NECROLOGIEËNRUBRIEK DE VOLKSKRANT

 

 

 

Terence de Silva (1951-2013)
Artiest

  

Indiaan van Slagharen

 Hoe een toeristengids uit Sri Lanka ­bekendheid verwierf als boegbeeld van ponypark Slagharen

 Peter de Waard

terenceToen hij eens op het vliegveld van Los Angeles was, vroeg de douanebeambte spontaan uit welk reservaat hij kwam. ­Terence de Silva, of Tyronne, zoals intimi hem noemden, had het gezicht van een oer-indiaan en was daar trots op. In ­Nederland was hij bekender dan menig televisiepersoonlijkheid. De Silva was twintig jaar lang als indiaan het boegbeeld van ponypark – later attractiepark – Slagharen en geliefd bij ouders en kinderen. Waarschijnlijk staat hij in duizenden fotoalbums.
De Silva overleed op 18 september om vijf uur ’s nachts aan een hartstilstand, in zijn slaap, onverwacht. Hij was actief, energiek en voelde zich zo gezond als een vis, zegt zijn partner Marianne ­Lammers. Met haar leefde hij samen in Lutten.Terence de Silva werd geboren in het centrale gedeelte van het eiland Sri Lanka, in een katholiek gezin met zes kinderen. Zijn vader was kleermaker en zijn moeder lerares Engels. Ze waren gescheiden, hetgeen in die tijd zeer ongebruikelijk was. De Silva trok veel op met zijn vriend Denfil en werd toeristengids. Het boomstammenhuis waar hij woonde, had hij zelfgemaakt.
De politieke instabiele situatie in Sri Lanka maakte hem het werken onmogelijk. De overheid dwong hem allerlei gegevens door te spelen over ­Tamils die in het hotel sliepen. Hij weigerde dat, waardoor zijn leven gevaar liep. In 1991 kwam hij in contact met Nederlandse vrouwen die als vrijwilliger in een Srilankaans weeshuis werkten. Zij hielpen hem aan een uitnodiging voor een bruiloft in Nederland. Toen hij hier was, kon hij politiek asiel aanvragen. Twee jaar later bezocht een afgevaardigde van het ponypark het asielzoekerscentrum De Eik in Slagharen, op zoek naar iemand die de rol van indiaan kon vervullen. ‘Daar was hij heel geschikt voor. Al in Sri Lanka was tegen hem gezegd dat hij dankzij zijn ancient face zo veel op een indiaan leek’, aldus Marianne Lammers. Zij ontmoette hem in het asielzoekerscentrum waar ze destijds zelf werkzaam was. Samen kregen ze een bijzondere relatie van diepe, soms stille verbondenheid. 
De Silva leefde zich helemaal in. Hij leerde paard­rijden en gitaarspelen. Daardoor kon hij oude indiaanse liedjes vertolken. Hij werd thuis ook de indiaan en las over de indianencultuur, richtte zijn garage in als een indianenonderkomen en reisde zelfs meermaals naar de Verenigde Staten om de echte indianencultuur te leren kennen. ­Een museummedewerker liep op een dag op hem af en vroeg of hij model wilde staan voor een art class. Op Schiphol sprak een Nigeriaan hem aan. Samson ach Beby werkte als antropoloog in Tucson en gaf les aan de kinderen op het indianenreservaat. Ook hij vroeg aan De Silva van welke stam hij was. In dat leslokaaltje heeft nog een indianenposter van hem gehangen.
In de winter werkte hij op het hoveniersbedrijf van huisgenote Foekje Goeree. Als Slagharen in de lente weer openging, was De Silva altijd de eerste die voor de poort stond. Daardoor werd hij het gezicht van het attractiepark. Toen hij overleed, kwamen alleen al de eerste dag vijfhonderd condoleances via de sociale media binnen – niet alleen uit ­Nederland, maar ook uit Zweden, Denemarken en Duitsland.
Zijn vriend Denfil kwam over om afscheid te nemen. Hij legde een kokosnoot met aarde en zand uit Sri Lanka bij de kist. Hierdoor werden de levens van Tyronne en Terence, zowel in Sri Lanka als in Nederland, met elkaar verbonden.
(15-10-2013)

 

Herman Beliën (1946-2013)
Docent

 

Gevierd en verguisd

Historicus Herman Beliën was een 'schoolmeester des vaderlands', niet te deftig voor tv, geschikt voor Paradiso.

Peter de Waard

hermanHij was eerder een performer dan een geschiedenisdocent. Daarom waren de colleges van Herman Beliën zo populair. 'In de jaren tachtig had hij zo Paradiso kunnen vullen', reageerde een student op het nieuws van zijn plotselinge overlijden op 13 september aan de gevolgen van acute leukemie. Twee jaar geleden bij zijn afscheid van de Universiteit van Amsterdam werd door het kunsthistorisch blad Eindeloos nog een speciaal themanummer gewijd aan de 'geliefde en gevreesde, gevierde en verguisde docent'.
Herman Beliën, de schoolmeester des vaderlands, had liefst 47 jaar zijn stempel gedrukt op de vakgroep geschiedenis van de universiteit. Daarnaast had hij aan de weg getimmerd als auteur van de boekjes Een kleine geschiedenis van de klassieke oudheid en Een kleine geschiedenis van Nederland. En eind jaren negentig werd hij ook nog een bekende televisiepersoonlijkheid. Ook publiceerde hij samen met zijn toenmalige echtgenote vanaf de jaren tachtig Dominicus-reisgidsen.
Beliën werd geboren in een arbeidersgezin in Beverwijk. Zijn moeder stimuleerde haar twee zonen - naast Herman de vier jaar jongere Ton - naar het gymnasium te gaan. 'Daardoor kwamen we ook in een ander milieu terecht. Dat van de hockeyclubs.' Herman Beliën was al jong gefascineerd door het vak geschiedenis. Toen hij in 1964 geschiedenis ging studeren aan de Universiteit van Amsterdam waren er slechts 18 eerstejaars. Dat aantal breidde zich tijdens zijn studie zo snel uit dat de toenmalige hoogleraar Oude Geschiedenis Bram Breebaart hem in 1967 vroeg als kandidaat-assistent. Toen hij twee jaar later afstudeerde, bleef hij. In 1975 werd hij universitair docent bij de toenmalige vakgroep Nieuwe en Theoretische Geschiedenis. Hier voelde hij zich als een vis in het water. Vanaf eind jaren negentig verdeelde hij zijn aandacht tussen Amerikanistiek en Nieuwste Geschiedenis.
Na zijn pensioen in 2011 bleef hij als gastonderzoeker verbonden aan de universiteit en werkte mee aan het vastleggen van de geschiedenis van een woonwijk in Johannesburg. Beliën was een eigenzinnig historicus die tijdvakken en grenzen overschreed. Als hij de cultuurhistorische betekenis van de auto in de Amerikaanse samenleving wilde duiden, begon hij met de hit Paradise by the dashboard light. 'Geschiedenis was voor hem een manier van leven, een avontuur vol intrigerende details. Hij kon ook cynisch zijn. Over het feit dat hij nooit was gepromoveerd, zei hij: 'Ik beschouw mezelf als academicus, met een vlek. Het was vooral een handicap bij het scheren. Dat je jezelf in de spiegel aan moet kijken en denkt: dát is je niet gelukt.'
Hij wilde van de studenten geen samenvattingen van andermans boeken, maar eiste een visie of interpretatie van de stof. Ook nam hij studenten graag mee naar de plekken waar de geschiedenis zich had afgespeeld, zoals Rome. Hij sprak studenten aan, je achter een beeldscherm verschuilen of achterin gaan zitten bij college was zinloos. 'Dan loop ik naar achter en pak ik ze weer. Dat is mijn manier.' Met lezingen, stadswandelingen en radio- en televisieprogramma's als Bestaat Nederland en de Canon van Amsterdam bereikte hij het grote publiek. 'Mijn collega's aan de universiteit vonden het over het algemeen maar niks. Dan kwam ik een collega tegen die zei: 'Herman, ik hoor dat je op de televisie bent.' De manier waarop hij dat zei, was alsof hij naar een pleepot keek. Toen ik bevestigend antwoordde, keek hij me patriarchaal aan en zei: 'Maar dat is toch niks voor ons hè.'
(8-10-2013)

Aart Foppen (1938-2013)
Winkelexploitant

Zijn tijd ver vooruit

Foppen richtte een elektronicaketen op, werd er rijk mee, maar bleef een echte ‘Harderwieker’.

Peter de Waard

aartAls visserszoon boekte hij vlak voor zijn overlijden nog een opmerkelijk succes. De herbouw van de visafslag van Harderwijk zal alsnog doorgaan. Aart Foppen, oprichter van de elektronicaketen Scheer & Foppen, was de initiatiefnemer van het plan, maar omdat er telkens onenigheid ontstond over de locatie kostte het meer moeite dan iedereen dacht. Nadat Foppen ziek was geworden moest hij de leiding van de initiatiefgroep overdragen. Net voor zijn overlijden kwamen ze met een plan voor de vestiging van de afslag in de voormalige Vissershaven naast de molen De Hoop. Niemand twijfelt er nu aan dat de gemeenteraad akkoord zal gaan. Het geld, zo’n 8 ton, is er.
Foppen overleed op 18 september aan de gevolgen van kanker. Hij is 75 jaar geworden. Hij bleef niet alleen tot het einde van zijn leven maatschappelijk actief, hij had ook nog altijd een vinger aan de pols bij de elektronicaketen waar drie van zijn kinderen tegenwoordig de scepter zwaaien. hij schuwde de moderne distributie niet. Scheer & Foppen was een van de eerste ketens die ervoor kozen ook het online-verkoopkanaal te ontwikkelen. Daarnaast werd besloten geen vestiging in de periferie te openen. ‘Wij willen in de binnenstad blijven, dicht bij onze klanten’, zegt zijn dochter Hennie Ponsteen-Foppen, een van de directeuren. Terwijl grote elektronicaketens als Block en De Harense Smid failliet zijn gegaan, gaat het volgens haar met Scheer & Foppen nog heel goed.
Aart Foppen werd in 1938 geboren in een christelijk nest. Hij was de negende in een gezin van dertien kinderen van een visser uit Harderwijk. Hij besloot zelf een andere kant op te gaan en trad in dienst bij Henk Scheer, die in Harderwijk een winkel in stofzuigers en lampen had. In 1964 besloot hij samen met zijn vrouw Mies een eigen zaak te beginnen in elektronica en technische installaties. Hij wilde de winkel in de slaapkamer vestigen, maar de gemeente keurde dat niet goed, waarna hij een lege bakkerszaak overnam. De komst van de kleurentelevisie gaf hem een kans op snelle expansie, die hij meteen greep. In 1972 nam hij de zaak van zijn vroegere baas in Harderwijk over en ontstond de eerste elektrospeciaalzaak Scheer & Foppen. Vanaf die tijd spreidde het bedrijf zijn vleugels uit, eerst over de Veluwe, daarna in de rest van het oosten en noorden van het land en ten slotte zelfs in Noord-Holland, met vestigingen in Den Helder, Alkmaar en Beverwijk. ‘De expansie was geen doel, het is gewoon zo gegaan’, zei hij bij het 25-jarig jubileum in 1989. In totaal verrezen in Nederland zeventig filialen, voornamelijk in het oosten en noorden van het land. Daarnaast voegde Foppen aan zijn bedrijf een installatiebureau, een rederij, een hotel en een vastgoedbedrijf toe.
Foppen werd Quote 500-lid, maar bleef een echte ‘Harderwieker’. Hij zat als CDA’er enige tijd in de gemeenteraad, maar ontdekte al gauw dat hij als ouderwetse dorpsregent achter de schermen veel meer gedaan kon krijgen. Hij organiseerde de plaatselijke Visserijdagen en was de oprichter van de Botterstichting. Hij was de eerste voorzitter van de Molenstichting Harderwijk en zette zich in voor de NV Stadsherstel. Daarnaast was hij voorzitter van de Ondernemersvereniging en bestuurslid van de Kamer van Koophandel. Hij was betrokken bij de totstandkoming van het bedrijventerrein. Ook leverde hij daarbij een bijdrage aan de verbetering van de N302 en was hij voorvechter van betere parkeervoorzieningen in de stad.
Vorig jaar kreeg hij voor zijn inzet de erepenning van de stad ­Harderwijk.
(2-10-2013)

 

Ronald Gerritse (1952-2013)
Toezichthouder

Uit het klasje van Zalm

Peter de Waard

ronaldRonald Gerritse behoorde tot het klasje van Zalm. De voorzitter van de machtige Autoriteit Financiële Markten (AFM) was een van de voormalige topambtenaren van het ministerie van Financiën die de laatste jaren de sleutelposities in de invloedrijke advies- en toezichthoudende organen hebben ingenomen, naast onder anderen Klaas Knot (De Nederlandsche Bank), Laura van Geest (Centraal Planbureau), Dick Sluimers (ABP) en Kees van Dijkhuizen (ABN Amro).
Gerritse ging begin juni echter met ziekteverlof nadat bij hem beenmergkanker was vastgesteld. Vrijdag maakte de AFM bekend dat hij is overleden.
Gerritse heeft in de afgelopen jaren vanuit het ministerie en ook vanuit de AFM zijn stempel op het financieel-economische beleid gedrukt. Hij pleitte al jaren geleden voor beperking van de aftrek van de hypotheekrente en waarschuwde dit jaar nog voor het generatieconflict over de pensioenen dat steeds verder dreigde te escaleren.
‘Ronald Gerritse was naast een stevige bestuurder met een groot analytisch vermogen en brede kennis van de financiële sector bovenal een zeer aimabel mens die als collega en als toezichthouder partijen bij elkaar wist te brengen’, zegt de AFM in een verklaring.De in Jutphaas geboren Gerritse studeerde economie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Hij maakte carrière bij het Instituut voor Onderzoek van de Overheidsuitgaven en de Sociaal-Economische Raad. Als financieel-economisch deskundige was hij betrokken bij de befaamde parlementaire enquete naar het RSV-schandaal.  In 1996 werd hij eerst secretaris-generaal bij het minsterie van Sociale Zaken, waar volgens oud-minister Klaas de Vries geen bloempot veilig was voor zijn sjekkie, en zeven jaar later bij het ministerie van Financiën.
Vanaf 2008 combineerde hij die baan met de functie van thesaurier-generaal of schatkistbewaarder.Eén jaar later kreeg hij ineens grote bekendheid in Den Haag met de lijst-Gerritse. De lijst bevatte een reeks van bezuinigingen op heilige huisjes, waaronder naast de hypotheekrente-aftrek, de aanrechtsubsidie, AOW, WW en de zorgkosten. Al snel werd in Den Haag over ‘abattoir-Gerritse’ gesproken.
(29-9-2013)

Karel Verdonschot (1955-2013)
Leraar

Rommelig en energiek

Karel Verdonschot was van alle markten thuis, als leraar en journalist. Zijn hobby werd hem noodlottig.
 

Peter de Waard

karelZijn fietsmaten pestten hem er weleens mee. Nijmegenaar Karel Verdonschot eiste veiligheid bij alle trainingsrondjes. En o wee, als een eigenwijs sujet zijn helm had thuisgelaten. Of te enthousiast aan een afdaling begon. Handjes aan de remmen was zijn devies. Hij voelde zich een hoeder van de kudde, maar het wielerplezier spatte van hem af. Zijn veelgehoorde kreet was: Wel genieten hè, jongens! Ook op de School voor Journalistiek in Utrecht was zijn enthousiaste en positieve manier van lesgeven in het oog springend. Op zondag 25 augustus, tijdens de tweede ronde van het World Press Cycling Championship in het Oostenrijkse Tirol, reed hij rond drie uur 's middags tussen Kirchdorf en Kössen in een blinde bocht op een tegemoetkomende auto, een spookrijder. Terwijl het een officieel WK was, met motorrijders die voorop reden om het eventuele verkeer te weren. Tijdens het hele parcours werd de volle breedte van de weg gebruikt. Ook twee Duitse renners werden geschept. Verdonschot moest het met de dood bekopen. Wielrennen was een van zijn passies. Hij was wel eens gevallen, maar kwam altijd met de schrik vrij. Zijn partner Trudy Willems wist: als Karel ergens gaat fietsen, zal het wel veilig zijn.
Verdonschot werd in 1955 geboren als zoon van een mijnwerker die later biljarts installeerde. Als kind vergezelde Karel zijn vader vaak om de lakens op te spannen. Hij was verknocht aan lezen en ging na een studie aan de pedagogische academie Nederlands studeren aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Nog tijdens zijn studie werd hij leraar Nederlands op een middelbare school. Voor dagblad De Gelderlander schreef hij theaterrecensies. Het leraarschap kon hij echter niet loslaten. Eind jaren tachtig werd hij docent aan de School voor Journalistiek in Utrecht. Die opleiding stond bekend als vrijgevochten en zelfs anarchistisch. De School voor Journalistiek ging later op in de Hogeschool Utrecht en werd in een strakker keurslijf gedwongen. 'Karel zag dat met lede ogen aan, maar paste zich aan', zegt collega Arie de Jong, die 25 jaar met hem samenwerkte. 'Hij was even rommelig als energiek, dat maakte zijn relatie met de studenten ook zo goed. Als hij met de leerlingen naar Berlijn of Parijs ging en iedereen 's morgens glazig voor zich uit stond te kijken, wist hij de groep weer te enthousiasmeren.' Verdonschot - vader van twee kinderen - bezat veel feitenkennis en wilde die ook thuis graag uitdragen. Omdat hij inzag dat daar soms een betweterig randje aan zat, bedacht hij met een vriend het 'genootschap voor nutteloze kennis en ongevraagd advies'.
Op de School voor Journalistiek zaten kunstbeleid en bladenmaken in zijn lespakket. In 1996 vroeg een kennis hem of hij niet een journalist kende die een blad voor de tuinbranche wilde opzetten. Na lang nadenken zei hij: 'Ik ga het zelf doen.' Sinds die tijd was hij naast leraar ook hoofdredacteur van het vakblad Tuinzaken. Trudy Willems: 'Ik zei nog tegen hem: 'Maar je weet helemaal niets van tuinen?' 'Ach', antwoordde hij, 'een bekwaam journalist moet zich zo goed informeren en inleven dat hij over alles kan schrijven.' De functie kostte hem veel tijd, zeker toen er nieuwe tuinbladen en evenementen bijkwamen. Zonder fietsen kon hij echter niet. Vorig jaar werd hij op Kreta wereldkampioen onder de journalisten in zijn leeftijdsklasse. Dit jaar wilde hij de titel prolongeren. Op zijn begrafenis werd Verdonschot postuum gehuldigd als de wereldkampioen van 2013. Een kampioenstrui en medaille lagen op de kist. Volgend jaar zal het WK worden verreden als de Karel Verdonschot Memorial.
(24-9-2013)

Jetty Paerl (1921-2013)
Zangeres

Tragiek van een zangeres

Als Jetje van Radio Oranje nam ze NSB’ers op de hak, in 1985 bleek ook haar man een besmet verleden te hebben.

Peter de Waard

jettyJetty Paerl werd bekend als ‘Jetje van Radio Oranje’ en als de eerste zangeres die optrad op een Eurovisie Songfestival, maar daarna raakte zij in de vergetelheid. De tragedie rond de zelfmoord van haar echtgenoot in 1985 was een keerpunt in haar leven. Op 22 augustus overleed ze, 92 jaar oud, in Amsterdam.
Ze werd in 1921 geboren als Henriëtte Nanette Paerl, dochter van de joodse filmproducent Jo Paerl. Bij de Duitse inval op 10 mei was ze met haar vader, moeder en de zwemster Willy den Ouden in Brussel voor een filmopname. Na een lange zwerftocht kwamen ze in Bordeaux ­terecht. Vandaar bracht een Nederlands schip hen naar Londen.
Daar kreeg ze al snel een baan bij een ontwerpster voor kinderkleding aan New Bond Street. In haar vrije tijd werkte ze als Jetje van ­Radio Oranje mee aan het cabaret De Watergeus, dat via Radio Oranje in bezet gebied te volgen was. Omdat haar twee broers in Nederland waren achtergebleven, werd haar echte naam nooit genoemd. Ze had een zuivere stem en kon goed articuleren, waardoor ze, ondanks de pogingen van de Duitsers de uitzendingen van Radio Oranje te storen, toch goed te verstaan was. Met teksten die door haar vader waren geschreven, nam ze de bezetters en de verraders op de hak. Bekende liedjes waren We zien elkaar weer en Op de hoek van de straat staat een NSB’er.
Jetty Paerl werd later lid van het Vrouwelijk Hulpkorps in Engeland. Als chauffeur van een drietonner kwam ze bij de bevrijding via Zeeland terug in Nederland. Ze reed door naar Amsterdam, waar ze haar auto vlak voor het City Theater aan het Leidseplein neerzette. Zij ging deel uitmaken van het trio Swinging Nightingales en trad op in de Snip en Snap-revue. Toen in 1956 het Eurovisie Songfestival voor de eerste keer werd georganiseerd, in het Zwitserse Lugano, vaardigde Nederland naast Corry Brokken ook Jetty Paerl af. Zij was de allereerste die optrad op het Songfestival met een door Annie M.G. Schmidt en Cor Lemaire geschreven niemendalletje De Vogels van Holland.
Paerl werd daarna bekend als vertolker van Franse chansons. Een door Ernst van Altena vertaald liedje van Brassens Braaf Margot over een poesje dat zich laaft aan de borst van ene Margot, leidde tot ophef. De tekst ‘Toen Margot haar bloesje open ging knopen, omdat het poesje weer hongerig was’, werd door de NCRV zo aanstootgevend gevonden dat het van de radio werd geweerd. In 1958 was ze vanwege de komst van dochter Anne Rose getrouwd met de illustrator Cees Bantzinger, met wie ze al sinds 1951 ­samenwoonde. In 1985 belde historicus Adriaan Venema hem op. Hij had brieven gevonden van personen die lid waren geweest van de NSB. Ook Bantzinger bleek tot ­begin 1941 een lidmaatschapsnummer te hebben gehad, hoewel hij later actief was in het verzet door samen met onder anderen uitgever Bert Bakker een clandestiene drukkerijpers op te richten. Bantzinger had zijn NSB-verleden altijd verzwegen. Hij trok zich dit bericht zich zo aan dat hij zichzelf verdronk.
In 1990 stond ze op de planken met Van het één komt het ander, dat over haar leven ging. In 2008 zei ze in Elsevier: ‘Als ik dood ben, hoeven al die mensen die nooit iets van zich laten horen ook niet op mijn begrafenis te komen. Toen Cees doodging, heb ik honderden brieven gekregen, maar weinig mensen hebben de moeite genomen ooit te bellen. Ik vertelde dat aan Simon Carmiggelt en hij zei: ‘Schatje, de mensen zijn nu eenmaal niet aardig.’ Mijn goede oude vriend had gelijk.’
(17-9-2013)

 Jannes Priem 1925-2013
oorlogsgijzelaar

Laatste overlevende Putten

Jannes Priem overleefde de Puttense ­razzia en zes concentratiekampen. Pas in 1992 kon hij zijn verhaal vertellen.

Peter de Waard
 
priem‘Zijn ze gek geworden?’, dacht Jannes Priem toen hij vlak na de oorlog werd opgeroepen om als dienstplichtig militair naar Nederlands-Indië te worden gezonden. Hij behoorde tot de slechts 48 overlevenden van de 661 mannen die werden weggevoerd na de beruchte razzia in Putten op 1 en 2 oktober 1944. Priem doorstond de verschrikkelijkste ontberingen in liefst zes concentratiekampen.Op het einde van de oorlog woog hij nog maar 30 kilo. Hij hield aan de kampen een ontzette kaak en twee verdroogde longtoppen over. Toen hij dat bij de keuring voor de politionele acties vertelde, zeiden ze: ‘Och, dat gaat in de warmte wel over.’
Jannes Priem overleed op 22 augustus op 87-jarige leeftijd. Hij groeide op in een arbeidersgezin van elf kinderen waar uitsluitend Puttens dialect werd gesproken. Na de lagere school moest hij meteen gaan werken. Nadat in de nacht van 30 september op 1 oktober 1944 een auto met Duitse officieren door een verzetsgroep werd beschoten, waarbij een Duitser om het leven kwam, besloten de bezetters tot een vergeldingsactie. 661 mannen, onder wie Jannes Priem, werden in een school bij elkaar gedreven, terwijl de Duitsers 110 Puttense huizen in brand staken. De volgende dag werden de gevangenen afgevoerd. Een helletocht langs verschillende concentratiekampen volgde. Priem kwam in Husum en Ladelund terecht, waar hij tot zijn knieën in het water stond om tankwallen te graven. ’s Nachts sliep hij met tweehonderd mannen in een kleine barak zonder ramen. Al snel stierven de Puttense gevangenen van honger en uitputting.
Priems onderkaak werd in elkaar geslagen omdat hij praatte tijdens het graven. Later werd hij in een steenfabriek tewerkgesteld waar hij lorries, volgeladen met zware klei, een steile helling moest opduwen. Wie struikelde, werd doodgeknuppeld. Uiteindelijk belandde hij met 250 man in Bergen-Belsen waar hij de doden moest afvoeren. Toen de Britse bevrijders naderden, werd Priem naar ­Lübeck getransporteerd. Vervolgens kwam hij net op tijd in Zweden aan, want de volgende dag werd een schip met gevangenen tot zinken gebracht. In Zweden kwam hij weer op gewicht en herstelde hij van zijn wonden.
Het geluk was niet met hem. Eenmaal in Nederlands-Indië werd Priem in 1947 getroffen door een fosforgranaat en in 1949 door een scherf van een handgranaat. Hij keerde pas in december 1949 naar ­Nederland terug. Toen hij bij de Koninklijke Marechaussee solliciteerde, werd hij afgekeurd omdat hij 1 centimeter te kort was. Dit trok de burgemeester van Putten zich zo aan dat hij een woedende brief schreef waarna Priem alsnog werd toegelaten en later beroepsmilitair bij de landmacht werd. Een nieuwe tragedie overkwam hem toen zijn puberende zoon zelfmoord pleegde.
Tot 1992 wilde hij niet over de oorlog praten. Niemand zou hem geloven, zei hij. Een bezoek aan  Ladelund opende hem de ogen. ‘Opgekropte woede, onbegrip en verdriet kwamen naar boven. Ik zag alle beelden weer voor me.’ Pastor Harald Richter overtuigde hem ervan er een boekje over te schrijven, met de titel: Vergeven, nooit vergeten. Hij vertelde zijn ervaringen op scholen. ‘Ik moet een engeltje op mijn schouders hebben gehad’, zei hij dan. Maar zijn ogen en gegroefde gelaat vertelden een ander verhaal. Hij was in die maanden in 1944 en 1945 letterlijk voor het leven getekend.
(10-9-2013)

 
Pieter Kronenberg (1947-2013)
TV-maker

De tragiek van de journalist

Pieter Kronenberg was een uitstekend journalist, alhoewel hij niet altijd even genuanceerd was.

Peter de Waard

kronenbergHet was een echte armenbegrafenis. Op 21 augustus werd de kist van Pieter Kronenberg gesloten door Jan Fischer, eigenaar van hotel Van der Werff op Schiermonnikoog, en voormalig omroepcoryfee Wibo van de Linde. De andere aanwezigen waren Kronenbergs huisarts Jan Paul Verdenius en zijn pedicure Tjitske Gritter.Kronenberg - ooit gevierd journalist - viel op 10 augustus van de trap in zijn huis in het Friese Heeg en brak zijn nek. Vier dagen lag hij aan de beademing. Hij had geen partner of kinderen en met zijn familie was hij gebrouilleerd. Wel had hij een uitvaartpolis, maar daar had de bank beslag op gelegd omdat zijn huis 'onder water' stond. De gemeente wees daarop de uitvaartondernemer aan.
Zijn vader was schoolhoofd in het Gelderse Eefde. Pieter Kronenberg volgde de hbs en ging later economie studeren in Tilburg. Journalist zijn was toen al zijn ambitie. Hij slaagde erin een baantje te krijgen bij Het Financieele Dagblad waar toentertijd Louis Metzemaekers de hoofdredacteur was. In 1969 zag hij een advertentie waarin een bureauredacteur werd gevraagd voor AVRO's Televizier. Hij werd uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek met directeur Siebe ('Die rooie rothonden... van mij mogen ze ze vier maal klieven!') van der Zee. Bij herenmodezaak New England schafte hij een net pak aan. Kronenberg bleek een van de tachtig sollicitanten te zijn. Hij sloeg zich goed door het gesprek heen totdat Van der Zee naar zijn politieke voorkeur vroeg: D66. Tot zijn verbazing volgde wel een uitnodiging voor een tweede gesprek in Hotel Schiller in Amsterdam. Hier zat de voltallige redactie van de actualiteitenrubriek: Jan Scholtens, Pieter Varekamp, Cees van Drongelen en eindredacteur Wibo van de Linde. De ontmoeting bestond uit de gang naar de stamkroeg van de redacteuren aan het Rembrandtplein. Daar werd Kronenberg getest op drankbestendigheid en bleek al te zijn aangenomen. Het was een gouden greep. Hij leefde voor zijn werk en maakte een bliksemcarrière: van newsgetter en coördinator tot people's manager. Van de Linde nam hem in 1974 mee als redactiechef naar TROS Aktua. Drie jaar later mocht hij in Monte Carlo een internationale prijs in ontvangst nemen vanwege de reportage Oorlogsdossier Pieter Menten die hij had gecoördineerd.
Het waren zijn gouden jaren. De band met de collega's was ongekend hecht. Iedere jaarwisseling werd groot feest gevierd op Schiermonnikoog bij hotel Van der Werff. Van de Linde vertrok in 1984. Kronenberg bleef nog twee jaar aan als redactiechef bij TROS Aktua. Daarna was hij nog vijftien jaar actief in diverse functies. Zo werkte hij onder meer voor Joop van den Ende Theaterproducties en was perswoordvoerder van het mislukte Sport 7-kanaal van Ruud Hendriks. Ook was hij woordvoerder van Ed Nijpels. Hij sloot zijn carrière af bij het Rode Kruis. Kronenberg keek echter met de meeste voldoening terug op zijn tijd in de journalistiek. Wibo van der Linde schetst hem als een man die zwart-wit tegen de wereld aankeek. 'Diplomatie was niet zijn sterkste eigenschap. Als journalist is dat nog niet zo erg. Zeker als je voldoende feedback krijgt van collega's. Maar als je er alleen voorstaat, gaat het vaak mis.'
In 2001 verhuisde hij van Amsterdam naar Heeg. Aanvankelijk was hij nog actief in het verenigingsleven, maar later trok hij zich steeds meer terug. Zijn favoriete bezigheden waren het lezen van de krant en het kijken naar de BBC. De laatste maanden voelde hij zich minder goed en klaagde over zijn gezondheid.
(3-9-2013)

Lilian Ducelle (1919-2013)
Uitgeefster

Compromisloos schrijfster

In haar polemische stukken liet Lilian ­Ducelle een geluid horen dat de Indische Nederlanders niet gewend waren.

ducelleLilian Ducelle kon net zo fulmineren als Multatuli. Haar principes verdedigde ze, ook al als andere mensen daar kwaad over werden. Zo vond ze dat iedereen zelfredzaam moest zijn, ook de Indische Nederlanders die in de jaren vijftig naar Nederland kwamen omdat Soekarno het leven voor hen in het nieuwe Indonesië onmogelijk maakte. ‘Als ze ergens gingen wonen, stond er vaak meteen iemand van de kerk of sociale dienst op de stoep. Die ging vertellen hoe ze aardappelen moesten schillen of dat ze minimaal een keer per week in bad moesten gaan. Dat paternalisme stuitte haar tegen de borst’, zegt Ricci Scheldwacht, redacteur van Moesson, het blad voor Indische Nederlanders dat door de man van Lilian Ducelle werd opgericht en na zijn dood in 1974 door haar werd voortgezet.
Lilian Ducelle overleed op 5 augustus op 93-jarige leeftijd. Ze werd op 7 december 1919 geboren als Lilly Mary Hermine van Zele in Sitoebondo op Oost-Java als dochter van Sylvester en Johanna van Zele. Ze groeide op in een gezin van drie kinderen. Haar vader werkte als ambtenaar bij justitie. Ze volgde in Nederlands-Indië de mulo en besloot journaliste te worden. In 1937 kreeg ze een baantje als correctrice bij het Soerabaiasch Handelsblad, een populaire krant bij de kolonialen, zowel de Europeanen als Indo-Europeanen. Ze kreeg al gauw de kans ook verslaggever te worden en deed dat zoals in die tijd gebruikelijk was onder een pseudoniem, Lilian Ducelle. Ze schreef veel over mode. Na de bezetting van Nederlands-Indië door Japan werden zij en haar ouders, broer en zus niet geïnterneerd omdat ze ook Indisch bloed hadden. Maar het leven was daardoor niet gemakkelijker. Na de bevrijding in 1945 pakte ze haar werk weer op. In plaats van mode ging ze nu over militaire zaken schrijven. Ze versloeg voor het blad Wapenbroeders de politionele acties en reisde met het KNIL mee. Hier ontmoette zij haar man Jan Boon – eveneens een Indische Nederlander die onder het pseudoniem Tjalie Robinson opereerde. Hoewel hij al vijf kinderen had, trouwden ze en verhuisden naar Sampit op Borneo, waar ze samen nog twee kinderen kregen.
In 1954 verhuisde het gezin naar Nederland, waar Boon in Den Haag het Indisch tijdschrift Tong Tong oprichtte en de Pasar Malam opzette. Het ­klimaat en de bekrompenheid van het Nederlandse leven bevielen haar niet. In 1962 vertrok ze met haar kinderen naar Whittier in de Amerikaanse staat Californië. Daar hielp ze bij het opzetten van The American Tong Tong en een Indische Soos. Terwijl Boon pendelde tussen Den Haag en Whittier, werkte Ducelle onder andere als coupeuse om in het onderhoud te voorzien.
Uiteindelijk noopten Boons slechte gezondheid en zakelijke problemen bij Tong Tong het gezin in 1966 terug te keren naar Den Haag, waar Ducelle binnen de kortste keren orde op zaken stelde. Toen Boon in 1974 overleed, zette zij het tijdschrift, de boekhandel en de uitgeverij voort. In 1978 werd het blad afgescheiden van de boekhandel en ging het verder onder de naam Moesson. Dat Moesson nu nog bestaat, is zeker te danken aan de polemische stukken van Ducelle. Zo keerde ze zich tegen de kapingen van jonge groepen Molukkers, maar ze steunde hun ideaal. Het paste in haar opvatting dat iedereen zichzelf moest kunnen zijn. Het drukst maakte ze zich als ze vond dat ‘haar’ ­Indische mensen niet serieus werden genomen en ondersneeuwden in de Nederlandse samenleving.
Ze trad in 1991 op 72-jarige leeftijd terug uit Moesson. In 2004 keerde ze zich fel tegen Het Gebaar – een uitkering van 1.822 euro – aan de ­Indische Nederlanders die na de oorlog hier waren gekomen.
(19-8-2013)

Jan Pieter Glerum (1943-2013)

Snelste veilingmeester van Europa

De man die hét gezicht werd van het veilingwezen in Nederland is overleden.

Peter de Waard

glerumDe lok was zijn handelsmerk.  Misschien lag daar zijn magie. Jan Pieter Glerum, die 16 augustus op 70-jarige leeftijd overleed in Amsterdam, was zo niet de beste dan toch zeker de snelste veilingmeester van Europa.
Die haarlok was niet bedacht. Die had hij al sinds zijn vijfde jaar. Paul de Leeuw persifleerde hem als presentator van het TROS-programma Eenmaal Andermaal. Arjen Ederveen had het eerder al eens gedaan in Creatief met Kurk. Jan Pieter Glerum voelde zich vereerd. ‘Eindelijk roem’, zei hij. 
Hoeveel keer hij de hamer had laten neerkomen om een koop te bekrachtigen, werd hem gevraagd toen hij in 2007 met pensioen ging. Meer dan 40 duizend keer, wist Glerum zeker. En niet zomaar een hamer. Hij liet zijn veilinghamer speciaal maken. Er moest balans in zitten. ‘Leg de steel maar eens op de vinger, vlak achter de kop. Kijk, hij zweeft. Dan is het goed’, zo vertelde hij in 2007 tegen de Volkskrant. Met zijn harde afslag had hij er honderden  versleten.
Jan Pieter Glerum werd in 1943 geboren. Zijn vader werkte al bij het veilinghuis Mak van Waay in Amsterdam – na de oorlog het grootste van Nederland. Hij werd als kind al meegenomen naar het veilinghuis aan het Rokin. Zelf ging hij na het Montessorilyceum kunstgeschiedenis studeren, maar hij vond de studie niet erg fascinerend. Na het eerste studiejaar vroeg hij zijn hoogleraar of hij naast zijn studie ook een baantje mocht aannemen bij het veilinghuis waar zijn vader werkte. Maar nee. ‘Kunst en commercie gaan niet samen’, sprak de professor. Glerum stopte meteen met zijn studie en ging in 1964 aan de slag bij Mak van Waay. De veilinghuizen hadden het toen drukker dan ooit. Voor het eerst verhuisde een generatie Nederlanders van de grote grachtenpanden en landhuizen naar aanleunwoningen en bejaardentehuizen. Met kisten tegelijk kwamen kunst en antiek bij Mak van Waay binnen: porselein uit Zeeland, zilver uit Friesland, 18de- en 19de-eeuwse kussenkasten en kabinetten. Glerum vond het prachtig. ‘De lol om eraan te zitten, het voelen, het ruiken.’ 
Tien jaar lang had hij de gelegenheid collecties te bestuderen en kunst te herkennen. Hij mocht veel reizen en musea bezoeken. Tegelijkertijd leerde hij van de toenmalige directeur H.S. Nienhuis hoe hij een veiling moest leiden. In 1974 werd Mak van Waay overgenomen door het internationale veilinghuis Sotheby’s. Glerum werd directeur en veilingmeester.
Al snel ontwikkelde hij zijn eigen stijl. De wilde armgebaren en het zwaaien met de hamer leverden hem de bijnaam Dutch Windmill op. Glerum vond dat het werkte: er moest wat theater bij. ‘Enthousiasme tonen, betrokkenheid laten zien. Als je van twee tot half vijf veilt, dan begint zo’n zaal toch een beetje in te dutten. Je kunt versnellen, of juist vertragen. Harder praten of zachter. In elk geval moet je tonen dat je de zaal aan kan. Je moet er zijn, met een hoofdletter.’
Sotheby’s-collega Rob Sneep zegt dat hij het ‘gewoon in de vingers had’. ‘Charisma en die lok. Sotheby’s wilde hem overal in Europa hebben. In Zürich, Sankt Moritz en München deed hij de veilingen. Ik weet dat hij in München een keer een antiek servies veilde voor vele tonnen. Juist op dat moment gooiden studenten als grap een bric-à-brac-servies van het balkon. Hij verstijfde.’
In 1989 vond hij het genoeg. Sotheby’s beperkte hem te veel. De Amerikanen wilden alles van over de grote plas regelen. Dat zinde hem niet. Hij richtte met zeven andere Sotheby-collega’s zijn eigen veilinghuis op: Glerum c.s., dat later Amsterdam Auctioneers  Glerum zou gaan heten. Na twee jaar kwam de klad erin. Hij zette zijn eigen veilinghuis flink op de kaart door tv-presentator te worden, en werd zo het gezicht van het veilingwezen in Nederland. Acht jaar presenteerde hij het TROS-programma Eenmaal Andermaal. Daarnaast deed hij antiekshows voor Teleac en SBS6. Bij zijn afscheid in 2007 werd Glerum ridder in de Orde van Oranje Nassau. Zelf had hij geen kunst meer in huis. Twee scheidingen hadden geleid tot de ontmanteling van zijn eigen collectie.
(19-8-2013)

           

Rosalia Mera 1944-2013
Onderneemster

Zakelijk brein achter  Zara

Van een jong naaistertje in Noord-Spanje groeide Rosalia Mera uit tot de rijkste vrouw van Spanje.

Peter de Waard

meraDe Spaanse Rosalia Mera ging op haar 11de al van school en werd naaister. Later richtte ze met haar man Amancio Ortega in de huiskamer een eigen bedrijfje op dat kamerjassen en lingerie voor Spaanse vrouwen ging maken.
Het groeide uit tot Inditex, met een omzet van ruim 15 miljard euro het grootste modebedrijf ter wereld. Vlaggenschip van het concern is de internationale keten Zara. Rosalia Mera werd de rijkste selfmade vrouw ter wereld, met een vermogen van 4,7 miljard euro. De man van wie ze in 1986 scheidde, bezit 42 miljard euro.
Rosalia Mera overleed donderdag op 69-jarige leeftijd aan de gevolgen van de zware beroerte die haar woensdag trof op het eiland Menorca, waar ze met haar dochter op vakantie was. Ze werd snel overgevlogen naar een ziekenhuis in haar geboorte- en woonplaats La Coruña. Maar de artsen konden weinig uitrichten en ze stierf 24 uur later.
Vooral voor de mensen in de autonome regio Galicië is haar onverwachte dood een enorme schok. Behalve als succesvol ondernemer was ze er zeer actief in de liefdadigheid. Ze was ondermeer eigenaar en donateur van de Paideia Foundation, die kinderen met een handicap helpt integreren in de maatschappij. Haar eigen zoon Marcos heeft een handicap. Ook gaf ze veel geld aan de bescherming van sociaal kwetsbare vrouwen.
Rosalia Mera werd geboren in een voorstad van La Coruña. Haar vader werkte in het gemeentelijk slachthuis, zoals bijna alle bewoners in de wijk. Mera voelde daar niets voor. Ze trad in dienst bij modehuis La Maja, dat twee vestigingen had in de stad.  In het naaiatelier werkten ook twee broers: Antonio en Amancio. Rosalia wordt verliefd op de jongste – de wat verlegen Amancio. Na hun huwelijken in 1966 begonnen de broers met hun echtgenotes een eigen winkel. Het werd een fiasco, en de banken stonden snel op de stoep.
Amancio besloot zich te specialiseren in zelfgemaakte kamerjassen en lingerie en opende in 1975 een nieuwe zaak onder de naam Zara. Deze winkel werd wel een succes, maar de geboorte van hun  tweede – gehandicapte – kind wierp er een schaduw over. De relatie tussen Amancio en Rosalia verslechterde. In 1986 gingen ze uit elkaar, maar ze bleven samenwerken in de modezaak, die daarna de wereld veroverde. Amancio was het creatieve genie die met de ontwerpers onderhandelde, Rosalia het zakelijke brein achter de internationale expansie.  In 1988 werd de eerste Zara geopend in Portugal, een jaar later in New York en in 1990 in Parijs. Zara groeide uit tot de groep Inditex met acht verschillende merken, waaronder Massimo Dutti en Bershka, en 6.000 winkels in 86 landen.
Ondanks hun rijkdom bleven beiden bescheiden. Rosalia’s vriendenkring bestaat niet uit rijke zakenlieden, maar uit liberale intellectuelen zoals psychologen, hoogleraren en schrijvers. In 2004 stapte Rosalia uit het bedrijf. Ze behield echter haar belang van 5,05 procent in Inditex. Forbes plaatst haar op de 66ste plaats van de lijst van rijkste mensen, haar ex-man op de vierde.
(17-8-2013)

Sil Boon (1959-2013)
Schipper

Vrijbuiter van het wad

De markante Texelaar stond bekend als schipper, jutter en natuurvorser. Hij ging net zo lief passagiers vervoeren als kokkels rapen en pieren steken

Peter de Waard

boontjeSil Boon was sinds de gouden medaille van windsurfer Dorian van Rijsselberghe misschien niet meer de bekendste Texelaar, maar hij bleef de meest eigenzinnige. De schipper van veerboot De Vriendschap kon zich maar moeilijk aanpassen aan regeltjes – of die nu van de regering, de plaatselijke overheid of Greenpeace kwamen. Hij vond zichzelf geen natuurfreak, maar iemand die deel uitmaakte van de natuur en dankzij zijn dyslexie niet de ballast van boekwijsheden had. Hij maakte probleemloos een koningsmaal van gans, makke eend, aangereden wulp en zelfgekweekte groente.
Boon overleed op 10 augustus op 54-jarige leeftijd. ‘Aan weinig woorden genoeg, Sil ging liever vissen’, zo werd vermeld. Vele duizenden bezoekers van de wadden hebben hem gekend als een mysterieuze schipper, iemand die wel degelijk praatte, maar in zijn eigen bijna literaire taal. Met zijn schip exploiteerde hij 27 jaar de veerdienst van Texel naar Vlieland.
Sil Boon stamde uit het geslacht van de Bonen die al vele generaties de bijnaam ‘Boon-aparte’ hebben op Texel. Op school was hij niet te houden. Hij sloop de klas uit en liep naar het wad waar hij in de prut wilde porren. Een blauwe maandag werd hij naar een technische school in Den Helder gEstuurd, maar dat hielp ook niet. Hij kon beter de buurman met de bollen helpen. In 1975 ontmoette hij de 24-jarige Janka van den Brink, een Amsterdamse die bij een discotheek achter de bar stond. Het was liefde op het eerste gezicht. De 17-jarige Sil kwam de volgende dag op de brommer bij haar aanrijden en trok bij haar in. Ze kochten een oude schuit die de naam De Vriendschap kreeg en begonnen een veerdienst tussen Texel en Vlieland.
In 1984 begon die na veel oponthoud: de natuurbeschermers wilden geen boten met mogelijk luidruchtige recreanten op die route hebben. Al snel was het ook over. Niet vanwege de natuurorganisaties, maar vanwege het ministerie van Defensie. Die had op de zandvlakte van de Vliehors een oefenterrein en wilde geen pottenkijkers. Nadat een Amerikaanse Phantom per ongeluk op zeventig meter van De Vriendschap een oefenbom had afgeworpen en de passagiers van schrik onder de banken kropen, was het afgelopen.
Twee jaar later kon Boon opnieuw beginnen nadat hij een mobilofooninstallatie had gekocht waarmee hij in contact stond met de luchtmacht. De Vriendschap werd eind jaren tachtig een bekende hippieboot voor oudere jongeren met Indiase bloesjes. Sil zat altijd onverstoorbaar met zijn juttertje en sjekkie achter het roer.
Hij timmerde boven het witste strand van Nederland bij De Cocksdorp steigers van gejutte palen. Die zouden in duizenden bruidsreportages en ook in lifestylebladen als Avenue en National Geographic figureren. Graag plaatsten ze daar de fotogenieke Sil Boon bij met zijn verweerde gezicht en lange manen.
(16-8-2013)

Marian Boyer (1954-2013)
toneelauteur

Actrice met plankenkoorts

Ze was actrice, werd schrijver, was direct en initiatiefrijk en stierf veel te vroeg aan borstkanker

boyerZe was actrice, maar ze had zo veel last van plankenkoorts dat ze besloot toneelstukken te gaan schrijven. In totaal schreef ze zestien toneelteksten die allemaal wel een keer in Nederland zijn opgevoerd. Daarnaast schreef ze ook nog drie romans en een verhalenbundel. En ze speelde in Paul Verhoevens film Spetters en Peter Kuijpers’ Dennis P.
Marian Boyer liet zich op 16 juli op – pas  – 59-jarige leeftijd inslapen nadat ze was uitgeput door een slopende ziekte. Al in 2003 werd bij haar borstkanker geconstateerd. Ze leek daar aanvankelijk van genezen te zijn. Maar eind vorig jaar stak de ziekte, zoals zo vaak het geval is, toch de kop weer op. Dit keer werd het haar fataal. Ze had haar artsen gevraagd geen voorspelling te geven hoe lang ze nog zou leven. Ze wilde gewoon proberen door te gaan. Als ze thee serveerde, gebeurde dat met schijfjes gember en muntblaadjes. Ze ging nooit de deur uit zonder make-up. Zelfs in haar laatste dagen in het ziekenhuis poederde ze haar wangen en stiftte haar lippen.
Marian Boyer werd geboren als jongste in een gezin van acht kinderen in de Amsterdamse wijk Slotermeer. Haar ouders waren een jaar eerder teruggekeerd uit het voormalige Nederlands-Indië, dat inmiddels de Republiek Indonesië was geworden. Al op jonge leeftijd had ze er zichtbaar plezier in teksten te declameren. Ook schreef ze zelf verzonnen verhalen. Zo maakte ze een nieuwe versie van Alice in Wonderland met een ander, veel spannender slot.
Dat ze naar de kleinkunstacademie ging, was geen verrassing. Ze werd actrice en later ook regiseusse bij Projecttheater Art & Pro, Onafhankelijk Toneel en Maatschappij Discordia.
Haar latere partner Gerard Kogelman ontmoette ze dertig jaar geleden in het Shaffy Theater waar zij optrad met Discordia en waar hij zakelijk directeur was. ‘We zeiden dat we te mooi voor elkaar waren. Maar tien jaar geleden zagen we elkaar opnieuw in Frascati. Dit keer werkte het wel’, aldus Kogelman. Marian Boyer was toen al gestopt met acteren en had zich op het schrijven van toneelstukken gestort. Voor die theaterteksten ontving ze de Van der Vies Prijs. Helle kijkers en Rauw werden genomineerd voor de Taalunie Toneelschrijfprijs. In 2001 publiceerde ze haar eerste roman Engelentransport, die door de recensenten lovend werd ontvangen. ‘Boyer verheft het bizarre verhaal over een psychopathisch meisje tot een geraffineerde roman over de verhouding tussen het individu en de maatschappij’, schreef de Volkskrant.Meteen daarna begon ze met een tweede boek Een Geslaagd Leven, over het verwerken van rouw in een kleine familie. Daar stopte ze mee toen bij haar borstkanker werd geconstateerd. ‘Zo’n titel is ook wel de goden verzoeken’, zei ze. Ze publiceerde in 2005 een ander boek,Fantastisch lichaam, over een vrouw die na een borstoperatie haar rentree maakt. Een Geslaagd Leven zou ze dit jaar alsnog voltooien. Boyer zette zich in voor de toneelschrijvers in Nederland. Ze behartigde hun belangen in de stichting voor auteursrechten Lira en het Nederlands Fonds voor de Podiumkunsten. In 2002 richtte ze het Platform Onafhankelijke Theaterauteurs op waarvan ze een aantal jaren artistiek leider was. Sinds 2010 publiceerde zij de onlinereeks Keukengeheimen; wekelijkse notities over koks van overzee. De reeks kreeg een papieren vervolg in ‘cultureel culinair magazine’ Bouillon!
Marian Boyer was scherp, open, eerlijk en heel direct. Daar moesten sommigen aan wennen. Haar uitgeverij De Geus noemde haar een vrouw met vechtlust, een open blik, initiatiefrijk, altijd oprecht geïnteresseerd in iedereen om haar heen, die met haar originele kijk op de condition humaine toeschouwers en lezers inspireerde.
(13-8-2013)

 

Cees Vis (1950-2013)
mediaman

Ontspannen omroepbobo

Slim rekenaar en handig diplomaat ontpopte zich tot perfecte scheidsrechter in het gekonkel van de omroepen.

Peter de Waard

vis'Dit heb ik gemaakt. Ik ben graag met mijn handen bezig: meubels, sieraden. Een mooie kast bestaat over driehonderd jaar nog, de notulen van de raad van bestuur niet meer. Deep down was ik liever een goede timmerman geweest', zei Cees Vis drie jaar geleden in een interview met de Volkskrant. Twee jaar eerder was darmkanker bij hem geconstateerd die al naar andere organen was uitgezaaid. Vis was toen een aansprekend bestuurslid van de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) maar moest vanwege deze ziekte met zijn werk stoppen. Op 17 juli van dit jaar overleed hij, pas 63 jaar oud.
Vis was een van de weinige omroepbobo's die grote populariteit genoten bij zowel de mensen op de werkvloer als buitenstaanders. Drie jaar geleden werd een magazine voor hem gemaakt ter gelegenheid van zijn 60ste verjaardag, getiteld Cees! Iedereen stond in de rij om mee te werken. Vis was in staat de onaangenaamte besluiten in een dosis humor te verpakken zodat hij ermee weg kon komen.
Vis werd geboren in Middelharnis op het Zuid-Hollandse Goeree-Overflakkee. Hij is het enige kind van een landarbeider en diens beeldschone vrouw. Het gezin besluit in 1952 naar New Jersey in de VS te verhuizen, maar al na één jaar komen moeder en kind terug en gaan ze inwonen bij haar ouders. De positie van een gezin met een alleenstaande moeder in een zwartekousengemeenschap valt niet mee. Vis weet aan het benauwende milieu te ontsnappen door zich bewust van de hbs 'te laten aftrappen' en op zijn 17de jaar als rekruut bij de Koninklijke Marine te melden. 'De eerste stad waar we aanmeerden was Casablanca. De witte huizen, de bazaars, de rommelige sfeer, dat was wat anders dan de dijk van Middelharnis. Ik heb me nog nooit zo bevrijd gevoeld als toen. En dat terwijl we op dat schip met z'n zestigen op een slaapzaal lagen.'
Uiteindelijk gaat hij alsnog studeren en wordt hij op zijn 30ste bedrijfseconoom . Hij maakt de verloren tijd meer dan goed met een bliksemcarrière. Na enkele jaren te hebben gewerkt bij PriceWaterhouse wordt hij topambtenaar op het ministerie van OVW/WVC - eerst bij de directie verzetsdeelnemers en vanaf 1987 bij de dienst publieke omroep. Hier toont hij zich de slimme rekenaar en handige diplomaat die aan de basis staat van wat het duale omroepstelsel wordt genoemd: de commerciële omroep naast de publieke. In 1998 wordt hij algemeen directeur van de STER. Hij zet een succesvolle koers uit.
Twee jaar later is hij alweer toe aan een nieuwe uitdaging. Hij wordt bestuurslid van PCM - op dat moment onder meer uitgever van zowel de Volkskrant als NRC. Maar hij beseft al snel aan een heilloze taak te zijn begonnen. 'Ik had bij PCM hetzelfde gevoel als dat kind dat ooit radeloos aan Uri Geller vroeg: maar kunt u die lepels ook omhoog buigen? De overname door een private-equityfonds doet hem in 2003 besluiten de financiële man te worden van de NPO, waar hij de centen over de omroepen eerlijk moet zien te verdelen.
Hij krijgt bezuinigingsoperaties opgelegd die hij bekritiseert als symboolpolitiek maar wel moet uitvoeren. En hij moet het gekonkel van de omroepen pareren. Hij blijkt de perfecte scheidsrechter te zijn. NOS-directeur Jan de Jong noemde Vis geniaal. 'De enige echte homo universalis die ik ken. Strateeg, visionair, met een uitgesproken mening en dat gecombineerd met een zeldzaam gevoel voor humor.'
(6-8-2013)

 

Luc van Gent (1925-2013)
Regisseur en historicus

Bossche theaterman

Acteur, televisieregisseur en hoofd drama bij de KRO dook graag in de geschiedenis van zijn Den Bosch.

Peter de Waard

gentHoewel hij zeer verzwakt en eigenlijk op was door een ernstige ziekte, maakte Luc van Gent op de dag voor zijn dood vanaf zijn bed nog een geluidsopname waarin hij met krachtige stem stukken uit Vondels Gijsbrecht van Aemstel en een gedicht van Bertus Aafjes declameerde. Hij was het acteren niet verleerd.
Op 4 juli overleed hij, op zijn 88ste verjaardag. Van Gent was toneelacteur, televisieregisseur, hoofd drama bij de KRO, schouwburgdirecteur in Den Bosch en dertig jaar de Bossche oorlogshistoricus en organisator van 'battlefield tours'.Van Gent groeide op in een echt katholiek gezin. Hij werd in 1925 in Den Bosch geboren als jongste en veertiende kind van een Bossche handelaar in katholieke kerkelijke literatuur zoals missalen en catechismussen. Van Gent was een slimme jongen, die vlak voor de oorlog op het Stedelijk Gymnasium terechtkwam. In oktober 1944 was hij getuige van de bevrijding van Den Bosch. Hij maakte daarna deel uit van de derde compagnie stoottroepen te St. Anthonis en Vortum (Mullem) voor de bevrijding van het nog bezette deel van het land. In 1945 besloot hij naar de toneelacademie in Amsterdam te gaan. Hij speelde korte tijd bij de groep Comedia voordat hij in 1949 bij de Haagse Comedie kwam, waarvan toen onder anderen Cor Hermus, Cees Laseur, Paul Steenbergen, Ida Wasserman, Albert van Dalsum en de gebroeders Pieter en Luc Lutz deel uitmaakten. Hij speelde onder meer in Tsjechovs De kersentuin en Shakespeares Midzomernachtdroom.
In 1951 trouwde hij met Agnes van Geffen. Samen zouden ze zes kinderen krijgen. Van Gent raakte al vroeg geïnteresseerd in het nieuwe fenomeen van de televisie. Hij speelde enkele tv-rolletjes voordat hij besloot zich te bekwamen als regisseur. Hij regisseerde onder meer de tiendelige oorlogsserie De Fuik - beter bekend als De Pinto-serie - die in het seizoen 1962/'63 werd uitgezonden met in de hoofdrollen Frits Butzelaar, Frans Kokshoorn, John Lanting en Ramses Shaffy. In mei 1962 sommeerde de Binnenlandse Veiligheidsdienst, aangespoord door de familie van Orsete Pinto, de KRO de serie niet uit te zenden.
Daarnaast maakte Van Gent een Amsterdamse politieserie gebaseerd op de boeken van Marten Treffer, met afleveringen als Moord in de Helmersstraat, Moord op de Zeedijk en Moord op de Walletjes. In 1967 keerde hij terug naar Den Bosch waar hij directeur werd van de Stadsschouwburg Casino (nu Theater aan de Parade). Onder zijn leiding opende Den Bosch in 1976 een nieuwe schouwburg. Ook was hij initiatiefnemer van het eerste gratis koffieconcert, dat in heel Nederland navolging kreeg. Verder haalde hij de hippiemusical Hair naar Nederland.
In 1982 ging hij vanwege gezondheidsredenen vervroegd met pensioen. Dat was aanleiding zich te verdiepen in de geschiedenis van de bevrijding van Den Bosch door the 53rd Welsh Division. Het leidde drie jaar later tot een grootse reünie voor de Britse bevrijders. Tijdens een latere reünie kwam de Britse kroonprins Charles als eeretoon bij Luc van Gent thuis. Van Gent maakte in datzelfde jaar ook een boek en een documentaire over de bevrijding van Den Bosch, die door de KRO werd uitgezonden.
De laatste jaren zette hij zich in voor de bouw van een nieuw theater in het Paleiskwartier in plaats van de geplande nieuwbouw van een groot theater aan de Parade. De laatste drie maanden was Luc van Gent bedlegerig als gevolg van een combinatie van darmkanker en leukemie.
(30-7-2013)

 

Bent Schmidt-Hansen ( 1946-2013)
voetballer

 

Zoef de Haas

Bent Schmidt-Hansen was de Deense Zoef de Haas. Hij speelde 212 wedstrijden voor PSV.

Peter de Waard

bentVolgens sommigen was hij beter dan Sjaak Swart. Voormalig PSV-rechtsbuiten Bent Schmidt-Hansen overleed pas 66 jaar oud in alle stilte op 1 juli, de dag dat Nederland in de ban was van de 75ste verjaardag van Swart. Oorzaak waren complicaties na een knie-operatie, waardoor hij een hartstilstand kreeg. Hij was Deen, maar eigenlijk ook Nederlander. Toen hij drie jaar geleden PSV bezocht, bleek hij accentloos Nederlands met een Brabantse tongval te spreken. Hij speelde van 1967 tot 1975 voor de club in Eind­hoven. ‘Ik heb in die acht jaar tijd maar weinig op de bank gezeten. PSV is altijd mijn club geweest en nog steeds’, zei Schmidt-Hansen.
 Zijn populariteit dankte hij aan zijn witte haren en zijn snelheid. Hij liep de 100 meter in 11,2 seconden. Toen hij linksback Ruud Krol in de wedstrijd tegen Ajax voorbijrende, besloot de Amsterdamse club Wim Suurbier naar de andere kant te halen. Die had meer snelheid en anders wel een genadeloze sliding in huis. Aan die snelheid dankte Schmidt-Hansen zijn bijnaam Zoef de Haas – in die tijd een populaire figuur uit de kinderserie De Fabeltjeskrant. Zo gauw hij op rechts de bal kreeg, klonk een massaal ‘Zoef Zoef’ van de tribunes.
Bent Schmidt-Hansen werd geboren in het stadje Horsens in ­midden-Jutland. Als kind viel hij op omdat hij zo hard kon lopen. Zijn grote liefde was het voetbal. Op zijn 16de speelde hij bij de plaatselijke profclub Horsens Forenede Sportklubber. Een jaar later debuteerde hij in het Deense elftal en stonden de Europese topclubs voor hem in de rij. Op aanraden van Ole Sørensen, die toen al in Eindhoven speelde, koos hij voor PSV. In de zomer van 1967 arriveerde hij met zijn vrouw Dorte, met wie hij een week daarvoor was ­getrouwd, in Eindhoven. Trainer Milan Nikolic besloot dat de selectie in de voorbereiding voor het seizoen op roeikamp moest, zodat het leek of hij bij een roeivereniging terecht was gekomen. Het seizoen verliep rampzalig. De ommekeer kwam toen Kurt Lindner aantrad.
 In 212 wedstrijden voor PSV maakte Schmidt-Hansen 52 goals. ­Legendarisch was een wedstrijd tegen Feyenoord waarbij Theo ­Laseroms in de eerste helft de ene mouw van zijn shirt trok en Rinus ­Israël in de tweede helft de andere. In de eerste ronde van de ­Europacup voor bekerwinnaars in 1969 speelde PSV tegen Rapid Wien. Schmidt-Hansen scoorde in het laatste half uur twee keer. In de volgende ronde moest PSV spelen tegen AS Rome. Thuis won PSV met 1-0, uit werd 1-0 verloren. Toentertijd werden bij een gelijke stand geen penalty’s genomen, maar werd de winnaar met het opgooien van een muntstuk beslist. PSV verloor. Lindner werd in 1974 opgevolgd door de van FC Twente afkomstige Kees Rijvers, die ook de tweeling René en Willy van der Kerkhof meenam naar Eindhoven. In de beslissende wedstrijd voor het kampioenschap gaf Rijvers de voorkeur aan René van der Kerkhof. In een interview met Hard Gras in 2011 was de Deen daarover nog verbolgen. ‘Je hebt niks aan snelheid als je de bal vergeet. Dat gebeurde René vaak, of hij liep de bal over de achterlijn.’ Na een trap in de rug in een wedstrijd tegen Telstar, speelde Schmidt-Hansen met pijn. Als remedie werden bijnierschorshormonen ingespoten. Veel later bleek dat een rugwervel was afgebroken. Toen hij na het behaalde kampioenschap een slechter contract kreeg aangeboden, besloot hij terug te ­keren naar Denemarken en als amateur te spelen.
Hij ging advertenties verkopen voor de plaatselijke krant en pakte hardlopen en kunstschilderen als hobby’s op. Eind jaren negentig werd artrose in de enkels geconstateerd en kon hij niet meer sporten.
Schmidt-Hansen laat een vrouw en drie kinderen na.
(23-7-2013)

 

Just van den Broek (1954-2013)
Activist

 

Man in de mast

Goochelaar, theatermaker, trompettist, en Greenpeace-activist gaf zijn leven vaak een nieuwe wending.

Peter de Waard

jurtIJskoud was het. ‘Het sneeuwde, het was vet en smerig’, ervoer Just van den Broek in mei 1995, tijdens zijn eerste actie van Greenpeace om het naar de zeebodem laten zinken van het verlaten olieplatform Brent Spar door Shell te voorkomen. Van de romantiek van het actievoeren was weinig over. Drie weken zaten de mannen en vrouwen van Greenpeace op het schip. Van den Broek zat de derde week zelfs vastgeketend op het topje van de Spar. De actievoerders stonden voortdurend bloot aan een waterkanon waarmee Shell ze van het platform probeerde te krijgen. Het leidde tot een boycot van Shellproducten in ­Europa en de multinational moest bakzeil halen.
Van den Broek, goochelaar, theatermaker, trompettist, voormalig directeur Ecomare en vooral Greenpeace-activist, overleed op 3 juni onverwacht aan de gevolgen van een hartaanval in Johannesburg. Hij was net 59 jaar geworden. Sinds 2012 was Van den Broek campagneleider voor Greenpeace Afrika.
Van den Broek werd in ­Amsterdam geboren als oudste in een gezin van drie kinderen. Hij groeide op in Amstelveen en Laren en besloot biologie te gaan studeren in Wageningen. Na het behalen van zijn bul zei hij tot ontzetting van zijn ­ouders dat hij het theater in zou gaan. Van den Broek volgde een cursus aan de Theaterschool in Amsterdam, die hij in 1983 voltooide. Intussen leerde hij trompet spelen en trad hij op als goochelaar. Van den Broek werd een allround theatermaker die projecten en modern toneel combineerde met het Shakespeare-­repertoire. Bij La Luna van Çanci ­Geraedts maakte hij locatietheatervoorstellingen als Shakespeare op het strand in Almere en MacBeth in een leeg zwembad in Rotterdam. Tussen 1988 en 1995 was hij medewerker van Dogtroep.
Toen hij 40 werd, vond hij het tijd worden voor een ‘echte baan’ omdat hij ook voor zijn twee kinderen moest zorgen. Hij poetste zijn cv op, solliciteerde naar een campagnebaan bij Greenpeace, verdiepte zich in marinebiologie en kreeg de betrekking. Later bleek dat hij niet was aangenomen omdat hij biologie had gestudeerd, maar vanwege zijn theaterachtergrond. Bij Greenpeace werd hij verantwoordelijk voor de campagnes voor het behoud van de biodiversiteit van bossen en oceanen. Hij bleek geknipt te zijn voor die functie omdat hij zijn actiegerichtheid kon combineren met creativiteit. Veel tijd besteedde hij aan acties tegen wat hij de ‘uitroeiing van de vis’ noemde. Hierbij moest hij het opnemen tegen vissers die voortdurend riepen dat het in de Noordzee nog stikte van kabeljauw, schol en haring.
In 2005 werd hij directeur van de Stichting Texels Museum en het daarmee verbonden ­Ecomare. In 2011 besloot hij zijn leven wederom een nieuwe wending te geven en in Afrika voor Greenpeace te gaan werken: eerst bij campagnes in Congo voor de bescherming van het tropisch regenwoud en sinds begin dit jaar als algemeen campagne­manager met een kantoor in Johannesburg. ‘Wat doe je precies?’, vroeg zijn dochter een keer. ‘Ik ben boswachter van Afrika’, zei hij bescheiden. Toen enkele weken geleden in Johannesburg de stroom uitviel in een winkelcentrum en alle deuren op slot gingen om plunderen te voorkomen, zat iedereen in grote angst. Nadat een half uur later de lichten weer waren aangegaan, bleek Just van den Broek op een kist ananassen te zitten waar hij, omringd door een kinderschare, goocheltrucs ten beste gaf.
(9-7-2013)

Ad Sagius 1937-2013
Uitzender

 

Pionier van het uitzendwezen

Hij zag kansen in het verhuren van werknemers en was de oprichter van uitzendbureau Dactylo

Peter de Waard

adMet Frits Goldschmeding (Randstad) en Marinus Spruijtenburg (Tempo Team) behoorde Ad Sagius tot de pioniers van het moderne uitzendwezen. Zijn Dactylo introduceerde de woonhuisformule voor het werven van uitzendkrachten. Het werd een enorm succes.
Sagius overleed op 12 juni na een kortstondig ziekbed aan een combinatie van nierfalen en leverkanker. Hij werd geboren in Rotterdam. Hij groeide met zijn tweelingbroer Ton op in Den Haag, waar zijn vader werkte als rijksambtenaar. Na een mulo-opleiding deed hij avondschool. Hij ging als dienstplichtige in het leger, waar hij het later nog zou schoppen tot reserve-officier met de rang van majoor. Begin jaren zestig begon hij te werken bij de Tromp Garage - een groot autoverhuurbedrijf in Den Haag. Hij maakte daar snel carrière en werd zelfs directeur, maar stapte al na één dag op wegens onenigheid.
Hij trouwde in 1966 met Babs Wijkstra uit Velsen en ging met haar in Haarlem wonen. Kort daarna werd hij verkoopdirecteur van een confectiebedrijf in Amsterdam. Hij huurde daarvoor regelmatig naaisters in. 'Op een gegeven moment dacht Ad: verrek er zitten kansen in dat verhuren van werknemers! Bovendien wilde hij toch al zelfstandig ondernemer worden', vertelt zijn zoon Marc.
Ad en Babs besloten vanuit de slaapkamer een uitzendbureau op te richten. De naam werd Dactylo, de Franse naam voor typiste, want dat klonk wel chic. Hij plaatste advertenties in dagbladen met de tekst: 'Regio First Ladies gezocht'. Sagius selecteerde echtgenotes van succesvolle zakenlieden; huisvrouwen die beschikten over een goed netwerk en typistes aan het werk zetten. Zij werkten vanuit hun eigen woning, die diende als filiaal. Vlak na de oprichting waren er al zeventien vestigingen. Marc Sagius herinnert zich dat Ad en Babs in het begin vaak uitzendkrachten naar hun werk reden, want hij vond het heel belangrijk dat iedereen op tijd zou zijn.
De woonhuisformule was een gouden greep. Diverse 'Regio First Ladies' zijn er zelfs heel rijk van geworden. Omdat Sagius niet verwachtte dat het zo'n succes zou worden, was hij vergeten bij de eerste lichting een maximum aan provisie op te nemen in het contract. Dat foutje heeft hij daarna snel hersteld, al konden een tiental dames tot in lengte van jaren onbeperkt provisie innen.
Terwijl veel concurrenten kampten met een groot verloop, slaagde Sagius erin de continuïteit te waarborgen. Alleen veranderde het uitzendwezen eind jaren zeventig toen de bureaus allemaal filialen in winkelstraten gingen openen. Sagius had het kapitaal niet. Anton Dreesmann klopte bij hem aan en zei de zaak te willen overnemen. Sagius stemde toen in - al bleef hij zelf directeur van Dactylo dat als een van de ondernemingen van Vedior verder ging. Dreesmann kreeg tijdens de crisis van de jaren tachtig spijt dat hij zoveel had betaald voor Dactylo. Dactylo groeide uit tot een uitzendbureau met 125 vestigingen in Nederland, 75 in België en 20 in Engeland. In 1997 ging Sagius met pensioen, maar hij bleef nog tot 2000 actief als marketingdirecteur voor Vedior Holding totdat die werd overgenomen door Randstad.
Ad Sagius had een grote passie voor exclusieve Britse auto's en reisde graag. Daarnaast adviseerde hij nog vaak zijn zoon Marc die samen met Ralph Righton in Zoetermeer een eigen uitzendbureau was begonnen met een specialisatie in techniek.
(2-7-2013)

Leo Ploeger (1930-2013)
NS-baas

Laatste echte spoorwegman

De oud-NS-topman was middelmatig op school maar ontwikkelde zich tot president-directeur met natuurlijk gezag. Een ministerspost wees hij af.

Peter de Waard

leo ploegerRailwaymen are not made, they are born; spoorwegmannen maak je niet, die worden geboren. Leo Ploeger was de laatste echte spoorwegman aan de top van de Nederlandse Spoorwegen. Hij was van 1979 tot 1992 president-directeur  van de NS toen de NV ook nog zelf de rails, de perrons en de verkeersleiding exploiteerde.
Ploeger overleed afgelopen zondag op 83-jarige leeftijd. Hij was klein van stuk, maar had een natuurlijk gezag. Zelfs zijn mededirecteuren versnelden hun pas als ze hem aan zagen komen. Hij was een nuchtere manager. ‘In een yuppietoestand voel ik meniet thuis’, zei hij eens. ‘Daar moet ik altijd een beetje om lachen. Ik vind het leuk om te prikken in opgeblazen prietpraat. Ironie is een zwak punt van mij.’
Leo Ploeger werd op 19 mei 1930 in Arnhem geboren als tweede van vijf kinderen in een gereformeerd gezin. Zijn vader was chef-administratie bij de AKU, lid van de ARP en bestuurder bij een CNV-vakbond. Hij ging naar de hbs. Hoewel hij een middelmatig leerling was, dwong hij een studie aan de VU in Amsterdam af met als hoofdvak sociologie. Ploeger was daar lid van de Societas Studiosorum Reformatorum, waar hij zijn spreekvaardigheid ontwikkelde. Maar hij deed ook mee aan gedichtenwedstrijden van De Groene Amsterdammer. In 1958 trad hij in dienst bij de NS. In 1969 werd hij chef van de afdeling opleiding en vorming van de NS en in 1974 secretaris van de directieraad. In 1979 werd hij zelf topman en de baas van 26.000 spoormensen. ‘Ik hoefde niet zo nodig, maar het kwam nu eenmaal op mijn weg.’
Twee jaar later werd hij door het CDA gevraagd om in het kabinet-Van Agt II minister van Verkeer en Waterstaat te worden, maar hij wees dat verzoek af. ‘Ik heb er geen behoefte aan me sterk op de voorgrond te dringen. Ik houd niet van personality-toestanden. Ik heb nog niet in Stan Huygens’ Journaal in de Telegraaf gestaan. Er is bij mij nog nooit een televisieploeg in huis geweest. Ik hoop dat zo te houden.’
Met minister Neelie Kroes van Verkeer en Waterstaat had hij een haat-liefdeverhouding. ‘Hij staat met de trein op en gaat ermee naar bed’, zei ze. Hij was woedend toen Kroes besloot het tarief voor het treinkaartje te verhogen. Ploeger werd ook woedend op de vakbonden die in 1983 een grote staking organiseerden als protest tegen de loonsverlaging. Omdat de NS nog met handen en voeten aan de overheid gebonden waren, kon hij niets doen. Ploeger: ‘Het was als de man die het paard een trap gaf, nadat hij had ontdekt dat zijn vrouw het met de groentenboer hield. Ik voelde me toen het paard. Men had zich tot Den Haag moeten richten.’
In 1989 kreeg hij last van hartklachten en moet worden gedotterd. Daarna besloot hij elke dag driekwartier te wandelen in zijn woonplaats Zeist. In 1992 ging hij met pensioen. Een week na zijn vertrek presteerde de commissie-Wijffels een rapport over de verzelfstandiging en opsplitsing van de NS. Zijn opvolger Rob den Besten, bijgenaamd The Knife, moest als buitenstaander de bureaucratische organisatie omtoveren in een echt commercieel bedrijf. Hierbij werd het spoorbeheer ondergebracht in een apart bedrijf ProRail. Ploeger had er geen goed woord voor over en trok het zich persoonlijk aan dat de NS onder zijn leiding als ‘stoffig’ werd aangemerkt. In 2001 zei hij in een interview met Trouw dat ‘de Tweede Kamer, de verantwoordelijke ministers (Maij-Weggen, Jorritsma en Netelenbos) en de NS-directie er een zootje van hadden gemaakt. ‘Het bedrijf is uit elkaar getrokken. De centrale aansturing is daardoor weggevallen. Er is veel overleg nodig vanuit verschillende visies en verschillende doelstellingen en daar ga je de mist in. Je verliest nauwkeurigheid, flexibiliteit, de kans op misverstanden neemt toe, afijn dat is ook wel gebleken. Dat gepraat over privatisering, marktwerking, concurrentie, dat was de waan van de dag.’
(26-6-2013)

Peter Koene (1948-2013)
Liedjesconserveerder

Vader van het Nederlandstalige lied

De bewaarder van het Nederlandse lied legde de geschiedenis vast door nauwgezet te verzamelen.

Peter de Waard

koeneHij werd wel de vader van het Nederlandse lied genoemd. En daarmee worden niet de meedeiners en smartlappen uit het TROS-repertoire bedoeld. Peter Koene probeerde vooral het oud-Nederlandse lied veilig te stellen: de vele liedjes die vanaf de Middeleeuwen tot in de jaren zestig door straatzangers werden gebracht en zo mooi op de actualiteit van de geschiedenis inhaakte. Hij verzamelde ze uit overlevering van ­oudere mensen en conserveerde ze door zelf te zingen en door als voorzitter van de stichting Volksmuziek Nederland en als redacteur van bladen ervoor te zorgen dat ze op de een of andere manier bewaard bleven en gespeeld werden.
Peter Koene overleed op 9 juni in zijn woonplaats De Bilt aan de gevolgen van leverkanker. Hij laat drie kinderen na, twee bij zijn eerste vrouw en een bij zijn tweede vrouw Ineke Hoeks, met wie hij de laatste dertig jaar samenwoonde.
Koene wordt geboren in een katholiek gezin in Delft als oudste van vier kinderen. Zijn vader is binnenvaartschipper voor een kabel­fabriek. Al vroeg ontdekt hij de muziek als zijn grote passie. Vanaf zijn 10de speelt hij gitaar. Op zijn 13de gaat hij naar het seminarie . Vijf jaar later houdt hij het daar voor gezien en gaat hij naar de sociale academie. Hij wordt personeelsmedewerker op de fabriek van zijn vader en later vormingswerker. De laatste twintig jaar is hij werkzaam als ­ouderenwerker en sociaal makelaar in de Utrechtse volkswijk Ondiep.
Als hij in 1965 het Amerikaanse folknummer Litte Boxes op Radio ­Caroline hoort van Pete Seeger besluit hij zanger te worden. Via Seeger raakt hij in de ban van Bob Dylan, Joan Baez en later The Dubliners. Hij leert instrumenten te bespelen als mandoline, doedelzak en dwarsfluit. Hij treedt op in onder meer Cobi Schreijers Waagtaveerne in Haarlem, waar Seeger zelf ook nog speelde. Schreijer stimuleert hem om het oude Nederlandse volksrepertoire op te pakken. Behalve in de Waagtaveerne treedt Koene eind jaren zestig ook op in Folkclub ’65 in Amsterdam.
In 1969 verschijnt zijn eerste album, Komt vrienden hoort een lied, met oud-Hollandse liedjes die hij van zijn grootouders heeft geleerd. Hierop staan nummers als Het Vrouwtje van Stavoren, Jan Broeder, het Botermeisje en Komt Vrienden in Het Ronde. In 1971 staat Koene aan de basis van het eerste Delftse Folkfestival. Daar ontstaat de volksmuziekgroep Hutspot, die traditioneel Nederlands repertoire speelt dat aansluit op de moderne folkbeweging.
In de jaren zeventig volgt een periode van actie en engagement. Koene werkt voor Proloog, dat politiek actief theater brengt. Hij componeert muziek bij teksten van Jan Smeets. Grote producties zijn De overval op het pakhuis en De klucht van Pierlala.Tegelijkertijd vormt hij met Jaap Oudesluijs de geëngageerde volksmuziekgroep Werktuig, die tot 1985 veelal linkse politieke liedjes brengt. De populariteit van folkmuziek staat in die jaren op een laag pitje. Pas eind jaren tachtig kan hij de draad weer oppakken. Koene treedt op met een reeks van groepen en artiesten, onder wie Jules de Corte. Hij maakt platen en cd’s. Hij zit in formaties als Madlot en de Foo Foo Band (dramatische zeemansliedjes). Ook werkt hij lang als ­redacteur en eindredacteur van het folk- en volksmuziekmagazine Janviool, tegenwoordig New Folk Sounds.
Vorig jaar verscheen zijn album De Toren (en andere liefdesliedjes) met nummers over zijn eigen jeugd en over zijn ziekte. Hier legt hij enkele van de duizenden liedjes vast die naar eigen zeggen voortdurend door zijn hoofd spookten.
(25-6-2013)

 

Leo Musch (1943-2013)
Schilder

Onderwijzer moest hij worden, maar Leo Musch koos voor de kunsten. Om uiteindelijk schilderles te gaan geven.

Billy Elliot van de schilderkunst

Peter de Waard

leo

In een uitzending van Rik Felderhofs De Stoel uit 1997 gaf Leo Musch in het Zuid-Franse Beauregard schilderles aan tante ­Annie uit de Jordaan en haar dochter Riekie, die allebei hun hele leven werkster waren en nooit op vakantie waren geweest.
Meteen wist hij de show te stelen. Niet alleen Nederlandse cursisten die weleens een likje verf op een doek wilden aanbrengen, kwamen massaal naar zijn vakantieadres bij Nîmes, maar ook televisiesterren als Ursul de Geer en Jan Douwe Kroeske.Musch was charismatisch en ijzersterk. Hij droeg nooit een winterjas. Hij was vegetariër, rookte niet en dronk geen alcohol. Op 3 mei overleed hij op 69-jarige leeftijd aan de gevolgen van de zeldzame ziekte amyloidoses, waarbij lichaamsonvriendelijke eiwitten worden aangemaakt.
Musch werd in 1943 in Amsterdam geboren. Zijn vader was verkoopleider en zijn moeder onderwijzeres. Hij wilde als kind balletlessen gaan nemen, maar zijn ouders moesten niets hebben van een ‘Billy Elliot’. En toen Leo in de jaren vijftig naar de kunstacademie wilde, staken ze daar ook een stokje voor. Hij moest een opleiding volgen op de kweekschool, zodat hij als onderwijzer tenminste zijn brood zou kunnen verdienen. Hij was echter verknocht aan de kunst. Hij deed een negen jaar durende avondopleiding aan de hogeschool voor de kunsten. Hij behoorde aanvankelijk tot de stroming van de hyperrealisten die tafereeltjes zo echt en neutraal probeerden weer te geven.
Musch was in de opstandige jaren zestig sterk politiek geëngageerd, nam deel aan de Maagdenhuisbezetting en behoorde tot de intimi van kabouter Roel van Duijn. Hij trouwde al op zijn 20ste, kreeg twee dochters, scheidde, hertrouwde en scheidde opnieuw. Naast schilderijen maakte hij ook illustraties, onder meer voor boeken als de klassieker Help, de dokter verzuipt van Toon Kortooms. Daarnaast werkte hij samen met de dichter ­Simon Vinkenoog. Hij bleef ook les geven, onder meer in Amsterdam en Utrecht (Artibus). Daarnaast was hij in tegenstelling tot vele kunstenaars ook sportief actief. Hij haalde een zwarte band in het judo.
Eind jaren zeventig had hij plotsklaps zijn buik vol van het geëngageerde milieu. In 1981 vestigde hij zich in Zuid-Frankrijk en ging daar les geven. Zijn derde partner Dineke Derksen – met wie hij de laatste elf jaar samenwoonde – zegt dat Leo daar het meest zichzelf was. ‘Om kleding gaf hij niets zolang het maar zwart was.’ Hij probeerde studenten altijd hun eigen grenzen te laten ontdekken. ‘Van een mooi aquarelletje voor boven de bank wilde hij niets weten. Mooi zei hem niets, dat was veel te gemakkelijk. Mooi was een werk pas als het je raakte’, vertelt een voormalig leerling.Leo Musch was zeer veelzijdig. Hij gaf ook lessen beeldhouwen en grafische vormgeving en speelde piano. Hij schreef vele boeken, waaronder Grensverleggend schilderen en maakte een serie tekeningen voor de Europakalender 1992. Behalve de zomercursussen op Beauregard gaf hij ook jarenlang les aan kinderen en jongeren in Thailand.
In de jaren negentig was hij de pionier van de transparante- of lichtschilderijen waarvoor fabrikant Talens speciale verf had ontwikkeld. Deze schilderijen konden worden ingebouwd in een muur, waarbij het licht continu wisselde met behulp van een dimmer. Ze werden onder meer geëxposeerd in Eindhoven en China. In Beauregard is ee galerie ingericht waar zijn werk blijvend wordt tentoongesteld.
(18-6-2013)

Paul Soros (1926-2013)
havenontwikkelaar

Man van brede visies

Zijn broer George geniet meer naamsbekendheid. Maar de invloed van Paul Soros op vooral de schaal van de wereldhandel is enorm geweest. 

Peter de Waard

sorosIn tegenstelling tot zijn jongere broer – superspeculant en miljardair George Soros – is de van oorsprong Hongaarse havenondernemer en -ontwikkelaar Paul Soros geen levende legende geworden.
Paul Soros overleed zaterdag op 87-jarige leeftijd in Manhattan. Hij lijkt pas na zijn dood uit de schaduw te zijn gestapt van zijn broer en de status te hebben gekregen van een industriële pionier. Hij ontwikkelde een nieuwe methode voor de wereldwijde overslag van bulkgoederen als ijzererts, steenkool en bauxiet. Zeven van de tien grootste havens voor bulkoverslag in de wereld dragen het stempel van Paul Soros en zijn bedrijf Soros Associates.
Eind jaren zeventig vroeg het Braziliaanse mijnconcern CVRD Paul Soros om de capaciteit van de haven van Tubarao te vergroten van 14 naar 24 miljoen ton. Soros kwam terug met een plan om de capaciteit van de haven te vervijfvoudigen tot 80 miljoen ton. Hij deed dit met een nieuwe methode om mobiele kades in open zee te leggen. Tot dan toe konden vanwege de golfslag alleen kades in beschermde havens worden aangelegd.
Vervolgens lanceerde hij het idee  ijzererts vanuit deze haven te vervoeren naar Japan – op dat moment de grootste importeur – in tankers van 250 duizend ton in plaats van de gebruikelijke vrachtschepen tot 100 duizend ton. Als deze schepen hun ijzererts hadden gelost in Japan, konden ze doorvaren naar de Perzische Golf om daar ruwe olie te laden voor Rotterdam. De hele logistiek bleek zo goed in elkaar te zitten dat Brazilië de grootste producent van ijzererts ter wereld werd.Paul Soros werd net als zijn vier jaar jongere broer George geboren in Boedapest. Zijn vader Tividar Schwartz was een joodse advocaat en een promotor van de kunstmatige taal Esperanto, die alle volkeren met elkaar zou moeten laten communiceren. Motief waren zijn tragische ervaringen in de Eerste Wereldoorlog.
Paul Schwartz – de naam Soros (Esperanto voor ‘zal opstijgen’) werd pas aangenomen toen de jodenvervolging dreigde – werd als jongeling bekend als een talentvol skiër en tennisser. In 1944 werd Boedapest bezet door de nazi’s en begon een genadeloze jacht op de joden. Paul Soros wist te vluchten naar de Sovjet-Unie. Na terugkeer in Boedapest besloot hij werktuigbouwkunde te gaan studeren. In 1948 zou hij als skiër voor het inmiddels communistische Hongarije deelnemen aan de Olympische Spelen in Zwitserland, maar hij besloot op weg daarheen in Oostenrijk te vluchten. Hij kwam via Engeland in de VS terecht, waar hij in 1956 zijn havenbedrijf Soros Associates oprichtte.
Hij bouwde haventerminals en offshoreprojecten in meer dan 90 landen. Hierdoor konden de kosten van overslag van massagoederen wereldwijd omlaag worden gebracht. Hij won vele prijzen voor zijn ontwerpen. In 1989 verkocht hij het bedrijf.Daarna richtte hij zich samen met zijn broer George op investeringen in diverse industriële projecten en mijnbouwbedrijven. Hij zat ook in het bestuur van het Quantum Industrial Fonds van zijn broer. In 1997 stichtte hij een filantropische organisatie, uit dankbaarheid voor de gastvrijheid die de VS aan hem en zijn eveneens Hongaarse vrouw hadden verleend. Hiertoe behoorde een studiefonds van 75 miljoen dollar voor eerste generatie immigranten in de VS. Hij was een van de patronen van de New York Metropolitan Opera.
George Soros omschreef zijn broer als man van ‘brede visies’ en ‘onorthodoxe oplossingen’. Een van Pauls zonen trouwde met een stiefdochter van toneelschrijver Harold Pinter.
(18-6-2013)

Ronnie Splinter (1948-2013)
Gitarist

Gitarist achter Wally Tax

 Samen met Wally Tax was Ronnie Splinter de man achter de Outsiders. Ze speelden de Stones van het podium.

