldakijndrager bij de bedevaarten naar Handel. Hij zou na zijn pensioen veel reizen, ondermeer naar zijn favoriete Zuid-Frankrijk. Zijn hobby’s waren kunst en bloemen.
Nel Lievegoed-Schatborn (1909-2011)
De werkster achter de Lievegoeds heilpedagogie
Peter de Waard
Zogenoemde geneeskrachtige kruiden worden niet onherkenbaar verdund. En het wordt uitsluitend gebruikt in combinatie met reguliere gezondheidszorg.
Antroposofische heilpedagogie is minder omstreden dan homeopathie. Maar niet onomstreden. Er zijn critici die ook dit als kwakzalverij omschrijven. Maar er zijn hoogleraren en artsen die wel degelijk overtuigd zijn dat naast het lichaam er ook zoiets moet bestaan als een ziel of geest.
Op 4 februari overleed Nel Lievegoed-Schatborn. Ze was met een gezegende leeftijd van 101 en een half jaar tenminste een levend bewijs voor het succes van heilpedagogie. Meer dan zestig jaar was ze arts en directrice van Zonnehuizen Veldheim-Stenia in Zeist, waar antroposofische geneeskunde wordt toegepast op verstandelijk gehandicapte kinderen.
Ze was de weduwe van de in 1992 overleden onderwijsvernieuwer en schrijver Bernhard Lievegoed, de bekendste Nederlandse volgeling van Rudolf Steiner, de grondlegger van de antroposofie. Samen had het stel zes kinderen. Bij haar overlijden had Nel Lievegoed niet minder dan vijftien achterkleinkinderen.
Bernard Lievegoed begon al in 1931 op eigen kosten met een tehuis voor kinderen met een verstandelijke beperking, dat aanvankelijk in Bosch & Duin was gevestigd, maar later naar Zeist verhuisde.
Nel Schatborn werd in 1909 geboren aan de Bergweg in Rotterdam. Haar vader was een bekende directeur van een groothandelsbedrijf, die door een ongeluk overleed toen Nel nog maar 11 jaar was. Enkele jaren later kwam ze in aanraking met de leer van Steiner. Ze studeerde medicijnen in Leiden van 1926 tot 1934 en wilde zich eigenlijk vestigen als antroposofisch huisarts in Rotterdam, maar Lievegoed vroeg haar of ze niet in het drie jaar eerder opgerichte Zonnehuis wilde werken, omdat de toenmalig arts was vertrokken.
Schatborn zei ja. Meteen werd Nederland getroffen door een mazelenepidemie, zodat Lievegoed haar inzet goed kon gebruiken. Ze werden ook verliefd en trouwden een jaar later. Drie jaar woonden ze zelf in het tehuis, totdat ze in 1937 een nieuwe woning lieten bouwen aan de Prof. Sproncklaan.
In 1954 richtte Lievegoed het NPI (Nederlands Pedagogisch Instituut voor het Bedrijfsleven op), een van de meest vermaarde instellingen van de wederopbouw. Hij vroeg Nel: ‘Hoe zou jet het vinden als ik in de toekomst drie dagen per week van huis ben?’ Zij antwoordde: ‘Jij bent nu al drie dagen per week weg.’
Hierna richtte hij zich volledig op organisatieadviezen, educatie (hij werd hoogleraar aan de Erasmus Universiteit en mede-oprichter van de Universiteit Twente), de schrijverij (hij won zelfs een Gouden Ganzenveer) en uiteindelijk op de politiek (hij was een blauwe maandag lid van DS’70).
Het werk in het tehuis kwam volledig op de schouders van zijn vrouw terecht, die vanaf 1954 als directeur een managementteam van vijf mensen leidde. Zij deed zelf de toelating van de kinderen en blonk uit door haar fenomenale geheugen. Zo kende ze in die tijd elk jaar alle 270 kinderen bij naam. In 1976 ging ze gedwongen met pensioen, maar ze bleef nog tot haar 82ste jaar innig verbonden met het huis. Iedere morgen stond ze bij het ‘ochtendlied’ tussen wat ze zag als haar kinderen.
(21-2-2011)
Rinus Budding (1949-2011)
De laatste orgelman die nog echt naar de wijk kwam
Hij was een van de laatsten in een beroep dat bij de dorpssmid en scharensliep kan worden gezet: de voortrekkende orgelman.
Rinus Budding, die 20 januari op 61-jarige leeftijd is overleden, bleef tot zijn dood de echte orgelman. Hij trok langs de huizen in de Overvecht van Utrecht. Hij liet zijn draaiorgelmuziek horen, wars van moderniteiten. ‘Geen Jan Smit en K3 maar gewoon serenades, walsjes en marsen’, zegt zijn broer Joop Budding die zelf meestal zijn orgel neerzet bij de roltrappen van Hoog Catherijne zodat niemand aan zijn bakkie kan ontsnappen.
Joop (nu 44 jaar) was de jongste in een gezin van tien kinderen, Rinus de op een na oudste. Ze groeiden op in de Oranjestraat in wijk C, het centrum van Utrecht. Hier was vader Evert na de oorlog orgelman geworden, dankzij zijn vrouw Annie de Bruin die een draaiorgel had ingebracht als een soort van bruidsschat. De kinderen werden al op jonge leeftijd van school gehaald en moesten mee met vader om langs de deuren van de huizen te trekken en de kost voor het gezin te winnen.
In de jaren zestig kon Rinus zijn eigen draaiorgel huren. In Utrecht waren er al zes orgelmannen, zodat hij moest uitwijken naar omliggende gemeenten als Zeist en Driebergen. Uiteindelijk kon hij toch een plekje krijgen in Utrecht zelf.
Het gehuurde draaiorgel stond op een driewieler. ‘Er waren twee mannen nodig om het voort te duwen, een man was nodig om het orgel met de hand te bedienen en twee mannen om bij de huizen aan te bellen met het centenbakje’, herinnert Joop Budding zich. De kinderen moesten daardoor helpen. In principe moest een orgel echter met twee man kunnen worden bediend: een draaier en een manser. Laatstgenoemde liep met het mansbakje te mansen, geld op te halen op een vrij onontkoombare wijze, en verwisselde ook de orgelboeken. Draaier en manser wisselden elkaar af, want draaien met de hand is zwaar werk.
Rinus werd een markant figuur in de Utrechtse binnenstad. Hij had talrijke bijnamen: Bulkie, Rien of Bruintje – naar de achternaam van zijn moeder. Hij zou nooit trouwen, maar wel twee kinderen verwekken. Als hij niet met zijn orgel liep, dronk hij koffie in Hoog Catherijne. Uiteindelijk kocht hij ook zijn eigen draaiorgeltje, De Beauty genaamd. In de jaren negentig werd die door een pony voortgetrokken. Kinderen mochten vaak mee op de bok. Hij trok door de wijken Oog in Al en Wittevrouwen of hij stond met zijn draaiorgel bij het winkelcentrum Overvecht.
Rinus besefte dat niet iedereen zijn muziek op prijs stelde. Het liefst belde hij aan bij de bekende adressen en later bleef hij gewoon op straat met zijn koperen bakkie rammelen.
Uiteindelijk werd op de driewieler een jlo 2-takt motor gezet, waar ook de melkboer vroeger de wijken mee rond ging, waardoor hij van zijn bedrijf een eenmanszaak maken die nog enigszins rendabel bleef. Deze eeuw bleven Rinus en Joop over als de laatste professionele orgelmannen van Utrecht. Joop Budding denkt dat er in het hele land misschien niet meer dan tien zijn die beroepshalve een draaiorgel exploiteren naast de talrijke hobbyisten die als bijverdienste nog zaterdag in winkelcentra staan of een draaiorgel voor feesten en partijen verhuren.
Als gevolg van een longemfyseem was Rinus Budding de laatste jaren kortademig geworden. Hij werkte niettemin nog altijd vier dagen per week: op dinsdag, donderdag, vrijdag en zaterdag. Vorig jaar werd een tumor in zijn buik ontdekt. Die werd hem uiteindelijk fataal. Joop Budding heeft beloofd de Beauty te adopteren en die goed te zullen conserveren.
(14-2-1011)
Jaap van Proosdij (1921-2011)
Hij was de Nederlandse Oskar Schindler
Peter de Waard
Hij zou de Nederlandse Oskar Schindler kunnen worden genoemd. Maar over de advocaat Jaap van Proosdij is geen speelfilm gemaakt, hoewel hij net als Schindler tijdens de bezetting met list en bedrog zeshonderd joden van een zekere dood in een vernietigingskamp redde. Hij wist als advocaat met valse stempels, valse papieren, valse attesten en valse getuigenissen onzekerheid te creëren over hun daadwerkelijke afstamming waardoor zij aan deportatie naar Polen ontkwamen. Daarbij sjoemelde hij zelfs op het Binnenhof met documenten. ‘Bloedlink werk’, aldus Joggli Meihuizen die een boek schreef over de advocatuur in oorlogstijd.
Van Proosdij die in 1997 de Yad Yashem (‘Rechtvaardige onder de Volkeren’)-onderscheiding kreeg, is op 22 januari op 89-jarige leeftijd in Zuid-Afrika overleden. Vijf maanden eerder brak hij zijn been, waarna zijn gezondheid snel verslechterde. Hij is in Zuid-Afrika gecremeerd.
Jaap van Proosdij werd in 1921 geboren als de zoon van de Amsterdamse advocaat en procureur A.G. van Proosdij, die zijn praktijk had aan de Nassaukade. Hij groeide met nog twee broers – zij zouden allebei arts worden – en twee zussen op in een gereformeerd nest.
Dat hij rechten ging studeren aan de Vrije Universiteit Amsterdam was ook niet meer dan logisch. Als 21-jarige advocaat trad hij in 1942 in dienst bij het kantoor Van Krimpen & Kotting. Samen met mr. Nino Kotting ging hij zich inzetten om joden te ‘ariseren’ oftewel te ‘ontjoodsen’.
Ze vervalsten stambomen en attesten met bloedonderzoeken waardoor joden konden aantonen dat ze bijvoorbeeld kinderen waren van een slippertje van een ariër. Hoewel veel joden het emotioneel moeilijk vonden hun afkomst op deze wijze te verloochenen, wist hij ze te overtuigen dat het de enige manier was om ze te redden.
Hun zaken werden voorgelegd aan de Duitse advocaat Hans Calmeyer, die verantwoordelijk was voor jodenkwesties en kantoor hield op het Binnenhof. ?Van Proosdij slaagde er daar in papieren in dossiers om te wisselen of zelfs zoek te maken. Over de rol van Calmeyer zelf is altijd discussie geweest, maar het staat vast dat hierdoor in totaal zes- à zevenduizend Nederlandse joden de Holocaust hebben overleefd. Kotting en Van Proosdij namen er zeshonderd voor hun rekening. Van Proosdij heeft persoonlijk joden uit Westerbork opgehaald. Elsa Jessurun d’Oliveira, die was opgepakt door landwachters van de NSB, werd via een telefoontje vrijgelaten. Op een vraag of zij echt mocht worden vrijgelaten, blufte hij: ‘Das stimmt’.
In 1951 emigreerde Van Proosdij naar Zuid-Afrika. Hij wilde de oorlog achter zich laten en zijn vrouw Rosien Middelberg wilde dichtbij haar ouders in Zuid-Afrika gaan wonen. Nadat zijn eerste vrouw jong overleed, hertrouwde hij met de kunsthistorica Frieda Harmsen. Zij beschrijft hem als een onconventioneel mens, vol humor en iemand die zich als een terriër kon vastbijten als er sprake was van onrechtvaardigheid.
Van Proosdij zou veel blanke en zwarte Zuid-Afrikaanse kunst verzamelen. Daarnaast was hij enorm sportief en hield hij van de natuur – hobby’s die hij mooi kon combineren in lange bergtochten. Spielberg zou geen film over hem maken, maar hij zou wel geïnterviewd worden in het kader van diens Holocaust-project.
Gerben de Boer (1960-2011)
Een reus in de wereld van blinden en slechtzienden
Peter de Waard
Hij kon de omgeving niet zien, maar hield van het gekwetter van de meeuwen en het ruisen van de zee. Wadlopen was een van de passies van de blind geboren Gerben de Boer. Een andere was schaatsen op de ijsbaan van Alkmaar. Hij schaatste met vrienden. En ook een keer met Carl Verheijen en Henk Gemser.
Gerben de Boer is op 11 januari aan de gevolgen van darmkanker overleden. Liefst driehonderd vrienden en een tiental honden waren vijf dagen later op de uitvaartdienst in het protestantse kerkje van het Noord-Hollandse Uitgeest afgekomen. De blindengeleidehonden, waarvoor waterbakken achter in de kerk stonden, hielden zich muisstil – alsof ook zij het plechtige van het moment beseften.
De grote belangstelling kwam niet onverwacht. Gerben de Boer is een markant figuur in de wereld van blinden en slechtzienden geweest. Groot, bonkig en koppig. Een echte Fries. En nu is hij geveld. Pas 50 jaar oud. Zestig mensen wilden spreken, maar slechts elf zouden een woordje kunnen doen.
De darmkanker is in de vroege zomer ontdekt, en bleek al zo ver te zijn uitgezaaid dat chemotherapie slechts een verlenging van zijn lijden had betekend. Dat wilde hij niet, ook omdat De Boer het risico had gelopen het gevoel in zijn vingers kwijt te raken. Hij zou als blinde dan niet meer kunnen communiceren en dat was het laatste wat hij wilde.
Gerben de Boer wordt geboren op een boerderij in het Friese dorpje Wijtgaard, maar moet in het verre Bussum naar school om braille te leren. Hij is intelligent en gaat na de middelbare school bestuurskunde studeren in Groningen. Ondanks zijn handicap stort hij zich volop in het studentenleven. Hij discussieert, debatteert, sport en zijn koelkast is altijd gevuld met bier.
Na zijn studie wordt hij actief in de organisaties voor blinden en slechtzienden. Hij richt onder meer de Stichting Fietsbuddies op. Bij een sportopleiding geeft hij gastlessen over omgaan met een handicap. Hij is redacteur van Zienswijs en Mensenleven – tijdschriften voor blinden en slechtzienden – en vaste columnist van de website De gekleurde bril. ‘Ik ben groot en lomp en direct in mijn gedrag’ zo introduceert hij zich in zijn eerste column. In 1998 gaat hij in Uitgeest samenwonen met de eveneens blind geboren Gerda Schuddeboom.
Nadat hij zonder werk is komen zitten, helpt zijn vriend Peter Dooijeweerd, directeur van de ROC ASA in Utrecht, hem aan een baantje. ‘Gerben wilde altijd spijkers met koppen slaan. Als je een telefoongesprek met hem had, rondde hij dat niet af. Hij legde meteen de hoorn op de haak.’ Sjoerd Bunnik hoofdredacteur van Zienswijs, zegt dat de wereld van blinden en slechtzienden in Nederland een reus heeft verloren.’ Gerben werkt mee aan een expositie waar niets te zien valt. In een kerkje in Velsen-Noord zijn alledaagse situaties in het volslagen donker nagebouwd, zodat iedereen kan ervaren hoe het is om gebruik te maken van andere zintuigen dan de ogen.
Dit werk geeft hem grote voldoening. ‘Dat maakt me blij’ is een gevleugelde uitdrukking van hem. Zijn zwager Joop Schuddeboom heeft nu pas eigenlijk ontdekt hoeveel energie Gerben had. ‘Thuis had hij in het fietsenhok een hometrainer staan. Vóór zes uur zette hij die buiten en ging dan ‘even flink raggen’.
Jan Pustjens (1946-2011)
Van de dorpsfanfare tot het Concertgebouworkest
Peter de Waard
Zijn mooiste concert gaf Jan Pustjens op de Uitmarkt van 1988. Het chique Concertgebouworkest trotseerde bij hoge uitzondering de weergoden, hoewel de leden er tegenop hadden gezien hun dure violen aan het vrije spel van de elementen bloot te geven. Ze zouden misschien ontstemd kunnen raken. Of nog erger: het houtwerk zou krom kunnen trekken door de hoge vochtigheidsgraad van de buitenlucht.
Onder leiding van dirigent Riccardo Chailly werd het een onvergetelijk optreden. De show werd gestolen door slagwerker Jan Pustjens die de kleine trom bij Ravels Bolero voor zijn rekening mocht nemen. Jan Pustjens, die 7 januari op 64-jarige leeftijd overleed in Amsterdam, heeft het vak van trommelaar in het klassieke orkest glans gegeven.
De slagwerker was daarvoor de man die volgens het STER-reclamestereotype drie minuten voor het einde van het concert kon arriveren om nog even de laatste klap op de pauk of het tikje tegen de triangel te geven. ‘Het kan nog erger’, bekende Pustjens acht jaar geleden in een interview met de Volkskrant. ‘Ik ben wel eens met Haitink op toernee geweest, zat er alleen maar slagwerk in de toegift. Maar die deed-ie dan niet, want Haitink hield niet van toegiften.’
Het was ook niet zo vreemd dat Pustjens de enige student was die toentertijd op het Conservatorium in Maastricht slagwerk studeerde en ook nog slaagde met een Bach-concert op xylofoon.
Pustjens was een echte Limburger. Hij werd geboren in Sittard en groeide op in Roosteren, waar hij ging trommelen bij de fanfare De Maasoever. Na zijn conservatoriumstudie droomde hij van een baan in het Limburgs Symphonie Orkest, maar het werd het Amsterdams Philharmonisch Orkest. In 1974 werd hij slagwerker bij het Concertgebouworkest en vier jaar later promoveerde hij tot soloslagwerker. Pustjens ging later ook zelf les geven aan het Conservatorium in Amsterdam, waar hij honderden slagwerkers van beroemde orkesten uit de hele wereld heeft opgeleid. Daarnaast opende hij in de hoofdstad een eigen slagwerkzaak: Pustjens Percussion Productions. Hij probeerde het aantal slaginstrumenten en het lesmateriaal in Nederland te verbreden. Totdat hij kwam, waren er in de klassieke muziek alleen pauken, trommels en mallets. Pustjens’ winkel heeft een collectie met aambeeld, buisklokkenspel, xylorimba en honderden andere slaginstumenten.
Pustjens had geluk dat in zijn tijd slagwerkmuziek populairder werd dankzij de invloed van bijvoorbeeld de Afrikaanse cultuur en popmuziek. Moderne componisten schreven vaker speciale muziek voor slagwerk. De stap van klap ’ns in je handjes naar de virtuoze hantering van de triangel in een Mahler-symphonie was in zijn ogen levensgroot. ‘En gek genoeg loopt die vaak via de fanfare of dorpsharmonie.’ Naast slagwerker was hij een fanatiek golfer (handicap 8) en werd hij na de scheiding van zijn eerste vrouw, de fluitiste Kitty Nijhuis, ook een uitstekend kok. ‘Slagwerkers zijn de gangmakers in het sociale leven van het orkest. Zij organiseren uitjes.’
Nadat in 2007 een hersentumor bij hem werd vastgesteld, ging hij een jaar later met vervroegd pensioen. Hij bleef nauw bij het Concertgebouworkest betrokken, waar zijn tweede vrouw Else Broekman als chef toerneezaken aanbleef.
(24-1-2011)
Gualtherus baron Kraijenhoff (1922-2011)
Spitfire-piloot die het Akzo-concern zou vormen
Peter de Waard
Begin jaren zeventig leidde hij een bedrijf van 105 duizend werknemers. Als een van de architecten van de wederopbouw stond Gualtherus (Guup) baron Kraijenhoff aan de basis van het huidige concern AkzoNobel. Onder zijn leiding werd de fusie tussen de AKU, Enka-Glanzstoff, Organon en Koninklijke Zout Unie gerealiseerd. Na vier jaar dreigde de fusie door de enorme verliezen in de vezelindustrie op een fiasco uit te draaien. Het tij kon alleen worden gekeerd door 35 duizend banen te schrappen.
Baron Kraijenhoff is vorige week donderdag op 88-jarige leeftijd overleden. Zijn leven is getekend door vallen en opstaan. Zijn vader - ingenieur bij de Nederlandse Spoorwegen en Batavia Spoorwegen – en moeder scheidde al op jonge leeftijd. Hierdoor groeide hij op in internaten en kostsscholen in Zwitserland. Vlak voor de oorlog had hij zijn gymnasium-diploma’s A en B gehaald. Vanuit Zwitserland slaagde hij erin in 1941 via Gibraltar naar Engeland te komen. Hier meldde hij zich bij de RAF. Hij volgde in Engeland en Canada een opleiding tot Spitfire-piloot. Op een van de laatste dagen voordat hij klaar was, verloor een vrachtwagenchauffeur op het vliegveld de controle over het stuur. Zijn beide benen werden verbrijzeld. Amputatie dreigde, maar hij weigerde. In de rest van de oorlog zou hij veertien keer worden geopereerd en twee jaar in het ziekenhuis liggen. In Engeland raakte hij bevriend met Soldaat van Oranje Erik Hazelhoff-Roelfzema en de koninklijke familie.
Aan het ongeluk hield hij een blijvende handicap over doordat zijn linkerbeen korter was dan zijn rechterbeen. Toen hij terugkwam in Nederland, was zijn bedje ondanks zijn status als oorlogsheld niet gespreid. Pas twee jaar later kon hij een baantje vinden bij Saal van Zwanenberg, een joodse ondernemer die in de oorlog met behulp van een Urugyaans paspoort ook naar Engeland had kunnen uitwijken. Van Zwanenberg was een grote vleesverwerker die van het slachtafval van dierlijke organen een farmaceutisch bedrijf opzette. Kraijenhoff trouwde in 1947 met Yvonne Kessler, de dochter van kunstverzamelaar en voormalig Nederlands Elftal-speler Dé Kessler. Hij maakt al snel carriere. ‘Zo net na de oorlog waren wij ondernemers jong en optimistisch. We wilden de wereld weer opbouwen. Alles groeide. Alles ging. Zodra je een beetje geld had en iets wilde opzetten, dan kon dat,’stelde hij. Uiteindelijk werd Kraijenhoff in 1963 de baas van wat Zwanenberg-Organon was gaan heten. Vier jaar later fuseerde dit bedrijf met en Koninklijke Zout-Ketjen tot KZO (Koninklijke Zout Organon). En in 1969 volgde de fusie met de Nederlands-Duitse vezelfabrikant AKU Enka Glanzstoff tot de reus Akzo. Kraijenhoff werd uiteindelijk de voorzitter van de raad van bestuur die echter als gevolg van de fusie-afspraken niets te vertellen had over de vezeltak die door de opkomst van vezels uit goedkope lonen-landen diep in de verliezen raakte. In 1975 werd een miljoen gulden per dag verloren. Het hele Akzo-concern dreigde bankroet te gaan. Saneringen, massa-ontslagen en bedrijfsbezettingen bij de Akzo-dochter waren schering en inslag. Toen Kraijenhoff in 1978 met pensioen ging, was de sanering in gang gezet om het aantal personeelsleden terug te brengen naar 70 duizend. Hij zou daarna nog zelf 11 jaar zitting hebben in de directie van de Britse zakenbank SG Warburg. Maar hij concentreerde nu zijn aandacht op het Rode Kruis waarvan hij 20 jaar voorzitter zou worden. Daarnaast werd hij commissaris De Nederlandsche Bank en Sara Lee DE. Hij ha Hij werd een van de meest gedecoreerde Nederlanders. Naast grootofficier in de orde van Oranje Nassau werd hij ook Commandeur van het Britse rijk en drager van zowel het Grootkruis in de Orde van Verdienste in Spanje als die van Duitsland.
Tot zijn vrienden behoorde onder meer Pieter van Vollenhoven. Toen die met prinses Margriet trouwde, werd massaal een mislukt huwelijk voorspeld. Vooral in aristocratische kringen was met sceptisch over de relatie van de prinses met een burgerman. Kraijenhoff was er ontspannen over: 'U moet de komst van Pieter vergelijken met de ontdekking van de elektriciteit. Toen die werd geïntroduceerd, dachten onze voorouders ook dat de wereld instortte.' Vorige maand was Kraijenhoff samen met prins Maurits nog eregast bij de première van de musical Soldaat van Oranje.
(24-01-2011)
Thierry Baron van Zuylen Van Nijevelt van de Haar (1932-2011)
De kasteelheer die zijn landgoed moest opgeven
Peter de Waard
Het had iets triest. Hij bleef het ‘zijn kasteel’ noemen. Twee weken voor zijn dood wilde de familie hem nog van zijn woonplaats Londen naar Haarzuilens brengen. Zijn vurige wens. Maar zijn gezondheid was te slecht.
Thierry van Zuylen van Nijevelt van de Haar – beter bekend als baron Van Zuylen – vond het uiterst pijnlijk dat hij noodgedwongen in 2000 het zes eeuwen oude familiebezit had moeten afstoten. Een stichting kreeg het kasteel en park en de Vereniging Natuurmonumenten de landerijen. Zij waren in staat de 50 miljoen euro kostende restauratie van ‘zijn’ Kasteel de Haar te bekostigen, waarvoor hij zelf het geld niet had.
Hij had getracht voldoende geld bijeen te harken, maar een veiling van porselein, meubilair en schilderijen leverde in 1998 niet meer dan 3 miljoen gulden op, een druppel op een gloeiende plaat.
Baron Thierry van Zuylen overleed op 2 januari en werd vorige week op aristocratische wijze ter aarde besteld. Haarzuilens mocht toekijken hoe de stoet de baron van de Brink naar het landgoed bracht, waar hij werd bijgezet in de grafkelder van de familiekerk. Hij kreeg een vermelding in de fameuze necrologierubriek van The Times en onder zijn overlijdensadvertentie stond de naam van niemand minder dan Edouard de Rothschild die oom tegen hem moest zeggen.
Kasteel de Haar was al sinds de 15de eeuw familiebezit. Maar in de 19de eeuw was het vervallen geraakt tot een ruïne. In 1887 sloeg Thierry’s grootvader Etienne van Zuylen de puissant rijke Hélène de Rothschild aan de haak, waarna hij de architect Pierre Cuypers kon inschakelen om het kasteel weer op te bouwen. Hiervoor werd het hele dorp Haarzuilens 1500 meter verplaatst en werden zevenduizend bomen vanaf de Utrechtse Heuvelrug gehaald voor een bos. De boomkarren moesten dwars door de stad Utrecht. Toen bleek dat ze enkele bochten niet konden maken, kocht de baron de hoekhuizen gewoon op en liet ze slopen.
Permanent zou de familie er nooit wonen. Egmont van Zuylen, die in 1934 zijn vader als kasteelheer opvolgde, kreeg zijn twee dochters, waarvan de oudste ook met een Rothschild trouwde, en enige zoon Thierry in Parijs. Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog week de familie uit naar de VS.
Thierry studeerde bedrijfseconomie op Harvard. Hij trouwde met ene Gabrielle Iglesias met wie hij vier dochters kreeg. Hij werkte blauwe maandagen in het bankwezen en de tijdschriftenbranche. Maar hij was vooral een societyfiguur – gek op golf en paarden en het gezelschap van mooie vrouwen. Zijn tweede vrouw was Susanna Hofman, een vriendin van zijn oudste dochter. Naar verluidt liep zij al tijdens de huwelijksreis bij hem weg. Uit zijn derde, ook al mislukte huwelijk met Bianca Johnson werd een vijfde dochter geboren.
In 1960 werd hij kasteelheer, iets wat zijn gepasseerde oudere zus niet zinde. Thierry, die alleen in september op De Haar woonde, ontdekte later dat Cuypers in al zijn genialiteit niet had bedacht dat zijn ontwerp te zwaar was voor de middeleeuwse fundering.
Na honderd jaar moest het kasteel opnieuw op stevige bodem worden gezet. De familie moest het opgeven. Wel kregen de Van Zuylens het recht er te blijven wonen. Thierrys oudste dochter Alexandra (53) – een lerares Engels uit Parijs – zal er als nieuwe kasteelvrouwe in september haar intrek nemen..
(17-1-2011)
Mieke Van de Voort (1972-2011)
Zelfdoding zonder schuldcomplex
Peter de Waard
Ze was 1 meter 68. En ze ging met een camera en tien filmblikken naar China om daar door het land te trekken als onderdeel van een project voor de Shanghai Biënnale’, zegt haar vader Pieter Van de Voort. Ze volgde hier het voetspoor van de communist Henk Sneevliet die in 1921 door China was gereisd en zelfs Mao als partijleider zou hebben voorgedragen. Om te kunnen communiceren met de Chinezen had ze even snel Esperanto geleerd omdat ze wist dat oudere communisten deze taal hadden moeten leren om de wereldrevolutie te realiseren
In Amsterdam werd ze door vrienden Jeanne d’Arc genoemd vanwege haar kleding, haar schoonheid, haar strak gevlochten haren die ze naar achteren speldde en haar eeuwige strijd voor rechtvaardigheid.
Altijd wilde ze filosoferen over de grote dingen van het leven – over de rechten van de minderbedeelden, over de keerzijdes van het leven. ‘Ze was heel serieus. Niet alleen over zichzelf, maar ook over haar kunst en de mensen om haar heen’, aldus Nicoline van Harskamp, een vriendin met wie ze het laatste jaar een studio in Amsterdam deelde.
Woensdag werd beeldend kunstenares Mieke Van de Voort (38) gecremeerd op de Nieuwe Ooster in Amsterdam. Negen dagen eerder had ze een einde aan haar leven gemaakt.
Haar vader en moeder accepteren haar beslissing. ‘We hebben kinderen gekregen in de stellige overtuiging dat door hen de wereld mooier zou worden. En dat wás ook zo’, zei haar moeder Dorijke aan het begin van de crematieplechtigheid.
Ondanks de zelfdoding was Miekes overlijden niet tragisch en haar leven niet zinloos. Ouders hoeven er geen schuldcomplex aan over te houden als een kind een einde maakt aan zijn of haar leven, zo vinden de Van de Voorts. ‘Ze was volkomen autonoom’, zegt haar vader. Ze kleedde zich zoals ze zelf wilde en niet wat de omgeving of het modebeeld haar opdrong. En ze besloot uiteindelijk ook zelf over het al dan niet voortzetten van haar leven.
De algemene opvatting dat leven de voorkeur had boven niet-leven is te gemakzuchtig, schreef een vriendin op internet. ‘Misschien gold die opvatting voor anderen. Niet voor haar.’
Mieke Van de Voort was al langer depressief. Ze vocht zich er telkens uit. Maar de paniekaanvallen werden zo erg dat ze begin dit jaar totaal op was. Met de kerstdagen was ze gelukkig nog even thuis in Wognum. Toen schoot de beangstigende gedachte al weleens door het hoofd van haar ouders heen: dit zou wel eens haar laatste bezoek kunnen zijn.
Mieke ging terug naar Amsterdam. Elke dag hadden haar ouders contact met haar. Pieter Van de Voort: ‘Maar wat doe je eraan? Psychiaters geven een pilletje waardoor je een zombie wordt en alle creativiteit wordt gedood.’ Omdat Mieke Van de Voort niet langer meer kon leven als als een opgewekte, vrolijke en energieke vrouw, gunnen de ouders haar de keuze die ze heeft gemaakt. En daarom willen ze haar dood ook niet als een taboe zien.
Mieke Van der Voort was de perfectionist in alles wat ze deed. Haar kunst was bijzonder: foto’s, video’s, beelden, schrijfsels, performances en veelal een combinatie van die kunstuitingen. ‘Het creatieve proces was moeizaam. Ze vond het nooit goed genoeg. Ze kon niet iets maken en dan van het hele proces van de totstandkoming ook genieten’, zegt Van Harskamp.
Mieke Van de Voort werd in 1972 in Nijmegen geboren. Op haar 6de verhuisde het gezin naar Wognum. Mieke was een briljante scholier - ‘iemand die enorme hoeveelheden kennis opzoog’. Op haar 8ste concludeerde ze dat God niet bestond. Voor Mieke waren barbies geen aankleedpoppen, maar woeste heldinnen die tegen onrecht streden. Ze was van jongsaf een van de sociaalste mensen die haar vrienden kenden.
Nadat ze op haar 18de jaar het gymnasiumdiploma had behaald, ging ze met een vriendin naar India. In Goa ontmoette ze na acht maanden een tien jaar oudere Zuid-Afrikaanse bevrijdingsstrijder, met wie ze naar zijn vaderland ging. Samen begonnen ze een zeefdrukkerij in Johannesburg waar spandoeken werden gedrukt voor de massademonstraties na de vrijlating van Nelson Mandela.
Eind 1994 kwam ze terug naar Nederland. Ze ging fotografie studeren aan de Kunst Academie in Den Haag. Een van haar jaargenoten was Judith Jockel, met wie ze een hechte vriendschap kreeg. ‘Ze was een fascinerend, levendig en boeiend persoon.’ ‘Met haar lach kon ze graniet doen smelten’, zei een van haar vrienden. Daarom liet de familie tijdens de crematie juist haar lach horen.
Als intellectueel had ze aan fotografie niet voldoende om zich uit te drukken. In 2004 was zij een van de twee kandidaten die uit 1200 aanmeldingen werden uitverkoren om resident te worden bij de Rijksakademie voor Beeldende Kunsten. Hier kon ze haar fascinatie voor de geschiedenis en de wetenschap omzetten in kunst.
‘Het was nooit de geschiedenis uit het boekje. Het was altijd de geschiedenis waarmee ze zich betrokken voelde’, vertelt Martijntje Hallmann, hoofd atelier van de Rijksakademie. In 2005 metselde ze als kunstwerk een gedenksteen in de vloer van de Rijksakademie. Een herinnering aan de poging van de socialist Pieter-Jelles Troelstra om op 12 november 1918, een dag na het einde van de Eerste Wereldoorlog, ook in Neder land een revolutie te ontketenen. Het kunstwerk ging gepaard met workshops en een performance van cavaleristen en een oude communist die De Internationale zong.
In Suriname ontmoette ze een jonge afstammeling van gevluchte slaven wiens lichaam ze in was besloot af te gieten. Niets was haar te veel. Hallmann: ‘Ze accepteerde tot in het extreme de consequenties van wat ze deed.’ In de nieuwbouwwijk in Hardewijk, waar Volkert van der G. vandaan kwam, bouwde ze een rijtjeswoning om tot volière. Behalve in Nederland exposeerde ze in New York, Seoul, Reykjavik, Londen en Milaan.
Haar laatste project, Schets voor Vinije, die in het kader van de groepsexpositie Monumentalisme in het Stedelijk te zien was, werd zondag gesloten - zes dagen nadat Miek van de Voort een einde aan haar leven had gemaakt.
Woensdag was ze gewikkeld in een lijkwade die van haar eigen kleding was gemaakt door de vriendin met wie ze ooit naar India was geweest.
(13-1-2011)
Dick Winters (1918-2011)
De ultieme held van de Easy Company
Peter de Waard
Nederlanders zullen bij de naam van de Amerikaan Dick Winters het eerst denken aan Damian Lewis, de roodharige Britse acteur die hem vertolkte in de televisieserie Band of Brothers van Steven Spielberg en Tom Hanks.
Majoor Dick Winters van de E (Easy)-Company, die betrokken was bij de Operatie Market Garden en de bevrijding van Eindhoven en hiervoor de eremedaille van de stad ontving, is 2 januari op 92-jarige leeftijd overleden. Zijn familie heeft dat pas zondag bekendgemaakt. Hij was voor de Amerikanen de ultieme oorlogsheld. De in 1918 geboren Winters was betrokken bij de invasie op D- Day, de verdediging van Bastogne tijdens het Duitse Ardennenoffensief, de bevrijding van Eindhoven en de verovering van Hitlers Adelaarsnest in Berchtensgaden.
Richard D. (Dick) Winters meldde zich in 1941 aan bij het Amerikaanse leger. Na zijn opleiding werd hij paratrooper en pelotonleider van de E -compagnie.
De opleiding was ongekend hard. In het kamp was er geen elektriciteit, geen stromend en heet water en werden de manschappen ‘opgevreten door de muggen’.
In 1943 werd zijn E-compagnie als onderdeel van het 506de Parachute Infantry Regiment, 101 Airborne Division, overgeplaatst naar Engeland. In de voorbereiding voor de invasie raakte hij gebrouilleerd met zijn commandant. Winters trok aan het langste eind.
Bij de aanval op vier Duitse 105 mm kanonnen na D- Day werd hij voor het eerst onderscheiden. Een geschiedkundige schreef dat hij 150 man had voor die aanval, terwijl het er maar 13 waren.
Zijn nuchtere reactie: ‘Met zoveel man hadden we Berlijn ingenomen.’ Tijdens de oorlog in Korea vervulde hij een functie in de opleiding. Hij trok zich daarna terug op zijn boerderij in Hershey in Pennsylvania. In 1992 werd het verhaal van de Easy Compagnie opgetekend in het boek Band of Brothers.
In 2006 zou hij nog zijn eigen autobiografie Beyond Band of Brothers publiceren. Dick Winters werd in maart 2007 het ereburgerschap van Eindhoven verleend. Daarvoor reisde burgemeester Alexander Sakkers naar Hershey om Winters de gouden onderscheiding op te spelden.
(11-1-2011)
Jos Mulder-Gemmeke (1922-2010)
Saluutschoten voor de laatste echte oorlogsheldin
Peter de Waard
Ze was de laatste echte oorlogsheldin; verzetsstrijder én geheim agente. Militairen van 13 Gemechaniseerde Brigade namen daarom op 27 december 2010 in Den Haag met saluutschoten afscheid van Jos Mulder-Gemmeke. Zij was de enige vrouw naast koningin Wilhelmina die ooit de Militaire Willems-Orde kreeg. Een week eerder was zij onverwacht op 88-jarige leeftijd overleden.
Jos Mulder-Gemmeke was zelfs voorzitter van de Koninklijke Vereniging van Ridders der Militaire Willems-Orde, die na haar dood nog slechts zeven leden (zes Nederlanders en een Amerikaan) telt. Aan het ceremonieel eerbetoon rond haar crematie namen ruim 100 militairen deel, waaronder ook het Koninklijke Militaire Kapel Johan Willem Friso en het Regimentsfanfare Garde Grenadiers & Jagers.
Haar verzetswerk tijdens de Duitse bezetting bestond onder meer uit de publicatie en distributie van het blad Je Maintiendrai, dat uiteindelijk een oplage zou bereiken van 25.000 stuks. Eind 1944 bracht ze per fiets geheime documenten door de vijandelijke linies naar het hoofdkwartier van prins Bernhard in Brussel. Daar vandaan ging ze naar Londen voor een opleiding als geheim agente en kreeg ze de codenaam Sphinx. Op 10 maart 1945 werd ze bij Nieuwkoop met wapens, radiozenders en geld per parachute gedropt door een bommenwerper. Bij de landing in de ijskoude nacht viel ze door de wind buiten de droppingzone in een sloot en liep rugletsel op. Verzetsmensen wisten haar te redden, maar ze zou last van haar onderrug blijven houden. Niettemin wilde ze nooit zittend naar militaire parades kijken. Altijd nam ze die staande af, ferm in de houding.
De stof van de parachute die zij bij de sprong in Nieuwkoop gebruikte, diende in 1946 als verlovingsjurk voor Bep de Kuijer, die de parachute voor de Duitsers verborgen had weten te houden in een peluw zak. Nu is die te zien in het Crash Luchtoorlog- en Verzetsmuseum in Aalsmeerderbrug.
Jos Gemmeke werd geboren op 3 juni 1922 te Amsterdam. Haar vader was legerofficier, maar werd door zijn echtgenote die niet wilde dat hij zoveel van huis zou gaan, gedwongen het zakenleven in te gaan. Na een studie in Delft werd hij directeur-eigenaar van een papiergroothandel in Amsterdam. Daar werd Jos geboren, maar omdat haar oudere zusje Mia last had van moeraskoorts, verhuisde de familie vrij snel daarna naar het minder drassige Den Haag.
Jos kreeg een streng katholieke opvoeding. Ze was echter lastig en haalde veel kattenkwaad uit. Ze ging eerst naar het meisjeslyceum, voordat ze haar studie voltooide aan de mulo. Ze wilde verpleegster worden en verzorgde in de eerste dagen van de oorlog gewonde militairen. Via de Haagse student Cock van Paaschen kwam ze in aanraking met het ontluikende verzet.
Na de bevrijding werkte ze enige tijd in Londen voordat ze begin 1947 trouwde. Ze zou nog twee keer trouwen, als laatste met Joop Mulder, een oorlogsvlieger bij de RAF. In de jaren tachtig verscheen een boek over haar en begon ze over haar ervaringen te vertellen. De oorlog is haar altijd blijven achtervolgen. ‘Ik ben de rest van mijn leven alert gebleven. Waar ik ook ben, ik ga altijd strategisch zitten, met mijn rug naar de muur en met goed zicht op de uitgang, zodat ik iedereen in de gaten kan houden.’
(10-1-2011)
Lia Dorana (1918-2010)
De Ali Cyaankali van de Nederlandse kleinkunst
Peter de Waard
Lia Dorana zal nooit hebben gedroomd dat een van haar creaties op bizarre wijze nog over de grenzen ging. De begin vorig jaar opgehangen Iraakse oorlogsmisdadiger Hassan al-Majid kreeg in Nederland de bijnaam Ali Chemicali, een verwijzing naar Dorana’s beroemdste lied, Ali Cyaankali.
Dorana overleed op 4 december op 92-jarige leeftijd in Lage Vuursche. Ze was in de vorige eeuw een van Nederlands bekendste cabaretières, chansonnières en actrices. Ze speelde Liesbeth Doorsnee in het fameuze radioprogramma De familie Doorsnee, in een tijd dat het volk nog geen televisie had en radio door de hele natie werd beluisterd. Later speelde ze rollen in televisieseries als Boerin in Frankrijk en De Kleine Waarheid.
Dorana werd als Beppy van Werven geboren in Den Haag. Haar vader was accountant, maar ook dichter, en haar moeder pianiste. Ze begon al jong te zingen, onder meer bij het Roemeens zigeneunerorkest Serban. Ze werd in 1943 ontdekt door Wim Sonneveld, waar de artiestennaam Dorana werd bedacht. Met de vorig jaar overleden Conny Stuart speelde ze na de oorlog in het succesvolle programma Alleen voor dames. Ook maakte ze kort deel uit van het ABC-cabaret van Wim Kan.
Vanaf 1951 was ze regelmatig te horen in cabaretprogramma's die Wim Ibo maakte voor de VARA. Nationale roem vergaarde Dorana in het door Annie M.G. Schmidt geschreven hoorspel In Holland staat een huis, dat bij de luisteraars bekend werd als De familie Doorsnee. Dorana speelde de rol van de rebelse dochter Liesbeth Doorsnee. De serie was tussen 1952 en 1958 een keer in de twee weken te horen op de VARA-radio. In haar dubbelrol als de wulpse Alie (‘de gevaarlijke vrouw uit Rotterdam’) zong ze Ali Cyaankali, dat een van de klassiekers van het Nederlandse kleinkunstrepertoire werd. Andere bekende nummers waren Geachte cliënten en 't Wordt lente..
In 1954 werd Lia Dorana door acteur Jan Teulings gevraagd toe te treden tot het Rotterdams Toneel. Hier speelde ze onder meer in Thee en symphatie naast Hans Croiset en in een opvoering van Tsjechovs De meeuw. Ondersteund door regisseur George Vitaly en Ton Lutz schreef ze in 1960 de muziektekst voor het stuk Irma la Douce, waarin ze bovendien de titelrol voor haar rekening nam. Vier jaar later was ze de ster in Cole Porters musical Kiss Me Kate. In hetzelfde jaar kreeg ze voor haar repertoire een Edison. In 1968 nam ze een nummer op van Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh.
Door de Aktie Tomaat en de opkomst van het experimentele toneel vervreemdde ze van de bühne. Dorana trok zich terug op het Franse platteland. ‘Ze is veel gaan zingen. Jammer dat daarvan zo weinig op plaat is gezet’, zegt haar neef Leopold Wijdeveld. Het theaterbloed ging weer stromen in 1989, na een revival van De familie Doorsnee met haar vriendin Hetty Blok en Kees Brusse.
Ze accepteerde de rol van pensionhoudster Fraulein Schneider in de door Joop van den Ende geproduceerde musical Cabaret. Tijdens de Cabaret-tournee ontstond een romance met haar tegenspeler Guus Verstraete sr. Het was haar derde relatie, na die met de schouwburgportier Hein Hoogland en de architect Reinier Jan Verwijs. Met Verstraete was ze van plan het toneelstuk Herfst in Riga te gaan spelen. Wegens gebrek aan belangstelling werd hiervan echter afgezien. Verstraete overleed in 1994. Sindsdien heeft Lia Dorana niet meer gewerkt.
(3-1-2011)
Willem Maris (1939-2010)
De tenniskampioen die een Philips-dochter groot bracht
Peter de Waard
Hij was een groot tenniskampioen maar verdiende er als amateur geen cent mee. Dat hij later alsnog rijk werd, was te danken aan zijn bindende kwaliteiten als manager. Hij en zijn collega’s inden 450 miljoen gulden toen ze in 1995 het drie jaar eerder afgeschreven bedrijf ASM?Lithography (ASML) in Veldhoven naar de beurs brachten. ‘Soms begrijp ik het ook niet dat het aandeel zo duur is geworden’, zei hij in een interview met deze krant toen de koers van ASML binnen een jaar van 14 naar 178 gulden ging.
Willem Maris is op 16 december op pas 71-jarige leeftijd totaal onverwacht na een hartaanval overleden. Maris werd vlak voor het begin van de oorlog in Den Haag geboren als de zoon van de toenmalig directeur-generaal bij Rijkswaterstaat. Hij leerde tennissen bij Leimonias. Hij werd afgezien van dubbeltitels ook twee keer Nederlands kampioen in het enkelspel (1958, 1962). Vele jaren speelde hij op Wimbledon en Roland Garros.
Maar geld leverde het allemaal niet op. Gelukkig had Maris werktuigbouwkunde gestudeerd aan de TU in Delft. In 1964 kon hij bij Philips aan de slag. Hij trouwde en kreeg drie kinderen. Het gezin zou vele jaren voor Philips in Mexico en Zuid-Korea wonen. ‘Omdat hij te goed was om met mijn moeder te tennissen zijn ze samen gaan golfen’, herinnert zijn dochter Elsbeth Haex-Maris zich.
Uiteindelijk keerde hij in Nederland terug, waar hij ging werken bij de Philips Semiconductors in Eindhoven. In 1990 werd hij aangesteld als directeur van ASM?Lithography dat machines maakte voor de chipsproductie.
Philips-topman Jan Timmer wilde dit bedrijf als onderdeel van zijn operatie Centurion twee jaar later sluiten vanwege de verliezen. Mariswist Timmer te overtuigen dat het bedrijf wel degelijk toekomst had. Hij en zijn collega Martin van den Brink namen een optieregeling als bewijs dat zij hun inkomen er afhankelijk van wilden stellen.
Van den Brink was de Willy Wortel die een nieuwe machine ontwikkelde. Maris de bindende kracht die alle neuzen in een richting wist te krijgen, zo constateerde Van den Brink op diens begrafenis. Hij wist ASML op de wereldkaart te zetten en nieuwe klanten als het Amerikaanse Intel en het Koreaanse Samsung binnen te halen.
In 1995 kreeg ASML beursnoteringen aan het Damrak en Wall Street. De optieregeling was nu goud waard. Maris was teleurgesteld dat de buitenwereld vooral aandacht had voor de ‘zelfverrijking’ van de managers en niet voor de redding van het bedrijf. Zelfs door sommige personeelsleden werd de top ‘Ali Baba en de veertig rovers genoemd. ‘Zeer ten onrechte. Papa was een zeer bescheiden mens die alles met iedereen probeerde te delen’, aldus zijn dochter.
Zijn managementstijl was afstandelijk. Hij hamerde op eigen verantwoordelijk. Bij zijn vertrek in 2000 was ASML marktleider, de omzet gestegen van 150 miljoen naar 1,8 miljard gulden, het aantal werknemers van 600 naar 2500. Maris bleef daarna actief als president-commissaris bij BE Semiconductor en Vanderlande Industries.
Hij werd ook een bekend sportbobo: eerst was hij enige jaren vice-voorzitter van de tennisbond KNLTB en vanaf 2003 tot 2008 president van de snelgroeiende Nederlandse Golffederatie. Hij speelde zelf gezien zijn handicap van 11 als amateur niet onverdienstelijk op de Eindhovensche Golf .
Harry van Seumeren (1937-2010)
Altijd trouw aan zijn idealen
Peter de Waard
Het herdelen van kennis, macht en inkomen was geen utopisch ideaal om een aards paradijs te creëren. Het was voor Harry van Seumeren een simpele visie op de inrichting van een beschaafde en welvarende maatschappij.
In zijn laatste stukje voor de Volkskrant, op 12 juni 1998, stelde hij droef vast dat sinds het einde van het kabinet-Den Uyl de inkomensongelijkheid in Nederland met 8 procent was toegenomen. Dit dreigde nog veel erger te worden. De ‘exhibitionistische zelfverrijking’ van topmanagers was slechts een eerste signaal.
‘In West-Europa, dus ook in Nederland, voltrekt zich een cultuuromslag, waarbij de marktideologie een dominante positie krijgt. De onderliggende beweging is een verschuiving van het Rijnlandse naar het Angelsaksische model’, schreef hij. Tien jaar later stortte die beweging in een crisis waarvan de naweeën nu nog voelbaar zijn.
Harry van Seumeren, die 36 jaar in dienst was van de Volkskrant waarvan 33 als sociaal-economisch redacteur, overleed woensdag na een ziekbed van twee weken. Hij is 73 jaar geworden.
Op die 12de juni 1998 vond in het SER-gebouw zijn afscheidssymposium plaats. Onderwerp: ‘De rol van de sociale partners in Europa’. Nu zouden politici het zo seksloos vinden dat het nog moeilijk zou zijn hiervoor een europarlementariër te strikken. Toen spraken onder voorzitterschap van Klaas de Vries onder meer Ruud Lubbers, Wim Duisenberg en Sweder van Wijnbergen.
Zoals zo veel Volkskrant-redacteuren in de jaren zeventig en tachtig lagen de wortels van Harry van Seumeren in Brabant. Hij werd zelf geboren in Rotterdam. Zijn vader werkte in de koopvaardij en overleed al in de eerste jaren van de oorlog. Van Seumeren volgde het gymnasium voordat hij zijn schreden zette in de journalistiek. Nadat hij zijn journalistieke loopbaan was begonnen bij De Maasbode, kwam hij in 1961 in dienst van de Volkskrant. Twee jaar later volgde hij Ad Langebent op bij de Haagse redactie. In de jaren zeventig was Van Seumeren een van de meest invloedrijke sociaal-economische journalisten van Nederland.
Wie zich bemoeide met de discussie over financieringstekorten, loonrondes en vermogensaanwasdeling kon niet om de mening van Van Seumeren heen. Hij was in die tijd een van de weinige journalisten die goed konden rekenen en gebruikte die kwaliteit continu om de koopkracht van de minima aan te halen. Hij had een meer dan uitstekend netwerk op het Binnenhof waarbij hij door politici stukken kreeg toegespeeld. Wim Duisenberg bekende op het eerdergenoemde afscheidssymposium: ‘Zo heeft Van Seumeren mij enorm geholpen bij het vertalen van de 1-procentsoperatie’, de eerste bezuininigsronde van Duisenberg als minister van Financiën.
Van Seumeren schreef veel en had een uitstekend netwerk in Den Haag. Zijn kracht was, zoals redacteur Kees Bastianen op zijn 25-jarig jubileum vaststelde, ‘het vermogen om mensen vertrouwen in te boezemen’. Hij was een goed luisteraar. Hij hoefde geen boeken te schrijven om in Nederland gezag te krijgen. ‘Ik schrijf elke week een boek’, stelde hij vast. Alleen stonden de letters daarvan allemaal in de krant.
In 1981 verruilde Van Seumeren de Haagse redactie voor die in?Amsterdam. Hij was enige tijd coördinator van de sociaal-economische afdeling, maar de verantwoordelijkheid van het chefschap lag hem niet zo. Hij was liever de stille solist die haarscherp maatschappelijke veranderingen aan de kaak stelde. In 1988 stapte hij over naar de toenmalige economiebijlage op de zaterdag. Hiervoor schreef hij jarenlang de column Het Slijk der Aarde.
Hij nam wel verantwoordelijkheid op andere gebieden. Hij was lid van de redactieraad, de commentaargroep, de Raad van Uitvoering cao- dagbladjournalisten (een arbeidsrechtelijk scheidsgerecht) en de onderhandelingsdelegatie van de NVJ.
(31-12-2010)
Agathe von Trapp (1913-2010)
Haar vader was niet zo streng, haar stiefmoeder niet zo aardig
Peter de Waard
De wereld kende haar als Liesl. Maar Agathe von Trapp, die dinsdag op 97-jarige leeftijd in Baltimore overleed, vond dat de befaamde musical en film The Sound of Music nogal met de feiten sjoemelde. Haar vader was niet zo streng, haar stiefmoeder niet zo aardig en hun huwelijk niet zo ideaal.
Agathe von Trapp werd in 1913 in het toenmalige Oostenrijk-Hongarije geboren als de oudste dochter van de marinekapitein Baron Georg von Trapp en Agathe Whitehead. Het stel kreeg nog zes kinderen voordat Agathe Whithead overleed.
Von Trapp hertrouwde in november 1927 met Maria Kutschera – de rol die in de film wordt vertolkt door Julie Andrews. Deze jonge novice uit een klooster in Salzburg was gevraagd de zeven kinderen van de baron les te geven. Vier maanden na het huwelijk werd hun eerste kind geboren, hoewel formeel een geboortedatum in 1929 werd opgegeven om een schandaal te vermijden.
In de film trouwt het echtpaar in 1938 vlak voor de Anschluss met Nazi-Duitsland. De familie ontvluchtte het land omdat Von Trapp weigerde met de Duitsers samen te werken. Drie jaar eerder was het gezin al bankroet gegaan, omdat Von Trapp zijn geld in heilloze projecten in Oostenrijk had geïnvesteerd. Daarom moest de kost worden verdiend door optredens als zingende familie.
De Von Trapps stapten na de komst van de Duitsers op de trein naar Italië. ‘We vluchtten niet over de bergen naar Zwitserland zoals in de film wordt verteld’, aldus Agathe. Via Italië reisden ze door naar Amerika, waar ze als de Von Trapp Family Singers veel succes hadden. In 1942 lieten ze een huis in het wintersportcentrum Stowe in de staat Vermont bouwen. Dat dient nu nog als familiehuis en wordt als zodanig ook toeristisch geëxploiteerd.
Agathe was de sopraan in het familiekoor. Toen George von Trapp in 1947 overleed, stopten de optredens. Maar het verhaal van de Von Trapps ging de wereld over, vooral dankzij de autobiografie van stiefmoede Maria von Trapp-Kutchera die in 1952 verscheen. In 1959 maakten Rodgers en Hammerstein er de Broadway-musical The Sound of Music van, die in 1965 leidde tot een met vijf Oscars bekroonde film.
Agathe von Trapp bemoeide zich daar niet mee. Ze leidde een teruggetrokken bestaan met haar vriendin Mary Louise Kane. Samen waren ze in Stowe een katholieke Kindergarten begonnen, die in 1958 verplaatst werd naar Baltimore. Hier veranderde ze zelfs haar naam in Miss Trapp – ze liet Von vallen – om niet continu aan de film te worden herinnerd.
Pas in 2003 schreef ze haar herinneringen op in het boek Agathe von Trapp: Memories Before and After The Sound of Music, waarin ze het ware verhaal achter de film probeerde te vertellen aan de hand van zelf getekende kaarten, portretten en andere illustraties.
(31-12-2010)
Noppie Koch (1932-2010)
Het eerzame beroep van ‘Den Zwarten 43’
Peter de Waard
Vroeger was het een eerzaam beroep dat door sommigen zelfs achter hun naam in het telefoonboek stond: gangmaker. Het was in de jaren dat het baanwielrennen net zo populair was als de wielerkoersen op de weg. De stayerwedstrijd vormde een hoogtepunt van een wieleravond in een volgepakt Olympisch Stadion. Dankzij de zuigende werking van de zware motoren of lichtere motorfietsen – derny’s genaamd – met staande gangmakers konden snelheden van 80 kilometer per uur worden gehaald. Renners als Piet de Wit, Matthé Pronk, Cees Stam, Gaby Minneboo en Martin Venix waren echte wielerhelden.
Norbert – ‘Noppie’ – Koch was volgens Peter Post de allerbeste gangmaker. Hij was zeker de bekendste. Hij overleed 7 december op 78-jarige leeftijd in Nieuwegein. Hij was al geruime tijd ziek.
Norbert Koch was het enige kind van een Utrechtse straatfotograaf. Zijn moeder noemde hem Noppie. Hij was eerst zelf wielrenner. In 1945 op pas 13-jarige leeftijd won hij zijn eerste koers in Venlo. Het leverde hem 135 gulden en een schemerlamp op. ‘Den Zwarten 43’ noemden de Limburgers hem, de man met de zwarte trui en startnummer 43. Hij zou nooit meer een andere kleur trui of startnummer willen hebben. Hij trainde door achter de brommer van zijn vrouw naar de wedstrijden en weer naar huis te fietsen. In 1954 won hij een etappe van liefst 312 kilometer in de Ronde van Nederland en in 1955 en 1956 was hij de beste in het profcriterium op het circuit van Zandvoort. Hij had aanvankelijk nog een eigen bedrijfje voor de fabricage van kentekenplaten.
Een ongeluk met een diepvriesleiding leidde tot een leververgiftiging waardoor hij geen lange afstanden meer mocht rijden. Hij moest zich richten op de baan. Drie keer werd hij achter zijn gangmaker Bertus de Graaf Nederlands kampioen. ‘Werd ik goddomme net als Anton Geesink in een open landauer door Utrecht gereden.’ In 1964 verruilde hij de fiets voor de motor. Zijn eerste was een Anzani, aangedreven door een omgebouwde 2.400 cc vliegtuigmotor. Koch werd met Piet de Wit in 1966 en 1967 wereldkampioen bij het stayeren voor amateurs. In 1967 won hij met Leo Proost ook de wereldtitel voor professionals. Daarna werd hij wereldkampioen met de Belg Theo Verschueren (1971 en 1972), de Nederlander Martin Venix (1979 en 1982) en Matthé Pronk (1979 en 1981). Koch was een handig sleutelaar en een slim gangmaker die de koers als geen ander kon lezen. Een keer reed hij vijf verschillende renners naar een finale.
Hij was niet altijd een gemakkelijk heerschap. Samen met mede-gangmaker Bruno Walrave spande hij een rechtszaak aan tegen de UCI toen werd bepaald dat een team van gangmaker en renner dezelfde nationaliteit moest hebben. In 1976 reed Koch in het Olympisch Stadion tegen de jurytafel, nadat hij en Fred Rompelberg waren gediskwalificeerd. Een jurylid liep een enkelblessure op. Koch gaf de schuld aan niet-werkende remmen. Zijn laatste grote succes was de Europese titel van Stan Tournee in 1987. Zijn loopbaan werd in december 1988 abrupt beëindigd na een zware val in de Zesdaagse van Keulen. Met ernstige verwondingen in het gezicht werd Koch opgenomen in het ziekenhuis. Daarna stortte Koch zich op zijn andere passie: het biljarten. Hij speelde hoofdklasse totdat hij volgens zijn vrouw Ann ‘niet meer om de tafel kon lopen’.
Tommaso Padoa-Schioppa (1940-2010)
De man die ze de vader van de euro noemden
Peter de Waard
‘Het grootste risico voor de euro is uitputting bij het herstructuren van de overheidsfinanciën. Het redden van de munt is geen kwestie van maanden. Het is iets van jaren. Misschien wel een decennium.’
Het waren vorige week nog de woorden van de Italiaanse bankier Tommaso Padoa-Schioppa (70). Afgelopen zaterdag stierf de man die wel de vader van de euro wordt genoemd. Hij overleed in een ziekenhuis in Rome nadat hij een hartaanval had gehad, tijdens een diner met honderd vrienden.
Eerder dit jaar was hij nog benoemd tot de speciale adviseur van de Griekse premier George Papandreou. Hij moest helpen met de budgettaire en structurele hervormingen die Griekenland moest doorvoeren, waardoor het land met geld uit het speciale noodfonds van de EU en het IMF orde op zaken kon stellen.
Zijn bijnaam, de vader - of de architect - van de euro, had hij te danken aan voormalig voorzitter van de Europese commissie Jacques Delors. De Fransman benoemde Padoa-Schioppa in de jaren tachtig als de secretaris van een commissie die een traject naar een eenheidsmunt uit moest zetten. De Italiaan komt met een zo krap tijdschema dat geen enkel land de mogelijkheid zou hebben van gedachten te veranderen.
De strategie lukt niet helemaal - Groot-Brittannië en Denemarken haakten af - maar in 1999 wordt de euro ingevoerd. Padoa-Schioppa gaat deel uitmaken van het zes koppen tellende bestuur van de Europese Centrale Bank, waarvan Wim Duisenberg de baas wordt. ‘Onze nieuwe valuta verenigt niet alleen economieën, maar ook de mensen van Europa’, zegt hij in juni 1999. ‘Het is nu een Europese samenleving, geen nationale samenleving.’
Na zijn aftreden bij de ECB in 2005 wordt hij in Italië nog minister van Financiën in de regering-Prodi. Hij beseft continu hoe moeilijk zijn eigen land het heeft met de regels van het Stabiliteits- en Groeipact, maar weet als minister het begrotingstekort terug te dringen totdat het kabinet valt.
Tomasso Padoa-Schioppa werd in juli 1940 geboren in het Noord-Italiaanse Belluno. Hij studeert economie in Milaan voordat hij in 1966 een opleiding volgt aan het Masschusetts Institute of Technology. Hier leert hij vloeiend Engels en later ook Duits spreken. In de VS wordt hij ook een fervent voorstander van een geïntegreerd Europa.
Hij werkt een blauwe maandag bij C&A voordat hij in het bankwezen belandt. Hij is 13 jaar plaatsvervangend directeur-generaal van de centrale bank van Italië voordat hij zijn kans krijgt in Brussel. Van 1979 tot 1983 is hij directeur-generaal economische en financiële aangelegenheden bij de Europese Commissie. Een terugkeer naar de centrale bank volgt voor de volgende vier jaar, nu als directeur-generaal economisch onderzoek.
De integratie gaat elke keer met twee stappen vooruit en een stap terug. Padoa-Schioppa kan er grappen over maken, maar hij ziet uiteindelijk maar een richting. ‘De EMU’, zo zegt hij over de Economische & Monetaire Unie, ‘kan net als de gelijknamige vogel niet achteruit vliegen.’
Zijn integriteit staat buiten elke twijfel. Succes kent vele vaders, falen heeft er vaak geen enkele. Padoa-Schioppa bleef ook de vader van de euro toen het dit jaar mis ging in Griekenland. Over zijn laatste positie als adviseur van Papandreou zei hij: ‘Ik ben onafhankelijk. Ik heb geen andere belangen en ik wil niet betaald worden voor wat ik doe.’
(20-12-2010)
Arjan Vermeulen (1952-2010)
Het aimabele gezicht van een paarse krokodil
Peter de Waard
‘Ik heb mij wel eens afgevraagd hoe het kan dat iemand met zo’n gezond lijf ineens zo ziek blijkt te zijn. Hebben wij hem wel voldoende comfort gegeven?’ Voormalig PvdA-politicus Flip Buurmeijer vraagt zich nog steeds af waarom bestuursvoorzitter Arjan Vermeulen van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) in Driebergen zo plotseling op pas 57-jarige leeftijd is overleden aan de gevolgen van kanker. Op 2 augustus had hij als voorzitter van de raad van toezicht met hem nog het toekomstplan voor de CIZ doorgenomen. Want het nieuwe rechtse kabinet wil in de bezuinigingswoede opnieuw aan het indicatiesysteem gaan sleutelen. Vlak daarna werd Vermeulen ziek.
Sinds het CIZ zes jaar geleden werd opgericht en Vermeulen topman werd, heeft de instelling als een soort van paarse krokodil onder vuur gelegen. Het CIZ kreeg het monopolie om indicaties af te geven voor de vergoedingen die mensen op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten konden claimen - de kosten voor persoonlijke verzorging (douchen, aankleden), verpleging, begeleiding, verblijf in een instelling zoals een verpleeghuis of behandeling (opnieuw leren lopen na een hersenbloeding). Maar veel mensen vonden het CIZ veel te formeel en wilden dat die indicaties door direct betrokkenen als de huisartsen of thuiszorg zouden worden gedaan.
Vermeulen besefte de spagaat waarin het CIZ moest werken - enerzijds onafhankelijk blijven door afstand te houden en anderzijds betrokkenheid bij de mensen tonen. Deze taak werd steeds moeilijker omdat het CIZ zelf gedwongen werd te bezuinigen - van een budget van 160 miljoen in 2005 tot 120 miljoen vijf jaar later -, terwijl het aantal indicaties steeg tot bijna een miljoen per jaar.
Vermeulen werd geboren in Amsterdam en groeide op Velp. Hij was daar ondermeer lid van de padvinderij. Hij voelde zich al snel betrokken tot het jongerenwerk en volgde een opleiding aan De Nijenburgh in Baarn - de hoge school voor sociaal en cultureel werk. Na zijn afstuderen werkt hij eerst in de wijk Overvecht in Utrecht en later in Floradorp in Amsterdam-Noord - een achterstandswijk die in de na-oorlogse jaren nog ’s avonds ‘op slot’ ging. Begin jaren tachtig werd hij beleidsambtenaar in Den Haag. Maar de praktijk trok hem meer. Hij was directeur van achtereenvolgens de Sociale Dienst in Leiden en Utrecht voordat hij bij Cadans terechtkwam. Toen die organisatie opging in het UWV kwam hij via een tussenstap bij Meavita - een overkoepelende organisatie van verzorgingstehuizen - uiteindelijk terecht bij het CIZ.
Volgens zijn echtgenote Cissy Steyn voelde hij zich hier in zijn element. ´Hij kon goed omgaan met de stress. Als hij thuiskwam, stortte hij zich op de privédingen. De volgende dag ging hij weer monter naar het werk.´ Vermeulen was een aimabele man, maar ook een daadkrachtig bestuurder. Hij vergaderde om een ronde tafel - snel en besluitvaardig. Hij wilde zo weinig mogelijk bureaucratie maar hij wilde ook dat de indicaties zo nauwgezet waren dat ze bestand waren tegen beroep- en bezwaarprocedures.