Peter de Waard

ronDen Haag was in de jaren zestig de Nederlandse evenknie van de Merseybeat. Maar Amsterdam was de geboorteplek van de Outsiders, de ruige groep van Wally Tax en Ron Splinter, die in het voorprogramma van The Rolling Stones stond en wier optredens meestal gepaard gingen met vechtpartijen. 'Ik heb heel wat flessen naar mijn hoofd gekregen en moest vechtersbazenregelmatig afweren door met de microfoon te zwaaien', zei Splinter later.
Na Wally Tax in 2005, overleed op 19 mei ook de mede-oprichter van de Outsiders Ronnie Splinter op 64-jarige leeftijd aan de gevolgen van slokdarmkanker. Samen met Tax schreef Splinter de meeste nummers voor de groep. In 1966 en 1967 hadden dee Outsiders talrijke top-10-hits zoals Lying All the Time, Touch, Keep on Trying, Monkey on your Back en Summer is Here. Toen de band op 26 april 1966 in het voorprogramma van The Rolling Stones stond, speelde de groep, aldus Hitweek, de Londense band van het podium.
Ronnie Splinter werd geboren aan de Reinwardtstraat in Amsterdam waar zijn vader een bedrijfje had dat wasmachines verhuurde. Elke dag ging hij met de grote apparaten, die met riemen op zijn rug waren vastgebonden, langs de huizen. Hij had echter ook belangstelling voor muziek en had in huis een Hammond-orgel staan. Splinter was de jongste in een gezin met vier kinderen. Als zijn ouders van huis waren, speelden zijn oudere broers rock 'n' rollplaten van Buddy Holly en Elvis Presley. Ronnie was de slimste van het gezin en moest naar de mulo, terwijl de anderen niet verder kwamen dan de Ambachtsschool. Op school sjeesde hij met een 1 voor boekhouden. Hij bleek meer belangstelling te hebben voor muziek. Eigenlijk wilde hij drummer worden, maar uiteindelijk koos hij voor de gitaar (een Welson). Om zijn hobby te bekostigen, ging hij werken als schoonmaker. Op een schoolkamp besloot hij samen met zijn buurtvriendje Wally Tax, die eveneens een gitaar had (een Egmond), covers te spelen van Amerikaanse artiesten. Ze wisten er met Leendert Groenhoff een zanger bij te halen, zodat ze een bandje konden beginnen dat Jimmy Ravon & Outsiders ging heten. Nadat Groenhoff alias Jimmy Ravon in 1963 was vertrokken, bleef alleen Outsiders over en kwamen drummer Leendert Busch en bassist Appie Rammers erbij.
Tax en Splinter gingen vanaf 1965 zelf liedjes schrijven. Toen Lying All the Time na vier maanden nog steeds in de top-40 stond zei Joost den Draaijer op Veronica: 'De enige single die het uithoudt tot de volgende ijstijd!' In het boek Nederpophelden zei Splinter in 2006: 'We componeerden vrij gemakkelijk. Ik vroeg dan: 'Wat is de sfeer?' En Wally zei bijvoorbeeld: 'Drank' of zo. Dat was om zo'n beetje de toonzetting te weten. We deden dat eerst met z'n tweeën, we kwamen dan bij elkaar thuis. En daarna speelde ik het voor in het repetitielokaal. En de rest vulde het dan in.' De groep kreeg steeds meer succes en speelde negen maanden achter elkaar in de Amsterdamse nachtclub Las Vegas aan de Nieuwedijk. In 1969 ging de groep uit elkaar nadat Wally Tax tot een solocarrière werd verleid. Splinter hing de gitaar aan de wilgen en werd automatiseerder bij verzekeraar Winterthur. In 1973 trouwde hij met zijn grootste fan en stichtte een gezin. Pas na een reünieconcert in 1997 met de Outsiders kreeg Splinter weer plezier in optredens. Hij creëerde zijn eigen band Ron & The Splinters en trad op met bands als The Dam en The Cynics. Met de laatste band had hij zelfs nog optredens gepland in Spanje toen de fatale kanker werd ontdekt.
(11-6-2013)

Jan Villerius (1939-2013)
ADO-verdediger

Laconieke voetbalster

De leeuw van Glasgow schuwde het literaire boek niet.

Peter de Waard

janVoor de toenmalige betaalde voetbalclub Xerxes was hij de 'man achter Coentje', voor Sparta was hij 'de leeuw van Glasgow' en voor ADO 'de adjudant van Ernst Happel'. De lange voorstopper Jan Villerius was in de jaren zestig een bekend gezicht op de Nederlandse voetbalvelden en op wat toen nog Sport in Beeld heette.Maar hij had ook een andere kant, zo zegt zijn zoon Frenk Villerius. Hij hield in tegenstelling tot de meeste topvoetballers van lezen. Hij las graag Mulisch, Umberto Eco, Isabel Allende, historische romans en ander zwaarder werk. Hij was geïnteresseerd in wat in de wereld gebeurde en las elke dag de Volkskrant van voor tot achter.
Villerius, die driehonderd wedstrijden speelde voor ADO, overleed op 7 mei aan de gevolgen van longkanker. Drie jaar geleden stierf zijn vrouw Anja met wie hij twee kinderen had. Hij werd 74 jaar.
Villerius was een geboren Rotterdammer: 1,90 meter lang, een sterk lichaam en een stoere uitstraling. Behalve over een forse fysiek beschikte hij ook over een goed spelinzicht. Daarentegen was hij niet erg snel en soms nogal laconiek. Hij begon zijn carrière bij Xerxes, hier speelde hij in zijn jeugd. Hij haalde verschillende nationale jeugdelftallen. In het seizoen 1957-1958 maakte hij zijn debuut in het eerste elftal van de toenmalige eerstedivisieclub, vlak achter Coen Moulijn die kort daarna naar Feyenoord zou verhuizen.
Na de degradatie van Xerxes stapte hij over naar stadgenoot Sparta, waarmee hij in het seizoen 1958-1959 landskampioen werd. In het jaar daarop werd hij in de Europacup 1 de held van Sparta in de uitwedstrijd tegen Glasgow Rangers. Nadat Sparta de thuiswedstrijd met 3-2 had verloren en kansloos leek, won het team in Glasgow met 1-0 van de Rangers, dat toen als een van de sterkste elftallen van Europa gold. Er was uiteindelijk een beslissingswedstrijd op Highbury in Londen nodig om een winnaar te bepalen. Die verloor Sparta, andermaal met 3-2.
ADO, dat in het seizoen 1960-1961 net aan degradatie ontsnapte, nam uiteindelijk Villerius over in een poging een geheel nieuw elftal te bouwen. Ernst Happel werd als coach aangetrokken en Villerius werd zijn aanvoerder en adjudant in het veld. In 1962 selecteerde bondscoach Elek Schwartz hem voor het Nederlands Elftal voor de derby der lage landen tegen België, nadat de Feyenoord-spelers waren afgehaakt. Het elftal, waarin behalve Villerius ook Frits Soetekouw van De Volewijckers, Piet Ouderland van Ajax en Charley Bosveld van Sportclub Enschede hun debuut maakten, verloor met 2-0 in de 'Hel van Deurne'.
ADO bereikte met de klassieke verdediging Theo van der Burch, Jan Villerius, Aad Mansveld en Sjakie Smit de Intertotocompetitie en later ook de Europa Cup voor bekerwinnaars. In 1967 maakte ADO een trip van zeven weken naar de Verenigde Staten onder de naam San Francisco Golden Gate Gales. In 1968 werd Villerius getransfereerd naar RCH, waar hij nog een jaar speelde. Daarna trainde hij vijftien jaar amateurclubs: DONK, Celeritas, De Valkeniers en De Postduiven.
Hij vestigde zich in Rijswijk en bleef betrokken bij ADO. Naast zijn carrière als semiprof was hij vertegenwoordiger van een firma in gymtoestellen. Ook verkocht hij in de sportzaak die hij met Hans van der Hoek had, sportschoenen als Le Coq Sportif (hiertoe had hij een exclusief recht) en Hummel Hummel. Na zijn voetbalcarrière werkte hij bij het MVMK, een verkoopbevorderende organisatie die zegeltjessystemen voor winkels bedacht. Als zelfstandige verzon hij later attracties voor braderieën, waarvoor hij zelfs olifanten inzette.
(4-6-2013)

 

Ivan Gadourek (1923 – 2013)
Wetenschapper

Vooraanstaand socioloog

Gevlucht voor het communisme groeide Ivan Gadourek in Nederland uit tot voorvechter van de rechtsstaat.

Peter de Waard

ivanEen maand voor zijn dood zei hij tegen zijn dochters: 'Waarom wordt er in Nederland nooit een feestje gegeven voor het feit dat de AOW al meer dan vijftig jaar bestaat? Het is toch prachtig dat zo veel Nederlanders een mooie oude dag hebben.' Op 19 april overleed de socioloog Ivan Gadourek in zijn woonplaats Haren. Hij was 89 jaar. De emeritus-hoogleraar behoorde tot de invloedrijkste naoorlogse sociologen. Daarnaast was hij een groot voorvechter van de democratische rechtsstaat, wat veel te maken had met zijn achtergrond.
Gadourek werd in 1923 geboren in het huidige Tsjechië als de zoon van een waterbouwkundig ingenieur. Hij studeerde filosofie en Engels aan de universiteit van Brno. Hij was daar ook actief als voorzitter van de sociaal-democratische studentenvereniging. In 1947 reisde hij naar Nederland om met de PvdA'er Koos Vorrink te praten over meer steun aan de socialisten in het na-oorlogse Tsjecho-Slowakije. Toen de communisten een jaar later de macht grepen, moest Gadourek vluchten. Via een Nederlandse student kwam hij bij toeval in Den Haag terecht. Hij studeerde sociologie in Leiden en promoveerde daar op een het proefschrift The political control of Czechoslovakia: a study in social control of a Soviet communist state. Hij betaalde de studie door als bibliothecaris te werken op de medische faculteit van de universiteit. Intussen trouwde hij met een Nederlandse vrouw en kreeg twee dochters (Milada en Maja). Daarnaast was hij zeer actief in de strijd tegen de dictatuur in Tsjecho-Slowakije (zo maakte hij verzetskrantjes) en in de opvang van vluchtelingen uit het land.
In 1950 begon hij een grootschalig onderzoek naar typisch Nederlandse eigenschappen. Hiervoor koos hij het bollendorp Sassenheim, dat vanwege de vele religieuze stromingen (katholieken, hervormden en gereformeerden) model stond voor het land. Hier onderzocht hij hoe Nederlanders wonen, werken, hun kinderen opvoeden en hun vrije tijd besteden. In 1993 probeerde de hoogleraar Kees Schuyt met zijn studenten de veranderingen met een soortgelijk onderzoek in Sassenheim vast te stellen en eind vorig jaar werd dat weer herhaald door een onderzoeksteam van de Universiteit van Amsterdam op dezelde manier als Gadourek: het interviewen van mensen, het bestuderen van documenten en het houden van enquêtes.
Gadourek verhuisde in 1958 naar Groningen, waar hij was benoemd tot hoogleraar sociologie aan de faculteit Gedrags- en Maatschappijwetenschappen. Hij vond dat wetenschappelijke uitspraken empirisch moesten worden ondersteund. Het bracht hem ertoe grootschalig databestanden te verzamelen en met statistische methoden te analyseren. Hij zocht altijd de nuance. De simpele stelling dat mensen die niet gemotiveerd waren in hun werk, eerder ziek zouden worden, nuanceerde hij na een onderzoek bij Philips en Hoogovens. Zijn drie monografieën A Dutch Community (1956), Riskante gewoonten (1963) en Absences and Well-being of Workers (1965) werden lang gebruikt als voorbeeld voor onderzoek met behulp van steekproeven en enquêtes.
Zijn engagement voor een democratische samenleving, zijn betrokkenheid bij studenten en zijn aimabele karakter maakten Gadourek een populair hoogleraar in Groningen. In bepaalde kwesties was hij echter onverzettelijk. Als vluchteling uit Tsjecho-Slowakije verzette hij zich tegen de ongewenste effecten van het modieuze collectivisme in de studentenbeweging. Vanwege zijn betekenis voor de wetenschap ontving hij in 1985 van de Universiteit Utrecht en in 1992 van de Masaryk University in Brno een eredoctoraat.
(28-5-2013)

 

Ton Scherrenberg (1951-2013)
Purser en vakbondsman

Generaal van het blauwe leger

Hij was verknocht aan zijn werk als purser. Ton Scherrenberg was bovendien een gedreven vakbondsman.

Peter de Waard

tonVrijdagmiddag 26 april verliet voorzitter Ton Scherrenberg rond kwart voor vier het kantoor van de Vakbond van Nederlands Cabinepersoneel (VNC) op Schiphol-Oost. Hij zou gaan tennissen. 'Fijn weekeinde en ik zie jullie maandag', zei hij nog. Niet veel later overleed Scherrenberg aan een hartstilstand, totaal onverwacht. 'Toen het nieuws bekend werd, kwamen geschokte en meelevende reacties binnen', zegt collega Ingrid Brama. Hij werd door vriend en vijand beschouwd als 'de generaal van het blauwe KLM-leger'.
Een week eerder had hij als senior purser nog een vlucht naar Dubai gemaakt. Toen voelde hij zich niet helemaal lekker, maar dat leek te maken te hebben met een verkoudheid. Hij wilde niet afzeggen, dat zou de planning van een ander kunnen verstoren. Scherrenberg was bovendien verknocht aan zijn werk en aan de KLM. Door het VARA-programma Zembla werd hij onlangs nog geïnterviewd over de geheimzinnige ziekte Aerotoxic Syndrome die onder cabinepersoneel veel klachten zou veroorzaken. Hij had zich ook sterk gemaakt in een lastige kwestie over twee pursers die onlangs definitief werden ontslagen, omdat ze in strijd met de regels vele uren voor een vlucht één glas wijn hadden gedronken en daarover zouden hebben gelogen. En het was hem nog gelukt om het cabinepersoneel van ArkeFly onder de vlag van de vakbond VNC te krijgen.
Ton Scherrenberg werd geboren achter voetbalstadion Galgenwaard in Utrecht. FC Utrecht bleef zijn favoriete club. In maart 1978 besloot hij 'de mooie wereld van Peter Stuyvesant te gaan ontdekken'. Hij volgde een opleiding tot steward in een tijd dat relatief nog weinig mannen dat deden. Op een van de vluchten vanuit New York ontmoette hij collega Monica de Bie met wie hij trouwde en een dochter kreeg - zijn grote trots - die juist deze maand haar bul in communicatiewetenschappen krijgt uitgereikt.
In de jaren negentig werd hij actief in de medezeggenschapsorganen bij KLM - de OR, de ledenraad en verschillende andere commissies. Intussen maakte hij ook carrière bij KLM en klom op tot purser en senior purser. Hij had ook interesse in de inrichting van de cabines van vliegtuigen en ging daarvoor zelfs naar Boeing in Seattle. Hij besefte altijd al dat aan de wereld van Peter Stuyvesant een andere kant zat. In een van zijn recente columns in het VNC Magazine schreef hij: 'Het lijkt een droombaan. Reizen, luxe hotels en veel vrije tijd. Bij ieder feestje moet ik tegen dat vooroordeel opboksen. Vroeger waren stewardessen en stewards heel jong. Tegenwoordig ligt de gemiddelde leeftijd op 43 jaar. De meeste collega's hebben een gezin (...) Tel daarbij op dat de werkschema's steeds ingewikkelder worden. Zeker voor ouderen is het een zwaar beroep.'
Toen in 2006 een bestuurscrisis bij de VNC uitbrak, werd Scherrenberg gevraagd de nieuwe voorzitter te worden. 'Hij was niet iemand die het podium zocht. Maar mensen boden hem dat podium omdat wat hij te zeggen had ertoe deed', zegt Brama. Als onderhandelingen vastliepen, trad Scherrenberg naar voren om te bemiddelen. Hij was vakbondsman, maar had eveneens het belang van vliegmaatschappijen voor ogen. Voor de crematieplechtigheid werd aan de vliegende collega's van alle VNC-secties (KLM, KLC, Transavia.com en ArkeFly) gevraagd om in uniform te komen. Daar werd in groten getale gehoor aan gegeven, als laatste eer aan Ton Scherrenberg.
(21-5-2013)

 

 

 

Len Rempt (1927-2013)
VVD-kamerlid

Progressieve liberaal

Ze was een idealist die al voor homoseksuelen opkwam toen dat bij de VVD nog een taboe was

Peter de Waard

remptHaar idealen werden gevormd door de bekrompenheid van haar jeugd en de ledigheid van haar expatbestaan. Daarom werd ze een vooruitstrevend liberaal en een voorvechter van vrouwen-, consumenten- en homorechten. Len Rempt-Halmmans de Jongh was tussen 1979 en 1994 Kamerlid voor de VVD. In 1975 werd ze de eerste voorzitter van de Nationale Vrouwenraad – een overkoepelend orgaan van vijftig vrouwenorganisaties – en na haar Kamerlidmaatschap was ze onder meer voorzitter van de Stichting Korrelatie. Len Rempt overleed op 23 april in Huizen, op 85-jarige leeftijd. De laatste jaren was ze dementerend en sinds vorig jaar kon ze door een herseninfarct niet meer praten – ‘iets’, zo vertelt haar dochter Jacqueline, ‘wat onvoorstelbaar was voor een vrouw die zo vaak verbaal aan de weg timmerde’.
Ze werd in Utrecht geboren als Nellie Halmmans de Jongh – enig kind van de chef-accountant van de Rotterdamsche Bank. Tijdens de oorlogsjaren woonde ze in het gebombardeerde Rotterdam. Het benauwende milieu waarin ze opgroeide, vormde haar voor een groot deel. Ze voelde zich pas vrij toen ze aan de Erasmus Universiteit bedrijfseconomie ging studeren. Ze was al afgestudeerd en had een baan toen ze haar man ontmoette – een eerstejaarsstudent. Ze konden echter niet trouwen totdat hij ook werk had. Nadat hij jaren later bij Shell in dienst trad en werd uitgezonden naar Nigeria en Iran was zij gedwongen haar werk op te geven. In het buitenland werden twee van haar drie kinderen geboren, maar de ledigheid van het expat­bestaan waarmee vooral de echtgenotes werden geconfronteerd, ergerde haar. Ze was ook blij dat ze in 1965 naar Nederland terugkeerde en zich in Wassenaar kon vestigen. Op lokaal niveau werd ze actief in de vrouwenbeweging en bij de VVD. Toen haar man ziek werd en zijn werk moest opgeven, concentreerde ze zich op haar eigen carrière.
In 1979 werd Rempt-Halmmans de Jongh gekozen in de Tweede ­Kamer, waar ze zich ontpopte als een progressieve liberaal die soms flinke botsingen had – zo was ze fel gekant tegen privatiseringen van nutsbedrijven – met het meer rechtse partij-establishment. Als afgestudeerd econome werd ze ook lid van de parlementaire onderzoekscommissie naar het RSV-debacle. In de Kamer stond ze bekend als een geestig en actief Kamerlid ‘die haar Wassenaarse achtergrond probeerde te maskeren’. Volgens haar dochter was ze echter veel te eenvoudig voor het Wassenaarse milieu.
Ze was een idealist die al voor homoseksuelen opkwam toen dat bij de VVD nog een taboe was. Toen ze een keer een feestje gaf, wist ze niet of ze bijvoorbeeld Jan Franssen (de latere commissaris van de koning in Zuid-Holland) kon vragen zijn vriend mee te nemen. Hij was zelf nog niet voor zijn homoseksualiteit uitgekomen.
In 1994 besloot ze het Kamerlidmaatschap op te geven. Ze ging nieuwe Kamerleden scholen in wat ‘het klasje van Len’ werd genoemd en werd voorzitter van de stichting Korrelatie, waar mensen die hulp behoeven, kunnen aankloppen. Dankzij haar actieve steun voor de homobeweging werd ze in 1997 ook gevraagd voorzitter te worden van de stichting Gay Games. Ze vond het goed, als die Spelen ook open werden gesteld voor hetero’s. Toen de Spelen een miljoenenverlies leden, veroorzaakte dat bij haar fikse hoofdbrekens, vooral omdat de bestuursleden even dreigden persoonlijk te worden aangesproken. Charlie ­Aptroot, de huidige burgemeester van Zoetermeer, die haar lang kende, herinnert dat ze niet een altijd een zorgvuldig boekhouder was. ‘Ze antwoordde dan vinnig: ik ben econoom, geen boekhouder.’
(14-5-2013)

 

Jonkvrouwe Agnies Pauw van Wieldrecht (1927-2013)
Kroniekschrijver

 

Adellijke chroniqueer

Ze schreef met liefde, maar ook met zelfspot over haar adellijke milieu. Mede dankzij haar boeken werd de adel eind jaren negentig weer een voor-aanstaande subcultuur.

Peter de Waard

agnes pauw‘De adel heeft geen enkel specifiek nut. Beschouw het maar als de franje van het tafelkleedje.’ Maar het gaf ook geen pas die daarom maar neer te sabelen als een rijke feodale klasse zoals in de jaren zestig en zeventig geschiedde door provo’s, kabouters, hippies en alles wat links was. ‘Alles wat naar stand zweemde, lag toen uiterst gevoelig.’
Agnies Pauw van Wieldrecht vond het daarom noodzakelijk een herwaardering van de aristocratie in Nederland te bewerkstelligen, al was het alleen maar om het taalgebruik en de etiquette van de ongeveer 10 duizend adellijke Nederlanders uit driehonderd families veilig te stellen. De chroniqueur van de Nederlandse adel is 7 mei op 85-jarige leeftijd overleden. Ze werd geboren als jonkvrouw Agnies Pauw van Wieldrecht, vrouwe van Darthuizen, in Den Haag. Een jaar na haar geboorte overleed haar moeder en tien jaar later ook haar vader, een kamerheer van koningin Wilhemina. In 1951 trouwde ze met de diplomaat jonkheer Johan Beelaerts van Blokland, die onder meer voor Nederland ambassadeur was bij de Heilige Stoel. Ze bewoonden huis De Kemenade in Wijnbergen en hadden drie kinderen.
In 1985 publiceerde Agnes Pauw van Wieldrecht haar boek Het dialect van de adel, waarin ze het taalgebruik van de adel beschreef. Die onderscheidde zich niet door de bekende aardappel in de keel, maar door de taalschat. De adellijke taal was het zogenoemde Hagois, een deftig Haags dialect met veel Franse woorden. Adellijke mensen konden iets appetijtelijk, flagrant amusant, of affreus vinden of konden er gehorripileerd of geambeteerd van raken. Het boek liet ook zien dat juist wanneer men Franse woorden zou verwachten adellijke mensen Nederlandse kiezen. In plaats van colbert, dessert, fauteuil, pantalon en gebak zegt een baron of jonkvrouw liever jasje, toetje, stoel, broek en taartje. Op die manier wil de adel zich onderscheiden van het gewone volk. Dat ging om chiquer te lijken Franse woorden gebruiken, waarop de adel daar juist weer van afzag.
Agnies Pauw van Wieldrecht hoedde zich nadrukkelijk voor nostalgie of standsverheerlijking. Ze beschreef haar milieu met liefde, maar ook met zelfspot en ironie. Het boek werd een bestseller. Ze had ook de tijdgeest mee. Vanaf de jaren tachtig maakte de aristocratie in Nederland een comeback, aangemoedigd door het foute geld van de nouveaux riches uit het yuppie-tijdperk en programma’s als Glamourland van Gert-Jan Dröge. De adel werd weer een toonbeeld van verfijning – liever een slecht verwarmd kasteel dan een protserig penthouse in Amsterdam-Zuid.
In 1992 verscheen Grootmama, mogen wij kluiven?, waarin Pauw van Wieldrecht herinneringen ophaalde aan haar jeugd in een adellijke familie aan het begin van de jaren dertig. Kluiven mocht alleen met toestemming van de tafelgenoten en met één hand. In 1993 schreef ze Vin-je dat we een hoed op moeten?, waarin ze de adellijke etiquette behandelde. In 1994 zag haar laatste publicatie het licht: Borduursels buiten het stramien.  Mede dankzij haar publicaties kreeg de adel eind jaren negentig weer de rol van een vooraanstaande subcultuur in Nederland. De adel ging in zee met ecologische boeren, kreeg vooraanstaande posities in talrijke maatschappelijke organisaties. In 2003 werden haar boeken nog een keer gebundeld tot een groot werk.
(13-5-2013)

 

Adel versus gepeupel

Taalgebruik
‘Zegt iemand biertje in plaats van pilsje, apenootje in plaats van pinda, chaufferen in plaats van autorijden en princessebonen in plaats van sperziebonen, dan weet u zeker dat u zich in voornaam gezelschap bevindt’, aldus Agnes Pauw van Wieldrecht.

Omgang met personeel
De adel is heel beminnelijk in de omgang met het personeel. Zo wordt de deur opengehouden voor serveersters. ‘Als je als kind bijvoorbeeld de deur niet openhield voor het personeel, kon je een flinke klabots voor je derrière krijgen’, aldus Pauw.

Organiseren diner
Adellijke mensen openen niet zelf de deur bij bezoek voor een diner. ‘Dan sta je er niet onbeholpen bij als de gasten hun haar kammen, hun neus poederen en nog even ‘verdwijnen’. Bovendien laat je je andere gasten niet in de steek. Aan tafel  zit de oudste of belangrijkste mannelijke gast rechts van de gastvrouw, tenzij het een familielid is dat u geregeld spreekt. Zet echtparen nooit naast elkaar, die hebben thuis alles al besproken. Tegenover elkaar kan desnoods.

Flirten
Een flirt is net te lang de hand van een meisje vasthouden bij het geven van een vuurtje, een te langdurige blik in de ogen, een net te intieme dans. Van de eerste zoen moet je een hele nacht kunnen wakker liggen. Pauw  vond het vroeger heerlijk op straat te worden nagefloten. Ze kon op terrasjes in  Rome gefascineerd kijken naar het rollenspel tussen mooie Italiaanse jongedames en –mannen.

 

Piet Paardekooper (1920-2013)
Taalhervormer

Man van groter als

De omstreden hoogleraar Nederlands zaaide graag verwarring, maar wilde  het eigenlijk iedereen gemakkelijker maken

Peter de Waard

paardekooperHet ontleden van zinnen totdat ze op een wiskundige formule leken. De taalkundige Piet Paardekooper moet sommige voormalige scholieren nog nachtmerries bezorgen met zijn ontleedsymbolen die jarenlang in Nederland werden onderwezen: de zogenoemde methode-Paardekooper.
De controversiële hoogleraar Nederlands leek er uitermate veel plezier in te hebben de taalkundige wereld in verwarring te brengen en te provoceren. Eigenlijk wilde hij als taalhervormer het iedereen gemakkelijker maken. Hij richtte in 1963 de ‘Vereniging voor Wetenschappelike Spelling’ op, die een fonetische (op klank) in plaats van het Groene of Witte Boekje gebaseerde spelling bepleitte. Paardekooper wilde zo de spelling vereenvoudigen: paard moest paart worden, jam sjem en cultuur kultuur. En hij ontketende, met verwijzing naar de teksten van Vondel, Cats en Huygens, ook een campagne voor het gebruik van ‘beter als’ in plaats van ‘beter dan’. Volgens hem bestonden voor het gebruik van ‘dan’ geen wetenschappelijke gronden, evenmin als voor het gebruik van de tussen-n. Brokkenpiloot moest gewoon brokkepiloot zijn. Begin jaren zestig bepleitte hij in een serie KRO-uitzendingen een eenwording van Vlaanderen en Nederland. Hij bracht hiermee de toenmalige Belgische minister van Justitie zo in verlegenheid dat Paardekooper enige tijd de toegang tot het land werd ontzegd. 
 Paardekooper overleed 1 mei op 92-jarige leeftijd na een ziekbed van twee maanden. Hij was het enige kind van een rooms-katholieke hoofdonderwijzer in Zoeterwoude en later Oegstgeest. Vlak voor de oorlog begon hij met een studie Nederlandse taal- en letterkunde in Leiden. Nadat deze universiteit door de bezetter werd gesloten, maakte hij zijn studie af in Utrecht. Na de oorlog bestudeerde hij Vlaamse dialecten in Leuven.
Daarbij kwam hij in contact met de nationalistische Vlaamse beweging. Paardekooper streed voor de zuiverheid van de Nederlandse taal in Vlaanderen en het tegengaan van de Franse invloed. In 1950 promoveerde hij in Leuven op het onderzoek ‘Naamvalssystemen binnen het Nederlandse taalgebied’. Dit leidde later tot een serie van zes lezingen voor de KRO die werden gebundeld onder de titel Er zijn geen Belgen. De lezingen brachten de Belgische politieke elite in grote verlegenheid.
Een tweede promotie volgde in 1956 in Utrecht over het spraakkunstonderwerp Syntactische Verkenningen. In 1963 publiceerde Paardekooper zijn Beknopte ABN-syntaksis waarin hij de methode-Paardekooper met zinsontledingssymbolen introduceerde. Kenmerk was het gebruik van typografische tekens om de functie van een zinsdeel aan te duiden. Hierdoor hoefde de functie (onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, bijwoordelijke bepaling) in de tekst niet benoemd te worden, maar kon die duidelijk gemaakt worden met haakjes (onderwerp), een streep (lijdend voorwerp) of een dubbele streep (meewerkend voorwerp). Op deze manier kon ruimte op papier worden bespaard en was het efficiënter zinnen tot op het bot te ontleden.
De methode-Paardekooper kwam vooral in zwang op lerarenopleidingen in het zuiden van het land en in België, waar ze later ook op middelbare scholen werd onderwezen. Paardekooper publiceerde eveneens een ABN-gids voor correct taalgebruik en een ABN-uitspraakgids. Verder was hij lange tijd hoogleraar in Leiden, Utrecht en Leuven.
In 1987 bezocht hij Zuid-Afrika om te proberen het Afrikaans binnen de Nederlandse Taalunie te krijgen. Hij bleef tot op hoge leeftijd ageren tegen het gebruik van Engelstalige woorden in de Nederlandse taal. Paardekooper wilde ‘e-post’ in plaats van e-mail en ‘klankpost’ in plaats van voicemail. Hij waarschuwde dat de anglomanie (‘kinderen leren nu al op de kleuterschool Engels’) de ondergang van de Nederlandse taal zou betekenen.
(10-5-2013)

methodepaardekooper

 

 

 

 

 

 

De methode-Paardekooper: de persoonsvorm en het onderwerp tussen haakjes, het voltooid deelwoord tussen accolades. Op de tweede regel  een pijltje onder de bijvoegelijke voorbepaling. Hoe complexer de zin, hoe meer regels met symbolen nodig zijn voor de ontleding.

 

 

John van Markwijk
(1960-2013)

Geëngageerd econoom

Beleggen was zijn vak, maar schrijven en muziek maken zijn passies

Peter de Waard

john Hij was muzikant, schrijver en beheerde een vermogen van 32 miljard euro als directeur beleggingen van het pensioenfonds voor de Metalelektro PME. Het is geen bekende combinatie - die van de kunstenaar/artiest met die van de belegger met een stropdas.Op zaterdag 6 april overleed volkomen onverwacht de gitarist van de Molly's en voormalig gitarist van De Ideale Schoonzonen, de biograaf van Rogier van Otterloo en de econoom John van Markwijk op 52-jarige leeftijd in Leidschendam. Vermoedelijke doodsoorzaak: een gescheurde aorta.
Van Markwijk werd geboren in Den Haag als de zoon van een elektrotechnicus van Siemens die actief was in de vakbond. Het gezin groeide op in de arbeiderswijk Spoorwijk en verhuisde later naar de wederopbouwwijk Mariahoeve. Zijn middelbare schooltijd bracht hij door op het Aloysius College, dat op jezuïtische leest was gestoeld en prominente oud-leerlingen kende als Norbert Schmelzer, Naomi van As en Ben Bot. Zijn grote hobby was het maken van muziek in bands als Mahalla El Koebra, Gobbo en De Noormannen. Van 1984 tot 1988 was hij lid van de theatrale coverband De Ideale Schoonzonen, een trio dat langs buurthuizen en jeugdhonks in het hele land toerde met covers van Nederlandse artiesten zoals Ploem Ploem Jenka van Trea Dobbs en Morgen ben ik de bruid van Willeke Alberti. Van Markwijk vormde met zijn ritmische en melodieuze gitaarspel het muzikale brein van de band.
Als gevolg van zijn drukke werkzaamheden in de band studeerde hij pas in 1989 af als econoom aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Hij had veel banen in de sector vermogensbeheer. Zo was hij onder meer hoofd vermogensbeheer bij Detam Pensioen Services, directeur vermogensbeheer bij Interpolis en directeur bij het pensioenfonds voor het spoorwegpersoneel SPF. Korte tijd was hij ook nog hoofd grondzaken bij de gemeente Leiden. Hij kwam in 2009 tijdelijk bij PME terecht, nadat het fonds op de vingers was getikt met een aanwijzing van De Nederlandsche Bank. Hij wist het pensioenfonds weer op de rails te krijgen en besloot eind 2011 hier definitief zijn carrière voort te zetten. 'Hier kan ik het meeste toevoegen', zei hij toen. Van Markwijk was een goede belegger die risico's meed en niet graag met hedgefondsen in zee ging of in speculatieve aandelen zoals World Online stapte. Een half jaar geleden besloot John van Markwijk nog alle samenwerking met hedgefondsen op te zeggen. Hij was een geëngageerd econoom die sterk geïnspireerd was door PvdA-politicus Joop den Uyl.
Hij bleef ook altijd de muzikant. Tot voor enige jaren maakte John van Markwijk deel uit van Ensemble Zwart Wit en Gekruld Haags, twee gezelschappen waarin hij als gitarist, pianist en arrangeur samenwerkte met de Haagse zanger en schrijver Cor Gout. De laatste tijd maakte hij vooral samen met zijn vrouw Annelies als zangeres en twee dochters Dolly en Milly op basgitaar en drums muziek onder de naam The Molly's.
Zijn fascinatie voor Nederlandse dramaseries en films uit de jaren zeventig zoals Turks Fruit en Soldaat van Oranje mondde in 2011 uit in een biografie over Rogier van Otterloo: arrangeur, componist, orkestleider. Daarnaast schreef hij artikelen over de Haagse muziekgeschiedenis, bijvoorbeeld over Paul Acket in het boek En dan nu de polonaise - Muziek in Den Haag en Scheveningen. Zijn muzikale idool Robert Jan Stips, toetsenman van Supersister, Golden Earring, Transister en The Nits, zong en speelde op de uitvaartplechtigheid.
(7-5-2013)

 

Jérome Louis Heldring (1917-2013)
Intellectueel

Conservatieve zwartkijker  

Meningen tellen niet, vond Jérôme Heldring, decennialang NRC-columnist. Scherp analyseren, daar gaat het om. ‘Je moet mensen laten nadenken.’ 

Peter de Waard 

jl heldring‘Ik wacht op de dood’, zei hij vorig jaar in een interview met de Volkskrant, nadat hij met zijn column ‘Dezer Dagen’ in NRC Handelsblad was gestopt. Tijd waarin niets wordt geproduceerd, was in zijn ogen verspilde tijd. Hij had echter geen inspiratie meer  en wilde  oude thema’s niet herkauwen.
 Jérôme Heldring tilde zwaar aan het leven. Een pessimist. Hij geloofde niet in het welslagen van de euro omdat de monetaire unie nooit gepaard zou gaan met een politieke unie. Integendeel, Europa zou volgens Heldring in een potentieel revolutionaire situatie verkeren. Hij voorzag een opstand als de middenklassen net zoals vlak voor de Tweede Wereldoorlog tot proletariaat zouden vervallen. ‘Ik ben nooit het zonnetje in huis geweest. Ik ben eerder geneigd te denken: alles wat mis kan gaan, zal ook misgaan.’
Heldring overleed afgelopen zaterdag op 95-jarige leeftijd. Hij was een zelf gepropageerde conservatief en intellectueel. En net zoals andere mensen die zich een intellectuele superioriteit aanmeten, kon hij daardoor makkelijk wegkomen met jeugdzonden, zoals een flirt met de NSB, het laten lopen van een scoop over misstanden bij de politionele acties in Nederlands-Indië en het zich laten gebruiken door de BVD tijdens een reis naar Moskou in 1960.
Jérôme Louis Heldring was een telg uit een vooraanstaand patriciërsgeslacht. Hij werd in 1917 geboren als tweede zoon van ondernemer en reder Ernst Heldring, die ook enige tijd Kamerlid was voor de Liberale Staatspartij. Zijn moeder overleed al toen hij 6 was. Met zijn vader had hij een slechte en afstandelijke relatie. Het gemis aan warmte maakte hem koel en klinisch. Na het behalen van zijn gymnasiumdiploma aan het Barlaeus in Amsterdam ging hij in Leiden rechten studeren. Hier leverde hij bijdragen aan het corpsblad. Hij werkte de drie laatste oorlogsjaren voor wetenschappelijke uitgeverij E.J. Brill in Leiden.
Meteen na de oorlog werd hij redacteur buitenland bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant. In 1960 begon hij  de rubriek Dezer Dagen, die hij tot 2012 zou blijven verzorgen. Aanvankelijk besprak hij vooral buitenlandse onderwerpen, later ook binnenlandse politiek, ethiek, religie en cultuur. Hij wilde met zijn bijdragen geen meningen opdringen, maar zag ze als analyses.'Je moet mensen niet met meningen om de oren slaan, je moet ze laten nadenken.’ De andere twee rode draden in zijn werk waren de rol van de macht in de politiek en de behoefte van mensen om zich te onderscheiden van anderen.
In 1968 werd hij hoofdredacteur van de NRC, dat twee jaar later fuseerde met het Algemeen Handelsblad. Na zijn vertrek als hoofdredacteur in 1972 was hij tien jaar directeur van het Nederlands Genootschap voor Internationale Zaken, de voorloper van Clingendael. Hoewel hij zeer belezen was, ontleende hij veel informatie ook aan nauwe contacten met politici en diplomaten. Maar hij koesterde zijn onafhankelijkheid. Toen journalist Frénk van der Linden in een tv-uitzending vertelde een fan van hem te zijn, antwoordde hij dat een journalist neutraal hoort te zijn.
Heldring stelde graag journalistieke fouten en warrig denken aan de kaak. Hij was ‘meer verontwaardigd over de domheid van mensen dan over hun slechtheid’. ‘Slechte mensen kunnen nog buitengewoon intelligente dingen zeggen. Domme mensen niet.’ Hij sprak politici veelvuldig aan op hun populaire gedrag in de media: ‘Laten ze zichzelf zijn. Dat wordt gewaardeerd.’
Behalve de speciaal aan hem gewijde tv-uitzending verscheen vorige maand ook een boek met een briefwisseling van hem en de al overleden André Spoor – een ander icoon van de krant. Ook ontving hij in maart een journalistieke prijs – de Tegel –  voor zijn gehele oeuvre. Hij volgde tot op het laatst de actualiteit en was zelfs op de hoogte van de deining over het Koningslied.
(30-4-2013)

Flora Schrijver-Jacobs (1923-2013)
Dodenkampoverlevende

Het accordeonmeisje 

In Auschwitz had ze zich bijna met de dood verzoend, maar ze overleefde. Maandag stierf ze, 89 jaar oud. 

Peter de Waard 

flora schrijvers'De kampbeulen konden echt ontroerd raken door de muziek die wij maakten: stukken van Dvorák, Smetana en Schumann. Een kwartier na een muziekstuk kon een soldaat zonder blikken of blozen een gevangene doodschoppen. We hadden een potkacheltje, omdat je als muzikant je handen moest kunnen verwarmen. Ik heb eens mijn hand daaraan verbrand, zodat ik door de helse pijn de accordeon onmogelijk in beweging kon brengen. De Lagerführer zei: 'Als je morgen niet speelt, mag je kiezen tussen ophangen of doodschieten'.'
Flora Schrijver-Jacobs speelde accordeon in het damesorkest van vernietigingskamp Auschwitz. Ze werd daar het meisje met de accordeon genoemd - ook de titel van de biografie die Mirjam Verheijen in 1994 schreef - hoewel ze eigenlijk pianiste was. Maandag overleed ze in Amstelveen op 89-jarige leeftijd.Ze werd geboren in een Joods gezin. Haar vader speelde bas en trompet in het Utrechts Stedelijk Orkest. Flora leerde piano spelen: klassiek en jazz van Gershwin en Cole Porter.
Na de bezetting werden Flora en haar familie gedwongen te verhuizen naar de Achtergracht in de Joodse wijk van Amsterdam. In februari 1943 kwam ze via de Hollandse Schouwburg in Westerbork terecht, waar ze in de ijdele hoop transport te ontlopen met een jeugdvriend trouwde. Eind augustus 1943 gingen ook Flora en haar ouders op transport naar Auschwitz. Flora kwam in het werkkamp terecht. Zonder matrassen en dekens werd ze in een houten barak gestopt waar ze bij 10 graden onder nul moest zien te overleven.
Toen ze zich bijna met de dood verzoende, hoorde ze dat het damesorkest een muzikante zocht. Een boodschappenmeisje vroeg of ze niets anders kon spelen dan piano. 'Anders ben je een dode volgende week.' Van 150 vrouwen mochten er drie auditie doen bij dirigente Alma Rosé, een nicht van componist Mahler. Ze had maar één muzikante nodig: een accordeonist. 'Ze zei: 'je bent een geweldige sof'. Maar ik hou van Nederlanders. Ik zal proberen je leven te redden.'
Alma was doodsbang voor de SS'ers en als Flora Jacobs een noot fout aansloeg, zei ze: 'Zie je die rook? Als wij vals spelen, gaan we ook door de schoorsteen.' Na de dood van Alma Rosé werden de resterende orkestleden naar het kamp Bergen-Belsen overgeplaatst. Hier kreeg ze een flink aantal ziekten. Na de bevrijding door het Engelse leger wist ze te herstellen en werd ze tolk voor Margaret Montgomery, een zus van de beroemde generaal. In augustus 1945 keerde Flora als enige overlevende van haar familie terug naar Nederland.
Een jaar na de oorlog trouwde ze met Appie Schrijver, de verloofde van haar in Sobibor omgekomen zus.
(24-4-2013)

 

Henri van der Zee (1935-2013)
journalist

Salonjournalist

Een altijd ongedurig journalist, na vele omzwervingen uiteindelijk Britser dan de Britten. 

Peter de Waard

henriHij was de salonjournalist die zich had verkneukeld over een begrafenis zoals die van Margaret Thatcher vorige week. Maar hij was ook de oorlogsverslaggever die zich meteen naar het front begaf. Eigenlijk was Henri van der Zee in zijn lange journalistieke carrière Britser dan de Britten geworden, hoewel hij de laatste jaren vooral doorbracht in het zuiden van Spanje en Amsterdam. Hij kon evengoed opschieten met links als met rechts, met zwart als met blank, homo's als hetero's, joden als moslims. De ware kosmopoliet. Op een van zijn vaste pleisterplaatsen - Bar One in Hampstead Heath in Londen of café Hoppe aan het Spui in Amsterdam - klampte hij iedereen aan, met een gedurende de avond steeds heser wordende stem.
Hij overleed 29 maart in een verpleeghuis in de Spaanse stad Malaga. Vlak daarbij had hij een woning in Nerja. Henri van der Zee - oudere broer van de bekende journalist en schrijver Sytze van der Zee - werd 79 jaar.
Henri van der Zee groeide op in Hilversum, aan de Potgieterlaan, met zijn broers Wim (later theoloog-predikant), Sytze (journalist voor ondermeer NRC, Elsevier en hoofdredacteur Het Parool) en zus Letje. Hun leven werd getekend door het besluit van hun vader zich voor de oorlog aan te sluiten bij de NSB van Anton Mussert, waardoor broer Wim ook werd gedwongen lid te worden van de Jeugdstorm. Hoewel hij het lidmaatschap later opzegde, bleef hij bekend staan als 'fout'. Na de oorlog werd vader opgepakt en bracht een jaar in een werkkamp door. Daarna probeerde het gezin deze periode achter zich te laten door het onbespreekbaar te verklaren, totdat Sytze van der Zee de feiten in diens in 1997 verschenen boek Potgieterlaan 7 openbaarde. Henri van der Zee was daar 'erg ongelukkig mee'. 'Ik heb het niet echt gelezen. Het irriteerde mij', zei hij in een interview met De Journalist.
Na de oorlog was Henri een soort vader voor zijn jongere broertje Sytze. Eigenlijk wilde hij medicijnen studeren, maar daarvoor was hij te ongedurig. In 1955 begon hij op de buitenlandredactie van De Telegraaf, zeven jaar later werd hij correspondent in Londen. En net als Sytze zou hij als correspondent werken in drie wereldsteden. Alleen waren hun motieven anders. Voor Sytze was werken in het buitenland vooral ook een vlucht van dat oorlogsverleden, voor Henri had dit naar eigen zeggen veel meer te maken met zijn zigeunerachtige aard. Een jaar nadat hij correspondent in Londen was geworden, ging hij voor vier jaar naar Parijs. In 1967 keerde hij terug in Londen, nu voor twintig jaar. Toen plaatste De Telegraaf hem over naar Rome, om erna voor de derde maal naar Londen terug te keren, waar hij na de scheiding van zijn eerste vrouw met een Engelse journaliste trouwde. Londen bleef zijn basis. Hij was er ook even president van de Foreign Press Association, zodat hij zich aan de champagne kon laven met high society en establishment.
Tussentijds zocht hij oorlogsgebieden op. Hij was ter plekke om de Falklandoorlog te verslaan. Hij was ook in Krajina nadat de Kroaten er de Serviërs uit hadden verdreven. Zijn laatste grote reportage als journalist was een verslag uit Congo. Bij zijn afscheid van De Telegraaf hield hij een groot straatfeest achter de Nieuwe Kerk. Normaal mocht dat nooit op zondag, maar Henri had zijn relaties. Zijn leven kende behalve veel vrolijkheid ook tragedies. Zo overleed een van zijn twee dochters aan leukemie. Ook na zijn pensionering bleef hij actief als journalist. Hij schreef diverse boeken, waaronder samen met zijn vrouw Barbara de klassieker William and Mary.
(23-4-2013

Helmut Fassin (1927-2013)
dropfabrikant

Koning van de drop 

De bedenker van de dropveter en de jojo was een echte smaakmaker. Zijn zure matjes brengen internationale roem.

Peter de Waard 

fassinWie denkt dat drop een puur Nederlandse vinding is, komt bedrogen uit. Een Nederlander met Duits bloed heeft dit land leren drop eten. Helmut Fassin was in de jaren vijftig als directeur van Katja Fassin in ’s-Heerenberg de bedenker van de dropveters en jojo’s die voor de babyboomgeneratie het favoriete snoepgoed waren en tot op de dag van vandaag worden verkocht.
Helmut Fassin overleed op 16 maart op 85-jarige leeftijd aan een alvleesklierontsteking en was tot voor kort nog dagelijks bij zijn ­fabriek in ’s-Heerenberg te vinden. Eigenlijk heeft de fabriek een ­bizarre ontstaansgeschiedenis. Oprichter Josef Langenberg begint in 1910 met de handel van onder meer papieren vliegenvangers achter in een café van Marie van de Peer. Tien jaar later treedt Xaver Fassin als zijn partner toe. De productie van de vliegenvangers wordt later verplaatst naar een andere locatie in ’s-Heerenberg (Lengelseweg) waar onder de naam NV Chemische Fabriek Langenberg & Co rattengif en mottenballen worden geproduceerd.
In 1930 begint Fassin met de productie van drop  aangezien vliegenvangers alleen in de zomer worden verkocht. Daarom wordt gezocht naar een alternatief product dat ook in de winter afzet kan ­genereren en mensen aan het werk kan houden. Op dat moment wordt drop nog vooral beschouwd als een geneesmiddel tegen keelpijn en verkoudheid. Bovendien is suikerstroop het hoofdbestanddeel voor zowel drop als vliegenvangers. Uiteindelijk worden in de jaren dertig dropproducten geproduceerd zoals Rheila pastilles, potters en salmiakpastilles. Na de dood van Langenberg neemt Xaver Fassin het bedrijf over. Behalve in ­’s-Heerenberg wordt een fabriek geopend in Emmerich, aan de Duitse kant van de grens.
Helmut Fassin treedt begin jaren vijftig toe tot het bedrijf van zijn vader, samen met zijn broer Klaus. Xaver Fassin verdeelt het bedrijf uiteindelijk tussen zijn twee kinderen. Helmut wordt de baas van de vestiging in Nederland, terwijl Klaus in Duitsland de onderneming gaat leiden en daar onder de merknaam Katjes gietdrop gaat produceren. In Nederland ontwikkelt Helmut Fassin intussen het nieuwe merk Nicolientje dat later wordt omgedoopt tot Katja. In 1979 wordt de merknaam ook in de bedrijfsnaam opgenomen en ontstaat Katja Fassin B.V. dat bekende dropjes als Kokindjes, ­Apekoppen en Biggetjes op de markt brengt.
Het allergrootste succes komt zes jaar later met de uitvinding van een zure suikeropstrooi voor fruitgums. De nieuwe zure matjes veroorzaakten een enorme groei van het bedrijf dankzij de export. Bij Helmut Fassin stond kwaliteit hoog in het vaandel. Hij had een goede smaak en liep daarom bijna elke dag door de fabriek om de producten te proeven en een praatje te maken. Kenmerkend voor het familiebedrijf is dat veel waarde wordt gehecht aan langlopende relaties met zowel medewerkers als zakelijke contacten. In 1991 verhuist het bedrijf naar een gloednieuwe fabriek aan de rand van ’s-Heerenberg. In de volksmond gaat dat opvallende gebouw al snel het Candy Castle heten. Die bijnaam wordt later de merknaam voor de producten die er worden gemaakt. Helmuts zoon Thomas en dochter Patricia zullen het bedrijf uiteindelijk overnemen. In 2010 krijgt het concern bij het honderdjarig bestaan ook het predicaat koninklijk. Bij onze oosterburen bestaat het bedrijf nog steeds onder de naam Katjes Fassin GmbH & Co.KG.
(9-4-2013)

Margaret Thatcher (1925-2013)
Premier

Compromisloze kruideniersdochter

Peter de Waard 

thatcherIn 1979 betaalden de Britten over elke penny die ze verdienden boven de 24 duizend pond 83 procent inkomstenbelasting. Margaret Thatcher, vandaag overleden op 87-jarige leeftijd, verlaagde het tarief tot 40 procent. Daarna is het nimmer meer verhoogd.
Margaret Hilda Thatcher (13 oktober 1925) is niet alleen de eerste vrouwelijke premier geweest van het land, maar ook een van de meest invloedrijke. Ze was elf jaar aan de macht, de langst aangesloten periode voor een Britse premier sinds het begin van de 19de eeuw. Ze voerde in die tijd radicale veranderingen door; ze veranderde de Conservatieven van een partij voor de betere standen tot een volkspartij, ze schakelde de oppermachtige vakbonden uit, voerde economische hervormingen door, gaf ondernemers alle ruimte, promoveerde de Britse burgers van huurders tot huiseigenaren en won en passant samen met Ronald Reagan de Koude Oorlog.  
Hierbij moest ze niet alleen de oppositie bevechten, ook vaak haar eigen partij die haar veranderingen veel te ver vond gaan.  Thatcher stond buiten de Conservatieve traditie. Haar vader was een kruidenier in Lincolnshire. Ze was een briljante leerling op de middelbare school en kreeg daardoor de kans om scheikunde te gaan studeren in Oxford. Na haar studie ging ze werken bij het bedrijf J. Lyons, waar ze een methode ontwikkelde voor het invriezen van softijs. 
Ze pakte echter ook een rechtenstudie op en begon een politieke carrière. In 1951, toen ze als Conservatieve kandidaat streed voor een zetel in de Londense wijk Dartford, ontmoette ze Denis Thatcher, een rijke zakenman, met wie ze trouwde en twee kinderen kreeg (Mark en Carole). Het duurde echter tot 1959 totdat ze daadwerkelijk een zetel in het Lagerhuis wist te winnen. In 1966 was ze al gepromoveerd tot de front bench en plaatste ze haar eerste grote aanval op de hoge belastingen van de Labourregering. Toen partijleider Edward Heath in 1970 premier werd, werd Thatcher minister van Onderwijs. Maar ze ontdekte tot haar schrik dat de premier de controle over de monetaire politiek was kwijtgeraakt en het land langzaam in een crisis stortte. Toen Heath de verkiezingen van 1974 verloor, besloot ze een leiderschapsstrijd uit te lokken. Hoewel ze aanvankelijk een andere kandidaat steunde, werd ze een jaar later zelf tot leider van de Conservatieve Partij gekozen. Op 19 januari 1976 haalde ze ongekend fel uit naar de Sovjet-Unie, die ze beschuldigde van werelddominantie. De Russische krant Krasnaja Zvezda (Rode Ster) noemde haar enkele dagen later de 'IJzeren Dame' - een titel die door Radio Moskou werd overgenomen en die ze zelf al snel koesterde als het beeld van een onwrikbaar en standvastig politicus.  
De Winter van de Onvrede van 1978/1979, waarbij door stakingen het land totaal werd lamgelegd en maandenlang geen huisvuil meer werd opgehaald, leidde tot de grootste economische en identiteitscrisis die Groot-Brittannië ooit had gekend. Het Britse volk besefte dat het zo niet verder kon gaan en koos haar verrassend tot premier. Toen Thatcher naar Downing Street verhuisde was ze vastbesloten een einde te maken aan de economische teloorgang die volgens het IMF van Groot-Brittannië een derdewereldnatie had gemaakt. Ze ging de confrontatie aan met de bonden - met name die van de mijnwerkers en grafici - en liberaliseerde de arbeidsmarkten. Het leidde tot een explosie van het aantal werklozen. Haar partij wilde Thatcher al in 1981 terugfluiten, maar ze was compromisloos. Op het partijcongres sprak ze de legendarische woorden. 'To those waiting with bated breath for that favourite media catch-phrase - the U-turn - I have only one thing to say: you turn if you want to; the Lady's not for turning.'  
Haar populariteit daalde naar een dieptepunt en ze werd de meest gehate premier in de Britse geschiedenis.  In 1983 was de industriële productie met 30 procent gedaald. Maar Thatcher vond het een noodzakelijk kwaad om te kunnen hervormen. Aanvallen pareerde ze in felle bewoordingen, vaak zwaaiend met haar handtasje. Dat ze dat jaar toch werd herkozen was te danken aan de terugverovering van de Falklands - de Britse eilanden in de zuidelijke Atlantische Oceaan die in 1982 door de Argentijnse militaire junta waren bezet. In haar tweede periode als premier escaleerden de conflicten met de bonden over sluiting van onrendabele mijnen tot bloedige botsingen. In 1987 zei ze 'There is no such thing as society', waarmee ze aangaf dat mensen hun privéproblemen niet konden afwentelen op de gemeenschap.  
Ze bereikte ook op andere gebieden belangrijke doorbraken. In 1985 zette ze haar handtekening onder het Anglo-Irish Agreement, waarbij Ierland zeggenschap kreeg in de oplossing van de burgeroorlog in Noord-Ierland, nog geen jaar nadat het Ierse Republikeinse Leger (IRA) een aanslag op haar had gepleegd in Brighton. Samen met de Amerikaanse president Ronald Reagan die een jaar na haar was verkozen, verliet ze het Westerse beleid van ontspanning - 'detente' - van de jaren zeventig en zocht de confrontatie in de Koude Oorlog met het plaatsen van onder meer kruisraketten in Europa. Tegelijkertijd ontving ze de nieuwe hervormingsgezinde Sovjet-leider Gorbatsjov als een man waarmee zaken konden worden gedaan.
In haar derde periode als premier vanaf 1987 leidde dit uiteindelijk tot de Val van de Muur - een van haar grootste triomfen. Thatcher verhardde in die periode ook haar koers ten opzichte van de EU. In haar beroemde rede in Brugge in 1988 keerde ze zich tegen een federaal Europa en meer bevoegdheden voor Brussel. In 1989 en 1990 daalde haar populariteit weer snel door economische tegenwind, hoge rentestanden en de invoering van een omstreden nieuwe lokale belasting, de poll tax. Partijcoryfeeën begonnen de poten onder haar stoel weg te zagen. Haar uiteindelijke vertrek in 1990 werd een van de grootste politieke drama's in de Britse geschiedenis. Op 1 november 1990 ontsloeg ze haar belangrijkste bondgenoot in het kabinet, Geoffrey Howe. Het leidde tot een leiderschapsstrijd die ze aanvankelijk nog leek te kunnen winnen, maar uiteindelijk verloor. Op 22 november moest ze aftreden en werd ze opgevolgd door John Major, de man die ze zelf had gesteund als nieuwe premier.  
Ook daarna bleef ze politiek actief ondermeer als lid van het Hogerhuis, waarvan ze door haar adellijke titel - Major had haar barones gemaakt - lid was geworden. Ze keerde zich tegen het Verdrag van Maastricht en riep al heel snel op tot ingrijpen in Bosnië. 'Wat daar gebeurt doet denken aan de ergste excessen van de nazi's, zei ze al in augustus 1992. Ze raakte uiteindelijk teleurgesteld in het gebrek aan daadkracht van haar opvolger John Major en prees in 1995 de jonge Labourleider Tony Blair als een 'formidabele politicus'. In 2001 was ze voor het laatst actief betrokken bij de campagne van de Conservatieve partij. Daarna was ze door haar verslechterde gezondheid gedwongen zich steeds meer terug te trekken uit het openbare leven. Op 13 oktober 2005 vierde ze haar tachtigjarige verjaardag met de voltallige koninklijke familie en al haar politieke vrienden en vijanden - onder wie Howe - en de toenmalige premier Blair die haar vurig bewonderde.  
De Britten zijn lange jaren scherp verdeeld geweest over Thatchers erfenis. Voor de Tory-aanhangers was ze de kampioen van de vrije markt die voortvarend de 'Engelse ziekte' had aangepakt. Elena Bonner, de weduwe van de voormalige Sovjet-dissident Andrei Sacharov, roemde haar eens als de ware Britse leider vanwege twee uitzonderlijke kwaliteiten: 'de gave om de harde vragen te stellen en de wil om er antwoord op te vinden'. Zelfs haar Conservatieve aartsvijand Michael Heseltine, noemde later de Thatcher-periode een 'opwindend en succesvol experiment'. 'Het veranderde Groot-Brittannië, omdat het de zwakheden van het naoorlogse land pijnlijk blootlegde.'
Maar voor velen bleef ze ook het symbool van de aftakeling van de welvaartsstaat, een hardvochtige vrouw die hele gemeenschappen aan de bedelstaf bracht. In de Thatcher-jaren verloren de Britten hun sociale hart en werden een egoïstisch volk. Billy Bragg, de zanger en politieke hervormer, stelde dat onder Thatcher het gevoel verloren is gegaan dat de Britten samen een betere maatschappij zouden kunnen creëren. 'Ze heeft het gevoel vernietigd dat we allemaal voor dezelfde zaak vechten.' Samen met de Amerikaanse president Ronald Reagan is Thatcher de vaandeldrager van een nieuw soort conservatisme geweest. Een conservatisme dat niet streefde naar behoud maar naar verandering. De verzorgingsstaat was te log en te kostbaar geworden.
Dat had de economie doen stagneren en de mensen passief en afhankelijk gemaakt. Om dat te doorbreken moest de invloed van de overheid worden teruggedrongen ten gunste van de markt en het particulier initiatief.  Het was een revolutionaire aanpak, die succes had, in zoverre dat de economische dynamiek werd hersteld. Maar het kan haar worden verweten dat ze alleen oog had voor het recht van de sterkste en niet voor mensen die zichzelf minder goed konden redden.
(8-4-2003)

Hans Weeber (1950-2013)
Ultrasporter

Engelandvaarder en stuntman

In zwemmen, roeien en fietsen zocht hij nieuwe uitdagingen. De sport werd zijn tempel.

Peter de Waard

hansAls beroepen stonden onder de naam van Hans Weeber ‘parachutist’, ‘stuntman’, ‘Engelandvaarder’, ‘Rijnzwemmer’en ‘roze mannetje’ vermeld. In 2000 zwom hij de Rijn af van Bazel naar Hoek van Holland. Hij roeide ook een keer van Hoek van Holland naar Harwich om daarna trimmend naar het parlementsgebouw in Londen te gaan. Hij zwom over het IJsselmeer, reed de Elfstedentocht, vrijwel alle wielerklassiekers en voltooide talloze triatlons. Van de zomer fietste Hans Weeber nog met een groep multiculturele vmbo’ers naar Italië.
Behalve duursporter was Hans Weeber ook stuntman in films als A Bridge too Far en Soldaat van Oranje. De bekendste burger van het Westlandse dorpje Ter Heijde overleed op maandag 18 maart onverwacht aan een hartstilstand. Hij was pas 62 jaar en laat een vrouw, drie kinderen en twee kleinkinderen achter. Zijn behoefte aan steeds nieuwe uitdagingen verklaarde hij dertien jaar geleden in een interview met dagblad Trouw. ‘Ik ben altijd jaloers geweest op mensen die gelovig zijn. Sporten is mijn tempeltje. Je wordt teruggeworpen op jezelf.’
Weeber werd geboren in Den Haag als zoon van wat hij de beste encyclopedieënverkoper van Nederland noemde. Tragedie kruiste al snel zijn pad. Zijn moeder werd op haar 32ste jaar ziek en overleed vijf jaar later. Hij zag later voor zijn ogen zijn broer sterven, nadat die in Duitsland van vierhoog in een liftschacht viel. Over zijn jeugd zei hij: ‘Ik moest vooral mezelf opvoeden, en m’n jongere broertje en zusje. In mijn puberteit zat ik in tehuizen, bij ooms en tantes en bij oma en opa. Om aan de ellende te ontsnappen, holde ik vaak van Rijswijk naar Wassenaar, waar vriendjes woonden. Door de weilanden en over sloten. In weer en wind. Heerlijk, vond ik dat.’
Sport was voor hem een vorm van idealisme. Aan zijn sportprestaties verbond hij altijd een goed doel: de gezondheidszorg of het milieu. Toen hij in veertien dagen de Rijn afzwom, deed hij dat om te bewijzen dat de rivier een stuk schoner was geworden. ‘Mijn tocht is bedoeld als aai over de bol van de landen die aan een schonere Rijn hebben bijgedragen. Maar het kan natuurlijk nog beter.’ Tijdens de tocht werd hij begeleid door een groep jongens die continu watermonsters namen in het kader van een onderzoek waar de rivier nog het minst schoon was. Zo zwom hij later ook in de wateren van Venetië en de Hudson in Canada. Hij had vorige zomer nog de Noordzee willen overzwemmen, maar er was voor die periode geen begeleidende boot met voldoende faciliteiten beschikbaar.
Hij stond in Ter Heijde ook bekend als het ‘roze mannetje’. In die hoedanigheid zette hij zich in voor Pink Ribbon, de organisatie die ijvert voor de bestrijding van borstkanker.Behalve sporter was Hans Weeber ook een sociaal mens. Hij was groepsleider bij verstandelijk gehandicapten, medewerker bij een huis van bewaring, medewerker bij het medisch vervoer en was tot 2006 conciërge op het Segbroek College in Den Haag. Elke dag ging hij hardlopend van Ter Heijde naar zijn werk in Den Haag. ‘Als je buiten sport, sterkt dat zowel lichaam als geest. En alles wat ik voor goede doelen of jongerenprojecten organiseer, concentreert zich ook rondom buitensporten: liefst langdurig.’
Komende zomer had hij met een groep jongeren naar Spanje willen fietsen.
(2-4-2013)

 

Peter van Lindonk (1936-2013)
Uitgever

Leven als circus

Hij was uitgever en spreekstalmeester, maar bovenal was Peter van Lindonk een vrijgevochten geest.

Peter de Waard

Het motto van Peter van Lindonk klonk jaarlijks gedurende drie weken door Koninklijk Theater Carré: ‘May all your days be circus days.’ Hij was vijftien jaar lang spreekstalmeester bij het Wereldkerstcircus. Van Lindonk afficheerde zichzelf ooit in de Gouden Gids als verhalenverteller en mooiemensenverzamelaar. Verder was hij veertig jaar lang uitgever van de bijzonderste boeken. Sinds 1999 organiseerde hij ieder jaar met zijn echtgenote Nelleke van Lindonk het inspiratiecongres PINC (People, Ideas, ­Nature, ­Creativity ) in Zeist, ‘een verkwikkelijke, onmisbare douche voor de geest’.
Van Lindonk overleed op 2 maart op 76-jarige leeftijd aan de gevolgen van een acute longfibrose. Hij werd geboren in Zutphen. Zijn vader en moeder waren jurist en zijn zus zou later ook voor dat beroep kiezen. Hij ging naar het gymnasium in Nijmegen, maar voelde niets voor een rechtenstudie. Hij was te veel een vrijgevochten geest. Omdat hij dol was op Franse chansons wilde hij eigenlijk een platenzaak beginnen, maar daar had hij het geld niet voor. Vervolgens probeerde hij de uitgeverij van zijn grootvader – Honig in Utrecht – nieuw leven in te blazen. Hij kocht onder meer de rechten van het eerste boek van Philip Roth Vaarwel Columbus, maar moest die doorverkopen toen ook dit plan mislukte.
Hij besloot vervolgens zelf een uitgeverij te beginnen waar hij in opdracht van bedrijven of andere organisaties speciale boeken maakte. Van Lindonk Special Projects (vLSP) maakte naam en faam als uitgever van ongewone en opvallende gelegenheidsuitgaven, jubileumboeken en promotieboeken. Van een boek in een ijsklont, tot een maffiaboek waar doorheen was geschoten, een kleurboek voor directeuren, een kinderjaarverslag voor software-ontwikkelaar BSO, tot een boek met ingebouwde radio voor Albert Heijn. Bijna zevenhonderd titels zijn verschenen. Heel bekend werd de serie kookboekjes die hij maakte voor het botermerk Blue Band en ’t Koffertje  (een uitgave met twee elpees en een boek ) van Wim Kan. In 2004 zou het volledige fonds worden overgedragen aan de Bibliotheek van Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam.
Naast uitgeven was circus zijn andere passie. Hij miste nooit het jaarlijkse circusfestival in Monte Carlo. In 1987 werd hij gevraagd als spreekstalmeester van het Wereldkerstcircus in Carré. ‘Circus was voor hem het summum van theater. In een circuspiste kun je je als artiest nergens verschuilen’, zegt zijn echtgenote Nelleke van Lindonk. Hij zou vijftien jaar op zijn eigen wijze het Wereldkerstcircus doen, waarvan hij verslag deed in het boek Hooggeëerd Publiek.
Vanaf 1999 organiseerde hij het jaarlijkse PINC Congres, dat was geïnspireerd op één van de eerste TED Conferences die Van Lindonk bijwoonde in de VS. Bij PINC treden mensen uit  verschillende vakgebieden op: het is een rariteitenkabinet van bijzondere mensen en beroepen, waar imkerkampioenen en snowboarders wedijveren met astronomen en wiskundigen. Van Lindonk maakte van deze wonderlijke mix één geheel, dat een louterend effect had op de aanwezige creatieven, mediamakers en zakenlieden. Ook organiseerde hij voor het NIVRA, het Nederlands Instituut van Registeraccountants, een zogenoemde kinderPINC met scholieren.
Een dag voor zijn overlijden zei hij nog dat het komende PINC Congres, gepland op 14 mei, beslist doorgang moest vinden.
(26-3-2013)

 

Fred Keesen (1925-2013)
Priester

  

Kritische katholiek

 

Keesen was een geestige en speelse katholiek, die ook wel de barricadepriester werd genoemd.

Peter de Waard

Het moment van zijn overlijden was symbolisch. Op 5 maart 's ochtends om kwart voor zes legde zijn echtgenote Anne-Francine van Gogh haar hand op zijn hoofd. Op dat moment ademde priester Fred Keesen nog. Buiten streken twee duiven op de vensterbank van het Roermondse verpleeghuis neer. Ze koerden. Tegelijkertijd liep de verpleegster binnen en constateerde dat Fred Keesen (87) was overleden. 'Het was net of de duiven zijn geest riepen', zegt Anne-Francine van Gogh.
Twee jaar geleden was ze met hem getrouwd. Hij was 86, zij 63. Vlak daarvoor had hij een herseninfarct gekregen. Ze vonden het tijd om hun jarenlange relatie te bevestigen. De bisschop van Rotterdam had nog een briefje gestuurd, waarin hij dit Fred Keesen ontraadde en verklaarde dat hij er een schandaal mee zou veroorzaken. Keesen maakte zich daar vrolijk over. 'Is de liefde een schandaal? Er zijn op dit moment wel ergere schandalen binnen de kerk.'
Keesen hoorde met pater Van Kilsdonk en Huub Oosterhuis tot de generatie van kritische katholieken die in de jaren zestig en zeventig de kerk probeerden te vernieuwen. Hij werd geboren in Haarlem. Toen hij 5 was, verhuisde het gezin naar Rotterdam, waar zijn vader bestuurder werd voor de Katholieke Arbeidersbeweging. Hij kreeg zijn roeping al heel jong. 'Ik wilde priestertje worden om met een koor de wereld rond te trekken en overal vrede te prediken', zei hij. Op zijn 12de ging hij naar het kleinseminarie in Hageveld en later naar het grootseminarie in Warmond. Toen kreeg hij het al geregeld aan de stok met de autoriteiten. In 1954 werd hij tot priester gewijd en werd hij kapelaan in Nieuwveen. Hij werd later moderator aan de kweekschool in Den Haag. In die tijd woonde hij onder meer een schaduwconcilie bij in het Zwitserse Chur, waar priesters protesteerden tegen het feit dat bisschoppen in Rome over hun hoofden besluiten namen op het Vaticaanse Concilie.
In de jaren zeventig was hij legeraalmoezenier in Crailo. Hij richtte De Palmpit op - een kritische religieuze groep die vrije geloofsuitoefening voorstond - en de Kritisch Gemeente Gooi, die dat in uitgesproken politieke doelstellingen vertaalde. Keesen werd een barricadepriester genoemd, iemand die dwars lag maar loyaal bleef aan de soms zo bizarre kerk. Hij sloot zich aan bij de Calamagroep - een leninistisch-marxistische beweging onder leiding van de priesterjezuïet Jan Caminada. De leden moesten in hun eigen onderhoud voorzien door ongeschoold werk. Keesen was zeven jaar in dienst van de vatenfabriek Van Leer in Rotterdam.
In 1985 was Keesen nauw betrokken bij de oprichting van de Acht Meibeweging. Terwijl anderen een bescheiden ruimte wilden voor de oprichtingsbijeenkomst, opteerde hij meteen voor een circustent op het Malieveld. Er kwamen maar liefst tienduizend mensen. Fred Keesen was een geestige en speelse katholiek. Spiritueel, op zijn eigen wijze. Voormalig voorzitter van de Acht Meibeweging Henk Baars herinnert zich een verblijf in een wadloopkamp. 'Plots haalde Fred een blokfluit tevoorschijn en begon te spelen te midden van zon, zee en zand. De tonen maakten op mij een onvergetelijke indruk.' Later was Keesen actief als arbeidspastor. Eens per maand hield hij met een groep een bijbelviering in Rotterdam en op vrijdag een sabbatmaaltijd. Fred Keesen vond dat het christendom was geworteld in het jodendom.' In 2006 verhuisde hij uiteindelijk met Anne-Francine van Gogh naar Limburg. Hier kreeg hij het herseninfarct dat hem uiteindelijk fataal zou worden.
(19-3-2013)

Onno van Ravesteijn (1963-2013)
Kickbokser

 

  

Expert van de hardcore

 

Hij was de grote expert van de hardcore en bedrijfsleider van een winkel voor kickboksspullen.

 

Peter de Waard 

van ravensteijnIn 1987 meldde hij zich aan als redacteur van het blad Aardschok voor fans van punk, hardrock en heavy metal. Onno van Ravesteijn vertelde in een gesprek met oprichter Metal Mike dat hij Best Wishes van Cro-Mags de beste plaat vond van een totaal nieuw genre dat later hardcore ging heten. Hij werd aangenomen en ging onder de naam Onno Cro-Mag voor het blad werken. Hij schreef over honderden bands en zette zijn eigen hardcorefestival op in Maastricht. Vorig jaar richtte hij samen met Roger Miret van de band Agnostic Front een nieuw platenlabel op: Strength Record.
Onno 'Cro-Mag' van Ravesteijn overleed op 25 februari in Geldrop aan een hartstilstand. Hoewel hij al enige tijd suikerziekte had, kwam zijn dood op die maandagochtend totaal onverwacht.
Hij was een man van vele gezichten. Hij was de gezinsman, vader van twee kinderen, iemand die graag languit op de bank lag, maar ook de ruige bink van de kickboks- en vechtsport. In die hoedanigheid was hij al 28 jaar bedrijfsleider van de winkel Nikko Toshogu Sports in Eindhoven en medeoprichter van de vechtsportschool in Valkenswaard onder de naam Siam Gym. Hier pikte hij kinderen van de straat op en bracht ze naar de sportschool. Daarnaast was hij de grote muziekkenner.
Van Ravesteijn werd in 1963 geboren in Eindhoven als zoon van een Philipswerknemer. Hij had nog een zus. In zijn tienerjaren raakte hij in de greep van de punkmuziek. Bands als The Sex Pistols veroverden de wereld. Hoewel hij uiterlijk niet de echte punker was, werd hij een liefhebber die nieuwe stromingen ontdekte en ook een relatie tussen punkmuziek en andere vormen als hardrock en heavy metal zocht. Als medewerker van Aardschok - een blad met een oplage van 25 duizend stuks - bracht hij bands uit het hele land onder de aandacht van de liefhebbers en platenlabels als Noize, I scream, Century Media en GSR. Hij verdiende eerst de kost als handelaar in tuinmeubelen voordat hij in bedrijfsleider werd bij Nikko. Oprichter Kasper Boon, nu hoogleraar aan de Open Universiteit van Maastricht, zegt dat hij eigenlijk de winkel was begonnen voor zijn twee zoons. 'Maar die waren nog wat te jong. Toen kwam Onno. Iemand zei dat ik niet moest schrikken vanwege zijn opvallende verschijning. Hij bleek een aimabele kerel met een hart van goud.' Onno van Ravesteijn werd zelf ook recreatief actief in de sport die hij liever als thaiboksen omschreef.
André Verhuysen, hoofdredacteur van Aardschok, zegt dat Van Ravesteijn ontzettend belangrijk is geweest voor het blad. 'Hij vulde drie tot vier pagina's per maand naar eigen goeddunken. Hij was zo'n kenner van de hardcore, dus daar hoefden we niets aan te doen. Alleen een beetje redigeren misschien, want een echte neerlandicus was hij niet.' Een band als Biohazard die in 1995 voor ruim honderdduizend mensen optrad op Dynamo Open Air en een jaar later ook Pinkpop plat speelde, was een van de ontdekkingen van Van Ravesteijn. Drieëntwintig jaar geleden trouwde hij. Hij kreeg twee zoons die ook actief werden als bokser en kickbokser, hoewel de oudste, Steve, gezien zijn fotomodellencarrière de sport enigszins op een laag pitje heeft gezet.
(12-3-2013)

 

Frida Balk Smit Duyzentkunst (1929-2013)
Taalkundige

  

Bewaker van de grammatica 

 

Als wetenschapper en hoogleraar bewaakte ze de Nederlandse grammatica. 

fridabalkZe figureerde als Hettie Bakker in J.J. Voskuils beroemde werk Bij nader inzien, over een vriendenclub van negen na-oorlogse studenten neerlandistiek aan de Universiteit van Amsterdam: Frida Smit Duyzentkunst, taalkundige. Als wetenschapper en hoogleraar bewaakte ze de Nederlandse grammatica. Fictie schreef ze nooit, maar wel artikelen en boeken over onder meer het taalgebruik van Willem Frederik Hermans en Marten Toonder.
Smit Duyzentkunst werd in 1929 geboren als telg uit een geslacht van Amsterdamse ambachtslieden. Haar vader Cor Smit Duyzentkunst was violist - 'onder meer in de bak van Tuschinski maar ook op passagiersschepen naar de VS' - en later meubelmaker aan de Olympiakade in Amsterdam. Hij koesterde geen hoge ambities voor zijn enige kind. Een ulo-opleiding was genoeg. Maar ze was een briljante leerling, die zich een plek verwierf op het 'deftige' gemeentelijk meisjeslyceum. Haar lerares Nederlands, juffrouw Pont, wist haar te inspireren met de liefde voor de Nederlandse taal en regelde de financiering (600 gulden) voor haar studie.
Vlak na de oorlog ging ze neerlandistiek studeren aan de Universiteit van Amsterdam, waar ze in contact kwam met Voskuil zelf (Maarten Koning in Bij nader inzien) en schrijfster Frida Vogels (Henriëtte Fagel). 'Mijn ouders begrepen dat ik gek was op taal, maar niet dat ik de wetenschappelijke kant ervan interessant vond. Mijn moeder vond dat wetenschap niet bij mijn milieu paste. Ze had liever gezien dat ik kinderliedjes of cabaretteksten was gaan schrijven. Iets dat zij begreep', zei ze in 1997 in een interview met het blad Opzij.
In 1954 trouwde ze met Ton Balk. Ze kregen drie kinderen. Smit ging werken op de Universiteit van Amsterdam en promoveerde in 1963 op de dissertatie De grammatische functie. Van 1970 tot 1992 was ze hoogleraar Nederlandse Taalkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Ze probeerde in die functie vooral een begrijpelijke uitleg van de grammatica te bewerkstelligen. Ook mengde ze zich in het maatschappelijke debat, zoals met haar strijd tegen 'antisemitische insluipsels' in de Dikke Van Dale. In 1971 koos ze partij in een kort geding dat werd aangespannen tegen de uitgever van Van Dale over de behandeling van het woord 'jood'. In het lemma stond: 'oneig.) woekeraar, afzetter, bedrieger.' Zij constateerde dat zij die men uitscheldt voor boer, kruidenier of schoolmeester nu juist geen boeren, kruideniers of schoolmeesters zijn, maar dat 'jood' als scheldwoord voornamelijk voor joden zelf blijft gereserveerd. In de 11de druk van de Van Dale werd het aangepast.
Frida Balk-Smit Duyzentkunst was voorzitter van de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek en van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en bestuurder van het Genootschap Onze Taal. Na haar emeritaat schreef ze het standaardwerk Grammatica voor iedereen. 'Grammatica is, door de eenvoud van haar beginselen, bij uitstek geschikt voor de basisschool. Bovendien is het een formidabel hulpmiddel om te leren helder te denken, goed te formuleren, scherpzinnig te lezen, zuiver te argumenteren en om een vreemde taal te verwerven', stelde ze. Poëzie was haar grote liefde. De zinsnede 'Het werd, het was, het is gedaan' van haar favoriete dichteres M. Vasalis stond boven haar overlijdensbericht. Ze overleed op 7 februari in Bloemendaal.
(5-3-2013) 

 

 

Marga Kerklaan (1925-2013)
Documentairemaakster

 

Klassiek verhalenverteller

 

Een eigenzinnig programmamaakster, die altijd op zoek was naar de stem die niet werd gehoord. 

Peter de Waard 

kerklanZe werd de katholieke Netty Rosenfeld genoemd, de fameuze programmamaakster die voor vele omroepen werkte. Marga Kerklaan maakte van 1964 tot 1990 talrijke documentaires voor de KRO, vooral in Latijns-Amerika en Afrika. Vijf weken na de val van Somoza, door de opstand van de sandinisten, zat ze al Nicaragua. Ze maakte documentaires over huwelijkszwendel, maar ook over de betekenis van de nieuwe paus Johannes Paulus II in Brazilië, en over de jood in Nederland of over president Kaunda van Zambia.
Ze overleed twee weken geleden op 87-jarige leeftijd in een ziekenhuis in Emmen. Enkele jaren geleden openbaarde zich plotseling alzheimer, waardoor ze haar boerderijtje in Exloërveen had moeten verruilen voor een verzorgingstehuis in Gees, vlak bij Emmen. Ze is haar leven vrijgezel gebleven. Zelfs voor haar vaste cameraman Henk Jetten bleef ze over haar privéleven 'zo gesloten als een oester'.
Ze werd geboren in een katholiek gezin in Schiedam. Haar vader was een keuterboer die later vloerenhandelaar werd. Op haar 17de jaar ging ze werken bij de stokerij van de erven Lucas Bols, maar schreef toen al stukjes voor de Maasbode. In 1955 kwam ze in dienst bij de Geïllustreerde Pers, waarbij ze onder meer bijdragen leverde voor het vrouwenblad Margriet. In 1964 werd ze gevraagd om bij de KRO te komen werken. Aanvankelijk maakte ze echte vrouwenprogramma's zoals Bakerverhalen, een programma over vrouwen die net waren bevallen.
KRO-directeur Richard Schoonhoven: 'Van daaruit heeft ze zich ontwikkeld tot een formidabel programmamaakster. Ze was een sterke, eigenzinnige maar ook bijzonder charmante vrouw, die altijd op zoek was naar wat de mens bewoog.'Omdat ze zelf katholiek was en bij de KRO werkte, ging de aandacht vaak uit naar de ervaringen van Nederlandse katholieken. De meeste impact had misschien wel de documentaire Moeder van een groot gezin uit 1985. Daarin sprak ze met vrouwen die ten tijde van het Rijke Roomsche Leven grote gezinnen moesten bestieren. Het was de eerste keer dat ze hun verhaal deden en het programma sprak zo aan dat lotgenoten haar massaal schreven. De KRO kreeg driehonderd brieven als reactie, genoeg ervaringen voor het boek Zodoende was de vrouw maar een mens om kinderen te krijgen.
Collega Judith Holtackers noemt haar een 'een geëngageerd documentairemaker'. 'Ze deed diepgaand onderzoek voordat ze ging filmen. Marga was een klassieke verhalenverteller. En dan het liefst verwoord door mensen die in de geschiedenis nauwelijks zijn gehoord. Ik denk dat ze bijna honderd documentaires en programma's heeft gemaakt. Zelf zei ze er over: 'Ik maak geen programma's, ik baar ze'.'In 1985 maakte Marga Kerklaan een documentaire over het Limburgse verzet (De binnenkant van een verzet), niet in de laatste plaats om het beeld bij te stellen dat van verzet in Limburg geen sprake zou zijn geweest.
Haar KRO-loopbaan sloot ze in 1990 af met een vierdelige serie over Nederlandse missionarissen, getiteld Einde van een tijdperk. Haar neef Lucas Osterholt zegt dat Marga Kerklaan het heel jammer vond om te moeten stoppen. Ze besloot daarna van Amersfoort te verhuizen naar Drenthe, om daar op een boerderij voor dieren te kunnen zorgen. Als schrijfster publiceerde ze in 1994 het boek Van Huis Uit, dat ging over drie generaties katholieken over de invloed van de secularisatie op hun geloofsleven.
(26-2-2013)

Herman Verbeek (1936-2013)
Priester-politicus

 

 

Laatste man van de PPR

 Verbeek was als kind al liever in de kerk dan thuis. Geen verrassing dus dat hij priester werd.

Peter de Waard

verbeekOp zijn 14de wordt Herman Verbeek door zijn vader – eende eerste neurochirurgen van Nederland – meegenomen naar het R.K. ziekenhuis in Groningen. Over diens schouder kijkt hij mee naar een hersenoperatie die zijn vader uitvoert. De oude Verbeek hoopt vurig dat ­Herman in zijn voetsporen zal treden. Maar als hij de twee huidflappen terugklapt, valt Herman flauw. Hetzelfde jaar ziet hij een priester een hostie optillen tijdens de mis. Ineens voelt hij een grote emotie – zijn roeping. Verbeek wordt priester en later publicist en politicus. Ongeneeslijk ziek kiest hij ervoor op 1 februari op 76-jarige leeftijd in hetzelfde Groningen te overlijden. ‘Doden mag niet, sterven wel.’Verbeek wordt in 1936 geboren en heeft, behalve een broer, zes zussen. Zijn vader is in zijn ogen een geniale geneeskundige pionier die zijn eigen instrumenten ontwerpt, maar ook een uitermate driftige en kille man voor wie hij later vooral afkeer voelt. ‘Ik was liever in de kerk dan thuis’, zou hij zeggen.
 Hij gaat naar een jezuïeten-internaat en ontdekt daar zijn ware gevoelens: hij wordt op zijn 16de jaar hevig verliefd op een andere jongen die daarvan overigens nooit iets zal merken. Hoewel zijn ouders blijven hopen dat hij medicus wordt, gaat hij in 1957 naar het groot-seminarie Rijsenburg. Hier komt hij in aanraking met kerkvernieuwers als pater Van Kilsdonk en Huub ­Oosterhuis.
Hij wordt in 1963 tot priester gewijd en benoemd tot kapelaan in Joure. Na een ruzie met de pastoor over de betalingen wordt hij na eervol ontslag, adviseur van het bisdom Groningen. Behalve grote interesse in de paardensport – hij staat bekend als de paardenpastor – interesseert hij zich voor de maatschappelijke veranderingen in de jaren zestig, zoals die vorm krijgen door het Tweede Vaticaans Concilie en de mei-revoltes van 1968. Hij sluit zich aan bij Pax Christi en het IKV en komt langzaam maar zeker terecht in dissidente kerkkringen die ijveren voor opheffing van het celibaat. In de stad Groningen raakt hij ook betrokken bij de lokale politiek waar mensen als Max van den Berg en Jacques Wallage actief zijn. Hij zet zich in voor het behoud van de lokale synagoge en de schouwburg en vindt daarbij een thuis bij de PPR – een partij van dissidente KVP’ers – die christelijke waarden combineren met linkse idealen.
 In 1977 wordt hij door ex-minister Harry van Doorn gevraagd voorzitter te worden van de partij nadat deze bij de verkiezingen vier van de zeven zetels heeft verloren. Verbeek moet de partij een nieuwe, warmere uitstraling geven. Het leidt ertoe dat hij in 1984 in het Europees Parlement komt voor een lijstcombinatie van PPR, PSP en CPN – de voorloper van GroenLinks. In 1989 wordt hij voor die partij herkozen, maar met de uitdrukkelijke voorwaarde dat hij op de helft van de termijn zijn zetel opgeeft. Verbeek weigert dit en blijft zitten als enig partijlid van wat De Groenen wordt genoemd.
In 1994 haalt die partij de kiesdrempel echter niet, wat Verbeek doet besluiten te reizen, de rust op te zoeken in abdijen en te publiceren. Voor dat laatste doel richt hij zelfs zijn eigen Verbeek-fonds op. Zijn laatste boek is zijn eigen autobiografie Toen daalde de duif. Hij mijdt de publiciteit niet. Zo noemt hij Wim Eijk bij zijn inwijding als bisschop van Groningen in 1999, wegens diens anti-homo standpunten, ‘een vertegenwoordiger van de Middeleeuwse inquisitie’.
(19-2-2013)

 

 

 

Giovanni Hakkenberg (1923-2013)
Oorlogsheld

Man van vijf heldendaden

Oud-marinier Hakkenberg was een van de laatste nog levende  dragers van de Militaire Willems-Orde. Hij overleed vrijdag.

Peter de Waard

hakkenbergCommandant sergeant Giovanni Narcis Hakkenberg wilde in oktober 1948 met een handjevol mannen in een kampong in Jakarta een groep van het Indonesische leger overrompelen. Hij had gerekend op zes tegenstanders, maar dat bleken er veertig te zijn. Niettemin slaagde de actie en kon de hele groep gevangen worden gezet.
Nog vier keer zou Hakkenberg tijdens de politionele acties een heldendaad verrichten, waarvoor hij uiteindelijk werd beloond met de hoogste militaire onderscheiding: de Militaire Willems-Orde. Hakkenberg overleed afgelopen vrijdag op 89-jarige leeftijd in Ede. Er zijn nu nog maar vijf dragers van deze onderscheiding in leven, onder wie drie Nederlanders. De jongste is Marco Kroon (1970).
 Hakkenberg werd in 1923 geboren in Soerabaya in het toenmalige Nederlands-Indië. Al op zijn 17de meldde hij zich met zijn broer en negen neven en andere familieleden aan bij de Nederlandse marine. Hij wilde de Duitse bezetters uit Nederland verjagen.Kort daarna werd Nederlands-Indië bedreigd door de Japanners. Hakkenberg werd als jongste lichtmatroos ingedeeld bij de bemanning van de torpedobootjager Hr. Ms. Kortenaer. Op 27 februari 1942 ging dit schip tenonder bij de Slag in de Javazee. Hakkenberg wist zich te redden en werd opgepikt door een reddingsschip.
Na de capitulatie van Nederlands-Indië werd Hakkenberg krijgsgevangen gemaakt en tewerkgesteld aan de beruchte Birma Spoorweg. Daarna kwam hij terecht in een steenkolenmijn bij Nagasaki, een van de twee steden die aan het einde van de Tweede Wereldoorlog met een atoombom werden vernietigd. Bij terugkeer in Nederlands-Indië bleek hij – nog maar 40 kilo zwaar – als enige van de elf die zich hadden aangemeld de oorlog te hebben overleefd.
Niettemin besloot hij actief te blijven in het Nederlandse leger, dat nu moest afrekenen met vrijheidsstrijders die de republiek Indonesië hadden uitgeroepen. Hij werd ingedeeld bij een mariniersbrigade die voor de veiligheid in oost-Java moest zorgen. Tussen september 1947 en mei 1949 moest hij in het kader van de later zo omstreden politionele acties de strijd aanbinden tegen opstandelingen en het Indonesische leger Tentara Nasional Indonesia (TNI).
 Met zijn kleine groep van drie tot vijf man slaagde hij er onder meer in de opstandelingenleider Pa Tai te arresteren, het archief van de chefstaf van de TNI in handen te krijgen en de republikeinse resident van Madioen te overmeesteren. Bij deze acties had hij veel profijt van zijn kennis van de regionale talen en de zeden en gewoonten van de bevolking. Op 6 maart 1951 kreeg hij vanwege ‘uitstekende daden van moed, beleid en trouw’ de Militaire Willems-Orde der 4de Klasse, naast een aantal andere hoge onderscheidingen.
 Hij bleef ook hierna in het leger, als lid van het Korps Mariniers. Hij zou nog zes jaar dienen in Nieuw-Guinea, waarvan anderhalf jaar bij het Papoea Vrijwilliger Korps. In 1974 zwaaide hij af als kapitein van het Korps Mariniers.
(18-2-2013)

 

Peter Kooijmans (1933-2013)
Minister

 

Ongedwongen politicus

 

Internationaal erkend als volkenrechtdeskundige en minister tegen wil en dank. Woensdag overleed oud-bewindsman Pieter Kooijmans, 79 jaar oud.

 

Peter de Waard

pieter kooijmansMogelijk zal Pieter Kooijmans vooral worden herinnerd als de eerste Nederlandse rechter bij het Internationaal Gerechtshof in Den Haag. In 1996 werd hij door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties verkozen voor een periode van 9 jaar. Hij was toen 63 jaar.
De integriteit van de volkenrechtdeskundige en ARP- en CDA-politicus stond buiten kijf. Kooijmans was twee keer politiek actief. De eerste keer was hij staatssecretaris voor Buitenlandse Zaken in het kabinet Den Uyl (1973-1977).De tweede keer werd hij onverwacht minister van Buitenlandse Zaken in het kabinet Lubbers III (1989-1994), nadat zijn voorganger Hans van den Broek opstapte wegens een benoeming tot Europees commissaris in Brussel. Kooijmans was verantwoordelijk voor de rampzalige uitzending van Dutchbat naar Srebenica. Toen hij hierover onder vuur kwam te liggen, verdedigde hij zich met het argument dat het ‘onder andere omstandigheden wel gunstig had kunnen uitvallen’.
Kooijmans werd geboren in een gereformeerd gezin in Heemstede. Na het behalen van het gymnasiumdiploma studeerde hij rechten en economie aan de VU. In 1964 promoveerde hij en een jaar later werd hij hoogleraar in Europees recht en Volkenrecht aan de VU.In de jaren zestig werd hij ook actief in de Anti Revolutionaire Partij – eerst als auteur voor het partij-orgaan en later voor het centrale kiescomité. Zijn benoeming als staatssecretaris voor onder meer ontwapeningszaken onder minister Max van der Stoel kwam in 1973 tamelijk onverwacht.In 1977 keerde hij terug als hoogleraar Volkenrechtkunde, nu aan de Universiteit Leiden. Hij vervulde ook verschillende taken voor de toenmalige regering. Zo leidde hij een delegatie naar de VN-mensenrechtencommissie, waar de decembermoorden in Suriname werden aangekaart.
Nadat in 1992 Van den Broek opstapte, koos Lubbers tot ieders verrassing voor Kooijmans. Hij accepteerde de functie, maar stelde dat hij deze post eigenlijk niet ambieerde en ook alleen zou blijven tot de verkiezingen.Door deze ongedwongen houdingverwierf hij veel respect in een periode waarin het buitengewoon roerig was met de burgeroorlog in het voormalige Joegoslavië en de bloedige slachting in Rwanda. Lubbers zag in Kooijmans zelfs een kandidaat voor het premierschap en was teleurgesteld toen Eelco Brinkman lijsttrekker wilde blijven en vervolgens een verkiezingsnederlaag leed.
Na zijn benoeming bij het Internationale Gerechtshof wilde Kooijmans zich inzetten voor preventieve diplomatie, waarbij het Hof in Den Haag meer zou moeten samenwerken met de VN in New York. Na zijn aftreden bij het Internationaal Gerechtshof werd hij door koningin Beatrix benoemd tot minister van Staat. In 2010 behoorde hij tot de CDA-prominenten.
(14-2-2013)

 

 

Ab Kooij (1944-2012)
Rondvaartreder

 

Ambassadeur van Amsterdam

 

Ab Kooij was de koning van de rondvaart. In 1988 maakte hij van Amsterdam een gekkenhuis.

Peter de Waard

ab kooijMisschien is geen Nederlander met zo veel beroemde mensen op de foto gegaan als Ab Kooij. Vrijwel elke beroemdheid – van popsterren tot acteurs, astronauten, wereldleiders en filantropen – wilde Amsterdam zien vanaf de beroemde grachten en klopte bij de rondvaartrederij aan. Kooij bewaarde thuis de foto’s van al die beroemdheden die op zijn boten hebben meegevaren: Neil Armstrong, Winston Churchill, Nelson Mandela, Michael Jackson, Yasser Arafat, de sjah van Perzië, Jacques Chirac, Hillary Clinton en Jimmy Carter.
Ab Kooij overleed volkomen onverwacht op 28 januari als gevolg van een hartstilstand. Hij was 68, maar nog altijd zes dagen per week actief op de rederij aan het Rokin, waar in de loop van de jaren tienduizenden toeristenbussen voor hebben gestaan. Zelf stond hij het liefst in het rederijhuisje of op de kop van de stenen muur bij de steiger en keek hij naar de bussen en de langslopende toeristen, met wie hij graag een praatje maakte.
De rondvaartrederij werd begonnen in 1922 door Piet Kooij, de vader van Ab. Het was toen een noviteit en de toeristenindustrie stond nog in de kinderschoenen. De dicht op het water liggende rondvaartboten met tweezitsbankjes en een glazen dak waren een meesterzet in de stad met zo veel lage bruggen.
Ab was amper 15 toen hij ingeschakeld werd in het bedrijf. Na school en in de weekeinden mocht hij helpen bij reparaties en het schoonmaken van de boten. Hij was vanaf het begin een harde werker die veel aan de groei van het bedrijf bijdroeg. Toen zijn vader in 1976 overleed, nam hij het over. Hij zou meer dan 36 jaar de leiding hebben van rederij Kooij. Met de overname van de concurrerende rederij Plas in de jaren negentig verdubbelde het bedrijf in omvang. Ab Kooij integreerde de twee rederijen op zijn eigen wijze. Pas onlangs kregen ook de boten van Plas koninklijke namen.
De rondvaart door de Amsterdamse grachten werd een must voor elke toerist, net zoals een bezoek aan het Rijksmuseum of het Anne Frank Huis. Nadat het Nederlands elftal van Gullit en Van Basten in 1988 Europees kampioen was geworden, voeren de spelers en hun coach Rinus Michels op een van de boten door de grachten. Het werd het grootste gekkenhuis in de historie van de stad, waarbij één woonboot bezweek onder het massaal toegestroomde publiek. Burgemeester Ed van Thijn had, op de achterkant van een bierviltje, nog een geïmproviseerd programma gemaakt. Bij het wegvaren van de drie boten stond Ab Kooij voorop. In het tv-programma Andere tijden blikte hij terug. ‘Toen mensen in het water sprongen, dacht ik maar één ding: laat ze niet in de schroef van de boot terechtkomen. Die mensen dachten echt nergens bij na.’
Bekende mensen die incognito een rondvaart wilden maken, konden ook bij Kooij terecht. Zulke tochten, met Michael Jackson, Mandela en de koninklijke familie, behoorden naast de Oranje-intocht tot de hoogtepunten in het werk van Ab Kooij. Hij leefde voor zijn werk en had ook weinig andere hobby’s.Kooij had een groot hart voor de stad. Tijdens de aanleg van de Noord/Zuidlijn sponsorde hij de bloembakken die het Rokin opfleurden en organiseerde hij een fototentoonstelling over zijn bijzondere passagiers. Maar als hij het ergens niet mee eens was dan maakte Ab Kooij van zijn hart geen moordkuil. Het bedrijf zal worden voortgezet door zijn enige zoon.
(12-2-2013)

 

Miss Teddy Pedigree Paul (1980-2013)
Performer

Dragqueen uit de provincie

Ruud Swanen, alias Miss Teddy Pedigree Paul, had op zijn sterfbed een laatste wens: een ton voor het KWF.

Peter de Waard

misspedigreeZijn dood haalde maar weinig kranten in tegenstelling tot die van het 'levend kunstwerk' Fabiola. Misschien kwam dat doordat Ruud Swanen, alias Miss Teddy Pedigree Paul, als performance-kunstenaar en dragqueen geen statement wilde afgeven. Hij was de pure entertainer. Misschien had het er ook mee te maken dat hij in de provincie woonde, hoewel Amsterdam voor hem zeker geen onbekend terrein was.
Miss Teddy Pedigree Paul overleed op 22 januari om 23.45 uur in Den Bosch aan de gevolgen van lymfklierkanker. Zijn laatste wens was om op 30 juli 2013 - zijn verjaardag - 1 ton te kunnen schenken aan het KWF Kankerbestrijding. 'Daarom moeten jullie in héél Nederland dancefeesten, kunstexpo's, rockbattles, dragshows en álles wat je kunt verzinnen organiseren.'
Ruud Swanen werd in 1980 geboren in Bergen op Zoom, waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Hij kreeg op jonge leeftijd een conflict met zijn vader, met wie hij daarna alle contact verbrak. Met zijn moeder en broer had hij wel een goede band. Al op zijn 15de jaar begon hij in meisjeskleding op te treden. De naam Miss Teddy Pedigree Paul koos hij omdat Teddy zo lief en simpel klonk. De laatste tien jaar trad hij eigenlijk altijd op met Gert-Jan van Geenen, alias Strangee. Ruud deed de boekingen en Gert-Jan maakte de kleding. Samen ontwierpen ze de pruiken die tot de extravagantste van Nederland behoorden en waaraan ze maandenlang werkten. 'Ruud was handig met de computer. Hij mixte zelf veel muziek met fotoslideshows van hemzelf. Hij maakte filmpjes op locatie en mixte die later tot een clipje. Dit alles werd tot één grote show verwerkt', aldus Van Geenen.
Als Miss Teddy Pedigree Paul was hij de extroverte travestiet die uitbundig kon zingen, goed kon dansen en uitstekend kon praten. Van Geenen: 'Hij was iedereen op het podium de baas met zijn platte, maar nooit kwetsende opmerkingen.' Maar als Ruud Swanen was hij de introverte en teruggetrokken burger. Hij woonde alleen, samen met zijn onafscheidelijke hond Beertje, die hij ook op tournee meenam. De laatste twee jaar woonde hij in Den Bosch. Hier trad hij veel op in café De Kabberdoes, vaak samen met zijn artiestenpartner, 'zus' Strangee.
De kanker werd 15 maanden geleden bij hem vastgesteld. 'Ook met de chemo in mijn lijf stond ik nog als Mariah Carey te zingen met een dildo op mijn hoofd. Ik was blij dat ik in een Bossche community kwam die zo ruimdenkend is. De gayscene hier is altijd op zoek naar iets nieuws en er was plek voor mij om als travestiet op te treden. Dat was geweldig.'
Rond de jaarwisseling kreeg hij ineens enorme last van zijn linkerbeen. Hij bleek uitzaaiingen in zijn hele lichaam te hebben. 'Toen pas hoorde ik van de artsen dat ik doodga. Dan stel je ineens alles bij en gaat je 'prioriteitenlijst' er anders uitzien. Ik heb veel tijd doorgebracht met mensen die me dierbaar zijn. En ik heb met volledig gestort op het op touw zetten van de KWF-actie om andere mensen het leed en de pijn te besparen die ik heb moeten doorstaan.'
Hij kreeg de uitvaart die hij wenste. Met glitterbollen, laserlicht, videobeelden en een rookmachine. Strangee zong voor hem naast de kist Send in the Clowns.
(5-2-2013)

 

Toon Schuurmans (1930-2013)
Bokser

 

Held van Crooswijk

 

Toon Schuurmans bokste voor Crooswijk toen het nog Feyenoord tegen Ajax was in de ring.

Peter de Waard

toonschuurmansOp 67-jarige leeftijd versloeg hij nog in een ludieke partij de toen 30-jarige Regilio Tuur, zij het dat de laatste niet na een linkse hoek maar na een enkelblessure de wedstrijd moest opgeven. Zelfs op bijna 80-jarige leeftijd bokste hij tegen andere hoogbejaarden in de jaarlijkse memorial ter nagedachtenis aan Nederlands grootste bokser Bep van Klaveren, bijgenaamd The Dutch Windmill.
Bokskampioen Toon Schuurman, overleed 17 januari in Rotterdam op 82-jarige leeftijd. Hij maakte deel uit van een legendarische generatie van boksers uit Crooswijk die in hun tijd qua populariteit voetballers naar de kroon stak. Behalve Schuurmans behoorden daartoe Bep van Klaveren, Wim van Klaveren en Dries Sloof. Schuurmans werd geboren in het voorjaar van 1930 in een gezin met drie kinderen. Zijn vader was pijpfitter. In de crisisjaren kon het gezin maar amper het hoofd boven water houden. Boksen was de enige sport die geen geld kostte. De club stelde de bokshandschoenen beschikbaar. Als boksersshort werd de onderbroek van de vader gebruikt, met daaroverheen een zwembroek om de onderbroek omhoog te houden. De training bestond uit hardlopen in het Kralingse Bos en zwemmen in het open riool van de Kralingse Plas.
Boksen bood een kans het arme milieu te ontvluchten. Toon Schuurmans werd na de oorlog (semi-)prof. Hij werd driemaal Nederlands kampioen (1951, 1953 en 1956) in het weltergewicht. In 1957 bokste hij tegen de nummer-2 van de wereld, de Deen Chris Christensen. Het werd onbeslist na acht ronden. Meestal vonden de wedstrijden plaats in de Rivièrahal in Blijdorp, het mekka van de bokssport. Vanaf 1953 werd hier ook de stedenmatch tegen Amsterdam afgewerkt, met de notabelen voor veel geld vlak om de ring en het gepeupel gratis hoog in de zaal. De duels waren even populair als Feyenoord-Ajax nu. 'Ik woonde destijds in Blijdorp en wandelde zo naar de dierentuin. Na afloop van een gevecht kreeg je altijd een bemoedigende klop op de schouder. 'Lekker geraakt, Toon', zeiden ze dan.' Schuurmans werd de gentleman genoemd, omdat hij nooit voor de knock-out ging. Hij knokte niet, maar bokste. Hij maakte zich ook nooit druk. 'Hij lag vaak in de kleedkamer gewoon nog te slapen', schreef de Volkskrant in 2006.
In totaal bokste hij 128 partijen als professional waarvan hij er 111 won. Hij sloot zijn professionele carrière in 1964 af. Hij werd opkoper te water van oude materialen en scheepsrestanten. 'Ik had goede relaties bij Van Ommeren en Verolme. Ik ben rijk geweest, maar ik heb er geen gulden aan overgehouden.' Maar hij bleef altijd boksen, ook nadat hij op zijn 40ste jaar acute reuma had gekregen die later leidde tot lekkende hartkleppen. Na zijn pensioen - in het jaar waarin Bep van Klaveren overleed - werd hij lid van de door Aad Veerman opgerichte Dutch Windmill Club, die elk jaar weer in de ring stond om Van Klaveren te eren. Twee keer per week trainden ze fanatiek.
Het AD beschreef de wedstrijden van de bejaarde boksers in 2003 tijdens het eerste lustrum van de memorial. 'Toon Schuurmans (73) en Gerrit Spaay (67) van de Dutch Windmillclub in Crooswijk betreden de ring. Het felle spotlicht accentueert de gegroefde gezichten, het slappere vlees. Maar de geest is ongebroken. Wat een inzet! Wat een snelheid nog!'
In 2007 kreeg Schuurmans twee nieuwe hartkleppen, drie maanden later bokste hij weer. In 2010 moest hij alsnog stoppen vanwege vasculaire dementie die door de hartoperatie was veroorzaakt.
(29-1-2013)

 

Léon Povel 1911-2013
hoorspelregisseur

 

Radioman van het eerste uur

 

Zijn hoorspel uit 1955 is nog altijd populair. Tot zelfs in de ruimte toe.

Peter de Waard

leonpovelAstronaut André Kuipers luisterde ernaar tijdens zijn verblijf in het internationale ruimtestation ISS. Het hoorspel Sprong in het heelal van Léon Povel wordt nog elk jaar ergens in Nederland op een lokale of regionale omroep uitgezonden. De cd met dertig uur is onverminderd populair, net zoals de muziek uit de serie.
Sprong in het heelal is mogelijk het bekendste hoorspel in de Nederlandse geschiedenis. Het werd tussen 1955 en 1958 uitgezonden toen nog bijna niemand televisie had en het land aan de radio zat gekluisterd. Het prikkelde de fantasie in een tijd dat de ruimterace tussen de Sovjet-Unie en de VS net was begonnen en alles mogelijk leek. Bijna zestig jaar later is de ruimte voor een deel ontdekt, maar is de geloofwaardigheid van de sciencefictionserie niet ondermijnd. Integendeel, binnenkort verschijnt een nieuwe versie met een inleiding van Kuipers. Léon Povel zal er altijd mee worden vereenzelvigd. De bekende radioman overleed op 8 januari op 101-jarige leeftijd.
Povel werd geboren in Amsterdam. Zijn vader was koopman, een van de eigenaren van de Winkel van Sinkel en mede-oprichter van Witte Bioscoop aan het Damrak, die later onder de namen Capitol en Cineac zou floreren. Zijn moeder gaf hem kunstzinnigheid mee, waardoor ook zijn broers - filmmaker Wim Povel en schouwburgdirecteur Louis Povel - werden geïnspireerd.Léon volgde zijn opleidingen in de jaren twintig in Berlijn en na zijn terugkeer naar Nederland aan het St. Ignatiusgymnasium te Amsterdam. Zijn radioloopbaan begon op 10 mei 1932 bij de KRO toen hij werd gevraagd door pastoor Perquin als tweede omroeper. Dezelfde maand mocht hij het nieuws bekendmaken dat het laatste gat in de Afsluitdijk was gedicht. Vervolgens werd hij aangesteld om samen met Paul de Waart de reportageafdeling op te richten.
Na de oorlog begon hij zich meer bezig te houden met klankbeelden voor de Schoolradio, wat uiteindelijk uitmondde in het produceren en regisseren van hoorspelen, waarvan Sprong in het heelal het bekendste werd. In 1961 en 1962 bracht hij een nieuwe ruimtevaartserie op de radio onder de titel Testbemanning. In totaal maakte Povel maar liefst 900 hoorspelen, waarvan er 350 bewaard zijn gebleven. Het opvallende was dat de geluiden die Povel samen met de hoorspeltechnici voor Sprong in het heelal had gecreëerd later tijdens de ruimtevaartperiode niet ver van de werkelijkheid bleken af te liggen. In een interview voor de VPRO Gids ter gelegenheid van zijn 100ste verjaardag vertelde Povel dat hij bijna dacht dat de Amerikanen bij een raketlancering het geluid van hem 'gegapt' hadden.
Povel vond het hoorspel superieur aan de televisieserie. Hij vergeleek het met een boek waarbij de lezer zijn eigen beelden vormt. 'Hoorspel is omgekeerd theater. In het theater maakt het beeld, het uiterlijk, duidelijk wat er in het innerlijk omgaat. In het hoorspel maakt het innerlijk duidelijk wat de uiterlijke situatie is', zei hij aan het einde van zijn carrière.
Naast zijn regiewerk bij de hoorspelafdeling werkte hij enkele jaren als dramaregisseur voor de KRO-televisie. Op 1 december 1976 ging hij met pensioen, maar hij bleef actief met onder meer het regisseren van toneelstukken van amateurs. Hij hertrouwde in 2005 op 93-jarige leeftijd met de vijftien jaar jongere kunstschilderes Margreet Tieleman Hazewinkel na achttien jaar samenwonen. Ter gelegenheid van zijn 100ste verjaardag werd hij benoemd tot ridder in de orde van Oranje-Nassau voor zijn werk als radiopionier.
(22-1-2013)

 

  

Jos de Beus (1952-2013)
Partij-ideoloog

 

Baanbreker van de Derde Weg

 

Binnen zijn partij PvdA werd hij gevreesd vanwege zijn dwarse standpunten, maar de studenten wilden niets liever dan juist les van hem.

Peter de Waard

jos de beusEven na zijn 60ste verjaardag op 27 november van het vorig jaar schreef hij zijn afscheidsbrief.  Hoogleraar politicologie, publicist en partijfilosoof van de PvdA Jos de Beus zou worden overgebracht naar een verzorgingstehuis in Hilversum, waar hij de laatste fase van zijn leven zou doormaken. Vier jaar eerder was hij ineens uit de publiciteit verdwenen nadat zijn lichaam was ingestort en waarmee hij de medici voor een raadsel had gesteld. ‘Een ziektebeeld dat niet gediagnostiseerd is en een verouderingsproces dat niet aantoonbaar is’, schreef hij zelf. Uiteindelijk kon hij niet meer communiceren noch zijn verdriet hierover uiten. ‘Meestal blijf ik hangen in een snik zonder tranen.’ Hij overleed uiteindelijk op 17 januari.
 Jos de Beus heeft zijn stempel op de politiek gedrukt in de jaren dat hij nog wel goed was. Hij werd in 1952 geboren in een katholiek gezin in Utrecht. Na het gymnasium gaat hij politicologie studeren aan de katholieke universiteit in Nijmegen, waar de studentenrevolte net goed op gang gekomen is. De Beus staat daar middenin. Hij doet volop mee met het politieke debat en wordt lid van de Socialistische Studentenbond Politicologie, die in Nijmegen werd opgericht als tegenhanger van de door CPN’ers beheerste studentenraad. In 1975 wordt hij PvdA-lid. Studiegenoot en  hoogleraar bestuurskunde in Tilburg Paul Frissen zei daar later over:  ‘Het was de tijd van het kabinet Den Uyl, we discussieerden veel over de tegenstellingen tussen de neo-marxistische economie en de welvaartseconomie. Ook werd er veel gesproken over de universiteitspolitiek. Ik herinner me nog een discussie met De Beus naar aanleiding van het verschijnen van het rapport Donner over de Lockheed-affaire in 1976. De Beus constateerde dat de sociaaldemocratie de monarchie had gered en hij vond dat een verstandige zet.’
  De Beus bleef ondanks de debatten ook een ijverig student en wist uiteindelijk cum laude af te studeren met als specialisatie bestuurskunde. Hij kreeg in 1977 een aanstelling als wetenschappelijk medewerker en later ook docent in de welvaartstheorie aan de economische faculteit van de UVA in Amsterdam.  Hij kwam hier onder de hoede van professor Hans van der Doel, eveneens een dwarse denker die de PvdA wilde vernieuwen. In 1989 promoveert hij op een proefschrift met als titel ‘Markt, Democratie en Vrijheid’ dat een jaar later wordt bekroond als het beste proefschrift van het jaar.
 Dan is hij al een bekend ideoloog binnen de PvdA geworden. Maar hij ambieert geen politieke carrière, zo laat hij keer op keer weten. Wel schrijft hij mee aan het verkiezingsprogramma van de PvdA en laat zijn meningen horen in talrijke bijdrages in de kranten en op radio en televisie. In 1994 richt hij zich daarbij met name op de burgerzin. – ‘de bereidheid en het vermogen om ordelijk en beschaafd samen te leven met zowel landgenoten als vreemden op grote afstand’. De zinsnede komt in het verkiezingsprogramma waarvan Jos de Beus mede-auteur is en die de weg baant voor Paars I. In 1995 wordt hij hoogleraar sociale filosofie en ethiek in Groningen, maar in 1999 keert hij terug in Amsterdam als hoogleraar politieke theorie, politieke cultuur en hun geschiedenis. Zijn politieke profilering – hij ijvert in 2002 ervoor Rob Oudkerk op de PvdA-lijst voor de gemeenteraadsverkiezingen – te krijgen, komt hem ook op kritiek te staan. Henk Houweling, destijds hoofddocent Internationale Betrekkingen, beschuldigt  De Beus van een ‘te nadrukkelijke politieke profilering’. Ook studenten laten zich in Vrij Nederland kritisch uit over de betrokkenheid van De Beus bij de PvdA. Maar als docent is hij zeer populair. Hij kan boeiend vertellen en is enthousiasmerend voor de studenten. Als die hun papers bij hem inleveren is zijn vaste antwoord ‘Ik verheug mij erop’. In 2005 krijgt hij een vaste column bij het programma Buitenhof. Maar drie jaar later moet hij stoppen vanwege de onbekende ziekte. Hij keert nog af en toe terug. In 2009 schrijft hij aan zijn studenten: ‘De deadline van de essays is dinsdag 13 januari 17.00 uur. Ik ben dat vanwege een kookbeurt al op weg naar huis. Leg het afgedrukte (geprinte=slecht Nederlands) essay in mijn postvak op het secretariaat of schuif het onder mijn deur (kamer 2.58).’
(18-1-2013)


Marie-Anne Asselberghs (1919-2013)
Museumdirecteur

  

Juffrouw van de treintjes

 

Tot veler verrassing werd ze in 1961 directeur van het   Spoorwegmuseum in Utrecht. Geen hobbyisme,  een serieuze baan, zei ze zelf.

Peter de Waard

mimiIn ieders herinnering is ze geëtst als een grote, afstandelijke en karakteristieke vrouw, altijd gekleed in een Schotse plooirok, witte blouse, fluwelen zwart jasje en een knot met een edelweiss. Niemand durfde haar te tutoyeren. ‘Mejuffrouw Asselberghs’ was een ouderwetse baas, die weinig tegenspraak duldde.
Van 1961 tot 1984 was ze directeur van het Spoorwegmuseum in Utrecht. Ze zou er haar stempel op drukken door de collectie enorm uit te breiden. Intuïtief kocht ze veel op wat later van onschatbare waarde bleek, waaronder als hoogtepunt een schilderij van Andreas Schelfhout uit 1846. ‘Dat heeft geen directeur voor of na haar gepresteerd’, zo zegt de huidige directeur Paul van Vlijmen, die nog met haar samenwerkte.
 Marie-Anne Asselberghs overleed afgelopen dinsdag op 93-jarige leeftijd. Ze werd in 1919 geboren in Helmond als dochter van de egyptoloog Henri Asselberghs. Tot ieder verrassing werd hij acht jaar later benoemd tot directeur van het net een jaar eerder opgerichte Spoorwegmuseum in Utrecht. Het moest de erfenis van honderd jaar treingeschiedenis veiligstellen en toegankelijk maken voor een groot publiek.
Henri Asselberghs zou tot 1953 directeur blijven van het museum. Een  tumultueuze tijd: tijdens de oorlogsjaren verhuisde de collectie noodgedwongen naar het Rijksmuseum  in Amsterdam omdat de Duitsers het gebouw hadden geconfisqueerd. Marie-Anne  – koosnaam Mimi – groeide op tussen de documenten, penningen en treinen en raakte zelf gefascineerd door de geschiedenis van het spoor. Na haar gymnasiumopleiding kwam ze in 1937 in dienst als assistente van de directie. In 1954, toen het Spoorwegmuseum werd heropend in het inmiddels gesloten Maliebaanstation, werd ze conservator. Zeven jaar later werd ze directeur, ofwel ‘de eerste officiële bewaarster van de spoorweghistorie in Nederland’. Deze functie zou ze tot 1984 bekleden.
Omdat behalve voetbal bijna niets zo masculien is als modeltreintjes, leidde haar benoeming aanvankelijk tot enige verbazing. Daar trok ze zich niets van aan. Ze wist niet alleen hoe ze de collectie kon uitbreiden, maar ook hoe ze het publiek moest boeien. Ze verhoogde de kindvriendelijkheid van het museum, hoewel ze door de beperkte ruimte destijds nog geen rijdende treinen kon inzetten, zoals de laatste decennia wel het geval is. Nog onder haar directeurschap trok het museum  voor het eerst meer dan 100 duizend bezoekers per jaar.
‘Voor juffrouw Asselberghs zijn deze trekkrachten, én de wagens van trein en tram, die ertussen en ernaast staan, gekoesterde huisdieren’, schreef Het Vrije Volk. Haar privéleven was totaal ondergeschikt. Maar ze sprak tegen dat haar werk haar hobby was. ‘Het is geen hobby, het is een baan, net als andere banen’, zei ze in 1964 tegen het NS-tijdschrift De Koppeling.
Anne-Marie Asselberghs zou niet trouwen en geen kinderen krijgen. Buiten het Spoorwegmuseum wijdde ze al haar aandacht aan haar invalide zus. Ook na haar afscheid in 1984 bleef ze nauw betrokken bij het museum, ondermeer als actief lid voor de vriendenvereniging. Daarnaast was ze jarenlang bestuurslid van The International Council of Museums.
(17-1-2013)

 

Jan Schram (1943-2012)
Projectontwikkelaar

 

Onbekende multimiljonair

Hij kocht het Slotervaartziekenhuis, redde Crown Van Gelder en het schaaktoernooi in Wijk aan Zee.

Peter de Waard

jan schramGeschat vermogen: 31 miljoen euro. Herkomst: onbekend. Dat was het enige dat de Quote 500 wist te melden over de Beverwijkse vastgoedondernemer en financier Jan Schram. Hij bewees dat het best mogelijk is in ­Nederland de schijnwerpers, het roddelcircuit en het wereldje van Jort Kelder te ontlopen als je daar toevallig geen zin in hebt. Hij wilde buiten beeld blijven, letterlijk, want Jan Schram liet zich ook niet fotograferen.
Begin jaren tachtig was hij betrokken bij de redding van de papierfabriek Crown Van Gelder in Velsen-Noord. In 2002 redde hij met een sponsorcontract het Hoogovens Schaak Toernooi van de ondergang – dat nu onder de naam Tata Steel Chess Tournament gehouden wordt. De nieuwe houdermaatschappij Corus had na de fusie met British Steel weinig trek meer in sponsoring. Drie jaar lang trad hij op als subsponsor.
In 2006 was het ook Jan Schram die het Slotervaartziekenhuis overnam, samen met de Turkse entrepreneur Aysel Erbudak. Even eigenzinnig nam hij zelf de regie in handen toen longemfyseem hem fataal leek te worden.
Schram werd geboren in een katholieke Beverwijkse familie van vier kinderen. Zijn vader was de aannemer Dirk Schram die profijt kon trekken van de snelle uitbreiding van de gemeente als gevolg van de expansie van Hoogovens. Schram zelf was even ondernemend, maar geen bouwer. Hij werd projectontwikkelaar. Zijn jongere broer Dack werd vakbondsbestuurder bij de FNV. ­Jongste broer Lex werd advocaat in Haarlem. Die was ook actief in de politiek als raadslid en fractievoorzitter voor het CDA en sinds kort weer wethouder van Beverwijk.Vastgoedondernemer Schram kocht in de jaren zeventig en tachtig stukken landbouwgrond op in de omgeving van Beverwijk en Velsen. Deze grond bleek veel geld waard toen in de jaren tachtig de offshore-industrie er een oog op had laten vallen.
Schram werd multimiljonair, maar bleef zijn werk uitoefenen in een bouwkeet op het industrieterrein van Beverwijk, met uitzicht op de gekochte landerijen. Ook bleef hij rondrijden in dezelfde oude auto. Nadat in 1981 het papierconcern Van Gelder failliet ging, raakte hij betrokken bij de redding van de vestiging in Velsen-Noord. Schram werd een van de investeerders en commissarissen in het nieuwe bedrijf Crown Van Gelder, dat ongestreken witpapier ging produceren en in 1983 werd verzelfstandigd. Toen Crown Van Gelder twee jaar later naar de beurs ging, stapte hij er met een flinke winst snel weer uit. Schram had meer belangstelling voor geld verdienen dan voor geld zelf. 

Commissaris Jan Schram van Crown Van Gelder in 1983, geheel links. Verder v.r.n.l. directeur Maarten Veth, president-commissaris Dolf Gransberg en directiesecretaris Bart van Loon.

Behalve in bouwgrond investeerde Schram via zijn investeringsmaatschappij Delta Onroerend Goed BV in parkeerplaatsen, call-centers, vakantieparken en private ziekenhuizen, onder meer in Turkije. Ook investeerde hij in een researchbedrijf voor stamcel­onderzoek, Deltacell, en in een voor eiwitanalyse, Delbia. Tevens investeerde hij in een tongkwekerij. In 2006 dook hij plotseling op in Amsterdam, waar het Slotervaartziekenhuis failliet dreigde te gaan. Hij nam het ziekenhuis voor 25 miljoen euro over. Samen met Erbudak richtte hij de vennootschap Meromi op. Sindsdien wordt het Slotervaart als privéziekenhuis geëxploiteerd.
Jan Schram bleef zijn hele leven vrijgezel. Misschien lukte het daarom zo goed buiten beeld te blijven.
(15-1-2013)

        

Gerard Helders (1905-2013)
Minister

 

De laatste van Drees

 

Hij was minister in het kabinet-Drees III, meer dan 50 jaar geleden. Zondag overleed hij, 107 jaar oud.

Peter de Waard

gerard heldersDe politiek kan veel stress opleveren. Maar daarmee is het vak niet ongezond: voormalig minister Gerard Helders is  op een leeftijd van 107 jaar overleden. Hij was de oudste man van Nederland. Misschien was het ministerschap in de jaren vijftig ook minder stressvol. Helders was minister van Overzee in het kabinet-Drees III tussen 1957 en 1959. Premier Willem Drees werd 101 jaar.
Als minister hield Helders zich onder meer bezig met de opbouw van het bestuur in Nieuw-Guinea, waarvan het westelijk deel tot 1962 nog als laatste stuk van het voormalige Nederlands-Indië onder koloniaal bestuur bleef.
Helders werd in 1905 geboren in een christelijk antirevolutionair milieu in Rotterdam, ‘wat je noemt de gegoede middenklasse’. Hij was van plan na de hbs economie te gaan studeren aan de net opgerichte handelshogeschool in Rotterdam. ‘In het laatste jaar van de hbs had ik een ontmoeting met mijn oom die advocaat was. Hij raadde me aan om rechten te gaan studeren. Na mijn studie zou ik op zijn advocatenkantoor kunnen werken, zo verzekerde hij mij.’ Helders liet zich ompraten. Hij ging rechten studeren in Leiden. Maar daarvoor trouwde hij nog en nam een bijbaantje als instructeur van jonge rekruten van het Nederlandse leger die hij voor 80 cent per uur leerde schieten.
Hij rondde zijn studie in 1929 af en ging ook daadwerkelijk bij zijn oom werken. Maar het avontuur trok. In 1931 reisde hij als kersverse ambtenaar van het departement van het ministerie van Financiën naar het toenmalige Batavia in Nederlands-Indië. Een jaar later werd hij inspecteur van belastingen in Bandoeng en Batavia. Hij zou die functie tien jaar uitoefenen. Zijn mooiste baan, zei Helders vorig jaar nog tegen het persbureau GPD. ‘Mijn taak als inspecteur van belastingen moet je ruim interpreteren. Ik heb de inlandse bevolking kunnen helpen het leefbaarder voor hen te maken. Dat vond ik mijn plicht.’
Na de Japanse inval in 1942 werd hij zoals bijna alle Nederlandse kolonisten in een gevangenkamp geïnterneerd. Na de oorlog keerde Helders terug in Nederland. Hij was twee jaar ambtenaar op het ministerie van Financiën. Van 1949 tot 1957 was hij directeur van de Nationale Trust Maatschappij in Amsterdam, een voortzetting van de Nederlands-Indische Handelsbank. Hij was toen al lid geworden van de Christelijk Historische Unie (CHU), een partij die hij bleef koesteren, ook nadat die eind jaren zeventig was opgegaan in het CDA.
Gezien zijn ervaring in Nederlands-Indië werd Helders in februari 1957 gevraagd minister van Overzee te worden, die naast de toenmalige minister Kees Staf van Defensie moest gaan opereren. Hierdoor kwam hij in het kabinet-Drees III met coryfeeën als onder anderen Joseph Luns, Jo Cals en Yvo Samkalden. Het kabinet viel in december 1958 omdat de PvdA-ministers zich niet konden vinden in een aantal belastingmaatregelen. Er kwam een interim-kabinet-Beel waarvan hij ook deel bleef uitmaken.
Een jaar later werd Gerard Helders lid van de Raad van State, wat hij tot zijn pensioen in 1975 zou blijven. Hierna bleef hij in Wassenaar wonen. Na het overlijden van Cor Geurtz in augustus vorig jaar was hij officieel de oudste Nederlandse man. Hij zei elke dag te prijzen ‘als een geschenk van God’. Hij kon de laatste jaren echter niet meer lezen en ook zijn gehoor was slecht. De politiek bleef hij echter trouw volgen en elk jaar op zijn verjaardag kwam de burgemeester van Wassenaar langs.
(9-1-2013)

 

 

Joop Vogt (1927-2012)
PSP’er

 

Man van het gebroken geweertje

 

Hij was PSP’er van het eerste uur en mede-oprichter van GroenLinks, maar eindigde als politiek dakloze.

Peter de Waard

joop vogtIn 1999 zei hij zijn lidmaatschap van GroenLinks op uit onvrede over het feit dat de partij zich niet tegen de NAVO-bombardementen tijdens de Kosovo-crisis keerde. ‘Helaas kan ik mijn medewerking aan de oprichting van GroenLinks niet terugdraaien en helaas kan ik ook mijn stem op deze Kamerfractie niet terugdraaien. Het enige – zwakke – gebaar dat ik nog wel kan geven is met onmiddellijke ingang het lidmaatschap van GroenLinks neer te leggen’, schreef hij in een brief. Joop Vogt was een van de leden van het eerste uur van de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP), drie perioden senator voor deze partij en drie perioden voorzitter. En hij was eind jaren tachtig een van de architecten van GroenLinks: de samenwerking van PSP met CPN en PPR. Vogt overleed 24 december op 85-jarige leeftijd in zijn woonplaats Wageningen.
Hij werd geboren in een rood nest. Zijn vader was jarenlang gedeputeerde in Overijssel voor de SDAP en aanvankelijk een overtuigd pacifist die een gebroken geweertje op zijn revers droeg.
De jonge Vogt was al tijdens zijn studie aan de Hogere Landbouwschool in Groningen – vlak na de oorlog – actief bij de Bond van Sociaal-Democratische Studentenclubs. Hij voelde zich toen nog het meest verwant met de PvdA. ‘Tijdens een jongerenweekeinde bezwoer PvdA-leider Koos Vorrink dat het niet tot een koloniale oorlog zou komen en dat de PvdA anders uit de regering zou stappen. Drie dagen later begonnen de politionele acties in Indonesië. De eerste die ik op de radio hoorde, was Vorrink, die het militair ingrijpen goedpraatte’, zei Vogt later in de Volkskrant. Hij vond het onvergeeflijk en beschouwde zich vanaf dat moment politiek dakloos. Hij weigerde de dienstplicht en stemde niet.
Van 1951 tot 1953 werkte Vogt als laborant bij de Rijksserum-inrichting in Rotterdam en vervolgens als stal- en voederadviseur bij Hollandia te Vlaardingen. In 1955 werd hij onderzoeker aan de Landbouwhogeschool in Wageningen. Daar bleef hij tot 1984.
In 1958 vond hij opnieuw politiek onderdak toen ontevreden PvdA’ers, die deze partij te pro-Amerikaans vonden, en ontevreden CPN’ers, die hun partij te stalinistisch vonden, zich verenigden in de nieuwe PSP. Vogt werd vicevoorzitter en in 1964 voorzitter. Hij bleef echter altijd in de schaduw staan van PSP-prominenten als Henk Lankhorst, Bram van der Lek en Fred van der Spek.
Vogt was tien jaar lang lid voor de PSP in de gemeenteraad van Wageningen. Nadat de PSP in 1977 een zetel in de Eerste Kamer had verworven, werd hij gevraagd senator te worden. Met kleine tussenpozen zou hij dat blijven totdat de PSP opging in GroenLinks. In 1986 haalde Vogt de media toen hij zich inzette voor de Arnhemse drugsdealer Hans Dost, die in Spanje was gearresteerd en uitgeleverd aan West-Duitsland voor het verkopen van wiet aan Duitsers. Dost werd daar veroordeeld tot 10 jaar cel (later teruggebracht tot 1 jaar en negen maanden) waarbij werd gebruikgemaakt van processen-verbaal die onrechtmatig waren verstrekt door de Nederlandse politie. Vogt riep de ministers Van den Broek van Buitenlandse Zaken en Korthals Altes van Justitie op het matje.
In 1989 werd hij opnieuw PSP-voorzitter. Hij zette zich in voor het samengaan met CPN en PPR tot GroenLinks. Voor die partij was hij was nog een jaar senator, voordat hij uit de politiek terugtrad. Tien jaar later zegde hij het lidmaatschap op. Hij sloot als pacifist ingrijpen in de Joegoslavische burgeroorlog niet uit, maar vond bombardementen misdadig. Hij eindigde zoals hij zijn carrière was begonnen, als politiek dakloze. Vogt was getrouwd met Grietje Hoekstra en had vier kinderen.
(8-1-2013)

  

Tony Cabana (1957-2012)
Voetballer en entertainer

 

Uitgaanstycoon

  

Jordanees Tony Cabana transformeerde het Vlaamse gehucht Kessel tot uitgaanscentrum Kessel City.

 

Peter de Waard

tony cabana'Hij was een perfectionist die altijd zelf de regie wilde houden. Maar dat kan niet altijd', zegt vader Anton Opgenhaffen. Oud-voetballer, zanger en horeca-uitbater Tony Cabana stapte zaterdag 22 december uit het leven. Op Oudjaarsdag werd hij begraven in de Belgische plaats Nijlen, waar hij sinds 1978 woonde. De Jordanees stond er bekend als charmezanger en ambiancemaker - iemand die altijd vrolijk was en een kwinkslag maakte. Het laatste jaar kampte hij na enkele zakelijke tegenvallers met een zware burn-out. Zijn vader: 'Hij zou op Tweede Kerstdag nog naar ons in Amsterdam komen.' Amsterdam was voor hem nog altijd de mooiste en gezelligste stad ter wereld.
Tony Cabana wordt als Tony Opgenhaffen geboren aan de Westerstraat in de Jordaan. Zowel zijn vader - een boekhouder - als zijn moeder is dan pas 17. Zoals bij veel andere Jordanezen zijn muziek en voetballen zijn hobby en passie. Tony is een groot voetbaltalent en wordt als jeugdspelertje diverse malen benaderd door Ajax. Maar zijn vader vindt dat hij bij DWS moet spelen. Hij komt in een jeugdelftal terecht met onder anderen John Metgod. Hij is ook een uitstekend zanger in de traditie van Willy Alberti en Johnny Jordaan. Op zijn 14de treedt hij voor het eerst zingend op in een kinderprogramma van de VARA.
Later wordt Tony ook dj, onder meer in discotheek Toyshop. Op een avond wordt daar een act uit de televisieserie De wrekers opgevoerd. Iemand die John Steed speelt, laat zijn paraplu uitschieten. De punt komt precies in het oog van Tony terecht, waardoor hij aan dit oog voor 80 procent blind raakt. Het betekent het einde van zijn voetbalcarrière.
In 1978 koopt Tony samen met Ajaxvoetballer Robbie Kok een café in Kessel, Vlaanderen. Nadat Kok aan een Zwitserse club wordt verkocht, neemt Tony het café over en bouwt het in zijn eentje uit tot discotheek Copacabana. Daarmee wordt het gehucht Kessel op de kaart gezet als Kessel City. Aanvankelijk is de disco alleen op vrijdag, zaterdag en zondag open. Later organiseert hij ook Happy mondays. Veel profvoetballers zoeken er hun vertier. Cabana introduceert hier het Amsterdamse levenslied, zoals het nummer De vlieger van André Hazes. Hij pakt ook zijn eigen zangcarrière weer op met het nummer Ik geef je.
Eind 1991 heeft hij zijn eerste single Vandaag opgenomen. Er volgen al gauw meerdere nummers die het vooral in de danscafés goed doen. Met een remix van het nummer Zeil je voor het eerst staat hij tien weken in de Vlaamse top-50. Hij neemt ook kinderliedjes op. In 2006 begint hij het project De Faute DJ's. Later neemt hij ook duetten op met andere zangers. Hij is dan al met een Vlaamse getrouwd met wie hij twee kinderen heeft. Na Copacabana, dat later verhuist naar Kontich, neemt hij een aandeel in twee andere horecazaken: de Nelson in Mechelen en 't Schoon Lier in Lier. Als voetballer is hij nog lang actief in de Belgische zaalcompetitie. 'In Amsterdam vonden ze dat hij Belgisch praatte, maar hier in België vonden ze dat papa nog steeds een echte Amsterdammer was', zegt zijn dochter.
Zijn dood is op maandag 24 december bekendgemaakt door burgemeester Paul Verbeeck van Nijlen, de gemeente waar Kessel onder valt. Cabana was goed bevriend met Verbeeck, die zegt: 'Ik was zeer verbaasd toen ik het nieuws hoorde, want toen ik Tony de laatste maal sprak, zat hij nog vol plannen en ideeën voor zijn zaak in Lier.'
(3-1-2013)

 

Arie Haspels (1925-2012)
Gynaecoloog

 

Bedenker van de noodpil

 

Hij was de uitvinder van de morningafterpil en een bestrijder van de paus.

Peter de Waard 

arie haspelsCollega’s noemden hem gekscherend ‘de memopaus’. Gynaecoloog Arie Haspels stond bekend als een monument van een medicus, vooral nadat hij in de jaren zestig en zeventig opstond tegen paus Paulus VI en diens anti-anticonceptie-encycliek Humanae Vitae. Maar Haspels was ook een medische missionaris, althans zendingsarts in Indonesië en Nigeria.
Arie Haspels overleed zondag op 87-jarige leeftijd. Hij verwierf bekendheid als uitvinder van de morning–afterpil en als mede-ontwikkelaar van de abortuspil. Hiermee leverde hij een grote bijdrage aan de seksuele revolutie. Hij volgde in 1968 professor Plate, die de huidige kroonprins Willem-Alexander ter wereld had geholpen, op als hoogleraar bij de kliniek voor verloskunde en gynaecologie in Utrecht. Hij hielp de latere koningin Beatrix bij de bevalling van haar zoon prins Constantijn. Hierdoor kreeg hij een nauwe relatie met prins Bernard die hem inschakelde voor een bestuursfunctie bij de Flying Doctors. Haspels was van 1969 tot 1991 hoogleraar gynaecologie aan de universiteit Utrecht.
 Haspels werd geboren in een streng protestants gezin in Zwijndrecht. Al op zijn achtste jaar wist hij wat hij wilde worden: zendingsarts. Na de HBS en een studie geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam werd hij als zendingsarts uitgezonden naar Indonesië. Daar leerde hij blaasfistels opereren. Hij maakte er zijn specialiteit van en werkte later ook in Nigeria. Hier zag hij hoeveel kinderen werden geboren die later weer aan een hongeroedeem overleden. Hij werd daardoor een fanatiek voorstander van gezinsplanning.
In 1961 promoveerde hij op een onderzoek naar de inscheuring van de baarmoeder. Bij toeval vond hij de morningafter pil (of noodpil) uit, nadat hij een meisje moest helpen dat in 1964 door drie Nederlandse militairen was verkracht. Op goed geluk diende hij een oestrogeen toe om de zwangerschap te voorkomen. Dat lukte. Hij ontwikkelde dat verder tot een pil die tot 72 uur na de geslachtsgemeenschap kon worden ingenomen. Niet iedereen was er blij mee. Haspels werd zelfs in de ban gedaan. Toen hij in 1968 als eerste op de voordracht stond om Plate op te volgen klonk er luid protest, onder anderen van Plate zelf een 130 andere gynaecologen. Haspels werd toch tot opvolger benoemd.
In 1970 pleitte hij voor abortuscommissies bij alle ziekenhuizen, hetgeen niet lukte. Wel had hij succes met zijn campagne om de zware abortuspil te vervangen voor een lichtere. Haspels concentreerde zich in zijn campagne vaak op vrouwenbladen zoals Libelle en Margriet in plaats van op wetenschappelijke tijdschriften. Hij was er trots op dat in Nederland door goede voorlichting minder abortussen voorkwamen dan in andere landen.
 Na zijn afscheid in Utrecht bleef hij een fanatiek pleitbezorger voor de pil als methode om in Afrika honger te bestrijden en gezinsplanning mogelijk te maken. Daarnaast werd hij vice-voorzitter van het Flying Docters Gala. In 1999 was hij te gast in Villa Felderhof. Een jaar later kwam hij in opspraak vanwege een rel rondom het verdwijnen van miljoenen voor de Vliegende Dokters als gevolg van een peperduur gala in Monte Carlo. Haspels leed de laatste jaren aan de ziekte van Parkinson.
(31-12-2012)

 

 

Adri Strating (1937-2012)
Beurshandelaar

 

Cruijff van de beurs
 

Hij bedacht de Arena en was de eerste sponsor van Anky van Grunsven. Adri Strating zal vooral worden herinnerd als een legendarisch beurskanon
 

Peter de Waard

adristratingAls grootaandeelhouder van Ajax trad beurshandelaar Adri Strating voor het laatst in de publiciteit. Hij toonde zich in oktober bereid zijn belang van 10 procent in de club te verkopen om het mogelijk te maken Ajax van de beurs af te halen. Hij was Ajax in de geschiedenis al vaker ter wille geweest. Eind jaren tachtig saneerde Strating samen met Arie van Os de financiën van de club. Ook het idee van de bouw van de Amsterdam Arena is van hem afkomstig.
Strating, bekend van de miljonairslijst Quote 500, was eenen beurshandelaar die in korte tijd enorm veel geld verdiende dankzij de explosie van de beurshandel en de vaste provisies in de jaren tachtig. Hij overleed vrijdag op 75-jarige leeftijd. Hij leed al enige tijd aan kanker.
 De zoon van een textielhandelaar uit Winschoten idealiseerde op jonge leeftijd de beurshandelaren in Amsterdam al als ‘gevatte kerels met snelle babbels, grappenmakend en goed in het pak’; een wereld die hem mateloos fascineerde. Met zijn mulo-diploma en een hoog cijfer voor algebra toog Strating op zijn 16de naar het verre Amsterdam. Hij koos voor de onzekere beurswereld en werd de jongste bediende van het effectenkantoor Dikken.
In 1975 richtte Strating zijn eigen effectenkantoor op. Al op de tweede dag lagen er driehonderd orders. Strating Effecten won het vertrouwen van grote institutionele beleggers zoals de pensioenfondsen van Philips, Shell en KLM. Hij specialiseerde zich in de handel van grote pakketten: belangen van 5 procent of meer. Deze werden via de beurs ongemerkt gekocht of verkocht. Weinig andere commissionairs durfden dergelijk grote posities in te nemen.
Strating kreeg de bijnaam ‘Cruijff van de beurs’. In 1988 verkocht hij 51 procent van de aandelen aan de Nationale Investeringsbank (NIB). Drie jaar later werd de NIB volledig eigenaar van het kantoor dat inmiddels zijn marktaandeel op de beurs had opgevoerd tot meer dan 5 procent. Strating werd dankzij de verkoop multimiljonair.
Hij begon opnieuw als vermogensbeheerder binnen Gestion en de Groep Courtier, waarbij hij samenwerkte met voormalig CPB-directeur Peter de Ridder, havenbaron Willem Cordia en andere handelaren die hij kende van ‘Barretje Hilton’. Ze deinsden er niet voor terug 10 procent in onder meer De Bijenkorf en Van Ommeren te kopen. ‘Bijzonder intelligent, bijzonder eigenzinnig, bijzonder lastig en bijzonder geestig’, zo omschreef Vrij Nederland in 1991 Strating.
Strating ontdekte als eerste het talent van Anky van Grunsven, die hij als sponsor aan haar eerste olympische successen hielp. ‘Hij is enorm belangrijk geweest, voor mij persoonlijk en de dressuursport’, twitterde ze zondag.
In 1997 eindigde het sprookje toen Strating  werd opgepakt in de zogenoemde Operatie Clickfonds waarbij Justitie trachtte een witwas-netwerk via de Amsterdamse beurs op te rollen. Uiteindelijk kreeg hij in 2003 alleen een taakstraf en een geldboete opgelegd wegens belastingontduiking. Maar zijn beurscarrière was kapot. Hij meed daarna alle publiciteit.
(31-12-2012)

  

Piet de Visser (1931-2012)
Tweede Kamerlid
 

Paspoorten-Piet

 

Zijn Kamervragen leidden in 1988 tot een parlemen-taire enquête over het fiasco met paspoorten.

Peter de Waard

piet de visserPvdA-politicus en atoompacifist Piet de Visser voorspelde in 1997 dat het neo-liberalisme – in zijn ogen de ideologie van zo snel mogelijk, zo veel mogelijk en zo lang mogelijk geld verdienen – zou instorten met een crisis als die in de jaren dertig. ‘Als de invoering van de euro misgaat, zit dat er dik in. En in wat voor wereld moeten we dan zo’n crisis opvangen? In eentje, waar heel wat kaalslag heeft plaatsgevonden, waar de cohesie, het cement uit is verdwenen. Dan is zo’n crisis levensgevaarlijk. In zo’n periode is ook Hitler ooit aan de macht gekomen’, zei hij in een interview.
De Visser stemde toen al SP. In 1991 was hij vanwege de ingreep in de WAO uit de Kamerfractie van de PvdA gestapt, vlak nadat hij als Paspoorten Piet een Bekende Nederlander was geworden. De Visser is vorige week op 81-jarige leeftijd overleden, zo werd gisteren bekend. Hij was de zoon van een Rotterdamse boekhouder. En Rotterdam bleef ook de rest van zijn leven zijn standplaats.
Hij studeerde economie aan de Erasmus Universiteit en werd daarna assistent-accountant. Maar De Visser vond het cijferwerk al snel saai en besloot bij de PTT te gaan werken, waar hij directeur automatisering werd. Hij bleef hier zeventien jaar.
De sociaal-democratie kreeg hij met de paplepel ingegoten. Zijn vader trok als PvdA’er al langs de deur om de contributiezegeltjes te innen. ‘Toen had je nog een enorme band met al die mensen. Je zou kunnen zeggen dat ik dat later, met de automatisering van de giro, zelf heb verziekt’, zei hij later.
Na 1974 werkte hij enige tijd bij bandenfabrikant Vredestein, de gemeente Rotterdam en het ministerie van Sociale Zaken. Hij was al enige jaren gemeenteraadslid geweest en partijbestuurder voordat hij in 1981 lid werd van de Tweede Kamer. Hij ontpopte zich daar al gauw als een buitenbeentje. Zo woonde hij nooit de vergadering op Prinsjesdag bij omdat hij het een groot carnaval vond.
In 1984 werd besloten een nieuw fraudebestendig Europees paspoort te laten ontwerpen. Maar door competentiestrijd tussen verschillende ministeries en de ondergang van het ingeschakelde bedrijf KEP werd het een zo groot fiasco dat in 1988 na kritische vragen van De Visser een parlementaire enquête moest worden gehouden. Twee bewindslieden, staatssecretaris van Buitenlandse Zaken René van der Linden (CDA) en minister van Defensie Wim van Eekelen (VVD), stapten op.‘Van het ene op het andere moment was ik beroemd. In de Kamer had ik nog gezegd, ‘Meneer de voorzitter, van mij hoeft de minister niet weg. U kent mijn pacifistische inslag, en als Van Eekelen minister van Defensie blijft, ben ik ervan overtuigd dat er nooit oorlog komt’.Toen zeiden ze: die De Visser is geen politicus, dat is een cabaretier!’ Een jaar later diende hij met Ria Beckers een voorstel in om een vredesfonds in te stellen voor belastingplichtigen die gewetensbezwaren hebben tegen de militaire bestemming van belastinggelden.
Na de totstandkoming van Lubbers III met de PvdA kwam hij voortdurend in aanvaring met zijn eigen partij. De druppel die de emmer deed overlopen, was in zijn ogen de ingreep in de WAO. ‘We hadden heel duidelijk afgesproken om niet te tornen aan de hoogte of de duur van die uitkering. En dan hoor ik ’s ochtends op de radio dat ze op de WAO gaan korten. Daar kon ik niet mee akkoord gaan.’In 1994 probeerde De Visser nog tevergeefs een plekje op de kandidatenlijst van GroenLinks te krijgen, maar een terugkeer in de politiek zat er niet in.
(28-12-2012)

 

 

 

Pim Korver (1937-2012)
Cameraman
 

Cineast van de zee

 

Cameraman Pim Korver was behalve nieuwsjager ook de cineast van de zee

Peter de Waard

pim korverIn december 1968 zat cameraman Pim Korver samen met verslaggever Wibo van der Linde voor een reportage op een van de eerste Shell-supertankers, de Melania, die net te water was gelaten. Even later meldde zijn zwangere echtgenote dat zijn dochter in aantocht was. Pim vroeg of alles oké was en gelastte daarna via de marifoon: ‘Suus, het kind zal Melania heten – MIKE ECHO LIMA ALFA NOVEMBER INDIA ALFA, heb je dat? Over?!’
‘Ja oké Pim, dat heb ik genomen hoor, over en sluiten’, antwoordde zijn vrouw.‘Het klonk overduidelijk, maar niet onvriendelijk. Ik heb nog een keer aan de dochter gevraagd of ze dit erg vond. Dat bleek niet zo te zijn’, aldus Van der Linde.
Wie met cameraman Pim Korver op stap ging, wist wie de baas was. Hij bepaalde waar de verslaggever zijn praatje hield. Als hij ergens geen entree kreeg, dan wist hij er toch te komen. Bij een grote brand in Pernis was het terrein van Shell hermetisch afgesloten. Korver had een motorbootje geregeld en stond met de verslaggever recht voor de tank die op dat moment bijna ontplofte. Op de ­Melania hoorde hij dat de motor niet lekker draaide. Vervolgens haalde hij Wibo van der Linde ’s nachts om twee uur uit zijn bed om een reportage te maken in de machinekamer. De olie stroomde over de vloer. Hij had de camera bij de hand, maar werd gesnapt, in zijn kraag gegrepen en samen met Van der Linde van boord gezet – ‘hij heeft mij in een reddingsboot leren springen’. Korver moest de film inleveren, maar in de reddingsboot toverde hij die weer tevoorschijn. ‘Illusione Korverino Grande’, zei hij.
Fotograaf en cameraman Pim Korver overleed op 6 december aan de gevolgen van prostaatkanker. Hij werd 75 jaar. Vier maanden geleden zat hij nog in een helikopter met een open deur opnamen te maken voor Fairmount Marine, een sleepdienst voor de offshore.
Talrijke verslaggevers van het NOS Journaal – of voorganger NTS Journaal –, Sport in Beeld, Panoramiek en AVRO’s Televizier hebben in de meer dan vijftig jaar dat hij als cameraman actief was met hem gewerkt. Voor mensen als Wibo van der Linde, Hugo van Rhijn, ­Pauline Broekema, Ria Bremer, Fons van Westerloo, Harmen ­Roeland, Klaas Jan Hindriks en Pieter Varenkamp was hij de favoriete cameraman. Daarnaast maakte hij talrijke televisiedocumentaires en bedrijfsfilms. ‘Pim Korver was geen cameraman. Hij was een cineast’, stelt Klaas Jan Hindriks van het voormalige buitenlandmagazine Panoramiek.
Korver werd in 1937 in Amsterdam geboren. De zee zat in zijn genen, want zijn vader werkte op de grote vaart en was in de Tweede Wereldoorlog actief in Engeland, waar hij verzetsstrijders trainde. Pim kreeg een opleiding als fotograaf. Maar op bruiloften en evenementen was hij al snel uitgekeken. De journalistiek boeide hem, vooral televisie. In 1959 kwam hij bij Telefilm in dienst dat toen als onderdeel van Cinecentrum voor de publieke omroepen werkte. Vier jaar later besloot hij freelancer te worden, om samen met Wim van der Velde voor de VPRO en in opdracht van Eurovisie een serie over ontwikkelingshulp te maken. Hij reisde hiervoor bijna het hele Midden-Oosten af. Hij besloot daarna freelance te blijven werken als cameraman/correspondent voor het NOS Journaal en als producent van, veelal maritieme, bedrijfsfilms en documentaires. Hij was altijd op de juiste plek. Op 5 december 1989 zat hij in Berlijn op het moment dat de muur viel. Hij werkte drie dagen lang dag en nacht door.
Naast Melania had hij nog een dochter – Carolien – met wie hij ook enige tijd samenwerkte. Acht jaar geleden ging hij in Lauwersoog wonen, de plaats waaraan hij zo veel herinneringen koesterde. Vooral aan de tijd dat hij zijn eerste grote film voor het reddingwezen maakte.
(27-12-2012)
 

 

 

 

 

 

 

 

Joop Eerland (1930-2012)
Studenten-mascotte
 

 

Dakloze intellectueel

 

Hij kwam als dakloze glazenraper binnen en werd ­uiteindelijk erelid en mascotte van VU-studenten.
 

Peter de Waard
 

‘Lekkage in de bandage’, zo karakteriseerde hij zijn eigen vochtige broek. Of hij sprak: ‘De consumabel is weer heel aimabel.’ Soms riep hij vanuit de garderobe: ‘De paarden zijn los, ja ja, de paarden zijn los’, waarmee hij zijn oude voorliefde voor paardenrennen uitte.
Zo’n achtduizend studenten die sinds 1972 lid zijn geworden van L.A.N.X., het Studentencorps aan de Vrije Universiteit Amsterdam, moeten aanvankelijk met enige bevreemding hebben gekeken naar Joop Eerland. Maar uiteindelijk sloten zij hem in de armen.
Op 20 januari 1972 stapte de dakloze Eerland aan de hand van een student die zich over hem had ontfermd, de studentensociëteit aan de Korte Leidsedwarsstraat binnen. Hij plofte neer in een stoel en keek met verbazing naar de studenten die na het gezang de glazen op de vloer gooiden. Dezelfde avond besloot hij die maar eens op te rapen en naar de bar te brengen. Hij keerde de volgende avond terug en zou er niet meer weggaan. Van glazenraper werd hij garderobebewaker, praatpaal, mascotte en erelid.
Joop – ‘Jopie’ – Eerland overleed op 15 november in het woonzorgcentrum St. Jacob aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam, waar hij sinds 2010 woonde. Drie weken voor zijn dood zocht een delegatie van L.A.N.X. Eerland daar nog op. Hij vierde zijn 82ste verjaardag, en was ondanks zijn verminderde gezondheid nog gevat. Toen een van de studenten, Stephan Ramb, zich voorstelde als de nieuwe praeses, werd hij meteen op zijn nummer gezet: ‘Ah daar was ik al bang voor, gelijk het hoogste woord hebben en de rest moet zijn muil houden.’
Joop Eerland verliest al snel na zijn geboorte zijn vader, waardoor het gezin het zeer krap krijgt. Als tijdens de Hongerwinter ook zijn moeder overlijdt, volgt een lange tocht langs weeshuizen en opvang­adressen. Hij wil timmerman worden, maar dat lukt niet. Uiteindelijk vindt hij een baantje bij de melkfabriek aan de Marnixstraat in Amsterdam, het adres van het huidige poppodium Melkweg. Hier verdient hij 43 gulden per week totdat de fabriek in 1969 sluit.
Bij het in 1880 opgerichte L.A.N.X. vindt hij zonder enige sollicitatie opnieuw emplooi. Als glazenraper en garderobewaker gaat hij zich ook steeds vaker bemoeien met de debatten. Hij geeft graag ongezouten zijn mening, die vaak tot nadenken stemt. De discussies maken hem vrolijk. Zijn oneliners worden onder studenten een begrip. Jaap Lampe, een van de reünisten uit 1975 en nu directeur van de Haarlemse stadsschouwburg, noemde hem op de crematie een ‘goede observator en een scherpe commentator’. ‘Toen een ARP-politicus een keer een oersaai betoog hield dat de tegen hun slaap vechtende studenten na afloop met een mager applausje beloonden, riep Joop vanuit de achterzaal: ‘Geef die man een mapje kleurkrijtjes.’ Het was Joop ten voeten uit.’
Joop Eerland had eigenaardige hobby’s. Hij verzamelde fanatiek koperdraad, dat hij uit containers plukte of soms ook uit goed functionerende apparatuur. ‘Kaalbranden, verkopen, wegwezen’, noemde hij dat. Hij maakte zelfs carrière als model. Een castingbureau ontdekte dat zijn karakteristieke kop heel geschikt was voor commercials. In 2000 werd hij erelid. Tien jaar later moet hij ‘ziek, zwak, misselijk, bedonderd en belazerd, maar verder goed’ worden opgenomen in St. Jacob. Ook hier vergeten de studenten hem niet, ook als de ziekte van Korsakov de overhand krijgt. Ze blijven hem koesteren als de ‘mooie, eigenzinnige, grappige, stuntelige Joop’.
(18-12-2012)

 

 

 

Wies Stael-Merkx (1926-2012)
Katholieke actievoerder

 

wies staelKatholieke vrijbuiter
 

Decennia was zij het gezicht van de progressieve Nederlandse katholiek. Wars van dogma’s en gericht op een humane levensvisie.
 

Peter de Waard

Tijdens een pastoraal overleg eind jaren zeventig veegt bisschop Simonis van Rotterdam haar de mantel uit. ‘U moet op het gebied van huwelijk, gezin en homorelaties wel de katholieke leer verkondigen’, krijgt ze te horen. Wies Stael-Merkx bijt meteen van zich af:  ‘Dat moet u doen, bisschop, ik ben hier om de mensen te helpen een humane en gezonde levensvisie te ontwikkelen.’
Als zij in 1985 de eerste voorzitter wordt van de nieuwe ‘8 mei-beweging’ die het pauselijk bezoek aangrijpt om te pleiten voor vernieuwing van de kerk, komt ze op steenworp afstand te werken van het paleis aan de Maliebaan in Utrecht waar de tot aartsbisschop gepromoveerde Simonis dan is neergestreken. Ze nodigt hem uit om samen een glas te drinken. ‘Dat is er nooit van gekomen. Hij was mij liever kwijt dan rijk’, stelt ze vast.
Vorige week is Wies Stael-Merkx in de nacht van 13 op 14 december overleden, nadat ze de ziekenzegen had ontvangen van pastor Huub Oosterhuis. Voor velen was zij het progressieve baken in de katholieke kerk van de laatste vier decennia en het icoon van veranderingsgezind katholiek Nederland.
Ze wordt in 1926 als Wies Merkx geboren in het kleine Elden in de Betuwe, waar haar vader hoofd is van een openbare school. Haar opvoeding is ‘vrij vroom en vrolijk’. In tegenstelling tot de in Nederland zo dogmatische rooms-katholieken die in een dwangbuis worden gedwongen, kan zij haar gang gaan. Haar vader is katholiek, maar hoofd van een openbare school en dwingt zijn zeven kinderen tot niets. Ze kan gemakkelijk contact leggen met protestantse mensen. Dat doet ze ook na de oorlog als ze medicijnen gaat studeren in Utrecht met als bijvakken medische ethiek en filosofie.
Op de disputen doet ze mee aan discussies of God bestaat of niet. Ze legt contacten met de pastoraal-psycholoog Han Fortmann, seksuoloog Trimbosch, de psychologe Helene Dresen-Coenders en vele anderen op het gebied van de geestelijke gezondheid, gezinssociologie, seksualiteit en vrouwen-emancipatie. Na haar huwelijk met de advocaat Hans Stael met wie ze drie kinderen krijgt, blijft ze doorwerken.
Als ze als lid  van het Landelijk Pastoraal Overleg een lezing wil geven in Limburg , waarschuwt bisschop Gijsen in een herderlijke brief voor haar. ‘Mevrouw Wies Stael-Merkx is een bedreiging voor het rooms-katholieke geloof.’ Haar dochter Anne schrijft een boze brief naar Gijsen waarin ze hem inpepert dat hij zo niet met haar moeder behoort om te gaan.
In 1985 wordt ze lid van het Platform Initiatieven Pausbezoek (PIP) dat het bezoek van Johannes Paulus II aangrijpt om vernieuwingen af te dwingen. Er is geen echte structuur van de beweging. Als aanjager is  Wies Stael-Merkx er verantwoordelijk voor dat na afloop van het pausbezoek de vernieuwingsbeweging overgaat in de brede 8 mei-beweging, die een eerste grote bijeenkomst op het Malieveld zal houden.
Ze pleit voor veranderingen in de liturgie, afschaffing van de kerkelijke hiërarchie en een meer op de mens gericht geloofsleven. Ook nadat de 8 mei-beweging in 2003 wordt opgeheven blijft ze actief, nu als ‘katholieke vrijbuiter’, zoals ze zichzelf benoemt, in kritische katholieke organisaties als Mariënburg.
(17-12-2012)

 

 

Hans Frisch (1941-2012)
Kunstenaar

   

Hans FrischInspirator van Brood

 

De kunstenaar die Nederland schokte met naakte lijven en inspirator werd voor Herman Brood

Peter de Waard

In 1968 schokte Hans Frisch het kunstestablishment met de ­Levende Opjekten Sjoo. Onderdelen van deze show waren het ‘Slechtste Orkest ter Wereld’ en het ‘Stotterrrzangkoor’. Maar de meeste ophef veroorzaakte een piramide van rood-wit-blauw beschilderde borsten van vijftig blote meisjes. Veel burgemeesters voelden zich genoodzaakt de voorstelling te verbieden, omdat ze strijdig zou zijn met de goede zeden.
Niet minder beroemd was Frisch’ optreden in de jaren tachtig in Amsterdam. Bij de opening van een tentoonstelling van zijn eigen werk en dat van Herman Brood stond niet alleen galerie Van der Have, maar ook de straat vol met mensen. Dichter Jules Deelder hield een toespraak en vroeg het verzamelde publiek iets te roepen. ‘Bakkerij’, riep er een. Vervolgens tekende Frisch de lijnen van een bakkerij op een doek, kleurde Brood die in met een spuitbus en schreef Deelder er een gedicht onder. Daarna werd het werk aan de hoogstbiedende verkocht.
Kunstenaar Hans Frisch, vader van filmregisseur Cyrus Frisch en het grote voorbeeld van Herman Brood, is op 8 november in een verzorgingstehuis in Amsterdam overleden. Hij is 71 jaar geworden. Zijn vader had een eigen grafisch bedrijf in Amsterdam. Zijn oudere broer zou dat later overnemen. Tweede zoon Hans nam na de middelbare school tekenlessen en schilderlessen bij tekenaar en ­illustrator Daan Bout. Hij maakte eerst figuratief werk, maar raakte geïnspireerd door de kunst van Cobra. In 1965 maakte hij als 24-jarige kunstenaar zijn debuut in galerie De Drie Hendricken in Amsterdam met zijn eigen Clean Art, waarbij hij formica platen beschilderde met autolak.
Deze kunstwerken zouden eeuwigheidswaarde hebben. Maar de statische werken verveelden hem al snel. In 1968 begon hij daarom met levende objecten kunst te maken, de ­Levende Opjekten Sjoo. Burgemeester Thomassen van Rotterdam verbood de show, in Maastricht werd hij stilgelegd, in Nijmegen ging hij wel door, al volgden vragen in gemeenteraad en parlement.
De landelijke controverse werd door Van Kooten & De Bie aangegrepen voor het maken van het nummer Dat is de Blues. Frisch bracht in 1969 ook een elpee uit van de voorstelling, met de experimentele klanken van het Slechtste Orkest ter Wereld en het Stotterrrzangkoor. De plaat werd later een cultobject voor verzamelaars.
Frisch opende in de jaren zeventig zijn eigen galerie Etce’tera aan de Spuistraat, met werken van lichtkastjes en andere objecten die waren voorzien van gekreukeld papier en met spuitbussen bewerkt. Kunstrecensenten waren vaak enthousiast en schreven lyrische commentaren: ‘Hij is iemand die op stormachtige wijze een weg zoekt in het uiten.’ Of: ‘Frisch heeft steeds de behoefte zijn werk te voorzien van een vleugje humor en ironie.’
Op een van die exposities stapte ook Herman Brood binnen. Hij wilde iets nieuws proberen. ‘Ik heb vroeger op de kunstacademie gezeten en ik wil dat weer oppakken. Ik vind jouw werk interessant en mooi. Kun jij mij vertellen hoe je moet werken?’ Brood nam de aanpak van Frisch over door schilderijen te maken met viltstift en spuitbussen. Later ging Frisch ook werk van andere kunstenaars exposeren, zoals meubels.
Hans Frisch was meer dan vijftig jaar getrouwd met zijn jeugdliefde Rina. Zij bleef hem dagelijks bezoeken, ook toen hij door dementie en fysieke aftakeling in een verzorgingstehuis belandde.
(11-12-2012)

 

 

Berthold Albrecht (1954-2012)
Supermarkt-exploitant

 

 

berthold albrechtAldi-broer opereerde onopvallend

Hij was een zoon van Aldi-oprichter Theo Albrecht. In november is Berthold, mede-eigenaar van de supermarkten, overleden

Peter de Waard

Paginagrote overlijdensadvertenties zijn ongebruikelijk, zo niet uitzonderlijk. Vrijdag plaatste juist een van de meest publiciteitsschuwe families ter wereld er een in verschillende kranten voor de 58-jarige Berthold Albrecht, directeur en mede-eigenaar van de supermarktgigant Aldi.
Toen zijn vader Theo Albrecht twee jaar geleden op 88-jarige leeftijd stierf, werd nog alle privacy en discretie in acht genomen. Nu trad de familie naar buiten en liet openlijk de tranen vloeien met een aantal zeer persoonlijke woorden. ‘Berthold was een vechter, hoopvol tot op het einde’, zo staat in de advertentie van de weduwe Babette, de vijf kinderen (onder wie een vierling) en de hond van de familie. Ook is een foto van de overledene opgenomen, samen met bijbelse spreuken en poëtische ontboezemingen als: ‘De nacht is doorgedrongen tot alle hoeken en gaten van mijn leven en nu ook van de wereld’. Berthold blijkt al in november te zijn overleden en in familiekring te zijn begraven. Over de doodsoorzaak is niets bekendgemaakt.
Berthold Albrecht zat samen met zijn broer Theo jr. in het vijfkoppige bestuur van Aldi Nord, dat 2.500 winkels exploiteert – waaronder die in Nederland – en jaarlijks een omzet heeft van 25 miljard euro. Daarnaast was hij de voorzitter van de stichting Markus, die de aandelen beheert. De broers opereerden op de achtergrond. Bestuursvoorzitter van het concern is een buitenstaander: de 46-jarige Marc Heußinger. Berthold hield zich vooral bezig met het Amerikaanse belang van Aldi Nord – de keten Trader Joe’s.
Het winkelbedrijf werd in 1946 opgericht door de broers Karl en Theo Albrecht. In 1961 openden ze hun Albrecht Discount, kortweg Aldi, met de slogan: ‘De beste kwaliteit voor de laagste prijs’. Daarmee werden ze de marktleider in Duitsland. Vlak daarna ontstond onenigheid tussen de beide broers, waarbij het concern werd gesplitst: Karl werd eigenaar van de winkels in het zuiden van Duitsland (Aldi Sud) en Theo van die in het noorden (Aldi Nord). Beide families behoren nu tot de rijkste Duitsers. Het vermogen van Karl en zijn kinderen wordt geschat op 17 miljard en dat van Berthold en Theo jr. op 16 miljard euro. Aldi Nord telt 2.500 filialen en Aldi Sud 1.800. Beide families gelden als zeer vrome rooms-katholieken. Berthold stond bekend als zeer zuinig. Hij woonde in een simpel huis op het landgoed van zijn vader dat door Poolse bouwvakkers was neergezet. Zijn grootste luxe was een Mercedes uit de jaren dertig die eigendom is geweest van staalmagnaat Alfred Krupp. De discretie van de familie heeft veel te maken met de ontvoering van Theo Albrecht in 1971. Na betaling van een losgeld van 7 miljoen mark werd hij vrijgelaten.
(8-12-2012)

  

Ab van der Steur (1938-2012)
Antiquaar

  

ab van der steurVan modeman tot antiquaar

Hij moest de oudste modezaak van Nederland opgeven, maar bouwde wel een uniek antiquariaat uit.

Peter de Waard

Eigenlijk was de Haarlemmer Ab van der Steur zo creatief en erudiet dat er voor hem te weinig vakken en kunststromingen waren om zich helemaal te kunnen uiten. Hij was kleermaker, historicus, schrijver, boekenverzamelaar en antiquaar. Van der Steur overleed op 14 november op 74-jarige leeftijd. Hij leed al geruime tijd aan alvleesklierkanker, maar werkte tot oktober nog door aan enkele publicaties, waaronder de biografie over de Haarlemse schrijver en advocaat L. Ali Cohen (1895-1970).
Ab van der Steur maakte deel uit van de zesde generatie van een kleermakersgeslacht dat in 1789 een zaak in Haarlem had geopend. De oudste kledingzaak van Nederland had onder meer de schrijvers ­Lodewijk van Deyssel en Godfried Bomans als klant. Misschien leidde dat tot Van der Steurs voorliefde voor boeken. Samen met zijn partner Theo Hopman leidde hij bijna dertig jaar het antiquariaat A. G. van der Steur. Aan de Kruisstraat in Haarlem was unieke Nederlandse literatuur van 1700 tot 1880 te vinden, naast genealogie, heraldiek, manuscripten en oude prentkunst.
Van der Steur was de enige zoon van Lucas van der Steur. Hij volgde eerst de hbs, studeerde daarna enkele jaren economie aan de Universiteit van Amsterdam en volgde de opleiding voor mode en kleding in Den Haag. In Londen liep hij stage bij het bekende maatkledingbedrijf L. G. Wilkinson aan Savile Row, voordat hij in 1964 in de zaak van zijn vader kwam. Zijn interesse voor antiquarische boeken was toen al gewekt door de zaak van Gerard Halwasse in Haarlem. In 1983 besloot Halwasse ermee te stoppen. Van der Steur greep zijn kans en nam de collectie over. ‘Het bleek een prachtig begin van mijn antiquariaat te zijn. Ik was namelijk al van jongs af aan geïnteresseerd in genealogie en Halwasse had daar veel over. Zodoende beschikte ik meteen over een handbibliotheek’, zei Van der Steur in een interview ter gelegenheid van zijn 70ste verjaardag.
Van der Steur was een jaar voor de overname van het antiquariaat gescheiden van zijn vrouw met wie hij twee kinderen had, omdat hij homoseksuele gevoelens had. Theo Hopman, die ook in de kleding zat als inkoper, klopte toen bij hem aan. ‘En ik ben nooit meer weggegaan’, aldus Theo. Samen bouwden ze de zaak uit. In 1989 openden ze naast het verzendantiquariaat ook een open antiquariaat. Ze namen mensen in dienst, maar deden ook een beroep op vrijwilligers. Een van hen was Volkskrant-redacteur Paul Kouwenberg, die onder meer een driedelige catalogus over Nederlandse literatuur uit de periode 1700 tot 1880 met duizenden titels maakte. Na het overlijden van Kouwenberg stortte Ab van der Steur zich weer op het maken van nieuwe catalogi, zoals een over Nederlandse dissertaties uit vorige eeuwen en zijn meesterwerk: de catalogus Criminaliteit en Justitie.
Van der Steur was ook privé een verwoed verzamelaar: Nederlandse portretgrafiek, sodomie in de 18de eeuw, het kleermakersvak en Democriet, een dichtgenootschap uit Haarlem. Zoals zoveel antiquaren kocht Van der Steur altijd meer in dan hij wist te verkopen. In de kortste tijd zaten alle ruimten tjokvol. Hij was een actief schrijver die vele boeken en artikelen publiceerde. Verder was hij mede-oprichter van het geschiedenistijdschrift Spiegel Historiael en het antiquarische tijdschrift De Boekenwereld.
Van der Steur moest in 2002 een pijnlijke beslissing nemen: het opheffen van de kledingzaak. Hij besloot die na 213 jaar te sluiten, nadat bij hem kanker was ontdekt. Omdat zijn kinderen allebei advocaat waren geworden – een van hen is nu VVD-Kamerlid – was er geen opvolger.

(4-12-2012)

 

 

 


Annie de Haan-Langeveld (1920-2012)
Waddenpionier

 

 

annie de haanVoorvechtster van de zeehond

 

Zij was de pionier van de zeehondenopvang in Nederland en de leermeesteres van Lenie ’t Hart.