Hij was naast idealist ook realist - iemand die wilde dat mensen die recht hadden op de AWBZ-zorg die ook moesten krijgen maar dat de explosief stijgende kosten in de hand moesten worden gehouden. Hij bleef echter in uiterste instantie de opbouwwerker van weleer. Zijn hart lag bij de mensen die zorg nodig hebben. In gesprekken bracht hij het onderwerp vaak terug tot de kern: hoe zou ik het als cliënt ervaren.
Hij bleef altijd studeren en cursussen volgen en haalde nog in 2006 zijn MBA. Maar zelfs met een wetenschappelijke studie en een topfunctie bleef hij zichzelf, zijn idealen en de publieke taak trouw.
(20-12-2010)
Rie de Boois (1936-2010)
Kamerlid dat het milieu op de PvdA-agenda zette
Peter de Waard
Ze was politica in de tijd dat er nog geen Partij voor de Dieren nodig was. Tweede Kamerlid Rie de Boois werd in 1986 tot dierenbeschermer van het jaar uitgeroepen. ‘Daar was ze echt trots op’, zegt haar broer Herman de Boois.
Rie de Boois overleed op 16 november in haar woonplaats Kerk-Avezaath aan een hartaandoening. Ze werd in 1936 in Zierikzee geboren als oudste in een ‘heidens’ gezin van zes kinderen. Haar vader - een Amsterdamse PvdA’er die met een Drentse vrouw was gehuwd - had daar een baantje gevonden op de Ambachtsschool.
Het hele gezin was in de na-oorlogse jaren lid van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie die excursies organiseerde over planten en dieren. Via Doetinchem kwam het gezin uiteindelijk in Utrecht terecht. Hier ging Rie biologie studeren aan de Rijksuniversiteit Utrecht, waar ze later ook zou promoveren op een dissertatie met de titel Schimmelgroei in strooisellagen van enkele bosgronden.
Nadat ze in 1962 afstudeerde, doceerde ze een blauwe maandag, maar dat was niet haar roeping. Het wetenschappelijk aspect van het vak sprak haar meer aan. Ze was blij dat ze een baan kon vinden als wetenschappelijk medewerker bij het Rijksinstituut voor Natuurbeheer in Arnhem.
In 1964 trouwde ze met Karel Nagel, die ze nog kende van de Jeugdbond voor Natuurstudie. Net als Rie zat hij in de linkste hoek. Hij was zowel milieu-activist als atoompacifist. Via de provincie Noord-Holland zou Nagel in 1973 tussentijds gekozen worden in de Tweede Kamer. Op dat moment was het huwelijk al op de klippen gelopen en was De Boois zelf al kamerlid. Nagel overleed in 1979, op 44-jarige leeftijd.
De Boois begon later een relatie met de bekende televisiepersoonlijkheid en museumdirecteur Pierre Janssen. Ze had hem via haar contacten in de culturele wereld leren kennen. Tot diens dood in 2007 woonden ze samen in hun 18de eeuwse boerderij in Kerk-Avezaath.
Haar eerste opstapje in de politiek maakte ze in 1966 toen ze voor de PvdA lid werd van de gemeenteraad in Arnhem. Van 1972 tot 1987 was ze Tweede Kamerlid. Ze maakte naam als een nuchter politica die duidelijke taal bezigde. In de Kamer hield ze zich vooral bezig met milieu- en natuurbeheer en verder met cultuur, wetenschapsbeleid en koninkrijksaangelegenheden.
In 1975 voerde ze het woord tijdens het debat over de onafhankelijkheid van Suriname. Bij de jachtwetwijziging van 1977 stelde ze voor de drijfjacht op wilde zwijnen af te schaffen, maar als gevolg van ernstige bezwaren vanuit het koninklijk huis en adellijke kringen werd het initiatief getorpedeerd. De Boois had het meteen gehad met de monarchie. In 2002 maakte ze bezwaren toen het Prins Bernhard Cultuurfonds de stoelen voor het huwelijk van Maxima en Willem-Alexander in de Nieuwe Kerk subsidieerde.
Na haar Kamerlidmaatschap werd ze directeur van het Zuiveringsschap Amstel- en Gooiland. Van 1996 tot 2004 was De Boois voorzitter van Vogelbescherming Nederland. Ze maakte deel uit van de commissie Boertien, die onderzoek deed naar de verhoging van de Deltadijken, en de Raad voor het Landelijk Gebied, waarvan Henk Vonhoff voorzitter was. In 2002 werd ze bestuurslid van het Gelders Archief. ‘Op de dag van haar dood lag er een brief in de bus van staatssecretaris Zijlstra dat ze nog twee jaar voor deze commissie was herbenoemd’, zegt Herman de Boois.
(13-12-2010)
John Fagel (1930-2010)
Beroemd om kalfniertjes in mosterdsaus
Peter de Waard
John Fagel kan de stamvader van de naoorlogse Nederlandse eetcultuur worden genoemd. Maar hij was wars van sterrendom en het televisiekoken was in die tijd nog onbekend. Met zijn motto ‘Smaak zit in je hoofd, niet in een recept’, wist hij proevend het meest fantastische gerecht te maken zoals kalfsniertjes in mosterdsaus, coq au vin de Bourgogne, kreeft à l’Armoricaine en wildgerechten als fazant. Altijd puur en zonder opsmuk.
Fagel overleed op 6 november in Amsterdam op 80-jarige leeftijd. Tien jaar eerder had hij zijn muts aan de wilgen gehangen. Hij was de oudste zoon in een katholiek gezin in Apeldoorn van negen broers en een zus. Nadat zijn vader, de ondernemer Anton Fagel, was begonnen met de exploitatie van een restaurant in Utrecht, wilde hij zijn zonen de horeca proberen in te krijgen. Dat lukte in acht gevallen, terwijl een het klooster inging.
Toevallig bleken ze alle acht ook nog zo enorm creatief te zijn dat ze elk een geheel eigen vernieuwende visie op de Nederlandse eetcultuur in praktijk konden brengen. Zo stonden ze aan de wieg van de Nederlandse versie van de Franse bistrot en introduceerden ze het restaurant met louter entrecote op het menu. In totaal hebben ze bij 30 restaurants in Nederland de scepter in de keuken gezwaaid. Frans Fagel, gezien als vader van de Nederlandse bistro, overleed in 2005. Martin Fagel, samen met de in 1989 bij een roofoverval vermoorde Gerard Fagel eigenaar van De Hoefslag in Bosch & Duin, stierf een jaar later. Van de Fagels is nu nog Paul Fagel actief achter het fornuis in Het Arsenaal in Naarden, waarbij hij af en toe nog wordt bijgestaan door Ton Fagel. Frans’ dochter Pascale heeft een eigen restaurantje in Den Bosch.
John Fagel wilde eigenlijk liever naar de toneelschool. Maar zijn vader vond dat hij beter de handen uit de mouwen kon steken en stuurde hem naar de hotelschool.
Hij volgde een praktijkopleiding in Parijs voordat hij in de jaren zestig in Katwijk zijn eigen eerste restaurant begon. Daarna nam hij het heft in handen in zijn vaders zaak in Utrecht. Zijn liefde voor theater en circus kon hij moeilijk van zich afzetten. Hij probeerde, met Henk Elsink, theater te combineren met gastronomie in het Amsterdamse restaurant De Kopermolen. Toen hij in de Eindhovense Stadsschouwburg het Bistro du Théâtre dreef, nam hij het paardendressuurnummer in het wintercircus voor zijn rekening. ‘Sociaal en een vakman’, zo herinneren voormalige medewerkers hem.
Commercieel zette niet al zijn initiatieven zoden aan de dijk. In 1981 trok hij weer naar Amsterdam en opende zijn nieuwe zaak: Le Restaurant Tout Court, Het Restaurant Zonder Meer. Hier legde hij zich toe op traditionele Franse gerechten, die met eigentijdse technieken werd bereid. Fagel stond altijd zelf in de keuken of ‘achter de kachel’ zoals hij dat noemde. De sauzen maakte hij zelf. Fagel trouwde twee keer. Met zijn eerste vrouw kreeg hij drie kinderen. Volgens zijn zoon Fabian Fagel, zelf leraar aan de Hotelschool in Den Haag, was zijn vader een echte Bourgondiër. ‘Tout Court was ook zijn huiskamer waar vrienden altijd welkom waren, ook als het restaurant gesloten was.’
Bij zijn afscheid in 2000 werd Fagel Ridder in de Orde van Oranje-Nassau . Hij trok zich terug in een huis op het Franse platteland met twee keukens: een voor zijn vrouw en een voor hem. Koken werd daar weer een hobby.
(6-12-2010)
Alfred van der Poorten (1942-2010)
Van Joodse onderduiker tot getalswetenschapper
De eerste drie jaar van zijn leven heette hij Frits Teerink. Het Joodse jongetje Alfred van der Poorten was toen een van de jongste onderduikers van Nederland. In 1951 emigreerde hij met zijn ouders naar Australië, waar hij een bekend computerpionier en een van de gezaghebbendste wiskundigen van het land werd. Alfred van der Poorten overleed op 9 oktober aan de gevolgen van longkanker.
Van der Poorten was in de meest letterlijke zin een wereldburger. Elke vier jaar nam hij zes maanden een sabbatical om in een ander werelddeel te gaan wonen, meestal in een universiteitsstad. Als professor had hij een groot, wereldwijd netwerk. Een van zijn beste vrienden was Michel Mendes France, zoon van een vermaarde Franse premier.
Alfreds – of Alfs – vader was David van der Poorten, die voor de oorlog een bloeiende huisartsenpraktijk had in de Amsterdamse Sarphatistraat. Tijdens de oorlog probeerden de nazi’s hem voor hun karretje te spannen voor het keuren van Joden voor de werkverruiming, maar Van der Poorten gebruikte zijn positie om mensen die voor werkkampen waren opgeroepen te adviseren ziektebeelden te simuleren en hen daarop af te keuren.
Uiteindelijk werd Van der Poorten verraden en kwam hij via Westerbork in het concentratiekamp Theresienstadt. Het echtpaar had hun beide kinderen – dochter Marieke en zoon Alf – naar een onderduikadres kunnen brengen. In Theresienstadt was zijn vrouw Marian Stokvis betrokken bij de verzorging van de ‘onbekende kinderen’, wat later werd verteld in het gelijknamige boek van Daphne Meijer. Elke twee jaar komt Marian van der Poorten-Stokvis – inmiddels 96 jaar oud – nog naar Nederland om de reünie van de onbekende kinderen bij te wonen.
David van der Poorten en Marian Van der Poorten-Stokvis overleefden het concentratiekamp en na de oorlog kon het gezin worden herenigd in een nieuwe huisartsenpraktijk aan de Gerrit van der Veenstraat in Amsterdam. Hier kregen ze een derde kind. Uiteindelijk besloten ze een nieuw leven te beginnen aan de andere kant van de wereld. Omdat zijn huisartsendiploma in Australië niet werd erkend, moest hij opnieuw medicijnen studeren.
De jonge Alf werd een fanatiek supporter van de rugbyclub St. George die tussen 1956 en 1966 elf keer kampioen van Australië werd. Later ging hij wiskunde studeren aan de Universiteit van New South Wales. Omdat de studie hem gemakkelijk afging en hij niet wist wat er in toekomst mee te doen, studeerde hij daarnaast ook filosofie en haalde een MBA-diploma.
In de jaren zestig werd hij een actief voorvechter van de Zionistische beweging, maar later verflauwde zijn aandacht daarvoor. Hij werd professor in de wiskunde en publiceerde 180 wetenschappelijke studies. Ook had hij verscheidene boeken op zijn naam staan. Internationaal werd hij vooral vermaard als getalswetenschapper met publicaties als Continued Fractions en Effective Diphantine Approximation.
In Nederland werkte Alfred bij zijn onderzoeken samen met de wiskundigen Hendrik Lenstra en Robert Tijdeman. In 2008 werd longkanker bij hem ontdekt. In de tweeënhalf jaar die daarop volgden, werd hij drie keer geopereerd en volgde hij twee radiotherapie- en chemotherapiebehandelingen
(29-11-2010)
Henriette Barones van Lynden-Leijten (1950-2010)
Ambassadeur met een heerlijk gevoel voor humor
Peter de Waard
Henriette barones van Lynden-Leijten wist haar internationale diplomatencarrière voor de buitenwereld probleemloos te combineren met de opvoeding van drie dochters en de afwezigheid van een man die in de brandhaarden van de wereld zijn leven op het spel zette.
‘Ze was toegewijd, consciëntieus, geëngageerd en had een heerlijk gevoel voor humor. Toen ze een tweeling kreeg in Londen was ze zes weken later al weer aan het werk’, zegt haar vriendin Cora Minderhoud, ambassadeur in Mexico.
Op 6 november overleed Henriette Leijten op 60-jarige leeftijd aan de gevolgen van alvleesklierkanker. Bizar genoeg was haar dood een van de belangrijkste onderwerpen in het Bulgaarse televisiejournaal, terwijl ze ruim vijf jaar eerder als ambassadeur uit het land was vertrokken. ‘Het maakte duidelijk wat ze had betekend voor de relaties met Nederland’, zegt haar echtgenoot Aernout van Lynden.
In 2009 was ze benoemd als de nieuwe ambassadeur bij de Heilige Stoel. Ogenschijnlijk stelt die post niet veel voor, maar het Vaticaan heeft een van de grootste netwerken in de wereld. Zo hield Van Lynden zich bezig met het beter coördineren van anti-aidsprogramma’s in Afrika en hielp ze Boris Dittrich in zijn campagne voor betere rechten van homoseksuelen in Afrika.
Henriette Leijten werd in 1950 geboren in een boerenfamilie in het Brabantse Gilze-Rijen. Haar vader zou daar directeur worden van de Boerenleenbank. Ze studeerde eerst aan de Sociale Academie en later filosofie en Arabisch aan de Universiteit van Amsterdam. In 1981 werd ze benoemd tot persattaché en derde secretaris op de ambassade in Cairo. Hier leerde ze Cora Minderhoud kennen, die daar de portefeuille ontwikkelingssamenwerking had. ‘We waren toen nog allebei vrijgezel en deden heel veel samen. We maakten schitterende tochten door de woestijn’, zo weet Minderhoud zich te herinneren.
Van Cairo ging ze naar Libanon, waar toen nog een hevige burgeroorlog woedde. Hier leerde ze de vijf jaar jongere Aernout van Lynden kennen, een oorlogscorrespondent voor kranten als The Observer, The Washington Post en het NOS Journaal. Van Lynden kwam uit een diplomatiek nest van aristocratische huize en was geboren en opgegroeid in Londen. Ze trouwde hier met hem. Omdat Libanon geen burgerlijk huwelijk kent, werd de plechtigheid verricht door de ambassadeur zelf.
Op de volgende post in Londen werden hun drie kinderen geboren. Van Lynden was intussen jarenlang correspondent in het voormalige Joegoslavië, toen daar in 1991 de strijd ontbrandde. Daarna volgden voor Leijten posten in Brussel en Wenen, voordat ze in 2001 voor het eerst ambassadeur werd in Bulgarije. Haar man die in Ramallah was getroffen door een rubberen kogel, besloot zich hier ook te vestigen en ging journalistiek doceren aan de Amerikaanse universiteit in Sofia. Bij terugkeer in 2006 werd ze op het ministerie van Buitenlandse Zaken directeur Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Op 2 november 2009 mocht ze haar geloofsbrieven overhandigen aan paus Benedictus XVI. Afgelopen zomer werd ze ziek. Ze verbleef de laatste maanden dicht bij haar familie in een verbouwde boerderij in de buurt van St. Oedenrode.
(22-11-2010)
Ad Verhoeven (1949-2010)
Beschermheer van witteboordenwerkers
Peter de Waard
In de Volkskrant-ranglijst van invloedrijkste Nederlanders stond deze vakbondsman in 2007 nog op nummer 65: net achter Cor Herkströter (Shell) en Ben Verwaayen (toen nog topman bij BT).
Ad Verhoeven, die zondag 14 november op 61-jarige leeftijd overleed, was waarschijnlijk de meest gezaghebbende bestuurder uit de geschiedenis van de vakcentrale voor Middelbaar en Hoger Personeel (MHP).
Verhoeven was een echte autodidact. Hij begon al heel jong met werken, onder meer in de bouw en later bij de Kamer van Koophandel. in 1976 werd hij vakbondsbestuurder bij wat toen de Unie BLHP heette, de vakbond voor de witte boorden.
Vele jaren was hij voor deze bond de vaste onderhandelaar bij Philips, waarmee hij diverse spraakmakende CAO’s afsloot. Nadat Verhoeven in 1998 voorzitter was geworden van de MHP bleef hij vanwege zijn kennis van dit bedrijf nog lange tijd een veelgevraagd Philips-watcher.
Begin 2004 werd hij door de MHP-bond, de Unie, beschuldigd van ‘onzichtbaarheid’ en ‘zelfverrijking’ en kreeg hij de schuld voor het feit dat het ledenaantal was teruggelopen tot 160 duizend. Even dreigde zelfs een scheuring bij de vakcentrale, maar de andere bonden namen het voor hem op.
Museumplein-akkoord:
Toen het kabinet Balkenende het mes wilde zetten in het prepensioen en de sociale zekerheid was hij in 2004 juist de voorman die met Lodewijk de Waal (FNV) en Doekle Terpstra (CNV) een grote manifestatie op het Museumplein organiseerden.
In totaal kwamen er meer dan 200 duizend betogers op de manifestatie af, waarmee het een van de grootste vakbondsdemonstraties in de geschiedenis werd. ‘Je bent een rund als je met zoveel mensen stunt’, schreeuwde Verhoeven de mensen toe.
Verhoeven noemde de bijeenkomst een van de hoogtepunten van zijn carrière. Het leidde uiteindelijk tot het zogenoemde Museumpleinakkoord.
Uiteindelijk zou Verhoeven zou tien jaar voorzitter van de MHP blijven. Hij was een rustige, vastbesloten en strijdvaardig bestuurder die er niet voor terugdeinsde nog hogere eisen te stellen dan de meer radicale bonden als de FNV en het CNV. In 2006 kondigde hij aan een einde te maken aan de tijd van loonmatiging en kwam met een eis van een loonsverhoging van 5 procent.
Verhoeven had een groot netwerk, waaraan hij zijn hoge notering in de lijst van invloedrijkste Nederlanders te danken had. Zo was hij jarenlang onder meer lid van het Dagelijks Bestuur van de Sociaal-Economische Raad, het bestuur van de Stichting van de Arbeid en tevens lid van de Bankraad, adviesorgaan van De Nederlandsche Bank.
Voor zijn belangrijke rol in het sociaal-economisch overlegmodel werd Verhoeven in 2008 koninklijk onderscheiden. Na zijn aftreden als voorzitter is Verhoeven nog verbonden gebleven aan de MHP als beleidsadviseur, totdat hij ernstig ziek werd.
(16-11-2010)
Maud Keus (1944-2010)
De ‘warme deken’ van Het Simplisties Verbond
Peter de Waard
Veel van de creativiteit die in de afgelopen veertig jaar bij de VPRO tot stand werd gebracht, was niet mogelijk geweest zonder Maud Kaus. ‘Ze was altijd vrolijk, was nooit grieperig en had nooit in de file gestaan. Ze kon op een heleboel manieren lachen, maar uitlachen hoorde daar niet bij’, aldus Kees van Kooten. ‘Zonder Maud waren wij nergens.’
Twee dagen nadat Harry Mulisch op Zorgvlied werd begraven, werd hier ook producer en regisseur Maud Keus (66) ter aarde besteld. Zij was de producer van spraakmakende en vernieuwende VPRO-programma’s uit de jaren zeventig en tachtig: Het Gat van Nederland van Hans Keller en het Simplisties Verbond en Keek op de Week van Van Kooten en De Bie.
Programmamaker Frank Wiering noemt haar ‘de warme deken van rust en creativiteit; iemand die de namen leek te zingen als ze sprak’.
Keus overleed op 2 november aan de gevolgen van een hersentumor. Ze werd maar 66 jaar. De fatale ziekte was precies een jaar geleden in het Onze Lieve Vrouwen Gasthuis in Amsterdam bij haar vastgesteld. Tot de ziekte haar het werken onmogelijk maakte, ging ze door. De laatste vijf jaar was ze regisseur en samensteller van indringende televisieportretten van bekende Nederlanders, zoals volksschrijver Gerard Reve, PvdA-politicus Jan Schaefer en journalist Willem Oltmans.
Keus werd geboren in Laren (Noord-Holland) als de dochter van beeldend kunstenaar Kees Keus. Op haar negende jaar verhuisde ze met haar ouders naar een huis aan de Amsterdamse Keizersgracht waarin ze tot haar dood zou blijven wonen. Als kind straalde ze al een natuurlijk overwicht en rust uit. Ze werkte eerst met haar zus bij het kostuumatelier van het Nederlands Dans Theater voordat ze in 1970 in dienst kwam van de VPRO. Twee jaar later begon Hans Keller met het met de Nipkow Schijf bekroonde Het Gat van Nederland. Toen dat in 1974 stopte, werkte ze bijna een jaar lang als producent aan de VPRO-documentaire over de oorlogsjaren met als titel ‘Vastberaden maar soepel en met mate’ – een ‘anti-epos’ over gewone burgers en hun verwarring. Vervolgens produceerde ze voor de VPRO twaalf afleveringen van Herenleed, voordat ze liefst 21 jaar samenwerkte met Van Kooten en De Bie.
In 1984 ging ze samenwonen met televisiepresentator en filmrecensent Cees van Ede. ‘Toen ik het voorstelde, zei ze: Als jij er bij wilt komen, kan dat, maar dan zal je er wel voor moeten zorgen, dat m’n leven nog leuker wordt.
‘Misschien had Maud één kleine frustratie. Dat ze niet had doorgeleerd. Maar wie heeft een universitaire opleiding nodig als je op de universiteit hebt gezeten van Hans Keller, Hans Verhagen, Cherry Duijns, Armando, Kees van Kooten en Wim de Bie?’, zegt Van Ede.
Maud Keus had alleen maar vrienden. Ze was de stabiele factor van de zogenoemde Panini-club (genoemd naar Caffe Panini aan de Vijzelgracht) met onder anderen Hanneke Groenteman.
Die bijeenkomsten gingen bij haar thuis door toen ze niet meer kon reizen. Tot haar dood kreeg ze elke morgen de Volkskrant op haar bed, ook toen ze niet meer kon lezen. Van Ede: ‘Urenlang kon ze de voorpagina bestuderen’. Toen ze dinsdagmiddag 2 november stierf, sliep ze in met wijd open ogen en een glimlach op het gezicht.
(15-11-2010)
Willem Vogel (1920-2010)
De meester met de grote M
Peter de Waard
Zijn dood was een item in het 8-uurjournaal. En op zijn begrafenis had hij al een herdenkingsmonument: een bladmotief in een van de koorbanken van de Oude Kerk in Amsterdam.
Willem Vogel (90) die 7 oktober in Amstelveen overleed, zou zelf daarover een relativerende toon hebben aangeslagen. Hij was waarschijnlijk de belangrijkste naoorlogse componist van kerkmuziek, maar liep daar niet mee te koop.
Zijn melodieën? ‘Ze waren er al, ik heb ze alleen maar opgeschreven.’
Hoe was de uitvoering? ‘Ach, de mensen vonden het mooi.’
Willem Vogel was vooral ook bekend als de huisorganist van de Oude Kerk, midden op de Wallen. Hij was hier een begrip. Zijn Bach-concerten begonnen steevast een kwartier tot twintig minuten te laat, omdat de mensen in lange rijen voor de deur stonden, zo vertelde hij bij zijn afscheid.
Vogel werd in 1920 geboren als het enige kind van een Amsterdamse steendrukker die voor de oorlog naar Weesp verhuisde. Hij kreeg de muziek niet met de paplepel ingegoten, maar hoorden al heel jong ‘woorden op nootjes’. Hij was gefascineerd door het orgelspel in de plaatselijke kerk. Hij kreeg zijn opleiding bij de rooms-katholieke organist Johan Schafstall en van de organist van de Grote kerk in Weesp, Piet Esselman.
Voor de Tweede Wereldoorlog was hij zelf al kerkorganist. Hij begon in Amstelveen – nu een Chinees restaurant – ging naar de Hervormde Emmakerk in Watergraafsmeer – nu De Bron – en was van 1961 tot 1973 cantor en organist van de Nieuwezijds Kapel in Amsterdam – nu The Amsterdam Dungeon.
Toen die gesloten werd, vond hij nieuw emplooi bij de Oude Kerk en de cantorij volgde hem. Na bijna dertig jaar lang de scepter hebben gezwaaid – hij was toen al 82 – nam hij in 2002 afscheid als organist van de Oude Kerk.
Zijn leven stond in dienst van de kerkmuziek. ‘Hij maakte geen kerkmuziek met een grote K, maar kerkmuziek voor de mensen die elke week de lofzang gaande houden: koren en cantorijen, kerkgangers en speellieden. Daarin is hij de meester. De meester met de grote M’, zegt zijn opvolger Christiaan Winter.
Het doel van zijn composities was de kerkgangers te laten zingen, zodat de melodieën gemakkelijk in het gehoor moesten liggen. Hij huldigde eenvoud in vorm en muzikale taal, zoals hij dat ook deed in levensstijl – hij bleef zijn hele leven in een huurhuis wonen en ging nooit op vakantie.
Hij zou ook succes kunnen hebben gehad in de jazz of pop. Maar Vogel hield volgens zijn weduwe eigenlijk alleen van kerkmuziek en dan met name van Bach. Hij werd de icoon van de liturgische beweging. Met zijn geschriften Voorspelen in de eredienst leerde hij organisten dat improviseren iets anders was dan ‘vormloos gefantaseer’. Twintig van zijn melodieën werden klassieken die in het Liedboek van Kerken zijn opgenomen.
Vogel bleef zijn hervormde achtergrond muzikaal trouw, maar voerde ‘katholieke’ elementen toe aan de gezangen. In de officiële katholieke bundel Gezangen voor Liturgie staan van zijn hand drie onberijmde psalmen, vier vaste gezangen en elf liederen met onder andere teksten van Huub Oosterhuis, Muus Jacobse en Willem Barnard.
(8-11-2010)
Annemieke Gloudemans-Boonman (1975-2010)
Sterrenkundige met baanbrekend onderzoek
Peter de Waard
Als jong sterrenkundige was ze gefascineerd door de schoonheid van het universum, inclusief de aarde zelf. Dat is een van de redenen dat Annemieke Gloudemans-Boonman altijd verder keek dan haar eigen wetenschappelijke domein. Dat heeft er uiteindelijk toe geleid dat ze gevraagd werd voor National Geographic Channel documentaire Earth from Above. Het zou haar eerste en laatste documentaire zijn. Gloudemans overleed op 11 oktober aan kanker, op pas 35-jarige leeftijd.
Drie jaar geleden presenteerde Gloudemans een baanbrekend onderzoek: de koolmonoxide die tijdens het bosbrandseizoen boven Australië hangt, is voor een groot deel niet afkomstig van Australische, maar van Zuid-Amerikaanse bosbranden. Via onderzoek hoog in de atmosfeer had ze een beter beeld gekregen van de intercontinentale verspreiding van koolmonoxide.
Ze werd als Annemieke Boonman geboren in september 1975 in Kwadendamme, een dorpje in de zak van Zuid-Beveland. Haar vader was onderwijzer op de plaatselijke basisschool waar ook zij naartoe gaat. Later gaat ze naar het atheneum in het 17 kilometer verder gelegen Goes. Ze slaagt in acht vakken en nog voordat ze 18 wordt studeert ze al wiskunde en sterrenkunde in Leiden. In 1994 behaalt ze cum laude haar propedeuse in deze studierichtingen. Zij beperkt zich daarna tot sterrenkunde, waarin ze in 1997 afstudeert. In Leiden is ze lid geworden van het Leidsch Astronomisch dispuut ‘F. Kaiser’, waar ze ook haar latere levenspartner Roel Gloudemans ontmoet. Ze trouwen in 2002.
Een jaar later promoveert ze bij professor Van Dishoeck op een proefschrift met als titel: Spectroscopy of Gases around Massive Young Stars. Op pagina 178 van haar proefschrift schrijft zij: ‘Samenvattend laat dit proefschrift zien, dat de analyse van spectra van verschillende moleculen in verschillende golflengtegebieden, complementaire informatie oplevert over de chemische processen in het omhulsel van massieve protosterren. Dit maakt spectroscopie een krachtig middel om de evolutie van massieve protosterren te bestuderen.’
Voor veel van haar vrienden is het abracadabra. Maar in de wetenschappelijke wereld is haar naam gevestigd. Ze krijgt een baan bij het Nederlands instituut voor ruimte-onderzoek SRON, waar zij onderzoek doet naar processen in de atmosfeer van de aarde.
In 2005 wordt een melanoom in haar knie ontdekt en verwijderd. Zij lijkt zich goed te herstellen en kan zelfs weer schaatsen op de Uithof, hoewel ze in stelling 8 bij haar proefschrift betoogde dat ‘schaatsen op interstellair ijs ongezond is’.
Ze is gefascineerd door de schoonheid van het zuidereiland van Nieuw-Zeeland – het land dat ze kende van de Lord of the Rings-filmcyclus – en reist er drie keer naartoe.
Ook wordt ze in 2008 moeder van een zoon, hoewel ze gezien haar verleden eerst een advies heeft ingewonnen over de risico’s bij het Antoni van Leeuwenhoek-ziekenhuis.
Op 20 augustus van dit jaar voelt ze een knobbeltje in haar oksel. Enkele dagen later hoort ze dat er uitzaaiingen zijn en dat genezing niet mogelijk is. Op woensdag 6 oktober gaat ze naar het ziekenhuis vanwege obstipatie en bloedarmoedecomplicaties. Ze weet dat ze dood gaat.
(1-11-2010)
Jens van der Vorm-de Rijke (1957-2010)
Een LPF’er met een rijdend Unifil-museum
Peter de Waard
Hij was net 19 jaar toen hij voor het eerst politiek actie voerde. Op 1 mei 1975 haalde hij de rode vlag van het gemeentehuis van Dordrecht die daar ter gelegenheid van de Dag van de Arbeid wapperde.
‘Hij heeft vanaf zijn jeugd een rechtse inborst gehad’, zegt zijn partner Martijn de Rijke-van der Vorm over Jens van der Vorm-de Rijke met wie hij in 2001 trouwde.
Op 9 oktober overleed Jens van der Vorm-de Rijke op 53-jarige leeftijd aan een agressieve vorm van darmkanker.
Hij was een kleurrijke man die zoveel energie had dat hij eigenlijk dubbel heeft geleefd. Uit zijn eerste huwelijk – met een vrouw van wie hij in 1989 scheidde – laat hij twee kinderen na.
Landelijk werd hij onder meer bekend als de lijsttrekker van de LPF bij de Europese verkiezingen van 2004. Hij haalde net geen zetel, ook omdat de LPF toen al over zijn hoogtepunt heen was. ‘Hij kwam bij de partij toen zijn dochter de jonge Fortuynisten wilde oprichten. Ze had geen geld voor de oprichtingsacte, zodat Jens moest bijspringen’, aldus zijn partner.
Van der Vorm zou vier jaar provinciale statenlid voor de LPF zijn en landelijk secretaris. In die laatste functie mocht hij uiteindelijk de stekker eruit trekken. Daarna werd Jens van der Vorm-de Rijke lid van de lokale partij Beter voor Dordt (BVD). In maart werd hij nog in de gemeenteraad gekozen, een maand later werd kanker geconstateerd.
Jens van der Vorm werd geboren in Dordrecht als de zoon van een administrateur bij het GAK. Na de havo en het vwo besloot hij in 1979 als dienstplichtig militair naar Libanon te gaan op een van de allereerste UNIFIL-vredesoperaties. In het zuiden van Libanon schoten de vijandige partijen – Israël en de Palestijnen – over de VN-kampen op elkaar zonder dat de blauwhelmen veel konden uitrichten. Hij gaf daar het Nederlands VN-detachementsblaadje uit, de Dubbel Vier.
Jens van der Vorm was op dat moment al actief in de Raad voor het Jeugdbeleid in Dordrecht. Van 1976 tot 1982 was hij voorzitter van Jeugdraad. Nadat hij uit dienst was afgezwaaid, kwam Van der Vorm in 1980 in dienst van de Algemene Nederlandse Bond van Groenten- en Fruitexporteurs. Hiervoor deed hij ook de public relations. In 2000 zou hij secretaris worden van het Hoofdbedrijfsschap Agrarische Groothandel Groenten en Fruit.
Hij was in 1984 medeoprichter van Stichting Dordt in Stoom, waarvoor hij zich meer dan twintig jaar inzette. Zijn liefde voor de stad was zo groot dat hij zich nog op zijn sterfbed druk maakte over de historische binnenstad.
Hij koesterde ook de herinnering aan zijn dienstperiode in Libanon, waar een van zijn maten Philip de Koning het leven verloor nadat hij op een mijn was gereden. Van der Vorm kocht twee witte Unifil-voertuigen, waaronder een ‘dikke DAF’ met het nummer UNIFIL 3103 waarin De Koning overleed. Hij noemde het zijn ‘rijdend Unifil-museum’ dat hij graag meenam naar de veteranendagen in Wageningen. In 2009 stelde hij nog het actiecomité ‘Wageningen, we gaan’ samen, naar aanleiding van het voornemen dat jonge veteranen niet langer welkom zouden zijn in Wageningen. In juli van dit jaar werd hij benoemd tot lid van de Orde van Oranje-Nassau.
(25-10-2010)
Max Kohnstamm (1914-2010)
Kain was niet slechter dan Abel
Peter de Waard
Hij raakte zijn geloof in God kwijt in het concentratiekamp Amersfoort. Hij kreeg er daar ook een ander geloof voor terug: dat in het Europese ideaal. Het zou een geloof zijn dat hij tot zijn dood bleef aanhangen.
Historicus, diplomaat en intellectueel Max Kohnstamm is woensdag op 96-jarige leeftijd overleden in zijn woning aan de Amsterdamse Prinsengracht. Kohnstamm werd bekend als de secretaris van koningin Wilhelmina in de drie eerste naoorlogse jaren en als groot pleitbezorger van Europese samenwerking. Hij was zelfs voorstander van een Verenigde Staten van Europa. Hij was nauw betrokken bij de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) in 1952, de voorloper van de EU. Ruim 25 jaar lang was hij een persoonlijke vriend van Jean Monnet, de oprichter van de EGKS. Kohnstamm pleidooi voor samenwerking was gebaseerd op de overtuiging dat in het competitieve element van ieder mens de oorzaak van elk conflict was gelegd. ‘Kain was niet slechter dan Abel, maar als twee mensen de wereld willen verdelen gaan ze allebei hun ondergang tegemoet.’
Kohnstamm werd in 1914 geboren. Hij was de zoon van Philip Kohnstamm, een natuurkundige, filosoof en grondlegger van de wetenschappelijke pedagogiek en didactiek in Nederland, en An Kessler – telg uit een geslacht van de oprichters van de Koninklijke Nederlandsche Petroleum Maatschappij – de latere Shell.
Hoewel de familie een Duits-joodse afstamming had, werd aan het geloof nauwelijks iets gedaan. Kohnstamm werd protestants opgevoed in een woning in Ermelo die voor de oorlog een verzamelplek was voor intellectuelen. Hij studeerde moderne geschiedenis. Na zijn kandidaatsexamen ging hij in 1938-1939 een jaar naar de Verenigde Staten voor een studie van de New Deal van president Roosevelt. In 1942 zat hij enkele maanden gevangen in Kamp Amersfoort. De gevangenschap en het schuldgevoel dat te hebben overleefd, hadden een enorme invloed op hem. Hij schreef later een brievenboek over het kampleven tijdens de oorlog. ‘In Amersfoort, waar ik met een groepje medegevangenen, in die koude winter van ‘42-43, sneeuw van de ene naar de andere kant van een vlakte moest sjouwen, heb ik mij voor ‘t laatst, heel sterk, in Gods hand gevoeld.'
Ter gelegenheid van de verjaardag van Adolf Hitler werd hij op 20 april 1943 vrijgelaten, maar in juni van dat jaar werd hij opnieuw gevangengenomen en als gijzelaar in de kampen Haaren en Sint-Michielsgestel opgesloten. In laatstgenoemde kamp behoorde hij tot de Heeren Zeventien, een groep gevangen bestuurders die discussieerden over partijpolitieke vernieuwing na de oorlog. Na WO II was hij drie jaar particulier secretaris van koningin Wilhelmina. De band met de Oranjes bleef altijd warm. Zo was hij de peetvader van prins Constantijn op wiens huwelijk hij ook een speech hield. Vervolgens was hij namens het ministerie van Economische Zaken betrokken bij de uitvoering van het Marshall Plan in Nederland. Vervolgens werd hij secretaris van de Hoge Autoriteit van de EGKS te Luxemburg. ‘De historie bewijst dat daar waar geen gemeenschapsvormen tot stand zijn gekomen -waar dus alleen het competitieve element speelt- het conflict geboren is.’
Zijn inzet voor het ideaal maakte mensen soms bijna gek. Zelfs zijn kinderen waren het 'Europa-gedoe' wel eens zat. De PvdA polste hem een keer om burgemeester van Amsterdam te worden. Maar Kohnstamm zag ervan af en verliet de PvdA zelfs toen partijvoorzitter Ien van den Heuvel in 1975 begrip kon opbrengen voor de bouw van de Berlijnse muur.
Van 1976 tot 1981 was hij de eerste president van het Europees Universitair Instituut te Florence. Hij werd later erevoorzitter van het European Policy Centre in Brussel. In 1977 kreeg Max Kohnstamm de Wateler Vredesprijs, in 1987 de Jean Monnetprijs en in 2004 een Roosevelt Freedom Award. Het stemde Kohnstamm droevig dat in de laatste jaren het debat in Nederland over Europa zich beperkte tot de hoogte van de bijdrage. Hij bleef een Europese idealist, ook toen tegenstanders - Bolkestein zei ooit 'allergisch te zijn voor zijn eurogezwemel' - hem gebrek aan realiteitszin verweten.
(23-10-2010)
Rudolf Mees (1931-2010)
De bankier van de duurzame deurklinken
Peter de Waard
’Jij bent antroposoof, hè?’ werd Rudolf Mees een keer door iemand van katholieke huize gezegd. ‘Heeft die overtuiging invloed op je werk?’ vervolgde hij. Mees antwoordde: ‘Ik hoop het’, keerde de vraag daarop om en de man bleef stil.
Rudolf Mees die 29 september op 79-jarige leeftijd overleed aan kanker, heeft zijn stempel op de idealistische kant van het Nederlandse bankwezen gedrukt. Hij was een van de vier oprichters van de Stichting Triodos waaruit in 1980 de Triodos Bank ontstond - een antroposofische bank die kredieten geeft aan bedrijven die daadwerkelijk iets bijdragen aan de samenleving, zoals fair trade organisaties, biologische boeren, kunst en sociale projecten.
Mees werd in 1931 geboren in Den Haag. Hij was in de verte een telg van het befaamde Rotterdamse bankiersgeslacht dat in 1720 de bank R. Mees & Zoonen oprichtte, een bank die in 1962 fuseerde met Hope & Co tot Mees & Hope en in 1994 weer met Pierson, Heldring & Pierson tot MeesPierson.
Zelf rekende hij zich tot de ‘arme tak van de Mezen’. Zijn vader was huisarts in Den Haag en eigenlijk wilde hij ook iets in de medische sector gaan doen. Uiteindelijk ging aan de Erasmus in Rotterdam toch economie studeren. ‘Common sense made difficult’, zo sneerde hij wel eens over deze studie.
Hij ging eerst werken hij de Continentale Handelsbank voordat hij toch bij Mees & Hope terecht kwam. Hij vond het een uitdaging om zijn antroposofische overtuiging zowel binnen zijn werk als daarbuiten - ondermeer in de Vrije School-beweging - toe te passen. ‘Mijn vader was eigenlijk een voorloper van de jaren zestig-beweging’, zo zegt zijn zoon Vincent Mees, zelf bankier bij de FMO. In de jaren zestig kwam hij in contact met andere antroposofen: de organisatiedeskundige Lex Bos, de fiscalist Dieter Brüll en de econoom Adriaan Déking Dura.
In 1970 richtten zij de Stichting Triodos op. Mees werd verantwoordelijk voor de bankkant. ‘Hij was voortdurend bezig de maatschappelijke kant van bankieren te versterken. Het stimuleren van bewust omgaan met geld was zijn motto’, aldus Peter Blom, de huidige directievoorzitter van de Triodos Bank.
Hoewel hij een van de foundig fathers was van de Triodos Bank werd hij in 1980 door topman Willem Scherpenhuijsen Rom - zelf antroposoof - overgehaald om bij de Nederlandsche Middenstands Bank (NMB) te komen werken. ‘Mees was niet iemand voor startende ondernemingen, meer een voor het grote werk. Daarom koos hij voor de NMB in plaats van Triodos’, zegt Blom.
Hij kwam terecht in de raad van bestuur waar hij ondermeer verantwoordelijk werd voor het personeelsbeleid. Daarnaast bemoeide hij zich met de uitwerking van de bouw van het beroemde nieuwe NMB-hoofdkantoor in Amsterdam-Zuidoost - het zogenoemde ‘Zandkasteel’. Hij wilde zoveel mogelijk duurzame materialen in het kantoor. Uren besteedde hij aan het zoeken van de meest ideale trapleuningen en deurklinken voor dit gebouw. Hij maakte de fusie met de Postbank nog mee maar na die met verzekeraar Nationale-Nederlanden tot deING Groep stapte Mees op en ging met pensioen. Hij kon zich daarna in toezichthoudende functies op het wel en wee van Triodos concentreren en werd lid lid van de Ondernemingskamer aan het Gerechtshof Amsterdam.
(18-10-2010)
Ien van den Heuvel (1927-2010)
Een voorbeeldige ‘rooie vrouw’
Alleen van het noemen van haar naam Ien kregen vele Telegraaf-lezers al nachtmerries. Haar grote bril, haar kleding, haar kapsel en vooral haar standpunten deden rechts Nederland in de jaren zeventig gruwen.
Ze vond de NAVO een ellendig ding, noemde een linkse dictatuur beter dan een rechtse, zei begrip te kunnen opbrengen voor de bouw van de Berlijnse muur en was in de Eerste Kamer de grote voorvechter van legalisering van abortus. Ien van de Heuvel die van 1975 tot 1979 voorzitter was van de PvdA, overleed afgelopen woensdag in haar woonplaats Heemskerk op 83-jarige leeftijd. Ze was voorzitter in de tijd dat de PvdA van Joop den Uyl aan de regering was. In de partij stond ze op de linkervleugel en was ze de grote voorvechter van de rooie vrouwenbeweging. Ze Van den Heuvel zette de polarisatiestrategie die al door haar voorganger André van der Louw was ingezet, voort. Ze pleitte voor een grote socialistische familie van PvdA, de vakbond NVV, de VARA, linkse kranten en linkse culturele organisaties. De PvdA moest een actiepartij worden.
Van den Heuvel werd als Ien de Blank in 1927 geboren als jongste van een gezin van drie kinderen. Haar vader was een kleermaker in Tiel. Ze moest jurken dragen die gemaakt waren van de oude jassen van haar oudere broer, waarvoor ze zich enorm geneerde. Haar ouders waren atheïstisch maar niet rood en hadden niet bijster veel interesse voor politiek. Na de oorlog haalde ze het hbs-diploma, en ging als secretaresse aan de slagging. en bij bedrijven – werk dat ze niet bijster interessant vond.
Ze zocht aanvankelijk een uitdaging in een lidmaatschap van de Vrijzinnig Christelijke Jeugd Centrale (VCJC), maar voelde zich na haar huwelijk in 1950 voelde ze zich steeds meer aangetrokken tot de vrouwenbeweging van de PvdA. Stap voor stap maakte ze carrière in de partij en in met de PvdA gelieerde organisaties als de VARA en de nationale emancipatieraad. Ze vond dat de PvdA bij gelijke geschiktheid een vrouw als voorzitter zou moeten hebben, omdat ‘vrouwen nu eenmaal een enorme achterstand in de maatschappij hadden’. ‘Ik ben socialist omdat ik constateer: deze maatschappij bevalt mij niet, want ik pas er als mens niet in. Ik ben feministe omdat ik zeg: deze maatschappij bevalt mij niet, want ik pas er als vrouw niet in’. In een interview met Het Parool zei ze in 1975 ‘zich alleen gelukkig te voelen in een geradicaliseerde partij’. Ze vond dat de landelijke linkse beweging daarom blijvend verzet moest bieden tegen de Haagse linkse elite.
‘Ik houd niet van de rare ingewikkelde betoogtrant. Wil je dat ik net zo praat als Joop (den Uyl-red.) of Max (van der Stoel-red.)? Dan zou ik pas echt weg moeten gaan’, verklaarde ze in het Vrije Volk. Hierdoor werd ze zelfs een luis in het linkse kabinet Den Uyl. Zij wilde samenwerken met de pacifisten (’als ik een man zou zijn, zou ik dienst weigeren’) van de PSP en opende een dialoog over samenwerking met de CPN. van de onverzoenbare Marcus Bakker. Ze joeg niet alleen veel politici van de VVD en het CDA tegen zich in het harnas, maar ook die van haar eigen PvdA als Ivo Samkalden, Wim Meijer en zelfs Jan Schaefer.
Toen het tweede kabinet Den Uyl er niet kwam stapte ze op als voorzitter en liep ze ook boos weg uit de Eerste Kamer. In 1989 verdween ze uit de landelijke politiek.
(14-10-2010)
Joop Seegers (1957-2010)
De voorvechter van de sociale rechtshulp
Peter de Waard
Zijn grootste verdienste? ‘Misschien dat hij van de sociale rechtshulp een vast onderdeel van elke advocatenpraktijk heeft gemaakt’, zegt zijn partner mr. Jos Lebouille van de maatschap Seegers & Lebouille.
Mr. Joop Seegers was de grote voorvechter van de sociale advocatuur. Dertig jaar stond hij krakers, demonstranten, etnische minderheden en andere underdogs in de samenleving bij. ‘Maar daarbij bleef hij altijd de advocaat. Werd nooit de actievoerder of politieke ideoloog’, aldus Lebouille.
Joop Seegers overleed op 25 september op 52-jarige leeftijd. Hij was twee kilometer voor het einde van de jaarlijkse Dam tot Damloop plotseling in elkaar gezakt. Zes dagen kon hij nog met machines in leven worden gehouden.
Seegers was bekend met hartproblemen, zodat hij op aanraden van zijn cardioloog was gaan sporten. Het werd hem fataal.
Zijn broer Gerard denkt dat zijn verleden misschien een rol heeft gespeeld. ‘Als kind heeft hij een ernstige nierziekte gehad, waardoor hij bijna twee jaar in een ziekenhuis lag. Daar is ook zijn karakter gevormd. Hij stond altijd de zwakkeren in de samenleving terzijde. Als hij met zijn motorclub op stap ging en er moest iemand wegens ziekte achterblijven, dan bleef ook Joop bij hem.’
Joop Seegers werd geboren in het Limburgse Susteren, waar zijn vader stationschef was. Hij studeerde aan het Bisschoppelijk College ‘Kleesj’ in Sittard. Hij was onconventioneel, met haren tot over zijn schouders. Na een studie rechten sloot hij zich aan bij het Advokatenkollektief Staatsliedenbuurt dat was opgericht door Jaap de Groot en Fan Eberhard. Hier werd hij een van de juridische gezichten van de kraakbeweging. Gerard Seegers: ‘Een gevoel voor rechtvaardigheid en vertrouwen in mensen vormde de basis van zijn inzet.’ Toen een keer een parketwachter zijn cliënt te hard aanpakte, probeerde hij die los te trekken. Vervolgens werd Seegers in de houdgreep genomen. ‘Advocaat verdedigde cliënt in woord en daad’, kopte De Telegraaf de volgende ochtend.
Joop Seegers was nooit op geldelijk gewin uit, ook niet toen hij begin jaren negentig zijn eigen praktijk begon met mr. John Wattilete, de huidige president van de regering in ballingsschap van de Zuid-Molukken. In 1993 vormde hij een nieuw partnerschap met Jos Lebouille.
Toen bij de Eurotop in 1997 demonstranten preventief werden opgepakt door de Amsterdamse politie, zei hij in Het Parool over de toenmalige burgemeester Schelto Patijn: ‘Iemand die mensen interneert zonder wettelijke basis, zou eigenlijk geen burgemeester mogen zijn.’
Letselschadezaken werden uiteindelijk zijn specialiteit. Voor werknemers die het slachtoffer waren van een bedrijfsongeval haalde hij tonnen binnen. In de laatste tien jaar zat hij ondermeer in het bestuur van de Vereniging Sociale Advocatuur Amsterdam en de Raad van Toezicht van de Amsterdamse Orde van Advocaten. Het werk was zijn roeping, ook nadat hij vier jaar geleden een dottersbehandeling had ondergaan. Volgens zijn vrienden werkte hij tot aan of zelfs over de grens van uitputting. Maar zijn humor hield hem overeind. ‘Niemand kon zo schitterend de slappe lach hebben als Joop Seegers’, zegt een collega.
(11-10-2010)
Lex van Delden (1947-2010)
De ideale acteur voor het kostuumdrama
Peter de Waard
Als je sprak over Van Oude Mensen en de Dingen die Voorbijgaan, verbeterde hij het meteen: ‘Van Oude Mensen, de Dingen die Voorbijgaan’. Wie de Londense straat Pall Mall uitsprak met een A of zelfs halve O als klinker, werd onmiddellijk gerectificeerd. Het is Pell Mell. Hij hoorde elke foute noot in een muziekstuk en keek dan geërgerd.
Voor een bijna obsessieve perfectionist heeft Lex van Delden bijna ongelooflijk veel gedaan. De acteur en tenor heeft honderden rollen vervuld en gezongen. Van Delden overleed woensdag in Amsterdam na een slopende ziekte.
In de jaren zestig en zeventig was hij de ideale acteur voor het Nederlandse kostuumdrama dat toentertijd nog het hoogtepunt was van elke televisie-avond. Hij brak eind jaren zestig door met de zwart-wit serie De Kleine Zielen, op dat moment de duurste en meest ambitieuze serie ooit. In deze voor de NCRV door Johan de Meester geregisseerde serie, gebaseerd op De Boeken der Kleine Zielen van Louis Couperus, speelde Van Delden de rol van Addy van der Welcke. Daarna gaf televisieregisseur Walter van der Kamp hem meteen de hoofdrol in de televisiebewerking van Bordewijks roman Karakter. Van Delden werd de nationale Jacob Willem Katadreuffe die continu werd tegengewerkt door Dreverhaven, een rol die door zijn eigen oom Ko van Dijk werd vertolkt.
Van Delden werd in 1947 geboren als Alex Zwaap. Hij was de zoon van de actrice Jetty van Dijk en de componist en muziekrecensent Alex Zwaap die na de oorlog zijn onderduiknaam Lex van Delden had geadopteerd. Toen Zwaap in 1966 zelf naar de toneelschool ging koos hij voor de artiestennaam Lex van Delden . Hij begon zijn carrière in 1967 met Ramses Shaffy in het programma Shaffy Verkeerd. ’De regisseur Johan de Meester zocht op dat moment een onschuldig ogende jongeman voor de rol van Addy. Zijn oog viel op mij’, zei hij in 2000 in een interview in deze krant. Van Delden maakte daarna een stormachtige loopbaan door op de Nederlandse televisie. Hij speelde in de jaren zeventig in bijna alle grote klassieke televisiedrama's mee: Karakter, Van Oude Mensen, de Dingen die Voorbijgaan, De Stille Kracht en Hollands Glorie. In deze series werkte hij samen met grootheden als zijn oom Ko van Dijk, maar ook Paul Steenbergen, Bob de Lange, Caro van Eijck en Ellen Vogel.
De leergierige Van Delden vond zelf dat hij in 1978 in Nederland vastliep. 'Ik werd op dat moment niet meer beter als acteur, en dat wilde ik wel worden. Daarnaast wilde ik ook zingen, en in Nederland waren er geen geschikte operagezelschappen waarbij ik mij kon aansluiten. Toen ben ik naar Londen gegaan.' Daar heeft hij de afgelopen 32 jaar in talrijke televisieseries en -producties, opera's en toneelstukken gespeeld en gezongen. 'Ik durf te zeggen dat ik hier professioneel acteur ben geworden. In Nederland was ik het ook, maar zo voelde ik mij niet.' In Engeland werd hij misschien nog het meest bekend van de rol van een Nederlandse zakeman die hij enige tijd speelde in de populairste soap Coronation Street. In de West End speelde hij in toneelstukken van Brecht en zong hij als tenor in opera’s van Puccini, Monteverdi en Offenbach. Net als zijn vader componeerde hij ook af en toe zelf muziek.
Hij bleef leegierig tot aan zijn dood. Hij wilde weten waarom een bepaald schilderij van Van Gogh zoveel mensen aansprak of een opera van Mozart. ‘Ik ben altijd bezig mijn artistieke smaak te verbeteren.’ Londen was voor hem het artistieke mekka - ‘Welke stad in de wereld kent vijf symphonie-orkesten? – en de Engelsen de ideale kunstenaars dankzij hunt vormbesef en de ingeboren professionaliteit – ‘Ze weten hoe het hoort en als ze iets doen, doen ze het goed’. Na 1978 vestigde hij zich hier ook met zijn vriend in de wijk Camden Town. Maar hij kwam veel naar Nederland. Van Delden haalde nooit zijn neus op voor minder hoogdravend werk – als het maar perfect werd gemaakt. Hij speelde rollen in dramaseries als Grijpstra & De Gier, Flikken Maastricht en die van Willem Drees in de serie Juliana. Ook speelde hij in liefst vijftien films waaronder klassiekers als Soldaat van Oranje en Een Brug Te Ver.
(9-10-2010)
Bouk Schellingerhoudt (1919-2010)
Gouden Bouk was voorloper van IJzeren Willem
Peter de Waard
‘IJzeren Willem’ is een icoon van de wielerwereld. Maar ‘Gouden Bouk’ is een van de illustere voorgangers die de Tour de France reed en Nederlands kampioen werd.
Bouk Schellingerhoudt overleed op 19 september in zijn geboorteplaats Zaandam, waar hij jarenlang aan de Zuiddijk een sigarenzaak had. Daarnaast organiseerde hij rondleidingen door de Zaanstreek. Zijn hele leven bleef hij een bekende Zaankanter die tegen zijn klanten altijd graag over zijn wielerprestaties praatte.
Boudewijn Schellingerhoudt – de naam Bouk zou hij pas tijdens zijn wielercarrière krijgen – werd in 1919 geboren in een gezin van tien kinderen in Zaandam. Zijn vader was daar groenteboer. Al voor de oorlog werd hij gegrepen door de wielersport. Hij werd in 1935 lid van de Zaanse wielerclub DTS (Door Training Sterk), waar zijn broer Jan al fietste en waar ook WK-uitblinker Niki Terpstra vele decennia later zijn carrière begon.
Schellingerhoudt reed eerst als amateur, later als zogenoemd onafhankelijk renner – toen een aparte categorie tussen amateurs en profs – en vanaf 1944 als prof.
In 1946 werd hij in Valkenburg kampioen van Nederland, waarbij hij onder meer Gerrit Schulte en Theo Middelkamp te slim af was. Als training voor dit kampioenschap had hij vier keer als training het rondje Zaandam-Valkenburg-Antwerpen gereden.
Het jaar daarop werd hij uitgenodigd voor de Tour de France in een Nederlandse ploeg die was aangevuld met een Pool, een Italiaan en een Belg. Schellingerhoudt wist de door de Fransman Jean Robic gewonnen ronde niet te voltooien. In de zevende etappe kwam hij te laat binnen door drie lekke banden. ‘In die tijd waren er nog geen materiaalwagens en moesten de renners zelf hun banden lappen of andere banden meenemen rond hun nek. Dat was een enorme belasting, omdat ze vaak nog over grintpaden reden’, aldus archivaris Ton R. Vermij van DTS, die dit jaar nog samen met Schellingerhoudt de start van de Tour de France in Rotterdam bezocht.
In de jaren daarop werd hij opnieuw uitgenodigd voor de Tour de France, maar hij zou niet meer meedoen omdat hij de voorkeur gaf aan de Ronde van Zwitserland, die toentertijd financieel lucratiever was. Hier reed hij in 1948 als knecht in dienst van de Italiaanse wielerlegende Gino Bartali.
Schellingerhoudt stond bekend als een enigszins flegmatieke coureur, die zijn momenten uitkoos om te winnen. In 1949 was hij de kopman van de Jocoploeg in de Ronde van Nederland. Hij veroverde de oranje leiderstrui, maar door materiaalpech in Limburg moest hij die afstaan aan Gerrit Schulte. Hij werd uiteindelijk derde.
Schellingerhoudt was toen al getrouwd en had zijn met wielrennen verdiende geld in een sigarenzaak geïnvesteerd. De aandacht ging steeds meer uit naar zijn maatschappelijke toekomst, hoewel hij nog tot 1954 als prof bleef fietsen.
Hij bleef ook daarna bij DTS betrokken. In 1969 richtte hij de jeugdwielerschool op. Bij het veertigjarig bestaan in 2009 werd hij hiervoor nog door de KNWU onderscheiden met het Zilveren Wiel. Schellingerhoudt reed tot zijn 91ste jaar nog vier keer per week tussen de 40 en 60 kilometer op een dag.
(4-10-2010)
Big John Russell (1943-2010)
De soulzanger die door The Beatles werd begeleid
Peter de Waard
Hij smeerde na optredens in de Scheveningse discotheek Pam Pam zijn sigaretten in met Vicks omdat het goed was voor zijn stem. Misschien was het daaraan te danken dat Big John Russell voor zijn fans de beste soulzanger was die Nederland ooit heeft gekend.
John Russell overleed op 12 september volkomen onverwacht aan een hersenbloeding. De oudere generatie zou hem vooral moeten herinneren als de zanger van de hits van het jaren zeventig-duo Spooky & Sue (You talk too much, Would You Like to Swing on a Star en You got what it takes), de nieuwe generatie zal vooral zijn La Presie van de tv-reclame van PTT herkennen.
John Russell – hij had Britse grootouders – werd in 1943 in Paramaribo geboren. In 1959 werd hij door zijn ouders naar Nederland gestuurd om daar te gaan studeren. Zij wilden dat hij patholoog-anatoom zou worden. Maar de muziek trok hem meer, nadat hij een Elvis-talentenjacht in Suriname had gewonnen.
In Nederland kreeg hij een uitnodiging voor optredens in het kindercircus van Toni Boltini. Koningin Juliana zag hem daar en schonk hem een akoestische gitaar. Daarna ging hij toeren in Duitsland, waar hij in de Starclub in Hamburg begeleid werd door The Silver Beatles, de toen nog onbekende groep van Paul McCartney en John Lennon. In juni 1964 mocht Russell in Blokker in het voorprogramma staan bij het enige Nederlandse concert van de inmiddels beroemde The Beatles.
Hij kwam daarna in een band terecht met onder anderen drummer Pierre van der Linden en gitarist Jan Akkerman van de latere groep Focus en won daarmee een tweede prijs in de Muziekparade van de VARA. Bij de legendarische Phonogram-producer Rini Geveke bracht hij zijn eerste single Baby Twist uit.
Vanwege zijn lengte en omvang (hij zou later 200 kilo wegen) kreeg hij de bijnaam Big John Russell.
Begin jaren zeventig kwam Russell in contact met de Britse zangeres Sue Chaloner. Samen hadden ze een reeks hits als duo Spooky & Sue, hoewel Russell tijdens televisieoptredens werd vervangen door de Arubaanse danser Iwan Groeneveld.
Na zijn breuk met Sue Chaloner scoorde Big John Russell tien hits (Never loved a woman the way I love you en Hokie Pokie) waarmee hij in Duitsland zo veel succes had, dat hij in 1981 de Gouden Piramide kreeg als ‘de Beste, de Duurste en de Meest Verkochte Artiest in Duitsland’. Hij investeerde zijn geld in discotheken in Uithoorn (Tutti Frutti) en Amersfoort (Big John’s Dance Palace) en een shoarmazaak (Jeruzalem of Gold). Maar hij was succesvoller als artiest dan als zakenman. In 1985 scoorde hij een hit met Party Time. Hij toerde door heel Europa met Bill Haley, Middle of the Road, Mungo Jerry, Bonnie Tyler, The Tremeloes en The Rubettes. Op verzoek van prinses Irene maakte hij een plaat voor haar discoboek Irene, moeder of rebel, waarvan er 400 duizend werden verkocht. In zijn woonplaats Leusden kreeg hij zijn eigen 36-track geluidsstudio.
Hij bleef concerten geven. Meestal begonnen die met zijn uitvoering van het nummer Papa was a rolling stone, met de fameuze regel ‘It was the 3rd of September, that day we will always remember’. Op de rouwkaart maakten zijn vrouw en vier kinderen er een andere zinsnede van ‘It was the 12th of September’, een dag die zij zich altijd zullen blijven herinneren.
(27-9-2010)
Gerrit Taverne (1944-2010)
De dominee die alleen guldens wilde hebben
Peter de Waard
Hij vond de sterrenkrans op de euro een ‘schoffering van het Woord van God’ en collecteerde daarom nog in guldens. Hij weigerde te bidden voor de koningin sinds Willem-Alexander was getrouwd met een katholiek meisje. Hij wees het huidige staatsbestel af en vond zelfs de SGP te progressief.
Dominee G.F. (Gerrit) Taverne overleed op 27 augustus aan de gevolgen van kanker. Hij wilde geen ziekenhuisbehandeling, omdat hij zich schikte in zijn lot. Taverne was de laatste echte calvinist van Nederland – iemand die alle regels van deze radicale Zwitsers/Franse hervormer tot op de letter eerbiedigde en diens aversie tegen het paapse Rome deelde.
Dat Taverne de euro niet wilde, kwam omdat Europa een symbool heeft met twaalf sterren. En dat was in de ogen van Taverne een verwijzing naar een bijbels symbool. ‘En er werd een groot teken in de hemel gezien: een vrouw, met de zon bekleed, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd’, staat in het bijbelboek Openbaring, hoofdstuk 12, vers 1. Daarnaast waren de sterren neergezet op een hemelsblauwe ondergrond, ‘ter ere van Maria en van Rome met haar perfide paapse mis’.
Taverne werd in 1944 geboren in Den Haag, waar zijn vader G. Taverne dominee was. In 1951 verhuisde het gezin van vier kinderen naar Hoogeveen. Hier overleed op 12-jarige leeftijd het jongste zusje. Later kwam bij een ongeluk in België een broer om. Deze tragedies hadden grote invloed op de latere dominee.
Zijn vader ging na een conflict in 1954 verder als predikant van de Presbyteriaal Hervormde Classis Nederland der Ene Heilige Katholieke Kerk. Hij noemde de kerk van Rome ‘een macht die het licht met list, bedrog en geweld van de kansel en uit de staat weert.’ Hij overleed in 1998 op 95-jarige leeftijd toen zijn zoon al lang in zijn voetsporen was getreden.
In 1977 was Taverne zelf predikant van de vrije hervormde gemeente – een orthodoxe kerkrichting – in IJsselmuiden geworden. Hij had een zware studietijd achter de rug – eerst gepest op school en later op de universiteit in Groningen gemeden vanwege zijn overtuiging.
In 1983 kwam hij in IJsselmuiden in conflict met een deel van de gemeente. Sindsdien hield Taverne voor zijn aanhangers zelf samenkomsten, die bestonden uit een preek en het zingen van psalmen – berijming 1773 zonder orgel – precies zoals het in de achttiende eeuw was in de kerken van de Reformatie. ‘Hij was onbuigzaam en zou uit principe nooit een hand geven aan een katholieke priester, maar voor de rest was hij vriendelijk, bescheiden en eerlijk’, zegt een volgeling.
Hij was tegen de televisie, tegen inenting, tegen verzekeringen, tegen kinderbijslag en AOW. Hij reed naar eigen zeggen met ontheffing onverzekerd in de auto zonder gordel. ‘Wij behoren God toe, de overheid heeft daar slechts naar te luisteren.’ Hij koesterde de strikte Engelse en Schotse tradities – eeuwenoude lectuur over de verborgen omgang met de Here, genade en eeuwig verderf.
Het Verenigd Europa deed Taverne af als een door het Vaticaan – de ‘hoer van Babylon, de moeder der hoererijen en der gruwelen der aarde’ – beraamd plan voor de heerschappij van Europa. Taverne zwoer bij Revius, anno 1629: ‘Oock sal men u, ô Romen noch verbranden.’
(20-9-2010)
Jan Vriezo Voortman (1919-2010)
Een verzetsheld die geen lintje kreeg
Peter de Waard
Hij haalde onder het oog van Duitse soldaten tot twee keer toe springstof weg onder de houten Veenhoopsbrug waardoor de bevrijders in 1945 bij Smilde Drenthe konden binnentrekken.
Het was een unieke daad van moed van Jan Vriezo Voortman, die 28 augustus op 90-jarige leeftijd in een verzorgingstehuis in Westerbork overleed.
Niettemin werd een aanvraag voor een koninklijke onderscheiding in 2003 door de toenmalige commissaris van de Koningin in Drenthe Relus ter Beek afgewezen omdat zijn verzetsdaad ‘te lang geleden’ had plaatsgevonden en een ‘beperkte maatschappelijke herkenbaarheid’ had. Hij kreeg wel een Franse onderscheiding. Tijdens de herdenking in Assen werd het Franse Diplôme d’Honneur van de Amicale des Anciens Parachutistes S.A.S. opgespeld voor zijn hulp aan de Franse parachutisten. Zijn oudste zoon Bertus Voortman publiceerde twee jaar geleden onder de titel De Brug van Jan Vriezo een boekje over de heldendaad.
Jan Vriezo Voortman was een simpele boer in Smilde. Tijdens de oorlog hielp hij zijn broers met het zoeken van onderduikadressen. ‘Hij kon het doen omdat de Duitsers hem zagen als een boertje die gewoon bleef melken. Niet iemand die zich met verzetsdaden bezig hield’, zegt Bertus Voortman. Enkele andere familieleden werden wel opgepakt bij razzia’s maar wisten op weg naar Duitsland uit de trein te springen en te ontsnappen.
De Duitsers hadden in april 1945 onder de Veenhoopsbrug die over de Smildervaart liep, dynamiet aangebracht om de brug te kunnen opblazen als de geallieerden in aantocht waren. Drie Duitsers bewaakten de brug.