Peter de Waard
 

Eigenlijk is de grote zeehondenpopulatie in de Waddenzee puur toeval. In 1952 strandde een zeehond bij de vuurtoren van Texel. Het dier werd naar het Texels Museum gebracht, dat toen nog in de bossen tussen De Koog en Den Burg lag.
Annie Langeveld was de verloofde van museumdirecteur Gerrit de Haan. Zij wilde het beest graag verzorgen. Maar ze wist niet hoe dat moest. Binnen enkele dagen was het dier dood. Ook de tweede die ze opving, overleed al snel. Maar bij de derde kreeg ze beter door hoe ze gewonde zeehonden melk kon laten drinken en visjes voeren. Zo werd zij een van de grootste voorvechtsters van de zeehond.
Annie de Haan-Langeveld overleed op 13 november in Den Burg op Texel. Ze was 92 jaar oud. In 1985 was ze gestopt bij de zeehondenopvang, die toen was ondergebracht bij het nieuwe Texels ­Museum of Ecomare. In dat jaar overleed haar man en werd ze zelf 65. Ze zou daarna alleen nog maar bij bijzondere gelegenheden naar Ecomare komen. Maar toen was haar erfenis al veiliggesteld: bij Ecomare, maar ook bij Lenie ’t Hart in Pieterburen.
Annie Langeveld was een van de drie kinderen van een zeevaarder die in Den Burg woonde. Als kind volgde ze enige tijd een opleiding op het vasteland, maar ze zou daar nooit iets mee doen. Ze ontmoette Gerrit de Haan, een Zaankanter die na de oorlog naar Texel kwam als adjunct-directeur van het Texels Museum. In 1949 werd hij directeur. Drie jaar later trouwde hij met Annie de Haan, waarna ze zich in de museumwoning vestigden. Hoewel Annie de Haan-Langeveld nooit op de loonlijst zou staan, werd ze zijn rechterhand bij het museumbeheer. De bezoekersaantallen groeiden van 30 duizend in 1952 tot meer dan 100 duizend in 1975. Toen was het museum te klein geworden en kwam Ecomare tot stand.
Jaarlijks werden ongeveer 25 tot 50 zeehonden naar het museum gebracht. Annie de Haan-Langeveld was de baas van de gehele zeehondenopvang. Bij gebrek aan vers zeewater in het museum nam ze de zeehonden mee naar zee en ging ze samen met de dieren zwemmen. Al vanaf de eerste opvangzeehond was het doel tweeledig: zorgen voor het individuele dier en de problematiek van hun leefomgeving bekendmaken aan een groot publiek. De zeehonden werden in die tijd bedreigd door vervuiling en de jacht. De opvang trok veel bezoekers, waarbij vooral het voeren een lokker was.
Annie de Haan-Langeveld werd in die tijd de zeehonden­moeder van Texel genoemd en verkozen tot Vrouw van het Jaar. Haar liefde voor de zeehonden ging zo ver dat zij en haar man besloten geen kinderen te nemen, omdat ze dan te weinig tijd voor de opvang zouden overhouden.
Het woord baas nam Annie de Haan-Langeveld letterlijk. Zij ging als enige over de zeehonden. En de zeehonden werden even eenkennig. Toen ze met haar man voor de eerste keer een paar dagen wegging van Texel, weigerde de zeehond Phoca zelfs te eten. Annie de Haan-Langeveld kwam vervroegd terug om het voeren zelf weer ter hand te nemen. Een van de dierverzorgers uit die tijd, Henk Brugge, vertelde dat hij de gele jas van mevrouw aantrok wanneer hij onverhoopt de zeehonden eens te eten moest geven. ‘Maar als ze mijn stem dan hoorden, wilden ze alsnog niets.’ De Haan-Langeveld zette haar beleid ook voort in het museum. Niemand mocht koffie drinken totdat zij persoonlijk de koffie had ingeschonken.
Onsterfelijk is ze toch een beetje geworden. Een van de zeehonden werd naar haar vernoemd en verblijft als adoptiezeehond nog altijd in Ecomare.
(27-11-2012)

 

 

 

Kees Bleichrodt (1952-2012)
Idealist
 

Kees BleichrodtVoorvechter van vluchtelingen

 

Directeur Kees Bleichrodt leidde de stichting UAF voor Vluchteling-Studenten met ongekend elan.
 

Peter de Waard
 
Zijn laatste belangrijke daad was het studievisum voor de destijds 18-jarige asielzoeker Mauro, die vanwege zijn meerderjarigheid dreigde te worden uitgezet. Hierover benaderde Mauro’s advocaat hem in de zomer van 2011. ‘Als er geen enkele weg meer is om hem hier te houden, kunnen jullie dan als UAF een oplossing bieden?’ vroeg hij. Toen minister Leers weigerde hem te laten blijven, werd die optie gekozen en Mauro is nog altijd in Nederland.
Directeur Kees Bleichrodt van de stichting voor Vluchteling-Studenten UAF was de ware idealist. Niet alleen in de jaren zeventig, toen het hip was om je stem te verheffen voor de mensenrechten, maar ook in de tijd daarna, toen er moest worden opgebokst tegen sceptici. ‘Geert Wilders wil het aantal vluchtelingen dat Nederland binnenkomt met 25 procent terugschroeven’, zei hij vorig jaar. ‘Zo werkt dat niet. Als hij dat wil, moet hij dat tegen die achterlijke Assad in Syrië zeggen die zijn eigen volk doodschiet, of tegen die idioot in Ivoorkust!’ Het verheffen van zijn stem nam hij zo letterlijk dat het volgens zijn medewerkers vreemd zal zijn om dat geluid niet meer te horen bij de oudste vluchtelingenorganisatie van Nederland. Afgelopen woensdag verloor hij de strijd tegen de kanker die begin dit jaar bij hem was vastgesteld. Hij was pas 60 jaar oud.
 Bleichrodt had Haagse wortels en studeerde politicologie aan de Vrije Universiteit. Halverwege de jaren zeventig begon hij als vrijwilliger bij Amnesty International. Drie jaar later werd hij coördinator van de afdeling vluchtelingen en in 1986 waarnemend directeur. Hier leerde hij zijn vrouw Joke kennen, met wie hij twee kinderen kreeg. In 1989 stapte hij over naar UAF, het Universitair Asiel Fonds, dat politieke vluchtelingen in staat stelt hier te studeren. UAF werd bijna een synoniem voor Bleichrodt. In het herinneringboek Het zout der aarde staat hoe het UAF veranderde met diens komst in 1989. ‘Bleichrodt was van gereformeerden huize en daardoor in zijn werk gedreven door een welomschreven schuldbesef.’
Toen hij begon, hielp het UAF duizend vluchtelingen. Toen hij begin dit jaar vanwege de ziekte zijn functie neerlegde, waren dat er drie keer zoveel. Behalve het zoeken van een studie en het betalen ervan, helpt UAF nu ook vluchtelingen werk te vinden via Job Support. Bleichrodt was waar nodig diplomaat en waar mogelijk activist. ‘Als iets niet lukte door de voordeur, probeerde hij het via de achterdeur. Hij had een enorm netwerk’, aldus een medewerker. Hij vervulde tal van functies bij onder andere VluchtelingenWerk Nederland, Amnesty International en Stichting Vluchteling.
(26-11-2012)

 

 

 

Wynand Wijnen (1934-2012)
Onderwijshervormer

 

 

 

 

wynand wijnenBouwmeester van het zelfstandig leren
 

Onderwijsvernieuwer  Wynand Wijnen haalde zijn ideeën grotendeels uit Canada. Op ‘zijn’ universiteit in Maastricht kon hij ze uitproberen.
 

Peter de Waard

Niet klassikaal doceren, maar zelf kennis vergaren door te praten met medeleerlingen en docenten. Dat is de beste manier van onderwijs. De leerling moet centraal staan, niet de leraar. Wynand Wijnen, die 21 november op 77-jarige leeftijd aan de gevolgen van darmkanker overleed, was een van de  belangrijkste onderwijsvernieuwers van de afgelopen vijftig jaar. Bijna alle veranderingen die nu gewoon zijn, kwamen uit zijn gedachtengoed voort.
Daarnaast was hij samen met kinderarts Harmen Tiddens oprichter van de huidige Rijksuniversiteit in Maastricht, waar hij de indertijd nieuwe methode van het probleemgestuurde onderwijs introduceerde. Wijnen drukte ook zijn stempel op het basis- en middelbaar onderwijs, hoewel een deel van zijn voorstellen, zoals het Studiehuis in de Tweede Fase (de bovenbouw voor havo en vwo)  later tot controverse leidden.
 Wynand Wijnen werd in Hegelsom in de Limburgse Peel geboren. Zijn vader was er hoofdonderwijzer. Hij studeerde een blauwe maandag voor priester op Rolduc, voordat hij psychologie ging studeren aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen. Van 1964 tot 1973 werkte hij op de Rijksuniversiteit Groningen, onder meer als medewerker bij leerpsychologie en experimentele psychologie. Harmen Tiddens benaderde hem toen met het initiatief in Maastricht een medische faculteit op te richten. Wijnen stemde in en ontwikkelde voor de in 1974 geopende faculteit een leermethode geïnspireerd op het vernieuwende onderwijs van de McMaster-universiteit in Canada. Dat was zo afwijkend van het traditionele onderwijs in Nederland, dat velen hiertegen in verzet kwamen. 
Pas jaren later kwam erkenning, toen bleek dat medisch studenten in Maastricht net zo hoog scoorden als hun studiegenoten elders, maar beduidend minder tijd kwijt waren. De overheid ging later vaak bij hem te rade voor onderwijsveranderingen. Hij werd de architect van de studeerbaarheidsbeweging in de jaren tachtig en van het Studiehuis in de Tweede Fase van het voortgezet onderwijs in de jaren negentig.
Ook was Wijnen bestuurlijk actief,  onder meer als decaan en als rector van de Limburgse universiteit. Jarenlang was hij voorzitter van de raad van bestuur van het CITO. Bij zijn afscheid in 1999 werden twee naar hem genoemde prijzen in het leven geroepen: een voor de beste scriptie van middelbare scholieren en een voor bijzondere onderwijsvernieuwingen.
(24-11-2012)

 

 

Jenny Ligthart (1967-2012)
Econome

 

 

jernny ligthart‘Onzekere meid’ maar invloedrijk econome
 

Macro-econome Jenny Ligthart bouwde in korte tijd veel gezag op bij het IMF. Op 34-jarige leeftijd werd ze hoogleraar.
 

Peter de Waard
 
Als de stewardessen in het vliegtuig je beginnen te herkennen als enige vrouw in de business class, wordt het tijd om wat anders te gaan doen’, zei Jenny Ligthart tien jaar geleden in NRC Handelsblad. Ze keerde toen terug naar Nederland, na vijf jaar bij het IMF in Washington te hebben gewerkt. Ze was slechts 34 jaar, en besloot hoogleraar te worden en zich te concentreren op onderzoek naar de overheidsfinanciën en de internationale aanpak van belastingontduiking. Ze wilde de diepte in na bij het IMF veel veldwerk te hebben gedaan.
Hoogleraar macro-economie Jenny Ligthart overleed woensdag aan de gevolgen van borstkanker. Ze was begin deze maand net 45 jaar geworden.
Ligthart werd geboren in het West-Friese plaatsje Hoogkarspel en volgde de middelbare school in Grootebroek. De overgang naar de Universiteit van Amsterdam voor een studie economie was een hele stap. Ze studeerde in 1991 cum laude af en werd daarna universitair docent. Haar werkcolleges inspireerde onder meer de huidige hoogleraar aan de Erasmus Universiteit Bas Jacobs om econoom te worden.
Ligthart promoveerde in 1997 bij Rick van der Ploeg, de latere staatssecretaris, die haar adviseerde in het buitenland te gaan werken. Ze kwam terecht op de fiscale afdeling van het IMF en maakte deel uit van veel missies naar ontwikkelingslanden en naar de landen die na de val van de muur in Oost-Europa ontstonden.
Ze was verbaasd over de macht die ze toen had. Omdat de landen geld wilden lenen bij het IMF, deden ze graag wat zij toen voorstelde. In Bosnië ontwikkelde ze in drie weken tijd een nieuw belastingsysteem. Ze draaide daar tot woede van sommige ambtenaren een loonsverhoging van 33 procent terug. Van der Ploeg zei vrijdag: ‘Bij het IMF heeft ze in korte tijd enorm gezag opgebouwd, niet slecht voor een onzekere meid uit West-Friesland.’
In 2002 keerde ze terug naar Nederland en werd hoogleraar macro-economie aan de Universiteit van Tilburg. Een jaar later werd ze ook benoemd tot parttime hoogleraar Algemene en Kwantitatieve Economie aan de Rijksuniversiteit Groningen, en directeur van het Netwerk voor Algemene en Kwantitatieve Economie. Ook nadat de ziekte bij haar werd ontdekt, bleef ze zolang mogelijk aan het werk.
(24-11-2012)

 

 

 

Aad Regeer (1944-2012)
Vakbondsman

 

  

aad regeerVoorganger van de ambtenaren

 

Een fameus actieleider bij Abvakabo, en later bij FNV en de rechterhand van voorzitter Lodewijk de Waal.

Peter de Waard

Boos op Koos.’ Nadat de werknemers in het bedrijfsleven in de jaren zeventig al vele malen felle acties hebben gevoerd tegen reorganisaties en het inleveren van loon, laten in 1983 ook de ambtenaren van zich horen. Het kabinet-Lubbers I besluit in z’n bezuinigingsdrift de rechten van ambtenaren af te knijpen en hun salarissen met 3,5 procent te korten.
De ambtenaren laten al gauw blijken niet voor de militantste industrie-arbeiders te willen onderdoen. Doelwit van de ambtenarenbond Abvakabo FNV is minister Koos Rietkerk van Binnenlandse Zaken. Actieleider is een jonge Aad Regeer, voorzitter van Abvakabo in Amsterdam, waar het speerpunt van de acties is gepland. Hij geniet de steun van de bevlogen landelijk voorzitter Jaap van der Scheur – ‘als het kabinet voor is, zijn wij tegen’ – die hem met raad en daad terzijde staat.
Aad Regeer is nog altijd een vakbondsman in hart en nieren als hij op 1 november van dit jaar totaal onverwacht een hartstilstand krijgt. Hij overlijdt vier dagen later. Hij was nog actief in diverse pensioenbesturen, zoals die van PGGM, de Vereniging van Contractspelers in het betaalde voetbal VVCS en FNV Mondiaal.
Regeer is een Leidse timmermanszoon die na zijn middelbareschoolopleiding gaat werken bij het psychiatrisch centrum in Santpoort. In 1970 treedt hij in dienst als beleidsmedewerker van de Algemene Bond van Ambtenaren (Abva), die twaalf jaar later samengaat met de Katholieke Ambtenarenbond in Abvakabo. ­Regeer is dan al opgeklommen tot bestuursvoorzitter van het district Amsterdam. Eind 1983 beginnen acties bij de stadsreiniging van Amsterdam. Die breiden zich snel uit tot de rest van het land waardoor het huisvuil zich opstapelt en de Abvakabo onder vuur komt te liggen in de media. Boze ambtenaren belagen zelfs De Telegraaf, die ervan wordt beschuldigd een hetze tegen de actievoerders te voeren. Op hun beurt moeten Regeer en zijn bestuurders zich met politiebescherming terugtrekken in het kantoor aan de Stadhouderskade.
In 1986 wordt Regeer lid van het hoofdbestuur van de Abvakabo in Zoetermeer. Een nieuw conflict met de regering ontstaat als minister Kees van Dijk van Binnenlandse Zaken het overheidsapparaat wil afslanken. Maar Regeer krijgt al snel een nieuwe uitdaging: een nauwere samenwerking tussen de diverse FNV-bonden, die een einde moet maken aan de verliesgevende situatie bij veel bonden. Regeer mag uiteindelijk als nieuwe penningmeester van vakcentrale FNV en als rechterhand van voorzitter Lodewijk de Waal het puin ruimen, als de kosten van de nieuwbouw van het hoofdkantoor in Woerden flink uit de hand zijn gelopen en het samengaan niet doorgaat. Pogingen om financieel orde op zaken te stellen in een organisatie die met een teruglopend ledenbestand kampt, is moeilijk. Als hij in 2003 de sluiting van zeven regiokantoren aankondigt en verklaart dat de FNV niet langer een ‘sociale ANWB’ kan zijn, maar zich zal moeten concentreren op de nationale en internationale lobby in Den Haag en Brussel, stuit dat op veel kritiek. Veel leden vinden dat ze recht moeten kunnen houden op gratis scholing of op juridische hulpverlening op maat.
In 2006 gaat Regeer met de vut. Vorig jaar schrijft hij samen met zijn oude maten ex-voorzitter Lodewijk de Waal en ex-secretaris Henk Muller nog een open brief waarin ze het opnemen voor FNV-voorzitter Agnes Jongerius – ‘een ramkoers leidt tot kale verhoging van AOW-leeftijd’ – wier pensioenakkoord door FNV Bondgenoten en Abvakabo wordt afgewezen.

(20-11-2012)

 

 

Piet van Zeil (1927-2012)
Politicus

piet van zeil 

Kleine krabbelaar

Een flamboyant politicus rond wie zich telkens weer affaires afspeelden. Maar hij kwam er altijd mee weg.

Peter de Waard

Ruud Lubbers zei over hem: ‘Piet is wat wij noemen een kleine krabbelaar’ en Dries van Agt prees hem aan met de woorden: ‘Voor een opening in stijl, bel Piet van Zeil.’
Piet van Zeil, die afgelopen zaterdag op 85-jarige leeftijd overleed, was de laatste voorzitter van de KVP voordat de partij opging in het CDA. Hij was staatssecretaris van Economische Zaken in de kabinetten-Van Agt II en III en Lubbers I en daarna burgemeester van Heerlen. Hij stond bekend als een onvermoeibare en flamboyante politicus die continu de schijnwerpers opzocht. In de Kamer werd hij ‘Piet de Prater’ genoemd of ‘Speech Van Zeil’. Hij was een bluffer die niet altijd precies wilde rekenen. ‘Bij mij is 1+1 juist 3’ en ‘ik werk 25 uur per dag’ behoorden tot zijn favoriete quotes.
Van Zeil was de zoon van een katholieke caféhouder in Hillegom. Na drie jaar mulo ging hij, 16 jaar oud, werken als jongste bediende bij een coöperatieve inkoopvereniging. Hij werd drie keer ontslagen voordat hij na de oorlog terechtkwam op het kantoor van Van Gend & Loos, het wegtransportbedrijf van de Nederlandse Spoorwegen. Als lid van de katholieke jeugdbeweging werd hij gestrikt voor de vakbondsactiviteiten bij Van Gend & Loos. Op 23-jarige leeftijd werd hij fulltime bestuurder voor de Katholieke Bond voor het Vervoerspersoneel St. Raphaël. In 1966 werd hij lid van de KVP en zes jaar later in de Tweede Kamer verkozen met als specialisme vervoer- en luchtvaart. Bij het samengaan van KVP met ARP en CHU tot het CDA behoorde Van Zeil tot de Amersfoortse groep die een progressieve christelijke politiek nastreefde. Hij was vanaf 1982 in drie kabinetten staatssecretaris met speciale aandacht voor het midden- en kleinbedrijf.
Rond zijn persoon speelden zich telkens weer affaires af, waarmee hij continu wegkwam. Zo moest hij, na eerdere ontkenningen, toegeven dat hij voor 50 duizend gulden tickets had gekregen van de KLM en SLM vanwege adviseringswerkzaamheden. Hij kwam in opspraak omdat hij onbetaald zijn huis had laten opknappen door mensen van een woningbouwvereniging waar hij commissaris was. Ook zou hij een starterskrediet hebben gegeven aan een bevriende ondernemer.
Van Zeil beriep zich op de ‘poenale wet’ uit de katholieke theologie die bepaalde dat je als burger best wetten mocht overtreden als je daarna ‘de boete maar betaalde’. Lubbers noemde hem daarop ‘een kleine krabbelaar’, wat beklijfde als uitdrukking voor CDA-bestuurders die zich schuldig maakten aan kruimelcorruptie.
Van Zeils loopbaan leed er niet onder. In 1986 werd hij burgemeester van Heerlen. Hij kreeg zelfs de hoogste koninklijke onderscheiding en was jarenlang actief in de besturen van onder meer de Accountant- Administratieconsulenten. Op de vraag of hij na zijn dood in de hemel zou komen, antwoordde Van Zeil: ‘Ik zal er goed mijn best voor moeten doen. Tot aan de laatste dag. ’
(16-11-2012)


Bert Zomer (1953-2012) 


bert zomer 

 

Held der helden

Hij was een van de kundigste onderzoekers bij het RIVM, en kwam om toen hij het leven van een ander wilde redden.

Peter de Waard

‘Er is een held overleden tijdens zijn heldendaad’, zo stond op de website van Omroep Brabant. Bert Zomer zat op zaterdagavond 27 oktober in de auto naast zijn vrouw die op dat moment reed. In een woonwijk in Vught zagen ze op de spoorrails een vrouw zitten die zelfmoord wilde plegen. ‘Dit gaat niet gebeuren’, zei hij tegen zijn vrouw. Hij stapte zonder na te denken uit de auto en probeerde haar weg te trekken. Beiden werden door de trein gegrepen. Bert Zomer overleed. De vrouw die in een instituut voor verslavingszorg was opgenomen, raakte zwaargewond.
Bert Zomer werd 59 jaar. Of het woord ‘held’ bij hem past is de vraag. Hij was, zo zegt zijn echtgenote, een bescheiden man. Maar hij was wel iemand die altijd aandacht had voor zijn medemens.
Hij was zijn hele carrière een van de kundigste onderzoekers van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in Bilthoven. Hij hield zich daar bezig met organische synthese zoals het maken van nieuwe chemische verbindingen die licht uitzenden in aanwezigheid van al dan niet werkzame stoffen in vaccins.
Bert Zomer werd geboren in het Gelderse Renkum. Zijn vader was accountant die later een praktijk overnam in Emmen, waar Bert ook naar school ging. Hij was goed in bètavakken. In zijn laatste jaar op de middelbare school kreeg hij tbc, waardoor hij een jaar in Beatrixoord in Haren verbleef. Die periode was heel confronterend, omdat genezing toen nog geen zekerheid was. Uiteindelijk besloot hij scheikunde te studeren in Groningen. In 1982 promoveerde hij daar op een onderzoek over organische chemie. Hij werkte enige tijd bij het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam, voordat hij bij het RIVM in dienst trad. Vanwege reorganisaties moest hij aanvankelijk nogal eens van functie veranderen.
Hij was in de ware zin van het woord wetenschapper. Het liefst werkte hij in de witte jas op het laboratorium. Als er in een koffiekamer een idee ontstond, wilde hij meteen proberen of het werkte. Zijn onderzoek moest praktisch nut opleveren en daarmee verwierf hij diverse octrooien. Langlopende projecten waren minder aan hem besteed. Bert Zomer moest niets hebben van regelgeving en administratieve rompslomp. Hij beschouwde zichzelf daarvoor te veel non-conformist. Hij kreeg bij het RVIM de vrijheid om zijn onderzoekswerk naar eigen inzicht uit te voeren, hoewel er daardoor weleens spanningen ontstonden. Hij compenseerde dat door lezingen te houden met prikkelende vragen en anekdotes, waarin hij in huis-, tuin- en keukentaal zijn werk kon uitleggen.
Bert Zomer had enige jaren geleden met toestemming van het RIVM samen met zijn collega en beste vriend Henk Bloemen het adviesbureau ZomerBloemen BV opgericht, waarmee hij ook chemische verbindingen ontwikkelde om verontreiniging van drinkwater vast te stellen. Onlangs vierde hij nog zijn 25-jarig huwelijksfeest met zijn vrouw en drie kinderen. In de voorbereiding had hij vrij genomen en een week lang plannen gemaakt, boodschappen gedaan en gekookt, muziek gedraaid en heel veel herinneringen opgehaald, waaronder zijn tijd in Beatrixoord. Bert Zomer zag zijn werk als een passie. ‘Hij was altijd bezig te puzzelen of iets uit te vogelen’, zegt zijn vrouw. Tuinieren, bridge en fotograferen waren andere grote hobby’s. En hij maakte zelf ook Rietveldstoelen.
De heldendaad bij Vught zal niet zinloos zijn. Hierdoor is een nieuwe discussie ontbrand of mensen die vast voornemens zijn een einde aan hun leven te maken, niet op andere wijze moeten worden geholpen, bijvoorbeeld door het verstrekken van pillen.
(13-11-2012)


Jules Theeuwes (1944-2012)
Arbeidseconoom

jules theeuwes

Gedienstig uitlegger

Een van de meest vooraanstaande arbeidseconomen was zeer dienstbaar.

Peter de Waard

Afgelopen zaterdag stuurde hij nog een e-mail naar een verslaggever van deze krant: ‘Mijn excuses voor de vertraagde beantwoording van je mail. Ik worstel al een poos met mijn gezondheid en het ziet er niet naar uit dat het gauw weer beter wordt. Ik hoop dat iemand anders je kan helpen. Vriendelijke groeten, Jules’
Tot op zijn sterfbed was Jules ­Theeuwes actief en dienstbaar. Hij overleed dinsdag op 68-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker. ­Theeuwes was een van de meest vooraanstaande naoorlogse arbeidseconomen in Nederland. Hij was hoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam, lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, tot twee keer toe directeur van de denktank SEO Economisch onderzoek en een vaste adviseur van vele kabinetten.
Maar hij was vooral de man die gecompliceerde economische problemen heel helder aan iedereen kon uitleggen. ‘En het was een ontzettende lieverd’, voegt zijn opvolger Barbara Baarsma bij SEO Economisch Onderzoek daaraan toe. Dat blijkt ook uit andere reacties. ‘Inspirerende econoom, prachtig mens’, twitterde directeur-generaal Bertholt Leeftink van het ministerie van Economische Zaken.
De afgelopen tijd hield hij zich vooral bezig met het effect van de vergrijzing op de arbeidsmarkt. ­Theeuwes was voorstander van radicale maatregelen. ‘Terwijl van de jongeren die worden ontslagen een kwart binnen drie maanden een nieuwe baan vindt, is dat bij 45-plussers maar eentiende’, constateerde hij. Daarom wilde hij dat ontslagvergoedingen zouden worden gebruikt voor de overgang naar een nieuwe baan, een aanpak die het huidige kabinet wil gaan toepassen.
Daarnaast wilde hij een kwart van de beloning van ouderen koppelen aan hun productiviteit. ‘Bij ouderen zijn nu eenmaal de verschillen in productiviteit veel groter dan bij jongeren.’ Mannen in de leeftijd van 25 tot 45 jaar zouden meer vrouwenbanen, zoals in de zorg, moeten gaan vervullen om de stijging van de werkloosheid in die categorie tegen te gaan.
Theeuwes was van oorsprong een Belg, maar had een Nederlands paspoort. Hij werd op 10 oktober 1944 geboren in Noorderwijk en studeerde handels- en consulaire wetenschappen in Antwerpen en economische wetenschappen in Leuven. Na zijn promotie in Vancouver was hij tien jaar wetenschappelijk medewerker aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Van 1986 tot 1998 was hij hoogleraar algemene economie aan de faculteit rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Leiden, en vanaf 1998 hoogleraar aan de economische faculteit van de UvA. Theeuwes was wetenschappelijk directeur van SEO Economisch Onderzoek van 1998 tot 2002 en algemeen directeur tussen 2006 en 2010. Tussentijds maakte hij vier jaar deel uit van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.
Baarsma zegt dat Theeuwes als econoom heel breed was georiënteerd. Naast arbeidseconomie behoorden economie en recht, en marktwerking tot zijn specialisaties. ‘Zijn economische intuïtie was bewonderenswaardig.’ Theeuwes had een indrukwekkende hoeveelheid wetenschappelijke publicaties op zijn naam staan. Zijn grote dienstbaarheid leidde even­eens tot vele nevenfuncties en gasthoogleraarschappen.
Toen bij hem kanker was geconstateerd, besloot Theeuwes zijn werk zoveel mogelijk voort te zetten. Zo was hij voorzitter van de Expertcommissie effectmeting innovatiebeleid van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie. Haar rapport verschijnt binnenkort.
(8-11-2012)


Leon Pliester (1954-2012)
Schaker

leon pliester

Analyticus van Nimzo-Indisch

Hij was een groot schaakanalyticus en ontdekker van het post-titelsyndroom

Peter de Waard

Leon Pliester was internationaal schaakmeester en stond bekend als een van de beste analytici. Zijn beroemdste boek ging over het Rubinsteincomplex van de klassieke Nimzo-Indische opening (1.d4 Pf6 2.c4 e6 3.Pc3 Lb4 waarbij het paard van wit is gepend), dat anno 2012 nog een standaardwerk is. Bekend werd hij ook als ontdekker van het post-titelsyndroom bij schakers. Als afgestudeerd psychofysioloog ontdekte hij dat na het winnen van een titel de denkcapaciteit van schakers vermindert. Reden is dat de kampioen zo bezig geweest is met het in de wacht slepen van de titel, dat daarna een zwart gat volgt en faalangst dreigt.
Leon Pliester overleed op 23 oktober aan de gevolgen van primair sceleroserende cholangitis, een ernstige leveraandoening. Deze doet zich vooral voor bij zware drinkers, maar Pliester dronk niet. Nadat hij op zijn 18de jaar een keer doodziek was geworden van de alcohol beperkte hij zich tot thee en koffie. Tien jaar geleden werd geelzucht bij hem ontdekt, waarna zijn galblaas werd verwijderd. Sinds die tijd werd hij geconfronteerd met allerlei onderzoeken en grote en kleine ingrepen, zoals het plaatsen van een stent in de slagader. In september raakte hij thuis in Amsterdam in coma. Met hulp van de brandweer moest hij van driehoog uit zijn appartement worden gehaald – ‘jammer dat daarover geen film werd gemaakt’, zei hij zelf. Via het AMC in Amsterdam kwam hij in het Erasmus Ziekenhuis Rotterdam terecht, waar hij moest wachten op een donorlever. Daar bleken echter ook zijn nieren te zijn aangetast.
Pliester werd geboren in Grave, in een gezin van drie kinderen. Zijn vader was beroepsmilitair bij de commando’s en werd later handelaar in auto’s. Leon leerde als 4-jarige schaken. Hij was er meteen verzot op. Hij werd lid van een club in Valkenswaard en behaalde diverse titels, waaronder het Brabants kampioenschap. Toen hij op zijn 17de, met zijn ouders op vakantie, moest kamperen in Zeeland, besloot hij naar het IBM Toernooi in Amsterdam te gaan. Hij had geen zin om op een camping op een lekkend luchtbed te worden geteisterd door muggen. Elke avond ging hij stiekem van het toernooi terug naar huis in Eindhoven, waarbij hij de vreemdste smoezen bedacht.
Een jaar later besloot hij psychofysiologie te gaan studeren in Amsterdam. De studie kostte hem nauwelijks moeite en de meeste tijd bracht hij door op de wietboot van Kees Hoekert, waar iconische figuren als provo-inspirator Robert Jasper Grootveld kind aan huis waren. Nadat hij was afgestudeerd, bleek er in zijn vakgebiedweinig werk te zijn. Hij stortte zich op de schaaksport. In 1982 werd hij internationaal meester. In die tijd was hij een van de beste schakers van het land. In 1990 eindigde hij bij het Nederlands kampioenschap met een score van 4 uit 11 op de gedeelde tiende plaats. In 1997 won hij in Apeldoorn een internationaal rapidschaaktoernooi en in 2005 scoorde Pliester 5 uit 12 in een grootmeestergroep van het Corus- (nu Tata)-toernooi in Wijk aan Zee, na onder meer een zege op de Russische grootmeester Jevgenji Aleksejev.
Jarenlang speelde hij in het team van het Bussumse Schaak Genootschap (BSG). Zijn volhardendheid was berucht. Hij kon tegenstanders in marathonpartijen volkomen uitputten. Hij voorzag in zijn onderhoud met het schrijven van boeken en artikelen over de schaaksport. Hij specialiseerde zich daarbij op een serie openingen, zoals de Nimzo-Indisch maar ook de E4-opening. Ook hield hij zich bezig met de studie van eindspelcomposities. Als het nodig was, kon hij zich van ’s morgens vroeg tot middernacht op een spelsituatie concentreren. Leon Pliester woonde op zichzelf in Amsterdam, maar had al jaren een lat-relatie met Teodora Enato.
(6-11-2012)


Inge Lievaart (1917-2012)
Dichteres

inge lievaart

Poëet van het water

Inge Lievaart was een belangrijke dichteres, maar kreeg vanwege haar geloof weinig erkenning.

Peter de Waard

Behalve van Gerrit Komrij, die haar gedicht De Stem van het Water uit 1980 opnam in zijn standaardwerk over de Nederlandstalige poëzie van de 19de en 20ste eeuw, kreeg Inge Lievaart opvallend weinig waardering van het vaderlandse dichtersestablishment.
Lievaart vermoedde dat het kwam doordat ze haar dichtkunst behalve aan de beukende golven van de ruisende, stromende en kolkende zee ook aan het christelijk geloof wijdde. Zelfs de christelijke achterban had moeite haar werk als kunst te zien.
Toen ze op haar 90ste verjaardag werd geïnterviewd door het dagblad Trouw liet ze zich boos uit over het feit dat eerdere interviews met haar op de pagina's religie of 'mensen met bijzondere hobby's' terecht waren gekomen in plaats van op de kunstpagina's. 'Ik ervoer het toch als een voortzetting van de onderwaardering die al jaren getoond was door het negeren van mijn bundels, en het werk van meerdere christenauteurs.'
Voor Lievaart was dichten geen hobby, maar een kunstvorm en zelfs een totale levensvervulling. Ze was zozeer getrouwd met de poëzie dat ze geen andere partner in haar leven toeliet. Toen de uitgever een keer vroeg of ze ook haar levensverhaal wilde opschrijven, zei ze: 'Maar dat staat allemaal in mijn gedichten!'
'Inge Lievaart, dichteres', stond dan ook op de rouwkaart na haar overlijden op 15 oktober in het huis in Scheveningen waar ze op gehoorsafstand van die ruisende zee tachtig jaar had gewoond. In 1917 was ze als oudste van een gezin van vijf geboren in het dorp Oosterend op Texel, waar haar vader schoolmeester was. Toen ze 14 was, vestigde het gezin zich in een huis in de duinen van Scheveningen, waar ze nooit meer weg zou gaan.
Ze debuteerde in het oorlogsjaar 1944 onder het pseudoniem Anna Terweel met de bundel Biecht van een christen aan zijn volk, die werd uitgegeven door de letterkundige Klaas Hanzen Heeroma met het doel de opbrengst te gebruiken voor de hulp aan onderduikers.
Na de oorlog ging ze onder haar eigen naam publiceren. Ze voelde zich in de vorm sterk aangetrokken door de nieuwe literaire beweging van de vijftigers, waartoe dichters als Lucebert en Gerrit Kouwenaar werden gerekend. Maar de Limburgse dichter Pierre Kemp, die in 1958 de PC Hooftprijs kreeg, was haar belangrijkste inspirator.
Veelvuldig gebruikte ze de dichtvorm van de haiku (drie regels van 5, 7 en 5 lettergrepen) en ook de tanka (vijf regels met 5, 7, 5, 7 en 7 lettergrepen). De haiku beschouwde ze als een godsgeschenk, omdat ze hier in zeventien lettergrepen haar natuurobservaties kwijt kon:

Dieper het bos in
steeds aandachtiger worden
de stilte horen


Het gebrek aan erkenning drukte ze ook in haar gedichten uit, waarin ze zichzelf vaak op een eiland plaatste dat veiligheid bood tegen de woeste zee. Het was een verwijzing naar de herinneringen op Texel, maar toch vooral naar haar eigen leven.
Begin deze eeuw werden haar verzamelde gedichten door uitgeverij Kok in twee bundels gepubliceerd: een met haar literaire poëzie en een met haar pastorale poëzie. Drie van haar liederen zijn opgenomen in het Liedboek voor de kerken. Ze bleef echter ook daarna publiceren. In 2006 verscheen haar dichtbundel Tot al het harde zacht is en in 2007 de haikubundel De binnenkant van het zien. Uitgeverij Kok zal in het voorjaar van 2013 een nieuwe editie uitbrengen van haar Verzamelde Gedichten.
(30-10-2012)


Wilhelm Brasse (1917-2012)
Holocaust-fotograaf

Getuige in Auschwitz

De gruwelijkheden van Auschwitz zag Wilhelm Brasse door een cameralens. Door zijn foto’s bleef de getuigenis bestaan.

Peter de Waard

Dat de Holocaust of het nazikamp Auschwitz niet valt te ontkennen is voor een groot deel te danken aan Wilhelm Brasse. De Oostenrijks-Poolse Jood maakte 50 duizend foto’s van de mensen in het kamp en van de gruwelijkheden, waaronder die van de medische experimenten van de kamparts Josef Mengele. Brasse overleed dinsdag op 95-jarige leeftijd in de stad Zywiec in Polen, zo maakte een vertegenwoordiger van het herinneringskamp bekend.
Brasse werd als zoon van een Oostenrijkse man en een Poolse vrouw geboren in een deel van de Donaumonarchie dat na de Eerste Wereldoorlog grondgebied van Polen werd. Hij leerde zelf het vak van de fotografie. Toen de Duitsers op 1 september 1939 Polen binnenvielen, was hij gemobiliseerd als soldaat van het Poolse leger. Bijna een jaar later werd hij opgepakt bij een poging naar Hongarije te vluchten.
De nazi’s stelden hem voor de keuze: of in dienst te treden bij de Wehrmacht of als gevangene naar Auschwitz te worden gebracht dat toen nog alleen een kamp was voor Poolse krijgsgevangenen. Brasse koos voor het laatste. Hij werd op 31 augustus 1940 als gevangene met het nummer 3444 in Auschwitz geïnterneerd. Na maandenlange dwangarbeid in de bouw-, lijkenverwerkings- en aardappelenschilcommando’s werd hij door de leiding van de registratiedienst gevraagd foto’s te maken van alle mensen die het kamp werden binnengebracht en daar zouden moeten werken. In totaal maakte hij 40 tot 50 duizend foto’s van gevangenen, vanaf 1942 vrijwel alleen nog Joden.
Brasse werd ook gedwongen de medische experimenten die de nazi-arts Josef Mengele uitvoerde te fotograferen. Voor het oog van zijn lens werden onder meer zonder verdoving de baarmoeders verwijderd bij Joodse vrouwen. Na het werk maakte Brasse op verzoek van de Duitsers ook privéopnamen van de bewakers, onder meer van Mengele. Vanaf juli 1943 besloot de SS te stoppen met het fotograferen van nieuwe gevangenen. Brasse lukte het ook opnamen van gevangenen in handen van de Poolse ondergrondse te spelen die daarmee documenten konden vervalsen. Hierdoor konden verschillende gevangenen ontsnappen. Kort voor de bevrijding van het kamp door het Sovjetleger kreeg Brasse de opdracht het hele foto-achief te vernietigen, zodat er geen bewijs voor de massamoord zou zijn. Hij haalde de negatieven en de afdrukken uit het vuur zodra de bewaker even was verdwenen en verstopte die in een kast. Daardoor bleef de getuigenis bestaan.
Na de oorlog wilde Brasser opnieuw als fotograaf gaan werken. Maar het trauma van het leven in het concentratiekamp maakte het hem onmogelijk nog ooit door een lens te kijken.
(24-10-2012)


Kees Korbijn (1926-2012)
Zanger

Troubadour van Katendrecht

Hij was de volkszanger van Katendrecht die tot op het laatst maatschappijkritische liedjes bleef maken

Peter de Waard

Kees Korbijn was de andere zanger uit Katendrecht in Rotterdam. Die ene – Johnny Hoes – overleed vorig jaar. Korbijn, die in de jaren vijftig met Hoes optrad, is op 9 oktober overleden in zijn woning in Tuindorp Vreewijk. Hij is 86 jaar geworden. Als hoogbejaarde zangers zongen ze samen nog op een van de laatste verjaardagen van Johnny Hoes in het Witte Paard in Vreewijk het lied Een roos kan niet zonder zonneschijn.
Korbijn aasde nooit op het commerciële succes van Hoes. Hij had geen hit zoals Och was ik maar bij moeder thuis gebleven en richtte geen eigen platenmaatschappij op. Hij bleef zijn verdere leven juist de volkszanger uit Rotterdam die op vaak humorvolle wijze de noden van de arbeiders aan de orde stellen. De SP bleef hem nog tot zijn dood koesteren als een van de artiesten die de gevoelens van hun achterban uitdroeg. ‘Als je uit een rood nest komt, dan verdraag je onrechtvaardigheid niet – ook al word je honderd’, zei hij in de krant van het Ouderenplatform van deze partij.
Korbijn speelde bijna zeventig jaar in de kroeg, maar de laatste jaren ook op braderieën, bejaardentehuizen en wekelijks in zijn bijdrage Blik op de Weg bij Radio Rijnmond. Korbijn groeide als enig kind van een Rotterdamse havenwerker op in een 'armoestraat' in de vooroorlogse wijk Bloemhof die deel uitmaakte van Feijenoord. Heel jong zag hij een keer op straat drie mannen met een gitaar zingen. De hele buurt stond er omheen. ‘Vanaf toen wist ik: dít wil ik ook. Ik zou niet zoals pa in een ketelpak werken.’
Hij speelde zijn eerste ‘versjes’ in de hongerwinter van 1945 in ruil voor twee boterhammen met stroop. Na de oorlog begon hij te spelen tussen de zeelieden en prostituees die zich iedere avond verzamelden in de kroegen in de wijk Katendrecht. Hier – ‘op de kaap’ - ontmoette hij in 1953 ook Johnny Hoes in de Michiel-bar. ‘Een man met een hoedje vroeg of of hij mijn gitaar even mocht lenen. Hij begon wat te spelen en vroeg of ik een liedje van hem wilde zingen. Dat bleek Hoes te zijn.’ Een jaar later nam Korbijn zijn eerste plaat op. Begin jaren zeventig kwamen steeds minder zeelieden naar de stad, omdat de boten afmeerden in Europoort. En Katendrecht ging als uitgaanscentrum tenonder. In 1974 stopte Korbijn met zijn dagelijkse optredens in de Michiel Bar.
Hij schreef het nummer Niemand heeft je ooit gezien, dat in de uitvoering van Helga een top-40 hit zou worden. Korbijn ging in het land optreden met het Asoosjale Orkest, naast Bots een van de groepen die in de jaren zeventig met een maatschappijkritisch repertoire succes wist te halen. Bekende nummers waren Wat is de mooiste letter van het hele ABC? Dat is W van WW, Dokter van de ziektewet en Meisjes van het naaiatelier. Ze werden populair en traden op bij de omroepen als de VARA, de AVRO en de NCRV. ‘En als je op televisie kwam, dan ben je goed’, riep Korbijn wel eens verontwaardigd.
De belangstelling voor het maatschappijkritische repertoire verflauwde in het yuppietijdperk van de jaren tachtig. Maar Korbijn bleef optreden. De voorzichtige wederopstanding van Katendrecht maakte Korbijn de laatste jaren nog net mee. Samen met saxofonist Jos Valster trad hij diverse keren met veel succes op tijdens de Nacht van de Kaap. Korbijn kon altijd nog worden opgetrommeld voor een actie of het nu om het behoud van een buslijn in in Charlois ging, de dreigende sloop van Vreewijk of acties in de thuiszorg. In september zou hij op grootse wijze zijn 70-jarig artiestenjubileum vieren. Dat kwam er niet meer van. Maar in het ziekenhuis pakte hij zijn gitaar op en liet de hele zaal meezingen zoals hij altijd bij zijn optredens had gedaan.
(23-10-2012)


Jan Hendrik van den Berg (1914-2012)
Wetenschapper

De man die verbanden zag

De grondlegger van de metabletica was controversieel, maar ook een van de meest vertaalde auteurs.

Peter de Waard

Hij zag een connectie tussen de in 1871 ontstane mode van de cul-de-Paris (het kussen op het damesachterwerk) en de nederlaag van de Fransen tegen de Pruisen een jaar eerder. Ook zag hij een verband tussen de aanhang voor het marxisme en de populariteit van voetbal. Na de val van de Muur zou ook het voetbal ten onder gaan.
Psychiater, fenomenoloog, filosoof, botanicus en cultuurcriticus Jan Hendrik van den Berg werd geprezen als baanbrekend wetenschapper, maar ook beschouwd als reactionair en fantast. Hij was de grondlegger van de leer der veranderingen, door hem zelf metabletica genoemd. Volgens die leer houden ontwikkelingen op allerlei gebieden – psychologie, natuurkunde, kunst, spiritualiteit, gezinsleven – met elkaar verband, ook al hebben ze ogenschijnlijk niets met elkaar te maken. De theorie van de metabletica maakte van Jan Hendrik van den Berg een internationaal gevierde wetenschapper. Hij schreef het boek in 1956 en het is nog altijd een van de meest vertaalde boeken van een Nederlands schrijver. Van den Berg overleed op 22 september op 98-jarige leeftijd in Gorinchem.
Jan Hendrik van den Berg werd geboren in een hervormd gezin in Deventer. Zijn vader, chef-machinist bij de Watertoren, had grote interesse voor wiskunde en techniek en zijn moeder voor natuur en literatuur. Hij was hierdoor gezegend met een grote eruditie. Als kind zwierf hij langs de IJssel, op zoek naar vlinders en kevers. Ook raakte hij gefascineerd door de mystiek van de katholieke kerk.
Na de hbs in Zutphen besloot hij na het lezen van een boek over de anatoom Andreas Vesalius in Utrecht geneeskunde te gaan studeren. Daar maakte hij kennis met psychiatrie en neurologie. ‘Je hebt niet alleen te maken met een lichaam, maar met een levende en sprekende persoon, die zijn menselijke problematiek voor je neerlegt’, stelde hij. In 1943 haalde hij zijn artsexamen. Een jaar eerder was hij getrouwd met Louise van Everdingen, met wie hij vier kinderen kreeg. Na de oorlog en zijn promotie ging hij zich in Zwitserland en Frankrijk verdiepen in de fenomenologie – de filosofie van de observeerbare gebeurtenissen. In deze tijd logeerde Van den
Berg ook enige tijd bij filosoof Martin Heidegger in Freiburg. ‘Tijdens wandelingen in het Zwarte Woud bespraken we mijn vragen over zijn Sein und Zeit.’
In 1947 wordt hij chef de clinique van de psychiatrische universiteitskliniek te Utrecht. Vier jaar later volgde zijn benoeming tot hoogleraar in de pastorale psychologie aan de theologische faculteit. In 1954 werd hij in Leiden hoogleraar in de fenomenologische methode en conflictpsychologie. Hij praktiseerde ook als psychotherapeut. Eind jaren zestig stelde hij als een van de eersten de enorme medische mogelijkheden aan de orde en de ethische vragen die daardoor zouden kunnen ontstaan, een onderwerp dat nu pas in de politiek ter discussie wordt gesteld. Op dat moment was hij een ook bij het grote publiek bekende wetenschapper. Dat nam in de jaren zeventig en tachtig af omdat hij zich keerde tegen het modieuze gelijkheidsdenken, de verloedering en links-liberale politieke correctheid. Zo verbitterd was Van den Berg over de toestand van de wereld in 1977 dat hij de kernoorlog die volgens zijn metabletische berekeningen tussen 1995 en 2015 moest komen, verwelkomde. ‘Er zal ons wat blijven, genoeg voor een begin. Enkele planten, een aantal dieren. Onbereikbare sterren. Raadselachtige planeten. De zon elke dag, die onze aarde met vuur overgiet.’
(16-10-2012)


Gerda Vesters (1947-2012)
Discotheek-exploitant

Horecadiva van Gemert

Gerda Vesters was slechts 1,60 meter lang, maar de baas van de grootste disco van Nederland.

Peter de Waard

In de nacht van zaterdag 22 op zondag 23 september stond in de grootste discotheek van Nederland de tijd even stil. Om 1.00 uur werd inde zalen van Time-Out in Gemert Elton Johns nummer Circle of Life gedraaid voor Gerda Vesters, de directrice en grondlegster, die eerder die dag op 64-jarige leeftijd was overleden aan de gevolgen van kanker. Ze was er altijd bij de opening, maar die dag voor de eerste keer niet.
Gerda Vesters was slechts 1,60 meter lang, maar ze straalde een natuurlijk overwicht uit waarop veel mensen jaloers zouden zijn. ‘Haar ogen konden vuur spuwen’, zegt haar dochter Veronique. Personeel dat stond te lanterfanten, stroopte onmiddellijk de mouwen op wanneer zij er in de verte aankwam. Lastige bezoekers, van twee keer haar lengte, dropen af als zij hun de les las. Behalve dat zij autoriteit uitstraalde, had zij een perfecte antenne voor wat jongeren wilden. In het begin van de jaren tachtig constateerde zij al dat er na de hippiegeneratie met dezelfde mode- en muziekvoorkeuren, een nieuwe generatie kwam met subgroepen die allemaal wat anders wilden. ‘Ze was hipper dan ik’, aldus haar dochter.
Gerda Vesters werd als Gerda van Melis geboren in Beek en Donk, waar haar ouders een schilders- en behangzaak hadden. Ze ging op school bij de nonnen in Gemert, maar toen in de pubertijd de relatie met de nonnen niet meer zo vlotte, werd ze overgeplaatst naar een school in Helmond. Als 16-jarige ruilde ze de school in voor een baantje. Al gauw bleek dat de horeca haar lag, want ze belandde als serveerster bij restaurant De Hommel in Beek en Donk. Nadat ze haar latere man Frans Vesters had ontmoet, besloten ze samen een café in Gemert te huren. Het was een dorpscafé waar de stamgasten kwamen om te biljarten en te toepen. Maar zij sprak al rap een jonger publiek aan.
Drie jaar later kochten zij hun eerste café, De Commandeur in Gemert. Veronique: ‘Het was heel raar, want niet lang nadat ze dat café hadden gekocht, kwam in de dorpskern van Handel een klein café met een koeienstal daarachter te koop. Dat heette ’t Hôfke. Dat was heel karakteristiek en eigenlijk al lang de droomwens van mijn moeder.’ Hoewel het financieel lastig was, kochten ze in 1974 ’t Hôfke erbij. Een paar jaar later werd De Commandeur verkocht. Eind jaren tachtig constateerde Vesters dat de smaak onder jongeren veranderde. Ze wilde een groot uitgaanscentrum bouwen waarin ruimte was voor diverse muziekstijlen en uitgaansvormen.
Het duurde tot 1995 voordat Time-Out op de rand van het industrieterrein van Gemert kon worden geopend – een uitgaansgelegenheid voor vijfduizend bezoekers. Er was een discotheek, maar ook een mellow club, een saloon met country & western, een après-skicafé, een zaal voor coverbands en een r&b-zaal. Gerda Vesters had de dagelijkse leiding over 110 personeelsleden, haar man deed vooral de techniek: het geluid en het licht.
Vele bekende bands traden op in Time-Out, zoals De Dijk, Rowwen Hèze en BLØF. Maar ook Hans Klok en André Rieu hebben het podium van Time-Out beklommen. Terwijl megadiscotheken vaak vele keren van eigenaar veranderen of ten onder gaan, bleef Time-Out een succes. Begin juli kreeg Vesters last van haar rug. Fysiotherapie, pijnstillers en spierverslappers zouden het euvel wel verhelpen, maar een maand geleden bleek dat haar ruggenwervel was ingezakt. Toen werd ontdekt dat ze borstkanker had, die al was uitgezaaid. Een maand later is ze overleden. Volgens haar dochter
Veronique had ze eigenlijk nog jaren willen doorgaan. ‘Je denkt toch niet dat ik thuis uit het raam ga staren.’
(9-10-2012)


Piet Sanders (1912-2012)
Jurist en kunstverzamelaar

Baanbrekend jurist en kunstmecenas

Peter de Waard

Exact zes dagen nadat Piet Sanders in zijn geboorte- en woonplaats Schiedam op 21 september zijn 100ste verjaardag had gevierd overleed hij. De expositie Een Leven met Kunst die ter gelegenheid van die verjaardag in het Stedelijk Museum Schiedam werd gehouden, had hij gelukkig nog wel vier tot vijf keer kunnen bezoeken.
Jurist, hoogleraar en kunstverzamelaar Piet Sanders is van grote betekenis geweest voor de internationale rechtspraak en ook voor de kunst. Hij was een van de mensen die vanaf het begin af aan de Cobra-beweging steunde - al in 1937 kocht hij een Karel Appel - en met vele kunstenaars ook nauw bevriend was. Daardoor kreeg hij vele kunstwerken in handen waarvan een groot deel later weer door hem aan musea in Nederland werden geschonken. 'Het Stedelijk Museum Schiedam zou een stuk minder interessant zijn geweest zonder de giften en bemoeienis van Piet Sanders', erkent directeur Diana Wind van het stadsmuseum.
Piet Sanders wordt in 1912 geboren in Schiedam als zoon van de architect Piet Sanders. Hij studeert van 1930 tot 1934 rechten aan de universiteit van Leiden. Daarna wordt hij advocaat in Schiedam waarbij hij zich specialiseert in arbitragerecht. De Tweede Wereldoorlog valt hem rauw op het dak. Hij is dan bezig met promotie-onderzoek bij professor Cleveringa. Die wordt opgepakt als hij openlijk protesteert tegen het ontslag van Joodse collega's.
Sanders wordt zelf in 1942 opgepakt en als gijzelaar opgesloten in Kamp Sint-Michielsgestel. Na de bevrijding wordt zijn hulp ingeroepen door premier Schermerhorn met wie Sanders, net zoals met vele andere socialisten, goed bevriend is geraakt. Hij vergezelt Schermerhorn een jaar later naar Nederlands-Indië voor onderhandelingen met Soekarno die de onafhankelijkheid van de republiek heeft uitgeroepen.
Sanders keert in 1947 weer terug naar zijn oude professie. Hij ontwikkelt zich tot een internationaal toonaangevend jurist die arbitrageregels opstelt voor bijvoorbeeld de VN en ook belangrijke doorbraken bewerkstelligt in het vennootschapsrecht. In 1959 wordt hij ook hoogleraar in Rotterdam, waar hij een juridische faculteit opzet. Samen met zijn vrouw Ida krijgt hij grote belangstelling voor moderne kunst. Hij koopt veel - vaak voor een habbekrats - van kunstenaars die pas later beroemd worden. Behalve bij het Stedelijk Museum in zijn eigen woonplaats wordt Sanders ook bestuurslid bij Kröller-Müller en Museum Boijmans Van Beuningen. Later krijgt hij ook veel interesse voor Afrikaanse kunst. Pas twee jaar geleden stopt Sanders met verzamelen.
(3-10-2012)


Jaap Wolff (1923-2012)
CPN-politicus

Geharnaste, maar aardige stalinist

Ideologisch vormde hij een front met zijn jongere broer Joop Wolff, het bekende CPN-Kamerlid. Maar Jaap trad veel minder op de voorgrond.

Peter de Waard

Ooit was Jaap Wolff een geharnaste stalinist. Samen met zijn broer Joop Wolff maakte hij deel uit van wat het politbureau van het na-oorlogse CPN zou kunnen worden genoemd. Maar de laatste jaren was hij een beminnelijke GroenLinkser die actief was als bestuurder van de wijkraad in Schalkwijk (Haarlem) en met grote volharding ijverde voor betaalbare sociale huisvesting en kinderopvang. In 2007 kreeg hij de erepenning van de stad. Eerder had hij al het Verzetsherdenkingskruis gekregen.
Jaap Wolff is afgelopen zaterdag in Haarlem op 89-jarige leeftijd overleden, vijf jaar na zijn broer Joop Wolff met wie hij niet alleen een grote fysieke gelijkenis had, maar met wie hij ook ideologisch een front vormde. ‘Hij was een zeer aardige en heel slimme man. Een hele goeie schaker en dammer ook’, zegt voormalig CPN’er en publicist Gijs Schreuders.
Jaap Wolff werd geboren in 1923 in Velsen. Hij was amper drie jaar oud toen zijn vader overleed. Zijn moeder moest als verpleegster het gezin zien te onderhouden. In de oorlog werden Jaap en de vier jaar jongere Joop Wolff actief in het verzet binnen de ondergrondse Communistische Partij Nederland. Na de oorlog werd Jaap Wolff politiek secretaris van partijvoorman Paul de Groot, die alle macht naar zich toetrok en in 1946 op het congres stelde ‘Onze politiek is de politiek van Stalin en wij kunnen ons stalinisten noemen.’ Het betekende dat de CPN een centralistische zou zijn die zich van niet welgevallige leden, zoals ‘trotskisten’, zou moeten zuiveren. De Groot bleef achter Stalin staan, ook na het uitbreken van de Koude Oorlog in 1948, de Korea-oorlog, de Hongaarse opstand en zelfs nadat Chroesjtsjov in 1956 op het 20ste partijcongres genadeloos afrekende met de dictator.
Het leidde tot grote interne strijd binnen de CPN, waarbij kopstukken als Ger Harmsen, Gerben Wagenaar en Henk Gortzak het veld moesten ruimen. Jaap Wolff, die ook jarenlang redacteur en later directeur was van het communistische dagblad De Waarheid, was een gewillig pion van De Groot. Maar hij trad veel minder op de voorgrond dan zijn broer, die hoofdredacteur was en ook jarenlang Tweede Kamerlid voor de CPN. Nadat de partij in 1977 alsnog met De Groot afrekende, werd Jaap Wolff directeur van het wetenschappelijk bureau van de partij. Begin jaren tachtig haalde hij samen met Ina Brouwer de banden met Moskou weer aan, totdat de val van de Muur het einde van de partij bezegelde. Opnieuw koos hij een pragmatische koers en ging mee over naar GroenLinks, waarvoor hij nog lang actief zou zijn.
(2-10-2012)


Ger Smit (1933-2012)
Stemacteur

Een karakter als Bor de Wolf

Hij was bekend van televisie en toneel, maar eigenlijk het beroemdst als zijn alter ego Bor de Wolf.

Peter de Waard

Dat het karakter van Bor de Wolf hem het meeste lag, vindt voormalig Fabeltjeskrantcollega Elsje Scherjon niet zo vreemd. 'Ger zat zelf ook vol zelfspot en ironie. Bor voelde zich gelukkig als hij in het middelpunt van de belangstelling stond, maar als iemand vergat hem goeiedag te zeggen, zat hij meteen in zak en as.'
De oudere generatie herinnert Ger Smit misschien nog als de zwerver Mak: hij speelde naast Donald Jones (Mik) de hoofdrol in de door Wim Meuldijk geschreven jeugdserie Mik & Mak die in 1962 en 1963 op woensdagmiddag om vijf uur werd uitgezonden. Zij woonden in bij Oma Tingeling die door haar buurman mijnheer Humdrum op de huid wordt gezeten om haar huisje te verkopen.
Maar de meesten kennen vooral zijn stem. Hij was de stem van verschillende dieren in het Grote Dierenbos van De Fabeltjeskrant: Ed Bever, Zoef - 'zoef zoef' - de Haas, mijnheer de Raaf, Ome Gerrit de Postduif, Lowieke de Vos, Meindert het Paard en vooral Bor 'huuuh' de Wolf, de zo tragische barman van het praathuis die elke keer weer vluchtte naar het Enge Bos.
Ger Smit overleed op 14 september in het Gelderse Vorden op 79-jarige leeftijd. Hij leed al lange tijd aan de ziekte van Parkinson.
Smit was de jongste zoon van een Amsterdamse bloemenkoopman. In 1955 kwam hij na drie maanden toneelschool bij de hoorspelkern van de NRU (Nederlandse Radio Unie). Daarnaast stond hij bijna iedere avond op de planken. Hij speelde de meest diverse rollen bij gezelschappen als NGT, de Nederlandse Comedie en Globe. Hij stond ook in drie grote musicals: Oh, what a lovely war (1964), Oh, mijn papa (1966) en De Stunt (1967) van cabaretgroep Lurelei.
In 1968 werd Smit door schrijver Leen Valkenier en producent Thijs Chanowski gevraagd samen met Frans van Dusschoten en Elsje Scherjon de stemmen te doen voor De Fabeltjeskrant, dat rond kinderbedtijd zou worden uitgezonden. Met zijn drieën zaten ze op een rijtje. Scherjon: 'Eigenlijk deed je meer dan stemmen geven. Je vormde ook karakters. Daar legde je ook iets van jezelf in, hoewel we ons exact aan de tekst hielden. Gek genoeg stonden we toentertijd niet op de aftiteling. Nu zou dat wel het geval zijn.'
Eigenlijk zouden er twintig afleveringen worden gemaakt naar de fabels van De La Fontaine. Uiteindelijk werd het programma meer dan duizend keer uitgezonden. In 2005 zou De Fabeltjeskrant worden verkozen tot het beste kinderprogramma aller tijden.
Smits' faam als stemacteur was gevestigd. Hij deed voor proefafleveringen de stem van Ernie - uiteindelijk zou Wim T. Schippers de stem gaan doen - en deed daarna stemmen in Paulus de Boskabouter, De Smurfen, Lucky Luke, Tom Poes, Sesamstraat en vele Disneykarakters. Ook als acteur bleef hij actief, zowel op het toneel als op de televisie. Hij speelde in de jaren zeventig in legendarische televisieseries als De Kleine Waarheid (als Marleen Spaargarens laatste liefde Jaap Bleyleve), Oorlogswinter en Die seltsamen Abenteuer des Herman van Veen. In de jaren negentig zou hij ook rollen vervullen in andere klassieke series als Medisch Centrum West (de heer Oortwijn), Vrouwenvleugel (Jaap Jorritsma) en GTST (rechercheur Bronkhorst). In 2002 speelde hij op 69-jarige leeftijd zijn laatste rol in de studentenserie Echt Waar.
Ger Smit woonde 48 jaar samen met zijn vriend Pim Batema. Naast de woning in Amsterdam hadden ze een vakantiewoning in Vorden, waar ze graag lange wandelingen maakten. Batema: 'Hij heeft zoveel gedaan. Maar het meest voelde hij zich in zijn element in een studio, als hij met de technicus achter de knoppen ging kijken hoe het nog beter kon.'


Ger Smit als zwerver Mak (3de van rechts).









Arthur Ochs Sulzberger (1926-2012)
Uitgever

‘Punch’ bracht krant groei en Pulitzers

Met de publicatie van de geruchtmakende Pentagon Papers bevestigde de uitgever, lid van de dynastie die nog altijd de dienst uitmaakt bij The New York Times, de onafhankelijkheid van de krant.

Peter de Waard

Ooit dreigde hij onder president Nixon gevangen te worden gezet. Zondag werd hij door president Obama geprezen als ‘een voorvechter van de persvrijheid’.
Arthur O. Sulzberger, bijgenaamd Punch, besloot in 1971 als uitgever van The New York Times het Witte Huis te trotseren en gaf zijn hoofdredacteur toestemming de gestolen Pentagon Papers te publiceren, waarin de leugens van de president over de Amerikaanse inmenging in Vietnam aan de kaak werden gesteld. Hij vond de onthullingen van zo groot nationaal belang dat het feit dat ze op illegale wijze waren verkregen daaraan ondergeschikt was. Hij zette hiervoor het familiebedrijf op het spel, maar uiteindelijk won de krant de rechtszaak en de Pulitzer Prijs.
Arthur O. Sulzberger, de derde generatie in de dynastie die nog altijd de dienst uitmaakt van wat door sommigen als de beste krant ter wereld wordt beschouwd, was een briljant uitgever, maar zal vooral worden herinnerd als een van de belangrijkste verdedigers van de First Amendment, het artikel uit de Amerikaanse grondwet dat onder meer de vrijheid van meningsuiting vastlegt.
Hij overleed afgelopen zaterdag in Southampton, vlak bij New York. Van 1963 tot 1997 stond hij als uitgever en later ook als bestuursvoorzitter van de moedermaatschappij aan de leiding van het bedrijf.
Arthur O. Sulzberger werd in 1926 geboren als kleinzoon van Adolph Ochs, die als zoon van Duits-joodse immigranten in 1896 besloot The New York Times te kopen. De krant was op dat moment met een oplage van negenduizend stuks zwaar verliesgevend. De man van Ochs enige dochter – Arthur Sulzberger – werd na Ochs’ dood in 1935 uitgever. Naast een dochter, Judy, kregen ze een zoon Arthur die vanwege de toen zo bekende poppenkastkarakters Punch & Judy (Jan Klaassen en Katrijn) de bijnaam Punch kreeg. Tijdens de Tweede Wereldoorlog trad Punch Sulzinger op eigen initiatief toe tot het elitekorps van generaal Douglas MacArthur. Na de oorlog ging hij het vak leren bij The Milwaukee Times voordat hij op de buitenlandredactie bij de eigen familiekrant kwam. Hij sloeg daar de plank mis toen hij in 1955 aanwezig was op de 24-uursrace van Le Mans, maar vergat de redactie te melden dat er meer dan tachtig mensen om het leven waren gekomen doordat een wagen in het publiek was gereden.
In 1963 werd ‘Punch’ op pas 37-jarige leeftijd de uitgever van de krant. Meteen werd hij door president Kennedy op het matje geroepen over de kritische verslaggeving van de New York Times-correspondent in Saigon over de Vietnam-oorlog. Sulzberger zei dat hij voor de onafhankelijkheid van de redactie stond.
Toen in 1971 een medewerker van het Pentagon, Daniel Ellsberg, bij de krant aanklopte met de Pentagon Papers die hij in het geheim op het ministerie van Defensie had gekopieerd, stond Punch Sulzberger als verantwoordelijk uitgever voor een dilemma. Een ingehuurde advocaat zei dat de krant bij publicatie zou kunnen worden aangeklaagd wegens spionage en zou kunnen worden verboden en dat Sulzberger zelf in de gevangenis zou kunnen belanden. Sulzberger besloot na het lezen van zevenduizend pagina’s dat ‘de krant er was voor de lezers en niet de regering’ en gaf vanwege het nationaal belang toestemming delen te publiceren in de krant. Het werd een serie geruchtmakende artikelen over de leugens van president Johnson en de wijze waarop de VS landen als Laos en Cambodja in de Vietnam-oorlog had betrokken.
The New York Times dankte er een grote reputatie aan. Als uitgever breidde hij de krant uit met nieuwe bijlagen als Wetenschap, Sport op Maandag en Weekend. Punch Sulzberger bracht het bedrijf ook naar de beurs, waardoor geld kon worden aangetrokken voor nieuwe investeringen. Het concern verwierf daarmee belangen in andere kranten als The Boston Globe en International Herald Tribune en later werden er onder zijn leiding ook tijdschriften en radio- en televisiestations aan toegevoegd. In 1992 maakte hij als uitgever plaats voor zijn zoon Arthur Ochs Sulzberger jr. die hem vijf jaar later ook als bestuursvoorzitter opvolgde. In die periode was de omzet gegroeid van 101 miljoen dollar tot 2,6 miljard (2 miljard euro). Maar kwaliteitsjournalistiek was voor Sulzberger altijd belangrijker dan financieel gewin. Van de 63 Pulitzer-prijzen die de krant won, werden er 31 in de periode van Punch Sulzberger gewonnen. Sulzberger zou in zijn leven drie keer trouwen en vier kinderen krijgen.
(1-10-2012)


Willem Ennes (1947-2012)

Toetsenist van luistermuziek

Hij was het bekendst als de echtgenoot van Astrid Joosten, maar Ennes was vooral een briljant muzikant.

Peter de Waard

Aimabel, geestig en een bijzonder goede toetsenist. Muzikant en producer Willem Ennes heeft in de afgelopen eeuw zijn stempel gedrukt op de Nederlandse muziekscene, niet alleen op die van de enigszins hoogdravende rockmuziek in de jaren zeventig, maar ook op de lichte muziek daarna. Ennes, die aanvankelijk bekend werd als de pianist van de Groningse band Solution, werkte later met Margiet Eshuys, de Time Bandits en Jan Akkerman en was muzikaal leider bij Adèle Bloemendaal en Karin Bloemen. Verder componeerde hij de muziek voor de musical De Jantjes. Hij overleed na een kort ziekbed op 6 september aan de gevolgen van pancreaskanker, nadat in 2007 prostaatkanker was geconstateerd. Ennes werd slechts 64 jaar.
Muziek zat in zijn genen, zijn vader was violist. Ennes werd geboren in Groningen in een gezin met een broer en twee zussen. Na de mulo ging hij naar de kweekschool. Maar Ennes werd net als zo veel jongeren van de naoorlogse babyboomgeneratie gegrepen door het popvirus. Zijn eerste band was The Roôn Rockers. Daarna trad hij toe tot The Keys die de basis zou vormen voor de in 1970 opgerichte band Solution, waarvan de elden afkomstig waren uit de Groningse studentenscene.
Aanvankelijk werd opgetreden in een zesmansformatie met twee blazers en werden covers gespeeld van onder meer Georgie Fame en Ray Charles. Langzaam werd de jazzrock vervangen door symfonische rock, waarbij Solution in hetzelfde genre terecht kwam als Focus en Supersister. ‘Het was meer luistermuziek dan dansmuziek’, aldus Frits Schmidt, een van de groepsleden uit die tijd. Samen met Tom Barlage vormde Willem Ennes het creatieve brein van de groep.
Zij wekten al gauw de interesse op van grote platenmaatschappijen als EMI, dat Solution onderbracht bij het prestigieuze Harvest, waarbij ook Pink Floyd zat. In 1976 kwam de band terecht bij Rocket, het label van Elton John. De groep verkeerde veel in Londen. Drummer Hans Waterman herinnert zich nog die tijd: ‘Rockgroepen werden in korte tijd schathemeltjerijk met ingewikkelde muziek. Een nieuwe generatie kon zich hiermee niet vereenzelvigen. Je kon in 1977 in Londen het geschreeuw uit de riolen horen dat leidde tot de opkomst van de punkbeweging.’ Ook Solution deed concessies en had daar enkele hitjes aan te danken, zoals
Empty Faces, It’s only just begun en Runaway. De grootste hit was eigenlijk Divergence, dat echter in de uitvoering van Focus onder de naam Tommy de tweede plaats haalde in de Amerikaanse hitlijsten.
Solution viel in 1983 uit elkaar. Ennes ging spelen bij de Margriet Eshuys Band. Hij trouwde en kreeg een zoon. Vanf 1989 was Ennes zes jaar muzikaal leider van de theatershow van Karin Bloemen. Hij werd een vaste gast in de Nederlandse schouwburgen en toerde daarna met een unplugged duo-programma met Thé Lau. In 1993 scheidde hij van zijn eerste vrouw en ging samenwonen met televisiepresentatrice Astrid Joosten, met wie hij in 2000 ook trouwde. Voor haar – ze is eerder getrouwd geweest met regisseur Jack Gadella – was hij de ‘grote liefde’.

Dankzij Ennes ontwikkelde Joosten zich tot een bekende vinoloog. Hij werd ook haar belangrijkste criticus. ‘Soms kan ik hem dan achter het behang plakken, maar hij zegt wel de goede dingen’, zei Joosten in een interview met het AD. In 1997 toerde hij met Adèle Bloemendaal door het land met het programma Adèle’s Comeback Nr.1. In 2004 schrijft hij de arrangementen voor een nieuwe versie van de musical De Jantjes die met onder meer Birgit Schuurmans en Carry Tefsen door het land trekt. In 2006 speelde hij mee in twee reünieconcerten van Solution in Panama in Amsterdam.
De leden van Solution: Guus Willemse, Hans Waterman, Willem Ennes en Tom Barlage.
(25-9-2012)



André Spoor (1931-2012)

Liberale bladenbouwer

Oud-hoofdredacteur André Spoor schudde bij kranten (NRC) en het tijdschrift Elsevier de kussens op. Hij bleef schrijven.

Hoofdredacteur André Spoor zette NRC Handelsblad op de rails, waarna zijn opvolgers Wout Woltz en Ben Knapen de vruchten mochten plukken. Hetzelfde gebeurde eigenlijk bij Elsevier dat na de periode van Ferry Hoogendijk en ‘GBJ’ Hilterman onder zijn leiding veranderde van een conservatief tot een liberaal blad.
Of Spoor een genie was in dagbladland of gewoon de tijd mee had zal altijd wel voer voor discussie blijven. Hij verrichtte wonderen na de fusie van de noodlijdende kranten Algemeen Handelsblad en de Nieuwe Rotterdamsche Courant en deed het nog eens dunnetjes over bij Elsevier.
Hij introduceerde het woord kwaliteitskrant in Nederland onder overigens de Engelse term quality paper. Hij kwam ook met het idee van de paper of record. Sytze van der Zee, die bij zowel NRC Handelsblad lange tijd onder hem werkte als later zijn adjunct was bij Elsevier, zegt dat ‘Spoor vond dat eerst de kale feiten moesten worden weergegeven’. ‘Als er de vorige dag een ramp gebeurde en je moet daar ’s middags over schrijven in de krant, moest je niet beginnen met de follow-up. Eerst moet je zeggen wat er precies gebeurd was en dan pas de reacties.’
Spoor was de kleinzoon van concertmeester André Spoor van het Concertgebouworkest en zoon van de omstreden generaal Simon Spoor, tussen 1946 en 1949 commandant van de strijdkrachten in Nederlands-Indië. Hij studeerde theologie, maar besloot begin jaren zestig journalist te worden bij het Nieuw Utrechts Dagblad. Een jaar later kwam hij al bij de oude NRC van Jérôme Heldring terecht. Na correspondentschappen voor de GPD in Bonn en New York, werd hij in 1968 door toenmalig NDU-topman Willem Pluygers gevraagd hoofdredacteur te worden van het Algemeen Handelsblad waar het niet erg goed mee ging. Toenmalig hoofdredacteur Henk Hofland wist van niets. ‘Die was flink pissig’, weet Van der Zee zich te herinneren.
Pluygers vond in Spoor een medestander in een fusie van de NRC met het Algemeen Handelsblad. Aanvankelijk leidde dit tot groot abonneeverlies, maar na de opheffing van De Tijd in 1974 stroomden duizenden nieuwe abonnees uit de katholieke elite toe. Spoor nam veel nieuw jong talent aan als Frank Kuitenbrouwer, Marc Chavannes en Adriaan van Dis en verrijkte de krant met katernen als Mens en Bedrijf (economie) en Cultureel Supplement.
In 1983 droeg hij de scepter over aan Woltz. Hij wilde columns schrijven en dacht er even over een boek over zijn vader te schrijven. Elsevier-topman Pierre Vinken, met wie hij bevriend was, vroeg hem echter drie jaar later de baas te worden van Elsevier Magazine. Ook daar maakten oude gezichten meteen plaats voor nieuwe. De toevoeging Magazine verdween en de lay-out veranderde.
In 1987 kreeg hij een hartaanval. Aanvankelijk was hij van plan terug te keren, maar dat kwam er niet van. Hij ging het rustiger aan doen en werd ondermeer correspondent in deeltijd voor NRC in de muziekstad Wenen. Later schreef hij nog opiniestukken of boekrecensies voor NRC. Spoor, die al enige tijd ziek was, overleed dindag. Hij laat vijf kinderen na. Een van zijn echtgenotes was Monique Joekes, dochter van VVD-kamerlid Willem Joekes.
(20-9-2012)

Pierre Louis baron d’Aulnis de Bourouill (1918-2012)

Verzetsheld uit illuster hugenotengeslacht



Hij was een van Nederlands grootste verzetshelden en dat wist hij. De Militaire Willemsorde vond hij verdiend.
‘Eens held, blijft held’, zei hij op de televisie, terwijl hij zijn rij met onderscheidingen toonde.
Pierre Louis baron d’Aulnis de Bourouill wist net als zijn maat ‘soldaat van Oranje’ Erik Hazelhoff Roelfzema dat hij ook na zijn dood als een van de grootste verzetshelden van Nederland zou worden herinnerd.
Op 10 mei 1940 schoot hij twee Duitse toestellen uit de lucht. Twee jaar later lukte het hem via Gibraltar naar Engeland te komen, waar hij werd opgeleid tot geheim agent bij MI6 en morseschrift en parachutespringen leerde.
Later werd hij weer gedropt in bezet gebied, waar hij onder meer het adres van het Centraal Bevolkingsregister in Den Haag aan Londen doorgaf dat daarna door de RAF werd gebombardeerd. Twee jaar wist hij zich schuil te houden voor de Gestapo, langer dan enig andere agent. Hoewel hij had geleerd iemand zonder enig geluid te doden, vertrouwde hij vooral op zijn verbale capaciteiten om uit handen van de bezetter te blijven. Toen hij een keer in de trein betrapt werd met een zender in zijn koffer, kon hij de controleurs overtuigen dat het een Zweeds apparaat was voor heilgymnastiek.
Hij zou in 1950 de Militaire Willemsorde krijgen – de hoogste dapperheids-onderscheiding.‘Het was wat laat’, merkte hij daar later op de radio nuchter over op. ‘Want ik had hem verdiend.’ Hij was toen al commandant geworden van de studentenweerbaarheid Pro Patria die hij vorig jaar nog een keer op 93-jarige leeftijd en lopend met een stok inspecteerde. ‘Ik ben nog een van de weinigen die de Militaire Willemsorde kan uitdragen.’
Pierre Louis baron d’Aulnis de Bourouill overleed afgelopen zondag in Den Haag. Hij was afkomstig uit een illuster geslacht van hugenoten uit de streek Aulnis waarvan een deel eind 17de eeuw naar Nederland vluchtte. In 1823 werd de familie opgenomen in de adelstand met de titel van baron en barones. Ze behoorden al gauw tot de notabelen in Nederland met hoge functies in het openbaar bestuur, het leger, het notariaat en het bankwezen.
Pierre Louis werd in 1918 geboren. Na het behalen van het gymnasiumdiploma besloot hij ook officier te worden. Hij kwam terecht bij de artillerie, waar hij afzwaaide als vaandrig. Na de opleiding ging hij rechten studeren in Leiden, maar na de mobilisatie in 1939 werd hij opnieuw opgeroepen. Dit keer werd hij pelotonscommandant van de luchtdoelartillerie bij Den Haag die op 10 mei twee toestellen neerhaalde.
Na de overgave van Nederland meldde d’Aulnis zich weer in Leiden. Hier leerde hij Erik Hazelhoff Roelfzema en Chris Krediet kennen. Ook had hij contacten aangeknoopt met het illegale Legioen van Oud-Frontstrijders (LOF). Toen de grond te heet onder zijn voeten werd, besloot hij naar Engeland te gaan. Het werd een tocht van bijna een jaar waarbij hij vijf maanden in Spanje gevangen zat. Uiteindelijk lukte het hem Londen te bereiken, waar hij contact opnam met Hazelhoff Roelfzema en Krediet.

Spion
Na een opleiding van een jaar als spion moest hij contacten leggen met verzetsgroepen in Nederland. Na twee pogingen om hem te droppen kon hij begin 1943 bij Staphorst naar beneden springen. Hier werkte hij eerst met een verzetsgroep samen aan het installeren van zenders en weerstations voor de RAF.
Later werd hij lid van de Groep Kees van Delftse en Leidse studenten die een aanslag op het Centrale Bevolkingsregister wilde plegen. Het gebouw in Huize Kleykamp in Den Haag bleek echter te streng te worden bewaakt. D’Aulnis verwittigde Londen hierover en verzocht het te laten bombarderen. Op 11 april 1944 voerden zes Mosquito-bommenwerpers deze opdracht uit. Hoewel de opzet maar gedeeltelijk slaagde, ontving hij op 12 mei 1944 een telegram van de Britse geheime dienst MI6 met dank en felicitaties van het oppercommando voor het uitstekende werk.
Wegens het Englandspiel, waardoor veel geheime agenten werden opgepakt, besloot Londen d’Aulnis terug te roepen naar Londen, maar hij kwam niet verder dan Brussel. Vlak na de bevrijding vloog hij naar Ceylon om daar te helpen in de strijd tegen de Japanners. Maar die oorlog was toen ook snel voorbij .
D’Aulnis ging werken bij een handelsonderneming in Amsterdam. Bij de kroning van koningin Juliana in 1948 werd hij tot commandant benoemd van Pro Patria.
In 1960 was hij mede-oprichter van de Academie voor Kleinkunst in Amsterdam. Behalve de Militaire Willemsorde kreeg d’Aulnis voor zijn verzetswerk een hoge Britse onderscheiding: de Distinguished Service Order.
(20-9-2012)

Eldert Willems (1923-2012)

Filosoof van zijn eigen gedichten

Eigenzinnig kunstenaar en filosoof bracht met ‘filosofische abracadabra’ de academische wereld in rep en roer.

‘Er is opdat, maar zo wordt dus.’ Het was de bizarre sleutelzin in het proefschrift ARPH, kunstfilosofische onderzoeken van Eldert Willems, dat eind jaren zeventig veel stof deed opwaaien. Willems, toen 55, legde daarin een verband tussen kunst en filosofie aan de hand van gedichten die hij zelf had geschreven.
Hoewel vele proefschriften voor leken nogal onbegrijpelijk zijn, was dit de druppel. Dat Willems voor zijn filosofische abracadabra over zijn eigen gedichten met lof de doctorsbul verwierf, was onacceptabel voor vele hoogleraren. Zelfs studenten protesteerden tegen de promotie, door namaakbullen uit te reiken met het opschrift ‘Er is opdat maar zo gaat het dus niet langer’. De Volkskrant sprak begin 1979 van een wetenschappelijk slagveld.
Op 30 augustus overleed dichter, beeldend kunstenaar, filosoof en grondlegger van ARPH, Eldert Willems, op 89-jarige leeftijd in De Koog op Texel. Bij Paal 9 op het strand werd op 7 september een borrel gedronken op zijn leven, nadat nog een keer zijn geliefde route van de kerk in Den Hoorn naar een begraafplaats in Oudeschild was afgelegd.
Willems erkende in 1978 dat zijn dissertatie niet aan de criteria van een proefschrift voldeed, maar vond dat creativiteit belangrijker was dan het regeldenken en de bureaucratie van het weten. Willems bleef zijn ARPH, een samenstelling van het Latijnse woord voor kunst (ars) en filosofie (philosophia) koesteren in tal van publicaties en boeken. In 1982 stelde hij zich kandidaat voor een vacante leerstoel op de Universiteit van Amsterdam, maar werd door boekenrecensent Boudewijn Büch in studentenblad Folia Civitatis zo over de hekel gehaald dat opnieuw een grote rel uitbrak. De Raad voor de Journalistiek oordeelde een jaar later dat de beschuldigingen op niets waren gebaseerd. ‘Maar hij was toen al afgeknapt en hoefde de leerstoel niet meer’, aldus zijn dochter Laura Wartenbergh.
Eldert Willems werd in 1923 in het Belgische Schaerbeeck geboren. Op driejarige leeftijd verhuisde het gezin naar Amsterdam. Hier had de familie een aantal cafés – onder meer Atlantic aan de Stadhouderskade en Porto aan het Rokin en een heus theater aan het Frederiksplein – waar de jonge Eldert tussen de gordijnen naar de ‘mooie danseressen gluurde’. Na de oorlog studeerde hij eerst rechten en later filosofie aan de Universiteit van Amsterdam.
Begin jaren vijftig ging hij met zijn vrouw Iny Nahuys enige tijd naar Gent, waar zij als sopraan in de opera zong. Hier debuteerde hij in 1955 met zijn eerste dichtbundel Boekje van Weer en Wind. In 1959 publiceerde hij bij de Bezige Bij Het sneeuwwonder. Gedichten. Behalve gedichten schreef hij ook proza, werkte hij mee aan de befaamde Ensi-encyclopedie en het boekenweekgeschenk van 1960, 26 Letters, en publiceerde hij het standaardwerk Nederland wordt Groter. Na zijn aanstelling als hoofddocent communicatie, esthetica en cultuurfilosofie in Amsterdam ging hij samen met zijn vrouw en dochter Laura wonen in Kasteel Groot-Hoenlo in Olst dat later zou figureren in Mulisch’ roman De Ontdekking van de Hemel. Behalve als dichter en filosoof ontwikkelde hij zich ook steeds meer als beeldend kunstenaar. In 1986 verhuisde het gezin van Olst naar De Koog op Texel. Zijn aandacht verschoof daar van de kunst- naar de natuurfilosofie. In 2000 publiceerde hij zijn laatste grote werk: ARPH IV Chaosreactieve onderzoekingen, o.a. Gemotiveerde Kosmos, Internet, Kosmose, De verborgen ontdekking van taal, sinds 2000.
(18-9-2012)

Dick de Winter (1936-2012)

Passie voor jazz

Initiator van jazz-programma Sesjun hield de kwaliteit altijd hoog.