De geallieerden dropten op 7 april in het kader van operatie Amherst Franse parachutisten. Een twaalftal kwam verkeerd terecht in de buurt van de weg naar Hooghalen. Ze scholen zich op in een buitenhuisje, ver van de bewoonde wereld. Jan Vriezo Voortman kreeg contact met ze toen hij samen met zijn broer een gewonde parachutist naar dit huis toebracht. Hij stelde ze voor de springstof onder de brug weg te halen, zodat de geallieerden daar later met hun tanks overheen zouden kunnen. Hij sprak geen woord Frans, maar wist via een foto zijn bedoeling duidelijk te maken.
De parachutisten gingen op 10 april met hem mee naar de brug. Daar werd een van de Duitsers doodgeschoten en de andere twee gevangen genomen. Daarna haalde Voortman de springstof weg. De Duitsers slaagden erin de springstof de volgende dag opnieuw aan te brengen toen de parachutisten zich hadden verwijderd.
´Mijn vader en ik stonden met nog drie mensen bij ons huis voor de brug. Ik stelde voor om de springlading weer in het water te gooien. Die andere drie zijn ‘m direct gesmeerd´, zei hij daarover.
Hoewel de Duitsers even verderop lagen, kroop Jan Vriezo Voortman op zijn buik over de spanten onder de brug, maakte de lading los en liet alles in het water vallen. De bevrijders hebben de brug uiteindelijk gebruikt voor het bevrijden van dit deel van Drenthe.
Voortman zou in 1947 trouwen met Nel de Geus, een ‘Hollandse’ uit Zandvoort die in de oorlog met gerepatrieerde bejaarden naar Drenthe was gekomen. In anonimiteit boerde hij voort op het bedrijf waar hij tachtig jaar zou blijven wonen.
(13-9-2010)
Jan ‘Pet’ (1946-2010)
De man die van de Hofstad de bluesstad maakte
Peter de Waard
Hij lag in zijn open kist zoals iedereen hem in Den Haag kende. De klep van de pet op zijn hoofd stak net boven de rand uit. Binnen zijn handbereik stond een flesje bier te midden van een zee van bloemen. Het weer was die maandag stormachtig, net zoals hij zelf was.
Onder massale belangstelling is op 23 augustus op Ockenburg in Den Haag Jan van der Sluis, beter bekend als Jan Pet, gecremeerd.
Zijn vriend Marko Fehres citeerde tijdens de plechtigheid de woorden van T-Bone Walker. ‘They call it stormy Monday, but Tuesday’s just as bad. Het was een dinsdagmorgen dat je dood gevonden werd, en het was een slechte dinsdag.’ Jan Pet was die dinsdag op 64-jarige leeftijd overleden aan een hartstilstand.
Jan Pet was de belangrijkste promotor van de bluesmuziek in Nederland. Hij begon als roadie van de legendarische band Livin’ Blues en eindigde als organisator van bluesconcerten in kroegen en zalen in Den Haag.
Hij was voor iedereen herkenbaar aan zijn onafscheidelijke sjekkie, het biertje in zijn hand, baard, spijkervest en de eeuwige pet.
De laatste tien jaar organiseerde hij de vaste JP-bluesavonden in café Lokaal Vredebreuk in de Haagse Papestraat. Ook was hij betrokken bij de organisatie van het jaarlijkse Hofstad bluesfestival – het grootste bluesevenement in Nederland.
Daarnaast was Jan Pet beeldend kunstenaar die vooral bekend was van met goudverf overgoten installaties van oud speelgoed en afval. Als hij onvoldoende verkocht, deinsde hij er niet voor terug om als toilettenbeheerder te gaan werken in een horecagelegenheid.
Jan van der Sluis werd eigenlijk in Rotterdam geboren, maar kwam als kind naar Den Haag. Omdat zijn vader en moeder al jong overleden, werd hij opgevoed door zijn broers en zus. In militaire dienst haalde hij zijn groot rijbewijs, waardoor hij als vrachtwagenchauffeur aan de gang kon. De dood van Buddy Holly was de omslag in zijn leven. Sinds die tijd was er volgens zijn zoon Dido – een van zijn drie kinderen – maar één ding: muziek.
In het weekeinde gebruikte hij de vrachtwagen om Haagse popbands gratis naar concerten te rijden. Blues was zijn grote liefde. In 1966 werd hij roadmanager van Livin’ Blues. Zes jaar lang toerde hij door Nederland en Europa met deze legendarische band rond Nicko Christiansen, Ted Oberg en John Lagrand.
Het meest memorabele uit deze tijd was het dubbeloptreden van ‘zijn band’ Livin’ Blues en Fleetwood Mac in Club 192. Meer dan 1.200 mensen waren bij het concert waar voor nauwelijks reclame was gemaakt.
Later ging hij zelf concerten organiseren. Hij kende de bluesscene als zijn broekzak. Hoewel hij altijd op de achtergrond wilde blijven, werd hij toch een instituut. Musici als Kaz Lux, Julian Sas en Marcel Scherpenzeel behoorden tot zijn kennissenkring. Jan noemde zichzelf ‘makelaar in Blues’. ‘Hij hield van een biertje, maar hield altijd zijn koppie erbij. Dat maakte hem succesvol’, aldus zijn zoon.
Zijn droom was dat JP Blueslokaal het Paradiso van de blues werd. Hij slaagde er in 2007 in een bluesfestival te organiseren van drie dagen waarbij in dertig cafés artiesten optraden. Dit jaar zal het Hofstadblues Festival in november worden gehouden. De ondertitel zal voor ene keer zijn: Tribute to Jan Pet.
(6-9-2010)
Appie Baantjer (1923 - 2010)
Groot succes met ‘lectuur zonder boodschap’
Peter de Waard
Met ruim zeventig boeken, waarvan er meer dan zeven miljoen zijn verkocht, is Appie Baantjer de best verkochte detectiveschrijver van Nederland.
Hij hoefde geen Ako-literatuurprijs of een Gouden Strop. Appie Baantjer vond het al goed als zijn boek met een mooie omslag voor tien euro in de winkels lag.
‘De anderen schrijven literatuur. Ik schrijf lectuur. Er zit geen boodschap in. Nou ja, een enkele bijbeltekst of een wijsheid van mijn moeder. Normen en waarden, daar hecht ik aan’, zei hij in 2003 in de Volkskrant.
Baantjer, die zondag op 86-jarige leeftijd in een hospice in Alkmaar is overleden aan de gevolgen van een agressieve vorm van slokdarmkanker, zei eens dat ‘een politieagent alleen de tien geboden hoefde te kennen’.
In 2004 werd hij genomineerd voor de NS Publieksprijs. Geert Mak won. Baantjer was niet verbitterd. Hij koesterde zijn eigen triomfen. Hij schreef ruim zeventig boeken. Daar zouden meer dan zeven miljoen exemplaren van zijn verkocht. Niet zoveel als die van Jan Cremer (twaalf miljoen) of Jan de Hartog (tien miljoen), maar voldoende voor de titel van veruit beste verkochte detectiveschrijver van Nederland.
Zijn boeken vormden de inspiratie voor een televisieserie en een film. Hij kreeg een eigen museum onder café Heffer aan de Warmoesstraat in Amsterdam en een plaquette op Urk.
Urk was nog een eiland toen Albert Cornelis Baantjer daar in 1923 werd geboren. Hij groeide op met de bijbel, de zondagsschool, een bedstee met acht kinderen, grote schalen met aardappels en de petroleumlamp.
Op zijn zestiende ging hij werken in een handel in vetten en spijsoliën. Meteen na de oorlog meldde hij zich aan bij de politie van Amsterdam, waar hij kon gaan werken bij de Radio-, Auto- en Motordienst te Amsterdam. Over dat onderdeel schreef hij tien jaar later zijn eerste boek toen hij zelf was overgestapt naar bureau Warmoesstraat.
Het boek, 5 keer 8....grijpt in, flopte echter volkomen bij de publicatie in 1959. Baantjer zette door en won twee jaar later een verhalenwedstrijd voor Het Parool. De figuur van rechercheur De Cock verscheen voor het eerst in 1963 in Een strop voor Bobby en kreeg definitief gestalte in De Cock en de wurger op zondag. Daarna kwamen er bijna elk jaar twee Baantjers uit.
Met zijn vaste redacteur Maran Olthoff van uitgeverij De Fontein zwierf hij jarenlang op de vroege zondagmorgen door de Amsterdamse binnenstad om een omslag te zoeken voor de boeken.
In 1983 stopte hij bij de politie zodat hij kon blijven schrijven. Zijn inspiratie kwam uit de eindeloze reeks verhalen die hij op het bureau Warmoesstraat had gehoord.
Baantjers bekendheid groeide toen de verhalen rond de rechercheurs De Cock (‘met cee-oo-cee-kaa’) en Vledder vanaf 1995 voor de televisie werden bewerkt met Piet Römer en Victor Reinier in de hoofdrollen. Nadat zijn vrouw Marretje in 2007 was overleden, zei Baantjer met schrijven te stoppen. Niettemin bleek hij met Simon de Waal te werken aan nieuwe projecten. Het vorig jaar verschenen boek Een Rus in de Jordaan werd een groot succes, en kwam op nummer 68 van de honderd best verkochte boeken van 2009. In april 2010 kwam het tweede boek van het duo Baantjer en de Waal uit, getiteld Een lijk in de kast.
Op 29 mei 2008 opende Peter Römer (zoon van acteur Piet Römer) in Amsterdam het Appie Baantjer Museum , dat gevestigd is in de kelder van café Heffer in de Warmoesstraat.
‘Hij zat lekker in zijn vel en liep niet naast zijn schoenen.’
Acteur Serge-Henri Valcke, die in de televisieserie commissaris Buitendam speelt
‘De boeken en de serie stonden redelijk los van elkaar. Baantjer had de rechten verkocht en heeft zich er daarna nooit zoveel meer mee bemoeid.’
Acteur Piet Römer, die twaalf jaar lang de hoofdrol van rechercheur De Cock vertolkte.
‘Het korps Amsterdam-Amstelland heeft met groot verdriet kennisgenomen van het overlijden van Appie Baantjer. Hij heeft bijna veertig jaar bij de Amsterdamse politie gewerkt. We herdenken hem als een bijzonder mens en een uitstekend rechercheur.’
Korpsleiding politie Amsterdam-Amstelland
‘Wij hadden geen goede relatie. Baantjer had liever niet gezien dat ik de rol van Vledder had gekregen. Hij vond dat ik te veel een losbol van zijn personage maakte. Als Baantjer niet zo’n geldwolf was geweest, hadden we veel meer geld aan de serie zelf kunnen besteden. Maar hij slokte als geestelijk vader zo’n 50 procent van het totale budget op.’
Acteur Victor Reinier
‘Het zijn feel good boeken. Appie vindt het fijn om een verhaal goed te laten aflopen. De moordenaar wordt altijd gestraft’
Simon de Waal, scriptschrijver van de televisieserie en politieman
‘Vooral aandacht van vrouwen vindt ie mooi, ‘schone vrouwen’ noemt hij ze.’Het is een spel. Maar sommige vrouwen nemen dat serieus en gaan erop in. Zo stond Appie een keer met een moeder en dochter te praten. Die moeder klom zowat in Appie. Dan sta ik er echt met kromme tenen bij. Die dochter schaamde zich ook dood.’
Zijn vriend Douwe Woudstra
(31-8-2010)
Ger Lagendijk (1942-2010)
De netste voetbalmakelaar van Nederland
Peter de Waard
Hij was trots op zijn stal van voormalige en huidige topspelers en trainers zoals Ronald en Erwin Koeman, Hans van Breukelen, Adri van Tiggelen, John Bosman en Ernie Brandts. Hij was trots dat hij Bryan Ruiz had ontdekt die vorig seizoen zo’n groot aandeel had in het kampioenschap van FC Twente.
Maar hij schaamde zich eigenlijk voor zijn vak van voetbalmakelaar. ‘Dit is de wereld van patsers en pooiers. Van snelle jongens, snelle auto’s en het snelle geld’, zo karakteriseerde Ger Lagendijk zijn werkterrein. Hij had er begrip voor dat voetbalmakelaars zo vaak gehaat werden door de fans en zakkenvullers werden genoemd.
Op woensdag 11 augustus overleed Ger Lagendijk aan een hartstilstand. Lagendijk was een pionier bij de voetbalvakbond VVCS en volgens sommigen was hij ‘de enige nette voetbalmakelaar van Nederland’.
Hij deinsde er niet voor terug een klacht bij de KNVB in te dienen als een makelaar een 16-jarig talentje uit de binnenlanden van Brazilië plukte en ver van zijn familie vandaan bij een club in een afgelegen Europees oord wildeplaatsen.
Lagendijk stierf in het harnas. Hij werd onwel tijdens een diner met Heracles-voorzitter Jan Smit en diens directeur Nico-Jan Hoogma met wie hij net een akkoord had bereikt over het contract van de Braziliaan Everton Ramon da Silva.
Lagendijk werd geboren aan de Stokroosstraat in Rotterdam-Zuid en speelde zelf in de jeugd van Feyenoord. Hij was een venijnige rechtsback – ‘een schoffelaartje’ – die niet goed genoeg was voor Feyenoord. Hij speelde in de jaren zestig achtereenvolgens voor ADO, de Volewijckers en PEC voordat hij domicilie vond bij de Schiedamse vereniging Hermes DVS die toen nog betaald voetbal speelde. Lagendijk kon er niet van leven. Hij ging daarom huis aan huis verzekeringen verkopen. Hiervoor richtte hij een eigen kantoortje op in zijn woonplaats Ridderkerk dat de basis werd van zijn latere bedrijf Bureau Lagendijk Assurantie en Advies BV. In 1967 probeerde hij nog een keer een grote slag te slaan als voetballer. Hij ging spelen voor de Vancouver Royals, waar hij speelde met de legendarische Ferenc Puskas als trainer. Een jaar later kwam hij terug naar Nederland en naar Hermes DVS. Vanwege de sanering van het betaalde voetbal kon hij hier de kost niet meer verdienen. Lagendijk werd scheidsrechter en ging zich specialiseren in de begeleiding van profvoetballers. Hij trad in dienst van de Vereniging Voor Contract Spelers (VVCS), die in 1961 door Karel Jansen was opgericht.
Lagendijk was niet alleen een steun en toeverlaat voor spelers bij hun contractonderhandelingen, maar was ook een graag geziene gast bij de clubs. Hij kwam op voor zijn spelers, maar dacht daarbij niet meteen aan zijn eigen portemonnee. Hij werkte nog een blauwe maandag als technisch directeur bij zijn oude liefde Feyenoord, maar het seizoen onder leiding van de Zweedse trainer Gunder Bengtsson werd een fiasco. De afgelopen jaren deed hij veel onderhandelingen voor PSV-voetballers als Wilfred Bouma en Theo Lucius.
Lagendijk was een echte levensgenieter. In de aanloop naar het WK van 2006 nam hij nog samen met Ger Vos een single op: Duitsland wordt Oranje. Zijn bedrijven Ger Lagendijk Players Agent BV en Bureau Lagendijk Assurantie en Advies BV worden voortgezet.
(30-8-2010)
Johan van den Bossche (1938-2010)
De man die niet door de Volkskrant werd aangenomen
Peter de Waard
’Johan, het heeft nog een voordeel: je hoeft dit kabinet niet meer mee te maken.’
‘Wat is het dan, rechts?'
‘Kei rechts. Een minderheidskabinet van CDA en VVD, gedoogd door de PVV.’
‘O God, daar ben ik blij om, dat ik dat niet meer hoef mee te maken.’
Zo ging een van zijn laatste gesprekken met een oud-collega. Donderdag 12 augustus was voor de aan kanker lijdende voormalig Elsevierhoofdredacteur Johan van den Bossche euthanasie de enige uitweg.
Hij was boos dat hij – een niet-roker – was getroffen door longkanker. Maar ondanks de fatale ziekte bleef hij genieten van het leven, van de aandacht van familieleden en ex-collega’s. Maar uiteindelijk kon zelfs de morfine de pijn niet meer onderdrukken.
Van den Bossche werd als kind van Belgische ouders in 1938 geboren in Bergen op Zoom. Nadat hij als adelborst had gewerkt bij de marine en administratief werk had gedaan, kwam hij in 1961 in de journalistiek terecht als leerling op de redactie van het Algemeen Handelsblad. Hij specialiseerde zich tot sociaal-economisch verslaggever. Na zijn overstap naar Het Parool ging hij de stadsverslaggeving doen in een tijd dat in Amsterdam Provo actief werd. ‘Het was een prachtige tijd’, herinnert zijn ex Marchien van Vondel zich, met wie hij toen samenwoonde in de Paleisstraat. Hij werkte een jaar bij het katholieke avondblad De Tijd voordat hij weer terugkwam bij Het Parool. In 1973 ging hij naar Elseviers Weekblad, toen nog een aparte krant naast Ferry Hoogendijks Elseviers Magazine. ‘Het enige wat mij spijt, is dat ik nooit door de Volkskrant ben aangenomen. Dat was toch eigenlijk mijn krant’, zei hij tegen Van Vondel.
Begin jaren tachtig besloot Elsevier een andere koers in te slaan. De nieuwe Elsevier–topman Pierre Vinken besloot het weekblad en magazine in elkaar te schuiven. Onder hoofdredacteur André Spoor werd Johan van den Bossche adjunct naast Sytze van der Zee.
Toen Van der Zee overstapte naar Het Parool moest Van den Bossche Spoor gaan opvolgen. ‘Eigenlijk wilde hij schrijven. Maar hij kreeg in 1988 van Vinken de keuze: of je wordt hoofdredacteur of je wordt ontslagen omdat je anders overbodig bent’, zegt voormalig Elsevier–redacteur Clemens Graafsma.
Van den Bossche wist een cultuuromslag bij het blad te realiseren. Volgens Graafsma was het Van den Bossche en niet diens opvolger Hendrik-Jan Schoo die Elsevier grondig vernieuwde tot het blad wat het nu is. Hij nam nieuwe redacteuren van de Volkskrant, onder wie de jonge Arendo Joustra, en NRC in dienst. Graafsma: ‘Hij vond dat Elsevier per week vier echt goede verhalen moest hebben. Niet meer, want dan zou je de lezer te veel verwennen. Maar ook niet minder. En die vier goede verhalen stuurde hij zelf aan.’
Van den Bossche introduceerde ook een nieuwe zakelijkheid die hem de bijnaam van de boekhouder opleverde. ‘Uitwassen werden fel door hem bestreden. Drank en sigaretten konden niet meer worden gedeclareerd’, aldus Graafsma.
Na vijf jaar hoofdredacteurschap werd hij opzij geschoven en moest in ruil voor een gouden handdruk beloven niet meer te schrijven. Dat viel hem zwaar. Hij scheidde en hertrouwde met een Russische pianiste die hem later in de steek liet. In 2003 moest zijn linkerbeen worden geamputeerd na een bloeding (aneurysma abdominalis). In februari werd longkanker geconstateerd.
(23-8-2010)
Charles Rutten (1920-2010)
Bierbrouwerszoon stond aan de wieg van Europa
Peter de Waard
Charles Rutten wist 25 jaar geleden al waar het mis zou gaan met de Europese eenwording: het Noord-Zuidprobleem. ‘De verscherping van de tegenstelling tussen het rijke Noorden en het minder ontwikkelde Zuiden is mijn grootste zorg’, zei de toenmalig ambassadeur van Nederland bij de EG in 1986.
De bierbrouwerszoon uit Gulpen, die 21 juli op 89-jarige leeftijd in Den Haag overleed, kon als geen ander het eenwordingsproces analyseren. Hij stond aan de wieg van wat eerst EEG heette, en daarna EG en EU. Begin jaren zestig zag hij een kans meerderheidsbeslissingen in de EEG door te voeren. Maar de Franse president Charles de Gaulle dreigde dat zijn land zou weglopen uit de Europese ministerraad als besluiten niet met unanimiteit zouden worden genomen. Rutten achtte De Gaulle verantwoordelijk voor wat hij ‘de non-ontwikkeling van Europa’ noemde.
Charles Rutten werd in 1920 geboren als de tweede zoon van Paul Rutten, de eigenaar van de in 1825 opgerichte Gulpener Bierbrouwerij. Als hij de oudste zoon was geweest, zou zijn maatschappelijke carrière bij voorbaat vastliggen en was hij de baas van de brouwerij geworden. Maar hij kon rechten gaan studeren in Nijmegen.
In 1941 speelde hij een rol in het Nijmeegse studentenverzet. ‘Deze periode – de hele oorlog trouwens – heeft zijn geesteshouding bepaald’, zegt zijn zoon Frank Rutten.
Na de oorlog werd hij actief bij de KVP, waar hij zou opklimmen tot tweede secretaris. ‘Het was Marga Klompé die hem aanraadde te solliciteren bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Daar werkten in haar ogen veel te weinig katholieken. VVD’ers en CHU’ers maakten daar de dienst uit – hervormde mensen van aristocratischen huize’, aldus Frank Rutten.
Rutten zette zich vanaf het begin in voor wat Churchill had gepropageerd als ‘een Verenigde Staten van Europa’. Hij werd hoofd van het Bureau Europese Integratie. In 1952 kwam de EGKS tot stand – de gemeenschap voor kolen en staal. Het was de aanzet voor een veel breder samenwerkingsverband.
In 1955 vergezelde Rutten toenmalig minister Beyen naar Sicilië, waar zes landen praatten over de oprichting van een Europese Economische Gemeenschap (EEG). Hij kreeg de taak de Nederlandse politici van de noodzaak tot oprichting van de EEG te overtuigen. Dat was niet makkelijk, want de PvdA en met name premier Drees stonden er uiterst wantrouwend tegenover.
Maar dankzij zijn diplomatieke gaven wist Rutten het kabinet te overtuigen, waardoor Nederland een jaar later een van de landen werd die het Verdrag van Rome zou ondertekenen. Rutten bleef ook daarna de man die op Buitenlandse Zaken het verdere eenwordingsproces uitdroeg. Hij klom daarbij op tot directeur-generaal politieke zaken en sloot zijn carrière af als ambassadeur bij de EG in Brussel.
Na zijn pensionering werd hij voorvechter van het Energie Handvest, een idee van premier Lubbers om de landen van Oost-Europa met de opbouw van hun economie te helpen door investeringen te doen in hun natuurlijke hulpbronnen zoals olie en gas. Bij het familiebedrijf in Gulpen bleef hij ook betrokken. Tientallen jaren was hij president-commissaris van de Gulpener Bierbrouwerij.
(16-8-2010)
Alexandra van Geleuken (1969-2010)
Kanker gaat tot de kern van de ziel
Peter de Waard
Alexandra van Geleuken wilde als kankerpatiënte niet zielig worden gevonden. Ze wilde sterk zijn en optimistisch. Het blad Zo! moest dat uitstralen. Op Wereldkankerdag 4 februari verscheen het eerste nummer, gefinancierd door de Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties.
‘Kanker is een ziekte die tot de kern van de ziel gaat’, verklaarde Alexandra van Geleuken bij de lancering. ‘En dat is precies wat we met het blad ook willen: doordringen tot de kern. Niet om de hete brij heen draaien, niet klagen, niets beloven, niet schuwen.’ Het mocht geen tranentrekker worden. Zo! moest kracht, trots en zelfrelativering uitstralen. Tumorhumor werd niet gemeden.
Zo! werd misschien daardoor een succes. Er moest een vervolg komen. Van Geleuken kan het tweede nummer niet meer uitbrengen. Ze overleed op 13 juli zelf aan kanker, pas 40 jaar oud.
Van Geleuken is de afgelopen jaren zo vaak geïnterviewd dat ze een symbool werd van vrouwen die aan borstkanker lijden. Na haar dood werd haar Twittersite overstroomd met reacties.
Alexandra van Geleuken werd geboren in Weert. Ze volgde een opleiding aan de Academie voor Journalistiek en ging daarna werken bij uitgeverij Kluwer. Ze was redactrice bij de bladen Ondernemingszaken en Vraag & Aanbod voordat ze hoofdredactrice werd van het nieuwe blad O/N dat zich richtte op studenten die starten op de arbeidsmarkt. In 2004 richtte ze haar eigen uitgeverij Bladeren op. Hierbij zou ze meewerken aan de ontwikkeling van het nieuwe blad Esta.
Amper een jaar later zag ze een knobbeltje op haar borst. De fatale ziekte was al zo ver uitgezaaid dat een lange lijdensweg volgde van preventieve chemotherapie, bestraling en hormoontherapie. Met haar sportieve lichaam en sterke geest wilde ze de kanker de baas worden. Dat leek te lukken. Schijnbaar genezen begon ze het blad Zo! op te zetten. Maar in september 2009 bleken er toch enkele kwaadaardige cellen doorheen geschoten te zijn. Nu was het hopeloos. Maar Van Geleuken ging door. Ze was toch maar een van de 400 duizend Nederlanders die kanker hebben.
Ze ontdekte dat maar 5 procent van de kankerpatiënten is aangesloten bij een van de ruim 25 verenigingen. Alexandra van Geleuken bedacht dat er voor kankerpatiënten één blad moest komen. Dat lukte haar. Vlak voor de schoolvakanties wilde ze zelf nog een keer weg. Ze koesterde mooie herinneringen aan het bergmeer bij het Zwitserse Luzern. Hier stierf ze.
Haar dood was niet onverwacht, maar toch stond de wereld even stil. ‘Niemand is zo’n voorbeeld geweest voor de kankerbeleving in Nederland’, zegt haar vriend Henk Wolters. Haar man Champal Gijzen roemt haar energie, spontaniteit en humor. ‘Ze bleef daadkrachtig, ondanks tegenslag na tegenslag.’ Zeven jaar geleden kreeg ze een zoontje dat de naam Thom kreeg.
Ze werd onlangs herdacht tijdens de door Radio 2 georganiseerde fondsenwervingsactie Alpe dHuZes, waarbij in de 17de bocht van deze berg een kaarsje voor haar gebrand werd. Caroline Tensen volgde haar nog aan het einde van haar leven voor het programma Familieberichten. Het wordt in augustus uitgezonden. Van Geleuken zal het zelf niet meer kunnen zien.
(9-8-2010)
Wil Storm-Landweer (1925-2010)
De moeder van de Nederlandse zwemsport
Peter de Waard
Erica Terpstra had haar vakantie voor de crematie onderbroken, Ada Kok was daar ook en nog vele zwemmers en zwemsters die ooit door Wil Storm zijn getraind of begeleid.
Wil Storm-Landweer die 20 juli op 84-jarige leeftijd overleed, mag met recht de moeder van de Nederlandse zwemsport worden genoemd. Zij zette het Nederlandse zwemmen in de jaren zestig en zeventig op de kaart en legde het fundament voor de latere successen.
Ze werd in 1925 geboren als Willy Landweer in Amsterdam, op 3 minuten lopen van Zwemvereeniging Het Y bij het Sportfondsenbad Oost. Op 8-jarige leeftijd werd ze het jongste lid van wat ze haar ‘cluppie’ zou gaan noemen. Daarna was ze niet meer uit het water weg te slaan. Op 12-jarige leeftijd zwom ze de 100 meter rugslag in 1,54 minuten – nu een tijd waar topzwemsters om lachen, maar toen zo goed dat de voorzitter van Het Y haar ’s avonds thuis kwam feliciteren. Maar de echte doorbraak bleef uit. Daarom ging ze waterpoloën in het eerste damesteam van Het Y. Hier ontmoette ze haar latere echtgenoot Henk Storm.
De zwemsport bleef haar boeien. Ze kocht elk boekje dat over zwemtechnieken was te vinden. Met haar enorme theoretische bagage werd ze na de oorlog trainster bij Het Y.
Met de eeuwige twee stopwatches om haar nek maakte ze van de zwemvereniging in Amsterdam een club van topzwemmers. De beste zwemmers van Nederland kwamen naar het Sportfondsenbad Oost om bij haar te trainen. Haar eerste grote troef was Peter Swijghuijzen, die zich kwalificeerde voor de Olympische Spelen van 1956 in Melbourne, maar daar wegens de Nederlandse boycot niet kon uitkomen.
Tijdens de voorbereiding op de Spelen reisde ze met Swijghuijzen naar een bad in Vlaardingen waar met behulp van autobanden een hogere temperatuur voor het water kon worden gecreëerd. Andere zwemmers die ze trainde, waren de latere bondscoach Bert Sitters, Arthur van Oest, Jan Jiskoot en de poloënde broers Harry en Wim Vriend.
Op nationaal niveau deed ze haar intrede als leidster van de damesploeg bij de Olympische Spelen in Mexico van 1968. Daarna werd ze de chef d’equipe, een functie die ze zou vervullen bij alle EK’s, WK’s en Olympische Spelen tot die in 1984 in Los Angeles.
In 1970 meldde Enith Brigitha, een 15-jarig talentje uit Curaçao, zich als lid bij Het Y. Brigitha had niet alleen talent, ze was volgens Storm ook bereid keihard te trainen. ‘Het belangrijkste wat ik moet doen, is ervoor zorgen dat ze lol houdt in het zwemmen.’ Brigitha excelleerde een decennium lang op de 100 en 200 meter vrije slag, achter een vrijwel zeker door doping gesterkte Oost-Duitse trein. Brigitha (55) over Storm: ‘We hadden veertig jaar een soort moeder-kind relatie. Ze heeft mij van verlegen meisje tot een zelfbewuste sportvrouw gemaakt. Ze heeft later voorkomen dat ik in het zware gat viel.’
Haar dubbelrol als persoonlijk trainster van Brigitha en leidster van de nationale ploeg leidde tot discussie, maar ‘mevrouw Storm’, zoals zij werd genoemd, wist haar functies uitstekend te scheiden. In 1984 stopte ze als chef d’equipe, maar bleef nog acht jaar in de Koninklijke Nederlandse Zwembond (KNZB) actief als bestuurslid en lid van de zwemcommissie.
(2-8-2010)
Theo Albrecht (1922-2010)
Grondlegger discounter even onzichtbaar als rijk
Theo had een vermogen van 16,7 miljard, zijn broer Karl bezit 21,5 miljard, zo berekende het Amerikaanse blad Forbes dit jaar.
Afgelopen zaterdag is de armste – 31ste op de Forbes-lijst van rijkste mensen ter wereld – op 88-jarige leeftijd overleden. De twee jaar oudere Karl – tiende op de lijst – leeft nog wel.
De gebroeders Albrecht zijn in hun leven even onzichtbaar als rijk gebleven. In de enige biografie over hun leven worden ze neergezet als bescheiden en hoffelijk. Van de overleden Theo Albrecht is niet eens de officiële geboortedatum bekend.
Samen legden ze na de oorlog de grondslag voor de moderne discountzaak die vooral op prijs ging concurreren. Dit leidde tot de oprichting van de winkelketen Aldi in 1961.
De jeugd van Karl en Theo Albrecht, geboren in een arbeiderswijk in Essen, werd getekend door de crisis en de Tweede Wereldoorlog. In 1946 namen ze het kruidenierswinkeltje van hun moeder over. In 1950 hadden ze al 30 winkels en tien jaar later 300. In 1961 besloten ze alle winkels te herbenoemen in Aldi, van ALbrecht DIscount.
Ze besloten ook uit elkaar te gaan, volgens sommigen uit fiscale overwegingen. Karl ging zelfstandig verder in het deel van Duitsland ten zuiden van het Roergebied – Aldi Süd – en Theo in het deel ten noorden – Aldi Nord. Zo konden geen conflicten ontstaan, terwijl ze toch zouden samenwerken met bijvoorbeeld de inkoop.
In 1971 werd Theo Albrecht ontvoerd. Hij zat zeventien dagen vast en kwam pas vrij nadat 7 miljoen mark aan losgeld was betaald. Sindsdien leefden Karl en Theo Albrecht een zeer teruggetrokken bestaan. Vanaf 1971 zijn er geen foto’s meer van het tweetal. Bekend is dat Theo twee zonen heeft die allebei in Aldi Nord werken. Hij verzamelde antieke typemachines. Beide broers zijn altijd in Essen blijven wonen.
De winkelketen – weinig opsmuk, goedkope locaties – ontwikkelde zich tot een internationale gigant van meer dan 8.000 zaken en een omzet van 53 miljard euro. Aldi Nord begon in 1975 in Nederland waar nu ruim 400 winkels zijn.
Beide broers zijn al lang uit de leiding van Aldi gestapt. Het concern is nu in handen van twee stichtingen, waarop de familie geen invloed heeft.
(29-7-2010)
Henk Vonhoff (1931-2010)
Markante kop, erudiete ideeën
Peter de Waard
‘Als we willen aantonen dat een kameel drie poten heeft, benoemen we daar in Nederland een commissie voor.’ Henk Vonhoff, die zondag na een kort ziekbed op 79-jarige leeftijd overleed, was als een van de weinige Nederlandse politici in staat tot uitspraken van Churchilliaanse allure. ‘Als je apen wilt als bestuurders, kun je ze ook met pinda’s betalen’, grapte hij eens.
Toen hij als staatssecretaris op het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk door tegenstanders werd uitgejoeld met de kreet ‘Vonhoff, Grote Lul’, antwoordde hij gevat: ‘Gelukkig wordt mijn potentie niet in twijfel getrokken. Bij een nieuwjaarsreceptie als burgemeester in Utrecht, maakt een groepje anarchisten maakt zich als zodanig kenbaar bij het handjesschudden. Vonhoff: 'Zo, en wie is uw voorzitter?'
Hoewel hij maar zeven jaar actief is geweest in de landelijke politiek, was Henk Vonhoff meer dan een prominente VVD’er. Hij was een ‘instituut binnen de VVD’, zegt partijvoorzitter Yvo Opstelten. Van 1967 tot 1971 was Vonhoff voor de VVD lid van de Tweede Kamer. Daarna was hij nog twee jaar staatssecretaris in het kabinet-Biesheuvel. In 1974 verdween Vonhoff naar ‘de provincie’ toen hij werd benoemd tot burgemeester van Utrecht. Zes jaar later zou hij commissaris van de koningin in Groningen worden, een functie die hij zestien jaar vervulde.
Zijn bekendheid dankte Vonhoff deels aan zijn opvallende haardos, markante stem en fysieke omvang. Daarnaast was hij erudiet, gevat en een politiek dier die op geen partijcongres ontbrak. Hij sprak in fraaie volzinnen en had een aperte hekel aan slordigheden. Op het verzoek van een journalist of hij een kritische vraag mocht stellen, antwoordde Vonhoff: ‘Ik gun u dat recht graag, als mijnerzijds maar niet de plicht tot antwoorden bestaat.’ Vonhoff haatte taalvervuiling. Hij pleitte er in 1986 in de Volkskrant voor dat de leerlingen op school ‘weer gedichten uit hun hoofd zouden moeten leren’. Niet voor niets was hij van 1998 tot 2004 juryvoorzitter van het Groot Dictee der Nederlandse Taal.
Hendrik (Henk) Johan Lubert Vonhoff werd in het crisisjaar 1931 in Amsterdam geboren. Van 1957 tot 1967 was hij geschiedenisleraar, daarnaast was hij al sinds 1948 politiek actief als VVD-lid. Hij was een vurig bewonderaar van de liberale hervormer Thorbecke en voelde zich thuis bij het gedachtengoed van Pieter Oud, die van 1948 tot 1963 de VVD leidde. Dat diens opvattingen weliswaar de elite in het electoraat aanspraken maar de partij nooit echt groot zouden maken, was voor Vonhoff minder belangrijk.
Vonhoff was in de woorden van Yvo Opstelten ‘een liberaal pur sang’ die zich afzette tegen de conservatieve partijen. ‘Liberalisme en conservatisme zijn niet alleen historisch maar ook qua mentaliteit elkaars doodsvijanden’, zei hij. En: ‘Liberalen zijn nooit socialist geweest, maar wel altijd links.’ In 1967 werd Vonhoff lid van de Tweede Kamer voor de VVD. Hij onderscheidde zich al snel in de partij, net als een andere nieuwkomer: de tien jaar jongere Hans Wiegel. In 1971 traden zij tegen elkaar in het strijdperk om het fractievoorzitterschap na het vertrek van Molly Geertsema. De net 30 jaar geworden Wiegel won.
Volgens Ed Nijpels heeft de VVD er geen spijt van gehad. ‘Wiegel heeft voor de grote doorbraak gezorgd. Van een elitaire partij maakte hij een volkspartij.’ De tegenstelling tussen hem en de ‘linkse’ Vonhoff heeft Wiegel nooit zo begrepen. ‘We verschilden wel eens van mening, maar reden ook vaak samen vanuit Amsterdam naar Den Haag, in zijn Dafje, met zijn rijstijl. Ik deed m’n ogen maar af en toe dicht.’
Vonhoff kreeg als troost de post van staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk in het kabinet Biesheuvel. Hij had de ondankbare taak om bij vele instellingen op de subsidies te korten, wat tot grote botsingen leidde. Vonhoff hield zich kranig staande en was al snel bekender dan zijn minister Piet Engels.
In 1973 en kwam het kabinet Den Uyl zonder de VVD tot stand. Vonhoff werd daarna benoemd tot burgemeester van Utrecht. Hij slaagde erin zijn stad aan het rijtje Amsterdam, Rotterdam en Den Haag toe te voegen: de G4-steden. ‘Utrecht is een grote stad en de Utrechters zullen aan die gedachte moeten wennen’, merkte hij op. De huidige locoburgemeester van Utrecht, Frits Lintmeijer: ‘ Vonhoff heeft met zijn eigen stijl een belangrijk stempel gedrukt op de stad. In een roerige tijd wist hij veel Utrechters voor zich te winnen.’ Onder Vonhoff werd de wijk Lunetten gebouwd, werd ingestemd met de bouw van Muziekcentrum Vredenburg en met de aanleg van een sneltramverbinding naar Nieuwegein en IJsselstein.
In 1980 werd Vonhoff benoemd tot commissaris van de koningin in Groningen. Hij bleef hier 16 jaar. Zijn opvolger Hans Alders vindt dat Vonhoff het noorden ‘als identiteit op de kaart van Nederland’ heeft gezet. ‘Niemand kon er gaat niets boven Groningen zo mooi uitspreken als hij’, aldus Alders. De intellectueel Vonhoff moest in de promotie van het noorden samenwerken met de populist Hans Wiegel, die de bijnaam had van het Orakel van Leeuwarden. Beiden werden enkele malen gevraagd als minister terug te keren naar Den Haag. Vonhoff weigerde in 1986 de ministerspost van Defensie omdat hij vreesde dat een PvdA’er dan zijn werk in Groningen ongedaan zou maken. Juist op dat moment speelden de kabinetsplannen voor spreiding van de rijksdiensten, waarbij het hoofdkantoor van de PTT naar Groningen zou gaan.
Vonhoff kon boos worden als iemand zei dat de functie van commissaris van de koningin minder was dan die van minister. Hij vond ze minimaal gelijk. Net als Wiegel stond Vonhoff graag in de schijnwerpers. Hij werd bijvoorbeeld lid van de commissie die trachtte de Olympische Spelen van 1992 naar Amsterdam te halen. In 1988 ging hij daarvoor naar de Spelen in Seoul, maar kreeg het verwijt alleen met de officials te hebben gesproken en niet met de sporters. Zijn schnabbels buiten Groningen vielen niet altijd in goede aarde.
Tegenstanders van de Spelen, onder wie de notoire Saar Boerlage, bekogelden hem met eieren. Amsterdam verloor uiteindelijk kansloos in de eerste ronde: de Spelen gingen naar Barcelona. Hierna probeerde Vonhoff nog lid te worden van het Internationaal Olympisch Comité, maar IOC-voorzitter Samaranch gaf de voorkeur aan judoka Anton Geesink. Na zijn vertrek uit Groningen in 1996 bleef hij actief in de politiek hoewel hij nooit meer een hoge functie bekleedde. Van 1995 tot 2001 was hij bijzonder hoogleraar arbeidsvoorwaardenbeleid aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. In 1999 werd hij tijdens een vakantie in Denemarken getroffen door een gescheurde aorta, waarvan hij wonderwel herstelde.
Drie jaar geleden bemiddelde hij samen met VVD-ereleden Erica Terpstra en Frits Korthals Altes in het conflict tussen de VVD-leiding en Rita Verdonk. Die was door fractievoorzitter Mark Rutte uit de fractie gezet, maar weigerde haar Kamerzetel op te geven en wilde ook partijlid blijven. Ook deze bemiddeling mislukte. Vonhoff, die was getrouwd met Louise Luijendijk, laat drie kinderen na.
(27-7-2010)
Peter Schröder (1932-2010)
'Altijd stond zijn koffertje klaar om op reportage te gaan'
Peter de Waard
Amerikaanse media noemden hem in de necrologieën ‘de Walter Cronkite van de Nederlandse radio’. Dat vindt zelfs de AVRO wat overdreven, maar de journalist Peter Schröder was in de jaren zestig en zeventig zonder twijfel de beroemdste Nederlandse correspondent in de VS. Op dat moment had het NOS Journaal daar nog geen echte anchors, zoals later Charles Groenhuijsen en Paul Sneijder, en luisterde Nederland voor het nieuws nog massaal naar de radio.
Schröder overleed op 14 juli in de Amerikaanse stad Pittsburgh waar hij de laatste jaren met zijn derde vrouw Jamie woonde. Hij was tussen 1960 en 1984 radiocorrespondent in New York. Uit twee eerdere huwelijken laat hij vijf kinderen na.
Schröder had een prachtige radiostem die met overtuiging grote historische nieuwsgebeurtenissen uit de VS als de moord op president Kennedy, het Watergate-schandaal en de landing op de maan in Nederland meldde. Hij versloeg even makkelijk de vele revoluties in Latijns-Amerika als de aankomst van The Beatles op JFK Airport.
Maar nog meer blijft zijn traditionele afsluiter bij: ‘Peter Schröder - stilte - AVRO - lange stilte - New York’. Ineens was hij uit de ether verdwenen. Na een opvallende carrièreswitch werd hij internationaal adviseur voor het beheer van tropische kustwateren.
Schröder werd in 1932 geboren op Java, waar zijn vader voorman was op een theeplantage. Tijdens de Japanse bezetting werd hij als kind drie jaar geïnterneerd in een kamp, waaruit hij wist te ontsnappen en onderdak wist te vinden bij een Deense familie. Na het einde van de oorlog werd hij gerepatrieerd naar Nederland, waar hij zijn middelbare school afmaakte en leerling-journalist werd bij de Zwolse Courant.
In 1951 emigreerde Peter Schröder met zijn vriendin naar Nieuw-Zeeland om als financieel journalist bij de The New Zealand Herald te gaan werken. Maar de hoofdredacteur vond dat hij eerst maar eens het land moest leren kennen. Schröder werkte bij de kauwgumfabriek van Wrigley en een rederij in diepgevroren vlees voordat hij bij de krant in dienst werd genomen.
In 1960 vroeg Max Tak van de NCRV hem om reportages te gaan maken in de VS. Schröder besloot met zijn gezin naar New York te gaan. ‘Altijd stond zijn koffertje klaar voor een reportage ergens in de VS of in de rest van Amerika’, weet zijn zoon Eric. Hij verruilde de NCRV voor de AVRO. Daar kwamen freelance contracten voor de BBC en de omroepen van Canada, België en Zuid-Afrika bij. Met zijn zoon Eric Schröder ging hij in 1974 voor de lol een duikbrevet halen. Hij was meteen verslaafd aan de duiksport - hij zou in zijn leven 2.000 uur onder water verkeren - en pakte een studie zeebiologie op. Hij volgde twee Masteropleidingen in de VS en een afsluitende studie in Nijmegen. In 1984 stopte hij als correspondent. ‘Hij was nogal rechts en conservatief en de omroepen in Nederland waren voor hem te links geworden. Peter was niet altijd een makkelijke man’, aldus Eric.
Voor de VN en het Wereldnatuurfonds reisde hij als zeebioloog over de wereld. Schröder zou daarna nog elf keer emigreren en op alle continenten wonen. Na zijn pensioen streek hij neer in Honduras - een land met veel zon en prachtige duikplekken. Uiteindelijk volgde hij Jamie die voor Alcoa werkte naar Pittsburg. Hij overleed aan de gevolgen van prostaatkanker.
Adelbert Josephus Jitta (1938-2010)
Hashhond van justitie
Peter de Waard
Hij stond bekend als een controversieel officier van justitie, maar Adelbert Josephus Jitta was ook de mede-auteur van de euthanasiewet van 2001. Hij had nooit gedacht er zelf gebruik van te maken.
Begin dit jaar werd bij hem echter een hersenziekte vastgesteld die zou leiden tot een serie hersenbloedingen. ‘Mijn vader wilde niet verder aftakelen en volledig van anderen afhankelijk worden’, zegt zijn zoon Daan Josephus Jitta. Op 30 juni beëindigde Josephus Jitta in zijn geboorteplaats Alkmaar zijn leven – ‘op waardige wijze’ aldus de advertentie in de Volkskrant.
Als hoofdofficier van justitie werd hij ooit bekritiseerd als een sjoemelaar en een hardliner. Dat eerste lijkt ten onrechte, want Josephus Jitta was juist zeer rechtlijnig. Maar een hardliner die op het scherp van de snede opereerde, was hij wel.
Dapperheid kon hem ook niet ontzegd worden. Hij wilde de grote jongens oppakken en deinsde er niet voor terug om zelf mee te gaan bij de opsporing. ‘Mijn vader hield zich aan de wet. Maar hij zocht de grenzen op als hij daarmee de opdrachtgevers kon vangen. Hij voelde zich in de steek gelaten als de mensen van bovenaf hem dan niet dekten’, aldus zijn zoon.
Adelbert Josephus Jitta werd in 1938 geboren als de zoon van een bankdirecteur en een scheikundelerares in Alkmaar. Hij studeerde rechten in Amsterdam. Na zijn stages werd hij in 1973 officier van justitie in Alkmaar.
Eén jaar na zijn benoeming kreeg hij landelijke bekendheid toen hij vlak voor Den Helder de viskotter Lammie liet beschieten door de marine omdat die was volgeladen met hasj voor de Nederlandse markt. Het was de eerste keer dat de marine gericht schoot sinds het conflict in Nieuw-Guinea. Jitta dankte er de bijnaam ‘de hasjhond van justitie’ aan.
Door deze zaak ontdekte hij de enorme geldstromen die schuil gingen achter de drugshandel. Hij werd de man achter de inzet van undercover-agenten en was verantwoordelijk voor de ‘pluk-ze’ wetgeving waarmee crimineel verkregen winsten konden worden teruggevorderd. Hij was ook voorstander van het sluiten van deals met drugscriminelen om informatie los te krijgen. Al eind jaren zeventig maakte hij afspraken met drugshandelaren die in ruil voor strafvermindering informatie verstrekten over corruptie bij de Amsterdamse politie. Josephus Jitta wilde kroongetuigen toelaten in processen, maar de IRT-affaire zetten daar een rem op. Pas in 2006 werd de inzet van kroongetuigen geregeld.
In 1994 verliet hij Alkmaar en werd na een kleine tussenstap op het ministerie van Justitie vicepresident van de rechtbank in Amsterdam. Pas twee jaar geleden, na de dood van zijn vrouw, stopte hij daarmee. In 1994 trad Josephus Jitta toe tot het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE). ‘Hij was hiertoe gekomen nadat hij in 1982 geconfronteerd was met iemand die voor de trein sprong. Hij wilde dat mensen die niet verder wilden leven er op een voor anderen niet-traumatiserende manier konden uitstappen’, aldus zijn zoon. In 1995 keerde hij zich in de Volkskrant tegen het uitstel van de euthanasiewet door het kabinet-Kok: ‘Partijpolitieke belangen blijken belangrijker te zijn dan het algemeen belang’, was zijn conclusie.
(19-7-2010)
Jan Jessurun (1934-2010)
Kapitein der mariniers die de cultuurpaus van Nederland werd
Peter de Waard
Het was niet de meest logische carrièrestap, zo erkent ook zijn echtgenote Mariet Willinge. Kapitein der Mariniers Jan Jessurun zou de cultuurpaus van Nederland worden op achtereenvolgens de ministeries van CRM, WVC en VWS. Hij zou ruim tien jaar directeur zijn van de Rijksdienst voor Monumentenzorg en vijf jaar van de invloedrijke Raad voor Cultuur. Als iemand het gezicht was van de Vierde Macht in Nederland was het Jan Jessurun.
Jessurun overleed op 25 juni in Utrecht op 76-jarige leeftijd. Hij werd geboren in een familie met een Portugees-Joodse achtergrond. In de jaren vijftig werd Jessurun marinier. Hij diende ondermeer lange tijd in het toen roerige Nieuw-Guinea waarvoor hij later nog het Herinneringskruis zou krijgen. In 1964 stapte hij over naar het bedrijfsleven. Hij werd inspecteur nautische dienst bij rederij Van Ommeren - nu Vopak - in Rotterdam.
Mariet Willinge: 'Hij had toen al een grote interesse in geschiedenis en bouwkunst. Daarnaast was hij mede dankzij zijn marinierscarrière een goed leider geworden die persoonlijk aandacht had voor iedereen. Maar dat hij hoofddirecteur Rijksmonumentenzorg werd in 1974 bleef een opvallende stap.' Hier bereidde hij de decentralisatie van de Monumentenzorg voor.
In 1985 werd hij plaatsvervangend directeur op het ministerie van WVC waar hij twee jaar later hoofddirecteur cultuurbeheer werd. Hij voerde hier de omstreden verzelfstandiging van de rijksmusea door. Van 1992 tot 1996 was hij plaatsvervangend secretaris-generaal en later, in 1997 secretaris-generaal a.i. op het ministerie van VWS.
In 1996 was Jessurun ook door staatssecretaris Aad Nuis benoemd tot de eerste voorzitter van de Raad voor Cultuur waarin verschillende adviesorganen zoals de Raad voor de Kunst werden gebundeld. Hij had 800 miljoen gulden aan rijkssubsidies te verdelen, terwijl festivals, operagezelschappen, orkesten en muziekensembles, dans- en theatergroepen, bibliotheken, archieven, monumenten-organisaties en instellingen voor archeologie 1,9 miljard hadden aangevraagd. Jessurun raakte niet in paniek. 'Dat er zoveel groeit en bloeit in Nederland is een aardige gedachte', stelde hij in een interview met deze krant.
Hij stond er niet om bekend dat hij iedereen naar de mond praatte. 'In verschillende politiek controversiële zaken heb ik mijn zin gekregen zoals het restauratiefonds en de oprichting van het Nederlands Architectuurinstituut', stelde hij. Jessurun was ook mede-oprichter van Atana die meer allochtonen in culturele functies wilde. 'Het verbaast mij altijd dat we met zijn allen op vakantie gaan omdat we belangstelling hebben voor andere culturen, zoals die van Marokko en Tunesië, maar dat die belangstelling op de laatste vakantiedag weer ophoudt.'
In 2000 ging hij met pensioen, maar zijn werklust bleef. Hij zou tientallen functies in internationale, nationale en lokale culturele organisaties vervullen waaronder die van het voorzitterschap van de Stichting Openstelling Paleis Soestdijk en de Stichting Beeld en Geluid. In 2008 werd slokdarmkanker bij hem geconstateerd. 'De prognose was heel slecht, maar hij heeft nog anderhalf jaar veel kunnen doen', aldus Willinge.
(12-7-2010)
Arie Overbeek (1954-2010)
Een onverwoestbare sequoia is geveld
‘Heb je koffie?’ was altijd de eerste vraag. En op zijn gezicht stond dan een spottende grijns of ik geen koffie kon zetten. Arie liep bij mij de deur niet plat. Af en toe kwam hij op zaterdagochtend even binnen. Hij was een klusser en ik heb twee linkerhanden. Dus ik greep de kans en legde hem altijd een bouwkundig probleempje voor – een verzakkende kast, een lekkende kraan – en de oplossing die ik er zelf voor had gevonden – ‘die en die zal het repareren’. ‘Hoeveel kost dat?’ vroeg hij dan. En daarna kwam Arie met zijn eigen oplossing – of hij repareerde het zelf, of hij gaf zijn zoon de klus of hij had een mannetje ergens anders. Die deden het goedkoper of beter. Deze week zeiden Ans en ik nog tegen elkaar: ‘Eigenlijk is bijna het hele huis Arie’s werk’
Arie Overbeek hield van de dagelijkse routine. 's Morgens om kwart voor zes stond hij op, de boterhammen waren gesmeerd, hij ging te werk in Amsterdam en hij kwam of half vijf thuis. Administratie, daarna een tukkie op de bank totdat de potten rammelden. Daarna een ommetje en even bij iemand langs, want hij was een sociaal dier.
Hij hoefde niet ver weg. De bouwvak voor hem was uitslapen, fietsen en naar de Tour de France kijken. Thuis op de bank. Hij had de biljartclub op vrijdagavond. Hij legde graag een kaartje. Op zondagmiddag was er de voetbal. Hij miste geen wedstrijd van Hollandia T. Bij uitwedstrijden zat Arie achter het stuur en Jacob Kruier naast hem. Op de achterbank buurman Piet, Nico Blom en Klaas Bruin. Zo ging het, zo moest het.
En hij had een sportfiets. Zondagmiddag reed hij nog een tocht van zestig kilometer, waarna hij opgemonterd thuis kwam. Hij mankeerde niets, voelde zich niet moe en keek nog een film voordat hij naar bed ging. De fiets stond deze week in de bijkeuken – glimmend of hij nieuw was. Arie was een Pietje Precies.
Niemand kon toen nog de verschrikkelijke tragedie van de volgende ochtend vermoeden. Hij stond zelf op, schreef nog het woordje yakult op een briefje (want dat was er niet meer) en reed van huis. Een half uur later moet zijn hart het hebben begeven.
Het is onbegrijpelijk en ongelooflijk. Arie Overbeek was een boom van een vent – een onverwoestbare Sequoia die minimaal duizend jaar zou worden. Hij was nog zo jong en energiek. Hij koesterde nog vele dromen. Over de jaren dat hij van zijn verdiende rust zou gaan genieten. Arie O zou ook dan een steunpilaar van de gemeenschap blijven. Een klusje hier, een bezoekje daar, een fietstocht organiseren of een klaverjasavond voor de Club van Honderd van Hollandia T waarvan hij aan de basis had gestaan.
Arie werd geboren in Heerhugowaard. Born to be wild was het, met het zicht op de jaren zestig en zeventig: Puch, schouderlang haar, kralenkettinkje, de Heer van Jericho en de harde muziek van Rory Gallagher. In Heerhugowaard ontmoette hij ook zijn vrouw Will die structuur in zijn leven bracht. Ze gingen wonen in Tuitjenhorn. Arie versleet vele bazen voordat hij bij Jan Deurwaarden ook stabiliteit in zijn werk vond. Hij bleef hier dertig jaar en werd een gezicht van het bedrijf.
Met Will kreeg hij twee kinderen. Ze vormden een hecht gezin dat echter ook een open huis had naar de rest van de dorpsgemeenchap. Als bouwvakker was Arie een vakman. Hij koesterde het vak van timmerman waarmee hij zijn oudste zoon inspireerde het ook te worden. ‘Rory wordt timmerman’, zei hij al toen Rory amper 12 jaar was. En Rory werd dezelfde vakman met hetzelfde plichtsbesef.
Later werd hij uitvoerder. Hij was niet altijd een makkelijk persoon. Buitenstaanders hadden soms een gebruiksaanwijzing nodig om met hem door een deur te gaan, maar als hij je kende en vertrouwde kon je geen kwaad meer bij hem. Hij was even trots op zijn mooie dochter Kelly. Als ze problemen had, ging hij met haar mee en probeerde het op te lossen. Ook hij vond het mooi dat ze van plan was weer een studie op te pakken. Will was zijn steunpilaar. Hij was geëmotioneerd toen ze in december een koninklijke onderscheiding kreeg voor haar inzet voor de gemeenschap – iets wat Arie altijd had gestimuleerd.
Will, Rory en Kelly hadden nog zoveel tegen Arie willen zeggen. Maar ze hebben de kans niet gekregen. Op de fatale ochtend van 5 juli spatte voor hen de zekerheid van het bestaan uiteen. Misschien kan de gedachte aan hun man en vader af en toe een beetje troost bieden. En ik weet zeker dat ze op hun familie en vrienden kunnen terugvallen.
(10-07-2010)
Jos Wijnant (1902-2010)
'Oud worden is leuk, oud zijn niet'
Peter de Waard
Hij ontving in 43 jaar 250 duizend euro aan AOW, terwijl hij er hoogstens enkele honderden guldens aan premie voor had betaald.
Jos Wijnant, die op 26 juni op op 108-jarige leeftijd overleed, zei vorig jaar in het programma van Giel Beelen: ‘En misschien hebben we hiermee de oorzaak van de crisis gevonden.’
Tot zijn dood bleef de geest van Wijnant heel helder, hoewel hij fysiek aftakelde. ‘Ik zal hem geweldig missen’, zegt zijn dochter Ria Robbens-Wijnant, zelf al 78 en weduwe. ‘Ik ging elke dag bij hem langs. Hij kon zo geweldig vertellen. Hij wist nog dat hij in het begin van de Eerste Wereldoorlog als vluchteling van Antwerpen naar Den Bosch kwam. Ik bid God op mijn blote knieën dat ik het geheugen van mijn vader mag hebben.’
Sinds het overlijden van de 106-jarige Adrianus van der Vaart op 28 juli 2008 was Wijnant de oudste mannelijke inwoner van Nederland. Hij heeft deze titel 1 jaar en 333 dagen gedragen.
Wijnant werd geboren in Antwerpen, waar zijn vader als zeeman werkte voor de toenmalige Holland-Amerika Lijn. Zijn ouders waren Nederlanders en nadat de Duitsers in 1914 België waren binnengevallen, werd hij naar een tante aan de Peperstraat in Den Bosch gestuurd. ‘Dat was niet leuk voor hem, want de vluchtelingen uit België werden niet erg vriendelijk ontvangen’, weet Ria Robbens. Niettemin zou Jos Wijnant hier zijn hele leven blijven werken en wonen.
Hij volgde er de middelbare school en begon later als boekhouder bij het accountantskantoor Jürgens. Daarna trad hij in dienst bij het winkelbedrijf De Gruyter, dat hem nog naar Berlijn wilde sturen waar het toen ook winkels had. Maar door de opkomst van het nazisme ging dat niet door. In 1930 werd Wijnant gemeente-ontvanger. Hij zou 37 jaar lang ambtenaar in Den Bosch blijven en zijn carrière besluiten als hoofd Financiën. In 1967 ging hij ‘van Drees trekken’, zoals de tien jaar oude AOW werd genoemd.
In zijn jaren bij de gemeente vielen talrijke diensten onder zijn hoede zoals het slachthuis, het openbare zwembad en woningbouwverenigingen. Ria Robbers-Wijnant: ‘Pap heeft keihard gewerkt voor de gemeenschap. Maar het ambtenarensalaris was in die tijd erg laag. Daarom haalde hij ook zijn leraarsdiploma. In de avonduren kon hij les geven in handelsrekenen.’ Jos Wijnant trouwde met Adriana van den Bosch. Ze kregen vijf kinderen. Zijn vrouw overleed al in 1973.
Hij bleef ook na zijn pensioen actief in Den Bosch. Hij speelde viool, was volgens zijn dochter een uitstekend danser en werd uiteindelijk ook nog kunstschilder. Hij hield van voetbal en was regelmatig in het stadion van FC Den Bosch te vinden.
Nadat hij de leeftijd van 100 jaar was gepasseerd, werd hij een regionaal fenomeen dankzij zijn filosofische uitspraken. Zo zei hij tegen een journalist op zijn 105de verjaardag: ‘Oud worden is leuk, maar oud zijn minder.’ Ter gelegenheid van zijn 107de verjaardag werd op Omroep Brabant een documentaire over hem uitgezonden.
Op zijn 108ste verjaardag tekende De Telegraaf opnieuw een relativerende uitspraak van Wijnant op: ‘Als ik nu een kind had gered, dan zou dat een heldendaad zijn. Oud worden is dat niet.’
(5-7-2010)
Gerrit Engelgeer (1958-2010)
De man van no cure, no pay die niet tegen onrecht kon
Op zaterdag 22 mei 2010 kopte Het Parool boven een twee pagina’s tellend interview met mr. Gerrit Engelgeer: ‘De letselhaai heeft de strijd opgegeven.’ Twee dagen later overleed Engelgeer, de omstreden advocaat die in Nederland het beruchte Amerikaanse systeem van no cury no pay propageerde voor letselschadezaken. Hij was pas 52 jaar.
In het interview dat al was afgenomen voordat longkanker was vastgesteld, zei hij de strijd voor no cure no pay op te geven. Aanleiding was een uitzending van het TROS-programma Radar waardoor zijn bedrijf Letsel.nl op de zwarte lijst was gezet door de Vereniging van Letselschade Advocaten.
Engelgeer had hiertegen een kort geding aangespannen en gewonnen, maar na bijna twintig jaar had hij geen zin meer in een verder gevecht. ‘Het heeft mij verschrikkelijk veel geld gekost. En mijn gezondheid heeft eronder geleden. Anderen mogen deze strijd voortzetten. Ik ben ouder en wijzer geworden.’
Engelgeer was de zoon van een palingvisser uit Harderwijk. Hij begon zijn carrière als crediteurenmedewerker bij ABN Amro. In de avonduren studeerde hij privaat- en fiscaal recht. In 1993 hoorde hij van een bevriende advocaat over een gat in de markt: ‘Werken voor het slachtoffer, terwijl de verzekeraar de nota betaalt. Dat klonk heel interessant, want verzekeraars hebben altijd geld.’
Vijf jaar later richtte hij Letselschade Groep Nederland op die een kantoor betrok in het World Trade Center in Amsterdam. Omdat hij als advocaat zelf niet op no cure no pay basis mocht werken, bombardeerde hij zijn secretaresse tot directeur en plaatste hij op een andere kamer een bordje met Engelgeer Advocaten, zodat zijn medewerking werd verdoezeld.
Aanvankelijk liet de advocatuur hem zijn gang gaan, totdat de dossiers binnenstroomden. Letselschade Groep Nederland was een goudmijn. Met name slachtoffers van medische fouten die vaak niet het geld hadden om een advocaat in te huren die ingewikkelde zaken tegen ziekenhuisspecialisten in behandeling wilde nemen, meldden zich massaal bij hem.
‘Engelgeer kon niet tegen onrecht. Als verzekeraars de boel traineerden, ging hij door, ook als een cliënt geen geld meer had’, aldus Thom Vermeulen, zijn opvolger bij Letsel.nl.
Maar de deken van de Orde van Advocaten liet het er niet bij zitten. Engelgeer moest talrijke processen voeren om zijn werkwijze te verdedigen. In hoogste instantie stelde de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMA) hem in het gelijk, maar minister Hirsch Ballin van Justitie vernietigde dat besluit, omdat het in strijd was met de Advocatenwet. In 2004 hing Engelgeer zijn toga aan de wilgen. Een jaar later werd hij uit de Orde gezet, ook omdat hij in de fout was gegaan met het boeken van een declaratie.
Engelgeer werd een advocaatloze ondernemer die met de website Letsel.nl aan de slag ging en daarmee een nieuw bedrijf wist op te bouwen. ‘Niet om veel geld binnen te halen, want de uitkeringen voor smartegeld in Nederland zijn laag, maar om het principe hoog te houden’, zei hij. In Het Parool voorspelde hij: ‘Binnen een of twee kabinetsperiodes is no cure no pay ook in Nederland geaccepteerd, maar ik zal er niet meer voor strijden.’
(28-6-2010)
Peter Maas (1944-2010)
Het grote rechtvaardigheidsgevoel van Opa Beugen
Peter de Waard
Kabinetsinformateurs moeten ter verantwoording kunnen worden geroepen en daarom moeten ze de status krijgen van een minister. In 1982 lanceerde de latere bijzonder hoogleraar Peter Maas van het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis in Nijmegen deze stelling in zijn standaardwerk over de kabinetsformaties tussen 1959 en 1973.
Op 28 mei overleed Maas op 66-jarige leeftijd aan een longaandoening. ‘Opa Beugen’ zoals hij door zijn zeven kleinkinderen vanwege zijn woonplaats werd genoemd, zou het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis aan de Radboud Universiteit in Nijmegen flink uitbreiden en een nieuwe Stichting voor Parlementaire Geschiedenis in Den Haag oprichten.
‘Toen hij in 1977 de scepter bij het Centrum overnam van professor Frans Duynstee, was het een kleine afdeling van de afdeling staatsrecht. Nu is het een volwassen instituut met tien onderzoekers’, aldus Carla van Baalen, die hem opvolgde en op haar beurt onderzoek doet naar de kabinetsformaties tussen 1977 en 2007.
Peter Maas werd op 1 maart 1944 geboren in Rijswijk. Hij doorliep het Stanislavcollege in Delft, waar zijn vader leraar handelskennis was, en studeerde geschiedenis aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Vanaf 1967 was hij leraar in Oss, Delft en Deurne.
In 1974 promoveerde hij op het proefschrift Sociaal-democratische gemeentepolitiek in katholiek Nijmegen 1894-1927. ‘Hij was een overtuigd sociaal-democraat met een groot rechtvaardigheidsgevoel’, zegt zijn schoonzoon Peter van Griensven.
Nadat hij Duynstee opvolgde en tien jaar later bijzonder hoogleraar werd, zou hij veel onderzoekswerk doen naar de parlementaire geschiedenis. Hij was mede-samensteller van de formatiedagboeken van voormalig premier Beel en schreef mee aan drie delen in de serie Parlementaire geschiedenis van Nederland na 1945.
Landelijk bekend werd hij door zijn stellingname tegen de vaccinatiedwang voor polio. In 1988 publiceerde Maas een boekje over de polio-uitbraken in 1971 (Staphorst) en 1978 (Gelderland, Zuid-Holland en Zeeland).
Hij hekelde daarin onder meer het ‘agressieve optreden’ van de media en het gebrek aan begrip voor de opvatting van bevindelijk gereformeerden die uit overtuiging vaccinatie afwijzen.
Maas behoorde later tot het zogenaamde ‘driemanschap’ dat in 1992 door toenmalig staatssecretaris Hans Simons (Volksgezondheid) werd gevraagd om de strijd met orthodoxe protestanten over vaccinatie aan te gaan. Behalve Maas zaten daarin de vrijgemaakt-gereformeerde ethicus Jochem Douma (voorstander van verplichte inenting) en de docent ds. Aart Moerkerken (tegenstander) aan de theologische school van de Gereformeerde Gemeenten.
Het driemanschap organiseerde gesprekken met verschillende kerkgenootschappen en publiceerde de brochure Polio, een gesprek hervat. Het boekje was speciaal bedoeld voor scholen en de ouders van leerlingen.
Maas bleef tot 1996 verbonden aan het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis. Zijn opvolgster Carla van Baalen zegt dat hij een kundig analist was met een groot gevoel voor humor.