Peter de Waard

Eigenlijk was Sesjun een elitair programma dat niet bij de TROS paste. Dat deze omroep het ruim 32 jaar in stand hield en daarmee volgens het Guinnes Book of Records het langstlopende live jazzprogramma ter wereld werd, zegt wat over de kwaliteit die dankzij producer Dick de Winter werd bereikt.
De Winter overleed zaterdag 1 september in zorgcentrum Theodotion te Laren. Afgelopen vrijdag werd hij in Ankeveen begraven in aanwezigheid van veel bekenden uit de jazzwereld en talrijke voormalige omroepcoryfeeën met wie De Winter werkte en ook zelf muziek maakte.
De Winter werd geboren in Nederhorst den Berg als zoon van een jachtopziender bij Natuurmonumenten. Na de Mulo in Hilversum lukte het hem een baantje te krijgen bij de Wereldomroep. Hij kon op de postkamer helpen, maar zag al gauw dat hij hierdoor weinig carrièrekansen zou krijgen. In 1954 ging hij werken bij kantoorartikelenfabrikant Ahrend, waar hij 12 jaar zou blijven. Zijn echte passie was echter muziek. In de avonduren speelde hij als slagwerker bij verschillende orkesten en artiesten zoals cabaretier Jan Blaaser.
Op 1 februari 1966 kon hij alsnog een baantje krijgen bij de omroep. Voor de VARA mocht hij grammofoonplaten uitzoeken voor uitzendingen als Langs de Weg, Koffie met Muziek en Vlotte Start, waarin vooral bekende evergreens uit het populaire genre gedraaid werden. Hier ontmoette hij ook Cees Schrama – toen nog voor Polydor werkzaam – die de opdracht kreeg een nieuw orkest Pop-Eye op te richten dat een alternatief moest worden voor het wat archaïsche VARA-dansorkest.
In 1971 kreeg hij zijn grote kans bij de TROS die met succes een aanval had gedaan op het verzuilde omroepsysteem en binnen korte tijd de A-status had verworven. De Winter werd hoofdmedewerker Speciale Programma’s. Hij en Schrama opperden het idee om in de zomer ook een jazzprogrammaatje te beginnen. Cees Schrama die presentator zou worden: ‘Maar voorzitter Joop Landré was een jazzliefhebber en programmaleider André Meurs speelde tuba. Dus we kregen toestemming. En na drie keer zat het stampvol.’
Sesjun ging op 17 mei 1973 van start in De Boerenhofstede in Laren. Vijf jaar later zou het verplaatst worden naar Nick Vollebregt’s Jazzcafé. Al gauw werd het niet alleen in Nederland het populairste jazzprogramma maar trok het via de Wereldomroep ook luisteraars wereldwijd. Zelfs in de Amerikaanse jazzwereld werd Sesjun een begrip. Bijna alle grootheden uit de wereld van de jazz, onder wie Dizzy Gillespie, Bill Evans, Dexter Gordon, Chet Baker en Stan Getz, traden hier op.

Gooische Compagnie (1977) Voorste rij van links: Meta de Vries, Dick de Winter, Reinout Weidema. Achterste rij: Paul van Schaik, Massimo Göetzm Wim van Schaik, Piet Daalhuizen, Wibo van der Linde, Cees Baaij, Cees Schrama

De Winter werd zelf later hoofd amusement bij TROS Radio. Maar Sesjun bleef zijn passie. Hij verdedigde het programma te vuur en te zwaard als er bij de TROS-directie plannen bestonden om het budget te korten of het helemaal te schrappen. Sesjun was uitgegroeid tot een instituut van grote historische waarde en daar moest niet aan getornd worden. De Winter wilde zelfs dat het hoe dan ook op donderdagavond bleef. Het lukte hem zelfs ook televisie-uitzendingen van Sesjun te maken.
De Winter heeft ook andere verdiensten. Zo stond hij ook aan de basis van Poster, een programma waarin popsterren hun eigen verhaal vertelden. Als presentator werd toentertijd Tom Mulder aangetrokken die als Klaas Vaak bekend was geworden bij Veronica. Poster zou met tussenpauzes van 1973 tot 2006 worden uitgezonden en heeft ondermeer de geschiedenis van de Nederlandse popmuziek vastgelegd. Daarnaast was De Winter de oprichter van de Gooise Compagnie, waarmee allerlei omroepmensen zelf muziek maakten. Zelf was hij drummer. Samen met collega’s als Cees Baay (gitaar), Piet Gras (sax), Wim van Schaik (trombone), Paul van Schaik (sax), Ferry Maat (piano), Piet Daalhuisen (trombone), Massimo Götz (trompet) en Wibo van de Linde (vibrafoon) werd de band een begrip. De samenstelling zou overigens vele malen veranderen. Zo zouden ook ondermeer Edward Niessing (drums), Cees Schrama (piano) en presentatrice Meta de Vries (zang) deel uitmaken van de band.
Dick de Winter was al lange tijd ernstig ziek. Vorig jaar werden de eerste drie dubbel cd’s van Sesjun nog beloond met een Edison die presentator Cees Schrama aan Dick de Winter opdroeg.
(11-9-2012)

Cor Geurtz (1902-2012)

Laatste voor 1905

Het begin van de Eerste Wereldoorlog kon hij zich als een van de laatste Nederlanders levendig herinneren.

Peter de Waard

Geen ruzie maken. Geen opvliegend karakter hebben. Dat is slecht voor je hart. Als je onenigheid krijgt, kunt je je beter terugtrekken', zei Cor Geurtz in mei toen hij 110 jaar werd. Hij voelde zich op dat moment nog heel goed. Een man met guitige ogen, een dikke bos haar en een ijzersterk geheugen, stelde een verslaggeefster van Radio Rijnmond in een interview van bijna een uur
Hij was de laatste Nederlander die voor 1905 geboren was en zich het begin van de Eerste Wereldoorlog nog levendig kon herinneren. Voor de radio kon hij er ook over vertellen: niet alleen over de Eerste Wereldoorlog, maar ook de werkloosheid in de jaren dertig, de Tweede Wereldoorlog, de wederopbouw, de dood van zijn vrouw in 1974 en het feit dat zijn vijf kinderen - nu allemaal tussen de 69 en 79 jaar - zo goed waren terechtgekomen. Hij was 45 jaar geleden met pensioen gegaan bij de PTT. 'Toen was het een goede werkgever. Nu niet meer. Onder Scheepbouwer werd het uitbuiting. En die man ging zelf weg met 3,5 miljoen', zei hij krijgshaftig.
Cor Geurtz is op 21 augustus overleden. Het kaarsje was op. Hij zag niet op tegen de dood, zei hij nog in mei. 'Als het afgelopen is, is het afgelopen.' Twee jaar lang was hij de oudste inwoner van Nederland - een titel die sinds 1990 al in handen van een vrouw was geweest. Tot zijn 108ste jaar woonde hij in een eigen flatje aan de Jacob Catsstraat. Hij was heel galant. 'Hij hield van klassieke muziek en samen met een vriendin ging hij vaak naar concerten. Ik reed in een tweedeursauto. Hij vond dat zijn vriendin voorin moest zitten. 'Ik kruip wel achterin', zei hij. Dat kon eigenlijk niet meer', zegt zijn jongste dochter Elly Geurtz. Op zijn 95ste jaar had hij nog een heupoperatie ondergaan. Maar toen hij ouder werd, ging de pen loszitten. Dat bezorgde hem veel pijn. Twee jaar geleden schoot de pen helemaal uit de kom en kon hij niet meer staan en lopen en belandde in een rolstoel. Hij moest overgebracht worden naar het reuma- en revalidatiecentrum Rotterdam. Maar hij bleef optimistisch en klaagde zelden.
Geurtz werd in 1902 in Rotterdam-Noord geboren in een gezin van vier kinderen. Toen de Eerste Wereldoorlog begon was hij 12. Hij herinnerde zich de armoede van die tijd en de vluchtelingen die over de Belgische grens kwamen. Een jaar na de oorlog overleed zijn enige broer op 13-jarige leeftijd aan tyfus, in die tijd een dodelijke ziekte. Hij zou in 1921 voor militaire dienst worden opgeroepen. 'Het was een tijd dat iedereen genoeg van oorlog had', vertelde hij. Begin jaren dertig trouwde hij met Geertruida van Dijk. In de Tweede Wereldoorlog maakte hij vanuit Rotterdam tochten naar het platteland om daar bij de boeren voedsel te halen.
Geurtz kwam uit een sterk geslacht. Zijn moeder werd 99 en zijn vader 82. zijn beide zussen waren in de negentig bij hun overlijden en één van zijn oma's werd ook ouder dan 90. Aan sport had hij nooit gedaan. Wel had hij altijd matig geleefd - af en toe een biertje of wijntje, terwijl hij al vijftig jaar geleden met roken was gestopt.
Volgens zijn dochter heeft hij altijd heel goed voor zichzelf kunnen zorgen. Hij kookte graag en deed het huishouden. Hij hield van lezen en muziek. Zijn kinderen wilden af en toe dat hij in hun buurt kwam wonen, maar Cor Geurtz wilde nooit weg uit Rotterdam, waar hij zijn hele leven had gewoond. Wel ontdekte hij vakanties. Nog zeventien jaar had hij een latrelatie met een andere vrouw, maar opnieuw trouwen wilde hij niet.
(4-9-2012)

Edith Mastenbroek (1975-2012)
Europarlementariër

Boegbeeld van Niet Nix

Ze was bij uitstek een Niet Nix’er: ‘Intelligent, maar geen intellectueel’.

Peter de Waard

Theo van Gogh bewonderde haar mateloos. Hij noemde haar ‘de ideale combinatie tussen de verwelkte schoonheid en het jeugdige vuur’. Lennart Booij – Niet Nix’er van het eerste uur – zegt dat ze iemand was met een extra buitenboordmotor. ‘Ze had zoveel energie en vergde zoveel van zichzelf dat ze daar de tol voor heeft moeten betalen.’
Afgelopen donderdag is onverwacht Edith Mastenbroek op 37-jarige leeftijd overleden aan een hartstilstand. Ze was een van de drijvende krachten achter de Niet Nix-beweging van Felix Rottenberg eind jaren negentig en voormalig europarlementariër voor de PvdA.
Mastenbroek werd in Den Haag geboren als de dochter van een politie­rechercheur. In een interview met Volkskrant Magazine in 2004 zei ze dat ze ‘op de basisschool werd gepest vanwege haar hoge cijfers en beugel’. Vanwege desinteresse werd ze slechts geschikt geacht voor de mavo. Later haalde ze het in door versneld het vwo te doen en een studie politicologie aan de universiteit van Amsterdam. In 1996 klopte ze aan bij het partijbureau van de PvdA, waar net een aantal leden onder leiding van Rottenberg de boel wilde opschudden. ‘Op ons, wat bleue jongens van Niet Nix, maakte zij grote indruk. Edith was niet alleen mooi, ze had ook nog eens een enorm grote mond waarmee ze ons allemaal de baas was’, zo wordt gemeld op de website van de PvdA.
Volgens Booij was ze bij uitstek geschikt voor Niet-Nix. ‘Ze was intelligent, maar geen intellectueel.’ Toen de Niet Nix de strijd om het voorzitterschap van de partij verloor, trok Edith Mastenbroek de stekker eruit. ‘We gaan ons niet herhalen’, zei ze.
In 2000 reisde ze naar de VS om daar mee te werken aan de verkiezingscampagne van Al Gore. Als PvdA-medewerker op het partijbureau was ze vervolgens actief in verschillende verkiezingscampagnes. Na de nederlaag van 2002 onder leiding van Ad Melkert besloot ze iets te doen met haar ict-kennis. Van januari 2003 tot haar verkiezing als europarlementariër in juni 2004 was ze woordvoerder van internetprovider XS4ALL. In 2005 werd ze verkozen tot ‘jonge europarlementariër van het jaar’. Ze reisde later naar de Gaza-strook als verkiezingswaarnemer. Maar de werkdruk werd haar te veel en ook een snel huwelijk met daaropvolgende scheiding hielp niet. Ze kreeg een enorme burn-out en trad terug. Ze kwam nog wel naar voren bij de campagne van Marcoush voor het Kamerlidmaatschap in 2010. Daarna verdween ze uit de publiciteit en werd moeder. Booij: ‘Een half jaar geleden kwam ik haar tegen op een borrel. Ze was flink opgeknapt. Wat nu is gebeurd, is een enorme schok.’
(28-8-2012)

Leo Jansen (1934-2012)
Wetenschapper en politicus

Radicaal van het eerste uur



Peter de Waard

‘Ik ben de gelukkigste man van de wereld’, zei hij nog op de ochtend van 16 augustus. ‘Welke kleinzoon van 12 wil er nu met zijn opa van 78 fietsen?’ Tijdens de fietstocht kreeg Leo Jansen in Woerden een hartaanval. Jansen was een van de pioniers van de duurzaamheid in Nederland. Daarnaast zat hij tien jaar lang voor de PPR in de Tweede Kamer en was hij hoogleraar milieutechnologie in Delft en initiator van het platform duurzame technologische ontwikkeling (DTO). Ondanks zijn hoge leeftijd speelde hij onlangs nog een rol bij milieuseminars in Barcelona en Kiev. ‘Ze hebben mij weer gevraagd voor het volgende jaar’, zei hij enthousiast tegen zijn partner Loes Wijnbergen. Ook was hij sinds kort weer actief voor GroenLinks.
Jansen werd in 1934 geboren in een katholiek gezin in Hillegersberg bij Rotterdam. Hij was de oudste van 13 kinderen. Zijn vader was een groenteboer die al zijn kinderen gelijke kansen wilde geven. Maar uiteindelijk kon Leo als enige naar de HBS en de TU in Delft, waar hij scheikunde ging studeren. In 1960 kwam hij in dienst bij AKU/Enka Glanzstoff, op de afdeling research synthetische garens en vezels. Hij maakte carrière en streek met zijn toenmalige vrouw en drie kinderen neer in Velp. Hij had zich ook aangesloten bij de plaatselijke afdeling van de Katholieke Volkspartij (KVP), waar hij een bestuursfunctie kreeg. Vanaf het begin verkeerde hij daar op de linkervleugel. Toen een aantal KVP’ers zich eind jaren zestig afscheidden en opgingen in de nieuwe Politieke Partij Radicalen (PPR), ging hij mee. Voor die partij kwam hij in 1972 in de Tweede Kamer. Een jaar later zou de PPR een van de coalitiepartners worden van het kabinet Den Uyl. Jansen waakte er samen met Ria Beckers voor dat toenmalig fractievoorzitter Bas de Gaay Fortman te veel concessies deed en hield onder meer een compromis tegen over de levering van reactorvaten aan Zuid-Afrika. Behalve woordvoerder milieu was hij ook jarenlang voor de PPR de woordvoerder over financiën. In 1981 besloot Jansen uit de politiek te stappen. ‘Twee kabinetsperioden is genoeg.’ Hij werd lid van de stuurgroep van de Brede Maatschappelijke Discussie Kernenergie.
Jansen was een van de eersten in de milieubeweging die stelden dat technische innovatie zou kunnen helpen in de stap naar duurzaamheid. Pas laat in de jaren negentig kwam de overheid tot die overtuiging.
Maar technologie was ook geen wondermiddel. ‘Dankzij de techniek hebben we de vervuiling van water en lucht zichtbaar weten terug te dringen. Er is fenomenale vooruitgang geboekt waardoor er weer kikkers en ooievaars zijn. Maar bij het streven naar duurzame ontwikkeling kan de structuur van onze samenleving niet buiten beschouwing worden gelaten’, zei hij niet lang geleden in een interview. Na zijn lidmaatschap van de stuurgroep was Jansen drie jaar lang inspecteur Volksgezondheid, belast met milieuhygiëne en directeur Afvalstoffen op het ministerie van Volkshuisvesting. Hij was van 1991 tot zijn pensionering in 1999 programma-directeur duurzame technologie op hetzelfde ministerie.
Tegelijkertijd was hij deeltijd-hoogleraar in Delft. Zijn fascinatie voor duurzame oplossingen bleef ook daarna bestaan. Na een studiereis op Java stelde hij vast dat het langgerekte eiland zeer geschikt was voor een infrastructuur van spoorlijnen en water, maar zag tot zijn ergernis dat dankzij Japanse lobby vooral wegen werden aangelegd
In 1995 kreeg Jansen blaaskanker waardoor hij gedwongen werd met een blaasstoma verder te leven. Zijn nieren werkten daardoor minder goed en hij was de laatste jaren bij inspanning kortademig.
Maar hij voelde zich nog uitstekend geschikt om zelfs in het snikhete weer naar de aftrap van de verkiezingscampagne van GroenLinks te gaan. Hij heeft in de laatste uren erg genoten van wat hij graag deed: fietsen met zijn kleinzoon door de natuur.
(28-8-2012)

Wisse Dekker (1924-2012)
Topmanager

Philips’ ideale verkoper en visionair

Als Philipstopman was Wisse Dekker net zo vaak te vinden in Den Haag en Brussel als in Eindhoven.

Peter de Waard

In 1979 lanceerde Philips het Video 2000-systeem. Met een omkeerbare opnamecassette van twee maal vier uur en de mogelijkheid de band versneld af te spelen zonder stoorstrepen, was dit videosysteem technisch superieur aan dat van de Japanners: het Betamax-systeem van Sony en het VHS-systeem van het moederbedrijf van JVC en Panasonic.
Maar technische superioriteit was niet meer voldoende. Het ging erom wie wereldwijd de beste marketing had. Philips gaf het patent niet vrij en er werden geen pornofilms op Video 2000 beschikbaar gesteld. Video 2000 werd een van de grootste marketingblunders in de Philips-geschiedenis en een dure les.
De conclusie was duidelijk. Philips zou niet meer, zoals sinds de oprichting van het concern door Gerard Philips gebruikelijk was, moeten worden geleid door technici die producten maakten die de consument maar moest slikken, maar door marketingmensen die wisten wat de moderne consument wilde. Toen de techneut Nico Rodenburg in 1981 als topman moest opstappen, grepen de commerciële mannen (commersanten) in Eindhoven de macht. Ze benoemden Wisse Dekker tot de nieuwe president-directeur en topman.
Dekker was de pr-man die journalisten meenam naar Japan om te tonen hoe Japanse fabrikanten hun televisies, radio’s, video’s, camera’s en walkmans dumpten in Europa en de VS. Dekker was als manager net zo vaak te vinden in Den Haag (waar hij continu pleitte voor een beter ondernemersklimaat ) en Brussel (waar hij samen met andere Europese industriëlen de EEG bewerkte om de markt af te schermen) als in Eindhoven. Om de Europese industrie op één lijn te krijgen, richtte hij de Ronde Tafel op. Dekker was de eerste Philips-president die geregeld in de media optrad en in de jaren tachtig een van de eerste BN’ers onder de topmanagers werd.
Wisse Dekker had Zeeuwse voorvaderen. Zijn opa werkte als boerenknecht in Zeeland. Zijn vader Piet Dekker verhuisde in 1924 met het gezin naar Eindhoven om voor Philips te gaan werken. Wisse begon in 1948 bij Philips na een door de Tweede Wereldoorlog afgebroken studie economie in Tilburg. Hij kreeg al snel een internationale positie. Zo werkte hij in de jaren vijftig en zestig in de Aziatische tak van het elektronicaconcern, waar hij de Japanse ondernemersmoraal leerde kennen. In 1966 werd hij algemeen directeur voor Philips in het Verre Oosten. Vanaf 1972 vervulde hij diverse directiefuncties bij Philips Groot-Brittannië, voordat hij vier jaar later toetrad tot de raad van bestuur. Op dat moment werkten meer dan 400 duizend mensen bij het concern dat met Nico Rodenburg voor het eerst een niet-familielid als president had gekregen. Een jaar later stal Wisse Dekker de show door een enorme order voor telefooncentrales in Saoedi-Arabië binnen te slepen.
Dekker werd al snel gezien als de ideale verkoper, de ideale diplomaat en de ideale visionair. Hij kon goed met mensen opschieten. In het boek Wisse Dekker, levenslang Philips van Arnold van Lonkhuijzen staat dat hij sollicitanten bij binnenkomst plompverloren altijd één vraag stelde: ‘Vertelt u eens wat’. Daarmee testte hij het reactievermogen van zijn gesprekspartner.
Het maken van winst was veel moeilijker voor hem. Philips was een enorm conglomeraat dat niet alleen zelf alle producten maakte, maar ook bijna alle onderdelen. Terwijl de veel efficiëntere Japanse concurrenten begin jaren tachtig in moderne fabrieken 200 beeldbuizen per persoon produceerden, waren dat er bij Philips slechts 40. Terwijl Japanners binnen zes maanden een product van de tekentafel naar de winkel konden brengen, duurde dat bij Philips anderhalf jaar. Dekker moest zich gedwongen ontpoppen tot de grote saneerder, maar zijn populariteit leed daar nauwelijks onder.
Tegelijkertijd probeerde hij Philips internationaal te versterken. In de VS nam hij de lampenfabriek Westinghouse over. Hij sloot talrijke joint ventures af met andere grote ondernemingen zoals die met het Amerikaanse AT&T voor telefoonsystemen. De meeste waren zwaar verliesgevend. Dekker besloot uiteindelijk Video 2000 op te geven, accepteerde het gezichtsverlies en stapte over op VHS. De introductie van de compact-disc in 1983 was voor Philips een grote triomf. Datzelfde gold voor de overname van de platen- en filmmaatschappij Polygram, die Philips in staat stelde winst te behalen op voorbespeelde videocassettes en cd’s.
Na zijn aftreden als president-directeur in 1986 was Dekker nog acht jaar, als een spin in het web, president-commissaris van het concern. Hij werd ook bekend als voorzitter van de commissie-Dekker die de regering eind jaren tachtig – ook toen al – adviseerde over het in de hand houden van de kosten van de gezondheidszorg.
Wisse Dekker kwam zaterdagochtend om toen hij met zijn auto van de weg raakte en in het Zeeuwse Zoutelande een verkeersbord, hek en schuurtje ramde. Vermoedelijk heeft hij een hartstilstand gehad. Hij werd 88 jaar.
(27-8-2012)

Patrick Ricard (1945-2012)
Ondernemer

Franse entrepreneur

Patrick Ricard bouwde het bedrijf van zijn vader uit tot het op een na grootste drankconcern in de wereld: Pernod Ricard

Zonder een aperitief van de traditionele petit jaune (‘kleine gele’) kan een echte provençaalse maaltijd niet beginnen, net zo min als een spelletje petanque in Marseille kan worden afgesloten zonder het drinken van deze mix van pastis met vijf tot zeven keer zoveel water.
Het recept werd voor de oorlog ontwikkeld en gepopulariseerd door Paul Ricard. Het werd de basis voor het bedrijf Pernod Ricard dat nu een gigant is in de wereld van het gedistilleerd. Behalve de anijsdranken zoals Pernod is het eigenaar van grote cognacmerken (Martell), whisky’s (Chivas Regal, Jameson, Ballentine’s en de single malt Glenlivet), tequila’s (Olmeca), rum (Malibu), gins (Beefeater, Seagram), wodka’s (Stolichnaya, Absolut), likeuren (Tia Maria) en champagnes.
Dat is te danken aan Patrick Ricard, de zoon van Paul Ricard, die vanaf 1972 de scepter zwaaide en Ricard uitbouwde tot het op een na grootste drankenconcern in de wereld. Afgelopen weekeinde overleed hij onverwacht op 67-jarige leeftijd aan hartproblemen.
Ricard was als president-commissaris de machtige man van het concern, hoewel hij in 2008 de dagelijkse leiding overdroeg aan iemand van buiten. Als geen ander was Ricard het gezicht van het nieuwe Franse entrepreneurschap, waarbij agressieve overnames met geleend geld niet werden geschuwd.
Zijn vader had de pastis Ricard in Marseille ontwikkeld. Dat deed hij na een verbod van de beruchte drank absint of ‘de groene fee’, een volksdrank die in de 19de eeuw werd ontwikkeld en vanwege de hallucinerende werking populair werd onder kunstenaars. Zo zou Vincent van Gogh hierdoor zijn geïnspireerd tot zijn gele periode.
Paul Ricard wist als alternatief een pastis te ontwikkelen waaraan provençaalse kruiden en venkelzaden waren toegevoegd. In 1932 werd het officieel als een provençaalse drank op de markt gebracht. Paul Ricard wist er nationale bekendheid aan te geven dankzij enorme advertentiecampagnes waarin het gele en blauwe beeldmerk op glazen, speelkaarten, drinkbekers en wielerpetten werd gepropageerd. Ricard was in de naoorlogse jaren een van de grote sponsors van de Tour de France.
Toen Patrick in 1967 in dienst kwam bij zijn vader was Ricard nog een echt Frans bedrijf dat al zijn producten in Frankrijk verkocht. Vijf jaar later werd Patrick de topman. In 1975 volgde de fusie met de oude en grote concurrent Pernod. Het leidde een periode van ongekende expansie in, waardoor Pernod Ricard nu meer dan 80 procent van zijn dranken buiten Frankrijk verkoopt. In 1988 werd Irish Distillers overgenomen, waardoor het merk Jameson bij het bedrijf kwam. Maar de grootste groei volgde eigenlijk pas deze eeuw, waarbij Pernod Ricard met een omzet van 8 miljard euro uitgroeide tot het een na grootste drankenconcern ter wereld, na Diageo. In 2001 werd Seagram overgenomen, vier jaar later Allied Domecq en in 2008 na een hevig overnamegevecht met de Zweedse Wallenberg Group wodkamaker V&S Group. In dat jaar besloot Patrick Ricard de dagelijkse leiding over te dragen aan Pierre Pringuet.
Ricard zal worden begraven op Les Embiez, een familie-eiland waar ook zijn vader in 1997 een graf kreeg.
(21-8-2012)

Maarten van Gijn (1974-2012)
PR-man

Christie’s marketinggenie

Maarten van Gijn was liefhebber van kunst, muziek en fietsen. Op 4 juli kruiste het noodlot zijn pad.

Peter de Waard

Slechts een meter breed was het pad aan de Felswand op weg naar Val d'Uina in het Zwitserse kanton Graubünden. Daarnaast lag een onpeilbaar diep ravijn. Met vier vrienden maakte Maarten van Gijn daar op 4 juli een tocht met de mountainbike. Een durfal fietste door over het pad. De andere vier gingen voor alle zekerheid wandelend en glijdend op de fiets verder. Maarten van Gijn – in tegenstelling tot wat veel media schreven?– was de voorzichtigste. Maar toen hij een stukje probeerde te fietsen, verloor hij zijn evenwicht en viel met zijn fiets 110 meter. Maarten van Gijn was op slag dood. Net 37 jaar oud.
De Amsterdamse kunstwereld is geschokt, want Van Gijn was daar een van de bekendste en aimabelste gezichten. Zeven jaar lang was hij de pr-man geweest van het veilinghuis Christie’s, waar hij op unieke wijze publiciteit wist te genereren.
Van Gijn was de oudste zoon van een neuroloog die jarenlang werkte bij het Utrechts Medisch Centrum (UMC). Hij was een slimme jongen, maar geen ijverige student. Op het Christelijk Gymnasium in Utrecht bleef hij al snel een keer zitten, omdat hij weinig zin had zijn huiswerk Grieks te maken. Uiteindelijk ging hij geschiedenis studeren in Leiden. Hij nam er de tijd voor, want vele nevenactiviteiten vergden ook tijd. Hij was nog bezig met de studie toen hij zeven jaar geleden een baantje kreeg bij Christie’s in Amsterdam. Op dat moment had hij ook al een kind bij zijn eerste vriendin ­Marjolijn Blom.
Een elitaire kunstliefhebber werd hij zeker niet. Hij zocht in kunst vooral het bizarre en commercieel aansprekende. ‘Volgens de Wet van Maarten was de pers slechts geïnteresseerd als kunst te maken had met Oranjalia (alles wat met het koningshuis te maken heeft), met vips, glamour, veilingrecords en natuurlijk seks en erotiek. Het ging hem om de eerste Renoir die in Nederland werd geveild, om de snor van Charlie Chaplin, een afdruk van de penis van Jimi Hendrix of Napoleon en verhalen rond de verzameling van bijvoorbeeld Yves Saint Laurent’, vertelde Christie’s directeur Jop ­Ubbens op de afscheidsbijeenkomst. Het liefst maakte hij persberichten met de kop ‘Paardentekening ‘Trix’ doet 8.000 euro’ of ‘Dure drol onder de hamer bij Christie’s’.
Maarten van Gijn was koppig, charmant en niet in de laatste plaats ijdel. Hij stond zelf graag in de schijnwerpers. Maar daardoor had hij ook veel succes. Bij Christie’s ontmoette hij ook zijn nieuwe vriendin Charlotte Roelofsen. Een van zijn passies was muziek. Hij was een fervent verzamelaar van vinyl, waarvan hij een enorme collectie had. Als hij alleen was, klonken Jeff Beck, Supergrass, Foxy Brown, NEMO en SMG. Zijn andere passie was de fiets. Drie jaar geleden pronkte hij met zijn vijftig jaar oude fiets in een special van de Volkskrant. ‘Hij is helemaal gestript en geverfd. Ik had daarvoor een vouwfiets, waarvan het stuur afbrak. Toen wilde ik een fiets waaraan niks kapot kon. Ik heb er een bak op laten zetten. Daar kan van alles in, mijn tas, collega’s, mijn vriendin Charlotte. Alles tot een maximum van 100 kilo. En dan rijdt hij nog als een Chevy’, vertelde hij. Hij organiseerde in binnen- en buitenland fietstochten voor het goede doel en schreef daar verhalen over op onder meer Jaap.nl. Volgens zijn vriend Michael Schinkel was hij een goede fietser. ‘Vooral bergop. Bergaf was hij altijd wat voorzichtiger. Maar desondanks fietste hij toch het noodlot tegemoet.’
(31-7-2012)

Max Hamburger (1920-2012)
Oorlogsheld

Het uitgeteerde lichaam

28 kilo woog Max Hamburger toen hij werd bevrijd uit Buchenwald. Dat hij 92 werd, mag een wonder heten.


Het is mogelijk de beruchtste foto van de ellende van de Duitse concentratiekampen. En Max Hamburger is misschien nog wel de meest tragische persoon. Hij ligt op zijn rug , vierde van links op de onderste stellage. De foto werd door een Amerikaan gemaakt, vijf dagen na de bevrijding van het concentratiekamp Buchenwald. Hij woog toen 28 kilo, 3 kilo meer dan zijn leeftijd. Lopen kon hij niet meer. Hij zou na de bevrijding jarenlang in ziekenhuizen en sanatoria verblijven, onder meer om van tuberculose te genezen.
Dat Max Hamburger 92 jaar geworden is, mag een wonder heten. Zelf dacht hij dat het moest, omdat hij wilde getuigen over wat hun was aangedaan. Hij overleed op 2 juli in Maastricht. Hij werd na de oorlog psychiater, trouwde twee keer en kreeg acht kinderen - vier bij zijn eerste vrouw, twee bij zijn tweede vrouw en twee bij zijn derde partner. Tot op hoge leeftijd hield hij lezingen over zijn verschrikkelijke ervaringen in de oorlog.
Hamburger was de tweede zoon van de bekende Amsterdamse diamantair en honkballer Hartog Hamburger en de costumière Julia Waterman. Zijn vader speelde op het hoogste niveau bij OVVO in Amsterdam. Op 9 oktober 1924 kreeg hij een weggeslagen bal tegen zijn hoofd. Een dag later overleed hij. Zijn oudere broer overleed in 1930 aan leukemie, hetgeen Max inspireerde om in 1938 medicijnen te gaan studeren. Toen de bezetter in 1942 Joden verbood te studeren, vond Hamburger een baantje in het Nieuw Israëlitisch Ziekenhuis. Hier wist hij vele Joden tot 'transportunfähig' te verklaren door ze met een geneesmiddel tegen syfilis in te spuiten, waardoor het leek of ze tyfus hadden. In augustus 1943 werd het ziekenhuis ontruimd. Max ontsnapte aan deportatie door een Ausweis-stempel te vervalsen. In oktober 1943 werd hij samen met zijn moeder alsnog opgepakt en via Westerbork naar Auschwitz gezonden. Zijn moeder overleed in de gaskamers. Zelf kon hij overleven, omdat hij als arts-assistent onder meer andere gevangenen mocht controleren op luizen. Later werd hij in het kader van een gevangenenruil vanuit Auschwitz naar een kamp in Hongarije verplaatst. Daarna kwam hij in Ohrdruf terecht. Hamburger leed hier al aan een zware longafwijking. Niettemin moest hij de tocht naar Buchenwald van 80 kilometer lopend afleggen in vier dagen en nachten.
In dat kamp werd hij op 10 april 1945 door de legers van de Amerikaanse generaal Patton bevrijd. 'Er kwam iemand naar me toe en die zei: 'Je moet hier niet blijven liggen, want dan overleef je het niet. Je moet zien dat je in het ziekenhuis komt.' Toen zei ik: 'Ik kan niet lopen.' Hij zei: 'Dan ga je er maar op handen en voeten naartoe. En als ze je niet opnemen dan ga je in het weitje daarvoor liggen. Als de Amerikanen dan komen en jou daar zien liggen, gaan ze opgewonden naar binnen om ze de les te lezen.' Zo gebeurde het precies.'
Op 15 mei 1945 werd Max Hamburger op een brancard met een Rode-Kruisvliegtuig naar Eindhoven vervoerd, waar in een fabriek van Philips een noodziekenhuis was ondergebracht. 'Dit zijn de vitale momenten waar ik nog vaak aan moet denken. Eigenlijk denk ik aan alle wonderen waardoor ik nog leef', concludeerde hij later.
In Nederland bleken al zijn familieleden te zijn vergast. Een tante uit Johannesburg die hoorde dat Max nog leefde, besloot daarop naar Nederland te komen. Zij nam ook speciale antibiotica mee die in Nederland niet te krijgen waren. Hierdoor kon hij genezen.
Op zijn ziekbed in Nederland probeerde hij zijn studie medicijnen te voltooien. In 1950 haalde hij zijn doctoraal en werd uiteindelijk psychiater, gespecialiseerd in het behandelen van oorlogstrauma's. 'Alleen heb ik zelf nooit een psychiater kunnen vinden die mij kon helpen', zei hij vele jaren later.
(24-07-2012)

Trees Sonneveld (1929-2012)
Activiste

De laatste Rooie Vrouw

Ze was een Rooie Vrouw van het eerste uur en bleef tot het laatst aan toe maatschappelijk betrokken.

Peter de Waard

Ze wist dat ze niet meer kon genezen, maar ze wilde het ziekenhuis in Hoorn niet verlate voordat de pijnstilling was geregeld. Ze kreeg betere medicatie van de verpleegster en vroeg
iemand om de Volkskrant te halen, die ze vijftig jaar lang trouw had gelezen. Tot het laatste moment wilde ze aan de maatschappelijke discussie deelnemen. Met haar medepatiënten redetwistte ze of in het Europese Parlement verplicht Engels zou moeten worden gesproken. Ze wilde weten waarom New York zo’n dynamische stad is waar geen gedoe is over minderheden. Maar als er Sex And The City-onderwerpen aan de orde kwamen, waarom New Yorkse vrouwen zo vaak met kleine hondjes liepen, haakte ze af. Het gesprek moest ergens over gaan.
Trees Sonneveld, een van de laatste Rooie Vrouwen van Nederland, overleed op 26 juni in Hoorn aan de gevolgen van leverkanker. Ze werd in 1929 geboren in Sliedrecht, waar haar ouders tijdens de crisisjaren een broodkar inwisselden voor een bakkerij met winkel. Ze had twee jongere broers, maar zij was de oogappel van haar vader. Tijdens de Hongerwinter ruilde haar vader etenswaar met boeren uit de omgeving.
Haar ouders probeerden het gemis van haar jeugd in de oorlogsjaren te compenseren door haar daarna alle kansen te geven. Na een begin op het gymnasium in Dordrecht koos Sonneveld zelf voor de kweekschool. Haar eerste aanstelling als juf kreeg ze voor een klas van veertig kinderen in Rotterdam. Ze raakte steeds meer geëngageerd en bezocht bijeenkomsten op de Volkshogeschool in Bergen en bij de Woodbrookers Gemeenschap in Bentveld, waar veel PvdA’ers bijeenkwamen. Hier ontmoette ze ook haar man, die via de Landbouwvoorlichting vakbondsbestuurder bij de NVV zou worden.
Begin jaren vijftig trouwden ze. Ze gingen wonen in het kunstenaarsdorp Bergen. Er kwamen vijf kinderen. Ook na de verhuizing naar West-Friesland wilde ze als geëmancipeerde vrouw ondanks haar grote gezin fulltime – je kon toen niet anders dan fulltime werken – blijven werken. Trees Sonneveld was een Rooie Vrouw van het eerste uur. Ze bezocht trouw de landelijke weekeinden van de Rooie Vrouwen in de Volkshogeschool de Born waar ze kopstukken als Ien van den Heuvel en Geke Faber leerde kennen. Ze werkte mee in het depot van de NVSH in Hoorn, waar gratis condooms werden verstrekt. Ze stemde bij verkiezingen altijd op een vrouw. Ze organiseerde studiekringen waar politieke, historische en literaire onderwerpen werden besproken. Met deze deelnemers maakte ze veel uitstapjes. De deelnemers waren ouderen uit West Friesland met vaak weinig onderwijs. ‘Ik denk dat zij ook een van de laatste sociaal-democraten was die zo sterk geloofden in de verheffing van het volk en daar middels die studiekringen ook een vorm voor vond’, vertelt haar dochter Evelien.
Haar rol in de PvdA kwam voort uit haar maatschappelijke belangstelling. Politiek was daarvan een onderdeel, geen doel op zichzelf. In 1981 scheidde ze van haar man. Naast lid van de Hervormde Kerk bleef ze in diverse functies betrokken bij de PvdA. Zij was kritisch op de nieuwe, rechtsere koers van de partij in de jaren negentig, maar bleef de PvdA trouw. Ze bleef ook actief in het maatschappelijk debat. ‘Als je oud wordt, kijk dan niet naar omroep MAX, ga niet naar de ouderenpraatgroep, stem niet op een ouderenpartij, mijd bejaardengym en word geen lid van de ANBO.’
(17-7-2012)

Bertus de Rijk (1924-2012)
Filosoof en PvdA’er

Sobere atheïst

De katholieke professor in de wijsbegeerte zat jarenlang voor de PvdA in de Eerste Kamer.

Na een avondje kaarten en enkele borrels te veel, liep Bertus de Rijk, enigszins aangeschoten, een keer door de binnenstad van Leiden naar huis. Naast hem stopte een politiewagen. 'Wat is uw naam meneer?' 'Ik ben professor doctor L.M. de Rijk, hoogleraar antieke en middeleeuwse wijsbegeerte, tevens lid van de Eerste Kamer der Staten Generaal.' De agent greep zijn mobilofoon: 'Bel de inrichting maar, we hebben hem!' Zijn zoon Bart de Rijk vertelde deze anekdote op zijn uitvaart afgelopen zaterdag in Eijsden.
Mediëvist, taalfilosoof, voormalig PvdA-Kamerlid en hoogleraar wijsbegeerte Bertus de Rijk overleed op 30 juni aan de gevolgen van een zware val. Ondanks zijn hoge leeftijd was hij nog kerngezond en werkte aan wetenschappelijke publicaties, hoewel hij in december wel was gestopt met het geven van college. Bertus de Rijk was bekend in Nederland, maar geen BN'er. Hij hoefde niet op televisie.
Hij werd als Lambertus de Rijk geboren in een katholiek gezin in Hilversum en was het tweede kind in een gezin van vier. Als knapste jongetje van de klas werd hij in de jaren dertig uitverkoren voor een priesterstudie. En, net als alle jongetjes op het seminarie, ambieerde hij bisschop of paus te worden. Via het kleinseminarie in Bergen op Zoom kwam hij terecht op het grootseminarie in Utrecht. Hij was zeer geïnteresseerd in de wijsgerige onderwijzingen en in religiositeit an sich, maar kreeg twijfels over het bestaan van God en afkeer van de dogma's van de kerk. Toen hij op het seminarie zijn eerste preek hield, merkte de docent op: 'Uitstekend De Rijk, die preek is voor iedere gelegenheid te gebruiken.' Het schortte hem aan doorleefd geloof. Dit leidde ertoe dat hij stopte met de priesteropleiding en zich ging wijden aan de wetenschap.
Bertus de Rijk ging vervolgens klassieke letteren en wijsbegeerte studeren aan de Universiteit van Utrecht, alwaar hij in 1952 cum laude promoveerde op de filosofie van Aristoteles. In 1950 werd hij leraar Grieks en Latijn aan de katholieke meisjesschool Ter Eem. In 1961 werd hij benoemd tot hoogleraar middeleeuwse wijsbegeerte aan de universiteit van Nijmegen. Later volgden ook nog benoemingen aan de universiteiten van Utrecht en Leiden. Hij was de founding father van het vakgebied middeleeuwse logica en semantiek. Hij was ook nauw betrokken bij de oprichting van de faculteit cultuurwetenschappen aan de universiteit van Maastricht en is daar tot op hoge leeftijd college blijven geven.
In 1954 keerde De Rijk zich tegen het bisschoppelijk mandement dat katholieken het lidmaatschap van de VARA en de vakbond NVV verbood en het lidmaatschap van de PvdA ontried. Als reactie daarop werd De Rijk juist lid van die partij en werd al na twee jaar voor de PvdA een katholiek boegbeeld in de Eerste Kamerfractie; hij was lid van de Eerste Kamer tussen 1956 en 1991. Als Kamerlid was hij vooral woordvoerder van de partij op de terreinen defensie en onderwijs. Als overtuigd republikein stemde hij tegen het voorgenomen huwelijk tussen Beatrix en Claus, maar hij had niets met het geitenwollensokken partijkader of Nieuw Links en was ook geen maatje van Joop den Uyl. Vaak verlevendigde hij zijn betogen met beeldspraken, opmerkelijke vergelijkingen en aan de klassieke oudheid of de Middeleeuwen ontleende gebeurtenissen.
Zijn sobere atheïsme weerhield hem er niet van te kunnen genieten van kerkelijke orgelmuziek en Gregoriaanse gezangen. Zo werd op zijn verzoek bij zijn uitvaart afgelopen zaterdag tot slot het traditionele In Paradisum gezongen.
(10-7-2012)

Piet Ekel (1921 – 2012)
Acteur

Onvergetelijk als Malle Pietje

Toevalligerwijs raakte Piet Ekel betrokken bij de populaire tv-serie Swiebertje. Een eenmalig optreden mondde uit in een rol die hij zeven jaar lang vervulde.

Peter de Waard

Schrijver John uit den Bogaard was uitgekeken op de eeuwige controverse tussen de zwerver en de veldwachter. Regisseur Dick van ’t Sant van de legendarische NCRV-jeugdserie Swiebertje zocht voor een laatste aflevering in mei 1968 een acteur die de rol van een rijwielreparateur wilde spelen. Zijn keuze viel op de Soester kleinkunstenaar Piet Ekel. Voor die ene aflevering stemde de hoorspelacteur en producer toe.
Maar zijn rol was zo’n succes dat Uit den Bogaard weer inspiratie kreeg en de serie nog zeven jaar zou worden voortgezet. Piet van Dijk, beter bekend als ‘Malle Pietje’, was vanaf dat moment het vijfde vaste personage naast Swiebertje, Bromsnor, de burgemeester en de huishoudster Saartje.
Ekel overleed op 28 juni als laatste van de cast in Soest, waar hij zijn hele leven was blijven wonen. Na een mulo-opleiding vond hij in de jaren dertig aan baan als kantoorbediende en medewerker van het Gewestelijk Arbeidsbureau in Amersfoort. Maar het creatieve beroep trok hem en hij greep zijn kans door tijdens de bezetting anoniem mee te werken aan het propagandistische en zelfs antisemitische Zondagmiddagcabaret van Paulus de Ruiter bij de door de Duitsers gecontroleerde Nederlandse Omroep.
Wegens collaboratie werd Ekel na de oorlog geschorst, totdat dominee Everhard Spelberg, oprichter van de VPRO en baas van nieuwe nationale omroep ‘Radio Nederland in Overgangstijd’ hem weer een baantje gaf als medewer ker van het grammofoonplatenarchief. Ekel volgde toneel- en zanglessen en werd na het winnen van een radiovoordrachtwedstrijd eind jaren veertig lid van de hoorspelkern van de omroepen, waarbij hij als eerste door de KRO werd gevraagd voor het programma Negen Heit de Klok. Al gauw werd Ekel in Hilversum de man van 1.001 stemmetjes die in de kaartenbakken van de omroepen onder de letter B van ‘Bijzonder’ was te vinden. Hij gold als de ‘stemmentemmer in de emmer’, omdat hij altijd een zinken emmer bij zich had om zijn stem te vervormen. Ekel deed De Steravonden voor de NCRV en De Bonte Dinsdagavondtrein voor de AVRO. Hij noemde zich een ‘bovenzuilerig figuur’ die voor alle omroepen werkte.
Als ergens een boterham moest spreken – bijvoorbeeld in een STER-spot of een animatiefilm – werd Ekel gebeld. Hij werd de stem van Coco en de Vliegende Knorrepot, de Zandman in Barend de Beer, maar ook van alle karakters in de tekenfilmserie Calimero. Hij imiteerde prins Bernard en zelfs Hitler, Goebbels en Seys-Inquart voor oorlogsdocumentaires. Hij was de papagaai in Ja Zuster, Nee Zuster en werkte tien jaar bij het orkest De Bietenbouwers.
De eerste proefuitzendingen van Swiebertje waren al in 1955 begonnen. In 1960 kwam de serie elk jaar op de televisie – acht afleveringen per seizoen. In 1968 gaf Ekel nieuw bloed aan de serie. Zijn karakter van de altijd struikelende, stotterende en bijna naïef goudeerlijke neringdoende Malle Pietje sprak de kijkers enorm aan, net als zijn uiterlijk met de slobberbroek, het geruite overhemd, de brandweerbretels, de halfhoge schoenen, het gedeukte hoedje en het sigarenstompie in zijn mondhoek. Malle Pietje werd ‘met de indiaan KlukKluk uit de serie Pipo de Clown’ door boze onderwijzers wel eens de grootste taalbederver van Nederland genoemd. Hij sprak de u uit als o, waardoor gulden klonk als ‘golden’ en burgemeester als ‘borgemeester’. Bij samengestelde woorden voegde hij een e in het midden toe. Zitplaats werd ‘zitteplaats’ en speklap’ spekkelap’. Het einde van de serie in 1975 werd door de VPRO-gids begroet als ‘een symbolisch einde van het feodale tijdperk’ van baronnessen, freules en mijnheer de burgemeester, maar Nederland huilde, niet alleen de kinderen maar ook de volwassenen. 25 jaar later zou Swiebertje worden uitgeroepen tot het beste televisieprogramma van de 20ste eeuw.
Ekel pakte na 1975 al snel zijn oude werk weer op. Hij zou in meer dan duizend hoorspelen optreden. Maar hij speelde ook op het toneel, onder meer in stukken van Herman Heijermans. Toen hij al 80 jaar was, sprak hij voor de film Tarzan nog de stem in van de vader van Jane. Ekels eerste vrouw overleed al op jonge leeftijd. Hij hertrouwde later met een vrouw uit Soest die hij kende van de gymnastiekvereniging De Springbokken, waar hij jarenlang de praeses was. Vijf jaar geleden werd kanker vastgesteld bij Ekel.
(7-7-2012)

Jan de Soet (1925-2012)
KLM-topman

In de schaduw van Orlandini

Jan de Soet, die vrijdag op 86-jarige leeftijd stierf, was van 1987 tot 1990 de hoogste baas van KLM.

Peter de Waard

Hij was geen tussenpaus, maar De Soet, die de charismatische Sergio Orlandini opvolgde als topman van KLM, is altijd in de schaduw van zijn voorganger blijven staan. Maar terwijl onder Orlandini vele wilde plannen nooit van de grond kwamen, sloot De Soet de belangrijke strategische alliantie met Northwest Airlines. KLM troefde daarbij minimaal tien andere Europese luchtvaartmaatschappijen af, die met de Amerikaanse megacarrier in zee wilden.
Jan de Soet, die afgelopen vrijdag overleed, werd geboren in Den Haag. Hij studeerde rechten in Leiden. Daarna werkte hij Unilever en Tomado (producent van keukengerei), voordat hij in 1961 in dienst trad bij de KLM. Hier werd hij in 1973 de tweede man achter president-directeur Orlandini.
Hij zou liefst veertien jaar tweede man blijven voordat hij zelf nog drie jaar de scepter mocht zwaaien. ‘Vals bescheiden’ en ‘uiterst voorzichtig’ noemde Elsevier hem toentertijd.
Zijn zwijgzaamheid betekende geen besluiteloosheid. De liberalisatie van de luchtvaartsector noopte tot ingrijpende maatregelen. Hij besloot tot een grootscheeps kostenbesparingprogramma van 400 miljoen gulden (180 miljoen euro).
De Soet voorzag de enorme groei en de congestie op Schiphol en positioneerde KLM al eind jaren tachtig als een global airline met moderne gecomputeriseerde reseveringssystemen. Zijn ambitie om van de KLM een wereldspeler te maken die zou overnemen in plaats van overgenomen te worden, kwam hem op veel kritiek te staan. Maar daar trok hij zich weinig van aan: ‘Het is bij de KLM altijd krabben en bijten’, constateerde hij in 2004, na de fusie met Air France die onder een van zijn opvolgers Leo van Wijk plaatsvond.
In tegenstelling tot Orlandini, die zei dat door deze fusie KLM aan de Fransen werd verkwanseld, kon De Soet voor de fusie begrip opbrengen. ‘In deze nieuw tijd is een alliantie niet meer voldoende.’
Nadat De Soet in 1990 opstapte als president-directeur van de KLM werd hij door zijn talrijke commissariaten (Martinair, Holland International, Grontmij, Van Ommeren, PTT, Ahold enz.) een van de meest invloedrijke bestuurders.
(4-7-2012)

Jos van der Linden (1947 – 2012)
Filmproducent

De eerste film die Jos van der Linden produceerde was Rooie Sien. Daarna volgde een lange reeks, waaronder bekroonde werken als De Aanslag en Zwartboek.

Peter de Waard

Jos van der Linden zat boordevol plannen. Deze zomer zou hij als uitvoerend producent betrokken zijn bij de nieuwe film van Steven de Jong (onder meer de regisseur van Kameleon, Hel van ’63, De scheepsjongens van de Bontekoe) die de titel Boerenliefde had gekregen. Op 10 juni overleed Van der Linden volkomen onverwachts in zijn slaap aan een hartstilstand.
Van der Linden was een van de meest vooraanstaande Nederlandse filmproducenten in de afgelopen veertig jaar. Zijn grote doorbaak was Spetters in 1980 (met onder anderen Maarten Spanjer en Renée Soutendijk), die Paul Verhoeven maakte nadat hij de samenwerking met producent Rob Houwer had verbroken.
Spetters kreeg aanvankelijk vernietigende recensies, maar werd een bioscoophit en baande zelfs de weg voor Jeroen Krabbé, Rutger Hauer en Verhoeven in de richting van Hollywood. In 1987 werd Spetters bekroond met een Oscar voor beste buitenlandse film. Van der Linden hield zelf ook een passie over aan de film: motorcross. Volgens zijn echtgenote Anne van der Linden – als regisseur op dit moment bezig met een vervolg van de NCRV-serie Levenslied – was het eigenlijk zijn enige grote hobby naast zijn werk. ‘Hij hield er eigenlijk veel te laat mee op, pas acht jaar geleden, terwijl het toch iets is voor jongen mensen.’ Jos van der Linden zou altijd een goede band met Verhoeven houden en werd door hem ook als uitvoerend producent in de hand genomen bij de verfilming van Zwartboek, de duurste Nederlandse speelfilm ooit.
Van der Linden werd geboren in Amsterdam-Zuid als de zoon van een verzekeringsagent. De hele familie was zeer creatief. Zijn oudere broer Wim zou bekend worden als de fotograaf en de cineast in de jaren zestig. Hij maakte vele foto’s van de undergroudbeweging, nozems en ook de foto voor de omslag van het boek Ik Jan Cremer voordat hij voor de televisie actief werd als bedenker van controversiële programma’s als Hoepla en de Fred Haché- en Barend Servet-shows. Zijn zus Reineke van der Linden was een van de echtgenoten van dichter Simon Vinkenoog.
Jos van der Linden was de benjamin. Hoewel hij als kind in zijn eentje naar de bioscoop ging en op zijn achtste jaar al een filmscript schreef, leek hij iemand te zijn die in het voetspoor van zijn vader zou treden. Hij volgde de hbs en deed daarna een accountantsopleiding. Hij kwam eind jaren zestig in dienst bij producent en regisseur Rob du Mée (Rooie Sien, De Inbreker) als een handige cijferaar die goed kon budgettairen. Al gauw werd hij zelf producent en ook uitvoerend producent. Job Gosschalk werkte vaak met hem samen. Eerst als directeur van Kemna Casting en later ook als regisseur van Alle tijd met Paul de Leeuw. ‘Hij was een bekwaam producent, omdat hij tegelijkertijd het proces creatief begeleidde maar ook nauwlettend op de kosten lette.’ Andere belangrijke films waarvan Van der Linden producent was, waren Ik ben Joep Meloen en De Aanslag. Ook de laatstgenoemde film naar het boek van Harry Mulisch werd met een Oscar bekroond. Voor Paul Verhoevens Zwartboek ontving Jos van der Linden een Gouden Kalf als beste film, net als voor Vroeger is Dood met Jasperina de Jong.
Zijn oeuvre is te groot om in zijn geheel op te sommen. Andere speelfilms die hij produceerde, waren onder meer De Bunker (1992), Hoogste Tijd (1994), Costa (2000) en Vet Hard (2004) en de films van Steven de Jong. Daarnaast deed hij talrijke televisieseries: Tijd van Leven (1994), Blauw Blauw (1999), Wilhelmina (2000) en Shouf Shouf (2008). Ook was hij betrokken bij het Nederlandse deel van de productie van de klassieker The Girl with the Pearl Earring met Scarlett Johansson en Colin Firth.
Van der Linden werkte het liefst zonder assistent. Hij stond bekend als een controlfreak die alles zelf in de hand wilde houden. Zo voorkwam hij dat Verhoeven met Zwartboek ver over het budget zou gaan. In de veertig jaar dat hij als producent actief was, werkte hij met bijna alle grote Nederlandse regisseurs. Zijn motto’s warens hard werken en loyaliteit. Hij trad zelf niet graag op de voorgrond. Zijn werk was voor hem alles, de publiciteit eromheen hoefde niet zo nodig. Gosschalk: ‘Eigenlijk was hij redelijk wars van alle publiciteit.’ Jos van der Linden had één zoon uit zijn eerste huwelijk met Mieke Valkenaars en twee kleinkinderen.
(30-6-2012)


Nelly Wijsbek (1926 – 2012)
Zangeres

Ze werd de Nederlandse Vera Lynn en de Nederlandse Doris Day genoemd en had haar grootste successen in de jaren vijftig en zestig.

Peter de Waard

Haar uitvoeringen van We’ll Meet Again, White Cliffs of Dover en Land of Hope and Glory waren vlak na de bevrijding bijna de enige uitingen van populaire cultuur waar het door de oorlog totaal verarmde land zich even aan kon koesteren. Nelly Wijsbek werd in die tijd de Nederlandse Vera Lynn genoemd. De echte Forces Sweetheart had het al druk genoeg met het opbeuren van de mensen en militairen in het eigen land.
Wijsbek zou volgens haar nicht Gerdien Bakermans-Kluitman later ook de Nederlandse Doris Day worden genoemd. Ze zong net zo gemakkelijk country als jazz of het populaire Nederlandse repertoire. Eind jaren zestig verdween ze in de vergetelheid. Ze overleed op 29 mei in het verzorgingshuis De Archipel in Eindhoven, een dag voordat ze 86 jaar zou worden.
Nelly Wijsbek wordt in 1926 als Nelly der Kinderen geboren in Eindhoven in een katholiek gezin van acht kinderen dat moet rondkomen van een transportbedrijfje en een café aan de Aalstweg dat onder de naam Janus der Kinderen bekend staat. Muziek maken is in het gezin een grote hobby. Nelly zingt en speelt gitaar vanaf haar 14de jaar. Samen met haar broer Dolf treedt ze tijdens de oorlogsjaren onder de naam Mauna Loa Hawaïns op in het café, gekleed in blouses die van oude parachutes zijn gemaakt. Nadat Brabant is bevrijd, treedt ze op voor Britse militairen met de nummers van Vera Lynn.
In 1948 trouwt ze met de beroepsmilitair Noud Wijsbek. Het huwelijk houdt 28 jaar stand. In 1976 scheidt ze van hem en hertrouwt met Bob Lourenz, eveneens een beroepsmilitair en commandant van de Irene Brigade. Hoewel ze de naam van haar nieuwe echtgenoot aanneemt en zich Nelly Lourenz-der Kinderen gaat noemen, blijft ze de rest van haar leven optreden als Nelly Wijsbek.
In 1952, ze zingt op dat moment jazz bij Rhythme Club Eindhoven, wint ze een Doris Day-wedstrijd, waarna ze wordt gecontracteerd door de Belgisch-Amerikaanse platenmaatschappij Ronnex. Ze krijgt de kans zich klassiek te laten scholen, maar geeft de voorkeur aan het populaire genre. Eerst scoort ze een hitje met Candy Bar Boogie en daarna heeft ze haar grootste succes met de uitvoering van dat nummer één wordt in zowel Nederland en België en ook in Scandinavië en Frankrijk wordt uitgebracht. Ze verdient er een auto mee, waarmee ze door het land toert. Andere platen volgen, zoals Sweet Georgia Brown, Venezia en Night and Day en ook Nederlandse nummer als De Trekpiano en Heel mijn hart. Die staan in de jaren vijftig tussen de opkomende rock ’n roll uit de VS in de hitparade.
Tot 1957 blijft Nelly Wijsbek platen maken voor Ronnex. Dan heeft Polydor een tegenhanger nodig voor de populaire Selvera’s. Besloten wordt dat ze samen gaat zingen met de Limburgse Joke Rutte in de Limbra Zusjes (Limburg/Brabant). Rutte wordt een jaar later vervangen door Willy van Wanrooy met wie ze de grootste hits heeft: Twee dorpjes verder, Zeg kleine ree en Twee reebruine ogen. Die laatste twee worden overigens ook door de Selvera’s uitgebracht.
Hoewel ze misschien de allereerste Nederlandse artiest was die ooit voor televisie optrad – Philips huurde haar in voor de eerste proefuitzendingen – is ze vooral een grote radioster. Ze begint bij het sextet van Willy Langstraat voor de AVRO en kort daarop voor het KRO-dansorkest van Klaas van Beeck. Ook treedt ze op met het Metropole Orkest en The Skymasters en zingt ze duetten met onder anderen Willy Alberti en John de Mol sr. Voor Johnny Hoes covert Nelly Wijsbek veel nummers van anderen, wat haar een Gouden Plaat voor 1 miljoen verkochte Telstar-platen oplevert.
Ze zingt later ook nog jarenlang in het radioprogramma Down in the Valley bij de KRO met Co Hagedoorn, vooral bekend als de zanger van de Nederlandse titelsong van de televisieserie Ivanhoe in de jaren zestig, en met Herman Emmink in Café Chantant. Ook is ze een van de stemmen voor de reclamespotjes van Heerlijk Helder Heineken. In de jaren zeventig begint ze nog een café op ’t Loon in Waalre, waar ze op verzoek van de klanten zo af en toe nog de microfoon pakt, totdat ze in 1992 na hartklachten het café verkoopt. Daarna is ze alleen nog eens per jaar de Nederlandse Vera Lynn tijdens de bevrijdingsfeesten in Eindhoven.
(23-6-2012)


Roel de Wit (1927-2012)
Bestuurder

Man achter de ‘overloop”

Liefst zestien jaar was hij commissaris van de koningin in Noord-Holland. Die baan was vanaf 1976 de bekroning van zijn carrière als ‘groen’ bestuurder.

Peter de Waard

Zonder overloop zou Amsterdam mogelijk een grote autostad zijn geworden met 1 tot 1,5 miljoen inwoners. ‘Zoiets als Los Angeles’, zei Roel de Wit vier jaar geleden in een interview met de Volkskrant.
De PvdA’er besloot als wethouder ruimtelijke ordening eind jaren zestig dat Amsterdam geen mammoet-stad mocht worden. Daarom gooide hij het op een akkoordje met andere gemeenten die wel wilden groeien. Het resultaat was de ‘overloop’, waarbij Amsterdamse woningzoekenden werden gehuisvest in steden als Almere, Hoofddorp, Purmerend, Hoorn en Alkmaar.
Het leidde tot de dagelijkse files rond de hoofdstad, maar De Wit vond dat dit een klein offer was voor het behoud van groene gebieden als Waterland, Spaarnwoude en Het Groene Hart en een mogelijk ongerichte groei van allerlei dorpjes in West-Friesland.
De Wit overleed op 3 juni in Haarlem, waar hij bleef wonen nadat hij zestien jaar commissaris van de koningin voor de provincie Noord-Holland was geweest.
De Wit werd geboren in Amsterdam. Na de hbs studeerde hij biologie aan de gemeentelijke universiteit. In 1946 werd hij lid van de PvdA en ook van de Nederlandse Bond van Natuurstudie. Natuur, groene zones en kleinschaligheid zouden bijna altijd een belangrijke en soms zelf doorslaggevende rol in zijn beleid spelen. Hij zou zich in de jaren vijftig al zeer kritisch uitlaten over de aantasting van de natuur door de landbouw.
Als PvdA’er beperkte hij zich aanvankelijk tot het ophalen van de contributie bij de partijleden – een opstapje dat hij later ook andere partijleden die te snel carrière wilden maken graag aanraadde.
Pas in 1958 maakte hij zelf zijn eerste stap op het heikele politieke toneel. Hij werd gekozen als lid van de Provinciale Staten in Noord-Holland. Vier jaar later werd hij ook lid van de Amsterdamse gemeenteraad en in 1965 volgde hij Joop den Uyl – die als minister naar Den Haag vertrok – op als wethouder in Amsterdam.
Meteen moest hij de belangrijkste keuze van zijn politieke carrière maken: óf Amsterdam verder laten groeien, óf een regionale oplossing kiezen met behoud van groene ruimten rond Amsterdam. Hij besloot dat de Bijlmermeer de laatste woningbouwlocatie in de stad zelf zou worden. Voor verdere nieuwbouw zou over het Waterland worden gesprongen naar de polder De Purmer die tot de gemeente Purmerend behoorde, een van de groeikernen. Later zou De Wit ook nog het besluit nemen voor de aanleg van de metro in Amsterdam.
De opkomst van Nieuw Links binnen de PvdA was voor de reformist De Wit moeilijk te verteren. ‘Ik ben geen revolutionair’, reageerde De Wit. Hij kwam steeds vaker in aanvaring met radicalere PvdA-bestuurders als Han Lammers en Jan Schäfer. Zij keerden zich ook tegen zijn overloopbeleid. Tot hun afgrijzen constateerden ze dat binnen tien jaar 200 duizend Amsterdammers, meestal uit de meer welvarende klassen, de stad voor de provincie hadden verruild. Amsterdam bleef achter met ouderen, sociaal-zwakke groepen en immigranten. Met stadsvernieuwingsplannen probeerden zij de weggetrokken mensen weer terug te halen naar de stad.
De Wit was op dat moment allang weg. Hij werd in 1970 zelf burgemeester van een van die groeikernen: Alkmaar, op dat moment een vrij besloten stad zonder veel dynamiek. In zes jaar verdubbelde de bevolking. In zijn laatste week als burgemeester sloeg De Wit nog drie eerste palen, Roels befaamde hattrick, voor nieuwe regionale voorzieningen die de metamorfose van Alkmaar naar een middelgrote stad met een centrumfunctie voor de hele kop van Noord-Holland, mogelijk maakte.
In 1976 volgde zijn benoeming tot commissaris van de koningin in Noord-Holland. Zijn regenteske bestuursstijl leidde binnen zijn eigen partij herhaaldelijk tot aanvaringen. Daarvan trok hij zich overigens weinig aan. Hij bleef ondanks zijn sociaal-democratische achtergrond boven de partijen staan. Liefst zestien jaar zwaaide hij de scepter in het provinciehuis in Haarlem.
Naast deze werkzaamheden vervulde De Wit talrijke functies op het terrein van het landschaps- en natuurbeheer, zoals die voor het Noordhollands Landschap, het Gooisch Natuurreservaat en het Nationaal Park Zuid-Kennemerland.
(16-6-2012)


Phil Muijsson (1949 – 2012)
Uitgever

Ongekende fascinatie voor schrijvers

In de literaire wereld voelde hij zich thuis. Het liefst was hij zelf een groot schrijver geworden, maar na een voorzichtige aanloop stokte die carrière en werd hij uitgever.

Peter de Waard

In Den Haag ging hij graag de huizen af van schrijvers met als doel een plaquette te laten aanbrengen. Muysson had graag zelf een grote schrijver willen worden, maar hij werd uitgever. Uiteindelijk eindigde zijn leven op een wijze die een groot schrijver zou wensen. De drank werd hem fataal. Op 17 mei overleed Phil Muysson aan de gevolgen van een hartstilstand
Phil Muijsson werd geboren in Rotterdam, groeide op in Voorburg en volgde in Den Haag een opleiding aan de Sociale Academie. Hij ontwikkelde zich tot een eigenzinnige jongeman die zich graag afzette tegen de gevestigde orde. Hij veranderde zelfs zijn eigen voornaam Pim in Phil, naar Phil May, de zanger van de Engelse rockgroep The Pretty Things.
Bij de schoolkrant begon hij al te schrijven en interviews af te nemen, vooral met popsterren, maar hij vond zichzelf geen echte schrijver. Wel raakte hij geïnteresseerd in literatuur. De Ierse auteur en dichter Samuel Beckett was zijn favoriete schrijver. Samen met onder anderen Henk Camping (nu directeur van Filmtheater ’t?Hoogt in Utrecht) organiseerde hij literaire avonden in het HOT-theater in Den Haag. Literatuur was in de jaren zeventig een hype en schrijvers als Jan Wolkers trokken volle zalen. Ook ging hij samen met anderen absurdistisch totaaltheater produceren. Dat theater noemde hij BZZTôH, niet naar het geluid van het vallen van een guillotine maar naar de God van de Artistieke Wanprestatie.
BZZLLETIN werd de naam van het literaire tijdschrift waarmee Muijsson opvallende successen oogstte. Eind jaren zeventig had het blad een oplage van 25 duizend stuks, inclusief veel schoolabonnementen. Voor de voorstellingen en het tijdschrift ontving hij een flinke subsidie van de gemeente Den Haag, waardoor het in stichtingsvorm opgezette bedrijf zich kon bedruipen. In 1975 gaf hij voor het eerst ook een boekje uit: Dartelen met versvormen van Drs. P met een voorwoord van Gerrit Komrij. De uitgeverij groeide zo snel dat Muijsson een zakelijk partner nodig had. Dat werd Arend Meijboom. Zes jaar later werden alle subsidies stopgezet en moest de uitgeverij – inmiddels ook BZZTôH geheten – op eigen benen staan. Muijsson deed het creatieve gedeelte, Meijboom de zakelijke kant.
In eerste instantie concentreerde de uitgeverij zich op literaire werken. Veel succes had BZZTôH met de uitgave van de boeken van de Amerikaans-joodse schrijver Chaim Potok. Van eigen bodem kwam een succes met het boek Kinderjaren van Jona Oberski. In de jaren negentig begon BZZTôH ook non-fictie uit te geven. Andrew Mortons wereldwijd opzienbarende boek Lady Di over de huwelijkscrisis tussen de Britse kroonprins Charles en zijn echtgenote, was een onverbiddelijke bestseller. In de jaren negentig was BZZTôH ook succesvol met landenkookboeken, zoals De Italiaanse keuken van Claudia Roden. Ook I always get my sin, van Maarten Rijkens, een bloemlezing van fouten die Nederlandsers maken als ze Engels spreken, werd een succes. Maar Muijsson durfde ook boeken uit te geven waarvan de kwaliteit twijfelachtig was en het commercieel succes onzeker. Zo bracht hij ook veel esoterische boeken op de markt en gaf hij een wielerroman uit. Hij deinsde ook niet terug voor een boekje over astrologie. Muijsson stond in de jaren negentig bekend als de eerste Nederlandse eclectische uitgever. ‘Het is een misverstand te denken dat een uitgeverij literatuur uitgeeft. Een uitgeverij geeft boeken uit. Wij staan daarom bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als handelaren in bedrukt papier en daaraan verbonden rechten’, zei hij in een interview met het weekblad De Groene.
Naast uitgever was Muijsson vooral avonturier. Hij maakte graag verre reizen, ook naar landen waar vrijwel niemand kwam zoals Noord-Korea. In 2008 ging het fout. BZZTôH zag de omzet kelderen en een jaar later moest het faillissement worden aangevraagd. Zijn partner Arend Meijboom noemt het een gevolg van de marktomstandigheden. ‘De crisis in de boekenbranche was begonnen en die duurt nog voort.’ Meijboom maakte met de uitgeverij BBNC in Amersfoort een doorstart zonder Muijsson. ‘Ik had met hem willen doorgaan maar onder bepaalde voorwaarden en daar wilde hij niet aan voldoen.’ Muijsson had toentertijd al een drankprobleem. Nadat hij in een diep zwart gat was beland werd dat nog erger, ook omdat vlak na het faillissement zijn vrouw overleed.
Lange wandelingen vooral langs huizen van schrijvers en andere markante persoonlijkheden waren daarna zijn belangrijkste uitlaatklep. Maar het faillissement kwam hij niet meer te boven.
(9-6-2012)


Ray Bradbury (1920-2012)
Sciene fiction-schrijver

Grootmeester van de SF-literatuur

Hij werd vaak in één adem genoemd met George Orwell. Van zijn boeken zijn ook enkele verfilmingen beroemd geworden.

Peter de Waard

Het fameuze boek Fahrenheit 451 van Richard Bradbury wordt vaak in één adem genoemd met 1984 van George Orwell. Beide boeken verschenen ongeveer in dezelfde naoorlogse periode. Het thema van angst voor een toekomst onder een meedogenloze dictatuur is hetzelfde.
Volgens sommigen is ook de schrijfstijl te vergelijken. De Amerikaan Bradbury en de Brit Orwell wilden ook allebei een politieke verklaring afleggen die tot op de dag van vandaag actueel is. Michael Moore pikte voor zijn film Fahren­heit 9/11 in 2004 zelfs gedeeltelijk de titel van het boek, overigens tot ongenoegen van Bradbury.
De sciencefictionauteur Bradbury – volgens velen een van de allergrootsten in het genre – overleed afgelopen dinsdag op 91-jarige leeftijd in Californië, ruim 62 jaar na Orwell.
Fahrenheit 451 verscheen in 1953 (vier jaar na 1984) en speelt zich af in een toekomstige wereld waarin boeken zijn verbannen en niemand meer kritiek mag hebben. De hoofdpersoon is een brandweerman wiens enige taak het is boeken te verbranden. De titel refereert aan de temperatuur waarbij boekpapier vlam vat en verbrandt: 451 graden Fahrenheit of 233 graden Celsius. Het boek werd in 1966 verfilmd door François Truffaut met Oskar Werner in de hoofdrol. In 2005 werd er een nieuwe film van gemaakt.
Behalve Fahrenheit 451 schreef Bradbury nog vijfhonderd werken in de categorieën sciencefiction, horror, misdaad en zelfs humor. Zijn andere bekende werk was de serie The Martian Chronicles uit 1950 over een groep mensen die de aarde ontvlucht en een kolonie van beschaafde mensen vernietigt op Mars. Het is een satire over racisme, kapitalisme en supermachten.
Bradbury verklaarde als auteur de toekomst niet te willen voorspellen, maar te willen voorkomen. In een interview met The New York Times verklaarde Bradbury : ‘Of het nu gaat over het koloniseren van de ruimte, het herbouwen van steden of het oplossen van welk probleem dan ook: we moeten ons de toekomst voor de geest halen. Inclusief alle technologie die daarvoor nodig is.’ Ander bekende boeken van Bradbury zijn Dandelion Wine, I Sing the Body Electric en From the Dust Returned.
De e-reader had Bradbury niet voorzien, maar hij vond het internet een grote bedreiging: ‘oplichterij die ons door computerbedrijven door de strot wordt geduwd’.
(7-6-2012)


Mariëtte Barnhoorn (1953 – 2012)
Zakenvrouw

Bloemenplukster aan de rand van het ravijn

Ze liet zich niet uit het veld slaan, ook niet door tragische gebeurtenissen op privégebied. Het uitzendbureau Luba groeide onder haar leiding en ze werd zakenvrouw van het jaar in 2004.

Peter de Waard

Tragiek en succes liggen dicht bij elkaar. Op 14 mei overleed Mariëtte Barnhoorn, jarenlang de baas van de uitzendketen Luba en zakenvrouw van het jaar 2004, op pas 59-jarige leeftijd. In hetzelfde jaar dat zij zakenvrouw van het jaar werd overleed haar partner Rob Mantel, eveneens pas 59 jaar oud. En toen ze nog maar 18?jaar was, verloor ze haar moeder.
Niettemin was Barnhoorn haar hele leven een ras-optimist die niet alleen persoonlijke maar ook zakelijke tegenslagen wist te overwinnen. Vlak nadat haar uitzendbureau Luba in 2002 concurrent Exact had overgenomen, stortte de uitzendmarkt in. Maar Barnhoorn wist zich er doorheen te slaan en werd twee jaar later zakenvrouw van het jaar, vanwege ‘haar nuchtere kijk op het functioneren van vrouwen aan het hoofd van een onderneming’. ‘Meiden’, zo zei ze een keer bij een bijeenkomst van vrouwelijke ondernemers. ‘Jullie moeten niet alles goed proberen te doen. Als je schoonmoeder kritiek heeft op je huishouden, laat haar het dan doen.’ Ondernemen was volgens haar fouten maken – ‘Bloemetjes plukken aan de rand van het ravijn’.
Mariëtte Barnhoorn werd geboren in het Noord-Hollandse Aerdenhout te midden van drie broers. Haar vader had een hoveniersbedrijf en was daarnaast koster van de r.k. kerk die zich naast hun huis bevond. Maar gelovig was Marriëtte niet. Ze kon zich van die tijd alleen herinneren dat ze na de mis onder de banken kroop om te zoeken naar de stuivers en dubbeltjes die uit de collecteschaal waren gevallen. ‘Het zakenbloed zat er al snel in’, zei ze in 2010. Ze werd later zelfs uitgesproken antikerks, maar erfde van haar vader wel het ondernemerschap en de werklust.
Op jonge leeftijd ging ze met een vriendin samenwonen in een flat in Zandvoort. Ze zou Engels gaan studeren, maar ze hield eigenlijk veel meer van stappen. Hele nachten kon ze haar bed niet zien. Ze werd receptioniste bij een hotel, sales-assistent bij Multiplan, administratief assistent bij General Dynamics op Schiphol-Oost, waar toen de F-16 werd gebouwd, en softwarevertaler bij een dochter van Centraal Beheer in Apeldoorn, toen de pc nog in de kinderschoenen stond. Daar leerde ze zo veel van computers dat directeur Rob Mantel van het uitzendbureau Luba haar in 1986 aannam als hoofd computertraining in Leiden. Met een pruttelende Mini reed ze dagelijks op en neer. Twee jaar later was ze vestigingsmanager in Rotterdam. ‘Eigenlijk hadden we maar één klant: Van Gend en Loos. Wij leverden datatypisten voor hen, maar ze wilden het contract beëindigen omdat ze ontevreden waren.’ Barnhoorn slaagde er niet alleen in om Van Gend & Loos als klant te behouden, maar leverde al gauw datatypistes voor een aantal Rotterdamse bedrijven. Daarnaast liet ze busjes uit Rotterdam rijden met personeel voor de vele vestigingen van Blokker. Ze controleerde elke morgen om half zes zelf of de busjes op tijd vertrokken en haalden mensen die te laat waren desnoods van huis. Eind jaren tachtig kreeg ze een relatie met Rob Mantel, met wie ze ook ging samenwonen in Leiden. Ze werd rayonmanager voor de hele Rijnmond.
Na 1995 werd ze het hoofd van het uitzendbureau dat toen een van de onderdelen was van wat inmiddels was uitgegroeid tot de Luba Groep. Zeven jaar later trok haar levenspartner zich terug. De commissarissen besloten haar tot de nieuwe directeur te benoemen. Mantel werd kort daarna ziek en overleed. Onder Mariëttes leiding groeide Luba uit tot een van de grootste uitzendorganisaties met 60 vestigingen en 300 werknemers, totdat het bedrijf in 2009 werd overgenomen door de Belgische t-Groep NV. Barnhoorn stapte op en koos voor enkele maanden per jaar domicilie in Portugal. Daarnaast begon zij een nieuw leven met het opleiden van jonge ondernemers. Verder had ze tientallen bestuursfuncties in de kunst en de ondernemerswereld. In een interview met het tijdschrift Intermediair constateerde zij dat de nieuwe generatie een veel lager niveau had –?‘van een mailtje met ‘hoi, ik heb je functie gezien, het lijkt me wel leuk en ik wil solliciteren’, had ik 20 jaar geleden een hartverzakking gekregen’ – en ontzettend verwend was. ‘De generatie Einstein, geboren tussen 1980 en 2000, moet je nooit op alle fronten tegemoetkomen, maar je moet als werkgever wel naar ze luisteren en voor een deel mee veranderen. Hou niet vast aan regeltjes, maar concentreer je op de vraag wat je met elkaar wilt bereiken en wat daarvoor nodig is.’
In 2010 werd ze ziek. Ze bleek baarmoederhalskanker te hebben. Aanvankelijk leek ze de ziekte nog te boven te komen, maar eind vorig jaar bleek de kanker te zijn uitgezaaid.
(2-6-2012)


Klaas Carel Faber (1922-2012)
Oorlogsmisdadiger

Vijftig jaar opgescholen

Samen met zijn broer was hij onder de Duitse bezetting betrokken bij de executie van tientallen arrestanten. Ruim vijftig jaar lang leefde hij ongestoord in Zuid-Duitsland.

Peter de Waard

Het Simon Wiesenthal Centrum zette hem in september 2011 nog op nummer één op de lijst van de tien meest gezochte oorlogsmisdadigers. Klaas Carel Faber, die donderdag 24 mei in zijn woonplaats Ingolstadt in Duitsland op 90-jarige leeftijd overleed, zou betrokken zijn geweest bij ten minste elf moorden in Westerbork en elf moorden daarbuiten.
Hoewel onduidelijk is hoeveel mensen hij persoonlijk heeft geëxecuteerd, werd hij in 1947 hiervoor ter dood veroordeeld. De Hoge Raad zette dit een jaar later om in een levenslange gevangenisstraf. In 1952 ontsnapte hij uit de Koepelgevangenis in Breda en vluchtte naar Zuid-Duitsland. Toen hij in 2003 werd opgespoord, bleek hij hier ruim vijftig jaar rustig te hebben kunnen leven, een baan te hebben gehad bij de Audi-fabriek en een gezin met drie kinderen te hebben gesticht.
Faber werd in Haarlem geboren. Hij trok in de oorlog op met zijn twee jaar oudere broer Pieter Johan Faber die in 1947 wegens 27-voudige moord eveneens ter dood werd veroordeeld en ook daadwerkelijk de kogel kreeg. Hun vader was banketbakker in Heemstede en een fanatieke NSB'er, die op 20 juni 1944 door de verzetsstrijdster Hannie Schaft werd gedood.
Klaas Carel Faber trad al voor de oorlog als zeer actief lid toe tot de Nationale Jeugdstorm wat er toe leidde dat hij van school werd verwijderd. Na de Duitse inval meldde hij zich aan bij de Nederlandse afdeling van de Waffen SS, maar toen de Duitsers hem probeerden te ronselen voor het eigen leger haakte hij naar eigen zeggen af omdat hij geen eed van trouw aan de Führer wilde afleggen. Hij werd instructeur bij de Weerbaarheidsafdeling (WA) van Musserts NSB en zou in mei 1942 toetreden tot de lijfwacht van Anton Mussert.
In 1944 volgde hij de beruchte politie-opleiding in Schalkhaar waarna hij samen met zijn broer Pieter Faber werd overgeplaatst naar Groningen, waar hij als polizei-angestellte hand-en-spandiensten ging verrichten voor de Sicherheitsdienst (SD) die zijn noordelijk hoofdkwartier had in Groningen. Hier maakte hij deel uit van het Sonderkommando Feldmeijer dat in het kader van de Aktie Silbertanne bekende Nederlanders ombracht als represaille voor het vermoorden van collaborateurs en de aanslag op onder anderen SS-officier Hanss Rauter.
Door de liquidatie van hun vader raakten de broers buiten zinnen, ze gingen verder dan wat Mussert en SS Brigadeführer Karl Schöngarth wilden. Ze waren betrokken bij de executie van tientallen arrestanten, onder wie de verzetsstrijders Esmée van Eegheren, Luitje Kremer, Krijn van der Helm en elf arrestanten op 8 april 1945 in Norg. Ook nam Faber deel aan razzia's, zoals die op 3 maart 1945 in Grijpskerk waar twee onderduikers werden doodgeschoten.
Na de oorlog werd Klaas Carel Faber het medeplegen van 22 moorden ten laste gelegd. Na zijn ontsnapping op 26 december 1952 vluchtte hij met vijf andere oorlogsmisdadigers bij Kleef de Duitse grens over. Nederland vroeg om uitlevering en tussen half januari en begin april 1953 zat Faber in Duitsland vast, maar de rechtbank in Düsseldorf wees het verzoek af, omdat hij vanwege zijn lidmaatschap van de Waffen SS de Duitse nationaliteit had gekregen.
De zaak raakte in de vergetelheid totdat nazi-jager Simon Wiesenthal in 1995 in een brief aan kanselier Helmut Kohl alsnog om vervolging van het zestal vroeg. Ook hij kreeg nul op rekest.
In de zomer van 2003 probeerde minister van Justitie Donner onder druk van de Tweede Kamer ervoor te zorgen dat het zestal inmiddels hoogbejaarde oorlogsmisdadigers alsnog in Duitsland hun straf zou uitzitten. Maar ook dit verzoek werd afgewezen. In augustus 2003 werd Faber door journalist Cees van Hoore van Haarlems Dagblad in Ingolstadt opgespoord na een tip van de linkse organisatie Kafka. Buurtbewoners kenden hem volgens diens verslag als 'een keurige heer op wie niets, maar dan ook niets, is aan te merken'. In 2007 stortte journalist en voorzitter van de Stichting Onderzoek Oorlogsmisdaden Arnold Karskens zich op de zaak en werd opnieuw namens zeven nabestaanden de Tweede Kamer in een open brief gevraagd om in actie te komen. Een arrestatiebevel van het Openbaar Ministerie werd in 2010 door de rechtbank in Beieren echter afgewezen.
SP-voorman Emile Roemer vroeg premier Rutte in april nog de zaak opnieuw aan te kaarten bij bondskanselier Merkel. De premier weigerde dit, hoewel hij zei te hopen dat Klaas Faber alsnog zo snel mogelijk achter de tralies zou verdwijnen.
(28-5-2012)

Paul van Polanen Petel (1953 – 2012)
Scherminstructeur

Een van de musketiers

Een leven zonder schermen kon hij zich niet voorstellen. Hij leerde acteurs de fijne kneepjes van de sport en had zijn eigen succesvolle school.

Peter de Waard

Schermleraar Paul van Polanen Petel was een van de mensen achter de toegenomen populariteit van die sport in Nederland. De strakke witte pakken, de Franse taal, de hoffelijke omgangsvormen, de gracieuze, maar in potentie zo dodelijke bewegingen bleken aantrekkelijk te zijn voor een nieuwe generatie Nederlanders.
In 2003, een jaar na de James Bond-film Die Another Day, waarin een aantal schermscènes voorkwam, bracht Joop van den Ende de musical 3 Musketiers in de Nederlandse theaters. Paul, die een opleiding toneelschermen had gevolgd in Amerika, instrueerde de acteurs hoe ze met de degen moesten omgaan. Zij waren meteen verkocht en de cursussen bij zijn schermschool Contre Temps stroomden vol. Schermlessen werden een alternatief voor organisatoren van bedrijfsuitjes.
Twee jaar geleden werd hij opnieuw gevraagd voor de musical Zorro. Die opdracht moest hij afwijzen. Bij hem was toen net darmkanker geconstateerd en een reeks chemokuren maakte werken onmogelijk. Paul van Polanen Petel overleed op 10 mei.
Hij had de sport in de genen als afstammeling van een Franse priester die begin 19de eeuw naar Nederlands Indië was gevlucht en daar scherminstructeur in het leger was geworden. Behalve Frans en Nederlands bloed was Paul ook van Indische afkomst en voor een kwart Balinees. ‘Mijn altijd liefdevolle en zorgzame zoon van het godeneiland Bali, heeft zijn puputan (strijd, red.) volbracht’, vertelde zijn moeder bij de crematie.
Zijn vader was KNIL-militair en vertrok uit Nederlands Indië toen Paul pas anderhalf jaar oud was. Eenmaal in Tilburg gehuisvest, verruilde zijn vader zijn militaire baan voor een functie als chemisch analist bij Philips. Paul koos aanvankelijk voor de studie natuurkunde in Eindhoven, maar stapte snel over naar de meer aantrekkelijke studie fysische geografie in Amsterdam.
Al vroeg had hij een fascinatie voor steekwapens, waaronder de Indonesische kris en de klewang. En zodra hij in Amsterdam woonde, werd Paul in 1978 lid van de schermvereniging van de universiteit. Hij koos voor de sabel, een wapen waarmee veel schermers nogal plegen te hakken, maar waarmee hij zich op zijn eigen wijze de subtiele bewegingen aanleerde om de tegenstander te lijf te gaan.
Door zijn talent en de trainingen bij maître Van Oeveren, in diens toenmalige schermzaal, schopte hij het tot een plekje in het nationale equipe. In 1981 ging hij samenwonen met Margreet Geels, studente Aziatische geschiedenis, die ook door de schermsport werd gegrepen.
Na zijn schermcarrière legde Paul zich toe op het lesgeven. Aanvankelijk als maître bij de Universitaire Schermvereniging (nu Esprit). In 1985 richtte hij samen met Bert van Til en Margreet Contre Temps op. Die vereniging bood in tegenstelling tot veel andere clubs de leerlingen een grote vrijheid. Veel van zijn activiteiten en het lesgeven voor Contre Temps deed Paul belangeloos. Met Margreet organiseerde hij tien jaar lang de populaire schermweekeinden op Texel. Samen zetten ze het internationale schermtoernooi van Amsterdam op; tegenwoordig beter bekend als SISTA-US.
In 2010 vierde Contre Temps het 25-jarig bestaan. Paul wist toen al dat hij ongeneeslijk ziek was. Toch heeft hij, tussen de chemokuren door, de veertig aanwezigen een uitgebreide Indische rijsttafel voorgezet. Na drie dagen voorbereiding was de hoeveelheid lekkernijen voldoende voor zeker zestig mensen.
Naast het schermen werkte hij bij het adviesbureau dat hij samen met Wicher Smit had en waarbij ze ondernemingsraden en multinationals van advies dienden bij reorganisaties, fusies en overnames.
Als fanatiek klimmer was hij ook nauw betrokken bij het ontwerp van de klimhal en de schermzaal in het nieuwe sportcentrum Universum van de UvA. Twee jaar lang werkte hij voor het mede door hem opgezette magazine Backstage Musical. Hij interviewde onder anderen Pia Douwes, Ivo de Wijs en Liesbeth List. In zijn vrije tijd genoot hij, met vriendin en honden, van het maken van rugzaktrektochten, kanozwerftochten en het kamperen onder eenvoudig omstandigheden, vaak in hartje winter.
(26-5-2012)

Eugene Polley (1915-2012)
Uitvinder afstandsbediening

Grondlegger van de luiwammes

Eugene Polley stond aan de basis van de afstandsbediening. Televisie zou met zappende kijkers op slag veranderen.