(21-6-2010)
Helmer Koetje (1953-2010)
Burgemeester die genoot van het slotakkoord
Peter de Waard
’Wat zijn we goed in crisismanagement!’, zei hij cynisch tegen zijn echtgenote, nadat in augustus 2009 de diagnose longkanker bij Helmer Koetje was gesteld en iedereen moest worden geïnformeerd.
Optimistisch zei hij daarop: ‘Ik ga van het burgemeesterschap van Hoogeveen nog een mooi slotakkoord maken. ‘Dat is gelukt’, zegt zijn weduwe Petra van der Kwast nu. Na zijn laatste raadsvergadering waarin stevig werd gedebatteerd, kwam hij moe thuis en vertelde: ‘Petra, wat heb ik genoten.’
Op 31 mei overleed op pas 57-jarige leeftijd Helmer Koetje, voormalig Kamerlid voor het CDA, voorzitter van de IKON, voormalig voorzitter van het Commissariaat voor de Media en burgemeester van achtereenvolgens Twenterand en Hoogeveen.
Koetje werd geboren in een protestants, maar geëmancipeerd arbeidersgezin in Veendam. Hij ging bestuurskunde studeren aan de VU in Amsterdam. Met zijn baard en onafscheidelijke spijkerpak ontpopt hij zich daar als een bruggenbouwer. Hij was linksig en iemand die naar Londen ging om de eerste elpee van de Sex Pistols te kopen, maar hij bezocht ook de André van Duin-revue omdat hij heerlijk wilde lachen.
Koetje werd in Amsterdam lid en bestuurslid van de jongerenorganisaties van de ARP en het CDA. Na zijn afstuderen verhuisde hij naar Den Haag, waar Koetje ging werken op het ministerie van Binnenlandse Zaken. In 1986 werd hij gekozen tot Kamerlid voor het CDA. Met zijn Amsterdamse en Haagse achtergrond vertegenwoordigde hij binnen de partij het stedelijke.
Hij liet meteen van zich horen. In een interview met het weekblad De Tijd vertelde hij Frénk van der Linden enerzijds ‘een echt CDA-profiel te willen neerzetten’, maar anderzijds ‘veel van de CDA-idealen niet te begrijpen’. Hij zou acht jaar in de Tweede Kamer zitten. Hier ontmoette hij ook zijn vrouw en werd uiteindelijk op zijn 47ste jaar voor de eerste keer vader. Later zou hij nog twee kinderen krijgen.
Altijd bleef hij in de politiek proberen tegenstellingen te overbruggen. Hij werd de man genoemd van de ‘praatpapieren’.
Vanaf 1994 bekleedde hij een functie in het Commissariaat voor de Media. Hij bestreed de toenemende commercialisering bij de publieke omroepen. Philips hoefde weliswaar niet meer de gloeilampenfabriek uit het zuiden van het land te worden genoemd, maar toen de publieke omroepen samen te veel een nieuwe cd van Marco Borsato plugden, kregen ze een boete van meer dan twee ton. ‘We stellen een voorbeeld’, zei Koetje.
In 2001 werd hij burgemeester van Vriezenveen, dat later opging in Twenterand, en vanaf 1 juli 2009 van Hoogeveen. Sinds 2001 was hij ook voorzitter van de IKON, die hij door moeilijke tijden van reorganisatie en zendtijdverkorting moest heen zien te loodsen. Ook nadat de fatale ziekte werd geconstateerd, bleef hij zo lang als het ging, werken. ‘Ik heb geen tijd om dood te gaan’, zei hij.
‘Hij was meer dan integer, hij was trouw, een spiegel, scherp ook in zaken waar hij geen verstand van had’, aldus zijn vriend Klaas Petter.
Na de eerdere begrafenis in Vroomshoop werd afgelopen donderdag in Hoogeveen een herdenkingsbijeenkomst gehouden.
(14-6-2010)
Hans Verploeg (1945-2010)
Een bevlogen telg van de jaren zestig
Peter de Waard
Als leraar geschiedenis op de onderbouw van de pedagogische academie aan de Loudelsweg in Bergen liet hij scripties schrijven over de Russische anarchist Peter Kropotkin. Het was het schooljaar 1971/1972 en de school van de Ursulinen in Bergen was een gedemocratiseerde school waar de leraren lange haren hadden en leerlingen rookten in de klas.
Hans Verploeg die op 26 mei op 65-jarige leeftijd overleed aan een erfelijke leverziekte, moet toen 26 jaar zijn geweest.
Hij studeerde politicologie en geschiedenis en was een telg van de jaren zestig. Kropotkin (1842-1921) was een revolutionair die hem wel aansprak. Hij zou er later, samen met ‘kabouter’ Roel van Duijn, nog een studie aan wijden die in 1978 werd gepubliceerd. Het leraarschap was niet echt zijn roeping. Die zou hij pas vinden bij de vakbond.
In 1974 kwam hij bij de Kunstenaarsbond van de FNV terecht. Tussentijds stelde hij ook nog bij de Stichting Paradiso orde op zaken. In 1980 stapte hij over naar de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ), waar hij 25 jaar zou blijven.
Uiteindelijk werd de NVJ voor hem een soort familiebedrijf. Wie uit de bond stapte, pleegde hoogverraad. Hij zou er zelfs zijn derde echtgenote en grote liefde ontmoeten. Niet iedereen kon opschieten met Verploeg. Daarvoor was hij een te grote controlfreak. In een portret dat Jacqueline Wesselius bij het afscheid van de NVJ van hem schilderde in De Journalist, werd hij knorrig, mopperig en stug genoemd. Maar Verploeg was ook een bevlogen, loyale en slimme bestuurder.
Hij werd geboren in Zeeuws-Vlaanderen in een middenstands- en boerenmilieu. Hij moest zelf zijn studie bekostigen met een baantje in de horeca. Bij de FNV moest hij in de jaren tachtig financieel orde op zaken stellen en een scheuring van de bond zien te voorkomen toen de FNV de leden opriep tot staking.
Verploeg was wars van stakingen. ‘Het is een klein milieu. Je komt elkaar altijd weer tegen’, zo zei hij. Hij wilde graag een glas wijn met de andere partij blijven drinken. Hij was echter onwrikbaar als het om de vrijheid van meningsuiting ging.
In 1982 werd hij als bestuurder geconfronteerd met de dood van vier IKON-journalisten in El Salvador. In 1999 werd de freelance-journalist Sander Thoenes in Oost-Timor gedood. De daders waren bekend, maar werden, tot woede van Verploeg, nooit vervolgd. In Nederland streed Verploeg voor de journalist Wilem Oltmans, die jarenlang door de Nederlandse staat was getreiterd en tegengewerkt. Uiteindelijk kreeg Oltmans een schadevergoeding van acht miljoen gulden. Verploeg zal ook herinnerd worden als mede-oprichter van Free Voice in 1986 - een organisatie die opkomt voor de persvrijheid in de Derde Wereld.
In de jaren tachtig en negentig waren kranten een goudmijn. Journalisten zagen, dankzij de NVJ, hun salarissen enorm stijgen. ‘Het is wel een dure cao’, werd binnen de bond gezegd toen men zag hoe de eigen mensen die onder deze cao vielen werden betaald.
Na 2000 kwam het keerpunt. Internet bracht de papieren krant in de verdrukking. Verploeg vertrok in 2005. Hij werd ziek – dezelfde ziekte als waaraan zijn vader leed en op 65-jarige leeftijd aan stierf. Een levertransplantatie had zijn leven kunnen redden, maar er was niet tijdig een donorlever beschikbaar
(7-6-2010)
Hans van Swol (1914 - 2010)
Multisporter en televisiepionier
Peter de Waard
Hij blonk uit in bijna alle sporten en werd vijf keer tenniskampioen. Maar bij het grote publiek was hij vooral de tv-dokter.
In 1942 bepaalde de Duitse bezetter dat op de Nederlandse tennisbanen geen Engelse termen mochten worden gebruikt. Drievoudig Nederlands kampioen in het enkelspel Hans van Swol was op een zeker moment het getel in het Nederlands spuugzat en herhaalde de door de scheidsrechter genoemde stand (vijftien-nul) in het Engels: ‘U bedoelt ‘fifteen-love’?’
Het publiek reageerde hierop met een minutenlange ovatie. De scheidsrechter dreigde daarop de tribune te laten ontruimen. Van Swol zou uiteindelijk niet verder kunnen spelen omdat hij weigerde tegen Tod Hughan, die zich had aangesloten bij de NSB, uit te komen. Van Swol, die joodse onderduikers in zijn huis had opgenomen, ging voetballen bij AFC.
Hans van Swol, die deze week op 95-jarige leeftijd overleed, zou na de oorlog weer gaan tennissen en tussen 1938 en 1949 vijf keer kampioen van Nederland en acht keer de beste Nederlander zijn op Wimbledon.
Van Swol werd in 1914 geboren aan de Overtoom in Amsterdam, waar zijn vader een winkel had. Hij mocht medicijnen studeren. Hij blonk als student uit in bijna alle sporten. Volgens kenners was hij de beste rugbyer die Nederland heeft gehad. Als honkballer debuteerde hij met een homerun. En als schoonspringer veroverde hij de Amsterdamse titel.
Hij beoefende al deze sporten in een tijd dat er nog geen televisie was. Dat Van Swol bij de meeste Nederlanders toch vooral zal worden herinnerd als televisiepersoonlijkheid was te danken aan zijn programma Ziek zijn, Beter Worden waarmee hij in 1956 bij de VPRO begon. Jarenlang zou hij de Nederlanders voorlichten over allerlei ziekten en kwalen. Later was hij presentator van het programma Spreekuur. Vanaf 1971 presenteerde hij voor de AVRO het programma Sex in wording, waarin seksuele voorlichting werd gegeven aan tieners. Ook was hij commentator bij tennis- en rugby. Hij schuwde controversiële uitspraken niet. ‘Ik kijk naar herentennis, niet naar de dames. Vrouwen beschouw ik uit een heel ander oogpunt dan tennis’, zei hij in Elsevier.
In 1957 trouwde Van Swol, die al twee keer eerder was getrouwd met de beeldschone en wereldberoemde sopraan Gré Brouwenstijn. ‘Een societyhuwelijk? heb ik het zelf nooit gevoeld,’ zei hij.
(5-6-2010)
Piet Steenbergen (1928-2010)
Mager van de heimwee naar Rotterdam en Feyenoord
Peter de Waard
Feyenoordspeler Piet Steenbergen was een van de eerste Nederlandse voetballers die prof werden. Hij ging in 1950 spelen voor de Franse club Le Havre. Hij arriveerde daar, pas 21 jaar, samen met Arie de Vroet die ook was gecontracteerd door Le Havre. De KNVB had toestemming gegeven, hoewel in Nederland nog geen profvoetbal bestond.
Steenbergen, die op 22 april overleed, speelde vier wedstrijden voor Le Havre. Hij leek het goed te doen. Maar in de vijfde wedstrijd voelde hij zich slap en presteerde hij weinig. Binnen enkele weken viel de 1,82 meter lange speler tien kilo af: van 78 naar nog maar 68 kilo. Te weinig om te kunnen voetballen, vond de club.
Steenbergen – net getrouwd – woonde in bij Arie de Vroet. Elke dag kwam er een verpleegster langs die hem met ‘een injectie voedsel’ toediende. Zonder resultaat. ‘Of het nu door het klimaat kwam, de zware training of heimwee wist ik niet. Maar de club stuurde mij voor drie weken terug naar Nederland om weer op gewicht te komen’, vertelde hij in oktober 1952 in een interview.
In korte tijd woog hij opnieuw 78 kilo. Maar bij terugkeer in Le Havre gingen de kilo’s er meteen weer af. De oorzaak was heimwee. Le Havre was lang niet zo’n gezellige stad als Rotterdam. Hij wilde weg, maar Le Havre wilde hem niet laten gaan.
Pas anderhalf jaar later mocht hij weer terug naar Nederland. En toen duurde het nog een half jaar voordat hij van de KNVB zijn amateurstatus terugkreeg en weer ‘als liefhebber’ voor Feyenoord mocht gaan spelen. Inmiddels was hij vader geworden. Om in zijn levensonderhoud te voorzien, werkte hij als kastelein in het Rotterdamse café van zijn schoonvader Gerrit Smits.
Het zou een lange carrière in de horeca, maar ook bij Feyenoord worden. Hij speelde als oudgediende uiteindelijk nog in een team met Coen Moulijn, Henk Schouten, Cor van der Gijp en Gerard Kerkum. Toen was hij uiteraard semiprof, maar nu in Nederland.
Steenbergen was al op zijn 10de lid geworden van Feyenoord en maakte pas 18 jaar oud in 1946 zijn debuut in Feyenoord 1. Tot 1959 zou hij 229 wedstrijden voor het eerste team spelen en 25 doelpunten maken. Steenbergen kwam twee keer uit voor het Nederlands elftal. In april 1950, vlak voor zijn transfer naar Le Havre, deed hij mee in een uitwedstrijd van Oranje tegen België die met 2-0 werd verloren. Op 1 mei 1955 was hij aanvoerder in een uitwedstrijd van Oranje tegen de Ieren. Het werd een roemloze 1-0 nederlaag.
Na zijn carrière bleef Steenbergen actief bij Feyenoord. Hij werd jeugdtrainer en later ook scout. Hij was een van de oprichters van oud-Feyenoord, waarvan hij 28 jaar penningmeester was. Tussen 1981 en 1989 was hij bestuurslid van Feyenoord en tevens commissaris van Stadion Feijenoord.
Tot hij twee jaar geleden ziek werd, bezocht Piet Steenbergen nog trouw de thuiswedstrijden en kwam hij ook door de week vaak even koffie drinken en met andere oud-spelers praten. In 2003 kreeg hij de gouden speld van de club vanwege het 50-jarig lidmaatschap. In een boek uit 2007 waarin de journalisten Hugo Borst, Henk Spaan en Johan Derksen de top-100 van beste Feyenoordspelers publiceerden (plus een top-100 van de grootste miskopen) kreeg hij een ereplaats.
(31-5-2010)
Henri (Harry) Peschar (1920-2010)
Bij Peschar werd het rood nooit roze
Peter de Waard
Een man die niet graag in de belangstelling stond: zelfs tijdens de beruchte Nacht van Schmelzer bleef Harry Peschar op de achtergrond.
Hij woonde in Bloemendaal en was een fanatiek cricketspeler. Maar bij Henri (Harry) Peschar is het rood nooit roze geworden, zoals je daaruit zou vermoeden. ‘Hij woonde in een bescheiden huis. Hij was een PvdA’er die veel van zijn vrienden binnen de partij had. Zijn vrouw heeft hij leren kennen toen zij folders uitdeelde voor de SDAP’, zegt een nicht. Peschar, die vorige week zondag op 89-jarige leeftijd overleed en in stilte is gecremeerd, was een bescheiden man die niet graag aandacht wilde. ‘Het liefst zat hij thuis op de zolderkamer cijfers te controleren van allerlei stichtingen en verenigingen. Ontelbaar waren de keren dat er rond middernacht nog een lichtje brandde’, aldus de nicht.
De Peschars waren een echte Haarlemse familie. Zijn vader Henri (hij noemde zich Han) werkte in de grafische sector, net als zijn grootvader. Veel familieleden waren in dienst van de beroemde drukkerij Joh. Enschedé. Als bolleboos van de familie mocht Harry gaan studeren. Hij koos voor economie aan de Universiteit van Amsterdam waar hij in 1948 afstudeerde. Hij kreeg een baan als documentalist bij de PvdA, waarna hij ging werken voor het wetenschappelijk bureau van de partij: de Wiardi Beckman Stichting. In 1952 werd hij voor de PvdA in de Tweede Kamer gekozen. Hij was op dat moment het jongste kamerlid. Hij zou tot 1968 in de Kamer blijven. Hij kreeg aanvankelijk de portefeuille middenstandszaken, maar werd later de belangrijkste financieel woordvoerder van de fractie. Zijn moeder vond de politiek maar niets. ‘Stap er maar uit, want in de politiek gaat nooit iets eerlijk’, zei ze.
In 1965 was hij een van de vier PvdA’ers die tegen de Toestemmingswet voor het huwelijk van Beatrix en Claus stemden. Maar voor de rest bleef hij op de achtergrond, zelfs tijdens de beruchte Nacht van Schmelzer waarin Peschar als secretaris namens de fractie in onderhandeling met mensen als Nederhorst en Vondeling nog een val van het kabinet-Cals trachtte te voorkomen. In 1968 werd hij president van de Algemene Rekenkamer, wat hij tot 1984 bleef.
In die periode veranderde het karakter van de Rekenkamer. Peschar concentreerde zich minder op kleine zaken, zoals de vraag of het kleedje voor de nieuwe ambassadeur in Washington niet goedkoper met de boot dan per vliegtuig kon worden vervoerd. Peschar focuste zich op de miljarden die werden verspild door personeelsgebrek, slecht beheer en administratieve tekortkomingen. Zijn opvolger, oud-marineman Frans Kordes, borduurde daar na 1984 op voort en wilde dat de Rekenkamer naast de rechtvaardigheid van uitgaven ook de doelmatigheid ging controleren. In 1976 vormde Peschar met André Donner van het Europees Hof voor Justitie en Marius Holtrop van De Nederlandsche Bank de Commissie van Drie, een door het kabinet Den Uyl ingestelde commissie die de rol van prins Bernhard in de Lockheed-affaire onderzocht. Na het onderzoek besloot het kabinet de prins niet strafrechtelijk te vervolgen. Wel moest Bernhard zijn uniform inleveren. In 1985 vroeg Harry Peschar aan prins Bernhard of hij erg boos op hem was geweest. ‘Nee’, zei Bernhard, ‘Ik was vooral boos op mijzelf.’
Toen hij in 1984 vertrok als president van de Algemene Rekenkamer was Peschar pas 63 jaar. In de jaren daarop vervulde hij talrijke nevenfuncties in sportraden, ziekenhuisbesturen en VN-instanties waarin hij vooral tot taak had de cijfers te controleren. Daarnaast was hij zes jaar lid van het ambtenarengerecht. In 1986 zou hij een onderzoek doen naar de zorgwekkende financiële toestand bij de VARA. In Haarlem was hij 17 jaar lang voorzitter van de Stichting Archeologie te Haarlem.
(25-5-2010)
Wouter Tims (1930-2010)
Vormgever van ontwikkelingsbeleid
Peter de Waard
Als bekwaam cijferaar met een sterke mening oefende hij onder meer invloed uit als adviseur van Jan Pronk.
‘Hij was een Tinbergiaan, net als ik’, zegt oud-minister Jan Pronk over professor Wouter Tims, die op 9 mei op 79-jarige leeftijd overleed.
Tims was volgens Pronk een van de founding fathers van de praktische advisering van ontwikkelingslanden op grond van de macro-economische modellen die de Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen had ontwikkeld. ‘Ik ken hem vooral van zijn wetenschappelijke analyses. Hij was ouder dan ik en had al jarenlang voor Harvard in Pakistan gewerkt toen ik hem ontmoette.’ Tims heeft enorme invloed gehad op het Nederlandse ontwikkelingsbeleid, onder meer als een van de adviseurs van Pronk.
Van 1977 tot 1995 combineerde hij het hoogleraarschap aan de Vrije Universiteit met de functie van directeur van de Stichting Onderzoek Wereldvoedselvoorziening – een gezaghebbende club die voortkwam uit de illustere Club van Rome.
Daarnaast was hij van 1992 tot 1996 voorzitter van het ICCO, de interkerkelijke organisatie voor ontwikkelingssamenwerking.
Hij was ook voorzitter van de buitenlandcommissie van de PvdA, lid van de Evert Vermeer Stiching en bestuurslid van de Triodos Bank. Tijdelijk was hij verder directeur Ontwikkelingssamenwerking op het ministerie van Landbouw en ook nog bewindvoerder namens Nederland, België, Luxemburg, Ierland en Zwitserland bij het International Fund for Agricultural Development in Rome.
Tims werd in 1930 in een Nederlands-hervormd gezin in Rotterdam geboren. Zijn vader was daar belastingambtenaar en hij bleek al snel aanleg te hebben voor cijfertjes. Hij studeerde economie aan de Economische Hogeschool in Rotterdam. Volgens professor Michiel Keyzer die in 1977 zijn adjunct werd bij de Stichting Onderzoek Wereldvoedselvoorziening, werd hij gevormd door de crisisjaren dertig. ‘Hij zag als klein kind met eigen ogen de armoede en stempelarij. En hij wilde dat zoiets nergens meer zou voorkomen.’
Tims was volgens Keyzer een bekwame cijferaar met een helder inzicht. Hij was vriendelijk en een goed netwerker. ‘Hij deed voor de Stichting de externe contacten, ik hield mij vooral met de interne zaken bezig.’
Na zijn studie werkte hij bij het Centraal Planbureau. Daarna kwam hij in dienst van de Harvard Group voor Pakistan, wat leidde tot zijn benoeming als directeur van het Policy Analysis and Projection Department van de Wereldbank. Keyzer: ‘Zijn taak was de data van ontwikkelingslanden te controleren en slechte data door te prikken. Daar had hij weinig moeite mee. Hij zag het onmiddellijk als er met de cijfers was gerommeld. Hij stuurde ze terug of hij zond zijn eigen mensen naar die landen om betrouwbare cijfers op te halen.’ Veel ontwikkelingslanden creëerden een waar doolhof rond hun cijfers, maar Tims wist ze altijd te doorgronden.
In 1972 had de Club van Rome een rapport uitgebracht over de dreigende uitputting van grondstoffen. Hierbij was onder meer uitgegaan van een verdubbeling van de wereldbevolking. Een groep van vier hoogleraren met Jan Tinbergen nam het initiatief om een model te ontwikkelen waarin de voedselvoorziening voor de wereldbevolking centraal stond. Dit leidde tot de oprichting van de Stichting Wereld Voedselvoorziening die eerst kantoor hield in Wageningen en Amsterdam en later werd geconcentreerd in Amsterdam. Tims zorgde er achttien jaar lang voor dat de onderzoeksresultaten de beleidsmakers bereikten.
Maar hij was meer dan een cijferaar. Hij stak zijn eigen mening zelden onder stoelen of banken en schreef talrijke opiniërende stukken. ‘Vrije migratie is goed voor de economie’, constateerde hij in 1994 in de Volkskrant. Het Westen wordt door arbeidsmigratie concurrerender en de ontwikkelingslanden worden rijker. Maar hij zei er toen al bij dat vrije migratie een illusie zou zijn. Vlak na zijn pensionering in 1996 werd hij getroffen door een herseninfarct. ‘Hij bleef helder van geest, maar zijn analytisch denkvermogen liet hem daardoor wel in de steek’, aldus zijn echtgenote Nel Tims. Vier jaar geleden schreef hij nog zijn eigen memoires. Uiteindelijk werd de ziekte van Kahler hem fataal.
(18-5-2010)
Willy Caron (1935-2010)
Tenor van Herbert von Karajan en Gerard Reve
Peter de Waard
Willy Caron zong met Luciano Pavarotti, Hermann Prey en Kiri te Kanawa. Beroemde dirigenten als Karl Böhm en Herbert von Karajan vonden hem een van de beste tenoren van de wereld. Maar de ‘Limburgse Caruso’ werd in eigen land maar matig gewaardeerd.
Zondag werd hij herdacht in de Maaspoort in Venlo, door solisten en het Venloos Operette Gezelschap, waarvan hij beschermheer was. Caron overleed op 26 april 2010 op 75-jarige leeftijd.
Hij was afkomstig uit een muzikale familie uit Montpellier, die in Venlo was neergestreken. Zijn vader en zijn ooms waren violisten in dansorkesten. ‘Eigenlijk hebben we een zigeunerachtergrond. Een van de verwanten was de komiek Johan Buziau’, zegt Etienne Caron, een neef van Willy Caron.
Willy Caron had vier broers en vier zussen. Een van zijn broers, de inmiddels overleden Etienne, was in Limburg een bekend kunstschilder. Al op jonge leeftijd speelde Willy Caron klarinet en saxofoon. Op zijn 26ste werden ook zijn zangkwaliteiten ontdekt en won hij het Internationale Verdiconcours in Venetië.
De Italiaanse pers omschreef hem als ‘een stemwonder om wie ’s werelds grootste operahuizen nog zullen vechten’. Hij kreeg daarna lessen van de beroemdste zangpedagogen ter wereld. Twee jaar later won hij ook het Internationaal Vocalisten Concours in Verviers en was zijn naam gevestigd.
Met de opkomst van de televisie werd hij een bekende Nederlander. Hij trad op met het Promenade Orkest en met diverse orkesten van Dolf van der Linden in programma’s als Successen van Joseph Schmidt, Ik hou van Holland, het Richard Tauber programma en zelfs in de Gerard Reve-show met Adèle Bloemendaal.
Maar het meeste succes had hij in het buitenland. In Salzburg trad hij op met dirigent Herbert von Karajan. Hij vertolkte er verschillende operarollen zoals die van Balthasar Zorn in Richard Wagners Die Meistersinger von Nürnberg. Met de Wiener Philharmoniker trad hij op in Le Nozze di Figaro als Don Curzio en Basilio.
Hij oogstte ook succes in Moskou, Parijs, Londen, München en Barcelona. In Keulen was hij zeventien jaar verbonden aan de Städtische Oper. István Kertész, een van de dirigenten met wie Caron daar samenwerkte, zei over hem: ‘Jouw stem is er altijd. Overdag of ’s nachts, jij bent altijd bij stem.’
In Nederland zong hij ook in opera’s, maar maakte hij vooral naam als solist met de Mastreechter Staar en het Limburgs Symfonie Orkest onder leiding van André Rieu sr. Zijn neef Etienne Caron: ‘Van de optredens van André Rieu jr heeft hij nooit gehouden. Dat vond hij tweedehands kitsch.’
In de jaren tachtig moest Caron door ziekte al een stap terugdoen en trad hij nog maar weinig op. In 1993 verhuisde hij naar Den Haag, waar hij vijf jaar later het Willy Caron Muziektheater zou oprichten. Dit koor van vijftig mensen moest het vocale klassieke muziekrepertoire zo breed mogelijk toegankelijk maken.
Zijn laatste optreden deed hij in november 2009 in Venlo. Een paar dagen na dit optreden werd hij met darmklachten opgenomen in het ziekenhuis. Bij een operatie traden complicaties op, waarvan hij niet meer herstelde.
(17-5-2010)
Ferdinand Grapperhaus (1927 - 2010)
Charismatisch architect van de btw en het huurwaardeforfait
Peter de Waard
Ferdinand Grapperhaus was gefascineerd door belastingrecht. Zondag overleed de oud-staatssecretaris.
Vanwaar die fascinatie voor de belastingwetenschap? vroeg Ischa Meijer hem in 1971. ‘Laat ik heel eerlijk zijn. Ik dacht: daar is geld mee te verdienen. Ik was de eerste jurist in Nederland die een topopleiding in belastingen haalde.’
Zondag 9 mei overleed op 82-jarige leeftijd Ferdinand (‘Frits’) Grapperhaus, staatssecretaris van Financiën in het kabinet De Jong (1967 - ’71), en de man achter twee van de meest roemruchte belastingmaatregelen: de invoering van de btw en het huurwaardeforfait.
Grapperhaus – niet te verwarren met zijn zoon, CDA-programmaschrijver, SER-kroonlid en hoogleraar arbeidsrecht Ferdinand Grapperhaus – was een politicus met een ongeëvenaarde eruditie en charisma. Hij nam geen blad voor zijn mond – ‘Het gerucht dat ik voorzitter zal worden van de KVP. Gelul!’ – wat hem in protestantse kringen zo kwalijk werd genomen dat hij in het volgende kabinet de ministerspost van Economische Zaken misliep.
Hij studeerde rechten in Amsterdam en promoveerde in 1956 op een dissertatie over de fiscale positie van de BV. Hij positioneerde zichzelf graag als een selfmade man die tijdens zijn studie jarenlang op de rand van het bestaansminimum leefde voordat hij als belastingsconsulent succes had.
In 1967 werd hij als 39-jarige vanuit het niets voor de KVP staatssecretaris voor Financiën onder minister Witteveen. Hij liet in vier jaar van zich spreken met een wijziging van de vennootschapsbelasting, de vervanging van de oude omzetbelasting door de belasting toegevoegde waarde (btw), de invoering van de zelfstandigenaftrek en de invoering van het huurwaardeforfait.
Zijn doel was de belastingen simpeler te maken – ‘klare belastingtaal die iedereen begrijpt’ – en hij wilde daarom zelfs alle aftrekposten schrappen en vervangen door een forfait van 18 procent. Maar de topverdieners die toentertijd 72 procent inkomstenbelasting betaalden en vele zaken aftrokken, vonden dat ze daarmee werden benadeeld.
Grapperhaus lag goed bij katholieke ministers als Luns en Veringa die zijn provocaties en directe benadering begrepen, maar slecht bij protestantse ministers als Beernink en Udink die zich ergerden aan uitlatingen als ‘bidden is een weinig essentiële handeling’ en ‘met het vraagstuk van abortus heb ik niets’.
In het kabinet-Biesheuvel kreeg hij nog de post van minister van CRM aangeboden (‘Ik heb wel wat met kunst, maar maatschappelijk werk is voor mij te zweverig.’) maar hij trad terug uit de politiek en werd baas van de bank Mees & Hope. In 1975 werd hij hoogleraar in Leiden.
Belastingrecht bleef zijn fascinatie. Hij schreef vele boeken en artikelen over de belastinggeschiedenis: over die van de omstreden rijwielbelasting, Alva en de tiende penning en de belastinggeschiedenis van zijn eigen, uit het Duitse Grapperhaus afkomstige familie. Hij lanceerde tot op hoge leeftijd ook nieuw revolutionaire belastingplannen. In 1996 deed hij staatssecretaris Vermeend de suggestie de inkomstenbelasting voor individuen af te schaffen en te vervangen door een loonsombelasting bij de bedrijven. ‘Hierdoor worden miljoenen particulieren niet meer in de directe belastingheffing betrokken.’
(11-5-2010)
Dick Top (1941-2010)
Met een hellebaard naast Ramses Shaffy
Peter de Waard
Acteur en regisseur Dick Top schreef in zijn cv ‘in 1945’ te zijn geboren, terwijl hij al in 1941 ter wereld kwam, als zoon van een verwarmingshandelaar in Santpoort. Top, die begon als acteur en de laatste jaren weer acteerde in producties van Ab Gietelink van Theater Nomade, wilde zich echter jonger voordoen dan hij was.
‘Dat hoorde vroeger bij het vak’, zegt Irene Hulst, de vrouw met wie hij 33 jaar het leven deelde.
Top overleed op 16 april aan een hersentumor die vlak na Kerstmis werd ontdekt. Op dat moment bereidde hij zich voor op de productie Der Stellvertreter in New York, waarvan een vereenvoudigde versie ook in Nederland zou worden vertoond.
Hij was op een zeer breed terrein (opera, musical en toneel) internationaal actief. Vorig jaar oogstte hij nog groot succes met de voorstelling Tonight Lola Blau in het LaMaMa Theatre in New York. Als regisseur heeft hij meer dan honderd producties op zijn naam staan. ‘Er is geen regisseur in Nederland met een dergelijke staat van dienst geweest’, stelt Gietelink.
Top kreeg de culturele bagage vooral mee van zijn moeder, die erg van opera hield. Al tijdens zijn laatste jaren op de hbs speelde hij als figurant mee in Gijsbrecht van Aemstel, samen met Huib Rooymans. Met een hellebaard stond hij in die tijd naast Rames Shaffy.
Hij deed een toneelopleiding bij Wijnand Frans in Den Haag totdat Top ontdekte dat die man fout was geweest in de Tweede Wereldoorlog. In Parijs bezocht hij de toneelschool van René Simon. In 1960 begon hij bij Het Masker. Vervolgens speelde Top in de producties van de maatschappij kritische toneelgroep Proloog en de Haagse Comedie.
Met de Actie Tomaat, waarbij een generatie jonge acteurs zich keerde tegen het traditionele toneel, kwam een voorlopig einde aan zijn acteercarrière. Hulst: ‘Hij is voor twee jaar naar de VS gegaan, waar hij als regisseur werkte bij het Drama department van Hartford University. Daar ontdekte hij dat regisseren de essentie is van het theatervak.’
Hij regisseerde opera-, operette- en toneelproducties bij de ‘Stadttheaters’ van Basel, Wenen, Bern, Hamburg, Munster, Kassel en Keulen.
Top leerde hier de zanger Johan Heesters kennen. Toen de van nazi-sympathieën verdachte Heesters in 2008 in Amersfoort wilde optreden, was Top volgens Gietelink de stuwende kracht. ‘Heesters was in zijn ogen niet fout in de oorlog geweest. Hij was blijven werken, maar dat hadden zoveel andere Nederlandse theatermensen via de cultuurkamer ook gedaan’, aldus Gietelink.
In Nederland was Top mede-oprichter van FACT en artistiek leider van de Hoofdstad Operette en het Amstel Toneel. Hij was de sfeermaker van elke groep waarmee hij werkte. ‘Hij kende zoveel anekdotes en wist nog precies wat er bij een optreden in de jaren vijftig in Stavoren was gegeten’, aldus Gietelink.
De laatste jaren was hij weer wat vaker als acteur te zien, in Gijsbreght van Aemstel (2003 en 2008), Het Beloofde Land (2004), Hamlet (2005) en Max Havelaar (2007). ‘De enige die in zijn dialogen Gietelink uit de tent weet te lokken is Dick Top in zijn dubbelrol als Droogstoppel en de Resident’, schreef de Volkskrant toen.
Gietelink: ‘Met Dick Tops dood is definitief de passie van de oude toneeltraditie verdwenen.’
(10-5-2010)
Angus Maddison (1926-2010)
Achter elk getal zat een analyse
Peter de Waard
Angus Maddison werd na zijn komst naar Groningen een van de meest geciteerde economen van Nederland.
Hij noemde zichzelf een chiffrephile, een liefhebber van cijfers. De econoom Angus Maddison, die op 24 april op 83-jarige leeftijd overleed, was gek op getallen. Hij richtte zelfs een club van chiffrephiles op, een titel die hij overigens zelf verzon.
Toen hij 13 jaar werd, las hij het boek How to Pay for the War? van de econoom John Maynard Keynes.
Zeventig jaar lang zou hij daarna reeksen van nummers produceren. Zo berekende hij in 1995 het bbp van 56 landen, terug tot 1820. En in 2005 kwam hij met een berekening van het bbp van de wereld in het jaar 1. In actuele prijzen zou dat 105 miljard euro zijn geweest. Maar het bleef niet bij dorre getallen alleen. Voor Maddison zat achter elk getal ook een verhaal of een analyse.
Maddison was van 1978 tot zijn emeritaat in 1998 verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij werd hier een van de meest geciteerde economen van het land.
Maddison werd geboren in Newcastle-upon-Tyne en groeide op in Schotland. Hij studeerde geschiedenis en economie in onder meer Cambridge. In 1953 begon hij zijn carrière als econoom bij de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (OEES), de voorloper van de huidige OESO, die de wederopbouw van Europa coördineerde.
Niet toevallig ging Maddisons eerste boek over de wederopbouweconomie. In de jaren zestig deed hij landenstudies voor de OESO. Na de eerste oliecrisis richtte hij zich op het westerse arbeidsmarktbeleid. Zijn benoeming in Groningen had ermee te maken dat hij meer vrijheid voor zijn onderzoek wenste.
In Groningen stond Maddison bekend als iemand die wars was van conventies en tijdens promoties een rode toga combineerde met witte gympen. In 2006, ter gelegenheid van zijn 80ste verjaardag, werd hij benoemd tot Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau.
(6-5-2010)
Cor Ridders (1937-2010)
Grondlegger van de moderne microchip
Peter de Waard
Zonder hem zouden we misschien niet zo opgescheept zitten met laptops, iPhones, iPads en andere elektronica. Cor Ridders was een van de grondleggers van de moderne microchip die heden ten dage in bijna alle apparatuur wordt toegepast. Toch kende bijna niemand hem – zelfs niet in zijn woonplaats Roosendaal.
Ridders overleed op 28 maart. Hij was de oudste van een gezin van vijf kinderen. Zijn vader was garagehouder in Roosendaal. Cor had op jonge leeftijd al last van astma en kon daardoor niet overal aan meedoen. Hierdoor ontwikkelde hij een enorme voorliefde voor techniek, waarbij hij op zijn eigen houtje dingen kon doen. ‘Op zijn zesde en zevende jaar knutselde hij al zelf radio’s in elkaar’, zegt zijn broer Jan Ridders. Ad Roset leerde hem op het lyceum in Roosendaal kennen als een introverte en hoogbegaafde jongen. Hij rondde uiteindelijk zijn hbs-b af met een hele reeks van tienen.
‘Hij wilde daarna eigenlijk naar het conservatorium, want hij kon heel goed piano spelen. Maar dat mocht niet van mijn moeder. Die dacht dat daar geen droog brood in te verdienen was’, aldus Jan Ridders.
Daarom ging hij wiskunde en zwakstroomelektronica studeren aan de Technische Hogeschool in Delft. Hij werd hier uiteindelijk ook wetenschappelijk medewerker. Met een speciaal team legde Ridders de grondslag voor de massafabricage van wat later de microchip werd genoemd. Er waren weliswaar al technieken, maar die waren zo ingewikkeld en duur dat massaproductie onmogelijk was. Deze chips werden gemaakt van silicium-halfgeleidermateriaal met behulp van een zevenmaskertechniek. Het team van Cor Ridders wist dit te reduceren tot het absolute minimum van drie maskers.
Via de Technische Hogeschool in Delft werd deze techniek geëxporteerd naar Silicon Valley in de VS, waar bedrijven als Apple Computers ontstonden.
Ridders heeft daarna internationale furore gemaakt in de wiskundewereld met het ontwikkelen van een algoritme om nulpunten van reële functies te bepalen. Daar bestonden er al twee van, maar zijn zogenoemde ‘Ridders method’ is veel sneller en levert ook altijd oplossingen op. Deze methode werd in de ruimtevaart toegepast voor het supersnel berekenen en bijsturen van raketbanen. Ridders deed ook baanbrekend werk met het ontdekken van miljoenen nieuwe priemgetallen – getallen die alleen door zichzelf deelbaar zijn.
Ridders trouwde in 1977 en kwam daarna terug van Delft naar Roosendaal. Hij ging forenzen. In 1992 scheidde hij. Hij ging vervroegd met pensioen en stortte zich daarna op het schrijven van verhalen. Volgens zijn broer waren dat cynisch humoristische stukken. ‘Ik heb ze nu gevonden. En ik verbaas mij erover hoe goed die verhalen zijn.’
Ook schreef hij tientallen ingezonden brieven, onder meer naar de Volkskrant. De laatste jaren leefde hij een beetje als een kluizenaar. Hij was gefascineerd door astronomie. ‘Het probleem was dat als je met hem praatte, het altijd over wiskunde en astronomie ging’, zegt zijn broer. Vorige maand brak hij zijn heup en liep kort na de operatie een longontsteking op die hem mede door zijn zwakke gezondheid fataal werd.
(3-5-2010)
Carla V (1947-2010)
De ontwerpster van het broekpak van Jerney Kaagman
Peter de Waard
Misschien is Carla V nog het bekendst van het strakke blauwe, metallic broekpak dat de sensueel bewegende Jerney Kaagman in 1978 droeg tijdens de vertolking van de hit Weekend in AVRO’s Toppop. De zangeres van Earth & Fire was in één klap de favoriete pin-up.
Maar mode-ontwerpster Carla V, op 6 april overleden, kleedde in die tijd vele andere popartiesten, zoals de leden van Shocking Blue, Golden Earring, de meidengroepen Luv en de Dolly Dots, maar ook Saskia & Serge en Connie Vandenbos. Later zou ze Benny Neyman, Anouk en Candy Dulfer en zelfs Diana Ross in een leren pak steken.
‘Ik vind het gewoon leuk om met leer te werken’, zei ze ooit in een interview. Carla V groeide op als Carla van der Vorst. Ze was enig kind van Haagse ouders in Eindhoven. Haar gezin stak wat af tegen de kinderrijke Brabantse families, maar als compensatie mocht ze zoveel mogelijk vriendinnen meenemen naar huis. Haar moeder droeg al opvallende en zelfs extravagante kleding. Het inspireerde haar om een opleiding te volgen aan de modeacademie in Den Bosch en later aan de Vrije Academie in Den Haag. Hier begon ze ‘te frummelen met leer’. In de hippiejaren zestig verwerkte ze lapjes zeemleer tot toentertijd modieuze patchwork jassen.
Ze had het geluk dat Den Haag op dat moment de popstad van Nederland was. Bijna de helft van alle populaire popbands (The Golden Earring, Shocking Blue, Q65, The Sandy Coast, The Shoes, The Tee Set, Livin’Blues en Earth & Fire) kwam uit die stad en ontdekte haar creaties met de kenmerkende franjes en sierspijkers.
Ze opende een modeatelier annex coffeeshop aan de Frederikstraat in Den Haag die door Golden Earring-zanger Barry Hay tot Peppermint werd gedoopt. Via mond-tot-mond reclame werd haar klantenbestand steeds groter en week ze uit naar een nieuw atelier in Voorburg. Filmster Monique van der Ven liet daar haar trouwpak maken en ook voetbalvrouwen als Danny Cruijff lieten zich hier kleden.
Haar ontwerpen waren ‘stoer en vrouwelijk’. Daarvoor koos ze leer dat sterk en soepel was. ‘Het draagt prettig en geeft een luxe gevoel. Dat heb ik met stoffen veel minder. En dan die geur’, zo formuleerde ze haar voorkeur voor leer.
Later verhuisde de winkel naar het Rokin in Amsterdam, waar ze eind jaren tachtig deel uitmaakte van een hippe generatie ontwerpers als Fong Leng, Frank Govers en Thierry Mugler. Samen met haar toenmalige partner Claude Vanheye, die alle wereldsterren fotografeerde, was ze een van de gezichten van de Amsterdamse scene. Maar het Rokin was twee jaar een grote bouwput en de winkel liep niet.
Samen met haar nieuwe grote liefde Veronica-dj Alfred Lagarde keerde ze terug naar Den Haag. Op oudjaarsdag 1997 kreeg Lagarde een hersenbloeding en overleed.
Uiteindelijk opende ze in 2001 met compagnon Marian Janssen een nieuwe winkel aan de Cornelis Schuytstraat in Amsterdam. Naast de broekpakken hingen hier suede gordijnen en leren kussens. In 2003 maakte haar collectie nog deel uit van de tentoonstelling Mode op de planken in Den Haag. Twee jaar geleden sloot ook de winkel in Amsterdam. Ze wilde genieten van haar leven. ‘Ik weet hoe snel het allemaal voorbij kan zijn’, zei ze toen.
(26-4-2010)
C.K. Prahalad (1941-2010)
De goeroe van de bodem van de piramide
Peter de Waard
Concerns in nood die zich louter verlaten op harde saneringen, zullen gaan lijden aan ‘bedrijfsanorexia’. Aldus ’s werelds invloedrijkste managementgoeroe. Creativiteit, daar gaat het om.
‘Mean, lean but stupid’. Kostenreductie alleen werkt niet. Bedrijven moeten juist investeren en nieuwe markten zoeken.
Twee keer werd C.K. (Coimbatore Krishnarao) Prahalad gekozen tot de invloedrijkste managementgoeroe in de wereld. Maar de adviseur van onder meer Philips en Unilever was vele malen meer de meest geliefde. Afgelopen vrijdag overleed hij op 68-jarige leeftijd in San Diego.
In 2004 werd deze Indiase Amerikaan wereldberoemd dankzij het boek The Fortune at the Bottom of the Pyramid (Bodem van de Piramide) waarin hij stelde dat de welvaart voor iedereen sneller zou toenemen als bedrijven zich zouden richten op de armen in de Derde Wereld. Bedrijven zouden moeten inzien dat de armsten, de ‘bodem van de piramide’, een interessante markt vormen. Ze hebben weliswaar weinig te besteden, maar ze zijn met zo velen – vier miljard mensen hebben minder dan duizend dollar per jaar te besteden – dat er grote omzetten zijn te behalen. ‘Wie daar niet aan meedoet, gaat ten onder.’
Prahalad was sinds 1977 als hoogleraar verbonden aan de Universiteit van Michigan. ‘Het is onmogelijk om de betekenis van C.K. Prahalad voor het bedrijfsleven en bedrijfsopleidingen te veel te benadrukken’, zei Robert Dolan, decaan van de businessopleiding van de universiteit. ‘Zijn gedachtengoed is de hele wereld overgegaan. Zijn ideeën zullen nog vele jaren voortleven.’
Veel van zijn radicale ideeën zijn gemeengoed geworden. In zijn carrière publiceerde hij een lange reeks van invloedrijke boeken. In The Multinational Mission (1987) beschreef hij hoe multinationals opereren in de moderne wereld. Hij stelde dat bedrijven zich zouden moeten richten op hun kerntaken.
In 1990 introduceerde hij het begrip ‘kerncompetentie’. Een bedrijf moet zijn klanten uniek voordeel kunnen bieden en zich daarmee van de concurrentie te kunnen onderscheiden. Met zijn voormalige leerling Gary Hamel publiceerde hij in 1994 Competing for the Future (De Strijd voor de Toekomst): volgens velen het invloedrijkste managementboek van de jaren negentig.
Hierin legde hij uit dat bedrijven moeten investeren in nieuwe markten (offensieve innovatie) in plaats van te saneren.
Prahalad was vaak in Nederland. Zo adviseerde hij in de jaren negentig Philips-topman Jan Timmer over de zogenoemde Operatie Centurion: de sanering van Philips die het bedrijf weer winstgevend maakte. Hij benadrukte daarbij dat management niet om efficiency draait, maar om creativiteit. Jongeren zouden dat vaak beter zien dan ouderen.
Prahalad betoogde dat pure kostensanering leidt tot ‘bedrijfsanorexia’. ‘Geheel afgeslankt is er voor de buitenwereld een keurige balans, maar binnenin heerst radeloosheid over de te volgen koers. Uit angst voor misstappen gebeurt er nauwelijks iets.’
Prahalad laat een vrouw, een zoon, een dochter en twee kleinkinderen na. De familie is van plan binnen enkele weken een herdenkingsdienst voor hem te organiseren.
(20-4-2010)
Piet van Outersterp (1927-2010)
De pitbull van Beursplein 5
Peter de Waard
Meer dan tien jaar regeerde hij als een verlicht despoot over Beursplein 5, toen hoeklieden, commissionairs en banken daar nog fysiek de vloer bevolkten. De toenmalige commissaris voor de notering Piet van Outersterp, die op 3 april op 83-jarige leeftijd overleed, duldde geen tegenspraak. Zijn eigen kompas werkte feillozer dan de missives vanuit Den Haag of de uitspraken van rechters.
Van Outersterp was het ruwe bolster, blanke pit-type. Zijn vader had al een beursbedrijf. Hij kwam daar in 1954 in dienst na als jongste bediende eerst enige jaren bij het accountantskantoor Klynveld Kraayenhof te hebben gewerkt.
Van Outersterp was een succesvol en innovatief beurshandelaar, die de avondhandel in Amsterdam invoerde, zodat kon worden ingespeeld op de beurs van Wall Street. Nadat hij door toenmalig beursvoorzitter Boy Korthals Altes ten onrechte was beschuldigd van manipulatie met aandelen Koninklijke Olie, riep hij dat er een controleur met verstand van zaken moest worden aangesteld. Hij solliciteerde meteen zelf op de functie en werd in 1980 de allereerste commissaris voor de notering. Namens de sjieke Vereniging voor de Effectenhandel die toen bij gebrek aan wetten de hele regelgeving zelf uitvoerde, moest hij een zo eerlijk en transparant mogelijke handel garanderen.
Van Outersterp zag de handelaren als marktkooplieden die de vrijheid moesten hebben met lef en intuïtie te opereren. ‘Ik fluit in de geest van de wedstrijd’, zo zei hij. In zijn vrije tijd was hij tot op hoge leeftijd wicketkeeper bij een cricketclub – een ‘edele sport die fair play hoog in het vaandel heeft staan’. De beursvloer was zijn territorium waar de Vereniging onder Korthals Altes’ opvolger Boudewijn baron van Ittersum niets had te zoeken.
De beurshandelaren vreesden hem als ‘de pitbull’. Van Outersterp kon genadeloos optreden tegen handelaren als hij onregelmatigheden in de handel ontdekte. Hij schrapte rigoureus de noteringen door, hoeveel geld hun dat ook kostte. Zijn meest aansprekende daad was het schrappen van alle transacties in het fonds HCS op 31 juli 1991. Begemann-topman Joep van den Nieuwenhuyzen bleek ruim vier miljoen aandelen te hebben gedumpt in een poging de koers te manipuleren. De Vereniging liet een onderzoek instellen naar misbruik van voorwetenschap, dat tot een van de meest geruchtmakende rechtszaken van de jaren negentig leidde. Van Outersterp vond het nonsens. ‘Het was geen voorkennis, het was volksverlakkerij.’ Vijf jaar later gaf de Hoge Raad hem gelijk.
De omzetten verveelvoudigden in de jaren tachtig, de optiehandel kwam in zwang en buitenstaanders probeerden op de almaar stijgende markt snel geld te maken. Toen Van Outersterp in december 1991 met pensioen ging, stond de zelfregulering al ter discussie. Nieuwe wetgeving, die gecontroleerd werd door officiële toezichthouders als de AFM, kwam tot stand. In 1997 pakte justitie een reeks van bekende beurshandelaren op in de Operatie Clickfonds. Ze zouden de beurs hebben gebruikt voor het witwassen van drugsgeld. Hij zag het met lede ogen aan. ‘In de elf jaar dat ik commissaris voor de notering was, heb ik weleens wat door de vingers gezien. Maar van echte criminaliteit was hier geen sprake’, zei hij in een interview met de Volkskrant.
(19-4-2010)
Hans Duistermaat (1942-2010)
De man van de formule
Peter de Waard
‘Zo goed ben ik niet. Ik heb maar eenmaal per jaar één goed idee’, zei hij over zichzelf.
Professor Hans Duistermaat was echter in alle opzichten een genie. Hij was volgens de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen een van de belangrijkste wiskundigen ter wereld op het gebied van differentiaalvergelijkingen, die in de natuurkunde en techniek worden toegepast. Sommige wetenschappers schaarden hem zelfs onder de beste vijf wiskundigen ter wereld.
Johan Kolk, die in 1977 als eerste bij hem promoveerde en het nog te publiceren boek met de titel Distributions: Theory and Applications schreef, wil niet zover gaan. ‘Er zijn meer goede wiskundigen in de wereld. Alleen blijven de meeste wiskundigen in hun specialisme hangen. Duistermaat verlegde elke vijf tot tien jaar zijn aandachtsveld. Hij had het vermogen vanuit zijn eigen specialisme naar andere specialismen te kijken. En dat leverde nieuwe invalshoeken op.’
Duistermaat overleed op 19 maart, pas 67 jaar oud. Vorig jaar werd bij hem non-Hodgkin lymfoom geconstateerd en een longontsteking die daar bovenop kwam, werd hem fataal. ‘Gelukkig heeft hij nog zijn nieuwe boek QRT Maps and Elliptic Surfaces weten te voltooien – een studie naar algebraïsche meetkunde door de ogen van een wiskundige analyticus’, zegt Kolk.
Hans Duistermaat werd in de oorlog geboren in Den Haag. Meteen na de oorlog verhuisden zijn ouders – zijn vader was administrateur – naar Nederlands-Indië. In 1958 begon Soekarno alle Nederlanders het land uit te wzijen. De kinderen kwamen in januari 1958 aan en de ouders in de zomer van dat jaar. Hans Duistermaats vader vond in Utrecht een baan bij Werkspoor en Hans Duistermaat die bekend stond als een hoogbegaafde leerling met een wiskundeknobbel begon toen – pas 16 jaar oud – al zijn studie aan de Universiteit van Utrecht. . Hij zou er nooit meer weggaan, ondanks aanbiedingen van buitenlandse universiteiten om daar college te geven.
Hij was een wetenschapper pur sang die wel adviezen gaf aan bedrijven als Shell, maar de honorering besteedde aan zijn promovendi, 23 in totaal.
Hij koesterde zijn baan, waarbij hij lesgeven kon combineren met onderzoek. Hij schreef elf boeken, tientallen tijdschriftartikelen en lanceerde zijn formule van Duistermaat-Heckman, die stelt dat een benaderingsmethode voor de waarde van de integraal in feite het exacte antwoord geeft.
Buiten zijn werk was hij een fanatiek sporter die graag tafeltenniste en deze winter nog lange schaatstochten maakte. Duistermaat was ook een bevlogen schaker die volgens zijn clubgenoten bij SC Utrecht de wereldtop had kunnen bereiken als hij achter het bord niet zo nerveus was geweest. Hij speelde in 1977 een keer remise tegen wereldkampioen Karpov.
‘Zijn probleem was dat hij schaken op wetenschappelijke wijze benaderde. Maar schaken is geen wetenschap’, aldus de website van de club waarvan hij 51 jaar lid was. ‘Het was voor mij makkelijker om topwiskundige te worden dan topschaker. Het verschil tussen wiskunde en schaken is dat je bij schaken geen zet terug kunt doen’, zei hij zelf.
Niettemin werd hij in 1971 nog landskampioen met SC Utrecht. Schaken deed hij het liefst achter een bord met een klok. ‘Van computerschaak hield hij niet’, aldus zijn weduwe Saskia Duistermaat.
(12-4-2010)
Margreet van Hoorn (1922 - 2010)
Haar lezers waren haar kinderen
Peter de Waard
Er zijn veel misverstanden over schrijfster Margreet van Hoorn. Ten eerste zijn van haar geen zes miljoen boeken verkocht, zoals veel kranten bij haar dood wilden doen geloven. Dat waren er hoogstens één miljoen.
In de tweede plaats schreef ze geen streekromans, maar familieromans. En het derde misverstand is dat niemand in de literaire wereld haar boeken, met titels als Het Hart Spreekt en Een Mens om van te Houden, serieus nam. Haar vriendin Hella Haasse nam Margreet van Hoorn wel degelijk serieus als auteur.
Margreet van Hoorn, pseudoniem voor Gré de Reus, overleed op 18 maart in een verzorgingstehuis in Hoorn. Ze werd 87 jaar geleden ook in deze stad geboren, als de dochter van de fietsenmaker Klaas de Reus. Op 8-jarige leeftijd schreef ze al gedichten, waarvan er één ook op muziek werd gezet. Ze wilde bij het toneel, maar toen ze net in het voordrachtsklasje in Hilversum zat, met onder anderen Hetty Blok, brak de oorlog uit.
Na de oorlog kwam ze in dienst van het weekblad Libelle. Omdat ze geen echte journaliste bleek te zijn – ‘Ik ben veel te lief, want als een dief voor de rechtbank vroeg of ik er niet over wilde schrijven, dan schreef ik niets’ – ging ze korte verhalen schrijven. Hiervoor kreeg ze van de redactie de naam Margreet van Hoorn. Later zou ze onder die naam 79 romans en meer dan duizend gedichten schrijven.
Ze bleef haar hele leven alleen en woonde in een klein historisch pand in de binnenstad van Hoorn. Vijf jaar geleden brak ze haar heup en moest ze naar een tehuis. ‘Wij hebben haar poes Floor opgenomen, die waarschijnlijk was vernoemd naar haar uitgever Floor Jonker’, zegt haar achternicht Nicole de Reus. ‘Ze stond erop dat de poes rosbief zou krijgen. Boeken schrijven lukte niet meer. Maar tot de laatste dag bleef ze gedichten schrijven die werden gepubliceerd in een lokaal blad.’
Van Hoorns grote vriendin Phemia Oud redigeerde en corrigeerde de gedichten. ‘Hoorn en West-Friesland speelden geen grote rol in haar boeken en gedichten. In dat opzicht was ze zeker geen schrijver van streekproza en poëzie.’
Over relaties kon ze vrijuit schrijven omdat ze zelf nooit trouwde. Haar lezers waren haar kinderen. Ze was gek op aandacht, maar koesterde ook het alleen zijn.
De familie bleef haar tante Gré noemen, maar de rest van Hoorn kende haar alleen onder haar pseudoniem. Ze was een vrouw bij wie de de deur altijd openstond, die altijd een huilend kind hielp of een mank poesje in huis opnam. ‘Het stak haar wel dat de literaire wereld haar boeken afdeed als lectuur’, zegt Phemia van Oud, ‘terwijl ze een van de meest gelezen Nederlandse schrijfsters was.’
Tien jaar geleden was ze samen met Normaal-zanger Bennie Jolink de gast van Rik Felderhof. Het was een beetje haar ultieme revanche op de mensen die haar nooit serieus namen.
De herdenking van Margreet van Hoorn, afgelopen dinsdag in de Oosterkerk in Hoorn, werd een grootschalige bijeenkomst, waar vele schrijvers en stadsnotabelen bijeenkwamen. Zelf had ze die bijeenkomst voorzien voor haar 88ste verjaardag, op 26 april. Het werd een maand eerder.
(29-3-2010)
Elsey Blijd (1948-2010)
Icoon van Bijlmermeer
Peter de Waard
Elsey Blijd was nog geen 62 jaar oud toen ze op 31 januari overleed aan wat een stofwisselingsziekte wordt genoemd. ‘Ze was zo omvangrijk geworden dat ik haar niet meer herkende’, zegt haar zoon Perry. Hij denkt dat een medische fout de oorzaak is van haar dood. ‘Ze heeft de verkeerde medicamenten van de huisarts gehad.’
Blijd was een icoon in Amsterdam-Zuidoost. Ze had daar haar eigen radioprogramma en was oprichter van de Stichting De Doorzetters. Ze was actief in de vakbond en enige tijd ook in de PvdA. En ze was een vurig bestrijder van huiselijk geweld – iets wat volgens haar in Surinaamse families nog veel te vaak voorkomt.
Blijd werd geboren in Paramaribo, waar ze actief was als lerares en maatschappelijk werkster. In 1987 ontmoette ze op doorreis in Amsterdam haar oudste zoon Winston die al naar Nederland was gegaan. Ze besloot te blijven. Haar jongste zoon Perry kwam later ook naar Amsterdam.
Blijd die nooit getrouwd is geweest, ging wonen in de Bijlmermeer. Ze viel op als een grote kleurrijk geklede vrouw die zich het lot van medebewoners in dit stadsdeel aantrok. Ze was koppig, had lef en doorzettingsvermogen. Ze werd een fanatiek pleitbezorger voor de emancipatie van vrouwen. ‘Vrouwen moeten voor zichzelf opkomen. Ik doe het. En jij moet het doen.’
Ze richtte zelf de Stichting De Doorzetters op, die werd ondergebracht bij het Vrouwen Empowerment Centrum. Hierbij kreeg ze vaak te maken met vrouwen die slachtoffer waren van huiselijk geweld. Als maatschappelijk werkster ondersteunde ze die met assertiviteitstrainingen en met het zoeken naar een baan en cursussen. De kinderen vergat ze niet. Ze organiseerde op de zaterdagen huiswerkbegeleiding en ook een cursus ‘Koken met kinderen’.
In 2000 overleed haar moeder, die inmiddels ook naar Nederland was gekomen. Haar dood was een grote klap voor Elsey Blijd waar ze niet helemaal overheen kwam. Ze kreeg gezondheidsproblemen. Maar met het vele vrijwilligerswerk ging ze gewoon door, ook als ze zich niet goed voelde. Haar karakteristieke stem was wekelijks te horen in het radioprogramma Tijd voor Doorzetters dat op Radio Zuidoost werd uitgezonden. Het programma ging uiteraard over huiselijk geweld. Haar initiatieven in de Bijlmer kregen ook landelijk navolging via het Platform Huiselijk Geweld.
Eén keer ging ze nog terug naar Suriname. Dat was voor de begrafenis van Fred Derby, de enige overlevende van de decembermoorden van 1982, en oprichter van de Surinaamse Arbeiderspartij. Hij was haar grote vriend en vertrouweling. Derby stierf in 2001 op 61 jarige leeftijd – even oud als Blijd.
(22-3-2010)
Simon Leenheer (1917-2010)
Spinoza en dorpsbakker
Peter de Waard
‘Bent u niet bang om dood te gaan’, werd een keer aan Simon Leenheer gevraagd. ‘Waarom?’ zei hij dan. ‘U zou in de hel kunnen komen.’ ‘Ach, wat maakt het uit. In de hel zijn ook mensen.’
Simon Leenheer die op 23 februari op 92-jarige leeftijd overleed, was een mensen-mens. Tientallen jaren lang was hij net als zijn vader de dorpsbakker van het Zuid-Hollandse Rijnsburg. Nadat de bakkerij eind jaren zeventig verdween als gevolg van een sanering werd hij publicist en journalist. Hij keerde zich tegen de radicalisering van de politiek. Daarin greep naar zijn mening iedereen de vrijheid van meningsuiting aan om te provoceren. ‘Het zal vast met mijn leeftijd te maken hebben. Maar in mijn ogen is de Tweede Wereldoorlog in 1933 begonnen, toen in Duitsland Hitler aan de macht kwam en hooligans er politiek werden georganiseerd’, was zijn antwoord op radicaal rechtse stromingen die na 2000 in Nederland opkwamen. Zelf was hij slechts een blauwe maandag – voor de in het CDA opgegane CHU – actief in de politiek.
Leenheer werd in 1917 geboren in het huis aan de Smidstraat in Rijnsburg waar hij 92 jaar later ook zou overlijden. Zijn vader was afkomstig uit Noordwijk. Al in de jaren vijftig raakte hij gefascineerd door de plaatselijke geschiedenis. Zijn buurman, de archeoloog professor Wim Glasbergen, betrok hem bij opgravingen in de buurt van de Oude Kerk.
In de jaren tachtig combineerde hij het schrijven met het onderzoek naar de lokale en regionale geschiedenis. Hij schreef columns over Noordwijk die later als boek werden uitgegeven en werd verslaggever voor de Rijnsburger en de Flora, het blad van de bloemenveiling. Ook deed hij onderzoek naar de Collegianten, een religieuze stroming (onder anderen Spinoza was er lid van) die net als Leenheer zelf een afschuw had van dogma’s.
In 2009 kreeg Simon Leenheer de onderscheiding Yad Vashem, omdat hij tijdens de oorlog een onderduikadres voor joden was geweest. Tot dan toe had hij nooit met het verhaal te koop willen lopen, maar hij vond het nu tijd dat de jeugd er weer op werd gewezen.
De bakkerij in de Smidstraat die Simon Leenheer in 1942 van zijn vader had overgenomen, was een doorgangshuis voor onderduikers. Als een klant daar vroeg om een plankje van 3 meter, kreeg hij een kind van drie jaar in huis. Onderduikers hadden een slaapplaats op zolder tot ze naar een ander adres werden gebracht.
De onderscheiding werd uitgereikt op voordracht van Karel en Esther van Gelder – bij de bakkerij bekend als oom Karel en tante Fransje – die vanaf september 1944 bij de familie Leenheer ondergedoken waren geweest. ‘Hoe tolerant mijn vader was, is misschien later wel gebleken. Ik kreeg in de jaren zestig verkering met een Duits meisje en mijn zus met een Duitse jongen. Hij zei daar nooit wat van’, zegt zijn zoon Gerrit Leenheer.
(15-3-2010)
Bob Kommer(1921-2010)
Audiovisueel pionier
Peter de Waard
De televisiestudio’s in Bussum bestonden nog niet. In de jaren vijftig togen redacteuren van de actualiteitenrubrieken als Aad van den Heuvel, Kees van Langeraard en Herman Wigbold met hun opnamen naar Den Haag. Hier werden bij Bob Kommer Studio’s de interviews op geperforeerde magneetband gezet en synchroon bij de filmbeelden gemonteerd.
Bob Kommer, die 21 februari op 89-jarige leeftijd in Den Haag overleed, was de pionier en nestor van de audiovisuele industrie in Nederland. Al voor de oorlog maakte hij als amateur filmopnamen. In 1946 vestigde hij zich als portretfotograaf in Den Haag, waar hij met eigenhandig gemaakte apparatuur foto’s ontwikkelde en afdrukte. In 1952 begon hij te filmen en richtte Studio Bob Kommer op.
Naast talloze opdrachtfilms vervaardigde hij op eigen initiatief in 1965 een film over de Haagse schilder Co Westerik, waarmee hij als filmer een zekere bekendheid zou krijgen. Zijn bedrijf was toen al uitgegroeid tot een toonaangevende audiovisuele onderneming met een productietak en een aparte geluidsafdeling. Cineasten als Otto van Neijenhoff en Herman van der Horst werkten met hem. Als specialist op het gebied van samengaan van beeld en geluid werd hij ingeschakeld voor de Nederlandse paviljoens op de wereldtentoonstellingen van Montreal en Osaka, de inrichting van het Evoluon en Imax theaters, waaronder het Omniversum.
Met de opkomst van de televisie begon Bob Kommer aan een nieuw avontuur waarin hij een pioniersrol vervulde: mediatrainingen. Topmensen uit het bedrijfsleven (Shell en VNO waren vaste klanten) en de politiek (onder anderen Pieter Winsemius) werden in zijn studio aan de Van der Spiegelstraat door televisiejournalisten als Wim Bosboom, Charles Schwietert en Gerard van der Wulp getraind op het beantwoorden van vragen.
Kommer was een bescheiden en aimabele man die later advies- en bestuursfuncties zou vervullen bij de Nederlandse Bioscoopbond en de Vereniging van Audiovisuele Producenten (VAP). In 1990 nam Bob Kommer afscheid van zijn bedrijf dat nog een aantal jaren werd voortgezet door derden. In 1996 ging Kommers voormalige geluidtechnicus Ronald Nadorp samen met diens zoon Jeroen verder met Bob Kommer Soundstudio’s, zodat zijn naam blijft voortleven in de Haagse audiovisuele wereld.
Kommer zelf bleef tot op hoge leeftijd gefascineerd door nieuwe ontwikkelingen op mediagebied zoals internet. Hij was continu op zoek naar moderne technieken om opnamen sneller te kunnen monteren. Hij bleef tot zijn dood scherp van geest en wist nog een programma te downloaden om sneller internetvideo’s te bekijken. Op zijn crematie werd zijn levensloop ook aan de hand van een video getoond.
(8-3-2010)
Jacques (Koos) Polak (1914-2010)
Icoon van het IMF
Op zijn 90ste jaar zat hij nog trouw achter zijn bureau op de hoogste etage van het IMF-kantoor in Washington. Met een computer – mijn liefste speeltuig.
De Nederlandse econoom Jacques Polak, die afgelopen vrijdag op 95-jarige leeftijd in zijn Amerikaanse woonplaats Bethesda is overleden, was een icoon van het Internationaal Monetaire Fonds (IMF). Polak nam in 1944 namens Nederland deel aan de onderhandelingen in het Amerikaanse Bretton Woods, waar het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank werden opgericht. Na de oprichting wijdde Polak zijn verdere loopbaan aan het fonds. Van 1958 tot 1979 fungeerde hij als hoofdeconoom van het IMF. Polak een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van het internationaal monetair systeem. Zo kan hij worden beschouwd als de intellectuele vader van de bijzondere trekkingsrechten (SDR’s) , dat zijn internationale reservevaluta waarmee soelaas wordt geboden aan landen die in liquiditeitsproblemen zijn geraakt.
De belangrijkste bijdrage van Polak aan het IMF en daarmee aan de economische analyse is echter het “model van Polak” dat hij in 1957 ontwikkelde en dat daarna meer dan 40 jaar dienst heeft gedaan voor het opstellen van herstelprogramma’s voor landen die in financiële problemen zijn geraakt. . Omdat het vooral betalingsbalans problemen zijn waarom landen bij het IMF om hulp vragen, legt het model van Polak, naast de inkomensontwikkeling, de nadruk op de ontwikkeling van de betalingsbalans. De belangrijkste boodschap van het model is dat de binnenlandse kredietverlening moet worden aangepakt om het evenwicht in de economie te herstellen. Er mag zeker geen monetaire financiering van overheidsschuld plaatsvinden.
Vervolgens diende hij van 1981 tot 1986 als de bewindvoerder van Nederland in het bestuur van het instituut.
Polak is tot op hoge leeftijd als econoom actief gebleven. Tijdens het lustrumcongres van het Tinbergen Instituut was hij op 82-jarige leeftijd een enthousiast deelnemer en zeer gespitst op inhoudelijke discussies. De gave om te vervallen in diplomatieke nietszeggendheid was aan hem minder besteed.
De huidige topman van het IMF, Dominique Strauss-Kahn, beschreef Polak in een reactie als een icoon van het IMF. Volgens de Fransman behoorde Polak in de jaren na de Tweede Wereldoorlog tot de belangrijkste denkers op het gebied van wisselkoersbeleid en het internationale monetaire systeem.
Volgens de huidige Nederlandse IMF-bewindvoerder, Age Bakker, heeft Polak een grote invloed gehad op het gedachtengoed van het IMF, waar hij ‘een onuitwisbare indruk’ heeft achtergelaten.
(2-3-2010)
Jaap van der Poll (1914-2010)
Olympiër van Spelen in 1936
Peter de Waard
Speerwerper Jaap van der Poll was een van de laatste nog levende Nederlandse deelnemer aan de beruchte Olympische Spelen van 1936 in Berlijn. Hij was een van de weinige Nederlanders die als krijgsgevangene in de oorlog in Japan tewerk was gesteld en zag als een van de weinige Nederlanders met eigen ogen de verschrikkingen van de atoombom.
Van der Poll overleed op 1 februari van dit jaar op 95-jarige leeftijd in Castricum. Hij werd geboren in Amsterdam. In de crisis van de jaren dertig kon hij als jongeling geen werk vinden en sloot hij zich aan bij de atletiekvereniging AV 1923, waar hij trainde onder Jan Blankers, de latere echtgenoot van Fanny Blankers-Koen.
Hij blonk met name uit op de werpnummers. In 1935 verbeterde hij twee keer het Nederlands record speerwerpen: eerst tot 63,03 en daarna tot 64,35 meter. Hiermee werd hij Nederlands kampioen en mocht hij deelnemen aan de omstreden Spelen in Berlijn, een jaar later. ‘Het was een sportieve beslissing. Mijn vrienden zeiden: gaan. Toen ik terugkwam, was ik weer welkom bij mijn joodse vrienden’, zei hij later.
Van der Poll, die aan de hts werktuigbouw had gestudeerd, werd in 1938 door de Nederlandsche Handel-Maatschappij uitgezonden naar Nederlands-Indië, vlak na zijn huwelijk met Ans van Essen. Op Java werkte hij in een suikerfabriek. Hij deed nog aan atletiek en werd zelf Javaans kampioen speerwerpen en discuswerpen.
Na Pearl Harbour werd hij als sergeant gemobiliseerd in het Koninklijke Nederlandse Indisch Leger (KNIL) en later door de Japanners krijgsgevangen gemaakt. Hij kwam uiteindelijk in Japan terecht, waar hij tweeënhalf jaar in de kolenmijnen moest werken. Net als op de Spelen was hij een nummer – gevangene 214.
Na de Japanse capitulatie reisde hij via Nagasaki – net na de atoombom – en Manilla terug naar Nederland. Hier werd hij herenigd met zijn vrouw, die als tandartsassistente in Batavia had gewerkt en al eerder was gerepatrieerd. Als KNIL-militair ging hij in opdracht van generaal Spoor sportleraren opleiden.
In 1948 meldde hij zich aan als lid het Haagse V&L. Hij wierp nog wel over de 60 meter maar kon de top niet meer bereiken. Hij trad in dienst van bedrijfsadviesbureau Ydo, dat hem uitzond naar de Staatsmijnen in Limburg en chocoladefabriek Ringers in Alkmaar.
In 1953 – Van der Poll had inmiddels twee zoons – kwam hij in dienst bij Hoogovens en vestigde zich in IJmuiden. Daar werd hij trainer van de atletiekvereniging Suomi. In 1958 scheidde Van der Pol van zijn eerste echtgenote. Hij hertrouwde in 1964 – ook dat huwelijk zou uiteindelijk in een scheiding eindigen – en verhuisde naar Castricum.
Bij Hoogovens werd hij in die tijd OR-lid – toen nog een fulltime-baan – wat hij tot 1972 zou blijven. Na onenigheid met de bond ging hij met vervroegd pensioen en bekwaamde zich in kunstschilderen en tekenen.
(1-3-2010)
Frans Veldman (1921-2010)
Grondlegger van de haptonomie
Peter de Waard
Mensen die gezond waren, wilde hij ook gezond houden. Zo omschrijft Ted Troost, Nederlands bekendste haptonoom, zijn grote leermeester en goeroe Frans Veldman. De grondlegger van de haptonomie overleed 25 januari op 88-jarige leeftijd in Frankrijk, het land waar hij de laatste dertig jaar woonde.
‘Een groot erudiet, doch bescheiden Mens die door zijn levenswerk ontelbaar velen levensmoed, levensvreugde en levensgeluk hielp ervaren, door de affectieve bevestiging van hun wezen.’ Zo stond het in de enige kennisgeving.
Veldman wordt in 1921 geboren in Vlissingen. Hij krijgt een opleiding als fysiotherapeut, maar combineert dat met psychologie en psychotherapie. De ellende van de Tweede Wereldoorlog opent hem de ogen. Vanaf 1942 gaat hij zich verdiepen in de fenomenologie van het voelen. Hij ontdekt dat door een specifieke wijze van aanraken van mensen een relatie met een patiënt kan worden bereikt. De huid is het belangrijkste tastorgaan van de mensen. Door mensen juist daar affectief te benaderen worden spanningen van lichaam en geest opgeheven en kan een verstoorde relatie met de omgeving worden hersteld.
De wetenschap van de affectiviteit wordt in de jaren vijftig samen met de Duitse onderzoeker Volkmar Glaser uitgewerkt tot de psychomotore en psychotactiele therapie – die door Veldman in de jaren zestig de haptonomie en haptotherapie worden genoemd. Veldman begint zijn eigen Academie voor Haptonomie in Nijmegen/Overasselt. Later verhuist hij naar Doorn.
In 1966 hoort Troost Veldman voor het eerst spreken. ‘Het was vijf minuten. Want op dat moment liep hij weg. Omdat niemand anders geïnteresseerd was. Maar ik was diep onder de indruk en ben cursussen bij hem gaan volgen.’
Uiteindelijk neemt Troost zelfs de academie van zijn leermeester over, waarna Veldman met veel succes de haptonomie in Frankrijk gaat propageren. In de jaren tachtig wordt Troost beroemd als mental coach van veel topsporters als de schaatsers Hein Vergeer en Yvonne van Gennip, de voetballers Van Basten en Gullit en de tennisser Richard Krajicek.
Veldman is in Frankrijk vooral bezig met de zoektocht naar de verbintenis tussen de theoretische onderbouwing en de concrete praktijk van haptonomie. Hierbij maakt hij gebruik van de opvattingen van de Franse filosoof Maurice Merleau Ponty. Deze heeft een filosofie over het lichaam en ruimtelijke beleving ontwikkeld.
Veldman schrijft er vele boeken over, waaronder het standaardwerk Levenslust en Levenskunst. Hij wil vooral bereiken dat haptonomie niet wordt weggezet als een pseudowetenschap die niet is uit te leggen en alleen kan worden ervaren. Veldman heeft in zoverre succes dat anno 2010 zelfs verzekeraars haptonomie als een serieuze therapie beginnen te beschouwen.
(22-2-2010)
Hendrik ‘Bull’ Verweij (1909-2010)
Omroeppiraat die erg van grote feesten hield
Peter de Waard
’God, god, wat hebben we gelachen’, zei hij altijd op de reünies van Veronica. Hendrik ‘Bull’ Verweij, die vrijdagochtend op 100-jarige leeftijd is overleden, mag Nederlands laatste piraat worden genoemd.
Verweij groeide op in een Hilversumse familie die handelde in textiel en andere zaken die geld opleverden. Samen met zijn twee broers Jaap en Dirk wilde Bull (zijn bijnaam dankte hij aan zijn stierennek) in de jaren vijftig tot groot ongenoegen van Philips goedkopere Philips-radiotoestellen uit het buitenland importeren. Van radiomaken hadden de Verweijs naar eigen zeggen ‘geen moer verstand’, maar van zaken doen des te meer. De contacten met andere radiohandelaren leidden tot de oprichting van een piratenstation, onder de naam Vrije Radio Omroep Nederland (VRON). In 1960 namen de Verweijs alle aandelen over. Na een naamsverandering (‘VRON kun je met een kunstgebit niet uitspreken’, zei Bull) begon Veronica.
Bull Verweij kreeg de dagelijkse leiding. In korte tijd werd Veronica met dj’s als Joost den Draaijer, Jan van Veen (hij trouwde zelfs in de familie Verweij), Tineke de Nooij, Lex Harding en Rob Out een begrip. ‘Ome Bull’ organiseerde voor zijn ‘mieterse mensen’ graag grote feesten aan de Hilversumse Zeedijk. Tineke de Nooij die ongehuwd moeder was, mag van Bull haar baby meenemen naar de studio. Tijdens een Sinterklaasviering drinkt de verklede Bull, vanwege de aangeplakte baard, jenever met een rietje, waardoor hij zo dronken wordt dat het feest erbij inschiet
Maar geld heeft hij eigenlijk niet. Als Veronica een nieuwe kapitaalinjectie nodig heeft, krijgt hij een koffiejuffrouw, een portier en een kousenverkoper zo ver om vijfduizend gulden te investeren – later zouden zij hiervan een veelvoud terugverdienen. En wanneer de diskjockeys om meer geld vragen, luidt het antwoord stellig “kan niet”, waarna de dj gewoon terugkeert naar zijn felbegeerde draaitafel. Aanvankelijk werd gebruik gemaakt van een zelfgebouwde zender, maar in de tweede helft van de jaren zestig werd via de Zwitserse zakenlieden Meister en Bollier een professionele zender aangeschaft Dit duo ontpopte zich later echter tot een concurrerende piraat na de afschaf van het schip de Mebo II.
Nadat dit schip met Radio Noordzee zich in 1971 als tweede piraat op de Nederlandse markt richtte en de politiek over een verbod ging praten, raakte Verweij in paniek. Hij financierde een bomaanslag op de concurrent, waarvoor hij in de gevangenis belandde. ‘Het is mijn stommiteit geweest. Er hadden doden kunnen vallen’, verklaarde hij tegen de rechter.’ In de cel gingen de zaken gewoon door (hij regelde een golflengtewisseling van 192 naar 538 meter), net als de feesten waarbij ook de bewakers dronken werden. ‘We hebben er zelfs een drive -in show gehouden .’Flessen jenever verstopt in de loudspeaker boxen en via een theepot in de kopje’, aldus dj Will Luikinga
In 1974 werd de antipiratenwet van kracht. Verweij stak daarna al zijn miljoenen in een Portugese marmermijn die al snel failliet ging. Zijn villa moest hij verkopen. Hij sleet vervolgens met een AOW-uitkering zijn dagen in een houten hut in Loosdrecht. Hij dronk nog graag een jenevertje. Maar omdat hij zo slecht kon zien, controleerde hij met zijn vinger of het vloed of eb was in het glas. Hij fietste ook graag. Op zijn rijwiel had hij een lange stang met vlag gemonteerd zodat iedereen hem goed kon zien.
Vorig jaar kreeg hij daar ter gelegenheid van zijn 100ste verjaardag nog van nieuwslezer Arend Langenberg en de CEO van Radio Veronica Ab Trik een Lifetime Achievement Award voor zijn bijdrage aan de commerciële radio in Nederland.
(20-2-2010)
Rob Hazelhoff (1930-2010)
Oud-bankier was baken van behoedzaamheid
Peter de Waard
Met afgrijzen keek de oud-bankier de laatste jaren toe hoe zijn ABN Amro aan de aandeelhouders werd uitgeleverd.
Amsterdam Een gemoedelijke pijproker met een weelderige witte haardos, een grote bril en een kwinkslag. Hij zag zichzelf niet als topman maar als teamleider – ‘de besluitvorming lijkt daardoor traag te zijn, maar is wel altijd weloverwogen’.
Met zijn schraperige bromstem wilde oud-ABN-topman Rob Hazelhoff nog wel eens ironisch uit de hoek komen. Hij hield van het understatement – iets waar de Amerikanen die altijd de grootste en de beste wilden zijn, geen weg mee wisten, zei zijn voorganger André Batenburg.
Hazelhoff, die zaterdag op 79-jarige leeftijd tijdens een vakantie op St. Maarten aan een hartaanval overleed, werkte zijn hele leven bij ABN Amro en de voorgangers.
Krantenkoppentaal bezigde hij zelden. ‘Hij blijft altijd de relativiteit in het oog houden’, zei toenmalig collega Wijffels over hem.
Bankbestuurders moeten betrouwbaar zijn. En dus een beetje saai. Collegialiteit is belangrijk. En excessieve honorering via bonussen is onacceptabel. Het meest had Hazelhoff een hekel aan mensen die boven hun stand leefden.
In de tijd dat Hazelhoff de ABN en later de ABN Amro leidde, was er nog geen haantjescultuur in het Nederlandse bankwezen. ‘De belangrijkste taak van een topbankier is to avoid disaster’, zegt Hazelhoff vlak na zijn pensionering.
Hazelhoff wordt op 21 oktober 1930 geboren in Delft. Zijn vader is daar directeur van het Arbeidsbureau. Hij is een verwoed lezer. De roman Max Havelaar van Multatuli geeft hem de inspiratie om een baan te zoeken bij een handelsmaatschappij. Op zijn 22ste wordt hij werknemer bij de Nederlandsche Handel-Maatschappij, de voorloper van de ABN, en wordt hij achtereenvolgens in Nairobi, Kampala en Jakarta gedetacheerd. Hij leert vooral behoedzaamheid.
‘Als je je eerste krediet verspeelt, en dat was in mijn geval 300 gulden, dan wordt er meteen gezegd: ‘Volgende keer vermelden we dat op je conduitestaat.’ Ik heb een heel weekend in een bazaar in Afrika naar de man gezocht om mijn 300 gulden terug te krijgen.’
Hazelhoff is een ouderwetse conservatief die de koloniale elementen van de bank koestert. In 1966 wordt hij baas van de ABN in Buenos Aires en daarna in New York. In 1971 keert hij als bestuurslid terug in Amsterdam en in 1989 wordt hij op grond van anciënniteit voorzitter van de raad van bestuur. Een jaar later begint Hazelhoff fusiebesprekingen met Roelof Nelissen van de Amrobank.
De beide juristen bereiken snel een akkoord en Nederland krijgt zijn eerste financiële grootmacht. De cultuurverschillen blijken al op de eerste dag. De ABN’ers geven hun collega’s van de Amrobank in de raad van bestuur een presentje van 12,50 gulden. Andersom worden gouden dasspelden van 1.250 gulden cadeau gedaan.
Hazelhoff wordt topman. Afwachten is zijn parool. ‘Wat ik wil nalaten is een betrouwbare bank, niet een die qua balanstotaal de twintigste van de wereld is geworden.’ In 1994 gaat hij met pensioen en wordt opgevolgd door Jan Kalff die een ambitieuze expansie in het buitenland begint. Hij blijft nog tot 2001 commissaris.
Met lede ogen en uiteindelijk zelfs met walging ziet hij wat daarna met de bank gebeurt – de uitlevering aan de aandeelhouders, bestuurders die voor hun eigen gewin opereren. Hazelhoff vindt dat Groenink de bank verkwanselt. En daarom mag hij geen lid worden van de club van oud-bestuurders.
(18-2-2010)
Jan Pen (1922-2010)
De Wim Kan onder de economen was ‘op’
Peter de Waard
Hoogleraar Jan Pen zou vandaag 89 jaar zijn geworden. Maar hij overleed zondagmorgen vroeg. ‘Hij was op’, zegt zijn zoon.
Jan Pen was een van de meest fameuze naoorlogse economen. Hij figureerde in W.F Hermans’ beroemde roman Onder Professoren als Tabe Pap. ‘Ik kom eraf als een soort pias die op gele schoenen loopt, vaak op de grond ligt en worteltjes eet. Nou, ik heb van mijn leven nog nooit gele schoenen gehad, maar op de grond liggen en worteltjes eten, dat klopt.’
Jan Pen werd vooral vermaard in de jaren zeventig, als luis in de pels van PvdA-leider Joop den Uyl. Hoewel zelf een overtuigd sociaal-democraat (‘Ik zal nooit op een andere partij dan de PvdA stemmen’, zei hij in 1979) deinsde Pen er niet voor terug de plannen van Den Uyl en vele van zijn sociaal-democratische opvolgers als Wim Kok ongenadig te bekritiseren.
VVD-leider Wiegel greep Pens kritiek in 1972 aan om Den Uyl de oren te wassen in een van de meest vermaarde debatten in de Nederlandse politieke geschiedenis. Naast die van Wiegel was ook de naam en reputatie van Pen in een klap gevestigd.
Pen kreeg de bijnaam ‘de Wim Kan onder de economen’ – een titel die hem wel aanstond. ‘Mijn vader kan leuke dingen leuk uitleggen’, zei zijn zoon Tiesse vorig jaar in het interviewkatern van de Volkskant. ‘En de economie zit vol leuke dingen’, antwoordde hij zelf gevat.
Pen was echter meer dan een economisch conferencier. ‘Jan Pen was een briljant macro-econoom in de tijd dat economen als hij, Witteveen en Dick Schouten er nog toe deden in het politieke en maatschappelijke debat’, zei collega Arnold Heertje vorig jaar over hem.
Pens vertelkunst was ongeëvenaard in kwaliteit en kwantiteit. Hij produceerde zestienduizend pagina’s die berusten ‘op goed geïnformeerde bluf, een genre waarin ik de leermeester – die ik hier eer – overigens nooit zal evenaren’, schertste econoom Dik Wolfson in 1990.
Hij werkte van 1947 tot 1956 als wederopbouweconoom op het ministerie van Economische Zaken. In 1956 werd hij benoemd tot hoogleraar in de staathuishoudkunde en openbare financiën in Groningen. Een tijdlang deed hij er in de ‘Verenigde Faculteit’ ook nog sociologie bij. Jarenlang was hij columnist van Het Parool. Daarnaast schreef hij ruim twintig boeken, waaronder Een overzichtelijke wereld (1998), Wie heeft er gelijk? (1989), Income distribution: facts, theories and policies (1971) en het standaardwerk Moderne Economie (1958), dat zelfs werd vertaald in het Japans.
Pen bleef altijd een trouw keynesiaan, ook toen Keynes door de reaganomics en het thatcherisme op de schroothoop was beland. Hij bleef ook pleitbezorger van een rechtvaardige inkomensverdeling en werd grondlegger van de zogenoemde milieueconomie. Hij was daarbij altijd tegendraads en eigenzinnig. Als milieueconoom propageerde hij geen zuinigheid, maar wilde niet-zuinigheid als ‘vliegverkeer, blikjes en grote auto’s’ fiks belasten.
Pen zei zich vorig jaar ook niet te ergeren aan zichzelf verrijkende bankiers. ‘Hoe meer miljonairs, hoe beter. Op voorwaarde dat ze 70 procent belasting betalen.’
(15-2-2010)
Arjen Grolleman (1972-2010)
Dj tussen rockmuziek en Plato
Peter de Waard
Op het visitekaartje van Arjen Grolleman stond entertainer. Voor de dj van de rockzender Kink FM bestond er geen verschil tussen hoge en lage cultuur. Zelden was iets te hoogdravend of te laag bij de grond. Voor radio Veronica selecteerde hij nummers van Mariah Carey, Phil Collins en Marco Borsato, terwijl hij voor het klassieke radiostation Concertzender een avant-gardistisch programma onder de naam Pop-art maakte. Een andere muziekvoorkeur was ambient – een stroming die uit de synthesizermuziek is voortgekomen.
Ook was hij gefascineerd door de filosoof Plato en geabonneerd op De Groene Amsterdammer, luisterde hij naar Stockhausen en las de poëzie van Jean Pierre Rawie.
Grolleman, pas 37 jaar oud, overleed 20 januari aan een noodlottig ongeval: hij viel van de trap en brak zijn nek in zijn eigen huis in Hilversum. Vijf dagen later draaiden bijna alle muziekstations als eerbetoon om 3 uur ’s middags zijn favoriete plaat Tears Run Rings van Marc Almond. Velen noemden hem ’s lands beste dj.
Grolleman werd in Deventer geboren. Al tijdens zijn jaren op het Alexander Hegius gymnasium raakte hij geboeid door radio. Hij richtte een eigen radiostation voor de school op en ging later werken voor de ziekenomroep en stadsradio in Deventer. Nadat hij ging studeren in Amsterdam – eerst communicatiewetenschappen en politicologie en later filosofie – probeerde hij een baantje te krijgen in Hilversum. Uiteindelijk werd hij door Veronica aangenomen als dj bij het nieuwe Kink FM, een station voor alternatieve muziek. Daarnaast draaide hij Hollandse hits op Holland FM. Ook op de opvolgers van dat station, HitRadio 1224 en HitRadio Veronica, was hij te horen. Uiteindelijk concentreerde hij zich volledig op zijn grote liefde, Kink FM.
Dit station werd zijn levenswerk. Elk half jaar moest hij het voortbestaan bevechten bij de ledenraad van Veronica. Er was zo weinig geld dat dj’s hun eigen apparatuur moesten meenemen en hun salaris kregen uitgekeerd in de vorm van cd’s. Grolleman was uiteindelijk de manager en de bedelaar die het voortbestaan van Kink FM verzekerde.
Liever was hij echter de gedreven programmamaker. Zijn hilarische aan- en afkondigingen in de Kink-programma’s Avondland en X-Rated bezorgden hem een vaste schare van duizenden fans. ‘Hij was de enige dj die zijn platen aankondigde met een verwijzing naar Aristoteles, een link maakte naar Modern Talking, iets zei over drie soorten mayonaise en eindigde met een dichtregel van Rawie. Na de plaat gaf hij een beschouwing over de Irak-oorlog, voorgedragen als Lowieke de Vos uit De Fabeltjeskrant’, schreef voormalig Kink-directeur Jan Hoogesteijn.
Grolleman was de laatste jaren ook actief op de televisie als de stem van verschillende RTL 4 en RTL 5-programma’s. Zo was hij de voice-over van het programma Eigen Huis & Tuin.
(15-2-2010)
Henk van Luijk(1929-2010)
Grondlegger van de bedrijfsethiek
Peter de Waard
’Henk denkt dat ie nergens is’, zegt zijn echtgenote Marthe van Nes. Voormalig priester en jezuïet Henk van Luijk geloofde al lang niet meer in een hiernamaals, hoewel hij wel bleef zoeken naar een God. Maar een katholieke begrafenis met alle toeters en bellen hoefde niet. Van Luijk overleed op 19 januari. Er werd afscheid van hem genomen tijdens een bijeenkomst in Monnickendam en een dag later werd hij in besloten kring gecremeerd.
Van Luijk is vooral bekend geworden als de pionier van de bedrijfsethiek in Nederland en Europa. Lang voordat er sprake was van gedragscodes in het bedrijfsleven schermde hij al met de maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemers. Begrippen uit de moderne bedrijfsethiek, zoals ‘dilemmatraining’, ‘collegiaal beraad’, ‘transactie-ethiek’ en ‘grensbepaling’ zijn aan zijn pen ontsprongen.
Van Luijk werd in 1929 in Tilburg geboren in een katholiek gezin van acht kinderen. Zijn vader had hier een veter- en bandfabriek. Op de lagere school werd hij vanwege zijn hoge cijfers geselecteerd voor het kleinseminarie. Maar zijn moeder weigerde. ‘Hij kan later altijd nog priester worden.’ Henk had nog een ander talent. In 1942 op 13-jarige leeftijd werd hij in Tilburg bokskampioen in het vlieggewicht.
Vier jaar later wisselde hij de bokshandschoenen alsnog in voor een pij en sloot zich aan bij de Orde van de Jezuïeten. Hij studeerde sociologie, psychologie, theologie en filosofie in Nijmegen en Maastricht. In 1960 werd hij tot priester gewijd en vier jaar later promoveerde hij op een proefschrift over een Franse godsdienstfilosoof. Hij wilde eigenlijk verder studeren, maar het episcopaat gaf hem de opdracht de hele katholieke priesteropleiding te moderniseren. Van Luijk bracht de 48 grootseminaries onder in vijf katholieke theologische hogescholen. Maar van echte modernisering, bijvoorbeeld ten aanzien van het celibaat, kwam het niet. In 1972 trad hij daarom uit de jezuïetenorde en later gaf hij ook zijn priesterschap op. In 1975 trouwde hij met Marthe van Nes en aanvaardde een functie als wetenschappelijk medewerker op de faculteit wijsbegeerte in Groningen. Een van de onderdelen daar was ethiek. Omdat hij uit een ondernemersgezin kwam, vond hij de bedrijfsethiek interessanter dan de medische ethiek. In 1983 werd hij benoemd tot de eerste hoogleraar bedrijfsethiek in Nyenrode. Zijn pioniersgeest leidde drie jaar later tot de oprichting van de European Business Ethics Network, waarvan hij van 1987 tot 1997 voorzitter was.
Dankzij Van Luijk werd maatschappelijk verantwoord ondernemen overal op de directie-agenda gezet. Ook na zijn afscheid in 1999 bleef hij publiceren. Van Luijk stelde nooit alleen te vertrouwen op goede bedoelingen. ‘Goede bedoelingen moeten handen en voeten krijgen in structuren en codes. Alleen zo krijgt maatschappelijke verantwoordelijkheid in de onderneming vaste grond onder de voeten.’
(8-2-2010)
Hannie Pollmann-Zaal(1952-2010)
Representatief, wijs en integer
Peter de Waard
Of ze ooit overwoog de buitenlandse dienst vaarwel te zeggen? ‘Even’, erkent Paul Pollmann, nu weduwnaar in Brussel. ‘Toen ze voor de zoveelste keer naar Den Haag werd teruggehaald. Maar op het moment dat ze op Buitenlandse Zaken weer een functie had, was ze het al vergeten.’
Op 2 januari overleed op 57-jarige leeftijd Hannie Pollmann-Zaal, sinds mei 2008 de Nederlandse ambassadeur in Brussel. Een jaar geleden werd borstkanker vastgesteld bij de ‘grande dame’ van de Nederlandse buitenlandse dienst, maar ze bleef doorgaan omdat het werk haar zo dierbaar was.
De post Brussel was de bekroning van haar loopbaan bij Buitenlandse Zaken. ‘We hadden ook naar Stockholm kunnen worden gezonden. Maar het werd onze thuisbasis Brussel’, zegt Paul Pollmann die al veertig jaar in België had gewoond en gewerkt.
Toen Hannie Pollmann-Zaal in mei 2008 samen met twee andere vrouwelijke diplomaten van de Nederlandse ambassade haar geloofsbrieven ging aanbieden aan koning Albert, stond echtgenoot Paul met een fototoestel bij het paleis. ‘Het is de eerste keer dat ik bij deze aanbieding met drie vrouwelijke diplomaten praat’, merkte de koning op.
Pollmann-Zaal werd in augustus vorig jaar in het conflict over de verdieping van de Westerschelde op het matje geroepen door de Vlaamse minister-president Kris Peeters. Ze wist hem uit te leggen hoe de Raad van State in Nederland werkte en wist Den Haag duidelijk te maken hoe serieus deze zaak voor de Belgen was.
Hannie Zaal werd geboren in een katholiek gezin in het Brabantse Goirle. Ze studeerde sociale geografie in Amsterdam en belandde per toeval op Buitenlandse Zaken omdat ze toentertijd een plaats kon krijgen in het beroemde ‘klasje’.
Uiteindelijk werd ze een diplomaat in de ware zin van het woord: ‘representatief’, ‘integer’, ‘wijs’ en ‘professioneel’. Vanaf 1985 werd ze op verschillende posten in de wereld gestationeerd, onder meer in Rome en Dar es Salaam. In 1994 werd ze werd ze de rechterhand van de permanente vertegenwoordiger bij de Europese Unie in Brussel, Bernard Bot. Hier ontmoette ze haar echtgenoot Paul Pollmann – een 22 jaar oudere, gepensioneerde salesmanager. In 1997 keerde ze terug in Den Haag als hoofd werving en selectie op Buitenlandse Zaken. Ze werd weer uitgezonden, naar Wenen voor de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, en kwam terug in Den Haag als directeur West- en Midden-Europa voordat ze chef de poste werd in Brussel.
Haar dood, anderhalf jaar later, is een grote klap voor de Buitenlandse Dienst, amper twee maanden na het onverwachte overlijden van ambassadeur Annelies Boogaerdt (56) in Nieuw-Zeeland door een longontsteking.
(1-2-2010)
Pierre Wijnnobel (1916-2010)
De koning van de cover
Peter de Waard
‘Begin december veroorzaakte hij een kleine aanrijding. De politie eiste daarna zijn rijbewijs op. Nu haalt u de laatste benen onder mij weg, riep hij. Sindsdien is het bergafwaarts gegaan’, vertelt jazzkenner Cees Mentink.
Muzikant, componist, arrangeur, tekstschrijver en hoteleigenaar Pierre Wijnnobel overleed op 9 januari op 93-jarige leeftijd. Een maand geleden deed hij nog de inkopen voor zijn hotel Wijnnobel aan de Vossiusstraat in Amsterdam. Af en toe speelde hij nog muziek, maar meestal hoorde hij zijn liedjes als Een Muis in de Molen in Mooi Amsterdam (Rudi Carrell) en Ik wil klappermelk met suiker (Joyce Aubrey) alleen nog op de radio.
Wijnnobel werd in Leiden geboren, hij was enig kind. Zijn ouders hadden een manufacturenhandel aan de Breestraat. Van hen moest hij economie studeren en een goede baan zoeken. Maar hij had meer aandacht voor muziek en vooral jazz. Op zijn 16de jaar speelde hij de contrabas in een Leids jazzcombo The Crackerjacks. Daarna volgden talrijke bands. Hij voltooide ook zijn studie economie, precies op de dag – 26 november 1940 – dat professor Cleveringa in Leiden protesteerde tegen het ontslag van Joodse hoogleraren. De universiteit werd gesloten. The Moochers, de groep waarin Wijnnobel speelde, werd onder druk van de bezetters omgedoopt in De Klaplopers. In de oorlogsjaren was Wijnnobel als muzikant vooral actief in Brussel en Parijs waar hij onder anderen Jean ‘Toots’ Thielemans ontmoette. Kort na de oorlog werd hij trombonist in The Ramblers van Theo Uden Masman, maar hij kon niet tegen het volume van Marcel Thielemans op en werd er in 1950 uitgezet toen de belangstelling voor bigbandmuziek verminderde.
Wijnnobel ging componeren. Hij schreef jazzstukken (Abelebebop en The Ramblers Boogie Woogie) voor The Ramblers en The Skymasters en ging Nederlandse liedjes maken. Maar vooral met de vertalingen van populaire buitenlandse liedjes als Willem wordt Wakker (Wake Up Little Suzie), Zeg niet nee en In de bus van Bussum naar Naarden had hij enorm succes.
Hij dankte er de naam ‘de koning van de cover’ aan. Ook trok hij voor de KRO-radio door het land met een verre voorloper van de Idols-formule – genaamd De Springplank – waarbij hij artiesten als Greetje Kauffeld en Conny Vandenbos ontdekte. In de jaren zestig had deze wederopbouwmuziek afgedaan en veroverde pop de hitlijsten.
Wijnnobel concentreerde zich op rags en ging ingewikkelde arrangementen van Bach bestuderen. Hij wilde zich ‘dit krentenbrood’ eigen maken. Hij trouwde met de Luxemburgse Jeanne (Joan) Kutter en opende met haar een hotel in Amsterdam. ‘Hij zei altijd: ik ben zo blij dat ik nergens ben aangenomen, anders had ik niet zo’n spannend leven gehad’, zegt Mentink.
(25-1-2010)
Fred Bachrach (1914-2009)
Britser dan de Britten
Peter de Waard
Hij groeide op in een gezin waar elke dag verplicht een andere taal werd gesproken: zeg maar Frans op maandag, Duits op dinsdag, Engels op woensdag, Nederlands op donderdag en Italiaans op vrijdag.
Voor professor Fred Bachrach, die op 18 december overleed, was het de aanzet tot een tumultueus leven. De Leidse hoogleraar Engelse taal- en letterkunde was tegelijkertijd levenskunstenaar en intellectueel. Hij werd in 1914 geboren in Frankfurt als zoon van een Franse lector aan de Sorbonne en een Duitse moeder. Omdat zijn vader bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in Nederland verbleef voor colleges aan de Amsterdamse universiteit zou het vier jaar duren voordat het gezin werd herenigd. ‘Toen hij zijn vader in 1918 voor het eerst zag, waren zijn woorden: dag meneer’, vertelt zijn dochter. De van huis uit meegekregen fascinatie voor talen leidde tot een studie Engels, waarna hij eind jaren dertig les ging geven aan een gymnasium in Alkmaar.
‘Hij ontmoette een oudere getrouwde vrouw. Hij schaakte haar en samen gingen ze naar Zuid-Frankrijk waar hij een jaar als kunstschilder werkte voordat hij naar Nederlands-Indië vertrok’, zegt zijn zoon. Wegens de Japanse dreiging werd hij hier gemobiliseerd als militair en in 1942 krijgsgevangen genomen. Zijn echtgenote werd in een vrouwenkamp opgesloten, waar hun enige kind overleed. Na de Japanse overgave werd hij door het Britse leger vanwege zijn talenkennis als liaisonofficier in dienst genomen en reisde hij door heel Azië.
Na zijn terugkeer in Europa kreeg hij een beurs om als eerste Nederlander in Oxford te promoveren in de Engelse taal- en letterkunde. Na deze promotie (met een proefschrift over Constantijn Huygens) werd hij aangesteld als hoogleraar in Leiden. In 1948 trouwde hij een stoere Friezin die in het verzet had gezeten. Ze kregen drie kinderen.
Bachrach ontwikkelde zich tot internationaal vermaarde Shakespeare-kenner en werd een spil van de Brits-Nederlandse culturele betrekkingen. Hij organiseerde lezingen en exposities en was de drijvende kracht achter het William & Mary-jaar in 1989.
Na zijn emeritaat verdiepte hij zich in de schrijver Joseph Conrad en de schilder J.M.W. Turner. Hij herontdekte in de Tate Gallery schetsen die Turner op weg naar Italië in Nederland had gemaakt. Bachrach identificeerde de landschappen en stadsgezichten.
Bachrach was Britser dan de Britten. Hij scheidde op 75-jarige leeftijd van zijn tweede vrouw en begon een nieuw leven in Twickenham, bij Londen. Vele jaren werkte hij aan een nieuw boek over de invloed van Turner op de Nederlandse landschapschilders. Het is niet voltooid. Afgelopen vrijdag is Bachrach – die zowel in Engeland (CBE) als in Nederland (ridder) werd onderscheiden – gecremeerd in Londen.
(18-1-2010)
Henk Neuman (1926-2010)
Melodieuze stem van het midden
Peter de Waard
Henk Neuman werd bij de NOS de ‘alduider’ genoemd, iemand die niet kon kiezen en daardoor geschikt was voor het NOS Journaal.
Afgelopen donderdag overleed commentator en voormalig Clingendael-directeur Neuman op 83-jarige leeftijd in een verpleeghuis in Den Haag. De laatste twintig jaar leidde hij een teruggetrokken leven, maar in de jaren zestig en zeventig was hij een van de bekendste radio- en televisiepersoonlijkheden. Elke zuil had toen zijn eigen vaste commentator voor de internationale politiek die paste bij de kleur van de omroep: Paul van ’t Veer voor de VARA, GBJ Hiltermann voor de AVRO en Anton Constandse voor de VPRO.
De KRO had met Henk Neuman de man van het midden, die dankzij zijn melodieuze spreekstem, zijn forse gestalte en bekende kale hoofd, het meeste gezag had. Op zondagmiddag even voor 12.00 uur gaf hij zijn visie op de wereld, een uur later gevolgd door Hiltermann. Voormalig Clingendael-medewerker Arnold Bakker: ‘Neuman manifesteerde zich daarbij als de meest erudiete. Zijn commentaren stonden bol van de citaten uit boeken.’
Neuman werd in Friesland geboren en begon na de oorlog zijn journalistieke carrière bij Het Parool. Na zijn diensttijd in Indië werd hij in 1953 redacteur buitenland bij het katholiek dagblad De Tijd en ontwikkelde zich hier tot een kenner over oorlogs- en vredesvraagstukken. De KRO ontdekte hem en in 1970 werd hij gevraagd directeur te worden van het Nederlands Instituut voor Vredesvraagstukken (NIVV).
Neuman was echter geen pacifist. Hij was een trouw KVP- en later CDA-lid. Als voorzitter van de landelijke CDA Commissie Buitenland speelde hij een grote rol bij het vormen van de nieuwe partij. Van Agt vroeg hem zelfs nog een keer om minister voor Ontwikkelingssamenwerking te worden, maar Neuman weigerde. Hij bleef directeur van het NIVV dat in 1983 fuseerde met het NGIZ tot wat Instituut voor internationale betrekkingen Clingendael werd genoemd. Neuman werd de eerste directeur en bleef dat tot 1990.
Daarnaast kreeg hij aan de Katholieke Universiteit Nijmegen de leerstoel Geschiedenis van het Internationaal Veiligheidsbeleid sinds 1945. Neuman had met zijn standpunt voor de plaatsing van kruisraketten de status van onafhankelijk commentator toen al verspeeld.
(16-1-2010)
Jan Bensch (1934-2009)
Geveld door de asbest
Peter de Waard
Het was het Werkspoormonster dat hij jaren met zich meedroeg en dat hem uiteindelijk fataal werd. Voormalig vicevoorzitter Jan Bensch van de AbvaKabo FNV overleed op 3 december van het vorig jaar aan asbestkanker. Die liep hij vrijwel zeker op toen hij tussen 1950 en 1969 bij Werkspoor in Amsterdam werkte. In 1969 werd de uit een katholiek arbeidersmilieu afkomstige Bensch bestuurder bij de Algemene Bond van Ambtenaren (Abva), nadat hij in de avonduren de kaderschool van de NVV had doorlopen. Dertig jaar lang zou Bensch zijn stempel op deze bond drukken. Hij zou altijd in de schaduw staan van de voorzitters Jaap van der Scheur en Cees Vrins, maar hij was de man die op de achtergrond tijdens zware onderhandelingen knelpunten kon inventariseren en oplossingen kon aandragen.
Bensch deed de onderhandelingen in sectoren als de oude PTT en de zorg. Hij was daarnaast tien jaar lang penningmeester van de bond en zeven jaar vicevoorzitter. In 1997 ging hij met pensioen. De huidige AbvaKabo-voorzitter Edith Snoey, die door Bensch zelf nog bij de bond was aangenomen, werd zijn opvolger. ‘Als ik aan hem denk, komen bij mij altijd de anekdotes naar boven die hij vertelde over zijn Werkspoortijd. Hoe hij zich daar als kaderlid van de bond bemoeide met van alles en nog wat. Zijn ogen glommen dan altijd’, aldus Snoey.
Zij noemt Bensch een bestuurder van de oude stempel. ‘En dat was hij ook’, zo zei zijn dochter Ellen Bensch op de begrafenis. Net als zijn eigen vader werkte Jan Bensch bij Werkspoor dat rollend materieel bouwde voor de Spoorwegen en de gemeentelijke vervoerbedrijven. Ellen Bensch: ‘Daar werd veel met asbest gewerkt. Mijn vader kwam daar soms helemaal wit uit.’
In 1946 – op zijn 13de jaar – begon hij als machinebankwerker. Vier jaar later kwam hij bij Werkspoor in dienst. Toen kwam hij al vaak op voor het personeel. Volgens zijn kinderen hield hij werk en privé altijd strikt gescheiden. Hij praatte thuis zelden of nooit over het overleg dat hij voerde met politieke kopstukken. ‘Pas toen ik tijdens acties ging kijken naar mijn vader en zag hoe hij honderden mensen toesprak, wist ik pas wat voor belangrijk werk hij deed’, aldus Ellen Bensch.
Jan Bensch had vele bijbanen in de besturen van aan de bond gerelateerde instellingen als de Centrale Volksbank, pensioenfonds PGGM, de beleidsadviesraad van de FNV en de beleggingscommissie van de FNV. Maar hij was ook een huiselijk iemand die veel aandacht besteedde aan zijn gezondheid door te wandelen, te fietsen en aan yoga te doen.
Een jaar geleden werd mesothelioom geconstateerd – een kwaadaardige vorm van kanker die wordt veroorzaakt door asbest. Toen de pijn ondraaglijk werd, besloot hij zijn eerder opgestelde euthanasieverklaring ten uitvoer te laten brengen.
(11-1-2010)
Theun Mulder(1910-2009)
De Spaanse veteraan
Peter de Waard
Tot het einde van zijn lange leven bleef hij de veteraan van de Spaanse Burgeroorlog. Theun (Tony) Mulder Kramer was zelfs het enige Nederlandse lid van de Internationale Brigade, die in 1995 zijn Nederlanderschap opgaf voor de Spaanse nationaliteit. Koning Juan Carlos schonk hem die als dank voor zijn bijdrage in de strijd tegen de fascisten van Franco tussen 1936 en 1939.
Twee keer raakte hij gewond. Maar hij overleefde deze strijd en de daaropvolgende Tweede Wereldoorlog. En vervolgens ook de jarenlange behandeling als tweederangsburger door de Nederlandse overheid. Op 12 december vorig jaar overleed hij in Assen – 99 jaar oud. Op zijn grafkist lag de vlag van de Internationale Brigade.
Theun Mulder werd geboren in het Drentse plaatsje Smilde, waar zijn vader bakker was. Tijdens zijn diensttijd maakte hij deel uit van de Nederlandse cavalerie in Amersfoort. Daarna ging hij werken bij een fabriek in Hengelo. Geregeld keek hij aan de andere kant van de grens, waar Hitler aan de macht was gekomen.
‘Mijn vader was een van de eersten die ervan overtuigd waren dat Hitler een nieuwe oorlog zou beginnen’, zegt Roely Mulder, een van zijn twee dochters. In 1936 zag hij een advertentie in de krant staan, waarin vrijwilligers gevraagd werden voor de Internationale Brigade, die de machtsgreep van de door Mussolini en Hitler gesteunde generaal Franco in Spanje wilde voorkomen. Theun Mulder gaf zich op.
Hij werd lid van de Internationale Brigade, een bont gezelschap van anarchisten, communisten, socialisten en avonturiers. In de loopgraven kreeg hij zijn nieuwe naam Tony. In 1938 raakte hij voor het eerst gewond bij de Slag om de Ebro. Na zijn genezing maakte hij deel uit van het 1.500 vrijwilligers tellende Thälmann Bataljon. Dit bataljon, dat onder leiding stond van de Duitse schrijver en historicus Ludwig Renn, telde talrijke intellectuelen en had tot taak Madrid te verdedigen tegen de oprukkende troepen van Franco. Uiteindelijk raakte hij zwaargewond. Op de terugweg werd door de Nederlandse autoriteiten in Parijs zijn paspoort ingenomen. Mulder was stateloos en overbrugde op krukken de oorlogstijd in Nederland. In 1947 kreeg hij de Nederlandse nationaliteit terug. Hij werkte enige tijd bij een vleescentrale, voordat hij in 1962 op het provinciehuis van Assen een baantje kreeg, waar hij dankzij zijn mooie handschrift rijbewijzen en paspoorten mocht schrijven.
In 1974 zou hij voor het eerst terugkeren als toerist naar Spanje, waar Franco toen nog aan de macht was. In de jaren daarna zou hij vele malen naar Spanje reizen en vriendschap sluiten met oude kameraden. Hij voegde na het verkrijgen van de Spaanse nationaliteit de achternaam van zijn moeder Kramer toe aan die van zijn vader, zoals gebruikelijk in Spanje.
(4-1-2010)
Pieter van Kampen (1946-2009)
Man van alle religies
Peter de Waard
Waarschijnlijk heeft niemand over zoveel wereldgodsdiensten gepubliceerd als Pieter van Kampen. Hij was gefascineerd door de islam, het hindoeïsme en het boeddhisme. Hij schreef boeken over de koptische kerk in Egypte, de Russisch-orthodoxe Kerk, de kerken in China en zelfs over new-agedenken. ‘Het is niet verbazingwekkend dat hij een voorvechter was van de oecumene’, zegt zijn weduwe Nelly van Kampen.
De Nederlands Gereformeerde predikant in Vlaardingen Pieter van Kampen overleed op 6 december aan longkanker. ‘Omdat hij nooit had gerookt duurde het heel lang voordat die diagnose werd gesteld’, zegt ze. Maar toen hij het wist, liet hij zich niet weerhouden met zijn werk door te gaan. Tegen het advies van de doktoren in reisde hij naar India om daar nog een postacademische studie te doen over wonderbaarlijke genezingen.
Pieter Jakob van Kampen werd geboren op 8 maart 1946 in Eindhoven. Hij studeerde Engelse taal- en letterkunde in Utrecht en had aanvankelijk geen ambitie om predikant te worden. Maar hij rolde er uiteindelijk in. Van 1972 tot 1989 werkte hij voor de Reformatorische Bijbelschool in Zeist (nu De Wittenberg), als docent in allerlei vakken rond cultuur en religie. Hij kreeg preekbevoegdheid. In 1989 kon hij als speciaal ouderling voorganger worden bij de Nederlands Gereformeerde Kerk in Wageningen. Hij zou dat dertien jaar doen voordat hij in 2003 officieel dominee werd en in Vlaardingen een functie aanvaardde als predikant. Inmiddels was hij gescheiden van zijn eerste vrouw, met wie hij vier kinderen kreeg, en hertrouwd met Nelly. Het was geen probleem. ‘De Nederlands Gereformeerde kerk is een decentrale kerkgenootschap. Dominees kunnen vrij zelfstandig hun eigen invulling geven zonder beperkende regels van synodes. Sommigen zijn orthodox, anderen liberaal’, zegt ze.
Van Kampen was jarenlang ook programmamaker voor de Evangelische Omroep, waar hij samen met Pim van der Hoff het radioprogramma Het interview verzorgde. Ook was hij lid van het zaterdagavondpanel van het programma Deze week. In 2004 stopte hij daarmee en ging zich inzetten voor de Stichting Open Doors die op de bres staat voor vervolgde gelovigen. Daarnaast gaf hij vele lezingen over andere godsdiensten.
Hoewel Pieter van Kampen intellectueel geïnteresseerd was in wonderbaarlijke genezingen, overwoog hij zelf nooit om naar iemand te gaan die hem via gebed, zalving of handoplegging misschien zou kunnen helpen met zijn ongeneeslijke ziekte. ‘Als God zelf niet geneest, waarom zou hij dat dan wel doen via een gebedsgenezer? Voor je het weet verdwijnt de macht van Christus achter de superieure vermogens van een mens’, zo vond hij.
(28-12-2009)
Edward Schillebeeckx (1914-2009)
Het geweten van katholiek Nederland
Peter de Waard
Hij was een vernieuwer, maar geen revolutionair. De Nij-meegse professor Edward Schillebeeckx (95) was de bekendste en volgens velen grootste naoorlogse theoloog in het Nederlandse taalgebied. Hoewel veel rooms-katholieken de ingewikkelde zinnen en grote eruditie van deze uitmuntende wetenschapper niet altijd begrepen, was hij een belangrijke inspirator voor hen, net als voor velen buiten de kerk – vooral in de jaren zestig, zeventig en tachtig van de vorige eeuw toen de discussie over vernieuwing van de kerk zo hoog oplaaide. Woensdag overleed Edward Schillebeeckx op 95-jarige leeftijd.
‘Hij is het gezicht van de katholieke theologie geweest’, zegt zijn biograaf Erik Borgman, hoogleraar Religie en Hedendaagse Cultuur aan de Nijmeegse universiteit. ‘Zijn invloed is enorm geweest, vooral op de pastores. Maar ook veel gewone katholieken kochten en lazen zijn boeken.’
Schillebeeckx werd in 1914 in Antwerpen geboren. Na een schoolopleiding bij de jezuïeten in Turnhout, sloot hij zich in 1934 aan bij de dominicanen – Orde van de Predikers – ‘omdat zij wetenschappelijk werk beter weten te verbinden met humaniteit dan jezuïeten’.
Daarna studeert hij filosofie en theologie in Leuven en Parijs. In 1941 wordt hij tot priester gewijd. Na de oorlog is hij enige tijd actief als geestelijk raadsman van studenten en als gevangenispastor. Maar hij besteedt zijn tijd vooral aan wetenschappelijke publicaties, boeken en preken.
In 1958 wordt Schillebeeckx benoemd tot hoogleraar dogmatiek aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Zijn inaugurele rede Op Zoek naar de Levende God is een samenvatting van de vernieuwende theologie die hij in Leuven heeft ontwikkeld. Als adviseur van de Nederlandse bisschoppen tijdens het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965) en het Pastoraal Concilie van Noordwijkerhout (1968-1970) neemt hij stelling over netelige thema’s als het verplichte celibaat voor priesters. Hij pleit voor een minder autoritaire houding binnen de kerk. In 1965 richt hij samen met Yves Congar, Johann Baptist Metz, Hans Küng en Karl Rahner het internationale tijdschrift Concilum op, een blad dat zich richt op de vooruitstrevende vleugel binnen de rooms-katholieke kerk en theologie.
Zijn boeken over Jezus – met name Jezus, het verhaal van een levende (1974) worden in kringen van progressieve katholieken razend populair. In Schillebeeckx herkennen zij iemand die beseft dat veel vertrouwde antwoorden over de zin van het leven ontoereikend zijn. De technische ontwikkelingen, oorlog en geweld leiden bij gelovigen tot nieuwe antwoorden op vragen als: ‘Is God nodig?’, ‘Wat kan ik eigenlijk geloven?’ ‘Waarom geloof ik en waartoe?’
Schillebeeckx biedt hun een uitweg. Hij geeft een genuanceerde uitleg van Jezus’ wederopstanding. Hij noemt de kerk een uiting van de relatie tussen God en mens die evenzeer op andere wijze buiten de kerk kan plaatsvinden.
Want, aldus Schillebeeckx, ‘God is zo rijk aan waarheid dat God niet door één bepaalde godsdienst geheel vertolkt kan worden. Onze kennis van God is evenmin te vatten in het beste van alle religies bij elkaar. Want God is elk ogenblik nieuw en groter dan alle godsdiensten tezamen.’
Hij benadrukt dat de mens een verantwoordelijkheid draagt voor de geschiedenis. Een verantwoordelijkheid die zich waar moet maken in solidariteit met anderen. Hij stelt ook dat er geen enkel theologisch argument is tegen de wijding van vrouwelijke priesters.
Schillebeeckx oogst met zijn publicaties veel lof en waardering – eredoctoraten, de Erasmusprijs in 1982 en de Gouden Ganzenveer in 1989 – maar komt ook in aanvaring met het Vaticaan: onder anderen met kardinaal Ratzinger, de hoeder van de rechte lijn en dogmatisch scherpslijper die later paus Benedictus XVI zal worden. Conservatieve katholieken verketteren hem zelfs als een anti-theoloog en ‘iemand die alles kapot maakt’.
Maar hij wordt – in tegenstelling tot Küng – nooit door Rome veroordeeld. Schillebeeckx blijft op zijn beurt de rooms-katholieke kerk trouw. ‘Het is mijn kerk en ik blijf er hoe dan ook in.’
‘Bewijzen dat God bestaat kan ik natuurlijk niet’, zegt Schillebeeckx in de jaren negentig. ‘Ik heb theologische bewijzen maar dat zijn geen wetenschappelijke bewijzen. Sommige filosofen zeggen dat God een projectie van de mens is maar je hebt ook gegronde redenen om het omgekeerde aan te nemen.’
Bij de viering van zijn 70ste verjaardag verklaart Schillebeeckx dat ‘de mens zonder relatie tot een levende God een absurd en onbegrijpelijk wezen zou zijn. Zonder vrije en goede God zouden goed en kwaad op hetzelfde niveau liggen.’ God sterkt volgens hem de mensen in de overtuiging dat het goede het wint van het kwade. ‘Kortom, dat het leven ondanks alle negatieve ervaringen toch zin heeft. Daarom geloof ik in God, heb ik mens willen zijn, en – al kostte mij dat de verplichting van het celibaat – ben ik priester en dominicaan geworden.’
In de jaren negentig verdwijnt Schillebeeckx in Nederland grotendeels uit beeld, net zoals veel andere kerkvernieuwers. ‘Zijn internationale invloed blijft echter enorm’, aldus Borgman. Schillebeeckx woonde de laatste jaren in Berg en Dal bij Nijmegen.
(24-12-2009)
Jack Bons(1919-2009)
Bijenkorfdirecteur en Ajaxfan
Peter de Waard
Na zijn carrière zou Johan Cruijff tot zijn 65ste jaar bij De Bijenkorf kunnen werken voor een geïndexeerd jaarsalaris van 65 duizend gulden. In 1971 hielp directievoorzitter Jack Bons van Koninklijke Bijenkorf Beheer (KBB) Ajax bij de onderhandelingen met Cruijff over een nieuw zevenjarig contract dat hem tot zijn 31ste jaar bij Ajax zou houden. Maar na twee jaar verkoos Cruijff de miljoenen van Barcelona en liet hij het baantje bij De Bijenkorf lopen.
Later zou Jan Mulder door Bons worden verleid om van Anderlecht naar Ajax over te stappen. Mulder: ‘Die zekerheid speelde mee. 65 duizend gulden was toen een hoop geld. Alleen van het baantje is nooit meer wat gekomen. Maar we zijn vrienden gebleven, onder meer bij de joggingclub.’
Jack Bons overleed op 9 december. Met Maup Caransa en de gebroeders Freek en Wim van der Meyden vormde hij een illuster kwartet, dat in de gouden tijd van Ajax voorzitter Jaap van Praag en penningsmeester Henk Timman met financiële raad en daad terzijde stond.
Bons groeide op in Betondorp. Zijn vader was diamantwerker en een fanatiek SDAP’er. Dankzij een donatie van 300 gulden van Henri Polak (voorzitter van de diamantwerkersbond) kon Bons economie gaan studeren.
Na de oorlog wilde Bons eerst in de politiek, maar hij koos voor een carrière bij het organisatiebureau Bakkenist, Spits & Co, waarvoor hij onder meer in Hongkong en Indonesië actief was.
In 1958 werd Jack Bons directeur van de warenhuisketen De Bijenkorf, waartoe ook de HEMA behoorde. Bons richtte zijn aandacht op uitbreiding van de florerende HEMA van 27 naar 184 filialen. Omdat De Bijenkorf het steeds moeilijker kreeg door de ontvolking van de binnensteden, besloot Bons de formule te veranderen van een warenhuis tot een verzameling speciaalzaken. Het kostte 120 miljoen, terwijl ook nog voor 100 miljoen een prestigieus nieuw hoofdkantoor in de Bijlmermeer werd gebouwd. In 1981 kon het concern de rente niet meer betalen. Koninklijke Bijenkorf Beheer belandde diep in de rode cijfers. Aartsvijand Anton Dreesmann van V&D werd als reddende engel opgetrommeld. Dreesmann kocht 40 procent van de aandelen en werd commissaris. ‘Anders wordt die prachtige Bijenkorf op het Damrak een hoerenkast’, zei Dreesmann. Bons werd in januari 1983 door Dreesmann opzij gezet, zonder afscheidsreceptie. ‘Hij is echter nooit rancuneus geworden’, weet zijn vrouw.
Zijn liefde voor sport bleef. Tot twee jaar geleden ging Bons naar elke thuiswedstrijd van Ajax. Vanuit zijn woning in Huizen startte jarenlang een joggingclub met Jan Mulder. En daarnaast was Bons voorzitter van de Nederlandse Gymnastiek Vereniging, de overkoepelende organisatie van de verzuilde gymnastiekbonden. Hij was ook voorzitter van de Kamer van Koophandel Nederland-Israël.
(21-12-2009)
Tijn Swinkels(1933-2009)
Het gezicht van Bavaria
Peter de Waard
Het betaald voetbal in Helmond was in 1967 op sterven na dood. Helmondia was bankroet en HVV terug naar de amateurs. Bavaria-directeur Tijn Swinkels zocht contact met toenmalig wethouder Jeske van Deutekom en directeur Huub Noten van het lokale transportbedrijf. In drie minuten werd een plan gemaakt voor de oprichting van de nieuwe club Helmond Sport, die met ex-international Fons van Wissen al in het eerste jaar kampioen werd van de tweede divisie.
Voormalig Bavaria-directeur Tijn Swinkels, die 23 november overleed na een lang ziekbed, heeft niet alleen heel veel bijgedragen aan de groei van de Brabantse bierbrouwer. Zonder hem had Helmond vrijwel zeker geen professionele voetbalclub gehad, geen eigen golfclub, geen carnavalsvereniging met de naam De Keienbijters en geen wielerclub Buitenlust.
Tijn Swinkels was één van de achttien leden van de zesde generatie die werkzaam waren binnen het familiebedrijf dat al sinds 1764 een brouwerij had in het nabij gelegen Lieshout. In 1925 werd voor het eerst pilsner bier op de markt gebracht onder de naam Bavaria. Dit werd gebrouwen onder een methode die uit Duitsland naar Nederland kwam.
Tijn Swinkels was het vijfde kind van Frans Swinkels – een van de drie S’en naar wie de frisdrank 3-Es was genoemd. Als tiener wilde hij missionaris in Afrika worden. Zijn vader was zo enthousiast dat hij zijn zoon een vliegtuig beloofde als hij het missiewerk zou oppakken. Maar na enkele jaren te hebben gestudeerd op het klein seminarie van de Witte Paters ontdekte Tijn Swinkels dat hij toch liever in de horeca zou gaan werken.
In 1955 trad hij in dienst van Bavaria. Omdat hij verantwoordelijk was voor de horeca-activiteiten van Bavaria, was hij een bekend gezicht in het Nederlandse uitgaansleven. Hij onderhield de contacten met de kasteleins, de verenigingen en organisatoren van verschillende evenementen in Nederland. Hij was een man die naar eigen zeggen van een geintje hield. Maar over de kwaliteit van het bier was hij altijd serieus. ‘Mijn lijfspreuk is: horen, zien en doen. Hoe krijg je het bier zo goed mogelijk in het glas?’, zei hij in een interview.
Eind jaren zeventig kwam Bavaria als eerste met het zogenaamde kelderbier, bier werd voortaan opgeslagen in tanks in plaats van fusten. Hierdoor konden cafés veel sneller van bier worden voorzien. Andere bierbrouwers volgden. Als een van de weinige kleine brouwerijen wist Bavaria te overleven, volgens Tijn dankzij de aandacht die het merk dankzij sportsponsoring verwierf en de introductie van het maltbier.
Tijn Swinkels ging in 1995 met pensioen. Hij werd als directeur opgevolgd door Broos Swinkels die in 2003 met pensioen ging. Nu zwaait Tijns neef Jan-Reinier Swinkels van de zevende generatie de scepter bij Bavaria, dat een echt familiebedrijf is gebleven.
(14-12-2009)
Frank Papendrecht (1953-2009)
Aimabele bassist
Peter de Waard
Zijn zus Irma klinkt ontroerd: ‘Hij was een ontzettend vriendelijke, aardige en goede kerel.’ Iedereen hield van Frank Papendrecht, de bassist van onder meer de groepen Diesel en Kadanz, die op 18 november op 56-jarige leeftijd overleed aan een hartstilstand.
Vijf dagen later werd hij gecremeerd – precies op de dag dat zijn collega Pim Koopman van Diesel eveneens op 56-jarige leeftijd overleed.
‘Heel bizar’, zegt Polle Eduard die Papendrecht al 25 jaar kende en in wiens band hij de laatste jaren ook veelvuldig speelde.
Maar de dood van Papendrecht kreeg in tegenstelling tot die van drummer en zanger Koopman nauwelijks publiciteit. Eduard: ‘Frank was de steady bassist, iemand die niet op de voorgrond trad. Pim Koopman was tevens producer en had misschien een grotere mond.’
Papendrecht werd geboren als de jongste telg in een gezin van vier kinderen. Zijn vader was kok bij De Bijenkorf in Den Haag, toen het warenhuis nog een exclusief restaurant exploiteerde. Frank was volgens zijn zus Irma vanaf zijn tiende jaar al gek op muziek – The Beatles, The Stones maar ook John Mayall. Amper 15 jaar oud meldde hij zich aan bij een groep in Den Haag die de Bowl Weevils heette.
Drie jaar later werd hij professioneel muzikant, die zich in Delft vestigde en de stad nooit meer zou verlaten. Behalve in Diesel en Kadanz speelde Papendrecht in Urban Heroes, de Margiet Eshuijs Band, Hans de Booij, Meike Touw’s Tutti Frutti, Maywood, The President en de Polle Eduard Band.
Bijna alle popliefhebbers hebben Papendrecht weleens horen spelen – live of op de plaat – zonder dat ze hem misschien echt kenden. ‘Je kunt hem vergelijken met Bill Wyman, de bassist van The Rolling Stones. Hij was een zeer goede en functionele bassist. En daarnaast een aimabele collega’, zegt Eduard.
In Delft werd hij wel ‘de lieve jongen’ genoemd. Andere bijnamen van hem waren Positivo en Dr. Funk. Eduard noemt zijn periode bij Diesel misschien wel het hoogtepunt. Met Goin’ Back To China en Sausolito Summernight had de groep hits in respectievelijk Japan en de VS. Papendrecht was lid van het comité van aanbeveling van Promuné – de Stichting Promotie Muzikaal Talent Nederland. De stichting noemt zijn invloed op de Nederlandse muziek ‘onbeschrijflijk groot’. Papendrecht werkte ook jarenlang bij de Delftse Post, een huis-aan-huisblad in de stad. Hij leed aan MS, waardoor het voor hem moeilijker was om de laatste jaren heel lang staande te kunnen spelen. ‘Maar het was een milde vorm. Hij gebruikte geen medicijnen, zodat zijn dood toch nog zeer onverwacht kwam’, aldus zijn zus Irma Papendrecht.
Frank Papendrecht was in Delft eigenlijk de vriend van iedereen. Hoewel hij enkele latrelaties heeft gehad, woonde hij tot zijn dood op zichzelf.
(7-12-2009)
Jean Kierkels (1927-2009)
Haagse rasbedelaar
Peter de Waard
‘Een rasbedelaar. Als hij je om een bijdrage vroeg, kon je niet weigeren. Hij had de uitstraling van iemand van wie je bij voorbaat wist dat hij het deed voor een ander’, zegt zijn zoon.
Jean (Sjeng) Kierkels, die op 11 november overleed, was een van de grootste fondsenwervers van Nederland. Hij was een pionier van de Nederlandse Hartstichting in de jaren zestig. Daarna werkte hij jarenlang voor ontwikkelingsorganisaties, voordat hij in de jaren negentig de Hersenstichting Nederland opzette. Hij besloot zijn lichaam na zijn dood ter beschikking te stellen van de wetenschap en zijn hersenen aan de Hersenbank.
Kierkels werd op 10 januari 1927 geboren in een katholieke Limburgse boerenfamilie van acht kinderen. Als studiebol van de familie kreeg hij het voorrecht naar de bisschoppelijke kweekschool in Roermond te gaan, maar hij slaagde niet voor de onderwijzersopleiding omdat hij het laatste jaar een zware hersenschudding opliep en er geen geld was om een jaar over te doen. Jean Kierkels werd daardoor gemeenteambtenaar in Thorn en Roggel. In 1953 besloot hij de wijde wereld in te trekken en ging werken op de gemeentesecretarie van de gemeente Den Haag. Hier ontwikkelde hij zich als auteur – poëzie in de Limburgse taal – schrijver van liturgische klank- en lichtspelen en redacteur van vele bladen. Hij werkte vervolgens bij de Katholieke Nederlandse Jonge Boeren- en Tuinders Bond en de Nationale Stichting voor Open Jeugdwerk voordat hij in 1967 werd gevraagd directeur te worden van de vlak daarvoor opgerichte Nederlandse Hartstichting. Toen hij in 1980 vertrok, was het een professionele organisatie met veertig medewekers, die jaarlijks 80 miljoen gulden (36 miljoen euro) binnenhaalde voor hartonderzoek. Kierkels was zo ambitieus dat hij een nieuwe uitdaging zocht en vond in Cebemo, een katholieke stichting voor ontwikkelingshulp. In acht jaar wist hij die samen te voegen met Vastenaktie, Memisa, Caritas en Justitia et Pax tot een grote fondsenwerver voor projecten in de Derde Wereld. In 1989 was hij 62 jaar en besloot met pensioen te gaan, totdat hoogleraar Jan van Ree hem vroeg een nieuwe stichting op te richten die zich zou moeten bezighouden met bestrijding van hersenaandoeningen. Hij zou er tot het jaar 2000 als onbezoldigd honorair directeur dagelijks actief zijn.