Peter de Waard

Zonder Eugene Polley zou niet worden gezapt. De uitvinder van de afstandsbediening voor de televisie is beloond met vele prijzen, maar niet iedereen zal hem dankbaar zijn. Zijn bijnamen zijn niet allemaal even vleiend. Naast 'mijnheer afstandsbediening' werd hij de 'grondlegger van de luiwammes' en de 'zaptsaar' genoemd. Polley overleed op 22 mei in zijn geboortestad Chicago. Hij werd 96 jaar.
Polley trad in 1935 in dienst bij de Zenith Radio Company als magazijnbediende voor 40 dollarcent per uur, maar werd al gauw onderzoeker. In de Tweede Wereldoorlog leverde Polley een bijdrage aan de ontwikkeling van radarsystemen.
In 1950 had Zenith al een afstandsbediening ontwikkeld die met een draad aan de televisie was verbonden, de Lazy Bones. Polley kwam vijf jaar later met de Flash-Matic, een groen apparaat dat met een hendel een bundel licht naar een fotocel op het toestel kon zenden. Zo konden kijkers van kanaal en volume wisselen. Mits er heel precies werd gemikt.
'Kijk eens', zo luidde een advertentie van Zenith in 1955. 'Zonder uit uw luie stoel te stappen kan met de Zenith Flash-Matic het toestel worden aan- en uitgezet en van kanaal worden gewisseld. U kunt zelfs het geluid van vervelende reclameboodschappen uitzetten zonder dat het beeld verdwijnt.'
De Flash-Matic leek met zijn enorme handvat meer op een föhn of een pistool dan op een afstandsbediening. Polley vond het zelfs nodig via een advertentiecampagne te waarschuwen dat het apparaat niet gevaarlijk was en er geen mensen mee konden worden omgebracht.

Polley kreeg een bonus van 1.000 dollar voor de uitvinding. De fotocel op de televisie bleek echter gevoelig te zijn voor ander licht, zodat spontaan van zender werd gewisseld. Daarom werd de Flash-Matic een jaar later vervolmaakt door zijn mede-onderzoeker, de in 2007 overleden Robert Adler. Pas veel later werd het systeem vervangen door de huidige afstandsbedieningen met een infrarood-systeem.
Doordat mensen niet meer zelf op de knoppen van het toestel hoefden te drukken, veranderde hun kijkgedrag. Programmamakers konden het zich niet meer permitteren de kijkers zelfs maar voor korte tijd te vervelen. Toen de Amerikaanse zender NBC erachter kwam dat 25 procent van de kijkers wegzapte bij de aftiteling van de tv-programma's, besloot NBC de aftiteling tijdens het einde van het programma door het beeld te laten lopen. Om de kijkers vast te houden, kregen programma's dynamischere, kortere scènes.
Polley zou achttien octrooien deponeren voor de Flash-Matic. In zijn latere jaren deed hij veel onderzoek naar de ontwikkeling van de videodisc en bedieningssystemen voor de autoradio. In 1997 ontving Polley de Emmy Award, de belangrijkste Amerikaanse televisieprijs. 'Misschien is het doorspoeltoilet de belangrijkste uitvinding van de beschaving. Maar de afstandsbediening is zeker de op een na belangrijkste. Net zo belangrijk als seks', zei hij tien jaar geleden op 86-jarige leeftijd.
(25-5-2012)

Jac Linders (1933 - 2012)
Kinderboekenschrijver

Eerste schrijver Sesamstraat

Met zelfverzonnen spannende verhalen wist hij de kinderen op school voor zich te winnen. Toen hij boeken ging schrijven, volgde de landelijke bekendheid.

Peter de Waard

Jac Linders heeft de babyboomers leren lezen. Zeker het kinderrijke rooms-katholieke deel onder hen. De namen van Honkie en Ponkie (14 delen), de tweeling Piet en Tom (12 delen) en Luuk en Lonneke (12 delen) moeten bij veel ouderen een lichtje doen branden.
Vooral het eerstgenoemde duo was razend populair. De avonturen van de twee waren ook te beluisteren op de radio. Voorts haakte ook de merchandising in op het succes met Honkie en Ponkie-postpapier, -kaarten, -stickers en -poppen. In Utrecht werd zelfs een school naar de hoofdrolspelers uit de serie vernoemd.
'Kinderen die veel lezen, liggen voor op anderen', zei Linders. Dat meende hij, maar het was ook meteen de beste reclameslogan voor zijn boeken die tenslotte door de wederopbouw-ouders moesten worden gekocht.
Jac Linders schreef 132 boeken - bijna allemaal voor kinderen tussen de 6 en 12 jaar oud. Daarnaast schreef hij hoorspelen en was hij als schrijver betrokken bij de eerste serie van Sesamstraat.
Vijf jaar geleden schreef hij nog een roman voor volwassenen. 'Het was zijn grote droom een keer een boek voor ouderen te schrijven, maar hij had daar eigenlijk nooit de tijd voor. Uiteindelijk werd het een boek met de titel De Obsessie dat bij een lokale uitgeverij is verschenen', zegt zijn zoon Pieter Balth Linders. De landelijke boekwinkels haalde dit boek niet.
Linders overleed 7 mei op 79-jarige leeftijd in Roosendaal, waar hij bijna zijn hele leven had gewoond. Hij leed al heel lang aan kanker.
Zijn vader was hoofd van de school in Dinteloord, waar hij in 1933 werd geboren. Hij koos zelf ook voor een opleiding aan de kweekschool, het internaat in Oudenbosch. Hij vond in 1952 een baan aan de lagere school St. George in Roosendaal. Al gauw viel op hoe hij de kinderen wist te boeien met zelf verzonnen spannende verhalen.
Een van zijn collega's raadde hem aan die op te gaan schrijven. In 1957 verscheen zijn eerste boek: Sjoerd de arme bedeljongen - bij Het Goede Boek in Bussum. Het was onmiddellijk een succes. Nadat hij vijf kabouterverhalen had geschreven met zelf gemaakte illustraties, werd hij door uitgeverij Lannoo benaderd voor het schrijven van de Honkie en Ponkie-serie.
Linders bleef aanvankelijk gewoon actief als onderwijzer, maar besloot na zijn huwelijk in 1960 ook nog logopedie te gaan studeren. In 1965 slaagde hij en vestigde zich als logopedist. 'Dat werd zijn beroep. Schrijven was zijn hobby', aldus zijn zoon.
Als logopedist trok hij zich ook het lot van astmapatiënten aan. In 1968 werd Jac Linders hierover geïnterviewd in het TV-programma Scala door Ageeth Scherphuis en Joop van Zijl. Zo ontstond het idee een boek te maken voor astmatische kinderen met als titel De Sprookjesvlinder vertelt
Hij was een professioneel auteur, maar schreef ook veel als vrijwilliger. Hij maakte scripts voor het jeugdtoneel en schreef liedjes voor musicals, en de stukken voor de jaarlijkse Sinterklaasintocht. Hij was een van de ambassadeurs van het Nederlandse Sinterklaascomité. Voor de katholieke kerk schreef hij nieuwe teksten die konden gebruikt worden bij het sacrament van het vormsel.
Aan het einde van zijn leven keerde Linders zich steeds meer van de kerk af. 'Ik stond voor het raam toen het bliksemde...toen God een foto van mij maakte. Vreemd eigenlijk. Ondanks alles hoop ik er toch goed op te staan', zei hij een keer.
Hij bleef zijn dromen nastreven. Naast het schrijven van een serieuze roman werkte hij aan methodes voor de hulp aan afasie-patiënten, mensen die als gevolg van een hersenbloeding een taalstoornis opliepen. In 2009 verscheen bij Kluitman zijn laatste boek: Puf en Kuchje in het Vlinderbos. Vorig jaar herdrukte Lannoo bij het 100-jarig bestaan van de uitgever nog een aantal van zijn Honkie en Ponkie-boeken.
(19-5-2012)

Antoinet gravin Schimmelpennick (1962 – 2012)
Sinoloog

Gravin als luizenmoeder

Peter de Waard

Antoinet Schimmelpennick had twee passies: China en muziek. In die volgorde, hoewel het liefst in combinatie. Ze was een multi-instrumentalist die als kind piano, viool en dwarsfluit leerde spelen, maar later ook instrumenten als de citer, gitaar, mandoline en zelfs tinwhistle oppakte. Zij besloot daarnaast al begin jaren tachtig Chinees te gaan studeren en werd een van de weinige Nederlanders die de taal vloeiend leerde spreken.
Daarna specialiseerde ze zich als sinoloog volledig op de Chinese taal en cultuur. Ze deed veldonderzoek naar Chinese volksmuziek, organiseerde honderden concerten met Chinese muziek, maakte filmdocumentaires en radioprogramma’s over China en publiceerde een wetenschappelijk tijdschrift over de ontwikkelingen in het land. Samen met haar echtgenoot Frank Kouwenhoven was ze de oprichter en drijvende kracht achter de stichting CHIME, European Foundation for Chinese Music Research, in Leiden.
Antoinet gravin Schimmelpenninck overleed 15 april op pas 49-jarige leeftijd aan de gevolgen van eierstokkanker, een ziekte die in 2010 bij haar werd ontdekt en waar ze zich moedig doorheen sloeg totdat ze toch de strijd verloor.
Antoinet werd op 1 juli 1962 in Dordrecht geboren als de tweede dochter van graaf Gerard Schimmelpenninck en Charlotte Verbeek. Haar zus Leontien was drie jaar ouder. De Schimmelpennicks, afstammelingen van de bekende raadpensionaris uit Franse tijd, waren voor een groot deel juristen, maar haar ouders waren actief in de landbouw. Haar vader Gerard Schimmelpenninck boerde zelfs een blauwe maandag in Canada voordat hij docent en bibliothecaris werd aan de Landbouwschool van Dordrecht, haar moeder werkte op het ministerie van Landbouw. Antoinet volgde zelf het Dordtse Johan de Witt-gymnasium en een jaar lang de (antroposofische) Vrije Hogeschool in Driebergen.
Ze wilde graag een moeilijke taal gaan studeren en na het lezen van F. Lattimores boek over het leven van het jongetje Sjang op het Chinese platteland koos ze voor de studie van die taal. Hiervoor moest ze naar Leiden, waar de enige Nederlandse universitaire opleiding Chinees werd gegeven. In 1984 bezocht ze voor het eerst China, dat onder leiding van Mao’s opvolger Deng Xiaoping net de deur naar het Westen op een kier had gezet. Maar de politieke situatie boeide haar altijd minder dan de cultuur. In haar studententijd maakte ze als koorlid deel uit van het Leidse Collegium Musicum, waar het repertoire uit klassieke muziek bestond, en waar ze haar toekomstige man, journalist en mede-koorlid Frank Kouwenhoven, leerde kennen. Ook zong en speelde ze in die tijd in de door haar en een aantal vrienden opgerichte folkband Plork volksmuziek uit alle windstreken van Europa. In 1987 en 1988 studeerde ze een jaar op de universiteit van Nanjing, waar ze begon met haar veldonderzoek naar Chinese volksliederen, dat de basis zou gaan vormen voor CHIME. Ze studeerde in 1987 af in de Sinologie (Chinese Taal en Cultuur) en promoveerde in 1997 met een dissertatie over Chinese volksliederen. Met Kouwenhoven kreeg ze twee kinderen: Elias en Nuria.
Hoewel ze een echte wetenschapper en onderzoeker was, deed ze ook enorm veel op de school van haar kinderen in Leiden. De gravin was timmerjuf, overblijfmoeder, luizenmoeder en voorzitter van de oudercommissie. Ze was open en hartelijk en kon daardoor met veel mensen goed opschieten. De laatste vijftien jaar organiseerde Antoinet samen met haar echtgenoot honderden Chinese concerten, niet alleen op Nederlandse locaties als het Concertgebouw en De Doelen maar ook in het buitenland en op internationale festivals zoals de Kölner Triënnale, het China Festival Carnegie Hall in New York en Culturescapes in Zwitserland.
De begrafenisplechtigheid op 23 april stond helemaal in het teken van haar twee passies. Met uitvoeringen van Bach, Britten en Bartok op viool, piano en kerkorgel, met alpenhoorn, draaiorgel en trompet, een zingende Russisch orthodoxe priester, een lantaarnoptocht, Chinees snarenspelen en tweehonderd handklokken werd recht gedaan aan haar passie voor muziek. En met een kist die was versierd met Chinese waaiers werd haar liefde voor dat land uitgedragen.
(12-5-2012)

Johan Schreur (1939-2012)
Oprichter Johma

Salademaker was zijn tijd vooruit

Vanuit een garage begon Johan Schreur salades te verkopen. De grondlegger van Johma (72) is woensdag overleden.

Peter de Waard

Eigenlijk was hij zijn tijd vooruit. Soms te ver vooruit. Toen Johan Schreur in 1968 vanuit een garage in het tussen Enschede en de Duitse grens ingeklemde Glanerbrug huzarensalades begon te maken en verkopen, was Nederland daar nog niet klaar voor.
Samen met zijn vrouw en kinderen , die de eieren mochten pellen, maakte hij salades die hij bij campings en horecagelegenheden aan de man bracht. Als naam koos hij voor Johma – een samenvoeging van zijn eigen voornaam Johan en de doopnaam van zijn zoon Martinus (roepnaam: Frank). Pas in 1975 zou hij vanuit een nieuw pand op een industrieterrein in Losser op grotere schaal Johma-salades gaan verkopen aan supermarkten.
Johan Schreur overleed op 9 mei op 72-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker. De laatste jaren was hij nog adviseur van zijn nieuwe familiebedrijf Profish. Enige tijd behoorde hij tot de vaste sponsors van FC?Twente. Zijn andere passie was de jacht.
Schreur kwam na een opleiding aan de Slagersvakschool als 15-jarige in dienst bij een dorpsslager. Maar het slachten van koeien viel hem zwaar. Hij trad in dienst bij een delicatessenbedrijf in Enschede waar hij salades kon gaan maken. Hij ontwikkelde huzarensalades naar het voorbeeld van de Russische salades. Ingrediënten waren aanvankelijk aardappelblokjes, wortelen, ham en mayonaise.
Schreur bewaakte de kwaliteit van het product met lijf en leden. Johma werd het eerste bedrijf in Nederland waar alle werknemers zich verplicht moesten douchen. Bezoekers mochten vanwege de hygiëne alleen vanachter een glazen wand naar het productieproces kijken.
Begin jaren tachtig had Johma al vijfhonderd werknemers. Schreur kreeg in 1984 een superbod op het bedrijf van de Amerikaanse voedingsmiddelengigant Heinz en besloot het bedrijf te verkopen. Na twee jaar kriebelde het alweer en richtte hij in Oldenzaal Profood op, dat als eerste bedrijf in Nederland koelverse maaltijden ging verkopen aan supermarkten. Dit was nog een stap te ver.
In 1987 nam hij in IJmuiden de zeevisgroothandel Siewertsen over, die werd samengevoegd met Profood. Vanaf 1991 werden deze producten al op grote schaal verkocht aan de Nederlandse supermarkten. De koelverse maaltijden werden in 1997 afgestoten en Siewertsen werd Profish. Jaarlijks levert dit bedrijf voor 30 miljoen euro voorverpakte vis als private label aan supermarkten.
Schreur bleef tot 1999 directeur. Daarna nam zijn zoon Frank het stokje over. Met Johma ging het minder goed. Na Heinz kreeg het bedrijf nog zes of zeven andere eigenaren. Nu is het in handen van Gilde Investments dat het met de reclamekreet ‘Johma oet Twente’ nieuw leven wil inblazen. De grote droom van Frank Schreur is het ooit terug te kopen.
(11-5-2012)

Gerard van Westerloo (1943-2012)
Journalist

De man van de lange reportage

Zaterdag overleed journalist en schrijver Gerard van Westerloo

Peter de Waard

In 1996 mocht Gerard van Westerloo – toen nog in dienst bij Vrij Nederland – voor een jubileumnummer van deze krant als eerste buitenstaander een week lang rondlopen bij de Volkskrant. Hij bleek de perfecte waarnemer te zijn van de discussies die speelden op de redactie over de vernieuwing. Van Westerloo gaf geen opinie over wat hij van de krant vond. Hij signaleerde alleen. Hij luisterde liever dan dat hij meningen te berde bracht.
Van Westerloo, die zaterdag op 69-jarige leeftijd overleed aan een hartaanval, was afkomstig uit een voorbeeldig katholiek gezin uit de Pijp in Amsterdam. De journalistiek bleek in het bloed te zitten. Zijn oudere broer Ed van Westerloo begon bij het ANP en werd onder meer hoofdredacteur van Brandpunt en het NOS Journaal. Zijn jongere broer Fons van Westerloo werd, na eerst als correspondent voor de AVRO in de VS te hebben gezeten, de hoogste baas van AT5, SBS en RTL.
Gerard bleef het liefst de verslaggever. Een keer – in hetzelfde jaar dat hij zijn opmerkelijke reportage over de Volkskrant schreef – flirtte hij even met de televisie. En twee keer was hij hoofdredacteur: van De Groene en Vrij Nederland. Beide keren was het nog voor geen jaar.
Hij begon zijn journalistieke carrière in 1972 bij Vrij Nederland dat in de daaropvolgende jaren onder leiding van Rinus Ferdinandusse en Joop van Tijn zijn meest succesvolle periode beleefde als het eigenzinnige en leidende opiniemagazine van de linkse kerk. De ontwikkelingen in Suriname waren daar een van zijn grote aandachtsgebieden. In 1995 was hij de stuwende kracht achter het nieuwe magazine VN Document. Twee jaar later besloot hij plotseling zijn voormalige VN-collega Martin van Amerongen op te volgen als hoofdredacteur van De Groene. Binnen een jaar had hij al een conflict met de directie en de redactie, omdat hij het blad wilde laten aansluiten bij een grote uitgever.
Van Westerloo werd freelancer. Bij de Volkskrant had hij eind jaren negentig enige tijd een column op de Voorkant. Hij schreef verder voor het inmiddels opgeheven magazine M van NRC Handelsblad, voor Hollands Diep, voor het mensenrechtenmagazine Wordt Vervolgd van Amnesty International en voor nog veel andere publicaties.
Daarnaast verschenen verschillende boeken van zijn hand. In 2002 publiceerde hij het boek Prinsendrama over de opkomst van Fortuyn. Twee jaar later volgde het boek Niet spreken met de bestuurder over de veranderde politieke cultuur van Nederland door de ogen van bestuurders van de Amsterdamse tramlijn 16.
Twee jaar geleden verscheen De Pater en het Meisje, zijn laatste boek, een bijna thrillerachtige speurtocht naar het seksueel misbruik dat een zekere pater Frits zijn twee jaar oudere zus Tineke van Westerloo 55 jaar eerder had aangedaan.
Vorig jaar was Van Westerloo nog met zijn vriendin bij de demonstratie van de Occupy-beweging op het Beursplein. Hij voelde zich met deze beweging verbonden, maar kon door de herrie op het Beursplein niet verstaan wat de sprekers zeiden. Hij ging daarom maar koffie drinken. Zijn taak was te luisteren en dat kon hier niet.
Frits van Exter, de huidige hoofdredacteur van Vrij Nederland, vatte zijn betekenis voor de journalistiek dit weekeinde kernachtig samen: ‘Gerard van Westerloo was een reden­­ om journalist te willen worden.’
(7-5-2012)

Roland Moreno (1945-2012)
Uitvinder smartcard

Een Franse Willy Wortel

Roland Moreno bedacht allerlei, soms nutteloze, gadgets. Hij schoot raak met het idee van een kaart met een microchip.

Peter de Waard

'God heeft veel te danken aan Johann Sebastian Bach, ik hoop dat de mensen in de toekomst zeggen dat Frankrijk veel te danken heeft Roland Moreno.'
Bescheidenheid was niet zijn beste eigenschap. Roland Moreno was het prototype van de verstrooide professor - een echte Willy Wortel, een uitvinder à la lettre. Hij had geen opleiding maar knutselde voor zichzelf met behulp van een meccanodoos. Daarnaast verdiende hij geld als journalist, administrateur en met andere simpele baantjes. Maar hij vond iets uit wat het leven van de Westerse mens ingrijpend heeft veranderd: een kaart met een microchip vol gegevens. In 1974 lanceerde hij het idee waarvoor hij 45 patenten wist vast te leggen en die de wereld van betalen, reizen, winkelen en telefoneren radicaal veranderde.
Roland Moreno die zondag op 66-jarige leeftijd in Parijs overleed, was van jongsaf aan geïnteresseerd in elektronische gadgets. Of de smartcard daadwerkelijk zijn uitvinding is, wordt wel bestreden omdat die ook geclaimd wordt door Duitse engineers en het Amerikaanse concern Honeywell Bull, maar de doorbraak is te danken aan de Franse eenling. Het grootschalig gebruik van chipkaarten of smartcards begon ook in Frankrijk. Hier werd in 1983 de telefoonkaart Télecarte op de markt gebracht. Tegelijkertijd ontdekten Franse banken dat de veiligheidscode van de computerchip op de kaart ideaal was voor het betalingsverkeer. Zij brachten die dan ook aan op de zogenoemde Carte Bleue debitcard, terwijl in andere landen banken debitcards gingen uitgeven met een magneetstrip.
Moreno werd in juni 1945 geboren in Caïro. Een elektrotechnische opleiding volgde hij niet. Hij begon zijn carrière als administratief medewerker op het ministerie van Sociale Zaken in Parijs. Hij voorzag ook in zijn onderhoud door artikelen en columns te schrijven voor diverse bladen en periodieken. Elektronica was vanaf het begin zijn passie. Hij bedacht allerlei nutteloze gadgets. In 1968 lanceerde hij de Matapof die kon worden gebruikt om te tossen met een munt. Ook lanceerde hij de radoteur, een machine die op grond van alle voorkomende woorden in het woordenboek nieuwe woorden creëerde. Onder meer merknamen als Wanadoo zijn daaraan te danken.
In 1972 richt hij zijn eigen bedrijf Innovatron op. Twee jaar later kwam hij met het idee van de smartcard. Toen zijn eerste patenten in 1994 afliepen had hij er al 150 miljoen euro mee verdiend.
Hij streek de rechten op van verschillende soorten kaarten zoals de Franse versie van de ov-kaart, de Navigo. In 2000 daagde hij de hele wereld uit de code van zijn microchip binnen drie maanden te kraken. Hij zette er een weddenschap van één miljoen francs - bijna 200 duizend euro - op, maar niemand slaagde erin. Twee jaar later verkocht hij zijn aandeel aan 's werelds grootste smartcard-producent Gemplus, maar hij bleef de president van Innovatron.
Moreno schreef ook verschillende boeken en had rollen in speelfilms. In 2001 lanceerde hij het eerste prototype van de Célimène, een uitvinding waarbij literatuur wordt gecombineerd met een melodie.
(1-5-2012)

Hanneke Ippisch-Eikema (1925 – 2012)
Verzetsstrijdster

De koerierster van Walraven van Hall

Tijdens de bezetting heette ze Ellie en Miep en was ze de koerierster voor het verzet. Hanneke Eikema trouwde na de oorlog en vertrok naar Amerika.

Peter de Waard

Hanneke Eikema werd geboren als de tweede dochter van Sien Nijk en de vrijzinnige predikant Jan Eikema. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, was Jan Eikema predikant in het opstandige en licht anarchistische Zaandam. Als gevolg van zijn anti-Duitse preken raakte hij betrokken bij het verzet. Hij werd enige tijd overgeplaatst naar Dordrecht, maar keerde in 1943 terug naar Zaandam, omdat zijn vrouw ernstig ziek was en heimwee had.
Terwijl haar zus naast haar studie, het huishouden en de verzorging van de zieke moeder voor haar rekening nam, sloeg Hanneke de weg naar het verzet in. Ze zag, terwijl ze zich tijdens de avondklok na een uitgelopen illegale les Engels verstopte voor passerende Duitse soldaten, hoe haar klasgenootje Rebecca met haar familie werd afgevoerd.
In tranen kwam ze thuis. Niet lang daarna raakte ze zelf bij het verzet betrokken. Joodse gezinnen en kinderen werden door haar naar Friesland begeleid op weg naar een onderduikadres. Dat deed ze onder de schuilnaam
Ellie vaak met de trein en de boot van Enkhuizen naar Stavoren.
In de pastorie waar ze met haar ouders en zuster woonde, verbleven geregeld onderduikers. Vader en dochter wisten niet van elkaar wat ze in het verzet deden. Toen Hanneke op zolder schietles kreeg en een aantal keren door het dak misschoot, kreeg ze commentaar van haar vader en zuster. De schietlessen werden tijdelijk elders gevolgd en vervolgens spoedig beëindigd. Haar kracht lag nu eenmaal in het helpen van mensen en het organiseren.
In 1944 meldde ze zich aan bij het echte verzet. Maar die wilden eerst zeker weten of ze haar konden vertrouwen. Toen ze daarvan overtuigd waren, werd ze onder de nieuwe schuilnaam Miep de koerierster en persoonlijke assistent van Walraven van Hall, de topman van het Nationaal Steunfonds.
Die organisatie financierde de acties van het verzet in bezet Nederland. Hanneke bezorgde op de fiets grote sommen geld voor het NSF. Een aantal keren had ze een pakket met honderdduizenden guldens aan bankbiljetten bij zich. Ook koos zij veilige plaatsen uit, waar de top van het verzet kon vergaderen.
Op 27 januari 1945 werd de hele groep opgerold tijdens een vergadering aan de Leidsegracht in Amsterdam. Hanneke werd overgebracht naar de gevangenis aan de Amstelveenseweg, waar ze zwaar werd verhoord door de nazi Ruhl. Walraven van Hall zou later worden gefusilleerd. Hanneke kwam een paar dagen voor de bevrijding weer vrij.
Ze doorliep tijdens de oorlog de academie voor lichamelijke opvoeding in Amsterdam. Na de oorlog kreeg ze eerst een aanstelling als bewaakster van een interneringskamp voor landverraders. Later werd ze ‘opbeur-zuster’ bij koningin Wilhelmina op paleis ’t Loo, maar die baan beviel haar niet zo.
Ze besloot Nederland te verlaten om als huishoudelijke hulp te gaan werken bij een adellijke familie in Zweden. Een van de telgen, baron Fiddi Rappe werd verliefd op de frêle Nederlandse. Ze trouwden, maar om aan het benauwde adellijke milieu te ontsnappen, emigreerde het stel naar Californië.
In Amerika ging Rappe als biochemicus werken op de universiteit van Berkeley. Ze kregen drie dochters en een zoon. Omdat de rust en vooral de natuur bleven trekken, verhuisde het gezin naar Montana.
Later zou ze van haar Zweedse man scheiden en hertrouwen met een Amerikaan, Les Ippisch.
In Montana begon ze in een oud schooltje een Bed & Breakfast en schreef ze tussen de bedrijven door haar memoires onder de titel Sky, vernoemd naar de Big Sky die kenmerkend is voor Montana.
Hanneke hield nog steeds veel lezingen over haar oorlogservaringen. Ze wees daarin haar publiek op het gevaar van het opkomende rechts-extremisme. ‘Een enkele keer hoor ik in mijn droom nog wel eens Schnell, Aussteigen!, of zie ik een flits in beeld’, zei ze tien jaar geleden in een interview met het dagblad Trouw.
Op maandag 16 april overleed Hanneke op 87-jarige leeftijd aan de gevolgen van de ziekte van Alzheimer.
(28-4-2012)

Peter Wewengkang (1948 – 2012)
Karateka

Karate als therapie

Ook in de internationale karatewereld was Peter Wewengkang een grootheid. ‘De essentie van karate gaat verloren zonder hoffelijk gedrag’, zei hij altijd.

Peter de Waard

Voor Peter Wewengkang was karate al lang niet meer alleen een sport. Het was een cultuur en een levenswijze die zelfs mensen met lichamelijke, psychische of verstandelijke problemen een uitweg bood. Naast zijn sportschool had Wewengkang in het Limburgse Neerbeek een activiteitencentrum WenG (Wilskracht en Groei). Voor iedereen begon de dag met karate en eindigde die ook zo, maar tussendoor werd gedaan aan houtsnijden, tekenen en koken. Het enige wat iedereen bond was het witte karatepak, waardoor er geen onderscheid des persoons was.
Peter Wewengkang – meester en sensei – overleed op paaszaterdag 7 april aan een hartstilstand. Hij werd in november 1948 geboren in Batavia, vlak voordat de naam door de onafhankelijkheid zou veranderen in Jakarta. Als kind klom hij graag in de bomen en zag van daaruit een Chinese buurman rare bewegingen maken in de tuin. Hij raakte erdoor gefascineerd. ‘Dat wil ik ook leren’, zei hij tegen zijn moeder. Het bleek wushu te zijn. De buurman was bereid hem les te geven. Zijn idealisme uitte zich al vroeg. Toen hij 6 jaar was, ging hij stiekem eieren en water verkopen langs de weg, zodat zijn moeder niet zo hard zou hoeven te werken. Het werd ontdekt en zijn moeder was woest.
Op zijn 15de jaar ontstond grote onrust in Indonesië als gevolg van een een staatsgreep tegen Soekarno. Volgens zijn oudste zus Sonja moesten de jongens het leger in. De rest van de familie moest het huis ontruimen. Besloten werd de bergen in te vluchten, waarna ze zich na een lange omweg in 1964 in Nederland konden vestigen. Peter Wewengkang vond hier werk: van elektricien tot tegelzetter, bankwerker en woninginrichter. Liefst 25?jaar zou hij werken bij GTI in Geleen. In 1970 trouwde hij met de Nederlandse Gerda Alken en kreeg drie kinderen, van wie er een al heel jong overleed.
De oosterse verdedigingsporten bleven zijn passie. In 1968 begon hij in de avonduren met karate en het toen nog onbekende taekwondo. Enkele jaren later specialiseerde hij zich in karate van de JKA (Japanse Karate Association), de puurste vorm van deze sport. Hij haalde meerdere Europese titels, maar merkte op zijn 34ste jaar dat zijn knieën zwaar beschadigd waren. Peter Wewengkang besloot daarop zich meer te richten op de achtergronden en filosofie van de sport – de manier waarop karate zou kunnen worden gebruikt om de wilskracht en het doorzettingsvermogen van mensen te verbeteren.
Hij werd daarna internationaal scheidsrechter, examinator en later ook bondscoach van de Karate Do Bond Nederland en voorzitter van JKA Nederland. In 1974 begon hij in Neerbeek zijn eigen sportschool Karate Do Weng, waarin later ook zijn zoon Ramon en dochter Tamara als instructeurs actief zouden worden. In 2008 werd de basis gelegd voor zijn activiteitencentrum, als onderdeel van zijn sportschool. Niet zozeer de sportprestatie stond centraal, maar eerlijkheid, betrouwbaarheid en persoonlijkheidsvorming. ‘De essentie van karate gaat verloren zonder hoffelijk gedrag’, was een van zijn spreuken.
Bij de sportschool ontstond ook het idee om gehandicapten bij de sport te betrekken, waardoor het echt een breedtesport kon worden. Enkele jaren geleden werd Wewengkang, vanwege zijn vele verdiensten voor het karate, tot lid van verdienste benoemd van de bond. De club groeide uit tot hoofddojo van Nederland. En Peter Wewengkang werd de belangrijkste goeroe van de sport.
In 2007 kreeg hij tijdens een bezoek aan Japan plotseling acute pijn in de hartstreek en de borst. Pas dit jaar kwam de oorzaak vast te staan: een aneurysma van maar liefst 59 millimeter. Hij zou geopereerd moeten worden. Een nieuw bezoek aan Japan moest worden uitgesteld. Maar een ontmoeting met de Japanse sensei die een seminar in Frankrijk gaf – de hoogste leraar – wilde hij niet laten lopen.
Op zaterdag 7 april stierf hij aan een hartstilstand. De volgende dag werd onder leiding van de Shihankai, (de hoogste sensei in rang) voor Peter Wewengkang gebeden. Een week later is hij onder grote belangstelling in Geleen gecremeerd.
(21-4-2012)

Aart Hak (1924-2012)
Conservenfabrikant

Met de laatste groeten van meneer Aart Hak

Directeur Aart Hak maakte het conserven­bedrijf groot. Het experimenteren zat hem in het bloed.

Peter de Waard

Wie 25 jaar bij de conservenfabrikant Hak in dienst was, kon altijd rekenen op een toespraak van algemeen directeur Aart Hak en een zilveren snijboon, de onderscheiding die daar toen bij hoorde. De band tussen directie en personeel was hecht.
Toen Aart Hak in 1950 begon met het conserveren van appelmoes aan de Hogelandstraat in Giessen, was het nog een gehucht met 900 inwoners en een sterke gemeenschapszin. Als in de jaren na de officiële oprichting de NV Conservenfabriek H.C. Hak weleens handen tekort kwam, hielpen alle bewoners mee met het wecken. In 1952 werden op die wijze 38?duizend potten conserven gemaakt. In 1977, toen het bedrijf 25 jaar bestond, waren dat er al 85 miljoen.
Aart Hak – ‘mijnheer Aart’ – is vrijdag op 87-jarige leeftijd in zijn woonplaats Sleeuwijk overleden. Hoewel Nederland Hak vooral vereenzelvigt met Martine Bijl – ‘U moet de groenten van Hak hebben’ – heeft Aart Hak het bedrijf groot gemaakt.
De oorsprong ligt in het Land van Heusden en Altena, waar Aarts vader in de jaren twintig met een handel in groente en fruit begint. Daar komen drie winkels bij: de eerste in Giessen, de volgende in Dussen en Werkendam. Veel van de producten worden zelf gemaakt zoals likeuren, kersen op sap en appelmoes. De eerste reclameslogan is ‘Wie altijd koopt de beste waeren zal sich veel zorch en kommer sparen’. Van de dertien kinderen treden er vier zonen en een dochter in het bedrijf.
Aart is de jongste. Hij begint in 1936 bij het bedrijf en treedt in 1952 in dienst van de conservenfabriek. Het conserveren wordt gedaan via een al in 1856 door een Franse legerkok bedachte methode: het verhitten van luchtdichte potten. Omdat de potten worden gemaakt door de Duitse familie Weck, wordt dit wecken genoemd. Als verpakking worden vaak glazen potten gekozen, omdat die de minste investering vergen, smaakneutraal en hygiënisch zijn en het product zichtbaar is. De nieuwe reclameslogan is: ‘Hak, je ziet wat je koopt.’
De verduurzaamde producten van Hak komen al gauw in de winkels naast verse groente en fruit te liggen. Vooral na de komst van de supermarkten explodeert de afzet. In 1964 brengt Hak zijn eigen glazen pot op de markt. ‘Het experimenteren zat u in het bloed. U hebt enorm met uw talenten gewoekerd’, zo spreekt president-commissaris Overwater bij het 25-jarig bestaan Aart Hak toe.
Aart Hak zal in 1986 als algemeen-directeur terugtreden uit het bedrijf, nadat de productielocatie in Giessen nog eens flink is uitgebreid. Zes jaar later wordt het bedrijf verkocht aan CSM. In 2003 zal het bedrijf in handen komen van de Amerikaanse ketchup-fabrikant Heinz die het echter twee jaar later weer via de NPM doorverkoopt aan investeringsmaatschappij Neerlands Glorie.
Van een grote groei is geen sprake meer, hoewel verdere productvernieuwingen en uitbreidingen met onder meer fruitsap, fruitconserven, tafelzuren en zelfs snackaugurken worden doorgevoerd en uiteindelijk ook Martine Bijl weer het product mag aanprijzen zoals in de tijd van mijnheer Aart.
(18-4-2012)

Arnold Maersk Mc-Kinney Møller (1914-2012)
Reder

Containerreder van de wereld

Hij maakte Maersk de grootste containerrederij ter wereld en werd zo de machtigste industrieel van Denemarken.

Peter de Waard

Ik denk dat we het meest te winnen hebben door zo onopgemerkt mogelijk te opereren’, zei Arnold Maersk Mc-Kinney Møller ooit.
De machtigste en rijkste industrieel van Denemarken gaf zelden of nooit interviews. Intussen bouwde hij de grootste containerrederij ter wereld op met 106 duizend werknemers en een omzet van bijna 50 miljard dollar – bijna 20 procent van het Deense bruto binnenlands product. Hij was net zo nauw bevriend met de Deense koninklijke familie als Freddy Heineken dat ooit was met de Nederlandse en liet in 2005 nog voor 500 miljoen euro een nieuw operahuis in Kopenhagen bouwen.
Maersk Mc-Kinney Møller overleed maandagochtend op 98-jarige leeftijd. Voor veel Denen was hij een levende legende of zelfs een mythe, zoals de titel van het boek luidde dat in 1995 over hem verscheen. Hij was de enige Deen die ‘mijnheer’ werd genoemd. Maersk vervoert 15 procent van alle containers in de wereld. Behalve containeroverslag heeft het bedrijf ook olie- en gasbelangen, havens, supermarkten en een belang van 20 procent in Danske Bank, de grootste Deense bank. ‘Weinig mensen hebben zo’n stempel gezet op de Deense geschiedenis als Maersk Mc-Kinney Møller’, aldus de Deense premier Helle Thorning-Schmidt. De koers van het aandeel steeg als reactie op zijn dood met 6?procent, omdat beleggers hopen dat de nieuwe generatie een aantal onderdelen zal afstoten.
Rederij Maersk werd in 1904 opgericht door zijn vader Arnold Peter Maersk Møller met een tweedehands stoomschip. Hij trouwde met een Iers-Amerikaanse vrouw. Arnold Maersk Mc-Kinney Møller was de enige zoon. In 1940 werd hij door zijn vader naar de VS gestuurd om de belangen van Maersk na de Duitse invasie veilig te stellen. Na de dood van zijn vader in 1965 nam hij de leiding over. Hij concentreerde zich op de nieuwe markt van de containeroverslag.
Zijn rijkdom is voer voor discussie. Zijn vermogen is geschat tussen de 9 en 19 ?miljard euro, waarbij hij de ene keer net boven de eigenaren van Lego zat en de andere keer niet.
Hij behield tot 1993 de dagelijkse leiding en trok daarna nog tien jaar aan de touwtjes als president-commissaris. Met de overname van het Amerikaanse Sea Land werd A.P. Møller Maersk veruit de grootste containerrederij in de wereld. In 2003, op 90-jarige leeftijd, trad hij terug. Maar ook daarna reisde hij nog voor het bedrijf de wereld rond en hield een ruimte aan op de zesde verdieping van het hoofdkantoor in Kopenhagen. Hij was vorige week nog te gast bij de jaarlijkse aandeelhoudersvergadering van het bedrijf en grapte daar dat er zo weinig vrouwelijke fotografen op hem afkwamen. In 2005 overleed zijn vrouw Emma naar wie ook een van de allergrootste containerschepen ter wereld – Emma ­Maersk – is genoemd. Hetzelfde jaar wordt ook de Brits/Nederlandse rederij P&O Nedlloyd aan het familie-imperium toegevoegd, wat ertoe leidt dat op 9 februari 2006 de karakteristieke ‘knoop’, het logo van het Nedlloyd-concern, na achttien jaar verwijderd van de gevel van kantoorgebouw Willemswerf in Rotterdam. Als gevolg van de crisis en de terugval van de wereldhandel kwam het conglomeraat in 2008 in de verliezen.
De familie Møller heeft nog altijd 51 procent van de aandelen in het concern en 63 procent van de stemgerechtigde aandelen. Zijn dochter Ane Maersk Mc-Kinney Uggla is nog vicevoorzitter van de raad van commissarissen en twee van zijn kleinzonen worden als toekomstige bestuurders gezien.
(17-4-2012)

Ad Beenackers (1944 – 2012)
Psycholoog en dichter

Een onconventionele psycholoog

Hij schreef zijn eigen haiku bij de overlijdensadvertentie en bediende zich van een dosis zwarte humor, maar bovenal was hij een vooraanstaand psycholoog.

Peter de Waard

Als we nu eens samen drie doodskisten bestellen voor de prijs van twee’, zegt hij tegen twee andere kankerpatiënten. De op 31 maart overleden Ad Beenackers zal in de eerste plaats worden herinnerd als een onconventioneel mens, maar zwarte humor was ook een van zijn kenmerken. Hij was een vooraanstaand psycholoog en soms een meedogenloos onderzoeker. Hij stelde de persoonlijke verantwoordelijkheid van de individuele hulpverlener centraal, waarmee hij ook mensen tegen de haren in streek. Bekendheid kreeg hij eveneens als dichter en geschiedschrijver over poëzie. Hierbij specialiseerde hij zich op de traditionele Japanse dichtkunst: haiku’s en tanka’s, respectievelijk drie- en vijfregelige dichtvormen met een vast aantal lettergrepen. Zijn laatste haiku – Doodshaiku – stond boven de overlijdensadvertentie in de Volkskrant: ‘Ik sluit mijn ogen. De man met de kachelpijp rolt zijn meetlint uit.’
Ad Beenackers wordt op 31 augustus 1944 geboren als het tweede kind van een boerenfamilie in het Brabantse Bavel. Als hij twee maanden oud is, wordt de boerderij van het gezin verwoest door een Duitse V1 en verhuist hij van de wieg naar een haverkist. Het kwajongensachtig gedrag lijkt hem aangeboren. Al jong leert hij kalveren over de hekken springen, waardoor ze later voortdurend uitbreken. Hij houdt van het boerenleven – ‘De zwaluw scheert in lange sierlijke bochten over het weiland’, zo idealiseert hij het later in een haiku – en wil ook boer worden. Maar rugklachten dwingen hem een andere opleiding te kiezen. Na de ulo en hbs besluit hij psychologie te gaan studeren in Utrecht. Hier ontmoet hij zijn latere vrouw Chiena van Gulijk, met wie hij vier kinderen krijgt. Drie van zijn kinderen gaan ook psychologie studeren.
Zelf studeert hij cum laude af en weet in 1986 ook cum laude te promoveren. Tijdens zijn promotieonderzoek test hij de stressgevoeligheid van hulpverleners door ’s?avonds of ’s nachts door de gangen te sluipen, vreemde geluiden te maken en te kijken hoe lang het duurt, voordat de betreffende hulpverlener de schrik om het hart slaat. Ook zijn kinderen neemt hij graag mee naar kerkhoven met open graven of verboden terreinen als munitievelden. Liefst in het donker. Continu laat hij zien dat het leven spannend is en dat men zich niet aan alle regels moet houden. Een andere eigenschap is dat Beenackers uren met dezelfde mensen in één ruimte kan zitten zonder iets te zeggen: alleen gadeslaan en absorberen.
Hij begint zijn carrière in 1968 bij het Psychologisch Laboratorium in Utrecht. Zijn arbeidsmobiliteit als therapeut, coördinator en onderzoeker is ongekend. Behalve bij ziekenhuizen en onderzoeksinstellingen werkt hij als onderzoeker bij liefst drie verschillende Riagg’s. In zijn rapporten geeft hij een vernietigend oordeel over het werk daar. ‘Het beeld dat je krijgt als je op de dossiers van de hulpverleners afgaat is: de Riagg doet niets, en voor zover de Riagg iets doet leidt het tot niets’, schrijft hij in het Maandblad voor Geestelijke Volksgezondheid. ‘Collega’s nemen liever de trap als ze hem op de lift zien wachten’, constateert het weekblad De Groene later in een artikel. Hij onderzoekt echter niet alleen, maar geeft ook cursussen en trainingen om de effectiviteit van de behandelingen te verhogen.
Beenackers blijft ook qua uiterlijk een duidelijke representant van de opstandige generatie van de jaren zestig – lange haren, baard, ribbroek, geruit flanellen houthakkershemd en een zakhorloge, dat met een metalen ketting aan zijn blouse is bevestigd. Hij heeft vele hobby’s, maar de belangrijkste is poëzie. In 1995 verschijnt in het literair tijdschrift De Gids zijn Poëtisch Woordenboek met in alfabet korte gedichtjes en aforismen zoals: Lente: ‘Er hing vandaag een vleugje toekomst in de lucht: een herinnering’. Zijn productiviteit op poëziegebied neemt een enorme vlucht als hij op zijn 60ste jaar met vervroegd pensioen gaat. Het leidt tot twee standaardwerken: Oude Emmer, verhoor mijn gebed (150 poëziebesprekingen, 500 haiku’s, tanka’s en dichtregels) uit 2005 en het 854 pagina’s tellende Ledig Erf, stel mij niet teleur (Eenvoudige poëzie voor intelligente mensen) uit 2010. Dat laatste boek wordt door hemzelf geïllustreerd. Hartproblemen kunnen zijn werklust niet temmen. In de zomer van 2011 krijgt hij ineens veel ernstigere klachten. Na diagnose blijkt hij slokdarmkanker te hebben.
(14-4-2012)

Jack Tramiel 1928 – 2012
Computerpionier

De man van de Amerikaanse droom

De Commodore 64 ging tientallen miljoenen keren over de toonbank. Zondag overleed de man die de thuiscomputer groot maakte.

Peter de Waard

Ik bouw computers voor de massa’s, niet voor de klassen.’ Eind jaren zeventig maakte Jack Tramiel met Commodore de computer bereikbaar voor het grote publiek. Hij creëerde de eerste voor hobbyisten betaalbare personal computer en spelcomputer.
Tramiel, een van de grote pioniers van het computertijdperk, is zondag overleden in een privéziekenhuis in Connecticut. Hij is 83 jaar geworden.
Tramiel werd als Idek Tramielski geboren in Polen en tijdens de oorlog kwam hij samen met zijn familieleden in het concentratiekamp Auschwitz terecht. Hij had het geluk naar een werkkamp bij Hannover te werden gezonden en overleefde. In 1947 emigreerde hij naar de VS.
Hier realiseerde hij bijna op klassieke wijze de Amerikaanse droom. Hij meldde zich eerst aan voor het leger, waar hij typemachines leerde repareren. Later werd hij taxichauffeur, voordat hij in 1953 een reparatiebedrijf van typemachines begon in de New Yorkse wijk Bronx. In 1955 werd dit Commodore, dat ook portable typemachines ging maken. Omdat hij onderdelen haalde uit het toen nog vijandige communistische Tsjechoslowakije, was hij gedwongen het bedrijf te verplaatsen naar Canada. In de jaren zeventig haakte Commodore ook in op de snelgroeiende markt van zakrekenmachines.
Halverwege de jaren zeventig verplaatste hij het bedrijf naar Silicon Valley in Californië. Hij probeerde hier Apple te kopen – en werd het niet eens over de prijs – voordat Commodore in 1977 met de PET op de markt kwam – een van de allereerste computers die minder dan 1.000 dollar kostte. Drie jaar later was er al een opvolger, de VIC-20, die nog maar 300 dollar kostte. Deze zogenoemde home computers – die overigens een zeer beperkt geheugen hadden – liet Tramiel aanprijzen door Captain Kirk uit de hitserie Star Trek, die riep ‘dat hiermee het hele gezin thuis kan leren computeren’.
In 1982 werd de Commodore 64 gelanceerd. Met de reclameslogan ‘U koopt geen betere computer voor twee keer de prijs’ werd het apparaat een fenomenaal succes. Binnen korte tijd werden 20 tot 30 miljoen exemplaren verkocht, waarmee het nog altijd de allerpopulairste pc ter wereld is. Nog steeds wordt het apparaat gemaakt, zij het nu met moderne technologie. In het boek The Big Score – the billion dollar story of Silicon Valley wordt verteld hoe Commodore de basis legde voor een hele nieuwe industrie.
Tramiel zelf kreeg echter ruzie met zijn mededirecteuren, waardoor hij het bedrijf moest verlaten. In 1984 kocht hij voor 240 miljoen dollar spelcomputerfabrikant Atari, die in problemen was gekomen door de toenemende concurrentie. Hij veranderde het bedrijf in een fabrikant van standaard-pc’s. Erg veel succes had deze niet. De merknaam Atari verdween in de loop van de jaren negentig na verschillende fusies en overnames.
Ook Commodore werd uiteindelijk overvleugeld door de concurrentie. Tramiel bleef betrokken bij het bedrijf. In 2007 was hij nog aanwezig op een feestje ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Commodore 64. Daarnaast gaf hij lezingen over zijn ervaringen in de oorlog.
(11-4-2012)

Ferdinand ‘butzi’ Porsche (1935-2012)
Ontwerper

Geestelijk vader van de ‘911’

Ferdinand Porsche leidde geen jetsetleven. Wandelen was zijn favoriete hobby. Maar de zevende generatie van zijn ‘911’ verleidt nog steeds liefhebbers van snelheid en glamour.

Het wordt de Mondeo van de zakenbankier genoemd. Wie in de Londense City of de finan­ciële centra van Frankfurt of Amsterdam redelijk goed boert, schaft een Porsche 911, uitgesproken als neun-elf, nine-eleven of negen-elf, aan.
De sportauto waarvan de zevende generatie vorig jaar werd onthuld, is het ontwerp van Ferdinand ‘Butzi’ Porsche, de kleinzoon van oprichter Ferdinand Porsche die ook de Kever van VW ontwierp. Butzi overleed donderdag op 76-jarige leeftijd in Salzburg. In een verklaring zei Mat­thias Müller, de huidige bestuursvoorzitter van Porsche, zijn dood te betreuren. ‘Als schepper van de 911 heeft hij in deze onderneming een designcultuur gevestigd die onze wagens tot op de dag van vandaag uitdragen.’ In de verkiezing van de auto van de eeuw in 1999 kwam de Porsche 911 op de vijfde plek.
Porsche, die in 1935 werd geboren, studeerde industriële vormgeving in Ulm, voordat hij in 1956 in dienst trad van wat toen nog een familiebedrijf was. Zes jaar later benoemde zijn vader hem tot hoofd van de ontwerpstudio met als opdracht een opvolger van de Porsche 356 te ontwerpen. Hij bleek meteen een groot talent te hebben voor styling. Porsche had een simpele filosofie: ‘Design moet functioneel zijn en die functionaliteit moet visueel in esthetiek worden omgezet, zonder opsmuk waarvoor een verklaring nodig is.’
Een jaar later lanceerde Butzi de fameuze Porsche 901. Omdat Peu­geot echter het recht had op alle automodelnummers van drie cijfers met een nul in het midden, moest dat worden veranderd in de Porsche 911. De sportwagen met een 6 cilindermotor achterin kwam in 1964 op de markt en bleek binnen 9 seconden van 0 naar 100 kilometer te kunnen accelereren. De topsnelheid was 210 kilometer per uur.
Maar het succes was vooral te danken aan het ontwerp. De wagen was simpel en nuchter, zoals de ontwerper zelf, en stond daarmee in scherp contrast met de Amerikaanse Corvette en de Italiaanse merken Ferrari, Maserati en Lamborghini. Het was meteen een klassieker – ‘een auto die rijdt, ook als hij stilstaat’, omschreef een van zijn medeontwerpers de eerste 911.
In de loop van de jaren werd het modellenprogramma vergroot, met naast de standaard T ook de comfortabele E en de sportieve S. Ook nam de motor­inhoud toe. Butzi was ook nauw betrokken bij het ontwerp van de Formule 1-raceauto 804 of de Porsche 904 Carrera GTS, die nu nog als een van de mooiste raceauto’s uit de geschiedenis geldt.
In 1972 werd Porsche een NV en op de beurs genoteerd. Het was voor Butzi en de rest van de familie reden het bedrijf te verlaten. Porsche richtte in Stuttgart zijn eigen ontwerpstudio Porsche Design Group op. Later verhuisde dit bedrijf naar Zell am See in Oostenrijk, waar de familie een groot landgoed heeft. Onder de naam Porsche werden allerlei luxe voorwerpen ontworpen: van keukens tot brillen, mobiele telefoons en zelfs de trams die in Wenen rijden. Maar vooral zijn horloges trokken veel aandacht en behoorden tot de standaarduitrusting van verscheidene militaire organisaties. Zijn zonnebril-ontwerpen werden daartegen bekritiseerd als plagiaat.
Maar de enige echte icoon van zijn hand bleef de Porsche 911. Toen de autofabriek begin jaren negentig in problemen kwam, trad Butzi weer toe tot de raad van commissarissen. Hier belandde hij in een wespennest – onder meer met zijn neef Ferdinand Piëch – toen het eigendom van Porsche en VW werd betwist. Pas in 2005 kon hij het stokje eindelijk overdragen aan zijn zoon Ferdinand Olivier Porsche.
Porsche, aan wie in 1999 in Oostenrijk de eretitel professor werd verleend, leidde geen jetsetleven zoals zoveel andere ontwerpers van snelle auto’s. Hij trouwde met een vriendin die hij al vanaf zijn 15de kende. En hij was meer geïnteresseerd in middeleeuwse kastelen dan in glitter en glamour. Zijn favoriete hobby was wandelen.
Zijn ontwerp leeft echter voort in de huidige generatie Porsches die naast zakenbankiers ook geliefd is bij voetbalsterren als David Beckham en andere beroemdheden.
Butzi Porsche zal worden bijgezet in het familiegraf in Zell am See. De Porsche die volgend jaar zijn 50-jarig bestaan zal vieren, heeft hem overleefd.
(6-4-2012)


Kees Hoogendijk (1956 – 2012)
Schaker en weldoener

Kees Hoogendijk stierf op 56-jarige leeftijd aan een hartstilstand. In zijn korte leven was hij vooral avonturier, idealist en schaker, maar ook zakenman en leraar.

Peter de Waard

Kees Hoogendijk was een rasoptimist die volgens zijn weduwe Wen Dong zelfs een snelheidsbekeuring ‘een plezierbelasting’ noemde.
Op zaterdag 10 maart speelde hij volgens de Meppeler Courant op het achtste bord van het eerste team van de Meppeler Schaakvereniging tegen Jan Nagel van het Hilversumse Schaakgenootschap. In een ruilvariant van het Spaans wist hij de voormalige politicus en omroepman zo onder druk te zetten dat die moedeloos opgaf. Maandag 12?maart aan het begin van de avond werd hij door zijn echtgenote Wen Dong levenloos in de badkamer gevonden.
Kees Hoogendijk, schaker, computerdeskundige, idealist, avonturier, zakenman, leraar en oprichter van SmartKids Foundation werd slechts 56 jaar. In 2004 won hij de nationale IQ-test van de jongerenomroep BNN. In 2008 was Hoogendijk even internationaal nieuws toen hij voor het schaakteam van Ghana meedeed aan het wereldkampioenschap voor landen, de zogenoemde Olympiade, in Dresden. Elk jaar was hij enige tijd in dat land, waar hij zijn eigen particuliere opleidingsproject had voor hoogbegaafde kinderen.
Hoogendijk werd geboren in Abcoude. Zijn vader was oliehandelaar en het gezin verhuisde diverse keren voordat het in Balkbrug in het oosten van het land neerstreek. Kees Hoogendijk was hoogbegaafd, waardoor hij weinig problemen had met de veelvuldige wisselingen van school. Maar hij was ook al jong eigenzinnig. Op zijn 11de zat hij al op de hbs, maar hij gaf er na drie maanden de brui aan en zei tegen zijn ouders dat hij naar de lts wilde. Uiteindelijk werd het de rijksscholengemeenschap in Meppel, waar hij in de vijfde klas van het atheneum roem vergaarde als eerste streaker van de stad, toen hij met brommerhelm maar verder naakt voor een weddenschap van 100 gulden van de ene naar de andere kant van een overvolle winkelstraat rende. Uiteindelijk ging hij psychologie studeren in Groningen. Hij genoot van de studententijd maar besloot na bijna drie jaar iets totaal anders te gaan doen: het exploiteren van een pompstation in Twente.
Ook daar had hij na drie jaar genoeg van. Hij moest vervolgens de militaire dienst in. ‘Na enkele maanden ging het mis’, zegt zijn vriend Albert Bloemert. ‘Kees werd ernstig ziek. Hij lag zes weken in het ziekenhuis en belandde zelfs tijdelijk in een rolstoel. Het veranderde zijn levenshouding. Hij wilde geen materialist zijn en al helemaal geen carrièreman.’ Hoogendijk zou alleen nog losse baantjes hebben: van administratief medewerker tot magazijnbediende en vrachtwagenchauffeur.
Op een van zijn wereldreizen leerde hij in China zijn vrouw Wen Dong kennen, met wie hij in 1988 trouwde. Met computeronderwijs en beleggen probeerde hij daarna in zijn onderhoud te voorzien. In 1997 begon hij zijn eigen bedrijf: Hoogendijk Computer Opleidingen. Hij besloot in 2004 ook een eigen stichting op te richten – Smart Kid Foundation – die scholingsprojecten voor hoogbegaafde kinderen uit arme gezinnen in Ghana opzette. Hij zamelde hier fondsen voor in, maar stak er ook veel van zijn eigen geld in.
Een andere passie van hem was schaken. Hij was al enkele malen clubkampioen geweest, toen hij zijn project in Ghana begon. Daar leerde hij kinderen ook schaken. Toen Hoogendijk op een toernooi in Ghana tweede werd, bleek dat achteraf het nationaal kampioenschap te zijn en werd hij opgenomen in het nationale team. Op weg naar de Olympiade in Dresden nam Hoogendijk zijn teamleden, die soms nog nooit buiten hun dorp waren geweest, nog even mee voor een bezoek aan Meppel. In 2010 maakte hij opnieuw deel uit aan het Ghanese team dat deelnam aan de schaakolympiade die toen in Khanty Mansiysk in Siberië plaatsvond.
Elk jaar was hij minimaal enkele weken in Ghana met het doel de Smart Kid Foundation te laten slagen. ‘Ik geef geen vis of een hengel aan hen, maar de methoden om zelf een hengel te maken. Ik ben ervan overtuigd dat dit de beste manier is om armoede de wereld uit te helpen ’, zei hij. ‘Het zou me niet verbazen als één van hen over veertig jaar president van Ghana is. Maar dat ga ik niet meemaken.’
(31-3-2012)


Hans van den Doel (1937-2012)
Politicus en hoogleraar

Ideoloog van de PvdA

Hij was binnen de PvdA een van de weinigen die een geleide loonpolitiek wilde. Hans van den Doel moest niets weten van ‘het biefstuksocialisme’.

Peter de Waard

‘Ik verdien veel te veel’, vond hoogleraar en PvdA’er Hans van den Doel in de jaren zeventig. ‘Maar ik stort het niet terug bij Joop den Uyl. Ik pleit ervoor dat ze het mij afpakken.’
Net op het moment dat dit kabinet weer de Loonwet van stal haalt, is de kleurrijke PvdA-econoom Hans van den Doel op 74-jarige leeftijd overleden. Hoewel hij vanwege een hersenbloeding al sinds 1981 weinig in de publiciteit trad, had Van den Doel in de jaren daarvoor met zijn dwarse standpunten een groot stempel op de partij gedrukt.
Hij was binnen de PvdA een van de weinige voorstanders van een geleide loonpolitiek, omdat hij niets moest weten van wat hij ‘het biefstuksocialisme’ noemde. ‘Weet je wat de consequenties zijn van loonsverhoging? Eerst allemaal een auto, dan allemaal een zeiljacht en tenslotte een privévliegtuig. Dat proces moet doorbroken worden’, zei hij in 1976 in een interview met Bibeb. ‘Ik weet zeker dat arbeiders werkgelegenheid, woningen en onderwijs belangrijker vinden dan verre vliegreizen.’
Van den Doel werd geboren in een gereformeerd gezin in Zierikzee waar zijn vader directeur was van de plaatselijke bank. Met zijn eeneiige tweelingbroer Huib groeide hij zij aan zij op met muziek en het lezen van Nietzsche en Jung. Hij ging studeren aan de Vrije Universiteit en werd lid van de PvdA.
In 1966 behoorde hij samen met Jan Nagel, André van der Louw, Arie van der Zwan en Han Lammers tot de initiatiefnemers van Nieuw Links en schreef mee aan het manifest Tien over Rood. Maar met zijn pleidooi voor een regering met KVP en D66 kreeg hij het ook met de partijvernieuwers aan de stok. ‘Ik onderscheidde mij ook van hen doordat ik niet dronk en niet zo goed was in vrouwen versieren’, zei hij later.
In 1967 werd hij Tweede Kamerlid. Het eerste wat hij deed was pleiten voor volledige afschaffing van de hypotheekrenteaftrek. Maar de partij schrok van de vele boze brieven van de eigen aanhang op dit voorstel.
Hij was minister van Volkshuisvesting in het schaduwkabinet van Den Uyl, maar weigerde later de echte post. Van den Doel, die in 1971 was gepromoveerd bij Tinbergen, was toen al hoogleraar politieke economie in Nijmegen geworden. ‘Mijn kracht ligt niet in de politiek, maar in het bestuderen van wat anderen doen.’ In 1976 verscheen zijn boek Democratie en Welvaartstheorie waarin hij het dilemma schetste van een democratische overheid voor de collectieve voorzieningen en de markt die dat moest financieren.
In oktober 1981 kreeg hij twee hersenbloedingen achter elkaar. Hij lag twee maanden in coma. Toen hij bijkwam kon hij niet meer praten. Langzaam pikte hij dat woordje voor woordje weer op. Gelukkig bleek zijn denkvermogen niet aangetast. Hij leefde verder als afasiepatiënt op het Friese platteland. In een interview met Jan Tromp in de Volkskrant in 1994 bleek hij niet van standpunt te zijn veranderd: ‘Ik ben nog steeds overtuigd dat als werknemers moeten kiezen tussen meer poen of meer werkgelegenheid, sociale zekerheid en gemeenschapsvoorzieningen, zij voor het laatste kiezen.’
(31-3-2012)


Fioen Blaisse (1932-2012)
Beeldhouwster

Peter de Waard

De meeste Nederlanders zullen weleens een beeld van Fioen Blaisse hebben gezien, zonder zich af te vragen door wie het was gemaakt. Gekend maar niet bekend.
Fioen Blaisse, die 29 februari op 80-jarige leeftijd overleed in haar woonplaats Amsterdam, was een van de aansprekende beeldhouwers van het land.
Haar werk past in een realistische traditie, waaraan in de kunstkritiek niet veel aandacht is geschonken, omdat het minder interessant werd gevonden. Haar neef Arjen Oosterman heeft daar wel een verklaring voor: ‘De media-aandacht is nu eenmaal geconcentreerd op de avant-garde. Critici zijn op zoek naar verandering en vernieuwing, kunst die zich ergens tegen afzet. De meer realistische stromingen doen het in de media slechter.’
Fioen Blaisse werd in 1932 geboren als tweede dochter van het echtpaar Kramer. Haar vader was violist bij het Concertgebouworkest, dat in die tijd onder leiding van Willem Mengelberg als het beste orkest ter wereld gold. Haar vader overleed echter toen ze pas zes jaar was. Haar moeder – een pianiste – overleed eveneens jong. Niettemin kreeg ze in haar kinderjaren de muziek met de
paplepel ingegoten. Vanaf haar vijfde volgde ze al vioolles en tot op hoge leeftijd bleef ze vioolspelen in kwartetten en ensembles.
Maar uiteindelijk koos ze, na in de na-oorlogse jaren eerst administratief werk te hebben gedaan, voor een op eiding in de beeldende kunst. Aan de Opleidingsschool voor tekenleraren volgde ze een cursus portretboetseren. Ook werkte ze regelmatig in de studio van beeldhouwer en graficus Paul Koning, bij wie ze in contact kwam met vooruitstrevende kunstenaars.
Op haar 26ste jaar begon ze aan een opleiding aan de Gerrit Rietveld Academie. Ze koos niet voor de abstracte vormen van vele van haar tijdgenoten, maar juist voor beelden waarin het figuratieve element overheerste. Haar eerste opdrachtgevers waren vooral particulieren, maar in 1968 maakte ze haar eerste beeld in het kader van een openbare opdracht – een bronzen olifant voor het kindertehuis Amstelland in Amsterdam. Later maakte ze onder meer het bijna twee meter hoge beeld Danseres met tamboerijn voor de Maliebaan in Utrecht.
In 1954 trouwde ze met Erik Blaisse, psycholoog en eigenaar van de likeurstokerij Van Zuylekom. Naast muziek werd de dans de belangrijkste inspiratiebron voor haar werk. Veel van haar beelden waren dan ook danseressen. Bij haar tentoonstelling in de Utrechtse galerie Quintessens in 2003 schreef ze zelf een toelichting. ‘Het gaat niet om wat je ziet, maar om wat je voelt. En om dat gevoel in beeld te brengen, is een ware zoektocht.’
Vanaf 1960 trok ze zich vijf dagen per week terug in haar atelier aan de 3de Wittenburgerdwarsstraat in Amsterdam, waar ze in alle rust geconcentreerd kon werken. Hier was ze volgens haar man intens gelukkig. Ze maakte toen haar beelden – vooral danseressen – in gips. Vervolgens werden ze in brons afgegoten. Niemand hoefde te poseren, want ze werkte uit haar herinnering. ‘Fioen beeldt geen gezichten af, omdat het geen afbeeldingen van bestaande personen zijn. Het zijn verbeeldingen van essenties van dans en daarmee van het leven’, aldus Arjen Oosterman. ‘Zelfs haar vroege buffels zijn al veel meer expressie van ‘buffelachtigheid’, van een bepaald soort onverzettelijke aanwezigheid, dan afbeelding van drie dieren in Artis.’
Het beeld De Waterbuffels verrees in Bilthoven en al snel waren haar standbeelden overal te zien: Wind in de zeilen in Brielle, Danseres in concentratie in het stadswandelpark van Eindhoven, Portret van J.S. Bach in Muziekcentrum Vredenburg in Utrecht en Vrouw met vlinder in Nijmegen.
Fioen Blaisse kreeg in 1998 de Singerprijs voor haar hele oeuvre. Hetzelfde jaar opende koningin Beatrix een expositie in de Beurs van Berlage waarin werk van Blaisse was opgenomen. In 2010 moest ze met werken stoppen toen ze bij een val hersenletsel opliep. Uiteindelijk werd een longontsteking haar dit jaar fataal, precies op het moment dat in galerie Quintessens een nieuwe tentoonstelling van haar werk werd geopend.
(24-3-2012)


Herman Broekhuizen (1922-2012)
radiomaker

Voor kleuters en radiotalenten

Peter de Waard

Herman Broekhuizen gaf Ad ’s-Gravesande in 1967 de kans zijn eerste baanbrekende radioprogramma Rits te maken. Maar hij componeerde ook het kinderliedje Er liggen bolletjes in de grond, waarmee de lente werd ingeluid.
De generatie van veertig jaar en ouder zal hem echter vooral kennen als maker – samen met de in 2004 overleden ‘tante Lily’ (‘Hallo kindertjes van het hele land!’) Petersen – van het radioprogramma Kleutertje Luister waarmee de babyboomers tussen 1946 en 1975 opgroeiden toen de televisie nog in de kinderschoenen stond.
Broekhuizen is op 89-jarige leeftijd overleden, zo werd woensdag bekendgemaakt. Broekhuizen was een van de productiefste na-oorlogse schrijvers en componisten van kinderliedjes. Zijn invloed in de omroepwereld strekt zich echter veel verder uit.
Talrijke programmamakers en presentatoren van de gouden of ‘Minjon-generatie’ zijn bij hem opgeleid, zoals Joop van Zijl (nieuwslezer NOS), Paul Haenen (VARA), Marga van Arnhem (sportpresentator), Ad ’s-Gravesande (VPRO), Gerrit den Braber (AVRO), Koos Postema (VARA), de dj’s Felix Meurders, Skip Voogd en Krijn Torringa, Rob Out (Veronica), de broers Jan en Nico Haasbroek en componist Ruud Bos.
Herman Broekhuizen werd geboren in Den Haag en volgde voor de oorlog de kweekschool. Daarnaast studeerde hij aan het conservatorium in Den Haag. In 1946 werd hij dirigent bij AVRO’s Kinderkoor Jacob Hamel.
Een jaar later begon hij op verzoek van AVRO-directeur Willem Vogt het jeugdprogramma Kleuterje Luister, waarin op dinsdag en donderdag verhaaltjes werden verteld en liedjes werden gezongen met kinderen. In totaal zou hij 4.500 uitzendingen maken.
Broekhuizen richtte in 1953 met instemming van de AVRO de omroep Minjon (Miniatuur Jeugd Omroep Nederland) op, waar jongeren in staat werden gesteld zelf programma’s te maken of ‘met de radio te knutselen’ zoals hij zelf zei. Binnen een week had hij tweeduizend leden.
Dagelijks kwamen jongeren naar de studio, die met een bandrecorder de straat op werden gestuurd om een reportage maken die in schuurtjes aan elkaar moest worden geplakt. De beste reportages werden donderdagochtend uitgezonden in het programma Op de Jonge Golf.
Broekhuizen creëerde ook programma’s zoals het baanbrekende Rits, waarvoor ’s-Gravesande een reportage maakte over travestie, die de AVRO weigerde uit te zenden. Minjon werd de kweekvijver voor omroeptalent: de Minjonners. In 1969 hield Minjon op te bestaan.
In 1970 vertrok Broekhuizen naar het Opleidingscentrum voor de Omroep van de NOS als Hoofd Radio Opleidingen. Samen met Kees Schoonenberg (ex-VARA) trad hij ook daarna nog vaak op als muzikale kinderclown: Kees met de fluit en Herman met accordeon.
In 1984 nam hij afscheid. Broekhuizen bleef nog lp’s en later cd’s maken. Behalve dat hij veel eigen liedjes heeft geschreven (zoals Elsje Fiederelsje, Opa Bakkebaard en Helikopter, helikopter, mag ik met je mee) heeft hij ook talrijke traditionele kinderliedjes gepresenteerd zoals Tussen Keulen en Parijs, Zakdoekje leggen, Op een klein stationnetje en Schipper mag ik overvaren, die soms ten onrechte aan hem werden toegeschreven. Zijn zoon Tjeerd Broekhuizen is een bekende cameraman.
(22-3-2012)


Pierre Draps (1919-2012)
chocolatier

De man die pralines als juwelen verkocht

De vader van het chicste Belgische pralinemerk Godiva laat een keten met zeshonderd winkels in tachtig landen na.

Peter de Waard

‘Ik ben geboren in de chocolade. Ik voelde mij aangetrokken tot het vak en heb mijn hele leven in dienst gesteld van de chocoladekunst’, stond in het overlijdensbericht van Pierre Draps, de vader van het chicste – 28,50 euro voor een doosje met 500 gram – Belgische pralinemerk Godiva.
Draps overleed vorige week donderdag in het Zwitserse Ascona. In de jaren zestig kwam hij met het idee om pralines te verkopen als juwelen. Daarvoor moesten de winkels worden ingericht als juwelenzaken en de pralines worden verkocht in juwelenkistjes.
Het bleek een gouden greep te zijn. Godiva heeft nu zeshonderd winkels in tachtig landen en nog eens tweeduizend verkooppunten op luchthavens en luxewarenhuizen. De omzet is 440 miljoen euro.
Pierre Draps was pas 7 jaar oud toen zijn vader in 1926 in Molenbeek bij Brussel een chocolatier opende. Na diens overlijden neemt hij samen met zijn broers Joseph en François de zaak over die op dat moment vooral chocolade maakt voor kruideniers.
Pas na de Tweede Wereldoorlog openen ze in Koekelberg bij Brussel een eigen zaak onder de uit een Britse legende gepikte naam Godiva. Een half jaar later kan een tweede winkel worden geopend in Knokke. Eind jaren vijftig zijn er al twintig winkels in België, is Godiva gebombardeerd tot hofleverancier en wordt een eerste winkel geopend in Parijs.
In 1972 begint vanuit New York ook de expansie in de VS. De keten is dan al bij gebrek aan opvolgers verkocht aan het Amerikaanse soepenconcern Campbell’s, dat het in 2007 weer overdoet aan het Turkse bedrijf Yildiz Holding.
Pierre Draps zou niettemin tot het einde van zijn leven bij het bedrijf betrokken blijven en nog veel nieuwe ontwerpen bedenken. In 2008 was hij nog eregast bij de opening van een nieuwe zaak aan de Grote Markt in Brussel.
(20-3-2012)


Chaleo Yoovidhya (1923-2012)
Drankenfabrikant

Het genie achter Red Bull

Het drankje dat Chaleo Yoovidhya ontwikkelde om chauffeurs wakker te houden, was vaak doelwit van wilde verhalen.

Peter de Waard

Chaleo Yoovidhya was een van de meest illustere figuren van de moderne marketing. Van eendenhoeder in het noorden van Thailand klom hij op tot een van de rijkste mannen ter wereld dankzij de uitvinding van het energiedrankje Red Bull.
Het merk heeft 70 procent van de wereldmarkt voor energiedrankjes in handen en is daarnaast bekend van zijn racestal in de Formule 1 en de voetbalclubs Red Bull Salzburg en New York Red Bulls.
Chaleo overleed afgelopen zaterdag op 89-jarige leeftijd in Bangkok. Met een vermogen van 5 miljard dollar (3,8 miljard euro) stond hij op plek 205 op de Forbes-ranglijst van rijkste mensen ter wereld. Hij had elf kinderen – zes bij zijn eerste vrouw en vijf bij zijn tweede.
De entrepreneur werd geboren in een Chinees-etnische familie in de Thaise provincie Phichit, waar zijn straatarme ouders eenden hielden en vruchten verkochten. Na enkele baantjes in de nabije omgeving trok hij in 1960 naar Bangkok. Eerst was hij buschauffeur. Later ging hij zijn broer helpen in een apotheek. Daarna begon hij zelf farmaceutische producten – vooral antibiotica – te verkopen.
Een van de producten die hij zelf ontwikkelde, was een drankje dat vrachtwagenchauffeurs en fabrieksarbeiders wakker moest houden tijdens lange ritten of nachtdiensten. Het drankje bevatte naast veel suiker ook taurine (aminozuur), het pepmiddel glucuronolacton, vitamine B en net zo veel cafeïne als in drie blikjes cola.
Hij noemde het drankje Krating Daeng, wat later zou worden vertaald in Red Bull. Het werd een lokaal succes. In 1982 ontdekte de Oostenrijkse entrepreneur Dietrich Mateschitz het drankje tijdens een bezoek aan het Verre Oosten. Hij zocht Chaleo op en de twee zetten een joint venture op om het drankje internationaal te gaan verkopen.
De eerste tests met het drankje over de grenzen waren een fiasco. De flesjes werden verwisseld voor blikjes, waarna het product in 1987 in Oostenrijk werd geïntroduceerd. In hetzelfde jaar besloot Mateschitz tijdens de Grand Prix van Monaco het drankje te propageren. Het bleek de doorbraak te zijn. In 1997 kwam het ook in de VS op de markt. Vijfentwintig jaar later verkoopt Red Bull in 79?landen jaarlijks 3?miljard blikjes onder de reclameslogan ‘Red Bull geeft vleugels aan mensen die lichamelijk en geestelijk actief willen zijn’.
Het drankje is herhaaldelijk het doelwit geweest van mysteries, geruchten en wilde verhalen en bleef een dankbaar onderzoeksproject voor wetenschappers. Zo werd ooit beweerd dat het hoofdbestanddeel taurine uit de testikel van een stier gewonnen zou worden.
Er werd veel onderzoek gedaan naar de invloed van Red Bull op fysieke prestaties of de concentratie, zonder dat leidde tot een eenduidige uitslag. Ook onderzoek naar mogelijke schadelijke bijwerkingen bij hoge doseringen leidde tot elkaar tegensprekende resultaten, hoewel Red Bull tot 2009 nog was verboden in Noorwegen en Denemarken en nu nog verboden is in Uruguay.
In Canada moet er op het label een waarschuwing staan: ‘Niet aanbevolen voor kinderen, zwangere of borstvoedende vrouwen of personen die overgevoelig zijn voor cafeïne. Ook is mengen met alcohol niet aan te bevelen. Drink niet meer dan 500 ml per dag.’ Chaleo Yoovidhya had daar geen boodschap aan.
(19-3-2012)


Henk van der Straaten (1936-2012)
Oprichter Konmar

De koning van de zelfbediening

Mister?Konmar leidde de grootste supermarktketen in de regio Den Haag. Tot op late leeftijd genoot hij van de ‘zakelijke spanning’.

Peter de Waard

Zoals Albert Heijn Nederland leerde sherry te drinken in plaats van citroenbrandewijn, heeft Henk van der Straaten ervoor gezorgd dat de Nederlanders plakjes kaas tussen stokbrood gingen stoppen in plaats van op een witte boterham te leggen.
Van der Straaten overleed op zondag 4 maart op 76-jarige leeftijd aan de gevolgen van longkanker. Hij was samen met Jacques Koster de oprichter van de zelfbedieningswinkel Konmar die in de regio Den Haag tot de belangrijkste supermarktketen zou uitgroeien. Hij dankte hier de naam Mister Konmar aan. Uiteindelijk zou Konmar worden opgeslokt. Nu is de formule eigendom van Jumbo, zij het dat veel winkels andere eigenaren hebben gekregen.
Van der Straaten werd geboren in een gereformeerd gezin van twaalf kinderen in Werkendam. In 1944 trok zijn vader naar Den Haag om daar als bakker te gaan werken. Henk volgde de hbs, had enige tijd een kantoorbaan, vervulde met tegenzin de dienstplicht en begon daarna als marktkoopman. Hij stond met een bakfiets op de markt aan de Herman Costerstraat en op donderdag in Delft. Hij wilde al snel een zelfbedieningswagen hebben, maar kreeg geen toestemming. In Delft begon hij daarop met zelfbediening in een marktkraam. In Den Haag opende hij een zaak onder de naam Supersnoepmarkt. In 1966 sloeg hij de handen ineen met Jacques Koster, die drie jaar eerder aan het Haagse Ursulaland ook een zelfbedieningszaak had geopend. Samen richtten ze een nieuwe zelfsbedienings-supermarkt op. De eerste werd in 1968 geopend in een oude fabriekshal aan de Waldorpstraat. Van der Straaten was toen 32 jaar. Als naam werd gekozen voor Konmar – de afkorting van Konsumentenmarkt.
In een grote advertentie in de Haagsche Courant werd aangekondigd dat de winkel 10 tot 30 procent goedkoper zou zijn dan de concurrentie zoals Albert Heijn. Klanten kwamen verbaasd binnen. In de grote supermarkt waren ook een slagerij, bloemenafdeling, drogisterij, slijterij en bakkerij met een versbroodafdeling gevestigd. Dat had geen enkele supermarkt nog. Konmar kwam zelfs met een eigen stokbroodbakkerij.
De keten groeide snel. In het midden van de jaren zeventig konden geen panden meer worden gevonden die groot genoeg waren om winkels te openen. Van der Straaten kwam in contact met Anton Dreesmann die wel over veel grote panden beschikte. In 1977 verkochten Van der Straaten en Kosters hun Konmar-keten aan Vendex. Van der Straaten bleef directeur en de naam werd gehandhaafd. Al snel werden nieuwe Konmars geopend in Delft, Voorburg, Rotterdam, Zoetermeer, Katwijk, Maassluis en Zwijndrecht. In 1998 fuseerde de Vendex Food Groep, waartoe ook Edah en Basismarkt behoorden, met De Boer Unigro tot Laurus. Het werd een totale mislukking.
Door alle winkels om te bouwen tot Konmars wilde het concern Albert Heijn van de troon stoten, maar als gevolg van prijsstijgingen bleven de klanten weg en balanceerde Laurus op de rand van het faillissement. Het bedrijf werd gedwongen de naam te veranderen in Super De Boer en vele winkels opnieuw om te bouwen, en werd uiteindelijk overgenomen door Jumbo.
Van der Straaten maakte dit niet mee. Hij was al in 1990 bij Konmar als directeur afgetreden. Met zijn vertrek kwam een einde aan de specifieke Konmar-cultuur: de marktachtige presentatie van de producten, de oranje huiskleur en de hechte band tussen de personeelsleden – van vakkenvullers tot de directeur.
Van der Straaten lanceerde kort daarna een nieuw initiatief. Hij ontwikkelde een nieuwe overdekte marktplek in Rijswijk, Darling Market. Het idee had hij opgedaan tijdens een reis naar Australië. Lee Towers zong bij de opening in 1996. De ontwikkeling stokte, onder meer doordat de gemeente niet wilde meewerken aan bestemmingsplanwijzigingen. Vorig jaar organiseerde Van der Straaten nog een reünie voor alle Konmar-werknemers ter gelegenheid van zijn gouden bruiloft en 75-jarige verjaardag. Hij hoopte toen nog de Darling Market nieuw leven in te blazen met een congrescentrum, bakkerijmuseum en een speelstad. ‘Leeftijd speelt daarbij geen rol. Ik hou van die zakelijke spanning’, zei hij. ‘Van de adrenaline. En dat wissel ik netjes af met fietsen, wandelen en met golf.’ Begin dit jaar gaf hij de exploitatie van het gebouw uit handen, hoewel hij eigenaar bleef van het pand.
(17-3-2012)


Max de Winter (1920-2012)
Uitvinder pil

De man die de kerk op de kast kreeg

Dankzij zijn werk kon Organon in 1962 de anticonceptiepil Lyndiol uitbrengen

Peter de Waard

Zijn drijfveer was niet de wens voor grotere seksuele vrijheid. Max de Winter was in eerste instantie laboratoriumonderzoeker. ‘Pas toen na 2000 ineens gesproken werd over een lintje kwam zijn betekenis voor de seksuele vrijheid van vrouwen voor het voetlicht’, zegt zijn zoon Micha de Winter.
In 1962 kon Organon dankzij het onderzoek van Max de Winter en twee collega’s de anticonceptiepil Lyndiol op de markt brengen, die naast popmuziek, lang haar, de minirok en marihuana een van de symbolen zou worden van de jaren zestig.
De Winter overleed afgelopen donderdag op 91-jarige leeftijd in zijn woning in Oss. Hij werd in 1920 in Nijmegen geboren als zoon van Louis de Winter en Mietje Henriette Gomperts. Bij het uitbreken van de oorlog was hij net in dienst getreden van Shell, terwijl hij tegelijkertijd studeerde. In 1942 moest hij vanwege zijn Joodse afkomst ontslag nemen.
Om aan deportatie te ontkomen, trouwde hij tijdig met zijn vriendin Chelly Heymans. Samen met haar dook hij daarna onder bij een tuinder in Twello. Hij werd verraden en kwam in het vernietigingskamp Auschwitz terecht. Omdat het Duitse bedrijf Siemens zijn technische kennis kon gebruiken, wist hij de oorlog te overleven. Maar zijn vrouw stierf daar. Aan het einde van de oorlog werd hij nog twee keer overgeplaatst, naar de kampen Buchenwald en Sachsenhausen.
Na de oorlog kon hij bij Shell terugkeren. Hij volgde in de avonduren een studie voor chemisch ingenieur. In 1948 stapte hij over naar het farmaceutisch bedrijf Organon in Oss. Inmiddels was hij hertrouwd met Bertine Meijer, die een onderduikverleden had. Samen kregen ze twee zonen: de hoogleraar pedagogiek Micha de Winter en de media-ondernemer Harry de Winter. In 1955 slaagde hij erin met een team wetenschappers het hormoon lynestrenol te ontdekken dat de ovulatie bij de vrouw afremde. Dit leidde tot de ontwikkeling van een anticonceptiepil die in 1962 op de markt kwam – twee jaar nadat in de VS al een soortgelijke pil was geïntroduceerd. Maar de Organon-pil was hier veel succesvoller.
Met de pil kon een einde gemaakt worden aan ongewenste zwangerschappen die vaak tot illegale abortussen leidden. De katholieke kerk was er niet blij mee. Het verzet in Noord-Brabant was zo groot dat Organon de pillen door een ander bedrijf moest laten verpakken en het in België als middel tegen menstruatiestoornissen op de markt bracht.
De Winter deed daarna ook veel onderzoek naar vruchtbaarheid en onvruchtbaarheid onder vrouwen. ‘Als gevraagd werd wat onze vader deed, zeiden we altijd dat hij in de sekshormonen zat’, zegt Micha de Winter.
Max de Winter zette zich zeer in voor de zionistische zaak. Hij was een zogezegd socialistisch zionist. Na zijn pensionering in 1983 studeerde hij cultuurgeschiedenis en raakte hij geïnteresseerd in kunst.
(12-3-2012)


Tina Strobos (1922-2012)
Verzetsstrijdster

Een van de laatste verzetsheldinnen

Net als haar ouders in de Eerste Wereldoorlog hadden gedaan, ving ook Tina Strobos tijdens de Tweede Wereldoorlog onderduikers op.