‘Hij kon niet thuiszitten’, zegt zijn zoon, die eveneens Jean heet. ‘Mijn moeder was niet alleen zijn vrouw maar ook zijn persoonlijk secretaresse.’ Van 1961 tot 1991 was hij voorzitter van het befaamde mannenkoor Die Haghe Sanghers, het huiskoor van de koninklijke familie, waarmee hij veel internationale tournees deed. Kierkels was een bindende figuur die mensen kon inspireren. ‘Als De Telegraaf of Libelle een puzzelactie begon voor een goed doel, dan wist hij altijd een voet tussen de deur te zetten. En die haalde hij niet terug’, aldus zijn zoon.
(30-11-2009)
Sophie barones van Randwijck(1923-2009)
De laatste barones
Peter de Waard
‘U wilt een pasfoto? Dat wordt moeilijk. Het lag niet in haar natuur om recht in de camera te kijken’, zegt Robert Lousberg, die samen met zijn echtgenote een film over haar leven maakte. Eigenlijk is dat een mooie karakterbeschrijving van Sophie Booy barones van Randwijck. De laatste secretaresse van de in 1962 overleden prinses Wilhelmina wilde altijd op de achtergrond blijven. ‘Werken voor het koningshuis vergt loyaliteit en zwijgzaamheid’, zei ze een keer. Zij overleed op 19 oktober, zes jaar na haar man. Daarmee stierf de laatste barones van deze tak van de familie Van Randwijck.
Sophie Booy barones van Randwijck kende als geen ander Wilhelmina, die vijftig jaar koningin geweest. Als secretaresse op paleis Het Loo in Apeldoorn moest zij vanaf 1950 de prinses adviseren over de geloofswereld van de jeugd. Op Het Loo ontmoette ze haar latere man Thijs Booy, die was aangesteld om Wilhelmina te helpen met het schrijven van haar boek Eenzaam maar niet alleen.
Het eeuwenoude aristocratische geslacht Van Randwijck, dat naast de nu uitgestorven baronale tak ook een grafelijke tak kent, ontleent de naam aan het dorp Randwijck in de Betuwe. De band met de Oranjes was altijd nauw. Otto baron van Randwijck was bijvoorbeeld stalmeester van de laatste stadhouder Willem V en kamerheer van koning Willem I. Sophies vader was bankdirecteur maar kende de Oranjes goed van de padvinderij waar prins Hendrik beschermheer van was.
Sophie werd geboren in Rijswijk en groeide op in Middelburg. Ze zou rechten gaan studeren, maar weigerde de door de bezetters geëiste loyaliteitsverklaring te tekenen. Na de oorlog studeerde ze enige jaren aan de sociale academie, voordat ze door Wilhelmina als secretaresse in dienst werd genomen. Op Het Loo werd ze al snel bekend door haar ‘weinig baronale’ wijze van communiceren, met termen als ‘hoi’ en ‘hoe gaat het?’.
Ze bleef haar hele leven verknocht aan Zeeland. De familie had een kampeerwagen staan in Westerschouwen, waar ze in opdracht van Wilhelmina na de Watersnoodramp van 1953 de jonge Beatrix mee naartoe nam om te laten zien wat er precies was gebeurd. Een jaar later, bij haar huwelijk met de ‘gereformeerde rebel’ Thijs Booy, was Beatrix bruidsmeisje.
Na het overlijden van Wilhelmina had het stel verwacht tot het hof van koningin Juliana te kunnen toetreden. Maar dat gebeurde niet. ‘Als troostprijs mochten ze in hun mooie villa in Apeldoorn blijven wonen, maar ze hadden geen inkomen meer en waren eigenlijk arm’, aldus Lousberg. Thijs Booy begon daarna tot groot ongenoegen van de Oranjes boeken over het koningshuis te schrijven, waarvan De levensavond van Koningin Wilhelmina het bekendste is. Sophie ging noodgedwongen voor Philips in Apeldoorn werken als gastvrouw.
(23-11-2009)
Marian van de Ruit(1922-2009)
‘Een pot als een paard’
Peter de Waard
Haar tumultueuze leven is in drie boeken opgetekend maar zou eigenlijk tien boeken vergen. Schrijfster, verzetsstrijder en icoon van de lesbische beweging Marian van de Ruit overleed 27 oktober in een verpleeghuis in Arnhem – tot het laatste moment verzorgd door haar dochter Anita Zimmermann.
Van de Ruit werd in 1922 geboren als Aafke Schuiling in Assen als dochter van een mijnwerker en boerin. Ze vond de naam Aafke verschrikkelijk en noemde zich daarom Marian. Op haar zestiende zetten haar ouders haar met een koffer in de hand en pop in de armen op de trein naar Berlijn, waar ze maar moest zien een bestaan op te bouwen. In 1938 kwam ze daar in dienst bij een vrouwelijke huisarts met wie ze een lesbische relatie kreeg – iets waar in nazi-Duitsland de doodstraf op stond. Dat ze lesbisch was, weerhield haar er niet van twee kinderen te baren: een (Brigitte) van de neef van de vriendin – een soldaat die later zou sneuvelen – en een ander (Anita) van een getrouwde stukadoor die vreemd was gegaan en met wie ze in het verzet belandde. De eerste dochter werd wegens ziekte met zes weken bij opa en oma in Nederland gestald. Met Anita keerde ze in 1947 terug in Nederland. Als 27-jarige trouwde Marian met een 72 jaar oude rijke Hagenees die ze had leren kennen in een ziekenhuis waar hij zijn stervende vrouw bezocht.
Een lesbische relatie lukte niet. ‘Ik ben een pot als een paard. Maar ik val vooral op heteroseksuele vrouwen’, zei ze ooit.
Met Anita verhuisde het stel naar Den Haag. Om het gezin volledig te maken, kidnapte ze haar oudste dochter Brigitte van het schoolplein. De Kinderbescherming haalde de beide meisjes daarna weg en plaatste ze in een jeugdinternaat. Na de dood van haar man eind jaren vijftig (ze had zijn naam Van de Ruit inmiddels aangenomen) verhuisde Marian naar Amsterdam waar ze alsnog met een vriendin ging samenwonen.
Om haar jongste dochter Anita (de oudste trouwde vanuit het internaat) terug te krijgen, moest ze daar verhuizen van de Wallen naar de Govert Flinckstraat. Hier schreef ze begin jaren tachtig jaar drie autobiografische romans: Het onrecht, De onschuld en De overwinning. De publicatie leidde toen tot grote commotie. Haar dochter Anita: ‘Maar in die boeken stond niet wie mijn vader was. Dat ben ik pas 23 jaar later te weten gekomen.’
Voor die tijd had Van de Ruit nog in Friesland gewoond waar ze echter vanwege haar voorkeur voor vrouwen tot twee keer toe uit een dorp werd weggepest. ‘Mijn moeder was een superintelligente vrouw maar ook een bedriegster. Ik heb jarenlang geen contact gehad met haar omdat ze mij in een radio- of televisieprogramma uitschold. Ondanks alles heb ik altijd van haar gehouden’, vertelt Anita, die nu de achternaam van haar echte vader Zimmermann heeft aangenomen.
(16-11-2009)
Lodewijk graaf Schimmelpenninck (1921-2009)
Illuster geslacht
Peter de Waard
Lodewijk Herbert graaf Schimmelpenninck, die op 27 oktober overleed, onderschatte zijn voorbeeldfunctie niet. ‘Hij wilde de familietraditie in dat opzicht hoog houden. Hij was bescheiden en vond het erg belangrijk om zich correct te gedragen. Daarnaast had hij een sterk rechtvaardigheidsgevoel’, zegt zijn zoon Albert Schimmelpenninck, de huidige rentmeester van het landgoed Twickel in Twente.
De familiegeschiedenis van de Schimmelpennincks is eeuwenoud. Lodewijk graaf Schimmelpenninck was een afstammeling in de vijfde generatie van Rutger-Jan Schimmelpenninck, die in 1805, gesteund door Napoleon, raadspensionaris werd van de Bataafse Republiek. Al na een jaar werd hij vervangen door koning Lodewijk Napoleon. Later zou hij senator worden in Frankrijk en na 1815 Eerste Kamerlid in Nederland. Zijn zoon Gerrit Schimmelpenninck zou premier van het eerste kabinet worden na de grondwetsherziening van 1848.
Lodewijk was de oudste zoon van een rentenierende Schimmelpenninck. Hij groeide op in Den Haag in een gezin met een oudere zus en twee jongere broers. Na een opleiding aan het Nederlands Lyceum ging hij in het eerste oorlogsjaar 1940 rechten studeren in Leiden, maar de universiteit sloot daar al snel. Schimmelpenninck weigerde later in Utrecht de door de Duitsers geëiste loyaliteitsverklaring te ondertekenen. Hij dook onder en kon pas na de oorlog zijn studie afmaken.
Daarna werkte hij korte tijd bij de Twentsche Bank en de Nederlandse Spoorwegen. Hij was ook betrokken bij de onderhandelingen voor de totstandkoming van de EGKS in 1952, de allereerste voorloper van de huidige Europese Unie.
In 1948 trouwde hij. Eerst ging hij in Abcoude wonen, maar hij verhuisde vijf jaar later naar Baarn. Hij kreeg vier zonen. De oudste is de bekende advocaat en curator Rutger-Jan Schimmelpenninck.
In 1964 werd Lodewijk rechter, en later president van de rechtbanken in Alkmaar en Haarlem. Uiteindelijk besloot hij de zorg op zich te nemen van het familiebezit in Diepenheim: de vijfhonderd hectare grote landgoederen Nijenhuis en Westerflier, die later werden ondergebracht in de Natuurschoonwet BV. Parttime zou hij daarna nog veelvuldig als rechter of raadsheer optreden.
Lodewijk graaf Schimmelpenninck gold als een uitermate serieuze man maar had toch ook een groot gevoel voor humor. Hij was verder iemand die zijn tijd vooruit was. Zo vertelde een kleinzoon op zijn begrafenis dat hij de enige opa was die eerder dan zijn kleinkinderen een computer bezat.
Zijn tweede vrouw woont nog op het Nijenhuis in Diepenheim. De bedoeling is dat landgoederen daar in familiebezit blijven, hoewel nog niet bekend is wie van Lodewijks kinderen daar in de toekomst zal gaan wonen.
(9-11-2009)
Emile de Vries (1923-2009)
Grafische duizendpoot
Peter de Waard
Eigenlijk zou het woord nog een plekje moeten krijgen in de Van Dale: Typogrommel. Het was een bedenksel en de titel van een boekje van graficus Emile de Vries. Met deze samentrekking van ‘typografie’ en ‘gerommel’ uitte hij zijn boosheid over onjuiste vormgeving.
De Vries was een manusje-van-alles: naast vormgever ook reclamemaker, typograaf, publicist, marketeer, pianist, cabaretier en vooral een begaafd tekenaar. Hij overleed op 20 oktober op 86-jarige leeftijd in Soest. Sinds 1964 was hij een actief lid van de zogeheten Kring ’48. Dit vakbroederschap van communicatiemensen was zijn laatste grote liefde. Hier kon hij zijn kunde, kennis, en intellectuele aspiraties kwijt. In 2008 creëerde hij nog het logo voor het 60-jarig bestaan.
De Vries werd in Sneek geboren, maar verhuisde al op 3-jarige leeftijd naar Den Haag. Hij werd opgeleid aan de Grafische School in Utrecht en ging daarna naar de Haagse Academie voor Beeldende Kunsten. In de oorlog was hij actief als schrijver en tekenaar van de Haagse verzetskrant Telex. Nadat hij in 1945 alsnog zijn grafische diploma had gehaald, deed hij ervaring op bij drukkerijen in Schiedam, Rotterdam en Zwitserland (‘Ik wilde de truc weten waardoor het drukwerk daar zo goed was’) voordat hij in 1949 in dienst kwam bij de Arbeiderspers. Vervolgens gaf hij grafische les aan vakbondsleden, was enige tijd journalist bij De Telegraaf en reisde als tekenaar-opmaker een jaar lang door Lapland in het noorden van Zweden, geteisterd door muggen en koude.
Pas in 1952 vond De Vries stabiliteit in zijn leven en in zijn werk als hoofd verkoopontwikkeling van C.F. Bührmann Papiergroothandel, later Bührmann-Tetterode. Hier gaf hij Nederlands beste ontwerpers opdrachten, waardoor het promotiemateriaal een fameuze serie werd. Hij zou tientallen tentoonstellingen over grafisch ontwerpen organiseren. Hij was de grafische duizendpoot, die als eerste voorspelde dat hoogdruk zou worden vervangen door offset. Maar De Vries bleef altijd een vurig aanhanger van ambachtelijke vormgeving en vond dat daar geen computer tegenop kon. ‘De elektronische wonderkast heeft niet bijgedragen tot een gewetensvolle vormgeving’, schreef hij nog in 2006.
In de laatste jaren van zijn carrière gaf hij tekenles. Ruim veertig jaar schreef hij columns onder het pseudoniem Aldus voor Compress. Hij was bestuurslid van de Nederlandse Bach Vereniging, de beeldendekunstenaarsvereniging Laren-Blaricum, de modeltekenvereniging Hamdorff en mede-initiatiefnemer van het Nederlands Reclame Museum, nu het Reclame Arsenaal, waaraan hij ook een groot deel van zijn verzameling nalaat.
(2-11-2009)
Adriaan Kortlandt(1918-2009)
Apen of aardwormen
Peter de Waard
Als mensen zich verward voelen, gaan ze zich op het hoofd krabben. Katten gaan zich wassen en honden tonen het door te gapen. Gedragsbioloog Adriaan Kortlandt, de bedenker van vernieuwende en controversiële concepten over ‘overspronggedrag’ en ‘hiërarchie van instincten’, is op 18 oktober overleden in Amsterdam.
Kortlandt werd geboren in Rotterdam, waar zijn vader werkte bij de scheepswerf Wilton. Als kind had hij een wijds uitzicht over de haven waar toen de kolonialen naar Nederlands-Indië en de landverhuizers naar Noord-Amerika vertrokken. Maar nadat zijn vader werkloos geworden was, verhuisde het gezin naar Hillegersberg, waar Adriaan in een klein tuintje alleen kon kijken naar het vliegen van de vogels. Hij werd hierdoor zo geïnspireerd dat hij als scholier besloot een aalscholverkolonie bij Lekkerkerk vijf maanden te bestuderen vanuit een boomhut.
Hij ontdekte grote overeenkomsten in het instinctieve gedrag van deze dieren en dat van de mens, zoals de omzichtige toenadering bij het verliefd worden en de tederheid jegens de jongen.
De resultaten van zijn observaties wilde hij toepassen op de mensenpsychologie. Hierdoor raakte hij in een ideologisch conflict verzeild met de ethologen zoals de latere Nobelprijswinnaar Niko Tinbergen en Gerard Baerends, die diergedrag niet vonden horen bij de studie naar het menselijk gedrag.
‘Een wat oudere dame vroeg mij eens of ik echt dacht dat wij van de apen afstamden’, vertelde Kortlandt ooit. ‘Ik antwoordde: van wie anders? Van de ooievaar soms?’
Na zijn promotie (cum laude) in 1949 ging Kortlandt werken aan de Universiteit van Amsterdam. Maar hij had geen interesse in het onderzoek naar lagere diersoorten – ‘ik kan mijzelf niet opwinden over de mentale gesteldheid van aardwormen of zeekwallen’ – waarmee hij daar werd belast. In 1960 vertrok Kortlandt naar Afrika om onderzoek te doen naar het gedrag van apen. Hij wilde weten hoe de oermens zich had verdedigd tegen wilde dieren. Als proef liet hij chimpansees met zware stokken slaan op een opgezette panter met elektrisch bewegende kop. In de VS werd hij door dit experiment gezien als de man die definitief de barrière slechtte tussen ethologie en menselijke psychologie.
Kortlandt, die twee zoons uit zijn eerste huwelijk had (de balletdanser Ed Kortlandt en hoogleraar linguïstiek Frits Kortlandt), hertrouwde in 1988 en verhuisde toen naar Oxford. Hij hield een appartement aan in Amsterdam, waar hij vele uren in Artis verbleef om op een stoeltje aantekeningen te maken. Bij de pelikanenvijver in Artis staat een bankje dat vernoemd is naar Kortlandts oversprongtheorie. Kortlandt was een zeer maatschappelijk bewogen mens, die in de laatste jaren van zijn leven besloot afstand te doen van zijn bezittingen.
(26-10-2009)
Evert van der Grinten(1920-2009)
Toch bèta gebleven
Peter de Waard
‘Hij was een buitengewoon serieuze en ernstige man. Maar als schrijver had hij een soort Britse humor, zoals bleek uit een catalogus die hij een keer maakte voor een expositie over de duivel.’ Zo karakteriseert Gerard Lemmens (eerst zijn student en later zijn medewerker en vriend) professor dr. Evert van der Grinten. Van der Grinten overleed op 5 oktober op 89-jarige leeftijd in Den Haag en werd afgelopen woensdag begraven.
Evert van der Grinten was een zoon van de medeoprichter van het kopieermachinebedrijf Océ-Van der Grinten in Venlo. Hij groeide daar op in een gezin van vier jongens. Zijn vader – een chemicus – wilde dat ze allemaal in zijn voetsporen zouden treden. Een werd ook chemicus, een ander arts en de jongste vioolbouwer. Ook Evert moest natuurkunde gaan studeren, maar hij gaf er na twee jaar al de brui aan. Hij koos voor een opleiding kunstgeschiedenis in Amsterdam. Door de oorlog kon hij pas veel later afstuderen. Daarna promoveerde hij in Groningen op de geschiedenis van de kunstgeschiedenis. Later ging hij les geven aan de Rietveld Academie in Amsterdam. Hier begon hij met het schrijven van het gezaghebbende lesboek Wereldtaal der Vormen. Hij had twee passies: de bouwkunde en de schilderkunst. In het eerste geval was hij vooral geïnteresseerd in de industriële bouw van de 19de eeuw. Als schilder bewonderde hij vooral de Britse impressionist J. W. Turner.
Van der Grinten – overigens geen directe familie van de in 1994 overleden rechtsgeleerde en politicus Wim van der Grinten – werd in 1956 lector en in 1962 hoogleraar kunstgeschiedenis aan de katholieke universiteit in Nijmegen. Hij was een rechttoe rechtaan leraar die gewoon college wilde geven. Maar eind jaren zestig werd dat steeds moeilijker door de democratiseringsbeweging onder studenten die hij beschreef als ‘rode hordes’ of ‘communisten’. In 1977 – net 56 jaar geworden – besloot hij al met pensioen te gaan. In 1980 verscheen zijn beroemdste werk, het driedelige boekwerk Nijmegen Benedenstad – Beschrijving van een grotendeels verdwenen stadsgedeelte aan de Waal. Hij maakte daarin een detaillistische reconstructie van de binnenstad voor het fatale vergissingsbombardement in de oorlog. Hij baseerde zich daarbij op vele oude foto’s die nu worden beheerd door het Centrum voor Kunsthistorische Documentatie (CKD) van de Radboud Universiteit. Van der Grinten was een zeer belezen man – ‘een echte intellectueel’, volgens zijn dochter Martine. Niet voor niets was hij lid van de wetenschappelijke vereniging Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Gerard Lemmens zegt dat hij ook als kunsthistoricus toch nog een bèta-inslag had. ‘Zowel in zijn beschrijving van de bouwkunst als schilderkunst was hij ontledend. Hij zag kunst als een opbouw van verschillende onderdelen.’
(19-10-2009)
Ilse Robben(1969-2009)
Geen meisjesmeisje
Peter de Waard
In augustus 2007 werd bij de toen pas 37 jaar oude Ilse Robben borstkanker geconstateerd. Vorig jaar leek ze volledig te zijn genezen en keerde ze terug als dressuurrijdster en gewaardeerd ijshockeyscheidsrechter. In september 2008 zakte ze echter tijdens een ijshockeywedstrijd in elkaar en moest ze onmiddellijk naar een ziekenhuis in Tilburg worden overgebracht.
Hier werd een hersentumor geconstateerd, die in oktober 2008 operatief werd verwijderd. Ze kreeg afgelopen april – dit keer van de neuroloog – te horen dat het gevaar was geweken. Maar vier weken later bleek de borstkanker alsnog te zijn uitgezaaid. Dit keer kon Ilse Robben, die gisteren 40 jaar zou zijn geworden, de strijd tegen de dood niet meer winnen. Op zondag 27 september overleed ze en vorige week zaterdag werd ze gecremeerd.
De leraarsdochter, die in Goirle werd geboren, was geen meisjesmeisje, zoals Maarten Smulders – de partner met wie ze 23 jaar samenwoonde – het formuleert.
Ze was een ‘sportieve griet’ die het als kind al graag opnam tegen de jongens. Ze ging ponyrijden en was met haar broer veelvuldig op de schaatsbaan van Tilburg te vinden. Hier leerde ze de ijshockeysport kennen. Net als haar broer ging ze ijshockeyen en werd met haar clubs twee keer kampioen van Nederland en twee keer van België. Ook speelde ze voor het nationale vrouwenteam.
In 1997 vroeg de supervisor van de Nederlandse arbitrage of ze ook interesse had om linesman en scheidsrechter te worden. De bedoeling was om haar al op de internationale lijst voor de Spelen van Nagano te krijgen. Dat lukte niet. Maar ze was wel van de partij bij het volgende WK voor ijshockeyvrouwen.
Robben werd in Nederland de eerste vrouw die als linesman haar opwachting maakte op het hoogste mannenniveau. Wat moest een vrouw in een sport van kleerkasten die elkaar weleens willen afrossen?
Vlak voor haar eerste optreden in de manneneredivisie haalde Ilse Robben zelf de druk van de ketel. Een mannelijke collega sprak haar voor het debuut toe: ‘Zo Ilse, nu laten wij je even zien hoe je een eredivisiewedstrijd leidt’. Ze antwoordde gevat: ‘Dan laat ik jou zien hoe ik dat internationaal doe.’
Ze zou tijdens zes WK’s en de Olympische Spelen van Salt Lake City en Turijn optreden als linesman en scheidsrechter. Na afloop van de wedstrijd Canada-Italië in Turijn zei ze in de Volkskrant: ‘Een minuut voor het einde van de wedstrijd begonnen ze het volkslied te zingen, achtduizend man, ik kreeg er kippevel van.’
Als paardrijdster deed ze mee aan wedstrijden dressuur en cross. Ze kreeg haar droombaan op de manege en kocht haar eigen paard. Maar net toen het veulen werd geboren, werd ze geconfronteerd met de ziekte die haar fataal zou worden.
(12-10-2009)
Bob Bouma (1929-2009)
Man van twee passies
Peter de Waard
Hij was vooral bekend als het gezicht en de stem – ‘Lieve dames, beste heren’ – van de fameuze televisiequiz Voor een briefkaart op de eerste rang. Maar presentator Bob Bouma die op 17 september aan hartproblemen overleed en in stilte werd gecremeerd, had nog een grote passie: klassieke muziek. Hij was 23 jaar lang ‘artist relations manager’ bij platenmaatschappij Phonogram. In die hoedanigheid begeleidde hij beroemdheden als José Carreras, Bernard Haitink en Jessye Norman op internationale concertreizen. ‘Thuis was muziek het belangrijkste gespreksonderwerp. Zijn favoriete componist was Mahler’, zegt zijn dochter Hilda Bouma, een van de vier kinderen.
Bob Bouma was de zoon van de Groningse stadsarchitect Siebe Jan Bouma, die Madurodam en het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen ontwierp. Kunstzinnigheid zat in de genen, getuige de successen van zijn zussen Maya Bouma als actrice en Annelies Bouma als zangeres.
Bouma koos voor de journalistiek en werd in 1953 verslaggever bij het Nieuwsblad van het Noorden. Twee jaar later verhuisde hij naar het Algemeen Handelsblad in Amsterdam, waar hij later de allereerste chef-redacteur van het zaterdagsupplement zou worden. Tegelijkertijd trad hij samen met onder anderen Hedy d’Ancona op in het Amsterdamse journalistencabaret. Hier werd hij ontdekt door de AVRO.
Zijn grote televisiedoorbraak kwam met de KRO-filmquiz Voor een briefkaart op de eerste rang die in 1969 begon en dertien jaar onafgebroken te zien zou zijn. Sommige kandidaten zoals Max van Praag (filmdistributeur), Tjong-Khing Thé (illustrator) en Hans Beerekamp (de latere filmrecensent van NRC Handelsblad ) werden net zo beroemd als de presentator. Beerekamp: ‘Van Praag en Thé waren onverslaanbaar en mochten elke keer weer meedoen als ze wonnen. Het begon het publiek uiteindelijk te vervelen. Toen werd een maximum gesteld van drie keer terugkomen.’ De filmkennis van sommige deelnemers was zo fenomenaal dat Frans Halsema en Gerard Cox er een persiflage op zouden maken, waarbij de zoemer al werd ingedrukt als Bouma: ‘Wie...?’ zei.
Begin jaren tachtig verdween het programma van het scherm. Maar Bouma bleef de rest van zijn leven een filmgek die geen uitnodiging voor een voorvertoning liet liggen, zeker niet als zijn favoriete acteur Gene Hackman een rol speelde. Op tv presenteerde hij daarna nog Cijfers en Letters en was hij bij het programma Hints van Frank Kramer een van de teamcaptains.
Televisie was voor Bouma nooit meer dan een schnabbel. Zijn eigenlijke werk lag bij Phonogram waar hij van 1966 tot 1989 werkte. Hij was een charmante man met ‘ongelooflijke sociale vaardigheden. Hij kon met iedereen opschieten en sprak nooit kwaad over anderen’, aldus Hilda Bouma.
(5-10-2009)
Jan van der Tas (1928-2009)
Drugs en diplomatie
Peter de Waard
‘Herr Botschafter, dat gedoogbeleid moeten jullie koesteren’, zo werd de toenmalige ambassadeur in Bonn Jan van der Tas vaak door Duitse politici toegefluisterd. Tijdens zijn lange carrière merkte Van der Tas dat eigenlijk alle landen in de wereld de bestrijding van de drugshandel als dweilen met de open kraan beschouwden. Legalisering was de enige oplossing, al kon dat nooit publiekelijk worden gezegd. Toen Van der Tas in 1993 met pensioen ging en naar Den Haag terugkeerde, werd deze PvdA’er nationaal en internationaal een hartstochtelijk pleitbezorger voor legalisering van drugs, hoewel hij volgens zijn dochter Saskia zelf nooit een stickie heeft aangeraakt.
Van der Tas overleed op 10 september, nadat een jaar eerder een hersentumor bij hem was geconstateerd.
Hij werd in Den Haag geboren, maar niet in een diplomatiek milieu. Hij was een telg uit een bakkersgeslacht, hoewel zijn vader een beleggingskantoor had. Tijdens de oorlog doorliep hij het gymnasium en was hij enige tijd ondergedoken om aan tewerkstelling in Duitsland te ontkomen. Na de oorlog ging hij naar Nijenrode – de nieuwe opleiding voor avontuurlijke ‘doe-jongens’ – omdat hij geïnteresseerd was in talen en andere landen. ‘Hij had geen carrière uitgestippeld maar accepteerde wat op zijn pad kwam’, zegt Saskia van der Tas. Na vier jaar bij de Koninklijke Marine te hebben gewerkt, kwam hij bij de buitenlandse dienst terecht. Vanaf 1960 verbleef hij achtereenvolgens in Brussel, Jakarta, Parijs, Mexico, Londen, Damascus en Bonn, waarvan de laatste twee ambassadeursposten waren. Van der Tas zei dat plaatsingen afhingen van toeval. ‘Ik ging naar Londen, niet omdat ik de betere kandidaat was maar omdat de vrouw van de beste kandidaat haar hondje niet zes maanden in quarantaine wilde hebben.’
‘Het liefst ging hij met een tentje op de fiets erop uit. Hoe hij de aangeboren eenvoud en vrijheidsdrang heeft kunnen combineren met het formele decor van zijn ambt is een raadsel’, stelde de cineast Wim van der Velde, die 75 jaar met hem bevriend was, op de begrafenis. ‘Communicatie was Jans talent: zelf schuchter en afstandelijk over eigen gevoelens had hij zich aangewend zo exact te formuleren dat er nooit een misverstand kon bestaan’, zag Van der Velde als zijn kracht.
Van der Tas werd een wereldburger. Hij trouwde een Britse vrouw en kreeg twee dochters die werden geboren in Mexico en Londen. In 1986 werd hij benoemd tot ambassadeur in Bonn, een van de zes grote posten. Hij maakte hier de val van de muur en de Duitse hereniging mee. Hij accepteerde de af en toe oplaaiende anti-Duitse gevoelens in Nederland als ‘een cyclisch optredend en onvermijdelijk verschijnsel’. ‘Maar Duitsland is na de oorlog een buitengewoon fatsoenlijk land geworden’, zo stelde hij.
(28-9-2009)
Jan Masman (1929-2009)
Bindende bestuurder
Peter de Waard
Politiek en voetbal. Het waren de passies van Jan Masman (80) die op vrijdag 11 september na een kort ziekbed overleed. Hij zou jarenlang als bestuurder zijn stempel drukken op zowel het politieke leven als de sport, maar bleef bescheiden. ‘Een wijs man’, zo werd hij gekarakteriseerd tijdens de uitvaartdienst van afgelopen woensdag.
Masman werd in Utrecht geboren als zoon van een NS-accountant die buitengewoon in de politiek was geïnteresseerd. Na zijn studie rechten werd hij in 1958 gemeenteraadslid voor de PvdA in Utrecht.
Begin jaren zestig behoorde Jan Masman samen met Joop den Uyl, Ed van Thijn en Jos van Kemenade tot de jonge PvdA’ers die bij de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijke bureau van de partij, werden klaargestoomd voor de Haagse politiek. In 1967 werd hij bij verkiezingen ook verkozen tot Tweede Kamerlid. Hij zou tien jaar lang onderwijswoordvoerder voor de partij zijn, in een tijd dat de PvdA de regeringsmacht greep en de politiek in het middelpunt van de belangstelling stond.
Maar in 1977 besloot Masman ineens de luwte op te zoeken, en werd hij burgemeester van Assen. ‘Hij wilde altijd burgemeester worden. Dat was zijn grootste wens. Hij had al eens gesolliciteerd, maar was toen afgewezen’, zegt zijn weduwe Lily de Groote.
De PvdA’er Henk de Roos was tussen 1974 en 1990 wethouder in Assen: ‘Hij dacht dat hij talenten had als bestuurder en dat bleek ook zo te zijn. Als burgemeester zou hij een bijzonder bindende kracht zijn, vooral in de crisis over de invoering van de erfpacht in de gemeente.’ Een andere verdienste was dat hij erin slaagde weer on speaking terms te komen met de Zuid-Molukse gemeenschap na de gijzelingen van eind jaren zeventig.
Masman was een fanatiek voetballiefhebber. Nadat hij zelf tot zijn 37ste in Utrecht had gespeeld, werd hij in 1973 na een verhuizing naar Overijssel voorzitter van FC Twente als opvolger van de roemruchte Cor Hilbrink. In zijn periode als voorzitter haalde de club onder meer de finale van de UEFA Cup in 1975. Masman moest de club echter ook saneren, met de verkoop van topspelers als Piet Schrijvers, René Notten en Johan Zuidema.
In Assen ging hij zo veel mogelijk naar de wedstrijden van de lokale clubs Achilles en ACV, en als het even kon ook naar die van de eredivisieclub FC Groningen. Ondertussen vervulde hij diverse bestuursfuncties bij de KNVB en was hij voorzitter van de Stichting De Nationale Sporttotalisator. Vanaf 1989 richtte Masman zich als vicevoorzitter van de sectie betaald voetbal op de aanpak van het voetbalgeweld. In 1995 kreeg hij een functie als voorzitter van de raad van toezicht en advies van FC Groningen. ‘Na 2003 heeft hij zijn bestuurstaken bewust afgebouwd. Maar hij behield tot zijn dood twee tribunekaarten voor FC Groningen’, aldus De Groote.
(21-9-2009)
Michael Davidson(1943-2009)
Pianist met een glimlach
Peter de Waard
Bij zijn crematie vorige week dinsdag op de Nieuwe Ooster te Amsterdam werd vooral zijn wonderbaarlijke toucher op de piano geprezen. Schrijver en pianist Michael Davidson (66) die op 2 september overleed aan een hartaanval na een slopende ziekte, is echter nooit erkend als een groot pianist. ‘Hij heeft geen carrière gewild. Die ambitie had hij niet. Hij was misschien ook te weinig diplomatiek om zichzelf op de kaart te zetten’, zegt zijn levensgezel Henk Hillenaar.
Davidson werd in het Canadese Calgary geboren. Hoewel hij niet uit een muzikale familie kwam, was hij al jong geïnteresseerd in klassieke muziek. Hij studeerde aan het conservatorium in Montreal. Op zijn 24ste vertrok hij naar Wenen om zich daar verder te bekwamen in de muziek. Hij zou zijn geboorteland zelden meer terugzien.
Zes jaar bleef hij in Wenen, daarna zes jaar in Londen. In Wenen (Palais Palffy) en Londen (Wigmore Hall) voerde hij alle pianosonates van Mozart uit. Later speelde hij in de Londense Wigmore Hall ook alle sonates van Schubert.
In 1978 kwam hij naar Nederland, omdat hij hier de liefde had gevonden. De relatie duurde uiteindelijk zes jaar. Maar hij zou Nederland niet meer verlaten en zelfs de Nederlandse nationaliteit aannemen. ‘Michael wilde niet meer continue optreden. Hij wilde zich ergens vestigen en niet altijd op reis zijn’, aldus Hillenaar.
Michael Davidson hield van Amsterdam en werd een heel bekend gezicht in de Amsterdamse muziekscene, hoewel hij vanaf 1978 les zou gaan geven aan het conservatorium in Rotterdam. Daar nam hij in 2004 afscheid als hoofddocent piano. Behalve les in Rotterdam gaf hij wereldwijd masterclasses piano. ‘Zijn leerlingen waren dol op hem. Hij had een ontwapenende glimlach en was recht door zee. Hij was homo, maar had opvallend veel succes bij de vrouwen’, vertelt Hillenaar.
In zijn lessen ging hij er altijd van uit dat de leerlingen de techniek beheersten. ‘Hij was vooral interpretatief bezig. Hij concentreerde zich op de uitvoering.’ Zijn liefde voor klassieke muziek combineerde hij met het schrijversvak. Eigenlijk had hij literaire ambities, maar hij heeft nooit een roman gepubliceerd.
Hij schreef vijf boeken – met name over klassieke componisten als Mozart en Schubert – maar wereldwijd genoot hij vooral gezag als operarecensent. Davidson zette dankzij zijn artikelen in het invloedrijke Engelstalige blad Opera Nederland als operaland op de wereldkaart. Vorig jaar verscheen nog zijn standaardwerk Thirty-five Colourful Years of Opera in the Netherlands: 1973-2008, recensies van 250 opera’s waaronder bijna alle van de Nederlandse Opera. Voor zijn crematie deze week in Amsterdam waren vele vermaarde musici overgevlogen, onder wie talrijke oud-leerlingen.
(14-9-2009)
Piet van der Molen (1935-2009)
Sportbons en politieman
Peter de Waard
Toen Piet van der Molen bij zijn afscheid van de Atletiekunie werd gevraagd wat hij mooier vond: wielrennen of atletiek, antwoordde hij: ‘Wielrennen.’
Van der Molen, die vorige week zondag overleed aan een combinatie van leukemie en beenmergkanker, is als bestuurder voorzitter geweest van twee totaal verschillende bonden: de Koninklijke Nederlandse Wielren Unie (KNWU) en de Atletiekunie. Naast een bevlogen sportliefhebber was hij een ambitieus politieman. Hij coördineerde de overgang van rijks- naar gemeentepolitie in Zoetermeer, werd hoofd van de antiterreureenheid in Nederland tijdens de gijzelingen van de Molukkers en de aanslagen van de RAF, en leidde het onderzoek naar ontvoering van Valérie Albada Jelgersma in 1987.
Van der Molen werd in 1935 geboren als een boerenzoon in Hensbroek. Zijn vader wilde hem in de Noord-Hollandse klei houden, maar hij besloot naar de politieacademie in Hilversum te gaan. Hij was gek op sport, maar zelf geen groot atleet. ‘Het enige dat hem speet, was dat hij zelf als sporter nooit verder gekomen was dan de plaatselijke dikke bandenrace’, zegt zijn zoon Frank van der Molen. Hij begon zijn politiecarrière in Amsterdam. Maar het vak zou hem naar alle uithoeken van Nederland brengen. Zijn kinderen verhuisden alleen al tijdens hun lagere schoolopleiding vijf keer. Bij de verkeerspolitie begeleidde hij wielerkoersen door Nederland. Hij vond het zo mooi dat hij in 1972 voorzitter werd van de amateurwielerronde Olympia’s Tour. Twee jaar later was hij vicevoorzitter van de KNWU. Bijna elke zondag was hij bij een wedstrijd. Na een onderbreking werd hij in 1984 voorzitter. Het waren gouden jaren voor de Nederlandse wielersport, met de successen van de Raleighs van Peter Post en toppers als Zoetemelk en Kuiper. In 1989 werd hij bestuurslid van NOC*NSF. En zeven jaar later werd hij gevraagd voor het voorzitterschap van de Atletiekunie. Hij moest de boel opschudden.
Van der Molen bewonderde topsporters, maar eiste ook het uiterste van hen. Een EK of WK zonder het Wilhelmus zag hij als een fiasco. Toen de atleet Robert Korving derde werd op een EK, riep Van der Molen: ‘Moet ik daarvan onder de indruk zijn?’ In 2002 stapte hij op. ‘In de atletiek ben ik nooit volledig geaccepteerd. Veel mensen zijn me blijven zien als die vreemdeling uit het wielrennen’, zei hij toen.
Zijn carrière als politieman had hij al in 1988 beëindigd. Daarna was hij nog tien jaar directeur Facilitair Bedrijf van achtereenvolgens Postbank, NMB Postbank en ING. Twee jaar geleden werd hij opgenomen in een verzorgingstehuis. Vorige week keerde hij terug naar zijn woning in Huizen. Hij beleefde er nog twee dagen. Van der Molen zal morgen worden gecremeerd in Bilthoven.
(7-9-2009)
Bertje Jens (1913-2009)
Voor altijd tante Bertje van het Pieterpad
Peter de Waard
Bertje Jens, die afgelopen woensdag op 95-jarige leeftijd overleed, zal vooral worden herinnerd door haar activiteiten na haar pensioen in 1978: het uitzetten van het Pieterpad, de populairste langeafstandswandeling van Nederland.
Met Toos Goorhuis besteedde ze vijf jaar aan het nauwkeurig vastleggen van een wandelroute tussen Pieterburen in Groningen en de Sint Pietersberg in Limburg. ‘Mijn moeder deed het topografische werk, tante Bertje, zoals we haar noemden, legde vast wat er op de route te zien was’, vertelt Maarten Goorhuis, de zoon van de in 2004 overleden Toos.
Vele weekeinden liepen ze nieuwe stukjes van hun route. Het was een hobbyproject – voor vrienden en kleinkinderen. ‘In 1983 was een heel pad vastgelegd. Een vriend van mijn moeder stelde voor het aan Nivon Natuurvrienden voor te leggen. Daar werden ze met open armen ontvangen’, aldus Maarten Goorhuis. Er kwam dat jaar een gidsje uit – een paar A4-tjes met een nietje er doorheen. Door mond-tot-mondreclame werd het pad zo populair dat het eind jaren negentig een hype werd. Nu hebben één miljoen Nederlanders de route geheel of gedeeltelijk gelopen.
Jens en Goorhuis kenden elkaar van het heropvoedingsgesticht de Rekkense Inrichting, waar ze in de oorlogsjaren als groepleidsters werkten. Ze werden hartsvriendinnen.
Toos Goorhuis trouwde na de oorlog met een dominee en kreeg zes kinderen. Bertje Jens bleef altijd vrijgezellin. Ze maakte een carrière in het maatschappelijk werk, waarover ze het standaardwerk Beroepsethiek en code van de maatschappelijk werker schreef.
‘Het waren totaal verschillende karakters. Mijn moeder was doortastend. Tante Bertje was bescheiden en innemend’, zegt Maarten Goorhuis. ‘Maar ze gingen altijd samen op vakantie. In de jaren zeventig waren dat vaak wandelvakanties.’ Tot hoge leeftijd bleven zij samen wandelen.
Sinds de eerste uitgave van de wandelgids van het Pieterpad zijn er veel nieuwe verbeterde versies gekomen, maar de ‘dames van het Pieterpad’ zijn niet vergeten. De voetstappen van Bertje Jens en haar vriendin Toos Goorhuis zijn vereeuwigd in een plaquette op het Pieterpad bij Vorden.
(22-8-2009)
Erik Beelaerts van Blokland (1945-2009)
Betrokken zakenbankier uit beroemd regentengeslacht
Peter de Waard
‘Hij is iemand die nooit met de waan van de dag is meegegaan. Toen het bestuur van de Goudsche Verzekeringen loonsverhoging wilde, keerde hij zich daartegen’, vertelt zijn dochter.
Jonkeer mr Erik Beelaerts van Blokland, die vorige week onverwacht op 64-jarige leeftijd is overleden aan een hartaanval , was een van de bekendste Nederlandse zakenbankiers.
De telg uit het regentengeslacht Beelaerts van Blokland was achtereenvolgens actief bij Pierson, Heldring & Pierson, MeesPierson en ten slotte bij de Nederlandse dochter van de Zwitserse zakenbank UBS. In de jaren tachtig was hij leider van een jong team van zakenbankiers dat adviseerde bij de beruchte overnamestrijd rond het uitgeversconcern Kluwer. Hij zou later vaak actief zijn bij bedrijfsovernames, zoals die van slijpschijvenfabrikant Flexovit.
Beelaerts van Blokland was ook maatschappelijk zeer betrokken. Zo was hij onder meer jarenlang voorzitter van het Nationale Jeugdfonds, bekend als Jantje Beton. In 2003 stopte hij bij UBS en werd hij voorzitter van de raad van commissarissen van Deloitte. Hij hield zich daar met name bezig met de integratie van Deloitte en fusiepartner Andersen. ‘Wij hebben Erik ervaren als een zeer toegewijde president-commissaris, met moderne opvattingen over corporate governance, waarbij maatschappelijke verantwoordelijkheid van de ondernemingen centraal stond’, aldus Deloitte.
Verder was hij de laatste jaren actief als bestuurslid van onder meer Vrienden van de Hermitage en was hij vicevoorzitter van het Prins Bernhard Cultuur Fonds en bestuurslid van de Algemene Loterij Nederland. Vooral de centralisatie van de activiteiten van het Prins Bernhard Cultuurfonds was voor hem een dagelijkse bezigheid.
(20-7-2009)
Frans Scholtes (1955-2009)
Scholtes maakte G-star concurrent Diesel en Levi’s
Peter de Waard
Na zijn overstap naar de modewereld begon het succes voor de als econoom opgeleide Frans Scholtes. Je moet kleding niet importeren, maar je eigen merken voeren, vond hij.
‘Vanavond hebben wij in een gesprek met de artsen te horen gekregen dat Frans zo hard is achteruitgegaan dat er geen hoop is op transplantatie en dus geen hoop op genezing’, schreef zijn vrouw Petra afgelopen woensdag op haar blog.
Een dag later overleed in een ziekenhuis in Groningen ondernemer en spijkerbroekenfabrikant Frans Scholtes (54) aan de gevolgen van een longvirus.
Scholtes lanceerde in 1989 samen met Jos van Tilburg het nu internationaal bekende spijkerbroekenmerk G-Star dat de basis werd voor een mode-imperium dat het grootste werd van Nederland en de top van de Europese kledingleveranciers bereikte.
De in Leiden geboren Scholtes kreeg het modevak niet met de paplepel ingegoten. Zijn familie was actief in de vleeswarenindustrie. Scholtes studeerde economie en begon in de debiteurenadministratie voordat hij in 1984 bij het importbedrijf Zantman Modegroep terechtkwam. Scholtes gooide het daar over een andere boeg. In plaats van kleding te importeren – ‘de marges zijn gering en als je het goed doet, neemt de producent het in eigen handen’ – besloot hij eigen merken te voeren.
Een daarvan werd G-Star. De kleding zelf liet hij maken in Oost-Europa, Turkije en Azië. In 1992 nam Scholtes samen met zeven andere managers het bedrijf over en veranderde de naam in Secon. Scholtes begreep uit het succes van G-Star (dure spijkerbroeken van meer dan 150 gulden) dat de consument bereid was dat te betalen voor merken. In sneltreinvaart werd een hele reeks van nieuwe merken gelanceerd (Turn-Over, Arrow, Anotherwoman, Easycomfort, A-rticles en Performen’s) of overgenomen (Louis Féroud). Scholtes hoefde niet trendsettend te zijn. ‘We zijn geen uitvinders. Onze ontwerpers kijken op beurzen wat de trends zijn’, zei hij.
Het bedrijf spreidde zijn vleugels al snel uit over heel Europa en opende winkels in Parijs en Moskou, vaak onder de naam van een van de merken. G-Star bleef het vlaggenschip en werd de concurrent in de wereld van merken als Levi’s en Diesel. In 1998 was de omzet van Secon meer dan 68 miljoen euro en in 2000 al meer dan 225 miljoen. G-Star zorgde voor de helft van die omzet. G-Star kwam in dat jaar in aanvaring met de mededingingswaakhond NMA die het bedrijf een boete oplegde omdat prijzen van de jeans aan winkeliers werden voorgeschreven.
In 2002 werd G-Star losgekoppeld van de andere minder bekende merken van Secon. Scholtes, die wel een belang van 25 procent hield in G-Star, werd lid van de raad van commissarissen van Secon.
Scholtes was een fanatiek sporter. In maart stond hij nog op de ski’s en in april op de golfbaan. Vlak daarna werd de fatale longziekte geconstateerd.
(18-7-2009)
Jakob Draijer (1944-2009)
Het driemanschap Karin Adelmund, Johan Stekelenburg en Jakob Draijer
Vakbondsbestuurder die naar ‘de andere kant’ ging
Peter de Waard
‘Een vergadertijger die heel goed kon analyseren en problemen doorgronden.’ Zo omschrijft Harry van den Dungen zijn huisvriend en FNV Kiem-collega Jakob Draijer (64) die in de nacht van dinsdag op woensdag is overleden.
Draijer was een echte vakbondsman die verknocht was aan de grafische industrie. Bij de FNV was hij de belangrijkste pleitbezorger voor de arbeidsduurverkorting: 35 uur in 1993 en 32 uur in 1996. Maar de ideoloog Draijer werd begin jaren negentig in het vaarwater gezeten door de pragmaticus Lodewijk de Waal.
Na 23 jaar voor de bond te hebben gewerkt, stapte Draijer in 1996 teleurgesteld over naar de werkgeverskant en werd hij directeur van de Koninklijke Nederlandse Uitgeversbond. Hem werd klassenverraad verweten. ‘Ik ben geen windvaan’, verdedigde hij zich. ‘Het doel blijft hetzelfde. We gaan in Nederland korter werken. Linksom of rechtsom.’
Twee jaar later stapte hij over naar de nieuwe uitgever PCM, waarin Perscombinatie (de Volkskrant, Trouw) was samengegaan met de Dagbladunie (NRC, Algemeen Dagblad). Hij werd hier directeur sociale zaken. ‘Hij heeft de arbeidsvoorwaardelijke integratie van de Perscombinatie en Dagbladunie geleid’, zegt toenmalig directievoorzitter Cees Smaling.
Draijer was de zoon van een plantenkweker in het Groningse Slochteren. Al op 14-jarige leeftijd ging hij werken als typograaf bij een drukkerij. Hij was al gauw actief in de vakbond en werd in 1973 regiobestuurder bij de Algemene Nederlandsche Grafische Bond, een onderdeel van het toenmalige NVV. Hij maakte snel carrière en kwam ook terecht in het dagelijks bestuur. In 1976 werd hij voorzitter van de bond die door de fusie met de Katholieke Grafische Bond van het NKV inmiddels de FNV-bond Druk & Papier was geworden.
In 1988 stapte hij over naar de vakcentrale als coördinator arbeidsvoorwaarden en later als penningmeester. Met voorzitter Johan Stekelenburg en vice-voorzitter Karin Adelmund (ook allebei overleden) vormde hij een driemanschap dat vele jaren het sociaal-economische beleid van de FNV bepaalde.
‘Hij was iemand die persoonlijk aandacht had voor collega’s. Mensen die vijftig jaar werden ging hij middernacht feliciteren. Zo herinner ik mij ’s nachts voor de deur te hebben gezongen bij Johan Stekelenburg’, aldus Michel Negenman, een collega bij de vakcentrale.
In 1992 werd Draijer als opvolger van Negenman voorzitter van de Stichting de Volkskrant, die de identiteit van de krant bewaakte. Hij zou die functie tot 1996 vervullen toen hij naar de andere kant van de tafel ging. Bij PCM was hij tussen 1998 en eind 2001 directeur. ‘Kordaat, helder en weloverwogen’, omschrijft Smaling hem.
Ruim drie jaar geleden maakte Van den Dungen met Draijer en zijn echtgenote een reis door Zuid-Afrika. ‘Tijdens die reis kreeg hij last van zijn nek.’ Hij bleek een zeldzame vorm van schildklierkanker te hebben die hem noodlottig is geworden.
(16-7-2009)
Eddie George (1939-2009)
De redder van het pond sterling
Peter de Waard
De ex-baas van de Bank of England (1993-2003) behield het pond voor de Britten en overzag tien jaar van ongekende voorspoed. ‘Steady Eddie’ overleed zaterdag op 70-jarige leeftijd.
Hij was de held van de eurosceptische Britse schandaalbladen – de man die eind jaren negentig zo veel vertrouwen van de man in the street genoot dat de Britse regering besloot niet de euro in te voeren maar vast te houden aan het pond sterling. ‘Liever Steady Eddie dan Dim Wim’, luidden de koppen in de Britse kranten, waarbij Dim Wim verwees naar wijlen Wim Duisenberg, toentertijd de kersverse president van Europese Centrale Bank.
Steady Eddie was Lord Eddie George, tien jaar de gouverneur van de Bank of England of de president van de Britse centrale bank. In die periode van 1993 tot 2003 beleefde de Britse economie een periode van grote stabiliteit en ongekende voorspoed.
George overleed zaterdag op 70-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker. Hij heeft een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van de ‘oude dame van Threatneedle Street’, zoals de Bank of England wordt genoemd. Hij steunde in 1997 het revolutionaire besluit van New Labour om een onafhankelijk monetair comité van de centrale bank te belasten met de renteaanpassingen. Tot dan toe was dat altijd een politieke beslissing geweest van de minister van Financiën.
George werd zelf voorzitter van het negen leden tellende monetaire comité. Het pond sterling werd eind jaren negentig een van de hardste munten in de wereld, ook omdat George inflatiebestrijding tot hoofddoel bombardeerde en de rente weigerde te verlagen om de economie te stimuleren.
Premier Brown noemde George een van de ‘grootste bankiers uit de Britse geschiedenis’. De Nederlandse econoom Willem Buiter, die drie jaar lang als lid van het monetaire comité nauw met George samenwerkte, prees zijn vakmanschap.
George begon in 1962 bij de Bank of England. Twee jaar later werd hij gedetacheerd in Moskou, waar hij enige tijd Russisch studeerde. Een vriendschap met een Tanzaniaan leidde tot een verdenking van spionage. Na terugkomst in Engeland maakte hij korte uitstapjes naar de Bank voor Internationale Betalingen in Basel en het Internationaal Monetair Fonds in Washington. In 1993 werd hij tot gouverneur van de Bank of England benoemd, vlak nadat noodgedwongen het pond sterling uit het toenmalige systeem van vaste wisselkoersen EMS was gehaald vanwege grootscheepse speculatie. Het was meteen het keerpunt voor de economie.
Ondanks zijn succesvolle beleid werd George tot twee keer toe met grote financiële crises geconfronteerd: met de ondergang van de fraudebank BCCI en met de spectaculaire val van de zakenbank Barings door toedoen van de handelaar Nick Leeson. George bleef tijdens deze crises uiterst kalm en werd daardoor een bekende en ook heel populaire Brit.
Hij keerde zich in 1997 openlijk tegen een besluit van de regering van Tony Blair om het toezicht op de banken in 1997 in handen te leggen van een nieuwe financiële autoriteit: Financial Services Authority (FSA). Nadat George in 2003 aftrad als gouverneur en de bank Northern Rock in problemen kwam, werd hij alsnog in het gelijk gesteld en kreeg de Bank of England de toezichthoudende taak weer gedeeltelijk terug.
(21-4-2009)
Albert Vreeburg (1925-2009)
Na de biecht een glas port en een sigaar
Peter de Waard
Hij was een conservatieve priester, of zoals zijn aanhangers het noemen: iemand die rechtzinnig in de leer was. Albert Vreeburg, emeritus pastoor van de parochie Heilige Lodewijk in Leiden, had niet alleen daardoor bijna altijd volle kerken. ‘Hij had de gave van het woord. Als hij begon te preken was de kerk driekwart vol. Aan het einde van de preek stonden er mensen achter in de kerk’, zegt zijn zwager Hans Westerhuis.
Pastoor Vreeburg, die zich officieel bisschop mocht noemen maar officieus ook gold als ‘de paus van Leiden’, overleed vorige week op 84-jarige leeftijd. Hij was een geboren Leidenaar. Maar hij kwam niet zoals veel pastoors uit een groot gezin. ‘Hij heeft maar één zus en die is ook nog eens zeven jaar jonger.’
Vreeburg werd in 1951 tot priester gewijd. Hij werd eerst kapelaan in Wassenaar en doceerde tegelijkertijd godsdienst en klassieke talen aan het Sint Adelbert College. Later werd hij ook docent aan het kleinseminarie Hageveld in Heemstede en aan Leeuwenhorst in Noordwijkerhout.
In 1969 keerde hij terug in Leiden, waar hij bij zijn ouders ging wonen. Op 1 augustus 1976 volgde zijn benoeming tot pastoor van de Lodewijkkerk te Leiden – de enige rococokerk van Nederland. Aan deze parochie zou zijn naam onlosmakelijk verbonden blijven. Terwijl veel andere rooms-katholieke priesters met de tijd meegingen, bleef bij hem alles bij het oude. De pastoor van ‘De Lodewijk’ hield zich aan de Latijnse mis, het lof, de processies in de kerk en de vastenmeditaties – ‘tot drie keer per dag’.
Hij was een fanatiek bidder – ‘van de heilige mis word ik nooit moe’ –, kende de catechismus uit zijn hoofd, was jarenlang directeur van vele bedevaarten en was bijna overijverig met huisbezoeken. Ook koesterde hij andere pastorale tradities. Westerhuis: ‘Hij nam nog altijd de persoonlijke biecht af. Maar na de biecht ging hij met de gelovige informeel een glas port drinken en een sigaar roken.’
Hij bleef trouw aan het leergezag van Rome en schuwde de confrontatie met de nieuwlichters niet. Zelfs niet op televisie, waar hij debatteerde met modernistische priesters. Vreeburg wist met zijn oude geluid ook jonge mensen voor zich te winnen. In 1980 was juist de R.K. Jongerengroep van De Lodewijk een van de grootste van Nederland. Pastoor Vreeburg stond hiermee aan de wieg van wat nu de jaarlijkse Katholieke Jongerendag is.
Vreeburg gold volgens bisschop Ad van Luyn van Rotterdam als een sterke persoonlijkheid, die impulsief kon zijn in zijn reacties, maar zelfs buiten de kerk geen vijanden had. ‘Van De Lodewijk heeft hij een een bloeiende city- en streekkerk gemaakt.’
Een beloning voor zijn inzet was de benoeming tot erekapelaan van de paus in 2001, waardoor hij de titel monseigneur mocht gebruiken en het bijbehorende paars kon dragen. Een val en een slechter wordende gezondheid dwongen hem een jaar later zijn ambt als pastoor neer te leggen. In het Leidse zorgcentrum Roomburgh bleef hij tot zijn dood de mis lezen. Hij zal vandaag worden begraven.
(24-3-2009)
Jade Goody (1982-2009)
Goody werd Vrouw van het Volk
Peter de Waard
Net als bij de dood van prinses Diana, op die zondag in 1997, was de Britse koningin Elizabeth gisteren ongeveer de enige die niet publiekelijk tranen plengde bij de dood van Jade Goody (27), de volksvrouw die dankzij Big Brother bijna dezelfde mythische status had bereikt als de People’s Princess.
Het symbool van de ‘age of celebrity’ overleed gisternacht aan kanker en niet alleen Groot-Brittannië maar de hele wereld treurde. Goody’s dood was niet zoals die van Diana onverwacht. Integendeel, haar stervensproces was een groot mediaspektakel. Ze had hier zelf voor gekozen. Goody’s woordvoerder, de pr-gigant Max Clifford, zegt dat ‘Jade haar gelukkigste jaren de zeven waren waarin ze voor het oog van de camera stond’. ‘En daarom wilde ze er ook voor sterven.’
Premier Gordon Brown prees zondag Goody’s moed bij leven en dood. Andere politieke kopstukken, bisschoppen en beroemdheden als Stephen Fry vielen over elkaar heen om Goody op een voetstuk te plaatsen als een van de grootste Britten ooit.
De in een Londense achterstandswijk geboren Goody, dochter van een drugscrimineel en een moeder die was verminkt door een motorongeluk, werd een nationale bekendheid in 2002 dankzij haar emotionele uitbarstingen en gebrek aan de meest elementaire algemene kennis tijdens de Big Brother-serie. Hoewel ze niet won, had ze al gauw een eigen parfumlijn en een biografie. Ze werd van nationale held vervolgens staatsvijand nummer één na racistische opmerkingen tegen een Indiase Bollywoodster in een nieuwe Big Brother-serie drie jaar later. Het noodlot wilde dat ze in India in het Big Brother-huis zat toen baarmoederhalskanker bij haar werd geconstateerd. De kanker bleek al snel terminaal te zijn. Goody besloot daarna van haar stervensproces een publieke zaak te maken die ertoe leidde dat vele vrouwen zich op kanker lieten controleren. Vlak voor haar dood trad ze nog in een voor veel geld aan de media verkocht huwelijk met een 21-jarige jongen die voor deze gelegenheid tijdelijk uit de gevangenis was vrijgelaten. Met de opbrengst zal de opleiding van haar kinderen worden gefinancierd.
(23-3-2009)
Jan ter Laak (1938-2009)
De man die plots verdween
Peter de Waard
‘Een beminnelijke man die geschiedenis heeft gemaakt voor de vredesbeweging.’ Zo karakteriseert Mient Jan Faber zijn voorganger als secretaris van het Interkerkelijk Vredesberaad (IKV), Jan ter Laak. Ter Laak (70) overleed deze week in Wilnis aan de gevolgen van alvleesklierkanker. Hij was bewonderd als vredesvechter, maar was ook verguisd als een van de eerste priesters waarvan bekend werd dat ze zich schuldig hadden gemaakt aan seksueel misbruik
Jan ter Laak groeide op als een molenaarszoon in Didam, het tweede kind in een katholiek gezin van tien. Hij had een heeroom die bisschop was in China. Op de zolder van zijn huis speelde hij al op jonge leeftijd de mis gespeeld met zijn zussen als misdienaars. Hij ging naar het seminarie in Apeldoorn en daarna naar Rijsenburg. Hij had organisatietalent en vormde het gezelschap Vindicamus om van gezelligheidsclub tot studentenvakbond. Hiermee stond hij aan de basis van wat de eerste studentenopstand in Nederland zou zijn – die op de priesteropleiding Rijsenburg, in 1961. Net als vele jonge katholieken liep ook Ter Laak mee met de voettochten van Pax Christi. In de afstudeerscriptie voor zijn studie klassieke talen vond hij een voor die tijd passend thema : de Lysistrata, waarin Aristophanes beschrijft hoe de vrouwen in seksstaking gaan om hun mannen te dwingen, geen oorlog meer te voeren.
Hij werd als jonge priester in de jaren zestig geïnspireerd door kardinaal Alfrink, die toen nauw betrokken was bij het IKV. Nadat hij korte tijd kapelaan was geweest, werd hij zelf in 1968 secretaris van het IKV.
In 1974 werd hij opgevolgd door Mient Jan Faber en stapte hij over naar het omroeppastoraat van de KRO in Amersfoort. Hij werd een vertrouwd gezicht op de televisie. Maar zijn betrokkenheid bij het IKV bleef, onder meer als voorzitter van de werkgroep Kerken. Faber: ‘Toen de dienstplicht er nog was, maakte hij dat dienstweigeraars als alternatieve dienstplicht iets bij de vredesbeweging konden gaan doen.’
In 1983 ging hij naar Pax Christi als algemeen secretaris. Samen met Faber werd hij toen een van de mensen achter het Komitee Kruisraketten Nee. Jan Gruiters, de huidige directeur van wat tegenwoordig IKV Pax Christi heet, zegt dat Ter Laak een van de leidende progressieve katholieken was. ‘Maar hij behoorde zeker niet tot de radicale vleugel van het IKV. Hij wilde de brugfunctie vervullen naar de meer gematigde krachten binnen de kerk. Hij besefte dat de macht in het centrum lag en dat je daar ook connecties moest hebben.’
Pax Christi groeide onder hem uit tot een spraakmakende vredesbeweging die los opereerede van de kerk. Maar bij bisschoppen als Van Luyn en Ernst was Ter Laak geliefd. Zij liepen ook mee tijdens vredesdemonstraties. Faber noemt hem een meesterlijk netwerker. ‘Hij kon met alle partijen goed opschieten.’ Hij was ook pragmaticus. ‘Hij nam het voortouw voor het opheffen van het Komitee Kruisraketten Nee, toen hij zag dat het geen zin meer had’, aldus Gruiters. Ter Laak onderhield in die tijd ook de contacten met dissidenten in Oost-Europa, zoals de latere Tsjechische president Vaclav Havel. Na de val van de muur reisde hij de hele wereld rond als pleitbezorger voor de mensenrechten. Als die aangetast werden, ging Ter L:aak er iets doen: het organiseren van een demonstratie, het informeren van politici en andere sleutelfiguren, het mobiliseren van betrokkenen of het bij elkaar brengen van mensen die invloed kunnen uitoefenen.
De held van de progressieve katholieken viel in 1996 hard van zijn voetstuk nadat er beschuldigingen werden geuit van seksueel misbruik. In de tijd dat hij omroeppastor was, midden jaren zeventig, zou Ter Laak seksuele contacten hebben gehad met jonge jongens. Er kwamen meer aanklachten, uit de kringen van Pax Christi. Ter Laak die zich tomeloos inzette voor de vrede, had de grenzen overschreden. Pax Christi nam het nog even in bescherming, maar na een uitzending van Kruispunt waarin een man zijn verhaal had verteld, was hij niet meer te handhaven. Ter Laak moest aftreden als secretaris van Pax Christi en verdween naar Canada. Wegens het misbruik ontnam kardinaal Simonis Ter Laak zijn priesterlijke bevoegdheden.
Een jaar later kwam hij weer terug in Nederland. Maar hij ging nu in de luwte opereren. In februari 2009 kwam hij terug uit Qatar, waar hij een bijeenkomst had bezocht van de mede door hem opgerichte organisatie Bridging the Gulf, voor mensenrechten in het Midden-Oosten. Toen wist hij dat het fout was
(14-3-2009)
Jan de Cler (1915-2009)
Een huisarts die ook 7.000 verzen schreef
Peter de Waard
Als piloot haalde hij ooit de voorpagina van de Belgische kranten toen hij zijn toestel een noodlanding liet maken op het strand van Oostende. Jan de Cler die vorige week overleed, was veel meer dan de schrijver van Hup Holland Hup. ‘Hij heeft meer dan zevenduizend verzen geschreven en honderden schilderijen gemaakt. Hij had een ongekende drang om te presteren en te creëren’, aldus zijn dochter Anna de Cler.
NCRV-coryfee Jan Fillekers zegt dat wijlen Alexander Pola met wie De Cler het KRO-programma Negen heit de klok maakte, ooit vertelde hoe De Cler tussen de liedjes door medicijnen studeerde. ‘Toen hij met Jules de Corte moest gaan werken, maakte hij zich het brailleschrift eigen. Nadat hij ook nog zijn vliegbrevet haalde, zeiden ze in Hilversum: ‘Nou kan-ie ook nog blind vliegen’.’
De Cler werd in 1915 geboren in een protestants nest, maar werd later katholiek. Met zijn eerste vrouw Mies van der Zwaal – na de oorlog zou hij hertrouwen met Anna de Windt met wie hij een zoon en de tweeling Anna en Hanna zou krijgen – had hij een schildersatelier in Amersfoort. Hij gaf tijdens de oorlog in ruil voor voedsel ook teken- en schildersles.
Maar tegelijk schreef hij spotliedjes op de Duitsers en hielp hij onderduikers. Herbert Perquin haalde hem na de oorlog als cabaretier bij de KRO, waar hij al in 1948 chef amusement werd. In 1949 begon hij samen met Alexander Pola, Jules de Corte, Kees Schilperoort en en Dico van der Meer het pretentieloze zaterdagavondprogramma Negen heit de klok.
Pola en De Cler speelden de rollen van Dip & Dop, waarbij De Cler in een adem zoveel mogelijk lettergrepen zong. Tijdens voetbalinterlands maakte hij sneldichten over de wedstrijd die in de rust en na afloop zingend werden voorgedragen. Met hulp van de verslaggevers Frits van Turenhout en Leo Pagano ontstond in 1950 het onsterfelijke Hup Holland Hup.
Fillekers kreeg in 1961 en 1962 samen met Wim de Bie les van De Cler tijdens een kleinkunstcursus voor de radio. ‘Erg artistiek was het niet. Er was een piano en wat bladmuziek met een titel als De Slager. Als er geen snars van klopte kwam hij met een ander stuk muziek getiteld De Bakker.’
De Cler vond amusement ook geen echt vak. In 1955 was hij – toen al 40 – begonnen met een studie voor huisarts. ‘Het was een droom. Hij had thuis nooit mogen studeren zoals zijn oudere broer’, zegt zijn dochter. In 1964 kon hij zich als dokter in Amsterdam vestigen. Zijn spot was niet verdwenen. Hanneke Groenteman vertelde een keer dat hij het AMC in 1984 het Amsterdams Medisch Concentratiekamp noemde ‘Mijn moeder die een hersenbloeding had gehad, heeft daardoor in de weinig adequate Boerhaave Kliniek gelegen. Ik neem het hem nog altijd kwalijk.’
Nadat hij op 67-jarige leeftijd geen ziekenfondspatiënten meer mocht behandelen, was hij nog tien jaar keuringsarts. Hij begon toen weer zeer actief te schilderen –- landschappen, stillevens en portretten. Tot 2004 maakte en schreef hij zijn eigen kerstkaarten. Fillekers heeft daarna nog getracht hem in een programma te krijgen. ‘Maar dat ging niet meer.’
(9-3-2009)
Walter van der Kamp ((1948-2009)
Een ‘gigant’ in de televisiegeschiedenis
Peter de Waard
’Je kunt niet genoeg benadrukken wat voor gigant hij was’, zegt de in Londen woonachtige acteur Lex van Delden (61), die bijna nooit ontbrak in Walter van der Kamps televisiedrama’s. Van der Kamp, die zondag op 87-jarige leeftijd overleed, heeft in de jaren zestig en zeventig televisiegeschiedenis geschreven met series als Karakter, De Stille Kracht, Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan, Hollands Glorie en Uilenspiegel.
Alle groten van het het toenmalig Nederlands toneel werkten graag met hem samen: van Ko van Dijk tot Paul Steenbergen en Caro van Eyck. ‘Hij was ongelooflijk gedreven. Dat klinkt als een cliché. Maar hij was het echt. Hij stond er helemaal alleen voor stond. De AVRO had een hoofd drama. Ik zal niet zeggen dat die niets deed, maar Walter bracht het idee aan, schreef het scenario, ging over het budget en regisseerde. Hij wilde hoe dan ook de televisiegeneratie kennis laten nemen van de Nederlandse klassieke literatuur.’
Van der Kamp begon kort na de oorlog als radio-omroeper in Nederlands-Indië en werkte daarna een paar jaar bij de Haagse Comedie, waar hij niet verder kwam dan kleine rolletjes. Nadat de televisie in 1954 was gekomen, werd hij regisseur voor het nieuwe medium.
Eerst bracht Van der Kamp vooral bestaande toneelvoorstellingen op televisie. Van Delden: ‘Het eerste wat ik mij kan herinneren was Requiem voor een zwaargewicht uit 1959 met Ko van Dijk als uitgerangeerde bokser.’
Van der Kamp was een ouderwetse studioregisseur. Er werd bijna nog niet gefilmd op locatie. De serie de Stille Kracht (naar het boek van Louis Couperus, met Bordewijk en Elsschot de favoriete schrijvers van Van der Kamp) werd helemaal in de studio opgenomen hoewel het verhaal zich afspeelde in Nederlands-Indië. Niet de plaatjes van de omgeving stonden centraal, maar de acteurs en actrices. ‘Van der Kamp kende de kwaliteiten van iedere speler of speelster. Daarvoor was de sfeer zo ontspannen. Ik weet dat Rudi Falkenhagen de rol kreeg in Elsschots De Verlossing. Daar waren bedenkingen over. Maar de rol was hem op het lijf geschreven.’
Van der Kamp werd in de jaren zeventig vaak vergeleken met Willy van Hemert, die voor de NCRV en KRO veel drama maakte. ‘Van Hemert bewoog zich in een populairder genre – Bartje, de Kleine Waarheid – maar Van der Kamp was ongelooflijk veel ambitieuzer en interessanter.’
Hoeveel invloed de series hadden, ondervindt Van Delden nog elke keer als hij in Nederland komt. ‘Ik word nog altijd op die rollen aangesproken, hoeveel ik daarna ook heb gedaan.’ Van der Kamps laatste grote dramaserie was Willem van Oranje uit 1983.
Van der Kamp onderkende het moment dat zijn tijd voorbij was. 'Met de soaps die daarna kwamen, wilde hij niets van doen hebben’, aldus Van Delden.
(4-3-2009)
Freddy Sijthoff (1921-2009)
Meneer Freddy bracht desnoods de krant zelf
Peter de Waard
Als de pure courantier ooit bestaan heeft – uiteindelijk zijn ook alle krantenuitgevers ondernemers – mag Freddy Sijthoff zich zo noemen. ‘Ik weet nog het verhaal van de dag dat president Kennedy werd vermoord. Er moest onmiddellijk een journalist naar Amerika. En hij leende hem zijn regenjas en creditcard’, zegt zijn zoon Willem Sijthoff, nu zelf mede-eigenaar van Het Financieele Dagblad.
Freddy Sijthoff overleed afgelopen zondag op 87-jarige leeftijd. Hij was al enige tijd ziek. ‘Maar dat nam niet weg dat hij nog bezig was een boekje te schrijven over hoe het nu verder moest met de dagbladen’, aldus Willem Sijthoff.
Freddy Sijthoff zat meer dan een kwart eeuw, van 1957 tot 1983, in de directie van de Sijthoff Pers, die toen de Haagsche Courant, op dat moment een van de chicste regionale dagbladen van Nederland, en verschillende kopbladen in Zuid-Holland uitgaf. Hij leidde het concern samen met zijn broer Appie. Terwijl de laatste zich vooral met de zakelijke kant bemoeide, was Freddy vooral de behartiger van de journalistieke belangen. Voor de uitgeverij waren het hoogtijdagen. De oplage steeg tot bijna 200 duizend, en in veel straten van Den Haag werd de krant huis-aan-huis bezorgd. Het was de enige lokale krant met eigen buitenlandse correspondenten (Haye Thomas en Alexander Münninghoff) en bekende parlementair journalisten.
Freddy en Appie werden in Den Haag ‘meneer Freddy’ en ‘meneer Appie’ genoemd, nazaten van oprichter Albert Sijthoff. Ze koesterden de Haagsche Courant nog als een ‘volksblad voor alle standen’, een van de weinige kranten die in het toen verzuilde Nederland niet aan een religie of politieke groep waren verbonden. Ze drukten hun stempel op allerlei manieren op de krant. Ze deden wel eens een kopsuggestie en deinsden er evenmin voor terug de krant met de eigen auto na te bezorgen. Maar ze deden ook grote deals zoals de overname van de PZC en het Rotterdams Nieuwsblad.
Op het hoogtepunt was de omzet 250 miljoen gulden, weet Willem Sijthoff, die zelf in het administratiekantoor zat waarin de familieleden hun belangen hadden gebundeld.
Toen Freddy Sijthoff in 1983 uit de directie stapte, was de glorietijd van deze krant al voorbij. De Haagsche Courant verloor aan autoriteit en oplage. Freddy Sijthoff bleef nog tien jaar commissaris.
In 1994 besloten de Sijthoffs hun aandelen over te doen aan Wegener. Het was zakelijk gezien perfect getimed, maar ze waren zeer teleurgesteld toen Wegener de krant later samenvoegde met het AD.
(3-3-2009)
Will Van Selst (1936-2010)
Lang lichaam en sonore stem
Peter de Waard
De babyboomers zullen niet om hem heen hebben gekund, hoewel ze hem eigenlijk al waren vergeten. De lange acteur Will van Selst, die op 72-jarige leeftijd is overleden, was een televisiegezicht uit de tijd dat er nog maar twee kanalen waren. Met zijn sonore stem werd hij tot de klassieke school van Nederlandse acteurs gerekend, die Ko van Dijk als hun grote voorbeeld zagen. Zijn hoogtijdagen waren die als televisieacteur in de jaren zeventig, toen hij in bijna geen enkel televisiedrama ontbrak.
Hij speelde in een oneindige waslijst van series als De Glazen Stad, Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, meneer? (als Prins Tor van Sombrië), Hollands Glorie, Lijmen/Het Been, De Kleine Waarheid, (als de journalist meneer Griffioen) Villa des Roses, Mata Hari en de Waaldrecht. Hij deinde er niet voor terug om te moeten zingen, zoals in Hamelen. Zijn bekendste hoofdrol was ongetwijfeld die in de televisieklassieker Baron van Münchhausen. Maar hij schuwde experimenten niet. Hij speelde ook de rol van Henri Salvador in de eerste episodes van de geruchtmakende Fred Haché-show in 1972. In 2006 had hij voor de laatste keer een rol in een televisiedrama, een gastrol in de politieserie Baantjer.
Will van Selst begon zijn toneelloopbaan in 1958 bij gezelschap Puck. Later was hij verbonden aan de Nederlandse Comedie, Ensemble, het Rotterdams Toneel en Globe. In 1997 bracht hij met een kaal hoofd een van zijn laatste rollen op de planken: die van de miljardair Oliver Warbucks in de musical Annie. Zijn warme welluidende stem maakte hem bij uitstek geschikt voor deze rol van bullebak met een goed hart.
Veelgevraagd werd hij toen al niet meer. Hij maakte lange reizen en werd hobbykok. Hij had zelfs enige tijd een restaurant in Zandvoort. Maar een groot uitbater was hij niet. Van Selst werkte de laatste jaren nog als voice-over bij onder meer de serie Peppi en Kokki. Ex-Hamelen-collega’s Rob de Nijs en Loeki Knol toonden zich gisteravond geschokt door de dood van hun voormalige medespeler. Van Selst, die geboren was in Amsterdam, woonde in Haarlem. Hij zal zaterdag worden gecremeerd in Driehuis-Westerveld.
(25-2-2009).
Robert-Jasper Grootveld (1932-2009)
Grondlegger van hippe reputatie Amsterdam
Peter de Waard
Als geen ander was Robert Jasper Grootveld, die in de nacht van woensdag op donderdag op 76-jarige leeftijd overleed, het gezicht van de jaren zestig. De happenings op het Spui met Grootvelds kreten als Ughe, ughe, ughe, Klaas komt! en misselijk makende middenstandsmentaliteit ontbreken in geen enkel nostalgisch programma over deze tijd.
De zwartwitbeelden waarin hij figureert, staan bij wat oudere Nederlanders in het geheugen gegrift: Grootveld geschminkt en gekleed als ‘antirookmagiër’, bezwerend rondjes om Het Lieverdje lopend. Het was het symbolisch én hilarisch einde van de kleinburgerlijkheid van de wederopbouw.
Grootveld werd bekend als provo, hoewel hij volgens zijn biograaf Erik van Duivenvoorden (diens boek Magiër van een Nieuwe Tijd verscheen twee weken geleden) eigenlijk niet veel met de provobeweging had – behalve dan als inspirator. ‘De provo’s waren er tot zijn grote verdriet verantwoordelijk voor dat de happenings door de politie werden beëindigd.’
Grootveld was een nakomertje in een Amsterdams timmermansgezin. Met als opleiding alleen lagere school zocht hij in de jaren vijftig zijn heil in simpele baantjes: ijscoventer, glazenwasser en arbeider op de NDSM-werf.
Tijdens een fietstocht naar Parijs besefte hij dat hij geen aansluiting had bij het verzuilde klootjesvolk. ‘Sinds die tijd is hij op zoek geweest naar wat er precies met hem aan de hand was. En daar is hij nooit uitgekomen’, aldus Van Duivenvoorden.
In 1961 riep hij zichzelf uit tot antirookmagiër. Op affiches met reclame voor sigaretten zette hij een grote letter K, voor kanker. Van Duivenvoorden: ‘Grootveld was gefascineerd door de verslaving, omdat hij het als een vorm van onvrijheid zag. Verslaving aan roken, maar ook aan reclame.’
Een van zijn paradoxen was dat hij een kettingroker bleef (‘Ik ben exhibitionist’) en zich uiteindelijk zelfs heeft doodgerookt.
Zijn eerste manifestaties of happenings hield hij in een tot anti-rooktempel omgedoopte garage in Amsterdam, waar onder anderen Harry Mulisch en Ramses Shaffy naartoe kwamen. ‘Het was sensatie, want in die tijd was het in Amsterdam toch een dooie boel’, aldus een vriend.
Grootveld stak de tempel later in brand. Hij werd daarom gearresteerd. Niet voor het eerst en zeker niet voor het laatst – niemand in Nederland is zo vaak gearresteerd als Robert Jasper Grootveld.
Vanaf 1964 vonden de happenings plaats op het Spui waaraan, door toedoen van de provo’s, een einde kwam. Maar telkens als iets werd beëindigd, richtte hij wat nieuws op: het rotaprentenplan (met Aad Veldhoen verkocht hij prenten met afbeeldingen van naakten), de Klaasbank (een speakers’ corner in het Vondelpark, die was vernoemd naar zijn beschermheilige Sinterklaas), het Exotisch Kitsch Conservatorium op (met schilder Theo Kleij), of de Insekten-sekte/het deskundologisch laboratorium (met Max Reneman). Hij was voor provo ook de bedenker van het Witte Fietsenplan, voordat hij als lastpak naar Italië vluchtte.
In 1970 begon Grootveld als eerste Nederlander publiekelijk marihuana te verkopen aan de Wittenburgergracht. Daarna ging hij vlotten in elkaar zetten, waarop tuinen konden worden aangelegd. ‘Hij zag dat er in de stad geen groen meer was en dat kinderen geen speelruimte meer hadden. Zijn droom was enorme drijvende tuinen te creëren’, zegt een vriend.
Hij maakte die vlotten van blokken piepschuim die met synthetische doeken werden omwikkeld, waarna er aarde op kon worden gestort. Er is nog een klein stukje over dat in 2000 werd overgedragen aan stadsdeel Zeeburg.
Grootveld trouwde nooit en had ook geen kinderen. Wel nam hij een dochter aan. Zijn enige familielid was een neef. In 2003 werd hij in een verzorgingshuis opgenomen. Vorige week woensdag belandde hij in het ziekenhuis.
‘Hij was bang te stikken. Zo ver is het godzijdank niet gekomen’, aldus Van Duivenvoorden, die zegt dat Grootveld geen kunstenaar genoemd wilde worden. ‘Hij was een levenskunstenaar.’
Maar hij zal vooral worden herinnerd als de aanjager van de veranderingen in de jaren zestig, die nog altijd de hippe reputatie van Amsterdam bepalen.
(27-2-2009)
David Hartsema (1925-2009)
Tekstdichter van De Troubadour
Peter de Waard
Zangeres Lenny Kuhr weet nog precies waar en hoe ze tekstschrijver David Hartsema van haar winnende songfestivallied De Troubadour voor het eerst ontmoette. ‘Op een liedjesbeurs van Conamus, ergens in 1967. Ik was pas 17 en had een bandje mee met muziek. Maar in teksten was ik niet zo goed. Ik had voor een tientje een stand gehuurd op die beurs. Nico Knapper bracht mij in contact met Hartsema die naar mijn bandjes luisterde en een tekst meegaf van Westenwind, Oostenwind. En in de trein terug zette ik er muziek op. Een jaar later stuurde hij De Troubadour toe.’
Deze week overleed dichter, schrijver en aan het einde van zijn leven ook schilder David Hartsema (84). De in Zoutkamp geboren Groningen was heel zijn leven actief in het onderwijs – hij doceerde Engels en Nederlands in Heerenveen – maar schreef daarnaast ook zo’n 900 gedichten, maakte boekjes en televisieprogramma’s en vertaalde werk uit het Fries in het Nederlands.
Hij schreef ook de liedjes voor Lenny Kuhrs eerste album uit 1969. Na haar winst op het Eurovisie Songfestival ging zij samenwerken met andere tekstschrijvers als Willem Wilmink, Joost Nuisl en Herman-Pieter de Boer. ‘Maar de contacten met Hartsema zijn altijd gebleven. Ik heb nog gezongen toen hij de cultuurprijs kreeg van de stad Groningen.’
Kuhr noemt hem een schilderachtig figuur die expressief was in zowel woord als beeld. ‘Hij had een ernstige gedrevenheid en bleef altijd de leraar.’
Zijn zoon Jan Hartsema zegt dat zijn vader heel veel gedaan heeft naast zijn leraarschap. ‘Hij heeft nog programma’s gemaakt voor de NCRV over kerkjes. Hij was gelovig, hoewel hij nooit in de kerk kwam.’ Behalve voor Lenny Kuhr schreef hij nummers voor Loekie Knol, Lee Towers en Imca Marina. Zijn grootste afnemer was waarschijnlijk Liane Ablen, die veel teksten van hem zong in het Groninger streekdialect. Door die samenwerking ontstond het cabaretprogramma Wat anners, dat jarenlang op de regionale omroep Rono werd uitgezonden.
David Hartsema zal vandaag worden gecremeerd. Lenny Kuhr zal een lied ten gehore brengen. Maar niet De Troubadour.
(19-2-2009)
Loek Hulsman (1923-2009)
Eminence grise van het gedogen
Peter de Waard
’Er wordt net gedaan of criminaliteit iets verkeerds is. Criminaliteit is op zichzelf niets verkeerds. Het was crimineel om joden te verbergen, het was crimineel om homoseksuele handelingen te verrichten. Dus criminaliteit zegt niet of iets goed of fout is.’
Op 1 december stal professor Louk Hulsman nog de show op een ‘tribunaal’ over cannabis. Hij was 85 jaar oud maar had niets van zijn strijdvaardigheid ingeboet. Hulsman – een van de invloedrijkste criminologen die Nederland heeft voortgebracht – is vorige week in zijn woonplaats Dordrecht overleden, net nadat hij nog was voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Vrede.
Hulsman verwierf zijn grootste faam in de jaren zeventig als pleitbezorger voor de legalisering van softdrugs. Daarnaast was hij pionier van het abolitionisme: de stroming die afschaffing van het strafrecht voorstaat.
Hulsman werkte na de oorlog op het ministerie van Justitie, waar hij pleitte voor een humaner strafrecht. Daarna werd hij hoogleraar in Rotterdam, waar hij de juridische faculteit aan de Erasmus Universiteit opzette. Tegelijkertijd bewerkstelligde hij de hervorming van de reclassering en gaf rechters les in straftoemeting.
Zijn ideeën voor afschaffing van het strafrecht, zoals neergelegd in zijn in het Frans geschreven boek Peines perdues (Afschaffing van het strafrecht) maakte hem een wereldvermaard criminoloog.
In Nederland werd Huisman vooral bekend van de naar hem genoemde commissie die in 1968 de regering adviseerde over het drugsbeleid. De regering, met Van Agt op Justitie, nam het advies ter harte en schreef een brief aan de VN waarin Nederland zich verzette tegen een wereldwijd cannabisverbod.
Op 1 december vorig jaar werd in Den Haag nog een speciale bijeenkomst (‘tribunaal’) gewijd aan die episode. De éminence grise van het gedoogbeleid betoogde met verve dat Nederland altijd een gedoogbeleid had gehad voor softdrugs om een sterke illegale markt tegen te gaan. ‘Pas in de jaren zestig is de politie de Opiumwet gaan toepassen om een middel te hebben om de provo’s op te kunnen pakken.’
(4-2-2009)
Barones de Reuter (2005-2009)
Laatste telg van Reuters-familie
Peter de Waard
Er is nog het persbureau, maar er zijn geen telgen meer van de oprichters. Afgelopen zaterdag overleed Marguerite, barones de Reuter, op 96-jarige leeftijd. Zij was de laatste jaren al diverse keren getroffen door beroerten en woonde in een bejaardenhuis aan de Franse zuidkust.
Marguerite – door haar Engelse kennissen Daisy genoemd – was de weduwe van Oliver, de vierde baron van Reuter, wiens grootvader Paul Julius Reuter in 1851 in Londen het nieuwsagentschap Reuters oprichtte. Zijn standbeeld siert nog altijd de City van Londen vlak achter de Royal Exchange.
Met de dood van Marguerite sterft de naam Reuter uit, want zij had geen kinderen. Barones de Reuter, was een echte aristocrate die opera en ballet koesterde, graag bridge speelde, actief was in de liefdadigheid en tot ver na haar zeventigste nog een fanatiek skister was. Ze sprak dankzij haar Zwitserse achtergrond vloeiend vele talen en had volgens betrokkenen een engelachtige glimlach. Ze was zeer trots op haar adellijke titel en het feit dat ze de laatste afstammeling was van het zo roemrijke geslacht.
De aristocratische titel werd in 1871 aan de familie verleend door koningin Victoria. De Reuters waren oorspronkelijk afkomstig uit de Duitse stad Aken, waar Paul Julius twintig jaar eerder nieuws over de wereld ging verspreiden met behulp van postduiven en telegraafkabels.
Marguerite’s echtgenoot Oliver, de kleinzoon van Paul Julius, overleed al veertig jaar geleden. Marguerite werd in Zwitserland geboren maar verkreeg de Britse nationaliteit door haar huwelijk met Oliver.
Het persbureau is al lang geen familiebedrijf meer. Vorig jaar werd Reuters onderdeel van het conglomeraat Thomas Reuters Plc, waarin de familie nauwelijks nog aandelen heeft. Niettemin voelde Marguerite zich nauw betrokken bij het bedrijf.
Toen Reuters in 2005 vanuit Fleet Street in Londen verhuisde naar de nieuwe kantorenwijk Canary Wharf woonde ze persoonlijk de dankdienst bij die werd gehouden in St. Bride’s Church. Marguerite zal worden gecremeerd in Lausanne, dicht bij haar ouderlijk huis.
(28-1-2009)
Berry Withuis (1919-2009)
Genie van de schaaksimultaan
Peter de Waard
Schakers lijken soms vooruit te denken over hun dood. Vorig jaar overleed Bobby Fischer tijdens het Corus Chess Tournament. Tijdens deze editie deed Berry Withuis (89) zijn laatste zet. Hij was niet alleen een van de illustere figuren in de Nederlandse schaakwereld, maar ook een fanatiek CPN’er en propagandist van de vredesbeweging.
Withuis stierf in Zutphen, de streek waar hij ook geboren werd. Maar heel jong verhuisde hij al naar Amsterdam waar hij woonde aan de Witte de Withstraat. Nadat Max Euwe in 1935 wereldkampioen werd, nam het schaken een grote vlucht in Nederland. Overal vonden internationale toernooien plaats en de jeugd nam massaal plaats achter het schaakbord. Maar serieuze schaakverslaggeving was er nog niet. Withuis besloot na de oorlog schaakbulletins uit te geven met de verslagen van de partijen. Vanzelf kwam hij daarmee in de persdienst terecht van vrijwel alle grote toernooien in Nederland: van het Hoogovens Toernooi (nu Corus) tot de toenmalige toernooien van IBM, Interpolis en Ohra. Rond deze toernooien organiseerde hij schaaksimultaans, waarbij schaakamateurs konden aantreden tegen grootmeesters als Larsen, Botwinnik en Donner. Heel bekend waren de V&D-simultaans, waar grootmeesters zoveel speelden dat ze vermoeid achter het bord zaten als het erom ging. Withuis was zelf een hoofdklasseschaker die de wereldtop niet haalde. ‘Hij was vooral tactisch heel goed. Dat kwam hem goed van pas tijdens simultaans waar hij mensen makkelijk foutjes kon laten maken’, aldus zijn collega Ton de Vreede die dertien jaar met hem samenwerkte. Als organisator was Withuis vaak een chaoot, maar hij had met zijn echtgenote Jenny altijd een bekwame rechterhand.
Withuis verloochende nooit zijn CPN-idealen. Mensen die hem niet aanstonden, waren al gauw een fascist. ‘Hij had een enorm netwerk over de hele wereld en hoewel hij nooit in het organisatiecomité zat, had hij wel degelijk invloed op de uitnodigingen.’ Withuis was ook een bekend schaakjournalist die onder meer voor de Volkskrant werkte. Daarnaast was hij pionier van het schoolschaken in Nederland met zijn pionnen- en torendiploma’s.
(21-1-2009)
Kick Stockhuyzen (1930-2009)
Typisch een presentator uit de jaren zeventig
Peter de Waard
Hij heeft veel gedaan voor televisie, maar Kick Stokhuyzen zal toch vooral worden herinnerd als het charmante gezicht van de studentenkwis Tweekamp, die de NCRV in de jaren zeventig uitzond en waar intellectuele jongelingen uit betere milieus na twee noten de muziek van Tsjaikovski herkenden of de 18de president van de VS konden benoemen.
Stokhuyzen, met zijn olijke lach en kalende hoofd, straalde de autoriteit uit van de onbetwiste allesweter. Maandag overleed hij op 78-jarige leeftijd aan een hersenbloeding. Toen Stokhuyzen met deze kwis stopte was Tweekamp voorbij. Tenminste in Nederland. Want bij de BBC is University Challenge met Jeremy Paxman nog altijd een briljant programma.
In Nederland kreeg Stokhuyzen nieuwe kenniskwissen te presenteren, zoals Herkent u deze melodie? en Herkent u deze tijd? Zijn biologiekwis Ja Natuurlijk trok op het hoogtepunt 3,5 miljoen kijkers.
Kick Stokhuyzen werd geboren in het huidige Indonesië. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef hij in een Jappenkamp, waar hij als kleine jongen lijken moest afvoeren. Die periode zou een blijvend litteken opleveren. Nog dit jaar schilderde hij bij een herdenking de Japanners af als een tiranniek volk dat nooit het boetekleed had willen aantrekken.
Na zijn komst naar Nederland studeerde hij economie in Amsterdam. Hij speelde bij de studententoneelvereniging waar hij zijn latere levenspartner actrice Annet Nieuwenhuijzen ontmoette. Bij toeval kreeg hij een kans om voor de NCRV quizmaster te worden. Trouw-televisierecensent Ruud Verdonk beschreef hem ooit als een keurige jaren zeventig-presentator: ‘een kruising tussen een drogist en een autoverkoper’.
Ondanks zijn enorme status in Hilversum bleef televisie voor Stokhuyzen altijd een bijbaan. Zijn echte werk was die als econoom bij computergigant IBM. In 1983 was zijn televisiecarrière voorbij toen hij bij IBM promotie maakte.
Stokhuyzen zat tot 2002 voor de VVD in de gemeenteraad van Voorburg. Daarnaast sprak hij Walt Disney-tekenfilms in. Voor omroep MAX presenteerde hij in 2006 nog de TV Comeback Show. De laatste jaren runde hij samen met zijn zoon wijnhandel de Wijnstok in de Herenstraat in Rijswijk.
(14-1-2009)
Henk Wortmann (1922-2009)
De priester van de Vondelkerk
Peter de Waard
Ezelskerk en flikkerkerk. In 1969 wordt de kerk van het Allerheiligst Hart van Jezus, beter bekend als de Vondelkerk, met deze termen beklad nadat pastoor Henk Wortmann het gebouw als accommodatie heeft aangeboden voor de uitreiking van de P.C. Hooftprijs aan de schrijver Gerard Reve. Zijn ex-vrouw Will Jansen (80) heeft nog foto’s waaruit het ongenoegen van sommige katholieken blijkt.
Wortmann (86) is op 4 januari overleden, maar zijn naam zal altijd gelieerd zijn aan deze unieke gebeurtenis. Reve (dan nog: Van het Reve) schokt het katholieke deel van de natie met uitspraken over het geloof. Ook is er een optreden van de Zangeres zonder Naam, de held van de schrijver.
Televisiemaker Hans Keller maakt er een legendarische uitzending van, die zoveel stof doet opwaaien dat de eigen parochie Wortmann dwingt de kerkgangers om vergeving te vragen. Hij zou er niet meer overheen komen. Hij trouwde in 1971 met Will Jansen en verhuisde naar Zwolle, waar hij later docent catechese werd aan een christelijke pedagogische academie. Will Jansen is er nog altijd boos over. ‘Iedereen liet ons in de steek: van de deken van Amsterdam tot Gerard Reve zelf. Die liet nooit meer iets van zich horen.’
De in Groningen geboren Henk Wortmann wordt in 1947 tot priester gewijd. In 1963 wordt hij pastoor van de Vondelkerk in Amsterdam. Hij begint een relatie met Will Jansen – al moeder van vijf kinderen – die steeds serieuzer wordt. Na zijn huwelijk wordt hij gedwongen uit het priesterambt te treden. Het echtpaar gaat pionieren in de allereerste Bijlmerflat (Hoogoord). Jansen: ‘Maar we hadden vijf opgroeiende kinderen en er moest brood op de plank komen. In Amsterdam was hij niet meer welkom, waarna we naar Zwolle zijn verhuisd.’ Hier is Wortmann van 1974 tot 1981 lid van de gemeenteraad voor de PPR.
Het huwelijk met Will Jansen strandt in 1989. Wortmann trekt daarna tijdelijk in bij de paters dominicanen, waar hij zich sterk toe aangetrokken voelt. Later gaat hij toch weer zelfstandig wonen. Vandaag zal Wortmann in Zwolle worden gecremeerd.
(8-1-2009)
Alfred Shaheen (1922-2009)
Aloha-shirt als modeartikel
Peter de Waard
Net na de Tweede Wereldoorlog wekte een toerist die met een kakelbont bloemrijk Hawaii-shirt thuiskeerde, vooral de lachlust van de achterblijvers op. Maar twintig jaar later was het aloha-shirt een hip modeartikel dat werd omarmd door film- en popsterren.
Textielentrepreneur Alfred Shaheen, die vorige week op 86-jarige leeftijd overleed, heeft met het shirt een moderne Hawaiiaanse-confectie-industrie gecreëerd. Nu is het shirt met zijn kenmerkende motieven, korte mouwen, boordje en knopen het belangrijkste exportartikel van de eilandengroep.
Shaheen was met zijn ouders vlak voor de oorlog vanuit New Jersey in Hawaii neergestreken, waar zijn vader een modezaak begon. In de Tweede Wereldoorlog werd hij piloot in het Amerikaanse leger en voerde talrijke operaties boven Europa uit. Na terugkeer opende hij in 1948 zijn eigen Shaheen’s of Honolulu, een textielonderneming die aloha-shirts van hogere kwaliteit ontwierp, bedrukte en produceerde. Elvis Presley droeg zijn aloha-shirt voor de hoes van het in 1961 verschenen soundtrack-album Blue Hawaii. Politiedetective Magnum ving er boeven mee op televisie.
Tegenwoordig wordt meer dan duizend dollar geboden voor originele Shaheen-shirts. Voordat Shaheen begon was er eigenlijk geen Hawaiiaanse confectie-industrie en waren er hooguit enkele kleine, meestal door Chinese immigranten gerunde ateliers waar merkloze shirts met gele zonnen en groene palmen voor de souvenirindustrie werden gemaakt. Shaleen maakte er een modeartikel van dat zelfs bij officiële gelegenheden niet misstond.
Shaheen’s patronen bestonden uit drie tot vijf basiskleuren uit een palet van meer dan duizend die door professionele artiesten met de hand op zijden stoffen werden aangebracht. Daarna maakten naaisters op basis van dit ontwerp er katoenen, polyester of zijden eindproducten van.
Nadat Hawaii in 1959 de vijftigste staat van de Verenigde Staten werd en het isolement kon worden doorbroken, werd het shirt een wereldwijd succes. In 2006 werd Shaheen uitgeroepen tot een van de meest invloedrijke mensen van Hawaii.
(6-1-2009)
Siebrand Bakkenist (1914-2008)
Medevormgever van naoorlogs Nederland
Peter de Waard
Hij was kop van Jut van de vakbonden, medearchitect van Akzo en oprichter van een van de bekendste Nederlandse consultancybureaus.
Siebrand Bakkenist, die 28 december op 94-jarige leeftijd in Blaricum overleed, heeft zijn stempel op het naoorlogse Nederland gedrukt: als adviseur van vele bedrijven en instellingen, als bestuurslid van Akzo, als voorzitter van de werkgeversorganisatie VNO, als penningsmeester van de Nederlandse Sport Federatie en als bestuurslid van Nijenrode.
De geboren Amsterdammer die in een eenvoudig middenstandsgezin opgroeide, richt in de oorlogsjaren na een studie economie een eigen adviseursbureau op aan het Rokin. Hij organiseert van hieruit onder meer de voedselvoorziening voor de ondergrondse. Na de oorlog groeit het bureau uit tot de toonaangevende consultancy-firma Bakkenist, Spits & Co die in 1999 door Deloitte & Touche wordt overgenomen nadat het bedrijf in opspraak is geraakt in de affaire rond de Groningse procureur-generaal Steenhuis.
Bakkenist zou in 1964 toetreden tot de directie van het latere Koninklijke Zout-Organon. Hij staat hiermee aan de basis van de fusie met de Algemene Kunstzijde Unie (AKU) in 1969, waardoor de nieuwe multinational Akzo wordt gecreëerd. Bakkenist wordt zelf vicevoorzitter van de raad van bestuur van het nieuwe chemiebedrijf. Die functie zou hij tot 1977 vervullen.
In 1970 wordt hij daarnaast voorzitter van de werkgeversorganisatie VNO – op dat moment nog een parttimebaan. In zijn periode als werkgeversvoorzitter radicaliseerden de vakbonden. Harry ter Heide, die in 1971 André Kloos als voorzitter was opgevolgd, moet een jaar later al plaats maken voor Wim Kok, nadat de industriebond onder leiding van Arie Groenevelt zich gekeerd had tegen het centraal akkoord over de loonvoorwaarden. Bakkenist vindt eigenlijk dat de werkgevers onder druk van de regering al veel te ver zijn gegaan met de loonsverhogingen.
De industriële aftakeling wordt begin jaren zeventig al duidelijk zichtbaar en de naoorlogse consensus heeft afgedaan. Zo wil Akzo de verliesgevende vestiging in Breda sluiten. De bonden keren zich hier fel tegen. In een interview met het VNO-blad Forum stelt Bakkenist dat veel conflicten in de persoonlijke sfeer werden getrokken. ‘Tijdens de demonstraties tegen de sluiting van Akzo Breda werden spandoeken meegedragen met de tekst: Bakkenist in de kist.’
Zijn strijdvaardigheid laat hij blijken door zich voor het blad Elsevier met een jachtgeweer te laten fotograferen. ‘Ik zal ze wel effe aanpakken.’
Niet alle werkgevers stellen die houding op prijs. In 1973 moet Bakkenist opstappen. Joop Bartels wordt de nieuwe VNO-topman maar die gaat een jaar later al weg als hij door zijn collega’s juist te royaal wordt gevonden.
Uiteindelijk wordt Chris van Veen de eerste fulltimevoorzitter. ‘Bakkenist had al de aanzet gegeven tot de professionalisering van de werkgeversorganisaties en zag erop toe dat ze gezamenlijk een vuist gingen maken, ook in de publiciteit, en één gezicht naar buiten kregen. Dat is zeker zijn verdienste geweest’, aldus een VNO-woordvoerder.
Van Veen herinnert zich Bakkenist als iemand die compromisloos was. ‘Hij kwam niet van zijn standpunten terug. Hij stond voor de rentabiliteit van de bedrijven.’ Van Veen zou in 1982 samen met Wim Kok in Wassenaar het consensusmodel herstellen.
(3-1-2009)
Lenze Meinsma (1925-2008)
Klokkenluider pas laat gehoord door natie van tevreden rokers
In de jaren zestig was hij een roepende in de woestijn. Dokter Meinsma, die vorige week vrijdag op 85-jarige leeftijd overleed, wekte vooral de lachlust op met zijn strijd tegen het roken. Het was de tijd dat de tafels nog getooid waren met sierasbakken en de rookwaren gepresenteerd werden in glaswerk, als waren het borrelnootjes.
Meinsma begon zijn strijd toen roken nog ontspannend was. Het stond zelfs symbool voor vrijheid, vitaliteit en jeugdigheid. Bijna 90 procent van de mannen rookte: ambtenaren achter het loket, onderwijzers voor de klas en dokters in de spreekkamer.
Toen Meinsma in 1963 voor het eerst publiekelijk riep dat roken het risico op longkanker vergrootte, haalde Nederland de schouders op. Zijn guerrilla werd niet serieus genomen. Het zou jaren duren voordat de rokers begonnen te luisteren en te beseffen dat er heel misschien echt een relatie was tussen roken en kanker. De overheid zou pas in 1974 heel aarzelend volgen met waarschuwingen, maar het duurde tot 1980 voordat een verbod op tabaksreclame op televisie werd afgekondigd. En nu mag in publieke ruimten nergens meer gerookt worden en is het asociaal om op verjaardagen ook maar een sigaret binnenskamers vast te houden.
Lenze Meinsma werd geboren in Makkum. Vlak na de oorlog begon hij met de studie medicijnen in Groningen om er te promoveren op een proefschrift over de gezondheidsrisico’s van roken.
In 1953 werd hij directeur van het Koningin Wilhelmina Fonds (KWF) Kankerbestrijding. Op dat moment waren er al internationaal onderzoeken gepubliceerd over een relatie tussen roken en kanker. In de jaren zestig werd hij met zijn campagne tegen het roken een nationale bekendheid. Hij was net als majoor Bosshardt of Roel van Duijn – andere iconen uit die tijd – niet van het tv-scherm te branden.
Maar niet iedereen was het met hem eens. Niet alleen het grote publiek beschouwde hem aanvankelijk als een kwakzalver, ook zijn vakgenoten hadden twijfels. Toen de Nederlandse Spoorwegen het roken in de restauratie wilden verbieden, reageerden passagiers woedend. ‘Wie is die zot?’ Hij werd vergeleken met het type vandaal dat de republiek wilde uitroepen, aldus ingezonden brieven in kranten. Het duurde tot 1974 voor de overheid subsidies verstrekte aan antirookcampagnes.
Meinsma zou in 1978 opstappen bij KWF Kankerbestrijding nadat hij uiteindelijk instemming had gekregen van bijna de voltallige beroepsgroep en gehoor had gevonden bij het ministerie van Volksgezondheid. ‘Met zijn gedrevenheid heeft hij de gevolgen van roken en longkanker op de kaart gezet’, meldde het KWF. Volgens zijn familie was Meinsma aan het eind van zijn krachten.
(24-12-2008)
Jan van Gooswilligen (1935-2008)
Van hockeyrebel tot weldoener
Peter de Waard
Hij was een animator en uiteindelijk ook een weldoener. ‘Maar het meeste recht zal je Jan van Gooswilligen doen door hem een rebel te noemen, een hockeyrebel. Hij was lid van de rebellenclub’, zegt Jelle van der Zee, voormalig medespeler bij zijn club SCHC in Bilthoven.
Jan van Gooswilligen (73) overleed afgelopen vrijdagavond aan alvleesklierkanker in zijn woonplaats De Wijk. Van Gooswilligen speelde tussen 1958 en 1964 58 keer voor het Nederlands elftal, waarvan 38 keer als aanvoerder. Hij was toen speler van SCHC – met 2.100 leden nog altijd de grootste club van het land – waarmee hij in 1959 landskampioen werd.
Jan ‘Goos’, zoals hij dan wordt genoemd, maakte deel uit van het Bilthovense viertal dat aan de vooravond van de Olympische Spelen van Rome 1960 dreigde te vertrekken als de vijfkoppige elftalcommissie de dienst zou blijven uitmaken. ‘De Michiels van het hockey – Rein de Waal – was in 1956 opgestapt. Nederland werd als hockeyland overtroefd door India en Pakistan. De spelers wilden een echte coach. Uiteindelijk werd een team benoemd met voetballer Hans Kraay sr. als conditietrainer’, herinnert Van der Zee zich.
Tijdens de Olympische Spelen van Tokio in 1964 kreeg de gefrustreerde Van Gooswilligen een straf nadat hij na de wedstrijd tegen Japan ‘three cheers voor de spleetogen’ had geroepen.
Daarna stopte hij met hockey en werd hij uroloog in Meppel en pionier op het gebied van sportgeneeskunde. Hij promoveerde op een proefschrift over het effect van sporttraining op militairen. Hij is oprichter van de Vereniging voor Sportgeneeskunde in Nederland, introduceerde met Medifit bedrijfsfitness en startte een Sport Medisch Adviescentrum.
Vanaf 1997 tilde hij met de stichting Nepalimed een ziekenhuis in het Nepalese Dhulikhel van de grond, met buitenposten op grote hoogten. Zijn echtgenote Ammy, eveneens een arts, verzorgt daar een opleiding voor assistent-vroedvrouwen. In het kader van fondsenwerving organiseerde Van Gooswilligen in Nederland een Charity Golfdag, waarop sportsterren als Marco van Basten en Leo Beenhakker meespeelden.
(23-12-2008)
Martha ‘Sunny’van Bulow (1932-2008)
Een fameuze comapatiënte
Peter de Waard
Ze lag drie decennia in coma, maar bleef niettemin altijd in het nieuws. Nooit zal de steenrijke Amerikaanse erfgename Martha von Bulow, alias Sunny, zelf kunnen zeggen of haar man Claus von Bulow heeft getracht haar om haar geld te vermoorden met insuline-injecties.
Van die verdenking is hij vrijgesproken. Maar door de dood van zijn vrouw, op 76-jarige leeftijd, zal het schandaal van de jaren tachtig weer worden opgerakeld. Claus von Bulow (82), soms nog actief als theater- en boekenrecensent in Londen, zal ermee moeten leven. De rechtszaken werden in 1990 verfilmd in het met Oscars bekroonde Reversal of Fortune met Glenn Close en Jeremy Irons.
Martha ‘Sunny’ von Bulow was de dochter van de Amerikaanse tycoon George Crawford. Ze trouwde met de Oostenrijkse prins Alfred von Auersperg, van wie ze twee kinderen kreeg – en de titel prinses. Toen deze playboy haar in de steek liet, hertrouwde ze met de Deen Claus von Bulow, destijds een assistent van J. Paul Getty jr. Uit het huwelijk kwam een dochter voort.
Het drama speelde zich af rond de kerstdagen van 1980. De toen 48-jarige Sunny, die bekend stond als alcoholiste en drugsgebruikster, werd buiten bewustzijn in de badkamer van haar villa in Rhode Island aangetroffen. In het ziekenhuis constateerden artsen een zware hersenbeschadiging.
Ze kwam niet meer bij kennis en kon alleen worden gevoed door een maagsonde. De politie concludeerde na onderzoek dat Claus von Bulow haar een overdosis insuline moest hebben toegediend. Von Bulow werd in 1982 wegens poging tot moord veroordeeld, maar in 1985 in hoger beroep vrijgesproken. De zaak was destijds even sensationeel als die rond de vorige week veroordeelde O.J. Simpson.
Claus von Bulow gaf later alle aanspraken op haar deel van het familiefortuin van 14 miljoen dollar op, evenals een jaarlijkse toelage van 120 duizend dollar. Hij verhuisde naar Londen, waar hij nog jaren een bekende society-figuur was. Zijn dochter Cosima (41) is nog altijd gebrouilleerd met de kinderen uit Sunny’s eerste huwelijk die de verdenkingen van poging tot moord uitten.
(8-12-2008)
Fritz Behrendt (1925-2008)
Einzelgänger groeide uit tot cartoonist van Koude Oorlog
Peter de Waard
Op het jaarlijkse dinertje van politieke tekenaars in Nederland maakte cartoonist Frits Müller na de val van de muur een bekende grap: ‘Waar is Fritz Behrendt?’ ‘Oh, die is zijn applaus in Rusland aan het ophalen.’
Fritz Behrendt was er nooit. ‘Hij was een loner’, zegt collega Jos Collignon. ‘Een tekenaar met een moralistische boodschap. De donkere wolken komen uit het oosten. Geestig was hij nooit.’ Behrendt overleed donderdag op 83-jarige leeftijd in zijn woonplaats Amstelveen, waar tot op het laatst bleef tekenen. Behrendt was na de dood van Opland en Frits Müller de laatste van de oude generatie politieke tekenaars in Nederland. Hij werd geboren in Berlijn in 1925. In 1936 zag hij Hitler en tekende hem met samengeperste lippen en boze blik.
Een jaar later verhuisde het gezin naar Nederland. Behrendt ging studeren voor banketbakker en haalde in 1941 zijn diploma. Zijn vader werd als Duitsvijandig opgepakt. Ook Fritz zelf verbleef vlak voor het einde van de oorlog nog in een Duitse politiecel.
Door de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde Behrendt linkse sympathieën. In 1947 vertrok hij als lid van het Algemeen Nederlands Jeugd Verbond (ANVJ) naar het Joegoslavië van Tito, waar hij ging werken aan een nieuwe spoorlijn. Hij verdiende er de orde van de socialistische arbeid mee en een uitnodiging voor een studie aan de Kunstacademie in Zagreb. Twee jaar later vertrok hij naar Oost-Berlijn om er te gaan werken aan de opbouw van de DDR.
Maar nadat president Tito het bij Sovjet-leider Stalin had verbruid in het zogenoemde Kominform-conflict (waarbij Joegoslavië uit het Oostblok werd gestoten) werd hij in 1949 door de Stasi opgepakt en als Titoïst zes maanden opgesloten.
In 1950 keerde hij gedesillusioneerd terug in Nederland. Hij werd tekenaar voor het Algemeen Handelsblad, maar wist al snel ook cartoons te verkopen aan buitenlandse media zoals Der Spiegel, Time, Punch en de Herald Tribune . Na de fusie met NRC verruilde hij het Handelsblad voor Het Parool.
In de Koude Oorlog koos hij partij voor de Amerikanen. Revolutionaire volksbewegingen die populair waren bij veel linkse mensen, zag Behrendt als marxistische dictaturen. In 1988 zette Het Parool hem buiten de deur, waarop De Telegraaf hem meteen contracteerde.
Behrendt heeft in zijn lange carrière meer Nederlanders beïnvloed dan alleen de lezers van de kranten waar hij voor werkte. Veel van zijn tekeningen werden opgenomen in de studieboeken voor het geschiedenisonderwijs, zoals De Wereld in Wording. Zo had hij invloed op de hele babyboomgeneratie.
Over de geschiedenis bleef hij altijd vertellen, zeker aan scholieren die hem daarom vroegen. Juist deze maand verschijnt een cd-rom met 2.250 tekeningen, bestemd voor het onderwijs.
(6-12-2008)
Norbert Schmelzer (1921-2008)
De zware rugzak van een gladde teckel
Peter de Waard
Het was net een scène uit een film, zei zijn weduwe Daphne Schmelzer (61). Vorige week dinsdag herdacht de Tweede Kamer in het bijzijn van de kinderen het KVP-kopstuk Norbert Schmelzer. ‘En precies op dat moment zette ik de urn met as bij in het familiegraf in Saarland.’
De op 14 november overleden Schmelzer (87), bijgenaamd de gladde teckel, woonde de laatste vijf maanden van zijn leven in een appartement in het Duitse Sankt Ingbert. Hier, vlakbij de grens met Frankrijk, kwam zijn vader, de bankier Klaus Wilhelm Schmelzer, vandaan. ‘Weer thuis was hij het gelukkigst. Eigenlijk was hij geen echte Nederlander. Norbert was Europeaan’, stelde ze vast.
Voor zijn politieke en andere vrienden in Nederland had ze afgelopen zaterdag een dankdienst georganiseerd in de Goede Herder in Wassenaar. Huisvriend monseigneur Bär ging voor in de plechtige eucharistieviering, want Schmelzer was in de woorden van de voormalig bisschop van Rotterdam behalve ‘een uitermate wijs’ een ‘diepgelovig’ mens.
Van de ministers van het kabinet-Cals dat hij in de naar hem genoemde Nacht in 1966 ten val bracht, leeft er nog maar één (de latere premier Piet de Jong), van de ministers in het kabinet-Biesheuvel waarvan hij zelf deel uitmaakte nog een stel (Roelof Nelissen, Dries van Agt, Chris van Veen, Berend Jan Udink, Harry Langman en Jaap Boersma), maar het waren vooral politici van na die tijd (Hans Wiegel, Bram Peper, Henk Vonhoff, Onno Ruding, Hans van den Broek en Frans Andriessen) die de dienst bijwoonden. Namens het kabinet was Maxime Verhagen er. In de lijst met namen van mensen die door zijn weduwe expliciet werden bedankt, stonden geen politici – behalve dan die van Schmelzers politieke medestrijders van het eerste uur: Harry Notenboom en Cor Kleisterlee – maar buren, vrienden en artsen.
Over Schmelzers leven ligt meer dan de ene schaduw van die fameuze Nacht. Er is ook de schaduw van zijn privéleven. Hij torste een zware rugzak mee, stelde Daphne tijdens haar in memoriam: ‘Twee van zijn kinderen overleden, een ander kind was zwaar gehandicapt en hij werd bedrogen in zijn eerste huwelijk.’ Zijn eerste vrouw, Carla Mutsaerts, hertrouwde met toenmalig CHU-fractievoorzitter Jur Mellema, nota bene een van Schmelzers nauwste politieke bondgenoten.
Niettemin klaagde Schmelzer nooit. ‘Zijn vriendelijkheid was geen pose of doortraptheid zoals de buitenwereld vermoedde. Hij was echt zo – een vechter en verzoener op zoek naar harmonie. ‘Als ik irritant ben, dan komt het omdat ik nooit wil exploderen’, zei hij. Hij combineerde zijn liefde voor poëzie, muziek en esthetiek met een enorme energie’, aldus zijn tweede vrouw Daphne: ‘Ik was blij dat ik 26 jaar jonger was, want anders had ik hem nooit bij kunnen benen.’ Ondanks zijn ijzeren zelfdiscipline – ochtendgymnastiek, nooit meer dan anderhalve glas rode wijn per dag – moest hij in 1994 een open hartoperatie ondergaan en stortte hij in 2001 fysiek in. In juli van dit jaar ging hij terug naar zijn roots. En in november werd geconstateerd dat een tumor achter zijn longen hem bijna al had opgevreten. Zijn laatste woorden waren, zo zei Daphne: ‘Ik ben bevoorrecht en... grote liefde’.
(1-12-2008)
Herman Kuiphof (1919-2008)
Kuiphof interviewt Johan Cruyff, bondscoach George Kessler en Klaas Nunninga
Voetbalcommentator als heer van stand
Drie maanden geleden legde hij mij tijdens een interview nog het verschil uit tussen de traptechniek van twee beroemde midvoors uit het begin van de jaren zestig: Tonny van der Linden van DOS en Dick Tol van Volendam. Herman Kuiphof, woensdag op 89-jarige leeftijd in zijn woonplaats Soest overleden, bleef tot het einde van zijn leven een voetbalanalyticus, iemand die je geen groter plezier kon doen dan met een seizoenkaart van FC Utrecht.
Kuiphof was de eerste echte televisie sportverslaggever van Nederland. ‘Vóór hem waren er alleen radioverslaggevers die tv erbij deden’, zegt regisseur Martijn Lindenberg, die toen als jong broekje bij NTS Sport kwam. Kuiphof was zelf afkomstig van de VPRO. Hij was een heer van stand.
Kees Jansma mocht in 1966 met hem mee naar het WK in Engeland. ‘Ik sprak hem keurig aan als ‘mijnheer Kuiphof’. De gezagsverhoudingen in de sportverslaggeving lagen toen duidelijk. Lindenberg: ‘Kuiphof zei altijd: dit doe ik, en de rest is voor Koen’, waarbij hij doelde op de in 1989 overleden Koen Verhoeff, toen de tweede voetbalman van de NOS.
Mart Smeets, ook net in dienst: ‘Hij was de duidelijke nummer één. Daarna kwam Koen, dan Theo Reitsma en ten slotte Hugo Walker. Ik keek altijd met ademloze bewondering naar de wijze waarop hij zijn boterhammen uit een papieren zakje haalde.’
Kuiphof, die altijd in een Porsche reed, hield ook afstand van de voetballers. Hij was volgens zijn oud-collega’s een uitgesproken vakman. Smeets: ‘Hij was nog echt een journalist – iemand die altijd met zijn taalgebruik bezig was. Hij zag niet goed. Volgens mij heeft hij het winnende doelpunt van Feyenoord in de Europa Cup-finale van 1970 niet gezien, net zo min als de vijf Ajax-doelpunten in de mistwedstrijd tegen Liverpool. Maar in die tijd werd je dat vergeven.’
Pas in 1978 vond hoofdredacteur Bob Spaak dat Kuiphofs zicht (-9) te slecht was geworden voor het verslaan van de WK-finale Nederland - Argentinië. Theo Reitsma deed dat toen. Kuiphof zou als tennisverslaggever en columnist van onder meer NRC Handelsblad nog jaren actief blijven.
Sport was behalve werk ook hobby. Jansma heeft veel met hem getennist, getafeltennist en gevoetbald. ‘Hij riep op het veld altijd naar mij, naar mij. Hij kon enorm hard schieten met links, maar de ballen gingen meestal naast. Hij was wel een betere tennisser.’
De in Friesland geboren Kuiphof begon zijn carrière in 1938 als leerling-verslaggever bij het Haagse dagblad De Nederlander. Daar bleef hij – afgezien van een korte onderbreking in de oorlog – tot 1961 toen hij overstapte naar de televisie. Toen later voetbalwedstrijden live werden uitgezonden, werd Kuiphof commentator.
Hij viel met zijn neus in de boter, omdat het Nederlands voetbal grote successen beleefde met de Europa Cups van Feyenoord en Ajax en het legendarische WK van 1974 in Duitsland. Kuiphofs frases werden gemeengoed. Toen hij de naam van de Zweedse Feyenoordspits Ove Kindvall correct in het Zweeds uitsprak als ‘Tsjiendval’, kreeg hij de bijnaam ‘Tsjuiphof’.
Fameus werd ook zijn reactie na de winnende Duitse goal van Gerd Müller in de WK-finale: ‘Zijn we er toch ingetuind...’ Kuiphof ontkende later dat dit een verwijzing zou zijn geweest naar de oorlog, maar zei dat hij ermee bedoelde dat Nederland ten onder was gegaan aan zijn eigen arrogantie.
(21-11-2008)
Pierre Huijskens (1931-2008)
Dromer, rebel en bon vivant
Peter de Waard
Waar Pierre Huyskens was, was er ook een rel of een affaire. De gisteren op 77-jarige leeftijd in Roermond aan kanker overleden journalist en publicist was decennia lang een van van de kleurrijkste figuren in de Nederlandse media.
Hij werd door de Volkskrant in 1960 buiten de deur gezet nadat hij bleek te schnabbelen bij een VARA-televisieprogramma – toen nog een doodzonde. Hij wordt in 1972 tot grote woede door De Telegraaf tot hoofdredacteur van de dochter Limburgs Dagblad geparachuteerd, verdwijnt drie jaar later en leidt in de jaren tachtig bij Elseviers Magazine een opstand tegen toenmalig hoofdredacteur Ferry Hoogendijk om zelf weer opzij te worden gezet. En passant richt hij ook nog een wielerploeg op – de Televizier-ploeg van Kees Pellenaars – is prins Carnaval en wordt in 2001 ereburger van Roermond.
Hoewel hij zichzelf omschrijft als dromer, is Huyskens in alle opzichten een journalistieke bon vivant – iemand die in de vroege ochtend graag een glaasje sherry naast zich had staan als hij zijn leesbrilletje opzette en uitgesproken standpunten uitte.
Zijn bourgondische levensstijl heeft veel met zijn katholieke achtergrond te maken. Huyskens wordt geboren in het Middenlimburgse Wessem. Na een opleiding bij de missionarissen volgt hij een cursus katholieke journalistiek, waarna hij achtereenvolgens werkt bij De Orgaan – de spreekbuis van het aartsbisdom – het Utrechts Katholiek Dagblad en vanaf 1954 bij de Volkskrant. Na zijn ontslag daar treedt hij voor de eerste keer in dienst bij Elsevier.
Na uitstapjes bij het omroepblad Televizier en het Limburgs Dagblad keert hij daar terug als verslaggever. In 1982 leidt hij een opstand tegen hoofdredacteur Ferry Hoogendijk, nadat de laatste grote politiek ambities binnen de VVD koestert. Het leidt ertoe dat hij drie jaar later zelf tot hoofdredacteur wordt gebombardeerd. Maar een kongsi van Sytze van der Zee en André Spoor schuift hem opzij. Huyskens wordt freelancer, iets wat hem als beroepsschnabbelaar niet moeilijk zou vallen. Zo schrijft hij folders voor Endemol, een mis in het Maaslands dialect en een klank- en lichtspel voor de lokale kerk.
(27-11-2008)
Jacques Piccard (1922-2008)
Laatste ontdekker van aardbol
Peter de Waard
Zijn er nog ontdekkingen te doen op de aardbol, nu de geografische Zuidpool is bereikt door mensen met één been en de Mount Everest is bedwongen door een blinde man?
De zaterdag op 86-jarige leeftijd overleden Zwitserse oceanograaf Jacques Piccard vond het laatste onbekende plekje. In 1960 slaagden Piccard en de Amerikaan Don Walsh er als eersten in het diepste punt van de aarde te bereiken. Met de bathyscaaf Trieste (een zelf ontworpen diepzeeduikboot die een druk van 1.000 atmosfeer kon weerstaan) doken zij naar de boden van de Marianentrog in de Grote Oceaan, tien kilometer en 961 meter onder de zeespiegel.
De zucht naar avontuur zit in de genen van de Piccards. Jacques Piccard was de zoon van de ballonvaarder Auguste Piccard, die in 1931 als eerste de stratosfeer bereikte door met een ballon naar een hoogte van 16 duizend meter te stijgen. Jacques’ zoon Bertrand Piccard maakte in 1999 de eerste non-stop ballonvlucht rond de wereld. Niet afgeschrikt door de afgekloven botten van de Amerikaanse miljardair Steve Fossett is hij nu van plan in 2011 solo non-stop rond de wereld te vliegen.
Piccard werd wel de laatste grote ontdekker genoemd. Volgens zijn zoon Bertrand ‘heeft hij van zijn vader de nieuwsgierigheid geërfd en het wantrouwen tegen bestaande dogma’s en algemeen aanvaarde veronderstellingen’. Behalve de Trieste ontwierp Jacques Piccard een duikboot voor toeristen die in 1964 tijdens een expositie 33 duizend belangstellenden naar de bodem van het Meer van Genève bracht.
Jacques Piccard werd geboren in Brussel en opgeleid in Gent waar hij economie en internationale betrekkingen studeerde. Sinds 1950 wijdde hij zich volledig aan het onderzoeken van de diepzee. Nadat hij tien jaar later het diepste punt op de aardbol had bereikt, zocht hij nieuwe uitdagingen. In 1969 bleef hij een maand met een duikboot onder water om de golfstroom op de Atlantische Oceaan te onderzoeken. Vorig jaar gaf hij nog een interview aan de Neue Zürcher Zeitung, waarin hij verklaarde graag astronaut te zijn geworden. Want op de aarde is nu eenmaal wel zo ongeveer alles ontdekt.
(3-11-2008)
Cornelis Putemmer (1956-2008)
Levenskunstenaar van beroep
Peter de Waard
‘Als je buiten de poorten van Hoorn geboren bent, ben je een buitenpoorter / als op Wieringen je ouders niet van daar komen dan ben je nog altijd ien van een vastelander / en als je niet op Texel geboren bent, dan ben je een badgast.’
Vorige week overleed op 52-jarige leeftijd de Hoornse stadsdichter Kees Aker, beter bekend als Cornelis Putemmer, aan een hersentumor. De naam Putemmer heeft hij te danken aan zijn vriend Christiaan Heydenrijk (61). ‘De Akers kwamen uit Andijk. Dat wilde hij in Hoorn niet laten blijken. Toen ik hem dertig jaar geleden een keer ontmoette in een café, vroeg ik hem wie hij was, antwoordde hij: ‘Putemmer’. Oké, dan noem ik je Cornelis. En zo is het gebleven’, zeg Heydenrijk.
Hoorn zou de plek blijven waar hij altijd terugkeerde. Maar hij zwierf vaak door India, Pakistan en Nepal. ‘In de hospice werd hij behandeld door een Afghaanse arts. Dat vond hij prachtig, want dan kon hij Hindi spreken.’
Aker had volgens Heydenrijk maar één beroep: levenskunstenaar. Hij heeft ooit gewerkt als boekhouder, maar dat was niets voor hem. Begin jaren tachtig had hij een televisiepiraat in Hoorn. Daarnaast schreef hij spotgedichten die werden gebruikt voor oudjaarsconferences in Hoorn. Later kreeg hij een programma op radio Hoorn. Aker zou nooit een vaste relatie hebben, hoewel hij veel vriendinnen had. Bij Putemmer stond de deur altijd open. Langzaam groeide hij uit tot een lokaal fenomeen. Altijd had hij een paar dichtregels voor mensen die hij ontmoette: ‘die herhalingen / dat zijn geen herhalingen / dat is een trukie / dan denken ze dat het rijmt.’
Uiteindelijk kreeg hij een baan als ‘allesdoener’ in het kunstcentrum de Boterhal en het Affichemuseum in de stad. In 2005 werd hij officieel door de gemeente benoemd tot stadsdichter. In een 25 coupletten tellend megagedicht zette hij duizend jaar Hoornse geschiedenis op rijm. Een jaar later werd hij ziek. Hij bleef ook in de hospice dichten:
‘Rond kunnen lopen, naar beneden gaan, stickie (nou ja, sigaretje met een puppeltje er van voren in gedouwd...) roken. En al die mensen die alsmaar komen, ik moet vroeger toch íéts goed hebben gedaan.’
(28-10-2008)
Hans Daudt (1925-2008)
‘Nederland is geen democratie’
Peter de Waard
Nederland, zo schreef de politicoloog professor Hans Daudt nog voordat Fortuyn zich had aangekondigd als serieus politicus, is een rechtsstaat, maar het is geen democratie. ‘Het enige verschil met vroeger is dat de functies niet erfelijk onder de adel worden verdeeld, maar onder de burgerij’. ‘In het parlement zitten geen gekozen vertegenwoordigers van het volk, maar benoemde mensen die hun baan zien als een opstapje voor een functie in het openbaar bestuur.’
Hans Daudt, afgelopen zaterdag op 83-jarige overleden, was een koppige man die controversiële standpunten niet schuwde. Op de Universiteit van Amsterdam, waar hij in 1990 afscheid nam, was er ‘de kwestie-Daudt’ over medezeggenschap die tot grote politieke beroering had geleid.
De in Amsterdam geboren Daudt verloor op 8-jarige leeftijd zijn enige zus. Twee jaar later vertrok zijn vader. Tot 1960 zorgde hij voor zijn moeder, waardoor hij moeilijk tijd kon vrijmaken voor zijn studie. Niettemin promoveerde hij in 1961 op een proefschrift over de zwevende kiezer, in die periode van sterke verzuiling nog een onbekend begrip.
In 1969 staakte Daudt zijn colleges aan de Universiteit van Amsterdam omdat studenten vonden dat ze voor 50 procent zeggenschap moesten krijgen over hun eigen cijfers. Daudt hekelde de sfeer van ‘opruien, verdachtmakingen en woordterreur’ in de toenmalige academische wereld.
Daudt gaf het vak politicologie aanzien met zijn doorwrochte commentaar op de nieuwe proeve van de Grondwet. Hij werd als eerste politicoloog benoemd tot lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Hij was jaren lid van de PvdA en stelde veelvuldig dat de christelijke partijen alleen met de socialisten regeren als ze met conservatievere partijen (VVD) geen meerderheid hebben. De praktijk gaf hem vaak gelijk.
Daudt was een actief schrijver en journalist. Hij schreef voor ondermeer Het Vrije Volk en was tien jaar lang voorzitter van de Stichting Het Parool. In 1988 verzette hij zich met zijn bekende koppigheid tegen pogingen van de directies van de toenmalige Perscombinatie te fuseren met de NDU.
(22-10-2008)
Jan Westers (1947-2008)
Pionier van de vierspansport
Peter de Waard
Wie denkt dat IJsbrand Chardon de enige Nederlandse vierspankampioen is, is even wereldvreemd in het mennen als iemand die denkt dat PSV altijd landskampioen is geweest in het voetballen.
Chardon heeft illustere voorgangers in deze jonge sport. Zo werd bijvoorbeeld Tjeerd Veldstra ook twee keer wereldkampioen. Maar de echte pionier in Nederland is de Groningse akkerbouwer Jan Westers. Hij zette in de jaren zeventig het rijden met de vierspan op de kaart. Op 19 september overleed Westers in Paterswolde onverwacht aan een hartstilstand, vlak nadat hij de oude liefde weer had opgepakt.
De 61-jarige Westers was al twintig jaar niet meer actief in deze sport. In 1975 werd hij de eerste Nederlands kampioen bij de vierspannen. Hij was tien jaar de beste, maar besloot na het wereldkampioenschap van 1986 in Ascot zich te concentreren op het akkerbouwbedrijf in de Groningse Noordpolder. Wim Knijnenberg, die het vakblad Mensport uitgeeft, zegt dat Westers eigenlijk de eerste was die de sport in Nederland serieus ging beoefenen. Volgens zijn nicht Ineke Westers was zijn succes te danken aan zijn perfectionisme.
De vierspansport is volgens Knijnenberg voortgekomen uit het Engelse koetsrijden. Na de oorlog ontdekte men dat je er ook iets sportiefs mee zou kunnen doen. Er werden drie onderdelen verzonnen – dressuur, marathon en vaardigheid. Westers begon in Nederland met de sport na de strenge winter van 1962/63. Ineke Westers: ‘In dat jaar waren onder het mom rijden en glijden heel veel arresleewedstrijden gehouden. Hij vond dat prachtig.’
Daarna besloot hij in de zomer actief te worden in de tuigsport wat zich ontwikkelde tot het vierspanrijden. In de jaren zeventig kwamen de de NK’s, EK’s en WK’s. Westers’ paarden waren grote tuigpaardvossen met kenmerkende witte benen. Drie jaar geleden verkocht Westers zijn bedrijf en liet zich weer op de tribunes van de wedstrijden zien. Zo was hij onlangs in Beesd waar Chardon de individuele titel en met Nederland de landentitel greep. ‘Hij was heel energiek en leek in goede gezondheid’, aldus Ineke Westers.
(3-10-2008)
Rudi Drent (1937-2008)
De vogelaar van de Herdershut
Peter de Waard
Zijn geliefde stek was de Herdershut aan de oostkant van de polder op Schiermonnikoog. Professor Rudi Drent kon daar op de kwelder met eindeloos geduld vogels als meeuwen en ganzen bestuderen. Vorige week overleed op 71-jarige leeftijd in zijn woonplaats Paterswolde de man die als geen ander het ecologisch vogelonderzoek in en buiten Nederland heeft gestimuleerd. Rudi Drent was decennialang de gezichtsbepalende figuur in de Nederlandse ornithologie. Hij was een kwart eeuw voorzitter van de Nederlandse Ornithologische Unie. Van 1972 tot 2002 was hij hoogleraar dierkunde en doceerde hij dierecologie aan de Rijksuniversiteit van Groningen. In die hoedanigheid heeft hij vele ecologen opgeleid. ‘Zijn enorme betekenis blijkt onder andere uit het feit dat hij 65 promovendi heeft opgeleid die nu wereldwijd het werk voortzetten. Zijn kracht was dat hij behalve een uitzonderlijke wetenschapper ook een aimabel mens was’, zegt bestuursvoorzitter Joost Tinbergen van de Ornithologische Unie.
Onderzoek van vogels in de vrije natuur was zijn grote passie. Vogelonderzoekers telden voor hem vooral mee als ze van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, vernikkelend van de kou, in een schuilhut konden zitten om in details het ongestoorde gedrag van vogels vast te leggen.