Peter de Waard

Tina Strobos was een van de laatste levende verzetsheldinnen van Nederland. Ze hielp tijdens de oorlog ruim honderd mensen met onderduiken, onder wie de socialist en vakbondspionier Henri Polak.
Strobos overleed 27 februari in Rye, in de Amerikaanse staat New York, aan de gevolgen van borstkanker. Ze werd in Amsterdam geboren als Tineke Buchter in een socialistisch atheïstisch gezin. Al in de Eerste Wereldoorlog werd opvang geboden aan Belgische vluchtelingen.
Ze was de enige dochter van de vastgoedontwikkelaar Alphonse Buchter en Marie Schotte. Haar ouders gingen nog voor de oorlog uit elkaar, waarna zij bij haar moeder bleef. Toen de Duitsers op 10 mei 1940 het land binnenvielen, was Tina begonnen aan een studie medicijnen. Nog tijdens die oorlogsdagen boden zij en haar moeder, in het drie verdiepingen tellende huis aan de Nieuwezijds Voorburgwal 282 in Amsterdam, onderdak aan Polak. Om te verbloemen dat ze hem kenden moest ze de exemplaren van het socialistische dagblad Het Volk die als behangpapier waren gebruikt, losweken van de muren.
Het was de allereerste verzetsdaad. Vanaf die tijd zouden ze bijna honderd onderduikers opvangen, die na een kort verblijf meestal werden doorgeplaatst naar veiligere adressen. Al gauw werd ze betrokken bij andere verzetsdaden, zoals het vervoer van wapens en het vervalsen van persoonsbewijzen. Dat laatste deed ze door echte persoonsbewijzen te stelen op plekken waar veel mensen bijelkaar kwamen, zoals begrafenissen. Vervolgens verwisselde ze de foto’s. Ook organiseerde de familie elke dag van zes tot acht uur ’s avonds een bijeenkomst waarbij geluisterd werd naar de BBC-radio.
Tina Strobos werd drie keer opgepakt, haar moeder twee keer. Ze wist telkens de dans te ontspringen dankzij haar vrouwelijke charme en uitstekende kennis van de Duitse taal. Toen de Gestapo een keer binnenstapte zei ze tegen haar moeder: ‘Er is niets waar je bang voor hoeft te zijn. Ze hebben niets over ons. Ze kunnen niets bewijzen.’ Niettemin werd ze een keer tijdens de verhoren zo hard aangepakt dat ze bewusteloos raakte, nadat ze tegen een muur was gegooid.
Tot de onderduikers behoorde ook de verzetsstrijder Johan Brouwer. Hij deed in 1943 mee bij de aanslag op het bevolkingsregister onder leiding van Gerrit van der Veen. Hij werd later geëxecuteerd. Ook hielp ze vele joodse onderduikers. Een van hen was haar vriendin Trusah van Amerongen, die vijf kinderen had en als orthodoxe jodin haar eigen kosher eten maakte. Een andere was de beroemde natuurkundige Bram Pais met wie ze ook een korte relatie kreeg.
In het huis liet ze een speciale alarmbel aanleggen die iedereen kon waarschuwen als er politie voor de deur stond. De onderduikers waren ondergebracht in een door timmerlieden uit het verzet gebouwde zolder, die een vluchtweg bood naar een school. Omdat de Duitsers nooit scholen binnenvielen, was dit een zeer veilige schuilplaats. Ook verleenden moeder en dochter onderdak aan 18 studenten die weigerden de loyaliteitsverklaring te tekenen.
Na de oorlog verliet ze Nederland. Volgens haar zoon Jur Strobos was ze teleurgesteld in het bewind. Dat onderscheidde zich volgens haar niet van de mensen die voor de oorlog regeerden. Met haar verloofde, de neuroloog Robert Strobos vertrok ze naar Aruba, waar hij een baan kon krijgen bij Shell. In 1947 trouwden ze. Ze zouden drie kinderen krijgen. Tina Strobos studeerde ook nog bij Anna Freud in Londen, voordat zij zich met haar man in de VS vestigde. Ze werd kinderpsycholoog, een functie die ze tot op heel hoge leeftijd uitoefende. Later vestigde het gezin zich in North Carolina.
Op dat moment was ze nog vast van plan een keer naar Nederland terug te keren. Maar na een scheiding in 1964 hertrouwde ze met de Amerikaanse econoom Walter Chudson, die al twee kinderen had. Over haar oorlogservaringen sprak ze zelden, zegt Jur Strobos. Ze kwam heel vaak terug naar Nederland, waarbij ze ook altijd even langs het adres aan de Nieuwezijds Voorburgwal liep. In 1989 ontving ze de Righteous Among the Nations Award van Yad Vashem. Pas daarna profileerde ze zich meer. Zo sprak ze zich uit tegen martelingen en hielp ze slachtoffers van de orkaan Katrina in 2005.
(10-3-2012)


Jaap Boersma (1929-2012)
Politicus

Minister met een sociaal imago

Hij zat als minister namens de ARP in het kabinet, maar Boersma stond links van de christenen.

Als politicus moest je gewoon je werk doen. Jaap Boersma was een even eigenzinnige Fries als een ongecompliceerd politicus. Hij had geen hoge filosofische ideologie.
Boersma was twee keer minister van Sociale Zaken toen politiek even hip was als koken en mode nu: eerst in het kabinet-Biesheuvel (1971-1973) en daarna in het kabinet-Den Uyl (1973-1977). Hij stond aan de linkerkant van de christelijke politiek en had weinig op met het nieuwe CDA, waarin KVP, ARP en CHU in 1980 opgingen.
Hij koos voor een carrière in het bedrijfsleven. Het handels- en bouwconglomeraat OGEM, waar hij de baas werd van de divisie bouw en techniek, bleek precies de verkeerde keuze te zijn. Na zijn ontslag was hij anderhalf jaar werkloos totdat PvdA-wethouder Jan Schaefer, die staats­secretaris was geweest in hetzelfde kabinet-Den Uyl, hem een baantje gaf als directeur van de Stadsreiniging Amsterdam – ‘een carrière van minister tot vuilnisman’.
Boersma werd toen zelfs lid van de PvdA, maar keerde zich van de partij af toen die onder Paars in zijn ogen te behoudend was geworden. In 1992 vestigde hij zich in Noord-Brabant, waar hij het genoegen ontdekte van een ‘huisje waar je omheen kunt lopen’. Tien jaar geleden keerde hij weer terug naar Amsterdam waar hij dinsdag op 82-jarige leeftijd overleed.
Boersma werd geboren in een gereformeerd nest in Leeuwarden, waar zijn vader bij de Nederlandse Spoorwegen werkte. Vlak na de oorlog ging hij economie studeren, eerst in Rotterdam en later aan de VU. Meteen werd hij door vakbondsvoorman Marinus Ruppert binnengehaald als medewerker bij het CNV.
Ruppert zette hem als econoom in 1964 ook op de lijst voor de Tweede Kamer voor de Anti Revolutionaire Partij (ARP). Zeven jaar later kreeg een ministerspost in het kabinet Biesheuvel.
Als links politicus kwam hij al snel in aanvaring met andere kabinetsleden. Hij moest niets hebben van de coalitiepartners VVD – ‘de partij van de drie H’s: halen, hebben en houden’ – en DS’70 van Drees jr. Met name met minister jonkheer Mauk de Brauw (DS’70) kreeg hij het al snel aan de stok.
Na de verkiezingen van 1973 besloot Boersma zich tegen het advies van partijleider Biesheuvel in als minister beschikbaar te stellen voor een regering van PvdA, D66 en PPR. Daarna volgden ook Gaius de Gaay Fortman hem, en vier KVP’ers onder wie Van Agt en Lubbers.
In het kabinet stond hij dichter bij de PvdA dan bij de christelijke partijen. ‘Eigenlijk was ik zelfs linkser van de PvdA-ministers. Ik was voor nationalisering van alle grond.’
In 1975 drukte hij na een negatief advies het plan door voor een vervroegde uittredingsregeling vut om op deze wijze iets te doen aan de jeugdwerkloosheid. Dankzij de vut kon Boersma een grote staking in de haven van Rotterdam afwenden.
Ook in het onderwijs, de bouw en de metaal werd al snel de mogelijkheid geschapen om op 63-jarige leeftijd met pensioen te gaan. Een ander hoogtepunt was voor hem de totstandkoming van een nieuwe Wet op de Ondernemingsraad die werknemers veel meer invloed gaf.
Na de val van het kabinet Den Uyl vertrok hij naar OGEM, dat een veilig bolwerk leek van christelijke politici met Berend-Jan Udink als topman, Biesheuvel als commissaris en Hannie van Leeuwen als personeelschef. Het bleek daar een complete janboel te zijn. Boersma werd nadat hij zijn collega’s in een interview met Vrij Nederland als graaiers, geldwolven en absolute nullen had afgeschilderd, ontslagen.
Hij koesterde zijn sociale imago. Toen hij in 1987 voorzitter werd van het Voorzieningenfonds voor Kunst zei hij krijgshaftig: ‘Mensen in het verdomhoekje kunnen op mij rekenen.’
Boersma trouwde drie keer, onder anderen met de omroepster en journaliste Alice Oppenheim.
(8-3-2012)


Jo Zwaan (1922-2012)

De atleet naast Fanny

Zijn grootste liefde was voetbal en vooral Ajax, maar hij brak door in de atletiek. Voor het Olympisch Stadion stonden rijen fans.

Hij en niet Rinus Michels werd in 1965 als eerste gevraagd trainer te worden van Ajax. Maar Jo Zwaan bedankte onder druk van zijn vrouw die een carrière in het voetbal te onzeker vond.
Hij is er volgens zijn zoon Jan Zwaan altijd gefrustreerd over gebleven dat hij deze kans heeft laten liggen. ‘Stel hoe het was gelopen als híj in plaats van Michels de gouden generatie onder wie Johan Cruijff had kunnen trainen.’
Voormalig voetballer en atleet Jo Zwaan overleed op 5?februari in een bejaardenhuis in Diemen op 89-jarige leeftijd. Hij en zijn broer Jan waren begenadigde sporters en leden van de Amsterdamse atletiekclub AAC in de tijd dat de vrouwenafdeling ADA met Fanny Blankers-Koen een absolute wereldster had.
In het jaar dat Blankers-Koen vier maal goud won in Londen was Jo Zwaan de beste Nederlander op de 100 meter sprint bij de mannen. Hij werd in 1948 dan ook Nederlands kampioen. Op de Spelen in Londen werd hij echter al in de achtste ronde uitgeschakeld met een tijd van slechts 11,0 seconden. De oorzaak volgens Jan Zwaan was dat de bondscoach van de atletiekploeg Jan Blankers alleen maar aandacht had voor zijn eigen vrouw. ‘Begrijpelijk. Zij was de grote ster en zou goud gaan winnen. Maar hierdoor heeft Jo wel twee uur langs in een ijskoud en nat Wembley de warming-up moeten doen. En dat heeft hem opgebroken. Hij had 10,6 kunnen lopen en de finale kunnen halen. Maar in die toestand lukte dat niet.’
Met de estafetteploeg haalde hij wel de finale, maar een medaille zat er niet in. Eén jaar later wist hij met een estafetteploeg nog een nieuw nationaal record te vestigen op de 4x200 meter, dat tot 1970 standhield. Zij eigen record op die afstand was 22,0 seconden. Ook zou hij met een ander estafetteteam het record op de 4x100 meter houden.
Jo Zwaan werd geboren in de Vijzelbuurt in het centrum van Amsterdam. Zijn vader was een tabaksmakelaar die er in mei 1940 in slaagde een lading tabak van Hamburg naar Nederland te krijgen voor de Deli Maatschappij. Jo had een jongere broer Jan die later meermalen Nederlands kampioen zou worden op de 110 meter horden.
Op zijn zesde jaar kreeg Jo Zwaan een bizar ongeluk. Hij kreeg op een bouwlocatie een enorme balk op zijn hoofd. Jo Zwaan zou enige tijd school moeten missen en zou zijn hele leven last houden van hoofdpijn.
Ondanks een leerachterstand lukte het hem om het diploma van de vierjarige Mulo te halen. Op deze school leerde hij ook zijn latere vrouw kennen. Hij bleek daar een zeer talentvol sporter te zijn. Hij hield van boksen en atletiek, maar zijn eerste liefde was voetbal. Op 16-jarige leeftijd speelde hij bij Ajax. Maar in een derby tegen Blauw-Wit kreeg hij zo’n enorme schop dat hij gedwongen was met topvoetbal te stoppen.
Hij ging een opleiding bouwkunde volgen aan de HTS. In 1946 haalde hij het diploma waarna hij aan de slag kon bij Ballast Nederland. Als alternatief voor het voetballen was hij in 1940 lid geworden van AAC. Al in het eerste jaar vestigde hij als junior een clubrecord op het verspringen met 6,23 meter. In 1944 vestigde hij een nieuw clubrecord op de 4x100 meter in een team waar ook Chris Berger deel van uitmaakte. Berger – vader van de omroepster Elles Berger – was voor de oorlog al twee keer Europees kampioen geweest op de sprint.
Na de oorlog groeide Zwaan uit tot een Nederlandse topper. Zijn beste jaren waren tussen 1946 en 1949. Atletiek was toentertijd een grote sport en bij atletiekwedstrijden was het hele Olympisch Stadion vaak uitverkocht. Zwaan was in Nederland dan ook bekender dan de grote schaatsers en wielrenners van die tijd. Rijen fans stonden vaak voor het Olympisch Stadion om een handtekening van hem te krijgen.
Vanaf 1950 ging het minder met zijn sportcarrière. Jo Zwaan begon een gezin en had minder tijd om te trainen. Hij zou later bouwopzichter worden bij de gemeente Amsterdam en uiteindelijk technisch hoofdambtenaar. ‘Sport bleef zijn lust en zijn leven.’ Atletiek was daarbij zijn grote liefde, maar zijn allergrootste liefde was voetbal en vooral Ajax. Jo Zwaan bleef zijn hele leven in Amsterdam wonen, waar ook zijn drie kinderen opgroeide. Een half jaar geleden moest hij overgebracht worden naar een bejaardentehuis in Diemen waar hij overleed.
(3-3-2012)


Adriaan Bontebal (1952-2012)
Stadsdichter en performer

Markant Haags artiest

Adriaan Bontebal, de artiestennaam van Aad van Rijn, kende weinig geluk. Hij was in zijn gedichten vaak zelf onderwerp éen slachtoffer tegelijk.

Peter de Waard

Op de dag voor zijn dood werkte hij nog aan een gedicht. De Haagse stadsdichter Adriaan Bontebal stierf op 11 februari in het harnas. Hij werd slechts 59?jaar. Ondanks de tegenslagen in zijn leven heeft hij als schrijver en performer een groot oeuvre achtergelaten. Vooral in de jaren tachtig en negentig was hij een bekende gast op de literaire festivals en podia. Hij was een markante persoonlijkheid met zeer bijzondere humor, die hij met een Haagse tongval bracht.
Bontebal werd geboren als Adriaan – ‘Aad’ – van Rijn in een katholiek arbeidersgezin in Leidschendam. Zijn vader had meerdere banen, maar verdiende vooral de kost bij een zaadveredelingsbedrijf. Adriaan was de tweede in een gezin met negen kinderen. Hij was even acoliet in de parochiekerk, maar volgens zijn broer Theo van Rijn waren zijn ouders links georiënteerd. ‘Noem het een rood katholiek nest’. Aad van Rijn ging na de mulo studeren aan de Landbouwhogeschool in Wageningen. Hij maakte die opleiding niet af. Hij begon een carrière als computerprogrammeur bij de PTT in Den Haag. In 1975 kreeg hij een ernstig motorongeluk, waardoor hij zijn rechterbeen verloor. Die beperking frustreerde hem, zegt zijn broer Theo. ‘Maar sommige keuzes had hij daarvoor al gemaakt. Zo besloot hij enkele weken nadat hij met S5 uit militaire dienst was teruggekeerd, geen kinderen te willen. Hij keerde zich tegen alle burgerlijkheid.’
Hij volgde een opleiding aan de Sociale Academie, waarna hij een tijdje in een wijkcentrum in Den Haag ging werken. Hij kwam in contact met radicaal linkse en anarchistische kringen en was een van de pioniers rond het legendarische Haagse kraakpand De Blauwe Aanslag.
In 1982 begon hij onder het pseudoniem Adriaan Bontebal als dichter op te treden. Hij was een opvallende verschijning, met zijn zwarte krakersjas, zijn lange haar en zijn hinkende tred. De dichter Bontebal vond al snel aansluiting bij geestverwanten in het krakers- en undergroundcircuit. Met onder anderen Frank Starik, Koos Dalstra, Arthur Lava, Eddie Kagie en Jaap Blonk vormde hij een jaar later de dichtersgroep H.J. van de Bijl. Zijn gedichten, zoals Ontwaken, werden gekenmerkt door zwarte humor :

Ieder ontwaken
een feest
Ik sta op
rek me uit en
krab me eens flink
aan het onderlijf
Als rijpe vruchten
vallen de eitjes
van mijn schaamluis
op het dauwvochtige
slaapkamerzeil
(…)
Hij stak graag de draak met zichzelf. ‘Schrijvers zijn over het algemeen in gezelschap van de mooiste vrouwen. Zo zijn er meer vraagtekens bij mijn schrijverschap te zetten’ schreef hij in zijn verhalenbundel Een goot met uitzicht uit 1988. Behalve zijn teleurstellende ontmoetingen met vrouwen beschreef hij in korte vaak autobiografische verhaaltjes op soms absurdistische wijze zijn aanvaringen met agenten en andere belevenissen in het Haagse stadsleven.
In 1987 was hij mede-organisator van De Haagse Nach van de Literatuur. Er zouden daarna podiumsamenwerkingen volgen met filmmaker Theo van Gogh en striptekenaar Eric Schreurs. In 1998 maakte hij samen met de Haagse cabaretier Sjaak Bral het theaterprogramma Uit de Haagse School geklapt. Verder las hij verhalen voor in het VPRO-radioprogramma Music-Hall. Hoewel de Belgische schrijver Herman Brusselmans hem een aanwinst noemde voor de Nederlandse literatuur, bleef Bontebal aan zichzelf twijfelen.
Na duizend optredens zette hij een punt achter zijn carrière. Hij trok zichzelf terug in zijn hofjeswoning in de Schilderswijk. Sporadisch trad hij nog op, zoals in 2010 toen hij bij Imagine in The Park in Scheveningen en vorig jaar bij de presentatie van zijn broers bundel Vissen zonder aas in Leidschendam. ‘Ik ben meer dan tevreden over dit leven’, zei hij vlak voor zijn dood.
(25-2-2012)


Bram Aardewerk (1932 - 2012)
Zilverexpert

Bevlogen AVRO-antiquair

Toen Bram Aardewerk een keer zijn vader mocht vervangen in diens antiek-zaak, raakte hij verslingerd aan zilverwerk uit de 17de en 18de eeuw.

Peter de Waard

Iedereen valt nu voor een Rembrandt of Vermeer. Maar in de 17de en 18de eeuw stonden zilveren voorwerpen hoger aangeschreven, als kunst en als waardeobject. 'Als je baas in die tijd zilveren voorwerpen kon tentoonstellen, had hij voldoende geld om een inkomen te garanderen', zei Bram Aardewerk, de Haagse zilverantiquair, eens.
Tegenwoordig zijn schilderijen veel duurder. 'Dat komt doordat schilderijen eeuwenlang, onophoudelijk en ononderbroken zijn gepromoot, terwijl het zilver uit de aandacht verdwenen is toen er geen zilveren munten meer in omloop werden gebracht. De koppeling van zilver en geld viel weg en inflatie deed zijn intrede.'
Aardewerk overleed 28 januari aan de gevolgen van kanker. Hij werd 79 jaar. Twintig jaar lang was hij de zilverexpert van het AVRO-programma Tussen Kunst & Kitsch. Daarnaast heeft hij zich ingezet voor het behoud van de vermaarde kunst- en antiekbeurs in Delft.
Tot hij ziek werd, vorig jaar augustus, was hij nog altijd betrokken bij zijn eigen antiek- en juwelierszaak aan de Jan van Nassaustraat in Den Haag. 'Wij hadden de dagelijkse leiding overgenomen', zegt zijn dochter Esther. 'Maar hij was onze president-commissaris, bij wie wij altijd voor advies terecht konden.'
Abraham (Bram) Aardewerk werd in 1932 geboren in Den Haag in een joodse gezin met vier kinderen. Zijn vader had al een antiekzaak. In de oorlog dook de hele familie op verschillende adressen onder - Bram verbleef als jongetje in De Steeg, niet ver van Velp. Wonder boven wonder overleefden ze allemaal.
Na de oorlog ging hij naar de hbs en volgde een opleiding aan Nyenrode. Hij werkte daarna bij de diamantzaak van de familie in Amsterdam en op de administratie van de Curaçaose Handels Maatschappij. Ook was hij nog twee jaar lang souschef op de huishoudafdeling van De Bijenkorf. Toen zijn vader door griep werd geveld, viel Bram Aardewerk een keer in bij de familieonderneming. Hij zou het vak meteen koesteren. Aardewerk specialiseerde zich daarna in 17de- en 18de-eeuws Nederlandse zilverwerk.
'Zilver is plastisch en weerkaatst 99 procent van het licht. Hij vond dit een zeer boeiend materiaal', zegt zijn dochter. In 1970 vestigde hij zich als zelfstandig antiquair aan de Jan van Nassaustraat, samen met zijn vrouw Magdie. Collega's raadden het hem af, want buiten Amsterdam zou zo'n zaak geen toekomst hebben. Bram Aardewerk liet zich er niet door weerhouden: 'Als de collectie mooi genoeg is, maakt het niet uit waar je zit.'
Hij besefte dat de tijd voorbij was dat antiekhandelaren voldoende hadden aan persoonlijkheid en reputatie om te verkopen. In deze moderne tijd was kennis onontbeerlijk.
De nieuwe clientèle was niet meer opgegroeid met antiek. Ze kenden en herkenden de objecten van vroeger niet meer en twijfelden over de waarde. De kennis kwam nu vooral uit boeken, of van de razendpopulaire studie kunstgeschiedenis. Dit dwong de handel ook te gaan studeren en onderzoeken, iets wat Aardewerk toejuichte.
Aardewerk zag liefde voor kunst als een oerdrift. Volgens hem hebben mensen allemaal een ingebouwd gevoel voor schoonheid; een gevoel dat is gebaseerd op overleven. En dat mensen ook dezelfde dingen mooi vinden. Dat veranderde echter in de 19de eeuw toen de objectieve schoonheid plaatsmaakte voor de eigen interpretatie. Het einde van de oude gildenstructuur was voor Aardewerk het einde van het echte vakmanschap. 'Er werden allerlei varianten verzonnen om de aandacht van de koper te trekken. Het werd er niet beter op.'
Hij zette zich in voor het behoud van het beroep van zilversmid. Samen met Jan van Nouhuys heeft hij het moderne Nederlandse zilver gepromoot en nieuw leven ingeblazen, onder meer door het uitschrijven van ontwerpwedstrijden voor jonge zilversmeden. Daarnaast was hij de initiatiefnemer voor de cursus 'Antiek in de praktijk' en was hij jarenlang lid van de keuringscommissie van de Pan- en Tefaf-beurzen waaraan hij zelf ook deelnam.
(18-2-2012)


Alwine barones de Vos van Steenwijk (1921 - 2012)
Idealiste

Behoedster van de Vierde Wereld

Toen ze 16 jaar was, haalde ze al haar diploma gymnasium. Ook was ze de eerste vrouwelijke attaché van Nederland. Maar het bekendst werd ze als 'barones van de armoede'.

Peter de Waard

Ze werd de barones van de armoede genoemd. Alwine Antoinette de Vos van Steenwijk was de eerste vrouwelijke diplomaat van Nederland, maar ze werd vooral bekend als de vrouw die zich sinds begin jaren zestig onvermoeibaar inzette voor de ATD Vierde Wereld Beweging, die de armoede in de krottenwijken van de wereldsteden bestrijdt. Ze was de aristocratische versie van Moeder Teresa, hoewel ze veel te bescheiden was om zich met haar te vergelijken.
De barones overleed op 24 januari op 90-jarige leeftijd in haar vakantiehuis in Nederland aan de gevolgen van een longontsteking. De laatste jaren woonde ze vooral in Frankrijk. 'Ze is in het harnas gestorven', zegt Niek Tweehuijsen, coördinator en volontair bij de Nederlandse afdeling van ATD.
Haar grootvader, mr. Willem Lodewijk baron de Vos van Steenwijk, heer van de Gelder en Hagevoerde, was een conservatieve Overijsselse landedelman die in de jaren dertig van de vorige eeuw een markante voorzitter was van de Eerste Kamer. Formeel was hij lid van de CHU, maar eigenlijk had hij - net als zijn vriend Hendrik Colijn - een tamelijk grote hekel aan partijpolitiek. Alwine werd in Noordwijk geboren - in een woning tegenover het huidige Huis ter Duin - als derde in een gezin van zes kinderen. Ze was een intelligente leerling die op haar 16de jaar al het gymnasiumdiploma behaalde. 'Maar daarnaast was ze ook een zeer serieus kind', zegt haar jongere broer Roelof baron de Vos van Steenwijk, advocaat in Den Haag. Daarna werd ze - zoals gebruikelijk was in adellijke kringen - naar een privéschool in Engeland gestuurd, waar ze de specifieke etiquetteregels voor toekomstige echtgenotes moest leren. Alwine zou echter nooit trouwen.
De oorlog stond na haar terugkeer in Nederland een verdere studie in de weg. Ze werd verpleegster bij het Rode Kruis en was betrokken bij het verzet. Na de oorlog wist ze een plaats te bemachtigen in het diplomatenklasje en werd daarna de eerste vrouwelijke attaché van Nederland. Na Bonn en Washington was Parijs haar derde standplaats.
In Parijs leerde zij tijdens een bezoek aan een kamp voor dak- en thuisloze gezinnen priester Joseph Wresinski kennen. Hij had in de krottenwijk Noisy-le-Grand, vlakbij Parijs, een hulpproject. Hij vroeg Alwine om uit een enorme berg tweedehands schoenen paren bij elkaar te zoeken en oude kleding te sorteren. 's Avonds trof Père Joseph Wresinski haar aan in tranen. Ze vertelde hem dat ze zich schaamde voor de manier waarop mensen uit haar milieu de armsten vernederden door ongelijke paren schoenen en andere rommel te geven. Alwine barones de Vos van Steenwijk vroeg wat ze zou kunnen doen voor hem en zijn project.
Hij vroeg haar een onderzoeksinstituut op te zetten. L'Institut de Recherche des Relations Humaine (het Instituut voor Onderzoek naar Menselijke Relaties) moest de beweging van Wresinski een wetenschappelijke grondslag geven en internationaal kredietwaardig maken. De ATD (All Together for Dignity) werd daarmee een van de raadgevende ngo's in de wereld, naast bijvoorbeeld Oxfam en het Rode Kruis. De EU, de VN en andere intergouvernementele organisaties kregen talrijke adviezen.
Alwine de Vos van Steenwijk publiceerde acht boeken, waaronder een biografie over Wresinski, en honderden artikelen over het bestrijden van armoede. Na het overlijden van Joseph Wresinski in 1988, zag ze het als haar opdracht zijn gedachtengoed te verspreiden. Dat leidde tot de oprichting van het Internationale Joseph Wresinski Centrum.
De afgelopen jaren heeft zij, met Laurens Umans, acteur, scenario-schrijver en regisseur, gewerkt aan theaterstukken. De voorstellingen zijn niet alleen gebaseerd op het leven van de allerarmsten, maar de rollen worden ook door hen gespeeld.
Daarmee probeerde zij vorm te geven aan een van de idealen van Joseph Wresinski. Cultuur en creativiteit waren volgens hem ook een wapen tegen de armoede. Alwine de Vos van Steenwijk was Officier in de Orde van Oranje Nassau en ridder in de Franse Orde van het Legioen van Eer (Légion d'Honneur).
(4-2-2012)


Emile den Tex (1918 - 2012)
Geoloog

De koning van de petrologen

Zijn vader, een bankdirecteur, vond het maar niks dat zijn zoon wilde gaan studeren. Emile den Tex hield echter vol en werd een beroemd geoloog.

Peter de Waard

Geoloog Ilse den Tex zei dat hij in Australië nog altijd ‘Professor Den Tex, the king of petrology’ wordt genoemd. ‘Ik was de kleindochter van die beroemde geologen-opa’, verklaarde ze trots op de afscheidsdienst van de op 3 januari in zijn woonplaats Zoeterwoude overleden Emile den Tex.
Emile den Tex was een petroloog of gesteentekundige. Uit de structuur en samenstelling van stenen kon hij de geschiedenis aflezen. Behalve wetenschapper was hij ook een avonturier, een dichter, Elfstedenschaatser, zeezeiler en vader van zes kinderen.
Hij was hoogleraar aan de universiteiten van Leiden en Utrecht, lid van de afdeling natuurkunde van de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen en mede-oprichter van de International Union for the History of the Geosciences. Emile was de broer van de in 1997 overleden Bergense kunstschilder Kees den Tex.
Hij werd geboren in een patriciërsgezin. Zijn vader was bankdirecteur in Amsterdam. Toen Emile den Tex hem vertelde dat hij geologie wilde studeren, vond hij dat maar niets. Studeren was niet zo de gewoonte in dit zakenmilieu.
Emile zette door en begon in 1937 aan zijn studie in Leiden. De sluiting van deze universiteit door de bezetters dwong hem naar Groningen te gaan, nadat hij was ontsnapt uit tewerkstelling in Duitsland. Tijdens de oorlog schreef hij twee dichtbundels (Slagzij en Schipbreuk). Vlak na de oorlog publiceerde hij de novelle Het Jaar Job, een tirade tegen de wereld van het geld, de verstikkende fatsoensnormen en de behoudzucht die, naar zijn overtuiging, leidde tot het afstompen van de geest.
De wetenschap bood de uitweg. Hij ging na de bevrijding terug naar Leiden, werd daar president van de studentensociëteit Minerva en slaagde erin alsnog af te studeren. Hij promoveerde op een onderzoek naar stollingsgesteenten in de Franse Alpen. Zijn zoon, de schrijver Charles den Tex, noemt hem een geoloog in hart en nieren. ‘Hij had weinig op met spiritualiteit of andere vormen van onstoffelijke verklaring. Hij hield van de aarde en alles wat deze fantastische steenklomp sinds zijn ontstaan heeft meegemaakt en nog zal meemaken.’
Omdat in Nederland weinig werk te vinden was besloot hij in 1950 ­– zoals veel andere Nederlanders in die tijd – naar Australië te emigreren. Daar was een plek aan de universiteit van Melbourne vacant. Hij had toen al twee kinderen, met zijn vrouw Finette Lips. Den Tex zou tot 1959 in Australië blijven, totdat hij werd gevraagd hoogleraar te worden in Leiden. Terug in Nederland bleek hij een bekwaam en geliefd leermeester, maar hij bleef ook de fanatieke onderzoeker. Samen met zijn studenten was hij vaak te vinden in de Spaanse landstreek Galicië en later ook in de Pyreneeën, waar ze zich bezighielden met ‘het stuk­slaan van stenen’. ‘Aan de hand van gesteentevondsten en de vormenrijkdom van de in het landschap zichtbare rotsformaties moest je zien af te leiden hoe de verschillende soorten gesteenten zich tot elkaar verhouden. Daaruit kun je – met enig geluk – conclusies trekken over hun ontstaan en hun opeenvolgende vervormingen en kristallisaties’, zegt zijn student en latere medewerker Peter Floor over het onderzoekswerk.
Charles den Tex omschrijft het nog beeldender. ‘Als wij op het terras stonden voor het huis in de Fourchas en over het dal naar de overkant keken, dan zag ik bomen en velden, hier en daar een huis, een rood dak, wat koeien, schapen, een weg die langs de helling draaide. Hij zag verschuivende platen, gestolde of afgezette gesteenten en breuklijnen. Ik bedoel dit: ik zag minuten, hij zag eeuwen. Hij had een sterk relativeringsvermogen.’
Toen in 1980 de subfaculteiten Geologie-Geofysica van de Leidse en Utrechtse universiteiten in Utrecht werden samengevoegd, bewees hij ook zijn kwaliteiten als bestuurder. ‘Bedachtzaam en diplomatiek’, zo prijst zijn dochter Loutje den Tex hem. Hij wist boven de partijen te staan en zou nog vier jaar in Utrecht werken.
Na zijn emeritaat in 1984 kreeg hij de tijd te werken aan zijn standaardwerk over de historie van de vulkanologie (Een voorspel van de moderne vulkaankunde in West-Europa). Het door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen uitgegeven boek verscheen in zijn 80ste levensjaar.
(21-1-2012)


Govert Nooteboom (1930 – 2012)
politicus

Een dwarse democraat

Peter de Waard

'Iemand die goed met zichzelf overweg kon', omschrijft Adriaan Nooteboom, fiscalist en oud-staatssecretaris in het kabinet-Van Agt I (1977-1981), zijn broer Govert Nooteboom - voormalig D66-politicus en vermaard stralingsdeskundige. De afgelopen twintig jaar vond hij het heerlijk om in gezelschap van alleen zijn hond in de Dordogne te klussen aan zijn cascohuis. Nooteboom overleed op 2 januari als bijna vergeten politicus, hoewel hij in de woelige jaren zeventig een groot stempel op de Haagse politiek heeft gedrukt.
Hij werd geboren in Den Haag, waar zijn vader werkte als bankemployé en belastingconsulent. Hij volgde daar de hbs, waar hij uitblonk in exacte vakken. Geen wonder dat hij daarna in Leiden organische chemie studeerde.
Nederland had begin jaren vijftig grote ambities op het gebied van vreedzaam gebruik van kernenergie. Misschien zou energiegebruik in de toekomst zelfs gratis worden. Daartoe werd het Reactor Centrum Nederland opgericht in Petten - het latere ECN. Nooteboom kwam daar bij als iemand die de limieten van de chemische effecten zou moeten bepalen. Hij volgde opleidingen radiochemie en reactorkunde, en werkte enige tijd in het Noorse Kjeller, waar in 1951 als gezamenlijk Noors-Nederlands project een kerncentrale was gebouwd.
Maar acht jaar later werd bij Slochteren gas gevonden. De aandacht voor kernenergie verslapte daarna snel. En nadat eind jaren zestig de milieubezwaren van deze vorm van energieopwekking meer onder de aandacht kwamen, haakte Nederland bijna helemaal af.
In het intellectuele milieu rond Petten was veel interesse voor de nieuwe politieke beweging die Hans van Mierlo in de jaren zestig had opgericht. Ook Nooteboom sloot zich bij de nieuwe partij aan. Hij werd verkozen tot Kamerlid toen D66 bij de verkiezingen van 1971 steeg van 7 naar 11 zetels. Een van de andere nieuwkomers dat jaar was Jan Terlouw - de latere fractievoorzitter. 'Een eigenzinnige en koppige man. Hij was ook iemand van details. Zijn vragen over kernenergie waren soms zo gedetailleerd dat zelfs de ambtenaren er weinig mee konden', aldus Terlouw over Nooteboom. Als stralingsdeskundige bij uitstek - zijn eerste echtgenote was radiologe - beschouwde hij zijn kennis over dit onderwerp superieur.
Nooteboom liet zich meteen gelden als Kamerlid door tegen de motie-Brautigam te stemmen, waarin het kabinet werd gevraagd om een algemene prijsmaatregel. Bij de verkiezingen in 1972 zakte de partij weer terug naar 6 zetels, zodat Nooteboom uit de Tweede Kamer raakte. In 1974 kon hij echter een vacante zetel innemen. Omdat D66 een jaar eerder was gaan meeregeren in het kabinet-Den Uyl moesten compromissen worden gesloten. Als wetenschapper had Nooteboom daarmee moeite.
Nadat net als D66 ook de nieuwe partij DS70 van de jonge Drees fors had verloren, lanceerde Nooteboom een plan voor een nieuwe gezamenlijke partij. Hij richtte het Democratisch Actie Centrum (DAC) op, waarvoor ook enkele andere D66-Kamerleden aanvankelijk sympathieën koesterden.
Intussen liet Nooteboom zich vooral op het gebied van pensioenen gelden. De aanvaringen met de partijleiding werden steeds feller, vooral nadat Nooteboom in De Telegraaf de inkomensnota van het kabinet als 'boerenbedrog', 'onthutsende smeerlapperij' en 'een greep van de vakbonden naar de macht' had afgekraakt.
In 1976 stapte hij uit de partij uit onvrede over de fractiediscipline, nadat D66 zich had moeten neerleggen bij het kabinetsstandpunt om toch reactorvaten te leveren aan Zuid-Afrika. Hij vormde een jaar lang de dissidente fractie Groep-Nooteboom, waarvan hij zelf het enige lid was.
Toen in 1977 nieuwe verkiezingen werden gehouden, deed hij mee met zijn eigen DAC. De partij kreeg in heel het land slechts 2.150 stemmen. Het betekende het einde van de politieke ambities van Nooteboom.
Nooteboom zou daarna secretaris worden van enkele commissies van de Gezondheidsraad Hij werkte ook achter de schermen als adviseur. Daarnaast gaf hij adviezen over kernenergie. In een interview met Vrij Nederland bekritiseerde hij de versoepeling van de stralingsnormen.
De laatste jaren woonde hij behalve in de Dordogne samen met zijn tweede vrouw in Sassenheim. Daar is hij overleden aan de gevolgen van longemfyseem.
(14-1-2012)


Dionys Obers (1957 - 2011)

De laatste Nederlandse hofnar

Dionys Obers maakte naam als hofnar van het pretpark de Efteling, maar hij ontwikkelde zich tot een veelzijdig artiest.

Peter de Waard

Dionys Obers was de enige, en daardoor automatisch beroemdste hofnar van Nederland. Heel veel Nederlanders zullen hem in levenden lijve hebben gezien, hoewel ze zich zijn naam misschien niet meer zullen herinneren.
In de jaren tachtig was hij, onder zijn artiestennaam Dio Oberon, de hofnar op de Efteling. Later maakte hij carrière als muzikant, componist en beeldend kunstenaar. Hij noemde zich dan ook het liefst 'nartiest'. Dionys Obers overleed zaterdag 17 december aan een hartstilstand tijdens een optreden als hofnar in Kasteel Dussen. Hij was pas 54 jaar oud. In zijn paspoort stond als beroep nog altijd: hofnar.
Hij werd op 8 september 1957 geboren in St. Oedenrode, als de jongste zoon uit het eerste huwelijk van de dichter en kunstcriticus Frans Obers - beter bekend als Frans Babylon - met Tosca de Vries. De creativiteit van zijn vader, die op de bruine kroegtafels zong en de flamengo danste, zat vanaf het begin bij Dionys in de aderen. Hij ging echter naar de grafische school en werkte vervolgens bij het milieucentrum De Kleine Aarde in Boxtel als kruidentuinman.
In 1980 solliciteerde hij bij het pretpark De Elfteling als ontwerper. Omdat hij wist dat zich voor de functie vele honderden mensen zouden melden, vond Dionys dat hij zich moest onderscheiden. Hij deed dat met een felkleurige sollicitatiebrief die was volgeplakt met foto's. Hoewel hij niet de vereiste papieren had voor de baan, werd hij toch uitgenodigd voor een gesprek en door directeur Ton van der Ven in dienst genomen, echter niet als ontwerper maar als nar. Dionys Obers werd de eerste levende attractie in het populairste Nederlandse pretpark. Dansend, buitelend, muziek makend en plagend was hij elke dag in Kaatsheuvel te vinden. Met 12 fluiten klom hij over de daken van de huisjes in het pretpark. In 1983 verliet hij De Efteling om zijn horizon te verbreden.
Hij sloot zich aan bij bekende entertainmentbureaus als de Arjan van Dijk Groep en Marc van Laere Producties. Vaak trad hij op tijdens grote bedrijfsfeesten in burchten en kastelen - eerst vooral als hofnar, later ook als dj en vj. Met bandrecorders en computers maakte hij eigen composities waarbij hij alle instrumenten zelf inspeelde. Hij bracht cd's uit in de categorieën world, fusion, ambiënt, lounge, dance en orchestral en maakte soundtracks voor televisieseries en films. Noten lezen kon hij niet, maar dat hoefde ook niet, want er was toch geen bladmuziek voor het spelen van twee blokfluiten in twee neusgaten, twee fluiten met vaste toon in de mond en een trommel tussen de knieën. Hij had zijn eigen geluidsstudio en maakte daarnaast beeldende kunst, zogenoemde e-paints.
Later kwam hij in aanraking met de Tilburgse cineast Leonard Retel Hemrich die onder meer twee keer de hoofdprijs won op het IDFA-festival. 'Dionys inspireerde hem door te tonen hoe films uit een ander perspectief konden worden bekeken', aldus zijn broer Léon Obers.
Partykoning Arjan van Dijk had het talent van Obers al heel snel gezien. Hij richtte in 1986 al een bronzen standbeeld op voor wat hij noemde 'zonder overbodige luxe, de enige echte Nar van de Benelux'. Het standbeeld stond aanvankelijk voor het bedrijf van Van Dijk in Oosterhout, maar verhuisde later naar de achtertuin van Van Dijk zelf.
De Efteling zou de hofnar blijven koesteren. Dio Oberon werd als nar opgevolgd door Jokie de Prrretneus en Pardoes de Tovenaar. Nu is de nar zelfs in het logo van het pretpark opgenomen. 'Een nar is een mens die zijn gevoelens en die om hem heen tot een karikatuur maakt. Nooit grof, nooit beledigend of lomp maar een beetje stoutmoedig. Nar zijn is een echt vak', zei Obers.
Obers ging zeven jaar geleden samenwonen. Dit jaar verhuisde hij met zijn partner van Vugt naar Valkenswaard. Misschien dat alle drukte rond zijn vele optredens en de verhuizing hem fataal zijn geworden. Tijdens zijn afscheid werd zijn veelzijdigheid als artiest gememoreerd. Maar hij werd vooral neergezet als de levenskunstenaar, de troubadour die mensen om hem heen inspireerde en zijn omgeving kleur gaf. Dionys Obers is begraven op de natuurbegraafplaats St. Odiliënberg in Limburg. Dit was de streek waar Obers 17de-eeuwse voorvaderen vandaan kwamen. Het geslacht leeft voort. Op de dag van zijn teraardebestelling kwam in Nieuw-Zeeland een nieuwe Obers ter wereld.
(8-1-2012)


Joop Koopman (1930-2011)
Presentator en impresario

Leverancier van beschaafd amusement zonder vloeken

De keurige VARA-presentator, mentor van menig artiest, is niet meer: Joop Koopman werd 81 jaar

Peter de Waard

Als Youp van ’t Hek 28 keer ‘godverdomme’ zei in zijn theaterprogramma, was Joop Koopman aanwezig om op te merken dat het misschien ook een paar keer minder kon. Tot drie jaar geleden stond Koopman de cabaretier nog steeds met raad en daad terzijde. En Van ’t Hek hechtte grote waarde aan diens inbreng. ‘Zijn adviezen waren van onschatbare waarde’, zei hij dinsdag.
Joop Koopman is op Eerste Kerstdag op 81-jarige leeftijd overleden. Bij het grote publiek is hij vooral bekend als de eerste presentator van de door Ellen Blazer bedachte quiz Twee voor Twaalf (die nu door Astrid Joosten wordt gepresenteerd) en het kunstprogramma De Connaisseur. Koopman was echter veel meer dan presentator.
Hij was een van de vormgevers van de naoorlogse VARA en was als mede-eigenaar van theaterbureau De Lumen begeleider van talrijke Nederlandse artiesten onder wie Fons Jansen, Martine Bijl, Adèle Bloemendaal en Harrie Jekkers.
Koopman begon in 1950 als 20-jarige jongeling bij de VARA-radio als omroeper. In die tijd eiste de VARA dat de omroeper ook zelf programma’s ging maken. Koopman werd ook al gauw een van de belangrijkste radiomakers van de VARA. Hij was met name verantwoordelijk voor de amusementsshows op de populaire zaterdagavond waar Tom Manders als Dorus en een jonge Rudi Carrell de grote publiekstrekkers waren. ‘Het programma moet zo leuk zijn dat de mensen er al handenwrijvend naar uitkijken’, zei hij in 1959 in een interview met Het Parool. Maar het moest ook beschaafd zijn. Joop Koopman wilde bij de VARA geen vloeken, krachttermen of gruwelgrapjes. Toen Jelle de Vries zong ‘Mijn hormonen roepen luid en hoorbaar om een bruid…’, leidde dat al tot briesende brieven.
Hij was twintig jaar verknocht aan de radio toen hij in 1970 chef tv-amusement werd van de VARA. Hij merkte al gauw dat televisie een veel grotere impact had dan radio. Hij was de man achter Eén van de Acht met Mies Bouwman, de Stratemakeropzeeshow met Joost Prinsen, Aart Staartjes en Wieteke van Dort en de oudejaarsconferences van Wim Kan op de televisie.
In 1971 ging hij zelf Twee voor Twaalf presenteren. In 1976 stapte hij op bij de VARA als chef amusement vanwege de voortdurende ideologische strijd. Een jaar later werd hij mede-eigenaar van het door Fons Jansen opgerichte impresariaat De Lumen, waar hij tot 1994 bleef. Hij begeleidde artiesten en stelde ook cd’s voor hen samen. Daarnaast presenteerde hij in die tijd voor de NOS nog de Nederlandse versie van de BBC-quiz De Connaisseur over beeldende kunst, architectuur en fotografie.
(28-12-2011)


Werner Otto (1909-2011)
Postordertycoon

Pionier zonder last van zelfoverschatting

Het postorderbedrijf van Werner Otto was een van de pijlers van het Duitse Wirtschaftswunder.

Peter de Waard

Zijn bewonderaars noemden hem ‘de man van de eeuw’. In de winter van 1949 knipt en bindt de 40-jarige Werner Otto in een oude oorlogsbarak in Hamburg een blaadje van veertien pagina’s bijeen. De plaatjes plakt hij zelf in. Hij biedt onder meer sigaretten en schoenen te koop aan. De driehonderd zelf in elkaar gezette catalogi verspreidt hij in de stad. Het is het begin van een wereldconcern.
Drie jaar voordat Herman Wehkamp zijn postorderbedrijf in Slagharen oprichtte, was Werner Otto er al een begonnen in Hamburg. Het Otto-imperium werd een van de pijlers van het naoorlogse Duitse Wirtschaftswunder. Werner Otto trok zich al in de jaren tachtig terug uit de actieve bedrijfsvoering en overleed op 21 december in Berlijn, zo werd dinsdag door zijn familie bekendgemaakt. Hij laat een bedrijf achter met 50 duizend werknemers en een omzet van 11 miljard euro dat sinds het terugtreden van zijn zoon Michael in 2007 wordt geleid door een buitenstaander. Otto’s jongste zoon is nog bestuurder van ECE, een van de grootste projectontwikkelaars van Duitsland.
Otto werd in 1909 geboren als zoon van een koopman in het plaatsje Seelow, niet ver van Berlijn. Hij wilde schrijver worden, maar moest al jong van school af. Hij opende een tabakswinkel in Berlijn en later een schoenenzaak in Chelmo in het huidige Polen.
In die tijd verspreidde hij ook pamfletten voor de gebroeders Otto en Gregor Strasser, die tot de linkervleugel van Hitlers nazi-partij behoorden. Na de machtovername door Hitler kwamen zij in aanvaring met de kanselier. Gregor Strasser werd vermoord en Otto Strasser vluchtte. Werner Otto, die de Tweede Wereldoorlog als korporaal overleefde, werd vanwege de verspreiding van pamfletten nog twee jaar gevangen gezet.
In 1947 begon hij een schoenenfabriekje in Hamburg, maar dat werd geen succes. Hij besloot koopman te worden zonder dat hij een eigen winkel zou exploiteren. ‘Een onderneming oprichten zonder mislukkingen bestaat niet’, zei hij. In 1952, toen Herman Wehkamp in Nederland begon, wist hij voor het eerst winst te behalen. Zijn succes wordt wel toegeschreven aan het feit dat hij altijd voor de beste mensen koos als naaste medewerkers en zich niet beperkte tot de familiekring. Daarnaast was hij in staat snel in te haken op nieuwe ontwikkelingen in de massamedia. Hij wist als eerste de telefoon, de televisie en later ook de computer in te zetten voor de verkopen.
Bondskanselier Helmut Schmidt schreef in 1981 Otto’s succes toe aan zijn bescheidenheid. ‘Veel ondernemers zijn bankroet gegaan omdat ze zichzelf hadden overschat. Otto luisterde liever dan zelf het woord te voeren.’ Door de jaren heen groeide de onderneming uit tot een van de grootste van Europa. Otto zelf bleef tot 1981 president-commissaris, daarna nam zijn zoon Michael het stokje van hem over. Hij richtte zich vooral op de internetverkoop.
Werner Otto werd een bekend filantroop, die geld beschikbaar stelde voor de restauratie van kerken, de kindergeneeskunde en de bouw van een museum bij Harvard. Otto Werner trouwde drie keer en kreeg vijf kinderen.
(28-12-2011)


Rienk H. Kamer (1943-2011)
Beursprofeet

Goeroe met een smetje

Eigenlijk had hij bijna zijn hele leven een verkeerde visie op de aandelenmarkt, toch was Kamer de man van het grote geld.

Peter de Waard

Hij was de allereerste beursgoeroe in een tijd dat winst een vies woord was en beleggen een amodieuze bezigheid van bejaarde couponknippers. Met zijn baard en pijp leek hij ook op een goeroe. En zijn volgelingen waren net zo trouw als die van een Indiase goeroe die zichzelf tot God heeft uitgeroepen.
Rienk H. Kamer, die zijn eigenbelang en dat van zijn cliënten dacht te kunnen samenvoegen, is op 9 december overleden, zo is woensdag pas bekendgemaakt. De crematie heeft in besloten kring plaatsgevonden. Kamer is 68 jaar geworden. Hij stierf rijk als eigenaar van vier exclusieve appartementen en landhuizen en een collectie peperdure auto’s.
Gek genoeg had hij bijna zijn hele leven een verkeerde visie op de aandelenmarkt. Hij was een doemdenker of een baissier zoals dat toen chic werd genoemd. Hij profeteerde continu dat de beurzen in het Westen zouden instorten en de wereld aan een crisis tenonder zou gaan. Hij kreeg pas in 2008 een beetje gelijk. Maar hij investeerde wel tijdig in de opkomende markten in Azië, toen daar nog veel geld kon worden verdiend.
Bluffen en provoceren was hem niet vreemd. Hij ging prat om zijn contacten met de grote economen Hayek en Friedman en zei alleen met Warren Buffet op niveau te kunnen converseren. Miljonair worden was geen kunst, zo zei hij in de jaren tachtig. Hij wil multimiljonair zijn – de mensen die in die tijd meer dan 25 miljoen gulden (12 miljoen euro) op de bank hebben staan.
Kamer groeit op in een burgerlijk Rotterdams gezin met vijf kinderen. Hij wil zeeman worden, maar wordt afgekeurd vanwege zijn bril. Daarna besluit hij journalist te worden, omdat hij ‘die mannen die op scooters met het bordje pers door de stad rijden machtig mooi’ vindt. Op zijn 13de schrijft hij al stukjes voor de krant. Hij begint een jaar later een persbureautje voor kopij in schoolkranten. Als leraren hem hierover belachelijk maken, verlaat hij de school.
Wereldcorrespondent:
Hij gaat in 1959 werken voor het Rotterdams Weekblad. Nog voor zijn 18de jaar heeft hij een baan bij Het Parool in Amsterdam. Met carbonvelletjes produceert hij al zijn stukken in tienvoud waarvan hij er negen doorverkoopt aan andere kranten. Het Parool is niet van deze vorm van schnabbelen gediend en ontslaat hem, waarna hij zich vestigt als wereldcorrespondent van het prestigieuze tijdschrift Der Spiegel. Hij reist over de hele wereld en doet verslag van de onafhankelijkheidsstrijd in Rhodesië en de studentenopstand in Parijs in 1968. Hij onthult schandalen en brengt bondsdagleden ten val. ‘Als er voor de volgende ochtend een schandaal voor de krant nodig was, zorgde ik voor een schandaal.’
Uiteindelijk wordt hij chef van het zakenblad Capital, maar hij verlaat de journalistiek in 1974 als zijn jongste zoon tijdens een vakantie in zee verdrinkt. Hij schrijft thuis een kinderboek totdat Panorama hem vraagt als columnist. Zijn stukjes in het mannenblad slaan aan. In 1976 brengt hij het boek Alles over Geld uit dat een regelrechte bestseller wordt. Hij ontdekt een enorme maas in de belastingwetgeving die het kopers van vastgoed in de VS mogelijk maakt 150 procent van hun belegging af te trekken. Kamer koopt hiervoor waardeloze woestijngrond, wordt gearresteerd wegens oplichting – de Amerikaanse officier van justitie spreekt van de grootste zwendel aller tijden – maar gaat na een verblijf in de Bijlmerbajes uiteindelijk vrijuit, omdat de beleggers in zijn American Land Program hun geld door de superaftrek dubbel en dwars terugverdienen. Kamer raadt daarna iedereen al aan in goud te stappen als Willem Middelkoop nog in korte broek loopt.
In 1985 begint hij zijn eigen beleggingsblad Financiële Strategie – een vodachtig blauw pamflet vol speculatieve tips en met veel uitroeptekens waarvoor zijn aanhangers niettemin 350 gulden – later 350 euro – per jaar neertellen. Parallel daaraan heeft hij zijn eigen beleggingsfonds en houdt hij jaarlijks het grootste beleggingssymposium van de Benelux voor tweeduizend van zijn trouwste volgelingen.
Hij wordt even vaak een ziener genoemd als een charlatan. Kamer begint als eerste met een 06-beleggingslijn, maar stopt er ook als eerste weer mee als het niet meer loont. Hij wil nog jaren met zijn werk doorgaan, maar dit jaar moet hij om gezondheidsredenen het seminar afzeggen. In Elsevier beschrijft hij in 2001 zijn ideale dood. ‘Op mijn 94ste, met een pen in de hand, halverwege een zin voor de nieuwe Financiële Strategie.’
(22-12-2011)


Jos van der Vleuten (1943-2011)
Wielrenner

Een flamboyante knecht

Hij moet tijdens het WK in 1967 in Heerlen de sprint aantrekken voor Jan Janssen. Maar Jos van der Vleuten zet de sprint van de kopgroep van vijf te vroeg in. Janssen verliest van Eddy Merckx. Van der Vleuten zelf wordt later uit de uitslag geschrapt vanwege een positieve dopingcontrole.
In die tijd kost dat een wielrenner niet ook meteen de reputatie. Van der Vleuten – liefkozend De Vleut – blijft een van de populairste coureurs. Hij is een bon vivant – iemand die van een goed glas wijn houdt – en een avonturier – iemand die er niet voor terugdeinst 180 kilometer solo te rijden. Maar meestal wordt hij vlak voor de streep weer door het peloton opgeslokt. Niettemin wint hij 146 koersen als nieuweling en amateur en 27 als professional. Zijn mooiste zeges haalt hij in de Ronde van Spanje. Hier wint hij in 1966 dankzij drie tweede plaatsen het puntenklassement voor Gerben Karstens, hoewel hij absoluut geen sprinter is. In de jaren daarop wint hij in de Vuelta ook drie etappes. Hij zal zes keer de Tour de France rijden en haalt daarvan vijf keer de finish in Parijs.
Jos van der Vleuten is op 6 december, net 68 jaar oud, overleden aan de gevolgen van een hersenbloeding. Hij wordt geboren als zoon van een klompenmaker in het Brabantse dorp Mierlo-Hout dat nu deel uitmaakt van Helmond. Hij heeft nog vijf broers en twee zussen, waarvan ook Ad een zeer verdienstelijk wielrenner is. Als gevolg van polio is het voor hem onmogelijk in zijn jeugdjaren als wielrenner te starten. Als tiener zet hij door, meldt zich aan bij de lokale wielerclub en begint te trainen. Begin jaren zestig is hij één van de betere amateurwielrenners van ons land. Hij is dan ook zeer teleurgesteld dat hij niet wordt geselecteerd voor de achtervolgingsploeg die in 1964 op de Olympische Spelen in Tokyo goud zal winnen. Onmiddellijk besluit hij over te stappen naar de professionals. Hij zal tien jaar de sport als beroep uitoefenen en koerstin beroemde ploegen als Televizier, Goudsmid Hoff, Willem II-Gazelle en onder leiding van ploegleiders als Lomme Driessens en Cees Pellenaars die toentertijd grootheden zijn.
In zijn eerste Omloop Het Volk wordt hij derde. Maar in zijn eerste Parijs-Nice leert hij de wetten van de harde wielersport kennen. Hij wordt door de toprenners al snel tot de orde geroepen. De snelste en de beste wint niet altijd. Er speelt altijd meer in een koers. Van der Vleuten denkt erover maar te stoppen en solliciteert als verpleger bij het ziekenhuis. Maar hij wordt afgewezen. Hij besluit daarna maar zijn diensten te verkopen op de fiets. ‘Als goeie knecht moet er handelsgeest in je zitten. In Parijs-Nice kwam Poulidor vragen of ik een gat dicht wilde rijden. Voor Poulidor had ik dat over, dat was een simpele. Maar voor Gimondi heb ik een keer niet gewerkt. Ik dacht: gij bent hier de grote kampioen, rij het zelf maar dicht.’ Jan Janssen huurt hem in voor het WK in Heerlen in 1967. Van der Vleuten maakt al snel deel uit van een kopgroep van vijf die door het peloton niet meer kan worden teruggepakt. Als Jan Janssen er alleen naar toerijdt, wacht Van der Vleuten hem op. Maar uiteindelijk wordt Janssen slechts tweede.
Hoewel zijn populariteit in de loop der jaren groeit, zet hij er na tien jaar een punt achter. ‘Ik had geen zin meer in dat circus en ik had twee kinderen om voor te zorgen.’ Van der Vleuten neemt samen met zijn zwager Berry Bloemers het bedrijf van zijn vader over dat inmiddels een gereedschapsslijperij is geworden. Hij is een geweldig zakenman en het bedrijf telt op een gegeven moment 40 tot 50 werknemers. Vele jaren is hij ook voorzitter en sponsor van de Helmondse wielervereniging Buitenlust, waar hij ooit is begonnen. Dankzij zijn fotografische geheugen kan hij zich ieder detail van elke koers herinneren.
Met zijn privéleven gaat het minder goed. Zijn eerste vrouw Joske loopt bij hem weg. Zes jaar geleden krijgt hij een hartaanval, waardoor hij nooit meer tot het gaatje kan gaan. Hij stopt met zijn bedrijf en laat zich uitkopen. Hij gaat een cursus ontspanningstherapie doen, hertrouwt en gaat met zijn nieuwe echtgenote Tania en gaat in het Zeeuwse Nieuw en Sint Joosland wonen. Een Zebra noemt hij zichzelf – een Zeeuwse Brabander. Ook koopt hij een optrekje in de Dominicaanse republiek om daar te overwinteren. Hier overlijdt hij. Vandaag zal hij in zijn geboorteplaats worden begraven.
(17-12-2011)


Coco de Meyere (1962 – 2011)
Styliste

Feelgood-expert die zelf het leven niet aankon

Het middelpunt van de Amsterdamse glitter & glamour was imagostyliste Coco de Meyere. Ze ontwikkelde zich tot lifestylecoach, in een poging de worsteling met haar eigen imago te winnen.

Ze was de feelgoodexpert van Nederland. Imago-styliste Coco de Meyere, ook bekend van de televisieserie Dames in de Dop op RTL5, kleedde onder anderen Linda de Mol, Astrid Joosten en Anita Meyer. Ze was het middelpunt van de Amsterdamse scene van glitter & glamour. Zeven jaar lang was ze getrouwd met Oger Lusink, eigenaar van de bij veel BN’ers geliefde herenmodezaak Oger aan de P.C. Hooftstraat in Amsterdam. Daarvoor had ze ook verhoudingen gehad met de acteur Liam Neeson (onder meer Schindler’s List ) en een stripper van de mannengroep Chippendales. Haar levensmissie was in haar eigen woorden ‘mensen te inspireren en te ondersteunen om zich prettig te voelen’.
Op donderdag 24 november maakte ze op 49-jarige leeftijd echter een einde aan haar leven. Het leidde tot een onverkwikkelijke rel tussen haar familie en haar vriend, die door de roddelpers de afgelopen weken breed is uitgemeten. Haar partner Kim Tjoa (45), die in 2010 bij haar was ingetrokken en die haar ook levenloos vond in haar huisje in Laren, mocht niet bij de begrafenis op St. Barbara in Amsterdam zijn.
Coco de Meyere is vernoemd naar de bekende ontwerpster Coco Chanel. Ze werd in Amsterdam geboren op 9 juli 1962, de Dag der Verbazing, als dochter van een Amsterdamse koopman. Zelf hechtte ze grote betekenis aan haar geboortedag. Dat zou de oorzaak zijn van een soort zesde zintuig om dingen waar te nemen. ‘Als iemand mij niet ziet staan, kan ik daar behoorlijk van slag van raken’, zei ze.
Haar vader inspireerde zowel haar als haar broer voor zichzelf te beginnen. Toen ze de modeacademie had afgerond, vroeg ze meteen een BTW-nummer aan. Ze begon als styliste bij het VARA-programma Zeg ’ns aaa, dat door Nico Knapper werd geregisseerd. Hij zou veel later dankzij haar inspanning ook haar stiefvader worden Ze werd ook als styliste gevraagd voor de series Medisch centrum West en Oppassen!!! Dankzij haar televisiewerk kreeg ze een groot netwerk van bekende Nederlanders die haar om stijl- en kledingadviezen vroegen. Het leverde haar bekendheid op die ze weer gebruikte om opdrachten uit het bedrijfsleven te krijgen. In 1999 trouwde ze met Oger Lusink, in wat toen als een groot societyhuwelijk werd gezien. Maar de buitenwereld wist niet dat ze al sinds haar 17de jaar leed aan anorexia en boulimia. Hierdoor worstelde ze enorm met haar eigen imago. Het was voor haar reden zich van imagostyliste te ontwikkelen tot lifestylecoach. Ze specialiseerde zich in onder meer NLP en ‘timelinetherapie’, en schreef zelfhulpboeken als Powerwoman – Leven met lef, De zon in mijn gezicht en De kracht van verandering.
In 2007 en 2008 werd ze een bekende televisiepersoonlijkheid dankzij haar medewerking aan het televisieprogramma Dames in de Dop – gebaseerd op de BBC-formule From Ladette to Lady – waarin asociale meisjes werden veranderd in echte dames.
Het zo intensief nadenken over haar eigen leven en dat van anderen hielp haar niet echt. In 2009 kwam ze voor enkele maanden in een gesloten inrichting terecht. Tot ieders verbazing plaatste zij een verhaal van het roddelblad Story met de kop ‘Schokkend!’ op haar eigen website. Ze leek haar leven echter weer op te pakken. Later kreeg ze een relatie met de jurist en publicist Kim Tjoa.
Uiteindelijk kwam ze opnieuw in een depressie terecht. Twee dagen voor haar zelfdoding is ze nog bij de crisisdienst langs geweest. Tjoa vond haar op donderdag bij thuiskomst dood. Hoewel hij niet thuis was om haar bij te staan, beweerde hij alles in het werk te hebben gesteld om haar te helpen.
Coco’s moeder en broer verweten hem echter haar te hebben gesteund toen ze naar alternatieve genezers ging, terwijl ze volgens hen naar de reguliere geneeskunde had gemoeten. Ook zou hij haar financieel nauwelijks hebben geholpen. Ze wilden ook niet dat hij bij de begrafenis was. Een aparte herdenkingsdienst die Tjoa met enkele omroepvrienden in Hilversum had willen houden, werd afgeblazen om het conflict niet te laten escaleren.
(10-12-2011)


Doreen Cranch-Vermeulen (1915 – 2011)
Geneeskundige

Pionier van de anesthesiologie

De geneeskunde was een mannen-zaak. Doreen Vermeulen-Cranch doorbrak dat in Engeland en Nederland. Ze maakte van anesthesiologie een professie.

Peter de Waard

Ze klopte in 1946 met haar koffer bij het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam aan. De chirurgie was in die tijd een masculien bolwerk, waarin anesthesiologie niet als een wetenschap werd gezien. De chirurgen lieten hun jongste assistent of verpleegkundigen de narcose, die toen uit zeer simpele methoden bestond, verzorgen. De 30-jarige Britse – ze had het haar opgestoken om ouder te lijken – toonde haar moderne apparatuur, overtuigde met haar enorme kennis en legde een grote dosis slagvaardigheid aan de dag, waardoor ze van de anesthesiologie in Nederland binnen twee jaar een specialisme maakte.
Doreen Vermeulen-Cranch overleed op 8 november op 95-jarige leeftijd in haar woonplaats Elburg. Ze werd op 30?december 1915 in Abertillary in Wales geboren, niet ver van Cardiff. Haar vader was een enthousiast fotograaf, die belangstelling had voor met name röntgenfotografie. Dat inspireerde haar om geneeskunde te gaan studeren. Het was in Groot-Brittannië veel gewoner dat vrouwen gingen studeren dan in Nederland, door de Eerste Wereldoorlog en de strijd van de suffragettes. Op haar 24ste jaar deed ze haar artsexamen en meteen daarna examens in verscheidene specialismen. Bij toeval kwam ze in aanraking met anesthesiologie. Een kennis werkte bij Robert Macintosh in Oxford, de eerste Europese hoogleraar in dat vak. Doreen Cranch mocht een keer komen kijken en was meteen enthousiast. ‘Ik vond het daar fantastisch. Er werkte een heel team samen met artsen, fysici en noem maar op. Die combinatie vond ik een echte verdieping van het vak’, zei ze later.
Ze ging werken op de afdeling anesthesiologie van een ziekenhuis in Wales, maar wilde een betere opleiding. Ze kwam uiteindelijk in Londen terecht. Nog tijdens de oorlog voltooide ze haar anesthesiologieopleiding.
In die tijd leerde ze haar Nederlandse man kennen, kapitein op de koopvaardijvaart Geert Vermeulen. Hij was een oorlogsheld die met zijn schip twee keer was getorpedeerd. Later zou hij directeur worden van de KNSM in Amsterdam. Ze ging met hem mee naar Nederland. In 1946 trad ze in dienst bij het Amsterdamse Wilhelmina Gasthuis; bij hoogleraar chirurgie Willem Noordenbos sr.
Nederland telde op dat moment geen anesthesiologen. De jongste assistent gaf meestal de narcose (af en toe een druppeltje ether) onder verantwoordelijkheid van de chirurg. Omdat de narcose niet nauwkeurig was, werden patiënten tot haar verbijstering vastgebonden. Dat deden ze in Engeland al jaren niet meer. Langzaamaan voerde ze veranderingen door. Ze ging patiënten monitoren met een bloeddrukmeter. ‘Het moest met tact gebeuren, want die mannen lieten niet alles zomaar gebeuren. Ik was heel standvastig en dat bleef ik mijn hele carrière. Met haar kennis en haar grote tactische gaven wist zij de anesthesiologie tot een volwaardig specialisme te maken. In het najaar van 1946 ging Noordenbos met emeritaat. De nieuwe hoogleraar, Boerema, vroeg Vermeulen-Cranch te helpen bij het opzetten van een thoraxkliniek.
Ze werd ook gevraagd te helpen bij andere ziekenhuizen, zoals in Utrecht, waar door verkeerde narcoses drie patiënten waren overleden. Het was bijzonder dat ze gespecialiseerde verpleegkundigen opleidde en een eigen technische instrumentenmaker aan zich kon binden. Binnen korte tijd rolden de voorheen ongenaakbare chirurgen voor haar de rode loper uit. In 1951 werd zij kroondocent, in 1958 de eerste hoogleraar in dit nieuwe vakgebied op het Europese vasteland.
Doreen Vermeulen-Cranch stond aan de wieg van de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (1948) en van de World Federation of Societies of Anesthesiologists (1955). Begin dit jaar werd ze nog geïnterviewd door Sytze van der Zee over haar pionierswerk op het gebied van de bestrijding van chronische pijnen.
Tot afgelopen zomer heeft ze nog volop deelgenomen aan het anesthesiologische leven. Gesteund door oud-collega’s voorzag ze jaarlijks de naar haar genoemde lezing tijdens de Anesthesiologendagen van commentaar. Ze was draagster van hoge onderscheidingen, zowel in ons land als in Engeland, en erelid van de wetenschappelijke verenigingen in beide landen.
(3-12-2011)


Fred Meijer (1920-2011)
Ondernemer

Man achter Amerikaanse hypermarkt

Fred Meijer bouwde het bedrijf van zijn vader uit tot een keten van ruim 200 supermarkten. Hij liet de Amerikanen kennismaken met het concept one-stop-shopping.

Peter de Waard

Geboorteplaats van Meijer’, staat er op een groot bord. Nederlanders kijken vaak verbaasd op als zij bij toeval het plaatsje Greenville in de Amerikaanse staat Michigan binnenrijden. ‘Wie is nu weer die Meijer?’ Naast Albert Heijn, Evert de Boer, Simon de Wit en Piet de Gruyter mag Fred Meijer tot de Nederlandse pioniers worden gerekend van de levensmiddelenketen die tot supermarktconcerns zouden uitgroeien.
Alleen deed Meijer dat in de VS – in het stukje dat wel het kleine Nederland kan worden genoemd. Greenville ligt op 40 kilometer van Grand Rapids, de stad waar het hoofdkantoor van de Meijer-keten staat. Dat is weer 40 kilometer van de calvinistische enclave Holland, waar de politie nog de emblemen ‘God zy met ons’ en ‘Eendragt maakt magt’ draagt en zelfs de derde generatie Nederlandse immigranten nog altijd met Sinterklaas speculaas en kruidnoten komen kopen.
Vrijdag overleed de ondernemer Fred Meijer op 91-jarige leeftijd in Grand Rapids. Zijn vermogen wordt geschat op 5,4 miljard dollar (4 miljard euro).
Fred Meijers vader Hendrik:
Meijer emigreerde in 1907 naar Holland in Michigan. Hij had daarvoor gewerkt als leerling-spinner bij de textielfabriek van Stork in Hengelo en beproefde zijn kansen in de nieuwe wereld. Als socialist kon hij moeilijk wennen aan de calvinistische omgeving in Holland. Vijf jaar later vestigde hij zich als kapper in Greenville.
In de crisisjaren opende hij naast de kapsalon een kruidenierszaak die eerst Meijers Grocery en later Thrift Market heette. Op 14-jarige leeftijd werd zijn zoon Fred Meijer werknemer. Dankzij de klantenkaart en de zelfbediening werd de winkel zo’n succes dat Hendrik en zijn zoon al snel nieuwe zaken konden openen. Na de oorlog ontwikkelde zich dit tot een keten van supermarkten in de hele staat Michigan.
In 1957 was Fred Meijer de eerste eigenaar van een snelgroeiende supermarktketen die zwarte caissières in dienst name. Fannie Levine is een van hen en zij was de eerste die zondag haar grote bewondering en waardering voor de ondernemer van Nederlandse afkomst uitsprak. ‘Ik was de enige zwarte tussen allemaal blanke personeelsleden, maar Fred Meijer stelde alles in het werk om ervoor te zorgen dat ik mij bij het bedrijf thuis voelde. Uiteindelijk heb ik er 23 jaar gewerkt.’
Na de dood van zijn vader maakte Fred Meijer er hypermarkten van en introduceerde hij het concept one-stop-shopping: één winkel waar je alles kunt kopen. Hiervoor nodigde hij ondernemers uit arme wijken uit om hun eigen winkeltje in de hypermarkten van Meijer onder te brengen.
Het concern spreidde zijn vleugels uit naar vijf staten en breidde uit tot een keten van meer dan tweehonderd winkels. Na zijn pensionering namen zijn zonen Hank en Doug Meijer de leiding over.
Fred Meijer werd een bekende filantroop die onder meer in Grand Rapids een 50 hectare groot park ontwikkelde voor de gemeenschap met vele tuinen, een beeldenpark en een amfitheater. Ook opende hij een hartkliniek in de stad en financierde hij de renovatie van het theater dat nu Meijer Majestic Theatre heet.
Meijer was een groot natuurliefhebber en heeft veel bijgedragen aan de ontwikkeling van een reeks wandel- en fietsroutes in Michigan, die nu het Fred Meijer Trails Net
(29-11-2011)


Drikus Veer (1918 – 2011)
motorcoureur

Eerste held van de TT

Oerend hard ging hij over de weg en door het mulle zand. Drikus Veer was de eerste Nederlander die punten scoorde voor de wereldtitel tijdens de TT van Assen.

Peter de Waard

Als Drikus Veer in de jaren vijftig de TT van Assen moest rijden, arriveerde hij vaak vanwege zijn werk in de garage in Borculo op vrijdagavond. ‘Hij reed dan met mij de hele nacht rondjes over het circuit in de auto en berekende bij elke bocht precies waar hij gas kon geven en kon remmen’, herinnert zijn weduwe Marie Veer zich.
Drikus Veer overleed op 21 oktober op 93-jarige leeftijd in Doetinchem. Hij was al enige tijd ziek. Toen Jumping Jack (Jack Middelburg) en de Witte Reus (Wil Hartog) nog in korte broek liepen was Drikus Veer uit Borculo de grootste Nederlandse motorheld. In 1955 was hij de eerste Nederlander die tijdens de TT van Assen in de punten reed. Hij werd vierde achter de vedetten Geoff Duke en Reginald Armstrong. Veer beweerde dat hij die ook had kunnen inhalen, maar dat hij vanwege stalorders moest inhouden. Hij zou daarna nog twee jaar blijven rijden.
Toen Veer in 1957 voor het eerst een echte fabrieksmotor kon krijgen, zei hij van de ene op de andere dag: ‘Ik stop ermee.’ Even daarna hield hij ook op als monteur in het garagebedrijf van de familie en werd hij vertegenwoordiger van het Oost-Duitse automerk Trabant.
Drikus Veer werd geboren in Voorthuizen op de Veluwe. Op 10-jarige leeftijd begon hij bij toeval met motorrijden. Een oom had een oud beestje in de schuur staan dat hij mocht gebruiken om de renpaarden te trainen. Hij moest de paarden met de motor opjagen.
In 1932 verhuisde de familie naar Borculo in de Achterhoek, waar zijn vader een transportbedrijf begon voor een vleesverwerkingsbedrijf. Drikus ging met zijn twee broers als monteur in de garage werken. Daar sleutelde hij ook altijd aan zijn eigen motor. Op 16 en 17-jarige leeftijd deed hij vooral mee aan races op grasbanen. Maar in 1937 begon hij ook wedstrijden te rijden op de weg. Een jaar later maakte hij zijn debuut op de TT van Assen.
Tijdens de oorlog werd Veer verplicht te werken in Duitsland. Hij kon pas in 1945 zijn hobby weer oppakken. Maar met zijn eigen Triumph, die hij continu ombouwde om te crossen, of aan enduro (betrouwbaarheidsritten) te doen en dan weer om te racen op de weg, kon hij geen potten breken.
In 1951 won hij wel een Zilveren Vaas bij de motorzesdaagse in Italië. De grote doorbraak kwam in 1954 toen hij voor de 500?cc-race op de TT in Assen een Gilera mocht lenen. Op deze fabrieksmotor reden in de jaren vijftig bijna alle wereldkampioenen. Op de reservemotor van de beroemde Italiaanse stal werd hij achtste. Hij dankte er de bijnaam ‘de Tijger van Borculo aan’.
Een jaar later kreeg hij weer een reservemotor van Gilera te leen, maar daarbij werd hem uitdrukkelijk verboden wereldkampioen Geoff Duke in te halen. Hij werd vierde, maar haalde wel punten voor de wereldtitel. Hoewel hij af en toe in het buitenland reed, maakte Veer niet echt deel uit van het Grand Prix-circuit.
Veers rijstijl kenmerkte zich door veel lef en agressie. Hoewel motorrijden zijn passie was, blonk hij ook uit in andere sporten. In 1957 besloot hij na het behalen van de Nederlandse titel zijn carrière op de motor te beëindigen. Zijn vrouw Marie, met wie hij in 1945 was getrouwd en drie jongens kreeg (Hans, Henk en Henri), erkent dat ze vaak heel bang is geweest. ‘Het racen was niet zo veilig als nu. Langs het circuit stonden bomen en tot 1955 ging een deel van de race nog over straten met klinkers.’
Het is dan ook niet vreemd dat geen van zijn drie zonen in zijn voetsporen trad. Veer zou in de Achterhoek blijven wonen, elk jaar de TT bezoeken en zelfs zijn racecarrière nog voortzetten als autocoureur. Met de Trabant haalde hij ‘oerend hard’ in zijn klasse zelfs nog een eerste prijs in de toenmalige wegrace SLS (Scheveningen-Luxemburg-Scheveningen).


Joop van Stigt (1934-2011)
Architect

De man van de Bijlmer


Hij ontwierp de woontorens in de Bijlmermeer, omdat met het minimale het maximale moest worden bereikt. Van Stigt was de architect die zelf de spijkers kon afwegen – tot aan in Mali toe.

Peter de Waard

Hij werd in 2006 benoemd tot Ridder in de Orde van Mali, maar Nederlanders kennen hem vooral als de man die Amsterdam een nieuw gezicht gaf. Architect Joop van Stigt, die op 4 november overleed, was de man die de woontorens in de Bijlmermeer creëerde en een nieuw uiterlijk gaf aan het Entrepotdok, het Olympisch stadion, en de Oranje Nassaukazerne. Maar in veel meer plaatsen heeft hij zijn stempel gezet op het stadsgezicht. Zo was hij de ontwerper van het raadhuis in Ter Aar, de Werven in Almere-Haven en de Faculteit der Letteren in Leiden. Zijn ontwerpen kenmerken zich vooral door de structuralistische inslag, een houding die van Stigt meenam vanuit de bouwpraktijk: met weinig middelen veel voor elkaar krijgen. Hij beschreef zichzelf graag ‘als een echte Calvinist met een rood pakje aan’.
Van Stigt leerde het vak van architect ook niet uit de leerboeken maar als een gewone timmerman.. Als gevolg daarvan kon hij niet alleen de werktekeningen en de directievoering leveren, maar ook de materialen exact berekenen. ‘Hij is in staat om een pond spijkers te wegen, het aantal te tellen en dan te concluderen dat als je goed kan timmeren vier kilo spijkers wel voldoende is’, schreef zijn eerder dit jaar overleden collega Wiek Röling in het boek Bouwmeesters met draagvlak.
Joop van Stigt werd geboren in 1934 als een van de 14 kinderen van een postbeambte in de Amsterdamse wijk De Pijp. Na de lagere school werd hij naar een internaat in Leusden gestuurd voor een opleiding aan wat toen de ambachtsschool heette. Hij begon daarna als timmerman bij het bouwbedrijf Antonisen in Amsterdam. Behalve dat hij goed kon timmeren had hij ook ruimtelijk inzicht en was hij gefascineerd door de bouw van de RAI hallen die op dat moment plaatsvond. Met zijn bevlogenheid lukte het in 1953 een baan te krijgen bij het architectenbureau van Alexander Bodon dat hij combineerde met aan avondopleiding aan de HTS Bouwkunde. Zijn eerste klus was die van tekenaar en opzichter bij de bouw van het Burgerweeshuis in Amsterdam. Dit project leverde Van Stigt veel contacten op en al snel stond hij samen met jaargenoot Piet Blom bekend als ‘the angry young men’ van de Nederlandse architectuur. Met de opdracht voor het ontwerp van de personeelskantine van de Universiteit Twente startte Van Stigt zijn eigen bureau.
Vanaf 1987 was Van Stigt als hoogleraar bouwtechniek verbonden aan de TU Delft. Ondertussen bracht hij zijn ideeën in de praktijk met steeds meer restauratie- en herbestemmingprojecten zoals de grote kerk in Breda. Hij zette ook veel onderzoeken op over behoud en restauratie, bijvoorbeeld naar de reiniging van zandsteen gevels.
Naast zijn werk in Nederland, was Joop van Stigt ook zeer actief in Mali. Hij maakt in 1972 zijn eerste reis naar de Bandiagara-kliffen in Mali. Getroffen door de armoede en onder de indruk van de cultuur, was dit het begin van een blijvende liefde voor de Dogon. Het werk begon met kleinschalige acties: het bouwen van een put en vervolgens de bouw van de eerste school. In 1992 ontving hij in Mali de Dogon-naam Akouni Poudiougo (‘hij die geluk brengt’) ‘Laat je nooit vertellen dat je het zelf niet kan’, zei hij tegen zijn mensen daar. ‘Pas simple pas bon!’ Toen de vraag naar scholen en watervoorzieningen steeds groter werd, besloten ze, Joop en Gonny, zijn vrouw met wie hij zijn hele samen werkte, in 1995 de Stichting Dogon Onderwijs op te richten om hun werk voor de Dogon te kunnen continueren. Twaalf jaar geleden bij zijn afscheid van de universiteit zei Van Stigt: ‘Cultuur en techniek zijn bepalend voor de architectuur. Een land, een volk dat zijn cultuurbezit afbreekt heeft geen toekomst.’
Joop van Stigt won diverse prijzen met zijn werk, waaronder de BNA-kubus voor zijn hele oeuvre en De Nationale Renovatieprijs voor het Entrepotdok en het Olympisch Stadion.
(19-11-2011)


Simon Jelsma (1918-2011)
Grondlegger van de Novib

Pionier van derdewereldbeweging


De in Groningen geboren en in Brabant opgeleide Simon Jelsma was een ex-priester die het van idealist tot multimiljonair schopte.


Peter de Waard

Op pinksterzaterdag 1954 hield pater Simon Jelsma een van zijn preken in het gebouw van de Hoge Raad in Den Haag. Hij verwees naar de bevrijding. ‘Er was toen een grote eenheid en openheid. Maar nu, negen jaar later, is er opnieuw vervreemding.’
Jelsma is dan bekend van radiopraatjes bij de KRO, maar nog steeds een roepende in de woestijn. Nederland is bezig met de wederopbouw en de Koude Oorlog. ‘Jelsma was de eerste die weer over de grenzen keek’, zegt Boudewijn Poelman, die hem later verzocht voorzitter te worden van de in 1989 op te richten Nationale Postcodeloterij.
Jelsma is samen met geestverwanten in 1954 al de Pleingroep begonnen, een zuiloverstijgende discussiegroep. Jelsma roept in zijn Pleinpreken op tot vrede en gerechtigheid en zamelt geld in voor het kinderfonds van de VN. Het is het begin van de Nederlandse derdewereldbeweging.
Jelsma, die dinsdag op 93-jarige leeftijd overleed in Blaricum, werd geboren in Groningen, waar zijn vader postbode was. Hij voelde zich al gauw geroepen tot het priester­ambt. ‘Zoveel spektakel, zoveel theater: het leek mij prachtig.’
Hij ging naar het seminarie en belandde in Tilburg bij de missionarissen van het Heilig Hart. Het kloosterleven was zwaar – ‘een soort kindermishandeling in Brabantse gemoedelijkheid’ – maar hij wilde de studie niet opgeven. Hij besloot de missie niet in te gaan, maar pater Henri de Greeve te volgen, de pater die op zaterdagavond met het programma Lichtbaken katholiek Nederland aan de radio kluisterde.
Jelsma kreeg ook zijn radiopraatje, maar zijn toespraken vielen niet in goede aarde bij de KRO. Hij zette zich af tegen de oprichting van de KVP, omdat hij partijen op confessionele grondslag afwees vanwege de scheiding tussen kerk en staat. Hij ging discussiëren met sociaal-democraten in de Pleingroep, waar ook dominee Buskes, de econoom Jan Tinbergen en Fons Hermans (de broer van Toon) aan deelnamen. Toen hij op de KRO-zender een onderscheid maakte tussen de ‘zwakke en de menselijke priester’, werd hij door de omroep ontslagen.
Hij richtte zich vanaf toen op het tijdschrift van de Pleingroep, maar al gauw zocht Jelsma de buitenlucht op. ‘Ontwikkelingshulp was iets van geleerden in studeerkamers. Er stond geen letter over in de partijprogramma’s.’ Daarom werd de Nederlandse Organisatie voor Internationale Bijstand opgericht, de Novib. Jelsma werd vicevoorzitter en bleef dertig jaar bestuurslid — later naast zijn werk als NOS-journalist.
Hij begon acties als ‘Eten voor India’ en ‘Hoop voor de Sahel’. Hij overleefde als bestuurder de roerige jaren zeventig waarin soms scherpe kritiek op het salonfähige Novib werd geuit. Jelsma trouwde in die tijd (zijn echtgenote is in 1994 overleden), en brak definitief met de katholieke kerk.
In 1983 ging Jelsma met pensioen bij de NOS en twee jaar later vertrok hij als bestuurslid bij de Novib. Toen Novib-man Boudewijn Poelman met zijn idee kwam voor de oprichting van Nationale Postcodeloterij, benaderde hij Jelsma. ‘We zochten een voorzitter die een wijs woord zou zeggen als we overhoop zouden liggen. Ik ben naar Jelsma gestapt en heb gezegd: jij wordt voorzitter. Hij antwoordde: oké, als dat zo moet zijn.’
Hij werd als mede-oprichter ook aandeelhouder en kwam in de jaren negentig onder vuur te liggen toen bleek dat hij er multimiljonair mee was geworden. ‘Wij doen het goed en helaas is het gevolg dat we ons overal moeten verontschuldigen’, reageerde Jelsma.
Tot hij twee maanden geleden ziek werd, vervoegde hij zich nog vrijwel dagelijks aan de Postcodeloterijburelen bij het Amsterdamse Vondelpark. Directeur Farah Karimi van Oxfam Novib: ‘Hij ergerde zich verschrikkelijk aan de negatieve discussie over ontwikkelingshulp. In Oxfam Novib laat hij een prachtige erfenis achter, die al ruim vijftig jaar miljoenen mensen over de hele wereld bijstaat in hun armoede en hen een kans biedt op een beter bestaan.’
(17-11-2011)


Arie Kuiper (1934-2011)



Katholiek, vooruitstrevend, journalist

De oud-hoofdredacteur van weekblad De Tijd is dinsdag overleden aan de complicaties na een hartoperatie.