Bij zijn eigen promotieonderzoek maakte hij een glazen nestkom om vanuit een soort tunnel liggend onder het nest het broedgedrag van zilvermeeuwen te bestuderen. Zijn onderzoek richtte zich met name op het energiebudget van vogels: hoe vogels zo efficiënt mogelijk voedsel zoeken, en hoe ze hun overschotten om kunnen zetten in voortplanting en trek? Dit werk culmineerde in het schrijven van een baanbrekend artikel met de titel The prudent parent, samen met Serge Daan, waarin de kosten-batenanalyse van ouderlijk gedrag als voorbeeld diende voor vele onderzoeken. In de laatste jaren werkte hij aan de ‘green wave hypothesis’, het idee dat ganzen met het voorjaar mee naar het noorden trekken.
Talloze gasten voerde hij mee naar de vogelwereld van het Lauwersmeer, en het liefst naar ‘de Herdershut’ op Schiermonnikoog.
(17-9-2008)
Jan Potharst (1918-2008)
Ajacied zonder een doelpunt
Peter de Waard
Hij klom op van Ajax 5 naar Ajax 4, Ajax 3 en Ajax 2 om uiteindelijk dertien jaar voor het hoogste elftal van Ajax te spelen. Eind vorige week overleed Jan Potharst, met 90 jaar het oudste erelid van de club. Behalve dat hij er voetbalde, was Potharst nog tientallen jaren bestuurder bij de club. Van 1964 tot 1988 zat hij in de ledenraad, onder meer als plaatsvervangend voorzitter. ‘In die tijd heeft hij bemiddeld in heel veel conflicten zoals die er bij Ajax altijd zijn. Hij was een rustige aardige man die alleen maar vrienden had’, vertelt archivaris Wim Schoevaart (90) die met Potharst zelfs nog in de jeugd voetbalde.
Potharst werd geboren in de Staatsliedenbuurt en speelde aanvankelijk voor VVA (Voetbalvereniging Amsterdam), toen een van de gerenommeerde clubs in Amsterdam-West. Maar Ajax had in de jaren dertig al een grotere naam en vooral met Jack Reynolds een bekendere trainer. Samen met vier andere getalenteerde spelers stapte Potharst in 1932 over naar de jeugdopleiding van Ajax. Hij speelde eerst als midvoor maar Reynolds zag meer een verdediger in hem. In 1939 maakte hij zijn debuut als rechtsback in een uitwedstrijd tegen VSV. Schoevaart: ‘Hij was een technische verdediger in een tijd dat in de achterhoede vooral ruimers stonden.’
Potharst voetbalde in zijn tijd met spelers als Joop Stoffelen, doelman Gerrit Keizer en de jonge Rinus Michiels. Uiteindelijk werd hij aanvoerder. In totaal zou hij 237 wedstrijden voor Ajax spelen. Saillant detail: hij maakte daarin geen enkel doelpunt. Op het overschrijden van de middenlijn stond voor verdedigers ook zo ongeveer de doodsstraf.
Potharst kwam na de oorlog ook zes keer uit voor het Nederlandse elftal. Zijn debuut als international maakte hij op 12 mei 1946 in het Olympisch Stadion waar Nederland met 6-3 won van België. In 1952 nam hij voor eigen publiek afscheid als actief voetballer met een 1-0 overwinning tegen Heracles. In dienst van de club uit de hoofdstad had hij twee keer de landstitel gewonnen: in 1939 en 1947. In 1995 sloeg hij nog de eerste paal voor het jeugdcomplex de Toekomst. De laatste jaren kwam hij door gezondheidsproblemen steeds minder bij Ajax.
(10-9-2008)
Hans Esselink (1955-2008)
Gepassioneerde natuurvorser
Peter de Waard
Het liefst was hij boer geworden – een ecologische boer. Maar Hans Esselinks vader – een herenboer in de Achterhoek – overleed op jonge leeftijd en het boerenbedrijf werd verkocht.
Het ging Esselink aan het hart. Hij hield van de rijke flora en fauna rond Winterswijk die ecologisch werd uitgekleed. Hij werd lid van de Jeugdbond voor Natuurstudie. Uiteindelijk koos hij voor een studie biologie in Groningen en werd een van de belangrijkste natuurpioniers – oprichter van de Roofvogelwerkgroep Nederland en de Stichting Bargerveen, waarvan hij projectleider werd.
Afgelopen weekeinde overleed Hans Esselink op 53-jarige aan een hartstilstand. Zijn dood heeft een schok doen gaan door vele natuurorganisaties die hij inspireerde.
Aan de universiteit van Groningen was hij een eeuwige student, zoals er in die tijd zoveel waren. Hij deed zestien jaar over zijn studie, waarvan tien jaar werden gestoken in inspraakorganen en medezeggenschapsraden. Intussen trok hij zich het lot van de roofvogels aan, die verdwenen als gevolg van het gebruik van landbouwgif en de uitstoot van zware metalen.
Via Staatsbosbeheer kreeg hij een opdracht onderzoek te doen in het Bargerveen, een 2.100 hectare groot afgegraven stuk hoogveen bij Emmen. Hij ontdekte daar dat er enorme aantallen waren van de zeldzame grauwe klauwier die overal elders in Nederland bezig was te verdwijnen. Hoe kon dat?
Het bleek dat dit gebied door herstelwerk een unieke biodiversiteit had van natte en droge plekken waarin kevers, libellen en sprinkhanen gedijden – allemaal voedsel voor de zangvogel. Hij vond een stuk landschap terug uit zijn jeugd.
In 1993 richtte hij de Stichting Bargerveen op, die onderzoek doet naar de aantasting van en de mogelijkheid tot natuurherstel in veel landschapstypen, zoals heiden, stuifzanden, kustduinen en kalkgraslanden. De stichting telt nu twintig medewerkers en wordt ondersteund door de Radboud Universiteit. Hierdoor wordt wetenschappelijk onderzoek gecombineerd met praktische uitvoering. Door zijn vernieuwende inzichten en grote sociale en verbale capaciteiten was Esselink een uniek initiator en wegbereider.
(3-9-2008)
Eef Kamerbeek (1934-2008)
Oefenen aan de dakgoot van het ouderlijk huis
‘Hij was ongelooflijk zelfverzekerd. Een kenmerk van tienkampers’, zegt journalist Kees Sluys, schrijver van het boek Snel, hoog, ver – geschiedenis van de tienkamp.
In de nacht van maandag op dinsdag overleed oud-tienkamper Eef Kamerbeek op 74-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker.
De in Eindhoven geboren atleet won in de jaren vijftig en zestig elf Nederlandse titels. Drie keer ging hij naar de Olympische Spelen, maar alleen in Rome 1960 haalde hij met de vijfde plaats de eindklassering.
Zijn bijnaam was Ben Hur, vanwege zijn rijzige gestalte en onomwonden uitspraken. Na zijn actieve sportloopbaan was hij actief als trainer van ondermeer tienkamper Robert de Wit en bestuurder van atletiekvereniging PSV.
Kamerbeek kwam al vroeg in contact met atletiek. Zijn vader Henk deed bij het kogelslingeren al mee aan de Spelen van 1924 en 1928. Begin jaren vijftig werd Eef lid van de atletiekafdeling van PSV. Hij bleek al gauw een multitalent – sterk op de horden, maar ook op de werpnummers.
Hoewel hij als machinebankwerker van Philips 48 uur werkte, nam hij ’s avonds de tijd om te trainen. Hij oefende met kogels in het bos en trok zich honderden keren op aan de dakgoot van zijn ouderlijk huis. In 1954 werd hij voor de eerste keer tienkampkampioen van Nederland.
Als 22-jarige werd hij in 1956 uitgezonden naar de Spelen in Melbourne. Hij arriveerde al vroeg na een vliegreis van drie dagen om te acclimatiseren en te trainen. Maar Nederland trok zich terug wegens de Russische inval in Hongarije. Het besluit werd genomen door toenmalig NOC-voorzitter Jaap Linthorst Homan. Kamerbeek bleef hem tot aan het einde van zijn leven haten.
‘Ik had mij het leplazerus getraind. Mijn handen jeukten. Ik had hem op zijn bek willen slaan. Jarenlang kon ik geen official meer zien.’
Vier jaar later behaalde hij in Rome de vijfde plaats. In 1962 werd hij vierde tijdens het EK. Een jaar later versloeg hij de Duitser Willie Holdorf die in 1964 olympisch kampioen in Tokio zou worden. Opnieuw was Kamerbeek overtuigd ook zelf in Japan een medaille te kunnen halen, maar hij viel al na de eerste dag uit met een rugblessure.
Bij Philips maakte hij snel carrière. Later werd hij organisatie-adviseur. Vlak voor zijn pensionering zou hij de sportsponsoring bij Philips nog reorganiseren.
(27-8-2008)
Arie Klapwijk (1922-2008)
Gedreven initiatiefnemer voor televisieactie Open Het Dorp
Peter de Waard
‘Hij was gedreven. Maar niet die gedrevenheid die tegenwoordig zo kenmerkend is. Hij was ook beheerst.’
Mies Bouwman is even helemaal van slag als ze hoort dat de revalidatiearts Arie Klapwijk is overleden. ‘Hoe oud was hij nu eigenlijk? U brengt mij echt aan het schrikken.’ Klapwijk overleed vrijdag in een ziekenhuis in Ede op 86-jarige leeftijd. Zijn zoon maakte dat gisteravond bekend.
In 1962 ontmoette Mies Bouwman hem voor de eerste keer. ‘De AVRO bracht mij in contact met hem. Hij had een plan voor een woongemeenschap voor gehandicapten bij Arnhem. Als we via een televisieactie 4 of 5 miljoen gulden zouden binnenhalen, dan zou de regering de rest bijpassen. Hij was gepassioneerd en had zulke goede argumenten dat ik alleen maar ja kon zeggen.’
Televisie was nog een jong medium. Maar op 26 en 27 november 1962 vond een marathonuitzending van 23 uur plaats. Vierhonderd artiesten traden op, onder wie Wim Kan en Johnny & Rijk. De uitzending werd legendarisch. ‘De saamhorigheid in het land was fantastisch. Klapwijk had de goede snaar geraakt’, zegt Mies Bouwman die het hele programma in haar eentje presenteerde. Uiteindelijk werd een bedrag van 25 miljoen gulden ingezameld. Klapwijk werd voorzitter van de stichting die Het Dorp kon realiseren.
Klapwijk begon zijn medische carrière in revalidatiecentrum De Hoogstraat in Leersum. Hij zette zich voortdurend in voor een gelijkwaardige positie van mensen met een handicap. Van 1959 tot 1982 was hij geneesheer-directeur van wat nu Groot Klimmendaal in Arnhem is. Na 1982 richtte hij zich vooral op sport voor mensen met een beperking.
Het Dorp ging later door fusies op in een groter verband. Mies Bouwman zegt dat Klapwijk hier begrip voor had. ‘Hij ging met zijn tijd mee. Na de totstandkoming van Het Dorp veranderden de ideeën over gehandicaptenzorg en kwamen er nieuwe mogelijkheden. Klapwijk had daar gelukkig ook oog voor’, constateert zij.
(26-8-2008)
Ernst Kamphuis (1961-2008)
Peter de Waard
‘Hij huldigde de woorden van Neil Young: ‘Het is beter op te branden dan weg te roesten’, zegt zijn vriend Pieter Sitsen (51). Vorige week maakte muzikant en collagekunstenaar Ernst Kamphuis – bijgenaamd Ernesto – op 47-jarige leeftijd in Leiden een einde aan zijn leven. Sitsen: ‘Hij had het er altijd over, maar ik dacht dat hij niet zou durven. Ernst zei al ‘au, au’ als iemand zijn nagels knipte, maar hij heeft het toch gedaan.’
Kamphuis leidde een tumultueus leven, dat de laatste tien jaar werd geteisterd door psychosen waarmee hij volgens Sitsen soms ‘koketteerde’. ‘Maar hij was vooral een fantastisch zanger. Ik ken geen betere zanger qua klankkleur, emotie en stemgebruik.’
Kamphuis werd in 1960 geboren in Den Haag, maar verhuisde in zijn jeugd naar het dorpje Hazerswoude. Hier kreeg hij van zijn ouders een trompet om lid te kunnen worden van de plaatselijke fanfare. Toen hij in een tot clubhuis omgebouwde garagebox een een aantal jongens ontmoette die een band wilden oprichtte was hij onmiddellijk van de partij. In 1975 ontstond Ivy Green, de eerste Nederpunkband. Drie akkoorden volstonden en de drummer was net 12 jaar. Kamphuis werd bassist, later manager en ten slotte trompettist en toetsenist.
In de jaren tachtig verhuisde hij naar Leiden, waar hij – ‘met klappertjespistool en cowboyhoed’ – Pieter Sitsen in een bar ontmoette. ‘Hij maakte toen al kunstwerken van rommel die hij op straat vond.’ In 1990 richtte hij een nieuwe band op: Lieutenant Ernesto & The Strolling Bones. Hoogtepunt is de cd 36 Hours met teksten van onder anderen Theo van Gogh die in 1995 uitkwam.
Vlak daarna openbaarden zich de eerste psychosen bij Kamphuis. ‘Hij kreeg steeds vaker ’s nachts angstsyndromen. Niettemin bleef hij een man met veel vrienden om zich heen.’ Zijn faam als de Leidse stadsjutter steeg door zijn kunst tot grote hoogte. Sitsen: ‘Kamphuis was een happening-kunstenaar. Hij maakte kunstwerken in tien minuten, net als Herman Brood. Het ging om de kick. Dat was ook zo in zijn muziek. Ook die was een collage van stukjes tekst die hij in andere nummers vond.’
(22-8-2008)
Jeroen Greveling (1958-2008)
Pompbediende van geestelijk tankstation
Er zijn nog 350 volgelingen, maar er is geen geestelijk leider meer. Afgelopen maandag overleed Jeroen Greveling, de bisschop van de Oud-Episcopaal Katholieke Kerk in Nederland. Greveling, die sinds 1985 aan een MS-gerelateerde ziekte leed, is 50 jaar geworden. Hij ging zo lang hij kon voor – in een rolstoel – in eucharistievieringen, onder meer in Breda.
De Oud-Episcopaal Katholieke Kerk houdt nog vast aan het geloof van de kerk van de eerste tien eeuwen van de jaartelling. Toen waren de dogma’s van de vele concilies nog niet vastgelegd, zoals het celibaat en het afwijzen van vrouwelijke voorgangers.
Greveling werd in Den Bosch geboren. Hij groeide als aangenomen kind in een ander gezin op. Nadat hij in de verzorging was gegaan koos hij voor deze kleine kerk. In 1984 werd hij tot priester gewijd. Vier jaar later werd hij door zijn eigen volgelingen gekozen tot bisschop zodat hij ook sacramenten kon toedienen.
De Oud-Episcopaal Katholieke Kerk – ook wel de Engelse Oud-Katholieke Kerk genoemd – werd in 1870 opgericht. Een groep geestelijken scheidde zich af van de RK kerk na de afkondiging van de onfeilbaarheid van de paus op het Eerste Vaticaans Concilie. De kerk onderscheidt zich van de oudere en veel grotere Oud-Katholieke Kerk (vijfduizend gelovigen) doordat ze geen ballotage kent. Iedereen is welkom en kan de sacramenten ontvangen. ‘Presentie zonder pretentie’ is de slogan van de kerk die onder meer ook kleine zusterkerken heeft in Oostenrijk, België en Engeland.
Greveling benaderde zijn over het hele land verspreide gelovigen vooral via internet. Hij kreeg ook enige bekendheid door televisie- en radio-optredens. Hij voelde zich nauw verwant met voormalig bisschop Muskens van Breda, met wie hij veel discussieerde over het oppergezag van de paus.
Greveling noemde zich een ‘pompbediende van een geestelijk tankstation’. Volgens Ellen de Goeij-Van Kasteren, secretaris van de kerk, zei hij altijd dat de gelovigen hun handen niet alleen moesten vouwen, maar ook uit de mouwen moesten steken.
(17-7-2008)
Vera Springveer (1965-2008)
Als zingende travestiet veroverde ze Amsterdam
Peter de Waard
Hij was vele jaren een van de meest kleurrijke figuren van Amsterdam. Woensdag overleed de travestiet Vera Springveer, alter ego van Charles Lücker, op 43-jarige leeftijd aan de gevolgen van aids. Vanaf eind jaren tachtig maakte de zingende en extravagant geklede Springveer grote furore in de Amsterdamse homoscene.
Lücker werd geboren in De Pijp en groeide op in Bos en Lommer, als enig kind van Nel Korndörffer (1932) en Koos Lücker. Als tiener liep hij van huis weg en vond hij onderdak bij actrice Nelly Frijda. Later kwam hij terecht in de krakersbeweging en sloot hij zich aan bij een kunstenaarscollectief rond Diana Ozon en Peter Pontiac. Hij debuteerde als de nachtclubzangeres Vera Springveer in ‘Club Chique’ in de discotheek Mazzo op de Rozengracht.
In de Kleine Komedie stond Lücker voor het eerst in 1990 met collega-travestiet Hellen Zelluf. Verder zong hij jarenlang in de meidenband Girls Just Wanna Have Fun met onder anderen Manuela Kemp, Monique en Suzanne Klemann van Loïs Lane, Mieke Stemerdink van de Gigantjes en Frédérique Spigt. De band gaf dit jaar nog optredens in Amsterdam en Utrecht. Verder zong hij als Springveer een duet met het carrillon van de Westerkerk, in memoriam Johnny Jordaan en bij de Smartlappenband die optrad bij de opening van de Amsterdam ArenA.
Vanaf 2002 trad Springveer in nachtclub/theater Panama op in shows als Queen, Bitch, Queer, waarin nummers van rockgrootheden als David Bowie en Lou Reed ten gehore werden gebracht. Behalve als artieste, werkte Springveer ook als kok in diverse Amsterdamse restaurants en als receptionist bij een reclamebureau. Daar was ze weer de anonieme Charles Lücker, niet de ster Springveer.
Hoewel hij al ziek was, koesterde Lücker nog nieuwe dromen. ‘Wil altijd nog: waterskiën op de Amstel als Sophia Loren, met een grote strandhoed en een zonnebril. Ik wuif naar mijn fans en ik doe een salto. En dan zeg ik tegen mezelf: wát een succes’, vertelde ze onlangs in Het Parool. Springveer zou optreden op de Nacht van de Glamrock die eind juni in Paradiso plaatsvond. Hij zou het nummer Jean Genie van zijn grote held David Bowie vertolken. Het ging niet door. Nu weet iedereen waarom.
(11-7-2008)
Paul Sturkenboom (1951-2008)
Ziekenhuistycoon die niet vies van winst was
Peter de Waard
Paul Sturkenboom was een van de meest spraakmakende zorgmanagers van Nederland. Met grote gedrevenheid probeerde hij het ziekenhuiswezen te moderniseren. Zaterdagnacht overleed hij op 57-jarige leeftijd aan een hartstilstand.
Vooral zijn overnamepoging van het Slotervaart Ziekenhuis in Amsterdam, waar hij zelf interim-manager was, leidde tot veel ophef. Sturkenboom kreeg onmiddellijk de titel van ziekenhuistycoon. ‘Hij probeerde de zorg middels marktwerking op een hoger plan te brengen. Maar hiermee was hij misschien tien jaar te vroeg’, zegt een collega.
De Utrechter Paul Sturkenboom kwam uit een groot katholiek gezin met dertien kinderen: negen jongens en vier meisjes. Zijn vader was een actief vakbondslid. Gelijk veel andere Sturkenbomen – broer Marcel is directeur van NOC*NSF en broer Martin werd directeur van FC Utrecht en voorzitter van de FBO – bleek hij al jong over een grote geldingsdrang te beschikken. ‘Wij drieën behoorden tot het middelste trio van het gezin. Misschien hebben we daarom ons willen onderscheiden.’
Vanaf het begin wilde hij dingen neerzetten waar anderen afhaakten. ‘Open en fair. Strak en genadeloos.’
Op de hbs bleef hij vier keer zitten wat er toe leidde dat hij voor eigen rekening – hij verdiende bij als koffieloper op de trein – op een privéschool een diploma haalde. Als ‘radicaal-linkse student’ ging hij op de UvA politicologie studeren.
Op zijn dertigste begeleidde hij de fusie van het Amsterdamse Wilhelmina Gasthuis en Binnengasthuis tot het Academisch Medisch Centrum. Hij was vervolgens directeur, interim-manager of troubleshooter bij een reeks van ziekenhuizen.
In 2000 werd Sturkenboom interim-directeur van het toen bijna failliete Slotervaart Ziekenhuis. Na vele ruzies en rechtszaken bracht hij namens een consortium een bod uit op het Slotervaart, de allereerste overnamepoging van een ziekenhuis in Nederland.
Het was Sturkenbooms streven nog meer slecht draaiende ziekenhuizen over te nemen en ze door kostenreducties winstgevend te maken. Een keten van private ziekenhuizen, was zijn droom. ‘Als winst maken met een ziekenhuis vies zou zijn, is verlies lijden ook vies’, zei hij tegen de Volkskrant.
De plannen mislukten echter. In 2007 lanceerde hij het idee voor de oprichting van een islamitische ziekenhuis in Rotterdam.
(10-7-2008)
Pater Jan van Kilskonk (1917-2008)
Vertroosting, op zijn lijf geschreven
Peter de Waard
In een rolstoel was hij onlangs nog op de begrafenis van schrijver/criticus Kees Fens. De 91-jarige pater Jan van Kilsdonk bleef tot aan het einde midden in de maatschappij staan.
Hij bezocht iedere zondag trouw de diensten in de Dominicuskerk in Amsterdam. Maar hij kwam, zolang het ging, ook nog in de Amsterdamse kroegen en de aidsafdeling van het Academisch Medisch Centrum. ‘Ik ontleen geen plezier aan het houden van preken of het schrijven van artikelen. Ik geniet alleen als het mij lukt andere mensen eerbied terug te geven voor zichzelf.’
Eerbied voor mensen ging boven kerkelijk gezag. ‘Ik ervaar geen enkele religieuze ervaring bij welke kerkelijke gezagsdrager dan ook. Als de paus naar Nederland komt, ga ik niet kijken.’ Hij gaf begin dit jaar in deze krant ook nog ongezouten zijn mening over de benoeming van de conservatieve Wim Eijk tot de nieuwe aartsbisschop van Utrecht.
Hij kon zwijgen en luisteren, maar zeker ook spreken. Veel van zijn lijvige preken werden gebundeld. Zijn beeldspraken raakten velen: ‘Op een berg in de Alpen ben ik zo uitgekeken. Op mensen en hun verhalen, hun tragedie, nooit.’
Van Kilsdonk is een symbool van de jaren zestig – net zoals Provo, Phil Bloom en majoor Bosshardt. De verering van zijn studentenpastoraat (van meer dan 35 jaar) en van zijn zorg voor de aidspatiënten in de jaren daarna heeft bijna mythische vormen aangenomen.
Jan van Kilsdonk werd geboren in een welgesteld brouwersgeslacht in Oost-Brabant. Drie maanden na de oorlog werd hij tot priester gewijd. Hij besloot eerst te gaan werken in de interneringskampen waar de Nederlanders werden vastgehouden die met de nazi’s hadden geheuld. In Vught had hij 13 duizend gevangenen onder zijn hoede – onder wie teruggekeerde SS’ers en andere antisemieten. ‘Een onbeschrijflijke wereld’, noemde hij het.
In 1947 werd de toen 30-jarige jezuïet Van Kilsdonk de vraag voorgelegd of hij zich in Rome verder wilde bekwamen in de theologie of wilde assisteren als studentenmoderator in Amsterdam. Na enige aarzeling koos hij voor Amsterdam en ‘trouwde ermee’ zoals hij dat later zelf uitdrukte.
Hij benaderde de studenten op goed geluk in de kroegen, tijdens jubilea en op feesten. Altijd met een glas bier in de hand, wat hem de bijnaam Kater van Pilsdronk opleverde – onterecht want hij dronk nauwelijks.
Als het lukte een gesprek aan te knopen, maakte hij daar een zorgvuldig gestileerd verslag van, dat hij de volgende ochtend opstuurde. Daarbij nodigde hij studenten uit tot een dieper gesprek. ‘Een brief die je niet verwacht, leidt tot ontroering. Een brief is een vorm van eerbied en aandacht die je niet in een telefoongesprek hebt.’
Op die manier kwam hij in contact met 30 duizend studenten van wie velen later vooraanstaande intellectuelen werden. ‘Ik ken ze bij naam en toenaam, omdat ik hun geschiedenis weet’, zo zei hij. Een van die leerlingen van het eerste uur was Kees Fens.
Van Kilsdonk wilde de studenten ‘het gevoel geven dat godsdienst iets aan het verrukte verstand te zeggen heeft, dat godsdienst diepzinnigheid is en schoonheid, extase en verwondering heeft’. Maar hij zag zijn taak als iets veel simpelers – het bieden van vertroosting. Hierbij richtte hij zich op de maatschappelijke verschoppelingen van hun tijd: de gescheiden mensen, de krakers en de alcoholisten.
Bij zijn emeritaat in 1982 beschreef hij in Elsevier zijn pastoraat. ‘De mengeling van menselijkheid en religiositeit, van intimiteit en openbaarheid – dat je af en toe het woord voert, dat je bij een uitvaart mensen begeleidt en bij een drama mensen bundelt. Dit type werk is op mijn lijf geschreven, dat is mijn ademhaling.’
In de jaren zestig werd Van Kilsdonk voor progressieve katholieken het symbool van de vernieuwing van de kerk en de oppositie tegen Rome, en voor Rome en de jezuïetenorde een luis in de pels. Hij verwierp het verplichte priestercelibaat en kwam op voor de rechten van vrouwen en homoseksuelen in de kerk. Als voormalig studentenpastor werd hij in de jaren tachtig voor aidspatiënten in Amsterdam een begrip door zijn zeer persoonlijke wijze van pastorale zorg. ‘Een lief huisdier in Amsterdamse studentenflats’, typeerde hij zichzelf.
Hoewel hij het verfoeide, bleef hij tot zijn dood het celibaat trouw. Vaak werd hij gevraagd voor begrafenissen. ‘Geen kerk kan zijn doden mooier begraven dan de katholieke kerk.’
(2-7-2008)
Co Verkade (1905-2008)
De man van de albums
Jacobus (‘Co’) Verkade, die deze week op 102-jarige leeftijd overleed, was altijd meer de man van de klanten dan van de fabriek – of meer de man van de albums dan van de meisjes.
De oud-directeur van de koekjes- en chocoladefabriek in Zaandam, die in 1965 opstapte na een knetterende ruzie met zijn broer Frans, was het commercieel genie van het bedrijf. Hij vond een goed product belangrijk, maar vooral ook een goede marketing.
Hij was de kleinzoon van Ericus Verkade, die onder de naam De Ruyter in 1896 een brood- en beschuitfabriek in Zaandam had opgericht.
Co Verkade kon zich nog herinneren hoe ten tijde van de Eerste Wereldoorlog het verse brood met paard en wagen de fabriek verliet. In 1925 kwam hij zelf in het bedrijf. Drie jaar later mocht hij voor het toen astronomische bedrag van dertienduizend gulden een reis maken door de VS om nieuwe marketingmethoden te ontdekken. Co besefte vanaf dat moment het belang van het imago van Verkade als merknaam. Hij stimuleerde de uitgifte van de Verkade-albums met teksten van Jac. P. Thijsse, waarin de bij het beschuit gevoegde plakplaatjes konden worden verzameld. In totaal zouden er tot 1940 meer dan drie miljoen albums worden uitgevent. Er kwamen een Verkade-kwartetspel, gele biscuittrommels met Oost-Indische kers en beschuitbussen met een bakker met bakkersmuts, die in bijna elke woning te vinden waren. Verder liet hij reclameposters ontwerpen met tekeningen van kunstenaar Cees Dekker.
In 1931 spendeerde Verkade al 360 duizend gulden aan reclame. In die tijd produceerde het bedrijf brood, beschuit, honing en ontbijtkoek. Na de oorlog concentreerde Verkade zich op koekjes en chocolade. In 1960 introduceerde Co Verkade nog knäckebröd in Nederland. Nadat hij in 1965 het bedrijf verliet, vestigde hij zich in Italië. Later keerde hij terug en ging wonen in Holten. Hij voelde zich nog altijd betrokken bij de fabriek, die in 1990 in handen kwam van het Britse concern United Biscuits. Vorig jaar – toen hij de honderd al was gepasseerd – sloeg hij de eerste paal voor het nieuwe Verkade-paviljoen op de Zaanse Schans.
(28-6-2008)
Howard Wilkinson (1924-2008)
De man die de TVR zijn naam gaf
Peter de Waard
De TVR is al zestig jaar het favoriete speeltje van de nieuwe rijken die anders willen zijn, zoals de Londense City-yuppies die zich van hun collega’s wilden onderscheiden door geen Porsche door Londen te rijden. ‘Waarom ik die auto rijd? To Be Out Of The Crowd’, zegt Wim Waardenburg, de voorzitter van de TVR Car Club Holland, zelf.
Afgelopen vrijdag overleed op 85-jarige leeftijd Trevor Wilkinson, die in 1949 in Blackpool TVR oprichtte. De toenmalig autoreparateur construeerde een sportwagen uit weggegooide onderdelen en tikte een bumper op de kop bij een kermis in het zuiden van Engeland. De merknaam TVR kwam van drie medeklinkers in zijn voornaam TreVoR. In 1958 bouwde hij de TVR Grantura nog uit componenten van de weinig sportieve VW Kever. Wilkinson wist er echter geen serieus automerk van te maken. In 1962 stapte hij vanwege financiële problemen uit het bedrijf. Nieuwe privé-eigenaren als Martin Lilley en Peter Wheeler zouden tussen eind jaren zestig en de jaren negentig TVR uitbouwen tot een exclusief merk van sportwagens met de Vixen, de Tuscan, de Griffith en Chimaera. Het was de TVR S die het merk weer populair maakte bij City-yuppies die probleemloos 150 duizend euro wilden neerleggen voor een ander soort auto. Dit model was opvallend genoeg gebaseerd op Wilkinsons TVR Grantura. In 2003 werd TVR overgenomen door de Russische zakenman Nikolai Smolenski. Sinds die tijd gaat het bergafwaarts en nu ligt de productie in Blackpool zelfs op zijn gat. Van de TVR zijn in al die jaren toch vele duizenden verkocht, waarvan er zeker vijfhonderd in Nederland rondrijden. ‘Een nieuwe is nog altijd onbetaalbaar, maar een tweedehands is voor 20.000 euro te koop’, zegt Waardenburg.
(11-6-2008)
Jan de Boer (1927-2008)
Vader van de catamaranzeilers
Peter de Waard
Joviaal en vooral energiek. Jan de Boer, die vorige week op 81-jarige leeftijd overleed in Bentveld, wordt wel ‘de vader van de catamaransport’ in Nederland genoemd. In 1976 introduceerde hij op grote schaal de snelle zeilboot in Nederland als importeur van de merken Prindle en Nacra. Nu varen er meer dan vijfduizend catamarans op de Nederlandse wateren, vooral de Noordzee en het IJsselmeer. Hoewel andere merken (Hobie Cat, Tornado, Dart) inmiddels een deel van de markt hebben veroverd, is nog zeker de helft van Prindle of Nacra.
Voordat Jan de Boer zich als importeur met de catamaran ging bezighouden, verkocht hij kantoorartikelen in Amsterdam. Maar tijdens een reis in de VS ontdekte hij de catamaran – afkomstig van het oude Tamilwoord kattumaram (‘bij elkaar gebonden bomen’). Daar waren deze zeilboten in de jaren zestig in een moderne versie geïntroduceerd, en populair. In Nederland waren ze toen nog tamelijk zeldzaam.
De Boer besloot samen met zijn vrouw Hansje een zaak te beginnen in Zandvoort. ‘Mensen hadden hun twijfels. In Nederland was er op dat moment vooral de traditie van het zeilen op binnenwateren. Vanaf het strand het open water op met een zeilboot leek toch gekkenwerk’, zegt zijn vriend Edwin Lodder, met wie hij later verschillende nieuwe zeilklassen opzette.
Jan de Boer was een rasverkoper. Op zijn kleine kantoor in Zandvoort was het altijd een chaos van paperassen, aktetassen en zeilmaterialen. ‘Meestal zat hij met zijn oren aan een telefoon. Maar iedereen die binnenkwam, had toch het idee op de wenken te worden bediend.’
Jan de Boer ontbrak op geen enkel zeilevenement om zijn boten te propageren. Catamaranzeilers kenden hem al gauw als ‘ome Jan’. ‘Hij prees elke boot aan als een waarmee Europese en wereldtitels waren behaald. Met zo’n boot zou je zeker een clubkampioenschap gaan winnen, zo kon hij iedereen laten geloven’, vertelt Lodder.
Eind jaren negentig besloot hij zijn bedrijf te verkopen. Maar hij bleef actief met de handel in grotere boten, zoals trimarans, totdat een ziekte dat onmogelijk maakte. Jan de Boer is gisteren gecremeerd in Driehuis-Westerveld.
(4-6-2008)
Franz Künstler (1901-2008)
De laatste soldaat van de keizer
Peter de Waard
Op 6 januari 1918 werd de 17-jarige Franz Künstler opgeroepen voor het leger van de Habsburgse keizer. Hij moest naar het Italiaanse front. ‘Tijdens een veldmis zegende een pastoor mijn wapenen. Daarna gaf hij de opdracht de vijand te vernietigen. Het is de laatste keer dat ik naar de kerk ben gegaan.’
In zes weken moest hij een kanon met een kaliber van 10 cm leren bedienen – luik open, projectiel erin stoppen en aandrukken – en daarna wordt hij ingedeeld bij een artillerieregiment. ‘Met drie kameraden stonden we achter het front bij Piave. Als de infanterie vuur verlangde, schoten wij eerst tien minuten in. Als de laatste aanwijzingen van de voorste linie via de veldtelefoon binnenkwamen, dan kwamen we in actie. Een soldaat haalde de granaat, ik stelde die in, een andere schoof het projectiel door en een onderofficier moest het afschieten, maar alleen nadat de kommandant in het Hongaars tuz (vuur) had geroepen.’
Vorige week overleed op 107-jarige leeftijd de laatste soldaat van de centrale mogendheden die als militair nog in de Eerste Wereldoorlog heeft gevochten. Künstler was in 1900 geboren in het huidige Hongarije. Hij kon zich nog de dag in 1914 herinneren dat aartshertog Frans Ferdinand van het keizerrijk Oostenrijk-Hongarije in Sarajevo werd vermoord en alles ineens anders werd. Hij overleefde de Eerste Wereldoorlog en ook de Tweede Wereldoorlog waarbij hij als verbindingsofficier van de Wehrmacht vocht aan het Russische front. Hij wist aan het einde van de oorlog aan krijgsgevangenschap te ontkomen en naar het westen van Duitsland te vluchten. Hij werkte in een koeriersbedrijf, als meubelmaker en was tenslotte gids in een oud slot.
Künstler was een levenskunstenaar. Zelfs na zijn 100ste verjaardag wist hij nog een keer aan de dood te ontsnappen toen het ziekenhuis hem na een darmingreep had opgegeven.
Na het overlijden van Künstler zijn nog elf veteranen uit de zogenoemde ‘Grote Oorlog’ in leven: drie Britten – onder wie een van 111 die ook de oudste man van Europa is – twee Amerikanen, twee Italianen, drie Australiërs en één Canadees. Geen van hen is jonger dan 107 jaar.
(2-6-2008)
Mr Willem van Manen (1924-2008)
Vechter voor het vrije woord
Peter de Waard
Onder zijn dure, enigszins sleetse Hugo Boss-pakken droeg hij steevast Clarks-schoenen van suède. Mr. Willem van Manen, die zaterdag op 74-jarige leeftijd overleed, was tegelijkertijd aristocraat en bohémien. ‘Hij was chic, maar als ik achter hem aan de parkeergarage uitreed, kwam er een zwarte rookwolk uit zijn Volvo van 1982’, zegt collega Eberhard van der Laan.
Eigenlijk wilde Van Manen kunstenaar worden, maar zijn ouders vonden een rechtenstudie nuttiger. Hij studeerde af in Leiden, maar bleef zijn hele leven tekenen. Eerst was hij cartoonist voor Propria Cures, De Nieuwe Linie en NRC Handelsblad. Na 1985 publiceerde hij zijn fameuze cartoons van in zwarte toga geklede advocaten met een witte bef tot op de knieën in het Advocatenblad, totdat in 1991 tijdens de Eerste Golfoorlog een tekening van hem werd gecensureerd. Daarna tekende hij alleen nog voor de Stichting Advocaten voor Advocaten, die opkomt voor de raadslieden in landen waar het met de mensenrechten niet zo nauw wordt genomen.
Als media-advocaat bij het kantoor NautaDutilh verdedigde hij jarenlang de vrijheid van meningsuiting in Nederland. Hij was de huisadvocaat van onder meer Het Parool en de Volkskrant. Hij was ook een pleitbezorger van het recht van columnisten om in vrijheid te kunnen formuleren.
Met toenmalig president Ben Asscher van de rechtbank in Amsterdam ontwikkelde hij veel jurisprudentie. Toen Asscher in 1993 werd opgevolgd door Reurt Gisolf verloor Van Manen meteen een zaak. ‘Tientallen jaren jurisprudentie zijn over de balk gegooid’, gromde hij.
Van der Laan: ‘Voor Van Manen stond de vrijheid van meningsuiting boven andere grondrechten zoals privacy en aantasting van eer en goede naam. Hij had dan de vechtlust van een actievoerder. Hij kon slecht tegen zijn verlies.’
Hij was af en toe een brompot, maar ook een zeer zorgvuldig raadsman die alle details van een zaak wilde weten voordat hij een pleitnotitie begon te schrijven. Omzet draaien was niet aan hem besteed. De vercommercialisering van de advocatuur in de jaren negentig stuitte hem tegen de borst. In 1998 verliet hij NautaDutilh en begon hij met drie pensioengerechtigde medeadvocaten een veteranenkantoor. In 2004 stapte hij over naar Kennedy Van der Laan.
(27-5-2008)
Ir. Jan Sipkema (1932-2009)
‘It sil heve’
Peter de Waard
Achteraf had hij voor de tocht van 1985 misschien te vroeg ‘It sil heve’ (‘Het gaat gebeuren’) geroepen. Maar hij zou er geen spijt van hebben. Nadat 22 jaar geen Elfstedentocht was gehouden, moest die er dat jaar weer komen, ondanks de lichte dooi. Dan maar extra klûnplekken. Op de dag zelf hield hij zijn hart vast toen centimeters dooiwater op het ijs waren te zien. Maar het liep goed af.
De voormalig voorzitter van de Vereniging De Friesche Elf Steden ir. Jan Sipkema, die gisteren op 75-jarige leeftijd overleed, hield altijd de beste herinneringen aan de Elfstedentocht van 1985 – zeker vergeleken met die van de ook door Evert van Benthem gewonnen tocht van een jaar later, toen de massa’s zich verdrongen en buiten zijn medeweten een wildcard aan prins Willem-Alexander was verstrekt. ‘In 1985 was het een spontaan volksfeest, iets dat we sinds de bevrijding niet hadden meegemaakt. Het jaar daarop kregen we carnavaleske toestanden.’
Jan Sipkema werd geboren in Sneek en studeerde waterbouwkunde in Delft. Hij werd later directeur van het provinciale waterschap in Friesland. Hij reed de Elfstedentocht zelf twee keer als wedstrijdrijder. In 1954 eindigde hij als 51ste. Hij reed ook de in een heuse sneeuwstorm gehouden tocht van 1963 uit.
In 1983 werd hij gekozen tot bestuurslid van de Friesche Elf Steden en een jaar later als voorzitter. In 1994 gaf hij het voorzitterschap op, omdat door de vut zijn contacten met maatschappelijke organisaties waren verminderd. Zijn opvolger werd ijsmeester ir. Hans Kroes.
Sipkema woonde tot een half jaar geleden in Sneek. De ziekte van Parkinson dwong hem te verhuizen naar een verpleeghuis in Noord-Holland. Zaterdag wordt hij gecremeerd.
(14-5-2008)
Yossi Harel (1918-2008)
Exodus-held dankzij Leon Uris
Peter de Waard
Er wordt beweerd dat zijn rol is geromantiseerd door schrijver Leon Uris. Afgelopen weekeinde werd bekend dat Yossi Harel, wiens rol als commandant van het Joodse vluchtelingenschip Exodus in 1957 werd beschreven door Uris en in 1960 op het witte doek vertolkt door Hollywoodster Paul Newman, op 90-jarige leeftijd is overleden.
In Israël is Harels heldenrol niet bij iedereen onomstreden. Zijn biograaf Yorman Kaniuk noemt hem een van de reuzen van de staat Israël: ‘dapper en avontuurlijk’. Maar de kapitein van de Exodus, Ike Aronowitz, heeft hem een slappeling genoemd.
De Exodus – een omgebouwd Amerikaans cruiseschip – was in juli 1947 uit de haven van Marseille vertrokken met 4.515 overlevenden van de Holocaust, die naar het toenmalige Britse mandaatgebied in Palestina wilden emigreren. Ze hadden echter geen visa en de Britten, die toenemende etnische spanningen vreesden, wilden de Joden niet toelaten. Het schip werd voor de haven van Haifa ingesloten door de Britse marine. Er braken gevechten uit, waarbij drie mensen werden gedood. Uiteindelijk lukte het alsnog in Haifa af te meren, maar de passagiers mochten het schip niet verlaten. Na 24 dagen werden de Exodus en zijn passagiers teruggestuurd. Uiteindelijk bleek het schip alleen welkom te zijn in Duitsland, waar de overlevenden van de Holocaust opnieuw in kampen werden ondergebracht. Pas nadat in 1948 de staat Israël werd opgericht, konden velen alsnog emigreren.
Yossi Harels familie woonde al sinds de 18de eeuw in Palestina. Zelf was hij op zijn 14de lid geworden van de Haganana, de zionistische verzetsorganisatie. In 1945 verzocht de Hagana-leiding hem Joden uit Europa Palestina binnen te smokkelen.
Met vier schepen, waaronder de Exodus, haalde hij 25 duizend Joden naar de toekomstige nieuwe staat. Na de onafhankelijkheid van Israël was Harel actief in het Israëlische leger en de geheime dienst Mossad. De laatste tijd verzamelde hij kunst.
(28-4-2008)
Jan Molenaar (1913-2008)
Toen turners nog heren waren
Peter de Waard
Vluchtelementen waren er toen nog niet. En wie met een enkele, weliswaar gestrekte, salto van het hoge rek sprong, was al een hele piet.
‘Nu moet je minimaal een drievoudige salto maken. Maar je moet het niveau van die tijd niet onderschatten’, zegt gymnastiekleraar Arie Kaan (57) die in 2001 het jubileumboek van de toen 100-jarige vereniging Hercules-Hygiéa uit het Noord-Hollandse Oudkarspel schreef. ‘Ook die jongens waren ijzersterk en de reuzenzwaai werd wel zeker gedaan.’
Vorige week overleed een van de beroemdste leden van deze vereniging. Jan Molenaar (95) was Nederlandse turnkampioen meerkamp in 1939, 1940 en 1942. De oorlog voorkwam dat hij meer nationale en internationale titels kon behalen.
Molenaars periode zat tussen twee andere beroemde kampioenen van deze vereniging: Klaas Boot sr. (kampioen in de jaren twintig) en, de latere televisieverslaggever en het internationale jurylid, Klaas Boot jr. (meervoudig kampioen in de jaren vijftig).
Hercules-Hygiéa was jarenlang de beste vereniging van Nederland – ‘toen turnen na voetbal de grootste sport van Nederland was’. Doel van de vereniging was niet kampioenen op te leiden, maar voor de algemene welstand van de leden in Langedijk, Oudkarspel, Noord- en Zuid-Scharwoude zorg te dragen.
Molenaar bleef dat principe altijd uitdragen. ‘Hij was een keurige man die zijn binnen- en buitenlandse concurrenten vooral als makkers zag – mensen met wie je na de wedstrijd een kameraadschappelijke maaltijd ging gebruiken’, aldus Kaan.
Molenaar leefde, volgens Kaan, zoals hij turnde – een bescheiden mens met een echte lerarenstem. De doelstelling van gymnastiek bleef voor hem de harmonieuze ontwikkeling van het lichaam. ‘Toen hij in 1976 erevoorzitter werd van de club, zei hij in zijn toespraak nog steeds dat de ‘club voor de lichamelijke welstand van de leden zou moeten zorgen’. Kaan: ‘In dat jaar werd tegen deze uitspraak al heel vreemd opgekeken.’
(23-4-2008)
Espen Greger Hagen (1964-2008)
Laatste der junkiekunstenaars
Peter de Waard
Hebben drugs zijn werk gevormd of zijn creativiteit gedood? ‘Allebei’, zegt zijn ex-vrouw Tanja den Broeder. Espen Greger Hagen (44) die eind jaren negentig vaak samenwerkte met Herman Brood, is vorige week donderdag op 44-jarige leeftijd overleden aan een hartstilstand. Zijn voormalige echtgenote noemt hem de laatste ‘junkie-kunstenaar van Nederland’. ‘Misschien een beetje onzinnige titel, maar het is een feit dat zijn levensstijl zeer verbonden was met drugs en vice versa.’
De in Noorwegen geboren Hagen kwam midden jaren tachtig naar Nederland om te studeren aan de Rietveld Academie. In 1987 ontmoette hij Tanja den Broeder op een feestje van kunstenaar Gabriel Kousbroek. ‘Hij was uitzonderlijk getalenteerd’, zegt ze. Voordat hij drugs ging gebruiken, verheerlijkte hij in zijn schilderwerken William S. Burroughs, die in 1951 zijn vrouw Joan Vollmer Adams doodschoot in een dronken William Tell spel. ‘Beiden waren leden van de Amerikaanse beat generation. Deze subcultuur die op zijn geheel eigen wijze ook Herman Brood aansprak lijkt nu in Nederland geen levende opvolgers meer te kennen.’
Espen Hagen werd daarna bekend om zijn performances, vaak samen met Brood. ‘Door de drugs ging ook onze relatie kapot. In 1997 zijn we gescheiden’, zegt Tanja den Broeder. Vanavond zal in Gallery Donkersloot aan de Leidsegracht afscheid van Espen Hagen worden genomen.
(17-4-2008)
Leo Dobbelaar (1943-2008)
Een workaholic in Ethiopië
Peter de Waard
Hij richtte scholen op, verbeterde de veestapel door de inbreng van de Friese rasstier. Hij hielp bij het ontwerpen van bruggen en deed daarnaast ook nog eens de pastorale zorg.
Bisschop zijn in Ethiopië is toch iets heel anders dan bisschop zijn in Roermond. De eind vorige week op 65-jarige leeftijd overleden monseigneur Leo Dobbelaar was sinds 1971 werkzaam in het door stammenstrijd, burgeroorlog, politiek geweld en revoluties geteisterde Afrikaanse land. Vanaf 1994 was deze Zeeuw bisschop van Nekemte, een geïsoleerd gebied in het zuidwesten van Ehtiopië waar rebellen uit Soedan regelmatig naar uitwijken.
‘Als je hem wilt karakteriseren, zou ik zeggen dat hij een workaholic was. Elke keer als ik hem in Ethiopië bezocht, was hij tot ’s avonds laat aan het werk’, zegt pater Wellemakers van de Congregatie der Missie, ook wel Lazaristen genoemd.
Wellemakers (75) kende Dobbelaar goed. Niet alleen bezocht hij hem vaak in Ethiopië, ook was hij zijn novice-meester tijdens Dobbelaars studie filosofie in Eefte, in de jaren vijftig.
Leo Dobbelaar werd geboren in Boschkapelle in Zeeuws-Vlaanderen – een regio die veel missionarissen placht op te leveren. ‘Monseigneur Jansen, die ook in Ethiopië werkzaam was en daar tussen 1955 en 1972 bisschop was, kwam ook uit die streek’, vertelt Wellemakers.
Dobbelaar wilde hoe dan ook de missie in. Aanvankelijk werkte hij als missionaris in Bonga, een stadje in het binnenland waar de meeste mensen nog natuurgoden aanbaden.
Maar na de communistische machtsgreep in 1978 werden alle buitenlandse missionarissen en zendelingen gedwongen zich terug te trekken. ‘De meesten werden het land uitgezet, maar Dobbelaar wist in Addis Abeba een functie te vinden die de machthebbers wel behaagden. Hij zette daar een studentenhuis op en werd leraar aan het diocesaan grootseminarie’, aldus pater Wellemakers.
In 1982 werd hij provinciaal overste van de Lazaristen in het land en twaalf later volgde zijn wijding tot bisschop. Hij heeft veel gedaan aan de opleiding van nieuwe jonge priesters. In het bisdom Nekemte – een gebied zo groot als de Benelux – werken nu dertig priesters die jonger zijn dan 45 jaar.
Na de Nederlandse bisschoppen Jansen, Bomers (de latere bisschop van Haarlem) en Dobbelaar zal nu vrijwel zeker een Ethiopiër de nieuwe bisschop worden. Dobbelaar is gisteren begraven
(27-3-2008)
Laurens Slot (1955-2008)
Tassendrager van Joop den Uyl
Peter de Waard
‘Ik en Joop’, zo werd hij wel gekscherend genoemd. Laurens Slot – de zo onverwacht op 52-jarige leeftijd overleden bevlogen sociaal-democraat – was jarenlang de ‘tassendrager’ van wijlen premier Joop den Uyl. Hij was niet alleen diens woordvoerder, maar had ook altijd een borstel bij zich waarmee hij de sigarenas van de pakken van de PvdA-leider kon vegen.
David Barnouw, nu woordvoerder van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, kent Slot al vanaf zijn studententijd. ‘Wij waren politiek zeer actieve vierdejaars-studenten aan de Universiteit van Amsterdam. En ineens kwam daar zo’n eerstejaars uit Enschede die zich niets van de studentenhiërarchie op de Universiteit van Amsterdam aantrok.’
De studenten politicologie waren in die tijd bijna allemaal links georiënteerd. Het was dan ook geen verrassing dat Slot zich na zijn studie eerst tot de vakbond en daarna tot de PvdA aangetrokken voelde. Slot werd woordvoerder van Den Uyl in diens nadagen als partijleider. Na Den Uyls dood was hij ook korte tijd actief voor prominente PvdA’ers als Wim Meijer en Wim Kok.
Maar hij liet zich niet inkapselen door het partij-establishment. Slot bleef in wezen altijd een actievoerder. Daarnaast was hij een kundig communicatieadviseur en bekwaam organisator. Hij organiseerde zowel talrijke landelijke als lokale verkiezingscampagnes. Niemand in de PvdA deed ooit tevergeefs een beroep op zijn talent als organisator. Slot had zelfs een speciaal kostuum – ‘het intimidatiepak’ – dat hij aantrok om debatten te winnen. Zo voerde hij campagne voor het voorzitterschap van Ruud Koole in 2000.
Maar zijn organisatietalent bleef niet beperkt tot de politiek. Hij was zeer actief in de voetballerij. Hij was speler, scheidsrechter, barman en voorzitter van de Amsterdamse amateurclub DVVA.
Vier jaar geleden trouwde hij, en kreeg een dochtertje. Hij werd door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uitgezonden naar projecten voor democratisering in Roemenië en Oekraïne. Na terugkeer werd hij woordvoerder van woningbouwvereniging Ymere. Barnouw: ‘Vorige week was hij op een feestje, zoals altijd heel vrolijk. De volgende dag werd hij getroffen door een hartstilstand.’
(26-3-2008)
Coen Oort (1928-2007)
Belastinghervormer
Peter de Waard
De naam van Coen Oort zal onverbrekelijk verbonden blijven met de belastingvereenvoudiging van begin jaren negentig. Maar Oort was ook een spin in het web tussen Den Haag en het bedrijfsleven. Hij was bestuurder van ABN Amro, hij was (president)-commissaris bij onder meer KLM, KPN, Philips en de Robeco Groep. Zijn voelhorens bleven altijd contact houden met Den Haag.
Vrijdag is prof. C.J. (Coen) Oort op 78-jarige leeftijd overleden. Hij was al enige tijd ziek. Eind jaren negentig behoorde hij met zijn commissariaten nog tot de invloedrijkste vijftien Nederlanders, maar nadat hij in 2000 de wettelijke leeftijdsgrens had bereikt voor een commissaris, leidde hij een teruggetrokken bestaan. Hij reisde veel – met name naar Azië (zijn in het Sanskriet afgestudeerde vrouw Marianne is bestuurder van de Nederland-India Association) en Zuid-Amerika, waar een van zijn drie zonen woonde. Maar hij bezocht trouw de tweemaandelijkse bijeenkomsten van de club van voormalige thesaurier-generaals.
‘Hij was een bedrijfsbestuurder, maar iemand die ook altijd oog hield voor de publieke zaak’, zegt voormalig Robeco-topman Piet Korteweg, die hem goed heeft gekend en zelf in de jaren tachtig thesaurier-generaal was. Oort werd gewaardeerd vanwege zijn snelle geest. ‘Hij wist beslissingen te nemen en kwam daar dan niet op terug', aldus Korteweg.
Coen Oort volgde in 1971 Willem Drees jr. op als schatkistbewaarder op het ministerie van Financiën. In 1977 stapte hij over naar de ABN.
In 1985 werd hem gevraagd een onderzoek te leiden naar de vereenvoudiging van het Nederlandse belastingstelsel. Er zouden in ruil voor lagere tarieven aftrekposten moeten worden geschrapt, zodat veel minder Nederlanders een aangiftebiljet zouden moeten invullen.
Het onderzoek nam vijf jaar in beslag. Het leidde ertoe dat het aantal schijven werd teruggebracht tot drie en het toptarief in 1990 werd verlaagd van 72 naar 60 procent. Maar van het plan om minder aangiften te krijgen, kwam weinig terecht. Niet alleen morrelde de politiek flink aan Oorts voorstellen, ook werden steeds meer Nederlanders huizenbezitter. Oort raakte er niet gefrustreerd over. ‘Hij had al niet zulke hoge verwachtingen. Hij wist hoe Den Haag in elkaar zit. Daarom hadden ze hem ook gevraagd’, aldus Korteweg.
Bij ABN opereerde Oort altijd in de schaduw. Maar als commissaris van de KLM trad hij twee keer naar buiten. In 1987 leidde hij de vergadering van commissarissen waarbij het toenmalige plan van president Sergio Orlandini om de Hilton-hotels over te nemen, werd afgeblazen. In 1996 bleek hij namens KLM te praten met British Airways – naar eigen zeggen slechts een kennismakingsgesprek.
(28-11-2007)
Lau de Waard (1924-2007)
Op dezelfde plek met een blik naar de duinen
‘Heb je nog nieuws?’ vroeg hij altijd als iemand binnenkwam. Hij was geïnteresseerd tot op de laatste dag – niet alleen in dorpsverhalen, hij wilde ook alles weten over de wereldpolitiek.
Een bezoek aan hem was voor jezelf even een moment om de belangrijkste gebeurtenissen van de week op een rij te zetten: de uitslag van Zeevogels, de gezondheidstoestand van oude schoolvrienden en familie, de Haagse politiek en de capriolen van de nieuwe paus.
Het zal vreemd zijn het vertrouwde loopje naar de Herenweg niet meer te hebben – het gesprek met de man die de laatste jaren altijd in dezelfde stoel op dezelfde plek was te vinden waar hij naar buiten kon kijken in de richting van duinen en bollenvelden. In zijn hand draaide de filtersigaret waarvan de filter was afgeknapt. Zijn ogen zochten naar een aansteker die hij nooit kon vinden. Ondanks zijn verslechterde gezondheid verloor hij nooit zijn humor en streken.
Hij moet een gelukkige jeugd gehad hebben zo vaak hij praatte over de periode ‘voor de oorlog’. Hij had graag naar de LTS gewild, maar moest naar de hoger aangeschreven ULO. Misschien is hij daardoor misgelopen wat hij daadwerkelijk wilde doen: een technische studie. Vader had twee rechterhanden – een uitzonderlijk gegeven in een familie waar onhandigheid ongeveer in de genen is vastgelegd – zowel bij zijn broers als zijn kinderen.
Gelukkig kon hij het sleutelen in het bloembollenbedrijf toepassen. Een van mijn oudste herinneringen aan vader is de man die ‘s morgens pikzwart van het roet thuiskwam. Hij was dan om vier uur in de ochtend de kachels gaan maken die diende voor het heetstoken van hyacinthen. Hij heeft binnen de firma De Waard enorm veel gerepareerd: van tractors en rooimachines tot al de andere vaak bizarre werktuigen die na de mechanisatie van de jaren vijftig hun intrede deden.
En als er op het werk niets te klussen was, deed hij het thuis: modeltreinen, klokken, fietsen en kasten. Je kon zelfs niet in de laatste dagen van zijn leven de keuken binnenlopen of er lag een waterpomptang of hamer op het aanrecht. Waarvoor? Ik kon het alleen maar vermoeden. Hij had een ongebreidelde fantasie tot wat nu engineering wordt genoemd. Tegen de wijkverpleegkundige zei hij het gebit twee seconden even in de magnetron te leggen zodat het niet zo koud was. Als de afstandsbediening van de televisie niet goed werkte, slaagde hij erin de batterijen op te laden in de telefoonoplader. Zijn garage is een museum van antieke gereedschappen.
In 1954 trouwde hij met Riet Smal, een jonge vrouw die hij ontmoet had op een feestje bij Kees Groot in Egmond a/d Hoef. Ontelbare keren heeft hij tijdens zijn verkering naar Spanbroek gefietst, waar zij – ook uit een gezin met vijftien kinderen - woonde.
Ze kregen zelf vier kinderen. Hij werkte hard van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat wat hij niet nalaatte ook veelvuldig te benadrukken. Behalve belangstelling voor techniek had hij veel interesse in politiek. Hij zocht daarbij graag het debat.
De jaren zestig en zeventig was daarvoor een prachtige tijd. Als de kinderen op zaterdag naar het linkse VARA-radio programma In de Rode Haan luisterde, zette hij zondag de radio aan om op de AVRO de praatjes van GBJ Hilterman en Ferry Hoogendijk te horen. Hij provoceerde ons graag met de visie van Guus –zoals hij GBJ noemde – op de toestand in de wereld.
Maar nooit werd duidelijk waar hij daadwerkelijk politiek stond. Als ome Arie hier, een trouw aanhanger van Helmut Kohl, in de zomermaanden ’s avonds langs kwam, plaatste hij ineens de communist Eric Honecker op een voetstuk. ‘De DDR lijkt mij wel een ideale maatschappij. Daar zijn ze gelijk zoals God het wilde’.
Hij hield van sport. Als op een zomerzondag iedereen buiten zat of naar strand ging, luisterde vader met gesloten gordijnen naar Langs de Lijn met naast zijn stoel een stapel kranten. Hij nam ons als kind graag mee naar Volendam – de enige club in zijn ogen waarvan de spelers tenminste niet bijelkaar waren gekocht. Na afloop werden palingen gehaald op de dijk – zijn lievelingsgerecht. Paling werd uiteindelijk het enige dat hij tijdens de laatste van zijn ziekte nog kon eten en waarvan hij genoot.
Toen bleek dat hij geen opvolger in het bedrijf had stopte hij op zijn 62-ste jaar om samen met moeder te genieten, nog meer te lezen en de wereld zelf te zien. Maar in 1992 overleed zij onverwacht tijdens een vakantie in Indonesië. Het was een klap die hij nooit helemaal te boven kwam.
Maar hij vocht dapper vijftien jaar alleen door. Hij hield het huishouden bij - ´vind je het hier niet netjes´´, vroeg hij altijd – en probeerde zijn leven opnieuw op te pakken. Hij fietste met Gerrit van Dam, biljartte met Martin Pepping en reisde naar Israel en naar Finland. Ik weet niet hoe vaak hij vertelde over de natuur en stilte op het Finse eiland waar zijn buurman en vriend Ees Karels woonde – de man die erbij was toen hij deze week stierf. In 2005 werd uiteindelijk slokdarmkanker bij hem vastgesteld. Hij wilde het niet weten en het er niet over hebben. Het leven is te kort om over een ziekte te gaan zitten kniezen. Ongemakken werden afgedaan als ouderdomsverschijnsel.
Hij verbaasde specialisten met de wijze waarop hij zich overeind wist te houden. Hij hield zijn standvastige karakter. ´Als ik naar een verzorgingsthuis moet, hoeft het van mij niet meer.´ Ook van een bed in de kamer wilde hij niet weten. Toen dinsdag duidelijk werd dat hij zelf de trap naar boven niet meer op zou kunnen, koos hij zijn eigen moment om er tussenuit te glippen. Hij overleed in zijn eigen stoel, waar hij zo vaak zat – uitkijkend over duinen en bollenvelden.
De hele santekraam van trapliften, hoog-en laagbedden en po-stoelen is hem onthouden. Dat is een troost – hoe zeer we hem ook zullen missen. Als we op de vraag Is er Nieuws over zijn eigen dood hadden verteld, had hij gezegd ‘Mooie dood, rijk leven.’
(5-5-2007)
Jan Zuurbier (1924-2006)
Nooit meer die gulle lach
Als we hem niet zo zouden missen, zouden we eigenlijk met een vrolijke noot afscheid moeten nemen van Jan Zuurbier. ‘Dag vogels, dat bloemen’, zou hij zelf zeggen.
Weinig mensen konden voor zoveel vrolijkheid zorgen als hij. Zijn grappen en grollen, zijn aanstekelijke grijns en ja, zelfs zijn gekibbel en gemopper, werkten op de lachspieren.
Hij hield van gekkigheid. Liefst in combinatie met gezelligheid.‘Koppie doen’ was een van zijn sleutelwoorden. De enige huishoudelijke werkzaamheden die hij tot in de puntjes beheersten, waren koffie zetten en kaasblokjes snijden. En natuurlijk was er daarna een borrel.
Wie door de achterdeur het huis binnenkwam – eerst aan de Kerkstraat in Veenhuizen en later aan de Kerkelaan in Heiloo – had al bij voorbaat een glimlach op het gezicht. Altijd was er een gezellig uurtje gegarandeerd.
De eerste keer dat ik hem ontmoette op de boerderij in de Veenhuizer polder, gaf hij mij een rondleiding over het erf. De moestuin, het konijnenhok, de stal, een holle boom – overal had hij iets van verboden waar verscholen. En overal barstte hij in lachen uit in de ijdele overtuiging dat zijn echtgenote het niet zou vinden.
Hij was een bijzonder mens. Een gezelschapsdier. Hij had het unieke talent mensen spontaan aan te klampen en met humor voor zich te winnen.
Toen hij twintig jaar geleden van een gehucht in een Noordhollandse polder waar iedereen elkaar kende, naar het meer anonieme Heiloo verhuisde, ging hij op het eerste beste bankje in het bos zitten naast wie daar ook toevallig aanwezig was. ‘Ken ik jou niet?’ vroeg hij de vreemdeling. ‘Ben jij van hier?’, ging hij stug door als de onbekende ontkennend of niet antwoordde. Bijna altijd lukte het hem samen met de gesprekspartner een nieuwe kennis te ontdekken waarover kon worden geroddeld.
Zelfs door vreemde talen liet hij zich niet weerhouden. Een keer ben ik met hem naar Duitsland geweest. Bij elk benzinestation stapte hij naar de eerste beste automobilist met de enige opmerking die hij zich nog van de oorlog herinnerde: ‘Holland in not, keine Käse, keine Brot.’ Vijf minuten later had hij een heel gesprek en was uitgenodigd voor een borrel in Essen of Hamburg. ‘Maar naar die Günther met die stijve nek ga ik natuurlijk niet heen’, grapte hij daarna in de auto.
Zelfs in Engeland stapte hij op een boer af die net op de tractor wilde klimmen, om zijn Schotse Highlanders te verzorgen. ‘Hoeveel heb je er?’ vroeg hij hem. Toen de stugge Britse boer hem onbegrijpelijk aanstaarde, haalde hij zijn schouders op. ‘Gekke man.’ Hij had geen talenkennis nodig om met andere mensen te praten. Hij kon het ook met gebaren.
Hij werd in 1924 in Nieuwe Niedorp geboren als boerenzoon. Het gezin verhuisde later naar de Groenedijk. De oorlog was door zijn deportatie naar Duitsland en zijn vergeefse pogingen daar weg te komen, een traumatische ervaring. Terug in Nederland begon hij op de boerderij van zijn vader. Hij trouwde met Mien Groot en ging wonen in Oude Niedorp. Na de brand van de oude boerderij verhuisden ze naar een nieuw huis in de Veenhuizer Polder. De dieren – honden, konijnen, duiven en vooral paarden (zelfs in Heiloo had hij in de achtertuin een complete ark van Noah) – en de handel waren zijn grote liefdes. Hij was een van de trouwste bezoekers van de markt in Purmerend die symbolisch zijn sluiting aankondigde op de dag dat hij wordt begraven. En hij verwende op schandalige wijze zijn twee dochters van wie hij zielsveel hield.
Hij bleef hoe dan ook altijd de onberekenbare kwajongen. Zelfs de verhuizing naar Heiloo was een kwajongensstreek – even kijken of mijn familie daar wel durft te komen. Hij heeft hier twintig mooie jaren van zijn pensioen weten te genieten. Ziektes tastten zijn lichaam in zijn laatste levensjaren aan, maar nooit zijn geest. Hij klaagde zelden, haalde kattenkwaad aan met zijn kleinkinderen ‘Roor’ en ‘Kel’ en deed zijn best van het leven te genieten. Hierbij werd hij gesteund door zijn vrouw die alles voor hem deed.
Drie maanden geleden kwam zijn ziekte in een stroomversnelling. Maar zelfs als rolstoelpatient verloor de vos zijn streken niet. Af en toe bleek hij op wonderbaarlijke wijze toch weer een op zijn benen te kunnen staan. Zijn echtgenote moest bij thuiskomst hem toch weer aankijken met haar grote argwanende grote ogen als ze op het aanrecht een velletjes van de paardenworst vond die er niet waren geweest toen ze boodschappen ging doen. Hoe dat kwam? ‘Ik weet van niets. Muizen, kabouters..’ zei hij tegelijkertijd grinnikend in de richting van ons.
Zelf op de laatste avond voor zijn dood – toen hij onbewust moet hebben geweten wat hem te wachten stond – maakte hij grappen. Over de nieuwe oogst Rode Biltstar – pap in de pan - over mijn al dan niet bestaande brommer – hij bromt zelf – en op het allerlaatste moment over het feit dat hij naar bed moest. ‘Ik heb vandaag al lang genoeg op dat nest gelegen.’
Daarna zei hij niets meer. De wereld is een iets minder vrolijke plek.
(30-8-2006)