Peter de Waard

Arie Kuiper stuurde de net op de School voor de Journalistiek afgestudeerde journalist Frénk van der Linden langs bij secretaris-generaal Joseph Luns van de NAVO, die niet bepaald gecharmeerd was van diens brutale vragen. Al helemaal niet omdat die afkomstig waren van iemand van het katholieke weekblad De Tijd. Kuiper had lak aan de bezwaren van de KVP’er. Van der Linden vestigde er meteen zijn naam mee. Hij werd de nieuwe meester-interviewer van Nederland en zou heel veel interviews voor De Tijd gaan doen.
Kuiper overleed dinsdagavond op 77-jarige leeftijd aan de complicaties na een hartoperatie. Hij was 16 jaar hoofdredacteur van het weekblad De Tijd – ook korte tijd samen met zijn vriend Tony van der Meulen – en vele jaren buitenlandcommentator voor KRO Radio. Zijn belangrijkste interesses waren de Amerikaanse politiek, de oost-westverhoudingen en de Palestijnse kwestie. Kuiper was aanvankelijk zeer pro-Israël, maar maakte langzaam een draai en koos steeds meer de Palestijnse kant.
De laatste jaren schreef hij nog af en toe beschouwingen voor het dagblad Trouw over het geloof. Kuiper was een vooruitstrevende katholiek die steeds meer twijfels kreeg over het bestaan van een God die ­Auschwitz had toegelaten.
Kuiper werd in Haarlem geboren als een van de dertien kinderen van de bekende katholieke vakbondspionier en KVP’er Henk Kuiper die in de oorlog als gijzelaar in St.-Michielsgestel zat en later een van de vertrouwelingen werd van kardinaal De Jong.
Kuiper groeide op in Utrecht. Na een opleiding aan het gymnasium begon hij hier zijn journalistieke carrière, als verslaggever bij het katholieke dagblad Het Centrum. In 1960 werd hij redacteur buitenland bij De Tijd, de avondkrant die toentertijd gold als het gezaghebbendste katholieke dagblad van Nederland.
Het was het lijfblad van pastoors en bisschoppen en van de katholieke elite. Kuiper werd hier uiteindelijk de chef van de buitenlandredactie. In tegenstelling tot de katholieke vakbondskrant de Volkskrant wist De Tijd in de jaren zestig niet de jonge generatie aan te spreken en kon het ook niet het katholieke imago van zich af schudden. In 1974 werd De Tijd als dagblad opgeheven. Het ging verder als weekblad. Arie Kuiper werd de eerste hoofdredacteur.
Bij uitgever VNU bleef de krant een vreemde eend in de bijt. Kuiper wist De Tijd naar het midden te loodsen, maar een commercieel succes werd het niet. In 1990 volgde de fusie met de Haagse Post tot HP/De Tijd. Kuiper vertrok. Hij bouwde een freelancebestaan op dat onder meer leidde tot de publicatie van een veel geprezen biografie over Abel Herzberg.
(10-11-2011)


Pierre Vinken (1927-2011)



Kille ondernemer en non-conformist

Volgens Pierre Vinken, topman van uitgeverij Elsevier, was een bedrijf een winstmachine. De hoogbegaafde intellectueel, eerst hersenchirurg, had lak aan conventies. Interviews weigerde hij, ook aan zijn eigen media.


Peter de Waard

Pierre Vinken, vrijdag op 83-jarige leeftijd overleden, was een van de kleurrijkste naoorlogse Nederlandse ondernemers. Hij was een hoogbegaafd intellectueel met een voor Nederlandse begrippen ongekende eruditie. Hij provoceerde, had lak aan conventies en roeide graag tegen de stroom in. Maar naast de rebel was hij ook de kille ondernemer die in 1987 met een vijandige overname op concurrent Kluwer ook de hebzucht onder Nederlandse aandeelhouders aanwakkerde.
Niettemin behoort hij met onder meer Anton Dreesmann en Paul Fentener van Vlissingen tot het opmerkelijke groepje Nederlandse ondernemers die misschien meer vrienden hadden in linkse kringen dan in rechtse. Op het eerste gezicht was Vinken een publiciteitsschuwe, vaak binnensmonds mompelende en weinig charismatische man, maar hij kon als geen ander mensen voor zich innemen. Hij was bevriend met schrijvers en journalisten als Martin van Amerongen, Theo van Gogh en Theodoor Holman en uitgevers als Geert van Oorschot en Theo Sontrop. Hij haalde ook de roddelbladen vanwege zijn drie huwelijken, waaronder die met Sylvia Tóth (‘een administratief foutje’, noemde hij dat zelf) en zijn vele affaires met onder anderen Merel Laseur en Annemarie Oster. Hij was een zo universele geest dat de journalist en beleggingsdeskundige Paul Frentrop al in 2007 een meer dan duizend bladzijden tellende biografie over hem schreef.
Vinken werd geboren als oudste kind in een katholieke mijnwerkersfamilie in Sittard. Toen zijn broer Jacques ter wereld kwam, moest bij zijn moeder de baarmoeder worden verwijderd. ‘Alleen daardoor heb ik verder kunnen studeren. Anders waren er wel meer kinderen gekomen en had mijn vader dat niet kunnen betalen. Dan was ik ook in de mijn terecht gekomen’, zei hij daar later over.
Vinken twijfelde al op zijn 8ste aan de kerk en wist op zijn 15de volgens Frentrop zeker dat ‘alles wat de kerk hem aan godsdienst inpompte even grote onzin was als het Sinterklaasverhaal’. Hij was al jong zeer belezen. Hij verslond niet alleen de boeken van Multatuli, Vestdijk, Du?Perron en Ter Braak, maar ook die van grote filosofen, psychologen en analytici als Nietszche, Hume, Locke en Freud. Die pakte hij vaak stiekem op bij tweedehands winkeltjes in Sittard.
In 1947 kon hij zich van zijn katholieke juk verlossen toen hij het bisschoppelijk college in Roermond verliet om geneeskunde te studeren aan de Universiteit Utrecht. De studie ging hem gemakkelijk af en hij besteedde zijn tijd vooral aan het oeverloos discussiëren met gelijkgezinde rebellen. Hij meed de traditionele studentenverenigingen en bracht zelfs een tegenhanger uit van de officiële universiteitskrant. Hij stond aan de basis van het literaire blad Tirade, waar hij overigens zelfs maar drie artikelen voor schreef. Samen met de antropogeneticus John Huizinga ging hij zich bezighouden met de erfelijke kenmerken van schedels, waarvoor opgravingen werden gedaan in Zeeland.
Een andere hobby, zo mogelijk obsessie, werd de iconografie, een tak van de wetenschap die tot doel had beeldende kunst te verklaren door ze te vergelijken met de literaire productie uit dezelfde tijd. Op voordracht van Huizinga kon hij wat geld verdienen met het maken van Engelstalige uittreksels van medische onderzoeken voor de uitgeverij Excerpta Medica.
Nadat hij in 1955 was afgestudeerd, wilde hij zenuwarts worden. Na een stage bij epilepsiekliniek Meer & Bosch te Heemstede kreeg hij een baan bij de Utrechtse universiteitskliniek voor psychiatrie en neurologie. Maar het werken met patiënten gaf hem weinig vreugde. Ook stelde hij al snel vast ‘dat psychiatrie geen wetenschap was’, omdat er zelfs verschillende meningen waren over wat een depressie was. Vinken koos een opleiding tot neurochirurg in het Wilhelmina Gasthuis. Hij slaagde met glans, maar vond het werk, vooral tumoren weghalen, al snel te routinematig.
In 1964 werd hij opgenomen in de redactiecommissie van Excerpta Medica. Naast zijn operaties op de Boerhave Kliniek, ging hij dagelijks naar Excerpta aan de Herengracht. In 1966 werd hij mededirecteur van Excerpta Medica. Hoewel het computertijdperk nog in de kinderschoenen stond, was Vinken een van de eerste die databanken opzette waarmee het werk van de uitgeverij internationaal kon worden ontsloten. Excerpta Medica werd een geldmachine. In 1970 besloot hij de medische uitgeverij onder te brengen bij uitgeverij Elsevier, waarmee hij niet alleen grote rijkdom verwierf maar ook een plek in de raad van bestuur bedong.
In 1979 werd hij topman van Elsevier, dat vlak daarvoor de Nederlandse Dagblad Unie (AD en NRC) had overgenomen. Vinkens fascinatie was de uitbouw van de wetenschappelijke tak, waarmee de grootste marges konden worden gemaakt. ‘Een bedrijf is een winstmachine, geen omzetmachine’, zei hij.
Dat viel slecht in linkse kringen, vooral toen Vinken zijn woorden in daden omzette met forse saneringen, de overval op Kluwer en de poging de Perscombinatie over te nemen. Interviews weigerde hij, zelfs aan zijn eigen media, omdat journalisten toch niet zouden opschrijven wat hij bedoelde. Zijn doel Elsevier tot de elite van de wereld te promoveren zou hij alleen kunnen bereiken met de overname van een grote Angelsaksische uitgeverij. Uiteindelijk wist hij Elsevier in 1992 samen te voegen met de Britse uitgeverij Reed. Hij bleef nog drie jaar topman en daarna nog jaren commissaris. Maar het werd geen gelukkig huwelijk. Vinken werd na zijn vertrek weer in de armen gesloten als cultfiguur van het grachtengordeldeel van liberaal-progressief Nederland.
Zijn republikeinse gezindheid was een mooi aanknooppunt. Vinken had een hekel aan de Oranjes, omdat hij een keer een uur op een vliegveld had moeten wachten omdat de zoon van Margriet en Pieter met meisje Van den Broek eerst moesten opstijgen. In 1996 was hij een van de oprichters van het Republikeins Genootschap met als een van de controversiële statuten: ‘Leden worden ook op hun lichamelijke kenmerken geselecteerd: alleen autochtone mannen komen in aanmerking’.
(8-11-2011)


Hans van den Bergh (1932-2011)



Onderzoeker naar de lach

Peter de Waard

Hans van den Bergh kreeg drie dingen van huis mee. In de eerste plaats zijn liefde voor het klassieke toneel. Elk jaar ging de hele familie bijvoorbeeld naar de nieuwjaarsopvoering van Vondels Gijsbrecht toe. Daarnaast was er de liefde voor de schrijver Multatuli. Zijn vader kon hele stukken van de Max Havelaar uit zijn hoofd. En ten slotte het debatteren over de monarchie. Zijn vader was geen republikein. Maar het koningshuis interesseerde hem nagenoeg niets. ‘Aan de tafel werd er goedhartig over gediscussieerd. Hans was daarbij de felste tegenstander. De andere familieleden waren te bang dat we misschien De Quay, Luns of Dries van Agt dan als president zouden krijgen. Maar die waren volgens Hans na vier jaar weer te vervangen’, zegt zijn jongste broer Flip van den Bergh. Hans van den Bergh overleed op 21 oktober op 78-jarige leeftijd. Hij was getroffen door een goedaardige vorm van kanker die uiteindelijk toch fataal bleek te zijn. Hij was letterkundige, toneelwetenschapper, cultuurwetenschapper en ook professor aan de Open Universiteit in Heerlen. Hij was een zoon uit het tweede huwelijk van de hoogleraar George van den Bergh, een telg uit de oprichters van de margarinefabrikant Van den Bergh & Jürgens die de grondslag hadden gelegd voor het Unilever-concern. Hij had uit zijn eerste huwelijk al vier kinderen, waarvan Robert wethouder van Amsterdam en minister van Financiën in een van de schaduwkabinetten van Joop den Uyl werd. Na zijn scheiding hertrouwde hij met een christelijke vrouw met wie hij nog eens acht kinderen kreeg. Hoewel van joodse afkomst wist hij dankzij zijn gemengde huwelijk net als zijn kinderen later aan de transporten in de Tweede Wereldoorlog te ontkomen. Hans van den Bergh studeerde begin jaren vijftig Nederlands en Frans aan de universiteit van Amsterdam. Samen met ondermeer Peter Lohr en de latere minister Hedy d’Ancona had hij een studentencabaret. Hij was gefascineerd door de reden waarom mensen de ene avond wel geweldig moesten lachen en de volgende avond niet. Dat leidde ertoe dat hij uiteindelijk zou promoveren op het proefschrift Konstanten in de komedie: een onderzoek naar komische werking en ervaring. Een blauwe maandag werkte hij ook mee aan het legendarische televisieprogramma Zo Is Het Toevallig Ook Nog Eens Een KeerHAls toneelliefhebber schreef hij al snel recensies voor het Haarlems Dagblad. In 1965 stapte hij over naar Het Parool waarvoor hij tot 1997 zou blijven schrijven. Van den Bergh moest niets hebben van de actie tomaat en de toneelvernieuwing in de jaren zestig. Integendeel, hij ergerde zich bijzonder hoe grote acteurs als Albert van Dalsum en Hans Bentz van den Berg werden bekogeld met tomaten. ‘Moet ik naar een stuk gaan kijken van een gezelschap met de naam Mug met een Gouden Tand’, riep hij dan verontwaardigd. Hij trouwde eind jaren zestig met Renee Samson met wie hij twee kinderen kreeg: de architect Ella van den Bergh en zijn zoon Thomas van den Bergh, nu uitgever bij de Bezige Bij. Hij was een initiatiefrijk persoon, warm, uiterst kritisch, belangstellend en stimulerend. Hij gunde iedereen van harte succes. ‘Hij was eigenlijk mijn vadertje, Mijn echte vader troonde aan het hoofd van de tafel en rookte sigaren uche, uche in zijn studeerkamer.. Hans voedde mij op. Hij vertelde hoe ik moest scheren, dat ik geen licht jasje bij een donkere pantalon moest aantrekken en welk boek ik moest lezen. Hij hielp mij als ik iets op school niet snapte of troostte als ik verdrietig was’, vertelt Flip van den Bergh. Naast het schrijven van toneelrecensies was hij leraar Nederlands en Frans in Amsterdam en leverde hij bijdragen aan literaire bladen als Tirade en De Gids. Veel van die bijdragen gingen over de door hem zo bewonderde Multatuli. In 1985 volgde hij Garmt Stuiveling op als voorzitter van het Multatuli Genootschap met de taak de uitgave van diens verzameld werk tot een goed einde te brengen. Het leidde tot aanvaringen met de schrijver W.F. Hermans. Maar het lukte hem wel om in 1987 een standbeeld van Multatuli in Amsterdam te laten onthullen. Met voormalig Elsevier-topman Pierre Vinken werd Van den Bergh eind jaren negentig een van drijvende krachten van het Republikeins Genootschap. In 2002 publiceerden ze samen Het Klein Republikeins Handboek. Begin dit jaar verscheen nog van de hand van Van den Bergh het boek Doe het niet, Alex! met dertig redenen waarom Willem-Alexander beter zou kunnen afzien van het koningschap. Zo past de term ‘majesteit’ niet bij Willem-Alexander, schreef Van den Bergh. “Je bent zelf toch veeleer een beweeglijke, sportieve vrolijke frans, en in veel te veel opzichten een jongen van deze eenentwintigste, door en door democratische eeuw om van jezelf te geloven dat je werkelijk uitsteekt boven het Nederlandse maaiveld.’ Verder schreef Van den Bergh onder verschillende pseudoniemen columns voor een reeks van kranten zoals NRC Handelsblad (Paul Abbey), Vrij Nederland (Ten Braven), Het Parool (Jansen en Tilanus) en het Algemeen Dagblad (E.D. Dekker).
(5-11-2011)


Morris Tabaksblat (1937-2011)



Het geweten van ondernemers

Morris Tabaksblat, oud-Unilevertopman en naamgever van de code voor verantwoord besturen in het bedrijfsleven, is donderdag op 74-jarige leeftijd overleden.

‘Fatsoen maakt geen carrière; succes maakt carrière.’ Managers die opklimmen tot topbestuurders, hebben dat niet te danken aan hun integriteit, maar aan hun succes. En daarom waren er volgens Morris Tabaksblat regels nodig om te voorkomen dat ze zichzelf te veel mooie baantjes en te hoge beloningen toebedeelden.
Morris Tabaksblat klom zelf in 35 jaar bij Unilever op tot een kleurrijk topman met te veel commissariaten (de SP noemde hem in 1998 de machtigste Nederlander) en te hoge beloningen (5 miljoen gulden in zijn laatste jaar bij Unilever). Nadat hij in 1999 afscheid had genomen werd hij evenwel de grote voorvechter van maatschappelijk ondernemen.
Met zijn in 2003 tot stand gekomen code-Tabaksblat schreef hij geschiedenis. Er zou paal en perk worden gesteld aan het aantal commissariaten (maximaal vijf) en de hoogte van gouden handdrukken (een jaarsalaris). Hiermee joeg hij zijn vriendjes van het old boy network zo hoog in de gordijnen dat ze in het Hilton Hotel een speciale bijeenkomst organiseerden om protest aan te tekenen. Tabaksblat wist met zijn onweerlegbare argumenten en steun van de publieke opinie het maatschappelijke debat te winnen.
Tabaksblat, die al enige tijd aan kanker leed, is afgelopen donderdag op 74-jarige leeftijd overleden. Hij werd in 1937 in Rotterdam geboren als zoon van tot het christendom bekeerde Pools-Joodse immigranten. Ondanks deze bekering werd het gezin in oktober 1943 opgepakt en naar concentratiekamp Theresienstadt gevoerd, waar het in maart 1945 door de Russen werd bevrijd.
Zijn herinneringen aan die periode waren vooral de eindeloze verveling in Theresienstadt, de angst om naar Auschwitz te worden getransporteerd en de keer dat hij als klein jongetje na de bevrijding de vissen uit het dode water mocht halen die boven kwamen drijven nadat door soldaten handgranaten in het water waren gegooid.
In de jaren bij Unilever kwam hij regelmatig mensen tegen die ooit lid waren geweest van de Hitler Jugend of voor de Wehrmacht hadden gevochten. ‘Dat konden prima mensen zijn, waarmee ik goed kon opschieten’, vertelde hij in 2009 in het pensioenblad Aanspraak.
Hij studeerde na het gymnasium rechten in Leiden en begon in 1964 bij Unilever, waar hij voortvarend carrière maakte. In 1984 werd hij directeur van een nieuwe divisie die zich bezighield met het opzetten van een nieuwe cosmeticapoot. Het resulteerde in de spectaculaire overnames van Chesebrough Pond’s (bekend van de gezichtscrème Pond’s), Faberge, Calvin Klein en Elizabeth Arden. Daarna werd hij de baas bij de divisie Food, waarbij hij onder meer het ijsje Magnum lanceerde.
In 1994 volgde hij in het midden van de ‘vuile wasmiddelenoorlog’ Floris Maljers op als bestuursvoorzitter. Unilever had met Omo Power een product op de markt gebracht dat de overheersende marktpositie van Proctor & Gamble’s Ariel in Europa moest breken. Maar Proctor toonde aan dat het wassen met Omo Power bij hoge temperaturen gaten in het textiel veroorzaakte. ‘We wilden de eerste zijn, om te winnen, net als bij ons Magnumijs’, gaf hij uiteindelijk de fout toe. De lancering in de VS van Black Pearl, een parfum van de beroemde actrice Liz Taylor, kostte het bedrijf ook miljoenen, omdat de diva niet wilde dat die ook via goedkope ketens werd verkocht.
Tabaksblat nam het voortouw in het stroperige debat over de door aandeelhouders gehate beschermingsconstructies tegen ongewenste overnames die uiteindelijk vragen opriep over de hele corporate governance van beursbedrijven. Binnen Unilever zelf saneerde hij talrijke bedrijven, waarna hij tot woede van de vakbonden bij zijn afscheid in 1999 de aandeelhouders een superdividend van 16 miljard euro uitkeerde.
In 2003 werd hij door minister Hans Hoogervorst gevraagd om regels te gaan opstellen voor het gedrag van bestuurders naar aanleiding van de boekhoudschandalen bij Ahold, Shell en Enron.
‘Bij de 125 beursgenoteerde ondernemingen kom je steeds dezelfde koppen tegen’, zei Tabaksblat die zelf als eerste een fiks aantal commissariaten moest opgeven. Het old boy network was onaangenaam verrast over wat het ‘Nederlandse koldermodel’ werd genoemd. ‘Zelfs Amerikaanse ministers mogen nog meer beleggen dan bestuurders in de voorstellen van Tabaksblat’, reageerde Cor Boonstra, ex-Philips. Aad Jacobs, ex-boegbeeld van ING, riep: ‘Mijn vrouw is de enige supporter van Tabaksblat. KPN-topman Ad Scheepbouwer noemde de voorstellen slecht voor het Nederlandse investeringsklimaat.
Niettemin kwamen de ruim honderd voorstellen er bijna ongeschonden door en stond Nederland een jaar later hoog in de ranglijst van landen met de beste corporate governance. Maar er kwam later ook kritiek op de code. Zo werd het opbreken van het old boy network de oorzaak genoemd van het afketsen van een fusie tussen ING en ABN Amro die de dramatische ondergang van de laatste bank betekende.
Ook de laatste jaren vervulde Tabaksblat nog tientallen bestuursfuncties.
(24-10-2011)


Floris Meydam (1919-2011)



Ontwerper van Leerdam Glas

De bescheiden kunstenaar Floris Meydam was de man achter producten die iedereen kent, zoals de beugel-fles van Grolsch en de jampotten van De Betuwe.

Peter de Waard

Naast bijna honderd musea heeft ook ieder huishouden in Nederland wel iets van de Leerdammer kunstenaar Floris Meydam in huis, al is het maar een barbecuesausflesje van Calvé, een fles bessenlikeur van Coebergh, het mosterdpotje van Luyckx of de jampotten van De Betuwe. Zelfs op het bierpijpje van Heineken en de beugelfles van Grolsch heeft hij zijn stempel gedrukt.
Meydam was een geniaal ontwerper. Volgens zijn vrouw Leny kon hij urenlang verzonken in gedachten achter een bureau zitten, totdat hij ineens het potlood pakte en zijn ideeën op papier zette. Hij ontwierp ook veel sierglaswerk, waaronder de bekende Leerdam Unica-collectie en serviezen voor de Goudse aardewerkfabriek Regina (onder meer Black Princess), de Porceleye Fles in Delft, Fris in Edam en de vazenfabriek Hofra in Herwijnen.
Meydam overleed op 25 september in Leerdam. Zijn vader was glasinpakker in Leerdam. De oudste van zijn drie kinderen, Floris (of Floor), bleek hoogbegaafd te zijn. Eigenlijk had hij naar het gymnasium moeten worden gestuurd, maar zijn vader – een echte SDAP’er – kon dat niet betalen. Floris moest een opleiding voor elektricien volgen op de ambachtsschool. In 1935 kwam hij in dienst van de Glasfabriek Leerdam, waar hij letters kon gaan figuurzagen op de reclame-afdeling. ‘Een baantje met een boordje’, zoals zijn vader toen zei. Zijn leermeester was de vormgever AD Copier, die in 1940 de glasschool Leerdam opzette. Aanvankelijk was die alleen voor glasblazers en slijpers, maar in 1942 ook voor decorateurs. Meydam bleek zo talentvol dat hij in een jaar opklom van leerling tot leraar.
Met Copier ontstond al gauw een echte rivaliteit, vooral op het gebied van Leerdam Unica. Meydam haalde een reeks van prijzen binnen en exposeerde in de beroemdste musea ter wereld, zoals het Museum of Modern Art in New York en het Musée des Arts Décoratifs in Parijs. Meydam werd in 1949 hoofd van de ontwerpafdeling van de Glasfabriek Leerdam. Een jaar later lanceerde hij het servies Folium, dat prins Bernhard in 1953 zou aanbieden als relatiegeschenk aan de president van Mexico. Meydam gaf de na-oorlogse collectie van de glasfabriek een eigen gezicht. Veel van het werk kenmerkte zich door lichtspel, veroorzaakt door luchtbellen of ingevoegd maalsel. Naast gebruiksglas, sierglas en serviezen ontwierp hij ook talrijke glaspanelen voor bedrijven (Union Fietsen, De Baronie, Heineken) en instellingen (Stedelijk Museum).
Volgens conservator Hélène Besançon van het Nationaal Glasmuseum is het bijzondere van Floris Meydam dat hij vernieuwend bleef in zijn ontwerpen. ‘Vooral met het aanbrengen van kleuren in geblazen glas was hij echt briljant.’ Joan Temminck, die zijn biografie schreef, stelt dat Meydam een zeer introverte en gesloten man was. ‘In deze tijd zou hij vermoedelijk autistisch worden genoemd’. Volgens Temminck was Floris ook een vrouwenman. Vrouwen waardeerden zijn bescheidenheid (‘Ja, zei hij, ik ben een van de grootste glaskunstenaars, maar dat blijft onder ons’) en zijn humor met subtiele woordspelingen. Hij zou drie keer trouwen en kreeg zeven kinderen. Ondanks privéproblemen bleef hij ook een zeer sociale man. Toen de glasfabriek Leerdam in 1964 werd gedwongen meer markgericht te werken, was hij niet te beroerd om concessies te doen in zijn ontwerpen, zoals bijvoorbeeld in de collectie voor het Duitse Kaufhaus, om de werkgelegenheid van collega’s veilig te stellen. Ook was hij nauw betrokken bij het personeelsblad waarvoor hij onder meer cartoons tekende.
Meydam bleef na zijn pensionering in 1984 als onafhankelijk glaskunstenaar Unica vervaardigen. Dat deed hij vooral met de Engelse glasblazer Neil Wilkin en vanaf 1993 kreeg hij zijn vaste galerie, Glas Galerie Leerdam. Zijn laatste ontwerp was het Ariane Oranjevaasje. Het Nationaal Glasmuseum eerde hem vorig jaar nog met de overzichttentoonstelling De negentig van Meydam ter gelegenheid van zijn 90ste verjaardag. Daar werd een beeld gegeven van zijn artistieke veelzijdigheid, maar zelfs na zijn dood zijn al weer nieuwe ontdekkingen gedaan van zijn fenomenale werkdrift en talent, zoals bijvoorbeeld een hele collectie van badkamerglas.
(22-10-2011)


Anton Witkamp (1929-2011)

De man van Telesport

Als chef sport van De Telegraaf bouwde Anton Witkamp goede banden op met sporters. Als dank hesen de spelers van Oranje hem in 1974 op de schouders.

Peter de Waard
Er was nog geen Bert Maalderink of een andere televisieverslaggever die het Nederlands elftal ook buiten de wedstrijden om van minuut tot minuut volgde. Wel organiseerde de redactie Telesport van De Telegraaf tijdens het WK van 1974 buiten het zicht van de camera's de steeds wilder wordende feestjes, waarvoor de BN'ers van toen (Lex Goudsmit, Rita Corita en Fred Kaps) waren uitgenodigd.
De bedenker was Anton Witkamp. In zijn periode als chef tussen 1968 en 1976 veranderde hij mogelijk meer bij de krant dan alle andere chefs samen hebben gedaan. Hij maakte van de sportpagina's de bijlage Telesport en smeedde de hechte band tussen de krant en de commercie. Zo organiseerde hij tijdens het WK voetbal van 1974 de volgens het Duitse boulevardblad Bild tot orgiën verworden feestjes van de Oranje-spelers. Op 23 juni 1974 werd Volkskrant-verslaggever Ben de Graaf door enkele spelers in het zwembad gegooid vanwege diens 'zure stukken'. Op maandag 1 juli werd Witkamp vanwege zijn positieve toon op de schouders gehesen.Witkamp overleed op 29 september in Den Ilp op 81-jarige leeftijd. Nadat hij in 1992 als adjunct-hoofdredacteur bij de krant was vertrokken, leefde hij in de anonimiteit. Op de crematie in Zaanstad spraken behalve hoofdredacteur Sjuul Paradijs nog zijn autosportvriend Ben Huisman en zijn enige nog levende broer. Bij de sporters die hem ooit zo adoreerden, was hij vergeten.
Witkamp was een loodgieterszoon uit Den Haag. Hij was gek op sport en speelde waterpolo bij ZIAN (Zwemmen Is Altijd Nuttig). Met zijn mulo-diploma probeerde hij een baantje te vinden in de journalistiek. Bij de Haagsche Courant, waar onder anderen Herman Kuiphof werkte, mocht hij af en toe wedstrijdverslagen maken van lokale voetbalclubs als HGC en VUC, zonder dat hij er een cent voor betaald kreeg. In 1948 ging Witkamp op eigen kosten naar de Olympische Spelen in Londen. Hij slaagde er in enkele stukjes in de krant te krijgen, hoewel de ruimte voor sportverslaggeving nog klein was. Uiteindelijk vond hij een baan bij het ANP als telexscheurder. Af en toe kon hij ook sportverslagen maken. Jan Blankers - de echtgenote van de atlete Fanny Blankers-Koen - was in die tijd chef sport bij De Telegraaf. Hij haalde Witkamp in 1955 naar de krant. En toen Blankers in 1969 opstapte, was de kleine Witkamp zijn natuurlijke opvolger.
Witkamp viel met zijn neus in de boter. Dankzij de successen van Ard en Keessie, de Tour-zege van Jan Janssen en de overwinningen van Feyenoord en Ajax in de Europa Cup nam de belangstelling voor sport enorm toe. Witkamp bedacht Telesport, dat zich en passant ontpopte als het clubblad van Ajax. Witkamp was zo nauw bevriend met toenmalig Ajax-voorzitter Jaap van Praag dat hem exclusief de primeur werd gegund van de transfer van Johan Cruijff naar Barcelona. Witkamp bedacht zelfs wedstrijden voor Ajax zoals de Supercup-ontmoeting tegen Glasgow Rangers in 1972. Hij stimuleerde verslaggevers ook de sponsors in de journalistieke rubrieken te noemen - iets wat bij andere kranten not done was. Ben de Graaf van de Volkskrant was zijn tegenhanger, maar koestert ondanks het natte pak van toen geen rancune tegen Witkamp: 'Hij had zijn Telegraaf-kantjes maar was een goed en objectief verslaggever van wedstrijden. Hij manipuleerde niet bij Ajax, zoals Jaap de Groot nu doet.'
In 1976 werd Witkamp als adjunct-hoofdredacteur verantwoordelijk voor de hele krant. 'We gaan vanavond een krantje maken, dat er morgenochtend weer ingaat als kip', riep hij dan tegen de avondploeg. In 1982 nam hij van het voetbalmarketingbedrijf Inter Football van Maarten de Vos het idee over voor het Voetballer van het Jaar-klassement. Ook nam hij sporters in dienst om columns te schrijven zoals Johan Cruijff. Witkamp stond ook altijd vooraan als er gefuifd werd. Herhaaldelijk hing hij in café's als Scheltema en Hoppe aan de lamp. Maar altijd zat hij de volgende ochtend om 9 uur weer achter het bureau. Hoofdredacteur Sjuul Paradijs noemde hem op de crematieplechtigheid 'Mister Telegraaf, de bon vivant, de ijzervreter, die collega's op de avond dat hij ze ontsloeg ook weer aannam. Toen hij in 1992 tegen zijn zin met de VUT moest, nam hij meteen afstand van de krant. Misschien wilde Witkamp na alle hectiek de nodige rust.
(16-10-2011)


Peter Geerlings (1939-2011)

Grondlegger van het gedoogbeleid

Peter de Waard

Hij introduceerde in 1968 methadon op de Nederlandse markt voor morfinisten. Vier jaar later zou Peter Geerlings deel uitmaken van een commissie die het baanbrekende onderscheid tussen harddrugs en softdrugs ging maken. In de jaren negentig stond hij aan de wieg van een nieuw geneesmiddel voor alcoholverslaving, acamprosaat.
Hij was tegelijkertijd psychiater, psychotherapeut, psycho-analyticus, neuroloog, wetenschapper, docent en ook nog hoofd geneeskunde van de Jellinek Kliniek. Peter Geerlings overleed op 20 september aan de gevolgen van maagkanker. Hij is de belangrijkste pionier voor de verslavingszorg in Nederland en een van de grondleggers van het gedoogbeleid. ‘Hij was de meest beminnelijke man die ik kende. En ondanks zijn zachtaardige karakter heeft hij enorme invloed gehad op de veranderingen in de zorg en het politieke denken’, zo stelt Wim van den Brink die zijn benoeming als hoogleraar verslavingszorg aan Geerlings’ pionierswerk had te danken.
Geerlings werd in 1939 geboren in Batavia – in het toenmalig Nederlands-Indië, waar zijn vader administratief directeur was op een rubberplantage van de Nederlandse Handelsmaatschappij. Als militair van het Koninklijk Nederlands-Indisch leger werd hij na de Japanse bezetting te werk gesteld aan de beruchte Birma-spoorweg, terwijl zijn vrouw met zes kinderen aan internering konden ontkomen door zich als Indiërs voor te doen. Na de bevrijding pakte zijn vader na een korte onderbreking in Nederland zijn werk op de plantage weer op. Maar de nationalisten moesten niets van hem hebben. Zijn gezin werd geïnterneerd. In 1951 werd hij vermoord door nationalisten waarna het gezin naar Nederland terugkeerde en in Haarlem ging wonen.
Peter Geerlings was een hartstochtelijk sporter die zowel boksen als wielrennen in wedstrijdverband deed. Hij ging geneeskunde studeren in Amsterdam en volgde later ook de studie tot psychiater of zenuwarts zoals dat toen heette. Tijdens zijn opleiding psychiatrie werd hij in 1965 in Paviljoen III van het Wilhelmina Gasthuis geconfronteerd met drugsgebruikers die last hadden van psychiatrische verschijnselen. In de stage bij de GG&GD die hierop volgde, kwam hij opnieuw in aanraking met kunstenaars, provo’s en andere mensen uit de tegenbeweging die verslaafd waren aan opiaten. In 1968 besloot hij geheel op eigen advies een wekelijks poliklinisch drugsspreekuur te beginnen. Een jaar later werd dat omgedoopt tot het Consultatiebureau voor Alcohol & Drugs (CAD). In de VS had hij inmiddels kennisgemaakt met een nieuw middel voor de behandeling van opiaatverslaafden: het lang werkende methadon.
Geerlings maakte daarna deel uit van twee commissies die begin jaren zeventig het Nederlandse drugsbeleid bepaalde: de commissie Hulsman die in 1971 pleitte voor de legalisering van cannabis en de commissie Baan die in 1972 de decriminalisering van drugsgebruik bepleitte door een onderscheid tussen harddrugs en softdrugs. Geerlings beperkte zich niet tot medicijnengebruik als behandeling voor drugsverslaving. Hij beschouwde verslaving als een psychische stoornis, waarbij afwijkende hersenprocessen een rol spelen. Verslaving was geen zwakte maar een ziekte. Bij de behandelmethodes moesten verslaafden altijd de hoop kunnen hebben een nieuw leven op te bouwen.
Als waarnemend hoofd van de afdeling psychiatrie van het AMC legde hij een directe verbinding tussen verslavingszorg en academisch onderzoek. Hij was continu nieuwsgierig naar nieuwemethoden zoals behandelingen onder narcose met naltrexon en Diepe Hersen Simulatie. Geerlings ging in 2004 met pensioen, maar bleef actief op zoek naar wetenschappelijk en medisch-ethisch verantwoorde oplossingen voor verslaving. Hij pakte ook het fietsen weer op en werd daarnaast een fanatiek ruiter. Vrijwel tot aan zijn dood was hij medisch directeur van Castle Craig Nederland, een Schotse kliniek voor alcohol- en drugsverslaafden.
(11-10-2011)


Meta de Vries (1941-2011)

Disc-amazone van Hilversum III

Ruim veertig jaar lang was Meta de Vries met haar kenmerkende stem te horen op de radio

Meta de Vries werd begin jaren zeventig de ‘disc-amazone’ genoemd. Ze was toen de enige vrouwelijke dj op de popzender Hilversum 3 (nu 3FM). Ze deed haar programma’s live: twee keer per week diep in de nacht van twee tot vier uur, één op maandagavond. In dat laatste programma draaide ze verzoeknummers van gedetineerden die ze ook interviewde.
Haar zwoele stem en haar losse manier vielen in goede aarde. Ook bij de niet-gedetineerde Nederlanders en zelfs bij de toenmalige AVRO, die niet zozeer het doorbreken van taboes als doelstelling had. Toen een gedetineerde zei dat hij niet in Amsterdam in de gevangenis zat maar in Den Bosch, antwoordde ze spontaan: ‘Maakt niet uit waar je zit. Als je maar zit.’ Bij het 25-jarig regeringsjubileum van koningin Juliana in 1973 begon De Vries een discussie over gratie voor gevangenen.
Iedere Nederlander herkende toen haar stem uit duizenden. ‘Ik beschouw mijn stem als een instrument en ga nooit zonder sjaal naar buiten.’ Wie niet naar Hilversum III luisterde, hoorde haar op de zondag op Hilversum 1 waar ze eerst het programma Delta had en later Juist op Zondag, waarin ze vlak voor Willem Duys’ Muziek Mozaïek uitgaanstips gaf voor de zondag. Als het evenement werd genoemd – de Trekker-trek wedstrijden in Egmond of de vliegershow in Hengelo – stond daar prompt twee uur later een lange file.
Meta de Vries (70), die donderdagavond in Leusden overleed aan de gevolgen van kanker, werd in 1941 geboren in Den Haag als dochter van een schoolhoofd. Ze groeide op in het Gooi, waar ze op de MMS vijf talen leerde spreken en de kweekschool volgde. Ze begon in 1961 als kleuterleidster in Hilversum, maar solliciteerde in 1963 bij de AVRO als radio-omroepster. Vanaf 1967 presenteerde ze twintig jaar Juist op Zondag. Haar naam werd in die periode synoniem voor een dagje uit. Drie jaar later werd ze ook dj bij Hilversum 3 met programma’s als de Negen Uur Show. Na een kort uitstapje naar de piraat Radio Noordzee keerde ze terug op Hilversum III voor het programma Muziek met Meta.
Vanaf 1978 werd ze bekend als televisiepersoonlijkheid dankzij AVRO’s Platenpanel. Ze was vanaf dat moment bijna veertien jaar de vaste commentaarstem van de AVRO. In 1991 werd de samenwerking verbroken. De Vries keerde later terug bij commerciële zenders als de Gouwe Ouwe en Euro Jazz. Vanaf 1998 was ze ook weer te zien en te horen bij de regionale zenders RTV West en RTV Utrecht. Ze werkte ook enige tijd voor Radio Max.
Haar laatste programma’s waren Easy Listening voor omroep Max op Radio 2 en een STER-spot voor het Nederlands Bureau voor Toerisme, waarin op zaterdag en zondag toeristische tips worden gegeven onder de titel Lekker weg in eigen land. In 2009 kreeg ze nog een oeuvreprijs als beste vrouwelijke radiomaker, omdat ze alle muziekgenres had gedaan. ‘Discjockeys leggen nadruk op alles klemtonen. Ik doe daar niet aan mee. Je moet niet schreeuwen, maar gewoon laten horen wie je bent, dan hou je het het langste vol.’
Tot het einde van haar leven hield ze vast aan de ouderwetse draaitafel. ‘Tegen de langspeelplaat kan geen cd of iPod op.’ Minder bekend is dat Meta de Vries ook nog twee musicals schreef en vanaf 1965 zong in het jazzorkest De Gooische Compagnie.
(8-10-2011)


Leo Auping (1917-2011)

Man van de spiraalbodem

Met zijn vertrek in 1976 verdween de naam Auping uit de directie van het Deventer beddenbedrijf, in 1888 opgericht door zijn opa.

Peter de Waard

Leo Auping was de man van de verstelbare spiraalbodem. In 1967 kwam hij met deze noviteit waarmee de Deventer beddenfabrikant de concurrentie mijlenver achter zit liet en een grote naam werd op de Nederlandse beddenmarkt. Leo Auping zou nog tien jaar de scepter zwaaien bij het familiebedrijf. Daarna ging hij met pensioen en verdween de naam Auping uit de directie, hoewel de aandelen nog altijd in handen van de familie zijn.
Auping is op 29 september in Den Bosch op 94-jarige leeftijd overleden. Hij woonde hier de laatste 19 jaar met zijn tweede vrouw. Maar hij zal donderdag worden begraven in Deventer, waar zijn opa, de Deventer kachelsmid Jan Auping, in 1888 aan de Smedenstraat de Eerste Nederlandsche Fabriek van Stalen Gezondheidsbedden oprichtte. Willem Auping nam in het begin van de 20ste eeuw het bedrijf van zijn vader over en begon een fabriek aan de Laan van Borgele waar het bedrijf nu nog gevestigd is. Hij zorgde ervoor dat Auping een van de eerste echte merknamen werd in de beddenindustrie.
Leo Auping was een van de drie zonen van Willem. Hij studeerde aan de Technische Universiteit in Zürich en kwam automatisch in de zaak van zijn vader terecht, net als zijn broer Albert. In 1951 namen zij de leiding over. Zij haalden al na twee jaar een buitenstaander in de directie met de econoom Frans Savenije. In datzelfde jaar werd de Cleopatra gelanceerd, het eerst klassieke bed van Auping, waarvan 1,3 miljoen exemplaren werden verkocht. Savenije werd in 1966 na het opstappen van Albert Auping algemeen-directeur. Leo Auping concentreerde zich op de technische kant van het bedrijf. In 1973 ontwierp Frans de la Haye op zijn verzoek het bedmodel Auping Auronde, dat met achterwand en verschuifbare kastjes en tafeltjes het succesmodel van de fabrikant werd. Van het bed werden meer dan één miljoen exemplaren verkocht.
Auping breidde na het vertrek van Leo Auping in 1976 de collectie snel uit met nieuwe ontwerpen en nam ook een boxspringfabriek over waardoor het de grootste beddenfabrikant van Nederland werd. De familie maakt in de raad van commissarissen nog de dienst uit. Leo Auping was zelf in 2008 voor het laatst op het bedrijf toen hij ter gelegenheid van het 120 jarig bestaan het gedenkboek van de Stichting Industrieel Erfgoed Deventer (SIED) over het bedrijf kreeg overhandigd.
(4-10-2011)


Frans Nypels (1937-2011)

Getrouwd met de krant

Peter de Waard

‘Je bent getrouwd met de krant en je gaat vreemd met je vrouw’, zei Frans Nypels. Het liefst was hij eigenlijk in het harnas gestorven, maar De Telegraaf zette deze eigenzinnige journalist veertien?jaar geleden al buiten de deur als hoofdredacteur van het Haarlems Dagblad, hoewel hij deemoedig de gang naar de Basisweg had gewaagd om respijt te krijgen.
Nypels, die op 10 september op 74-jarige leeftijd overleed, begon zijn carrière als sportjournalist op de Rotterdamse redactie van de toen net gefuseerde katholieke kranten De Tijd De Maasbode. Hij verwierf vooral faam toen hij van de Haagse Post in de jaren zeventig het meest vernieuwende opinieblad maakte. Hij schreef vele artikelen – en ook boeken – met onder meer Kees Tamboer en Flip de Kam.
Frans Nypels werd vlak voor de oorlog geboren in Alkmaar, waar zijn vader een herenmodezaak had (hij zou zelf nog twee textielbrevetten halen) en volgde een opleiding aan de handelsschool. Zijn eerste baan was die op de advertentieafdeling van De Tijd, waar hij ook zijn echtgenote Marianne van den Raadt leerde kennen, met wie hij in 1961 trouwde.
Al snel stapte Nypels over naar de journalistiek. Hij werkte ruim een jaar voor het Noordhollands Dagblad in Alkmaar. Daarna stapte hij over naar De Tijd, dat de sportjournalistiek had vernieuwd met kleedkamerverhalen en artikelen over de maatschappelijke kant van sport. Nypels was een voorloper in het schrijven over het dopinggebruik in de wielrennerij.
In 1969 kwam hij bij de Haagse Post terecht, waar hij vooral over sociaal-economische onderwerpen ging schrijven. ‘Nypels was de motor en het hart van die redactie’, zegt Kees Tamboer. Toen Boebi Brugsma opstapte, was hij de man om hoofdredacteur te worden. Nypels weigerde. Hij wilde liever schrijven. Nypels was een van de eerste die de oplopende kosten van de verzorgingsstaat signaleerde, waarmee hij zich de woede van de vakbonden op de hals haalde.
In 1977 stapte hij over naar het Haarlems Dagblad – eerst als chef stadsredactie, vier jaar later als hoofdredacteur. ‘Hij vond dat hij te veel voor een selecte groep schreef, een soort Haagse grachtengordel’, zegt zijn vrouw. ‘Hij wilde meer mensen bereiken. Hij had er zelfs een lager salaris voor over.’
Het Haarlems Dagblad moest spraakmakend zijn, zowel in de regio als nationaal. Nypels wilde dat iedereen in simpele bewoordingen schreef voor de Henk en Ingrid van die tijd – Jan Modaal en Mien met de Bloemetjesjurk. Maar daarbij mochten wel de ingewikkeldste kwesties worden aangepakt. En zo lang daar de democratie een dienst mee werd bewezen, mochten de artikelen zo lang zijn als nodig. ‘Laat die orang-oetang met zijn scheermes uit de buurt van mijn verhaal blijven; elk woord is gewogen en het is door mij geautoriseerd!’, zei hij dan.
Spraakmakende journalistieke projecten mochten tijd en geld kosten, ook bij de regionale krant. ‘Ik ben geen chef ruitjespapier’, zei hij een keer toen iemand begon over budgetten. Hij stelde journalisten voor grote onderzoeksprojecten maandenlang vrij, zoals bij het onderzoek naar de dubbelspion King Kong. De speurtocht naar de Velsense oorlogsmisdadiger Abraham Kipp strekte zich uit tot Argentinië. Twee verpleeghuizen kregen in totaal zes maanden lang een journalist over de vloer om de werking van de zorg te doorgronden. Pim Fortuyn kreeg zijn eigen column, nog vóór hij in Elsevier verscheen.
Nypels zag zijn werk als een levensstijl. Hij beoefende die ongezond met stress, roken en drank. Zijn commentaar: ‘Als ik dood ga, heb ik twintig levens achter de rug.’
Bij zijn gedwongen afscheid in 1996 kreeg Frans Nypels bij het stadhuis een klinker in de straat – een ‘steen des aanstoots’ als aanmoediging aan regionale journalisten om kritisch te blijven op het stadsbestuur. De laatste veertien jaar woonde hij semi-permanent in Frankrijk, maar dat weerhield hem er niet van zijn licht over Nederland te laten schijnen.
(4-10-2011)


Frans Kordes (1926-2011)

Rekenmeester van de overheid

Peter de Waard

Toen Frans Kordes (CDA) in 1984 PvdA’er Henri Peschar opvolgde als president van de Rekenkamer was deze al druk bezig zich op de grote overschrijdingen van de rijksuitgaven te storten. Alleen lag hij jaren achter. Toen Kordes zelf in 1991 werd opgevolgd door Henk Koning (VVD) was de Rekenkamer bijna bij.
Kordes, die op 22 september op 84-jarige leeftijd overleed, maakte de Rekenkamer doelmatig en efficiënt. In zijn periode begonnen politici te vrezen voor dit hoge college van staat. ‘De Rekenkamer is niet het geliefde meisje van de politici’, erkende Kordes in zijn afscheidsinterview met de Volkskrant. ‘Maar we proberen ze te overtuigen dat ons onderzoek nuttig is.’
Kordes had geen boodschap aan smoezen van ministeries om onderzoeken op de lange baan te schuiven vanwege reorganisaties of staatsgeheimen. Hij wilde de cijfers hebben, zij het dat hij daar discreet mee wilde omgaan.
Aan de andere kant zocht de Rekenkamer tijdens zijn periode steeds vaker de publiciteit. Vier keer per jaar werden verslagen naar de media gestuurd, waarbij excessieve uitgaven van het Rijk aan de kaak werden gesteld.
De Rekenkamer was ook niet meer alleen de interne accountantsdienst van de regering. In opdracht van de Tweede Kamer ging de Rekenkamer tijdens de periode-Kordes onderzoeken doen naar onder meer de studiefinanciering, het Oosterscheldeproject en de paspoortenkwestie. Kordes liet zelfs onderzoeken of musea voldoende deden om zich tegen schilderijendiefstal te beschermen.
Kordes werd geboren in Rotterdam, waar zijn vader stationschef was. Tijdens de oorlog werd hij weggevoerd voor tewerkstelling in Duitsland maar wist als verstekeling op treinen via een omweg naar Nederland te ontsnappen. Na de oorlog besloot hij marine-officier te worden. Op de schepen werd hij al gauw de administrateur, wat hem ertoe bewoog in 1966 de overstap te maken naar het ministerie van Binnenlandse Zaken waar toen werd begonnen met automatisering.
In 1981 stapte hij over naar de Rekenkamer, waarvan hij drie jaar later president werd. Volgens de Rekenkamer ging bij hem veel aandacht uit naar de jaarverslagen. Niet voor niets is de jaarlijkse prijs voor het beste jaarverslag van Nederland in de (semi-)publieke sector naar hem genoemd: de F.G. Kordes-trofee.
Na zijn werk bij de Algemene Rekenkamer is Frans Kordes actief geweest in de archiefwereld als voorzitter van de commissie die Joodse tegoeden onderzocht. Ook was hij onder andere commissaris bij de Staatsloterij.
(28-9-2011)


Frans Drabbe



Peter de Waard

‘De vakbeweging moet elke dag laten zien waar ze voor staat. Anders zoeken leden hun heil ergens anders’, zei Frans Drabbe in zijn afscheidsinterview van de FNV in de Volkskrant, eind 1985
Frans Drabbe was secretaris en tweede vicevoorzitter van de FNV, maar iedereen kende hem in de jaren zeventig en tachtig als ‘de loondeskundige’. Veelvuldig stond zijn naam in de tweede regel van de openingen van de nationale en regionale bladen. Drabbe eist 2,5 procent. Drabbe tegen nieuwe loongolf.
Drabbe, die 22 september op 85-jarige leeftijd overleed, behoorde samen met voorzitter Wim Kok en Herman Bode tot wat toenmalig minister De Koning ‘de drie musketiers’ noemde. Zij gaven de bond na de fusie van NVV en NKV in 1976 meteen een gezicht. Drabbe was de strateeg naast de intellectueel Wim Kok en Herman Bode, de man van de werkvloer. Op zaterdag zat hij als loondeskundige vaker dan wie dan ook in het veelbeluisterde radioprogramma In de Rooie Haan waar hij zijn visie gaf op de cao’s waarover toen altijd wel werd geruzied. ‘Als er iemand van ons niet in dat programma zat, was het op maandag een discussiepunt.’ Een jaar na de oprichting van de FNV leidde hij de eerste grote actie ‘De FNV gaat niet opzij’ die meteen een groot succes werd.
Drabbe was een kleine donkere Zeeuw die met een ambachtsschool-diploma begon als leerlingbankwerker bij de scheepswerf De Schelde in Vlissingen. In 1958 werd hij districtsbestuurder van de NVV-bond Algemene Bedrijfs Centrale voor de drie zuidelijke provincies. Hij leidde namens het NVV de cao-onderhandelingen, waarbij niet werd geschroomd looneisen van meer dan 10 procent te stellen. Hij verwierf nationale bekendheid als actieleider bij de bezetting van de met sluiting bedreigde kunststoffabriek Enka in Breda in 1972. Een jaar later werd hij vicevoorzitter van het NVV en nam hij ook zitting in de Sociaal-Economische Raad, het symbool van het toenmalige Nederlandse overlegmilieu.
In 1976 kwam hij als secretaris in het bestuur van de nieuwe vakcentrale FNV. Hij ontwikkelde zich daar tot de realist die inzag dat grote loonstijgingen tot grote stijgingen van de werkloosheid leidden. Hij durfde als eerste FNV’er openlijk de automatische prijscompensatie ter discussie te stellen.
In 1982 was hij de naaste medewerker van Kok bij de totstandkoming van het zogenoemde Akkoord van Wassenaar, waarbij met de VNO afspraken werden gemaakt over loonmatiging. Het zou de basis worden voor het polderen. ‘We hadden dat echt niet in ons hoofd. We maakten ons alleen ongerust over de snel stijgende lonen en de stijgende werkloosheid.’ Na 1982 werd hij de belangrijkste pleitbezorger voor de 36-urige en later ook 32-urige werkweek.
Drabbe was een vasthoudend onderhandelaar maar had altijd oog voor goede verhoudingen met de sociale partners. Hij hekelde in een interview met de Volkskrant in 1984 het bezuinigingsbeleid van het duo Lubbers en Ruding, maar zei diplomatiek: ‘Ze liegen niet, maar ze verzwijgen wel zaken’.
Hij zou tot 1984 SER-lid blijven. Een jaar later ging hij met pensioen. Vlak voor zijn pensionering, op zijn 60ste jaar, had hij een gevaarlijke vaatziekte gekregen waardoor zijn voet dreigde te moeten worden geamputeerd. Hij bleef tot zijn 72ste jaar nog allerlei functies vervullen, zowel voor commissies binnen de FNV als bij de Postbank en de ING.
(27-9-2011)


Wim van Zijll (1916-2011)

Sportbobo uit de vakbond

Peter de Waard

Zijn bevlogen spreekstijl had hij van zijn vader – een bestuurder van de vakbond van metaalbewerkers. Wim van Zijll, de eerste directeur van het Nederlands Olympisch Comité (NOC) en de eerste algemeen secretaris van de Nederlandse Sport Federatie (NSF), was echter ook een vreemde eend in de bijt. In de jaren voor de oorlog en vlak na de oorlog was topsport nog een prerogatief van de elite en met name de aristocratie: mensen als ruiterkampioen Charles Pahud de Mortanges. Toen Van Zijll in 1947 solliciteerde voor de functie van directeur van het NOC was zijn concurrent een jonkheer. Van Zijll werd uitverkoren en werd later een van de belangrijkste vormgevers van de huidige Nederlandse topsport en recreatiesport.
Wim van Zijll, die op 18 augustus op 95-jarige leeftijd overleed, werd in Amsterdam geboren in een socialistisch nest van zes kinderen. Zijn vader verstond de kunst arbeiders van bedrijven als NDSM, Stork en Werkspoor op te roepen voor een staking, maar was ook in staat ze te laten afzien van actie.
Wim van Zijll bleek een uitstekende gymnast, die in de jaren dertig de kans kreeg naar de Academie voor Lichamelijke Opvoeding te gaan. Maar een topsporter werd hij niet. Zijn enige prestatie van formaat was de nationale handbaltitel met Niloc. Na zijn studie werd hij in 1937 eerst leraar lichamelijke oefening in Amsterdam. Vier jaar later verhuisde hij voor een nieuwe baan als consulent voor lichamelijke oefening naar Emmen. Hij werd ook gymleraar in Groningen, waar hij twee jaar later zou trouwen. Nadat hij in 1947 bij het NOC in dienst was gekomen, ging hij in Den Haag wonen, waar hij de rest van zijn leven niet meer zou weggaan.
Hij werd al gauw een drijvende kracht van de Nederlandse sportwereld. Hij wist dankzij goede contacten met de overheid de Dienst Uitvoerende Werken (DUW) te bewegen Nederland in de naoorlogse jaren te verrijken met talrijke zwembaden, atletiekbanen en sportvelden. Hij was drie maal chef d’équipe van de Nederlandse olympische ploeg: in 1948 in Londen, in 1952 in Helsinki en in 1956 in Melbourne. Vanwege een boycot moest hij bij de laatste Spelen tot zijn grote teleurstelling voortijdig terugkeren.
Hij stelde de Sportnota 1958 op, waarbij hij aan de regering zijn visie gaf op topsport, wedstrijdsport en recreatiesport. Dit document werd de basis voor de later door minister Cals gepubliceerde Nota Betreffende de Lichamelijke Vorming en Sport, waarin de rijksoverheid haar bemoeienis met de sport duidelijk maakte.
In 1959 werd besloten een nieuwe overkoepelende sportorganisatie op te richten, die naast de olympische sporten ook andere sporten kon vertegenwoordigen. Dit werd de Nederlandse Sport Federatie (NSF). Van Zijll werd de eerste algemeen secretaris.
Bij de NSF begon hij talrijke initiatieven. Al een jaar later werd de Nationale Sporttotalisator opgericht, waarbij Van Zijll bedong dat de baten niet alleen bij het topvoetbal maar bij de hele sport terechtkwamen. In 1961 werd besloten tot de aanleg van twee kunstijsbanen in Amsterdam en Deventer. Twee jaar later speelde hij een belangrijke rol bij de totstandkoming van Papendal. Hij verrichtte ook pionierswerk voor de maatschappelijke begeleiding van topsporters en droeg zorg voor de internationale contacten van de NSF. In de Nederlandse sportwereld genoot hij een groot gezag.
Van Zijll ging in 1980 met pensioen. Hij werd opgevolgd door Wim de Heer. Dertien jaar later zouden NOC en NSF samengaan in een bond NOC*NSF. Van Zijll zou in Den Haag daarna nog een tijdje het voorzitterschap van de schaatsbaan De Uithof vervullen en was als adviseur betrokken bij diverse projecten.
(27-9-2011)


Wim Doedel (1959-2011)

Beeldende spektakels als werk

Peter de Waard

Als een vrouw hem vroeg of hij voor haar of voor zijn werk koos, was het antwoord van Wim Doedel simpel: 'Ik kies voor mijn werk.'
Zijn werk was totaaltheater, of wat hij beeldende spektakels noemde. Hij bouwde installaties van jerrycans, olievaten, slijpschijven, stellingen, ijzer en schroot en veel vuur. Met zijn Compagnie Doedel trok hij daarmee door het land. Hij en zijn medewerkers klauterden op deze installaties naar boven en beneden, terwijl ze vuurpotten tot verbranding en ontploffing brachten. De spectaculaire performances waren soms de opening, maar vormden altijd een hoogtepunt van talrijke festivals. Hij had nog jaren door willen gaan, maar op zijn 51ste hield zijn hart op met kloppen. Doedel overleed op 21 augustus aan een versleten hart na zelf nog zijn groep te hebben zien optreden tijdens het later weggeblazen Pukkelpop.
Wim Doedel werd geboren in het Gelderse Elburg. Hij vormde met zijn broer Bert een eeneiige tweeling. Tot hun 18de waren de broers onafscheidelijk. Dat had er ook mee te maken dat het gezin vele malen verhuisde, omdat de vader als weg- en waterbouwkundige trok naar de plek waar het werk voorhanden was. Wim Doedel volgde de LTS en ging daarna enige tijd werken in de blindenzorg.
Op zijn 18de ging hij op kamers wonen in Vught en later Den Bosch. Hij ontmoette een vrouw die actief was als kunstenares. Samen begonnen ze sieraden en vitrinekasten te maken. Wim was een autodidact zonder enige opleiding in de kunst. Maar hij bleek talentvol te zijn en had ambitie. Toen er een ruimte vrij kwam in de Melkfabriek in Den Bosch besloot hij installatiekunstenaar te worden. Hij haalde allerlei rommel van de sloop en maakte daar grote installaties van. Het was daar dat Doedel in de ban kwam van primitieve materialen als hout, staal en vuur. Dankzij zijn LTS-achtergrond was hij kundig als metaalbewerker, houtbewerker en lasser. In de jaren negentig kreeg hij voor het theaterfestival De Boulevard in Den Bosch de kans zijn ideeën uit te werken. Doedel begon er in 1993 met twee kantelbare eettafels waaraan bezoekers konden eten. Tafels die hij in lichterlaaie zette. Hij werd vaste gast op het festival.
Maar de markt voor deze installaties is klein. Wim had een vaste relatie en ook een kind. Hij moest geld verdienen. In 1993 gaf hij zijn eerste grote performance aan de Boulevard in Den Bosch. In die tijd kwam hij in contact met Mark Romer. Samen besloten ze van deze performance een theatervoorstelling te maken onder de naam Compagnie Doedel, waarin ook muzikanten optraden - eerst een violiste en later een percussionist. Doedels performances werden steeds groter en spectaculairder. Hij smeedde vuur, chaos en duisternis samen tot een machine, rokend en vol brandende olie - bruisend als het leven zelf. Steekvlammen, ontploffingen, zwartgeblakerde trommelaars op oliedrums en stalen pijpen zorgden voor een bizarre, soms magische sfeer. Hoewel hij verschillende vaste relaties had, bleef Doedel privé een Einzelgänger. 'Onze karakters zijn hetzelfde, maar Wim was misschien was minder sociaal dan ik', zegt zijn broer Bert. 'Als Wim wat op zijn hart had, dan zei hij het meteen', aldus zijn partner bij Compagnie Doedel Mark Romer.
Na Den Bosch opereerde hij vanuit Gilze. In 2000 werd het voormalige luchtmachtdepot Buitenveld gekraakt door een groep kunstenaars waar Doedel bij hoorde. Hij werd de woordvoerder. Vanuit de 'Gilzer Vrijstaat' ontwikkelde hij zijn shows. Het bracht hem in conflict met de gemeente. Hij vond een nieuwe ruimte in Weeze over de Duitse grens en later in het Belgische Doel, waar hij overleed.
(20-9-2011)


Gerard Fokke (1924-2011)

Aalmoezenier van het circus

Peter de Waard

Van accountant werd hij een jezuïet en priester. Hij studeerde rechten, filosofie en theologie, promoveerde – met een proefschrift over Lof der Zotheid van Erasmus – om vervolgens aalmoezenier te worden van de kermisexploitanten en circusartiesten in Nederland. Tussendoor was hij handballer en bestuurder bij Hellas en reed hij drie keer de Elfstedentocht.
Weinig mensen hebben een zo kleurrijk leven als Gerard Fokke, die 16 augustus overleed aan een longontsteking. Zijn keuzen blijven ook voor zijn naaste omgeving ondoorgrondelijk. ‘Waarom
iemand na zeven jaar theologie te hebben gestudeerd kiest voor een aalmoezenierschap? Ik begrijp het niet’, zegt pater Van Gool, die hem de laatste twee jaar meemaakte in het verzorgingstehuis Berchmanianum aan de Houtlaan in Nijmegen. Ook zijn nicht Sylvia Donkers weet het niet: ‘Ik heb gemeend dat het beleid is geweest en dat hij dit deed in opdracht van de jezuïetengemeenschap.’
Gerard Fokke was de oudste zoon in een katholiek gezin in Den Haag met zes kinderen. Zijn vader was magazijnbediende, de familie had het niet breed. Op de lagere school was Fokke een briljante leerling. Zijn ouders wilden dat hij kon gaan studeren. Na het gymnasium B-diploma op het Aloysiuscollege te hebben behaald, kreeg hij een beurs, waardoor hij rechten kon studeren.
Als net afgestudeerd jurist trok hij eerst voor het avontuur naar Noorwegen. Na een tijdje kwam hij terug, werkte een blauwe maandag bij een verzekeraar en emigreerde in de jaren vijftig, na een verbroken verloving, naar Canada. Hier volgde hij nog twee universitaire studies waarna hij ging werken als ‘chartered accountant’. In Toronto trad hij ineens toe tot de orde der jezuïeten. Hij keerde terug naar Nederland en werd daar in 1967 tot priester gewijd.
In 1970 begon hij zijn studie kerkgeschiedenis aan de Universiteit van Leuven. Hij deed er zeven jaar over en haalde magna cum laude zijn doctoraal. Hij vestigde zich daarna in Brussel. Hij leek voorbestemd om les te geven aan een theologische hogeschool of een hoog ambt in de katholieke kerk te gaan vervullen. Hij had interesse in de rol van de kerk in de veranderende maatschappij, maar was niet de studeerkamerintellectueel die zich graag opsloot met een boek.
Hij was erg maatschappelijk betrokken en hield van mensen om zich heen. ‘Het mooie was dat hij met alle mensen die hij in zijn leven ontmoette contacten bleef onderhouden’, zegt zijn nicht.
In 1977 volgde zijn aanstelling als landelijk aalmoezenier voor kermisexploitanten en circusartiesten. Hij vestigde zich in Zeist. Hij kreeg als dank onder meer de gouden erespeld van de kermisbedrijfshouders. Hij zou zijn functie tot zijn pensioen in 1991 blijven vervullen. Later was hij nog jarenlang als pastoraal werker actief.
Fokke was een echte sportman. Hij speelde handbal op het hoogste niveau bij Hellas in Den Haag in de tijd dat nog met een elftal op het veld werd gespeeld in plaats met zijn zevenen in een zaal. Hij zou erelid worden van Hellas, waar hij door een oom naartoe was gehaald. ‘Bij Hellas was zijn vaste vriendenkring’, zegt zijn nicht. Ook reed hij drie keer de Elfstedentocht. In 1978 zat hij in het openingsfilmpje van Studio Sport: ‘Zelfs de paterjezuïet sport!’
Na zijn 80ste begon hij te sukkelen met zijn geestelijke gezondheid, waardoor hij, na tussenstops in Den Haag en Utrecht, in een verzorgingstehuis in Nijmegen terechtkwam.
(13-9-2011)


Tony van Leer

Leven in dienst van Albert Schweitzer

Peter de Waard

'Als Albert Schweitzer nog had geleefd, zou hij niet naar het oerwoud zijn gegaan, maar naar de slums', zo zei ze een keer. Tony van Leer was jarenlang verpleegster bij de fameuze theoloog, arts, zendeling, filosoof en musicus Albert Schweitzer. Met hem verbleef ze in Lambaréné, het toenmalige Frans Equatoriaal Afrika dat nu in Gabon ligt. Hier had Schweitzer in 1928 zijn oerwoudziekenhuis gebouwd waarin hij zich bezighield met de hulp aan lepra-patiënten.
Nadat Schweitzer in 1965 was overleden, wijdde Van Leer zich aan het behoud van zijn levenswerk. Zij verzamelde de nalatenschap van Schweitzer, waaronder de vele brieven, en hielp met het inrichten van Schweitzers huis in Günsbach in de Elzas tot een museum.
Van Leer overleed op 30 juli op 92-jarige leeftijd in Heelsum. Haar crematie vond in stilte plaats na een afscheidsdienst onder leiding van de dichter-predikant Hans Bouma.
Schweitzer - neef van de filosoof Jean Paul Sartre - was van origine muzikant. Hij blonk vooral uit als Bach-vertolker. Maar toen hij las over de totale afwezigheid van medische zorg in koloniaal Afrika besloot hij medicijnen te gaan studeren. In 1913 vertrok hij naar Lambaréné om daar van de opbrengsten van zijn concerten een ziekenhuis op te zetten. Oorlogen en de crisis maakten zijn werk moeilijk. Maar in 1928 was het ziekenhuis voltooid en zou hij daar duizenden operaties uitvoeren.
Al gauw groeide dit ziekenhuis uit tot een soort stad. Afrikanen kwamen ernaartoe en bouwden om het ziekenhuis hun hutjes. De verschillende stammen kregen allemaal hun eigen nederzetting. Er liepen dieren rond en er werd handel gedreven.
Van Leer werd geboren in Amsterdam, waar haar vader advocaat was. Ze volgde een opleiding als verpleegster en werkte daarna in diaconnessenziekenhuizen in Amsterdam en Naarden. De predikante in het laatstgenoemde ziekenhuis bracht haar in contact met Schweitzer. In 1951 kreeg ze een brief uit Gunsbach in de Elzas om te komen solliciteren. Ze werd door Schweitzer zelf in dienst genomen en kreeg zelfs het aanbod van Schweitzer om met hem mee te reizen naar Lambaréné - twee jaar voordat Schweitzer de Nobelprijs voor de Vrede zou krijgen. Op dat moment werkten in het oerwoudziekenhuis vier artsen en acht verpleegsters, onder wie, naast Tony van Leer, nog twee Nederlandse vrouwen: Maria Lagendijk en Ali Silver. Schweitzer had een speciale band met Nederland, hetgeen hij onderstreepte door in 1952 via de VPRO-radio het Nederlandse volk toe te spreken.
Tony van Leer werd al gauw een van zijn naaste vertrouwelingen. Zij kreeg in 1957 onder meer de opdracht zijn ernstig zieke vrouw Helene Schweitzer te begeleiden van Lambaréné naar Zürich, waar ze stierf in een ziekenhuis.
In 1960 moest Van Leer om gezondheidsredenen terugkeren naar Europa. Nadat ze korte tijd weer in Naarden werkte, kreeg ze het aanbod om de zorg op zich te nemen van Schweitzers huis in Gunsbach. Dat zou ze negentien jaar doen, waarbij ze onder meer trachtte zijn volledige correspondentie van zestigduizend brieven bij elkaar te krijgen. Uiteindelijk kwam ze in 1979 - 'Je wordt nooit echt geaccepteerd door de Fransen' - terug naar Nederland, waar ze in de buurt van een jeugdvriendin in Heelsum ging wonen. In haar gedachten bleef ze echter de rest van haar leven bezig met de periode dat ze voor Schweitzer in Afrika had gewerkt. 'Tot een maand voor haar dood, viel de naam Schweitzer nog elke dag', aldus een vriendin.
(6-9-2011)


Piet Stoffelen (1939-2011)

Verslaafd aan de politiek

Peter de Waard

‘Politiek is een verslaving en je weet dat het slecht voor je is. Een hondebaan, maar wel een verrukkelijke hondebaan’, zei Piet Stoffelen bij zijn afscheid van de Tweede Kamer in 1994. Hij vond het verschrikkelijk dat hij de Kamer zou moeten verlaten, omdat de partij liever een jongere vrouw op die positie wilde.
Liefst 23 jaar was Piet Stoffelen toen al Tweede Kamer-lid voor de Partij van de Arbeid lid geweest. Daarna zou hij ook nog enkele jaren voor deze partij deel uitmaken van de Eerste Kamer. ‘De politiek bleef hem tot op de dag van zijn dood fascineren’, zegt zijn echtenote.
Piet Stoffelen overleed op 4 augustus. Hij behoorde tot de generatie van politici die opereerde in een periode dat de politiek er nog toe deed. Hij was Kamerlid in een tijd dat partijleider Joop den Uyl zijn gevolg tot de totale fysieke uitputting bracht. Na een van die marathonsessies viel Stoffelen in zijn auto in slaap en belandde ’s nachts om twee uur in de vangrail op de terugweg naar zijn woning in Ouderkerk aan de Amstel.
Stoffelen werd in 1939 geboren in Oldenzaal, waar zijn vader accountant was. Hij had een veel oudere zus. Al op zijn 17de ging hij al het huis uit om rechten te gaan studeren in Utrecht. Toen hij zijn moeder belde dat hij zijn kandidaats had gehaald kreeg zij aan de telefoon plotseling een hersenbloeding. Het werd voor hem een van de grote tragedies die zijn karakter vormde – een degelijke integere man die zelden de grote grappenmaker uithing. Zijn moeder overleed en niet veel later ook zijn vader.
In Utrecht ontmoette hij ook zijn latere echtgenote Annie Miggelbrink. Na trouw de dienstplicht te hebben vervuld trad hij in 1964 als ambtenaar in dienst bij de gemeente Enschede, waar toentertijd de PvdA’er Wim Thomassen de burgemeester was. Stoffelen zelf was toen ook al PvdA-lid geworden, hoewel hij niet uit een rood nest afkomstig was. Hij besloot snel bij de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA, te gaan werken. In 1967 verhuisde hij naar Ouderkerk aan de Amstel, waar hij raadslid werd. In 1971 werd hij kamerlid voor de PvdA. Stoffelen was in de partij de man van het midden. Hij behoorde niet tot nieuw links van mensen als André van der Louw die de maatschappij totaal op de kop wilde zetten noch tot de rechtervleugel die niets daarvan wilde weten. In zijn eerste jaar mocht hij samen met Ko Wieringa (een latere burgemeester van Enschede) de verdediging op zich nemen van een ingrijpend voorstel voor de wijziging van de onteigeningswet. Het voorstel zou twaalf jaar later als onhaalbaar worden ingetrokken. Den Uyl droeg Stoffelen al snel een warm hart toe. Hij wilde hem in 1977 bij de kabinetsformatie benoemen tot staatssecretaris, maar een etentje tussen Wiegel en Van Agt stak daar een stokje voor. In 1981 was hij opnieuw in beeld voor deze post, maar nu eiste PvdA-voorzitter Max van der Berg dat een vrouw zou worden benoemd.
Stoffelen bleef het overijverige kamerlid dat zich vooral geducht weerde in de debatten over de bestuurlijke vernieuwing en reorganisatie van de politie. Zijn samen met de CDA'er Vincent van der Burg ingediende initiatiefwetsvoorstel om een parlementaire minderheid het recht van enquête te verlenen, werd door de Eerste Kamer verworpen. In de Raad van Europa brak hij een lans voor de verdediging van de burgerlijke vrijheden in Europa en bleef hij zich verzetten tegen voorstellen voor de verjaring van oorlogsmisdaden. Een jaar later moest hij op de kandidatenlijst van de partij plaatsmaken voor de voormalige politie-agenta Gerda Dijksman . Behalve Commandeur in de Orde van Oranje Nassau kreeg Stoffelen ook een belangrijke Spaanse onderscheiding vanwege zijn strijd voor de mensenrechten in Latijns-Amerika. Hij werkte nog korte tijd voor de directie politie van het ministerie van Binnenlandse Zaken en was daarna nog drie jaar lid van de Eerste Kamer. Hij verhuisde naar Hillegom om dichter bij Den Haag te kunnen wonen en niet zo veel last te hebben van het vermoeiende reizen.
(30-8-2011)


Henk Alkema (1944-2011)

Componist met vijf poten

Peter de Waard

Henk Alkema was geen workaholic, hoewel je dat zou denken gezien alle dingen die hij heeft gedaan: kamermuziek, balletmuziek, opera’s, filmmuziek, symfonische muziek, theatermuziek, songs, liederencycli en muziek voor symphonic band en Fanfareorkest . ‘Hij kon heel gedisciplineerd werken, maar kon ook goed stoppen als hij dacht dat het geen zin meer had en het niet beter werd’, zegt zijn partner, de celliste Anna Schweizer.
Hij was gefascineerd door spiritualiteit, astrologie en religie zonder een bepaalde geloofsrichting aan te hangen. Hij overleed op 4 augustus na een lang ziekbed als een diepgelovig mens. Zijn laatste grote werken – de opera Lou de Palingboer en het oratorium Job beide op een libretto van Peter te Nuyl – heeft hij niet kunnen voltooien.
Alkema heeft veel betekend voor de Nederlandse muziek. Hij werd in 1944 geboren in Harlingen in een gezin van drie kinderen. Al jong stierf zijn vader. Thuis werden de kinderen door de moeder met muziek opgevoed. Henk bleek al snel zo talentvol dat hij piano mocht studeren aan het Koninklijk Conservatorium te Den Haag bij Léon Orthel. ‘Ik ontdekte dat er twee soorten studenten waren in die tijd: de tonalen en de dodecafoniërs of met andere woorden er waren studenten die een mening hadden hoe muziek zou moeten klinken en studenten die gewoon muziek maakten. Ik werd bij een van de clubjes uitgenodigd waar mijn composities werden gecheckt op zuiverheid in de leer. Ik kreeg te horen dat ‘het klopte’, maar uit mijn ervaring met het protestantese geloof in Harlingen wist ik hoe voorzichtig je moest zijn met dingen die kloppen.
Vanaf 1976 volgde Alkema ook lessen als orkestdirigent bij ondermeer Zolt Deaky en Huub Kerstens. Behalve in klassieke muziek was hij geïnteresseerd in jazz. Samen met de vibrafonist Lodewijk Bouwens richtte hij het Lody Bouwens-Henk Alkema kwart et op. Hij was ook pianist van de befaamde Chris Hinze Combination met wie hij een aantal LP’s maakte. Hoewel Alkema zich al op jeugdige leeftijd met componeren bezighield, begon het pas echt vorm aan te nemen toen hij in 1970 bij de omroepen terecht kwam als studiopianist, componist en arrangeur. Hij speelde vaak in het Metropoolorkest en trad op als solist. Van 1979 tot 1984 componeerde hij in opdracht van de AVRO muziekraadsels voor het radioprogramma Op een klein stationnetje, een kinderprogramma over klassieke muziek . Hij componeerde samen met Edwin Rutten symphonische kindermuziek. Alkema was eveneens gefascineerd door theater. Hij was mede-oprichter en componist/pianist van de Theatergroep Honoloeloe en was huiscomponist van zowel het Amsterdamse theatergezelschap Sater en het Arnhemse gezelschap Theater. Samen met Hans Tuerlings maakte hij ook een aantal balletten, waarvan Suske en Wiske en QuaQuaraQua de bekendste zijn, en de opera’s Bonifacius (1250 jaar sinds de moord op Bonifacius in Dokkum in 2004) en Rixt (vanwege de opening van Stadsschouwburg de Harmonie in Leeuwarden in 1995). Hij dirigeerde koren (Sneker Cantate Koor en Concordia te Leeuwarden) en was enige jaren vaste dirigent van het Frysk Blazers Ensemble. Hij schreef de muziek voor voor de televisiefilms Klaaglied om Agnes en De moeder van David S.
In 1978 werd hij docent op de Muziek Pedagogische Academie te Leeuwarden en in 1983 docent op het Utrecht Conservatorium. Hij bracht zijn lessen met humor en ironie. Toen een student vroeg: ‘Hoe zou het klinken als ik hier een altviool met een fluit schrijf? antwoordde hij: ‘Nou, als een altviool en een fluit...’ Tot zijn pensionering in 2007 was hij hoofdvakdocent compositie aan het Utrechts Conservatorium.
(23-8-2011)


Cees de Wolf (1945-2011)

Een moment van roem

Peter de Waard

‘En een doelpunt. Ik weet niet op dit moment wie hem gemaakt heeft. …….Het was een kopbal na tweeënhalve minuut……Als ik mij niet vergis was het de invaller De Wolf.’
Het zijn nu legendarische woorden van wijlen Herman Kuiphof die zelf compleet werd overvallen door het snelle doelpunt in de befaamde mistwedstrijd op 7 december 1966 voor de Europacup waarbij Ajax met 5-1 won van het favoriete Liverpool. Het was het moment uit het leven van de toen 19-jarige Cees de Wolf uit Purmerend die als invaller van Piet Keizer, die zijn enkel met een potje tafeltennis had geblesseerd, zijn debuut maakte en bij zijn eerste balcontact een voorzet van Sjaak Swart inkopte. De geheel in het wit geklede Ajacieden waren compleet onherkenbaar in de dichte mist die hing in het Olympisch Stadion. 'Alleen de mensen achter het doel hebben mijn doelpunt gezien, zo mistig was het die avond in het Olympisch Stadion', zei Cees de Wolf later.
Na zijn moment van roem ging het meteen bergafwaarts met zijn carrière. ?Cees de Wolf was een feestbeest die niet de juiste instelling had voor topsport en soms zelf zonder zijn voetbalschoenen op de training kwam. Een jaar geleden werd een kwaadaardige tumor geconstateerd in zijn dikke darm. Hij kreeg een stoma maar er bleken al uitzaaiingen te zijn naar diverse organen. Hij overleed op 21 juli in zijn eigen Purmerend.
Hij werd geboren in een echt katholiek gezin van acht kinderen. Zijn vader verplichtte hem te gaan spelen bij het kleine RK Purmerend. Hij was een bijzonder talent en wilde op zijn 12de jaar de overstap maken naar het neutrale Purmersteijn dat op een hoger niveau acteerde. ‘Hij was de oogappel, dus dat mocht. Maar het zal ruzie thuis geweest zijn’, zo denkt zijn dochter Natasja. In het seizoen 1962/63 maakte hij zijn debuut in het eerste zondagsteam van Purmersteijn dat toentertijd in de Eerste Klasse A van de KNVB – toen nog de hoogste klasse van het amateurvoetbal- uitkwam. Een jaar later werd Purmersteijn kampioen van die klasse. De Wolf scoorde als linkbuiten in de beslissende wedstrijd tegen OSV uit Oostzaan. Aan het einde van het seizoen tekende hij een contract bij Ajax.
Ajax had echter al de formidabele Piet Keizer. De Wolf zou daar geen kans krijgen. Tot de dag voor de wedstrijd tegen Liverpool. ‘Piet heeft een zeer poot’, zei Michiels tegen De Wolf. ‘Jij speelt’.
De zondag na de mistwedstrijd stond De Wolf opnieuw in de basis van Ajax met grootheden als Cruyff, Swart, Nunninga, Muller en Henk Groot. Maar hij speelde slecht. Hij zou nog twee keer een kans krijgen van Rinus Michiels waarna hij in de zomer van 1967 werd verkocht aan Haarlem, waar Barry Hughes toen trainer was. Hughes wilde ook de feestneus wel opzetten, maar De Wolf zat bij de roodbroeken meer aan de bar dan dat hij trainde op het veld. Hij speelde daarna nog voor Blauw-Wit, Dallas Tornados in Amerika en KV Mechelen. ‘Hij kreeg een ton salaris bij KV?Mechelen. Dat was een topcontract. Maar het geld braste hij er binnen no time doorheen’, aldus Natasja die daar werd geboren.
Na zijn voetballoopbaan keerde hij weer terug in Purmerend. Kort daarna begon hij een café in Medemblik. Hij ging met zijn gezin boven het etablissement wonen en speelde voor de lokale vereniging MFC. In 1973 scheidde hij van zijn vrouw, stopte met het café en begon in Purmerend een montagebedrijf dat nu nog bestaat als De Wolf Bouwgroep. Hij speelde ook nog bij IVV in Ilpendam en ZOB in de Beemster, maar keerde uiteindelijk terug bij zijn oude liefde Purmersteijn. ‘In het tweede elftal stak hij zelfs na korte en natte nachten met kop en schouders boven zijn medespelers uit. Ik kan me nog herinneren hoe hij heupwiegend en met de broek op de enkels over de bar van de kantine van Limmen paradereerde, de kantinedames in verwarring achterlatend’, zegt Ruud Luiks die het jubileumboek over de club samenstelde. Toen hij de voetbalschoenen aan de wilgen had gehangen, bleef hij bij de club als elftalbegeleider, sponsor en trouw supporter. Boy, zijn zoon uit het tweede huwelijk, speelde ondermeer nog bij FC?Volendam en Omniworld. Op zondag was Cees de Wolf altijd rond het veld van Purmersteijn te vinden met zijn cowboyhoed, glas bier en shaggy, waarbij hij aan ieder die het wilde horen de verhalen vertelde over dat ene doelpunt dat niemand had gezien.
(16-8-2011)


Wiek Röling (1936-2011)

Bewaker van de stad

Peter de Waard

De stad Haarlem heeft misschien dankzij de inspanningen van stadsarchitect Wiek Röling meer kunnen behouden van het verleden dan andere Nederlandse steden. Maar toch had het ook in Haarlem volgens Röling beter en structureler gekund. Nu dreigen oude wijken van Haarlem die nog door Röling in de jaren zeventig en tachtig veilig konden worden gesteld, alsnog te sneuvelen en plaats te moeten maken voor nieuwbouw.
Wiek Röling overleed 14 juli op 75-jarige leeftijd aan de gevolgen van hersentumor die in september vorig jaar bij hem werd geconstateerd. Hij was een van de bekendste Nederlandse architecten die zijn hele werkzame carrière vocht voor het behoud van een herkenbare stad en groene ruimtes in het land.
Röling werd geboren in Utrecht als zoon van de rechter en voortrekker van de polemologie prof. B.V.A. Röling. Hij was de tweede in een gezin van vijf kinderen die allemaal een artistieke inslag hadden. Zo werd zijn zus Jet Röling pianiste en zijn broer Matthijs Röling kunstschilder. Tijdens de oorlog vluchtte het gezin naar Zeeland en daarna naar Groningen waar Wieks vader hoogleraar werd aan de universiteit. Zelf maakte hij daar de middelbare school af, voordat hij architectuur ging studeren in Delft. ‘Hij was toen al gefascineerd door bouwwerken die hersteld moesten worden zoals bijvoorbeeld een afgebrande boerderij die hij ooit in Friesland zag ’, aldus zijn latere vrouw Marijke Don.
Wiek Röling behoorde tot de opstandige generatie van de jaren zestig die zich afzette tegen de bestaande conventies. Zijn huwelijk met zijn eerste vrouw zou worden voltrokken door de vermaarde provo Luud Schimmelpennink, de bedenker van het witte fietsenplan. Tijdens de bezetting van het Maagdenhuis liep de enige (telefoon)verbinding met de buitenwereld via Rölings bureau, dat was gevestigd boven de door hem en Patrice Girod verbouwde Atheneumboekhandel en het Atheneumnieuwscentrum aan het Spui, waar rond het Lieverdje de vele provobijeenkomsten werden gehouden.
Voordat hij was afgestudeerd ging hij eerst werken bij Openbare Werken in Amsterdam, waar hij zich enige tijd later vestigde als zelfstandig architect. Nadat hij was afgestudeerd werd hij in 1970 als stadsarchitect in Haarlem benoemd - de enige gemeente die toentertijd een stadsarchitect in dienst had. Hij was de opvolger van Nico Andriessen.
Het was de periode van de stadsvernieuwing. In vele steden werden de arbeiderswijken rond het centrum gesloopt. In Haarlem was daar ook al mee begonnen, maar Röling wist met steun van burgers een volledige kaalslag te voorkomen. ‘Hij wilde dat mensen die jaren lang rond het centrum gewoond hadden niet plotseling naar de buitenwijken werden verbannen. Zoals hij ook zijn best deed het centrum herkenbaar te houden voor de inwoners van de stad, door afbraak te voorkomen, nieuwe functies te zoeken voor panden die daartoe verbouwd konden worden. Hij streefde naar zoveel mogelijk restauratie en/of renovatie van panden in de binnensteden. Dit beleid werd en wordt door veel inwoners gewaardeerd’, zegt zijn vrouw. In zijn tijd werd het centrum van Haarlem het eerste beschermde stadsgezicht van Nederland.
Hij was om dit te bereiken ook jarenlang lid van de Monumentenraad. Naast bescherming en behoud van het oude wist hij te bereiken dat ook moderne monumenten uit de twintigste eeuw op een beschermende lijst kwamen te staan, zodat afbraak daarvan moeilijker werd. Reeds voor zijn benoeming als stadsarchitect werkte hij samen met beeldend kunstenaar Jan Dibbets aan de vormgeving van een nieuwe stadswijk van Schalkwijk, Haarlem. Als stadsarchitect beijverde hij zich voor een experimentele nieuwe uitbreiding: de Zuiderpolder.
Hij wees hoogbouw in de buitenwijken van steden niet af. De Randstad zou zich in zijn visie moeten ontwikkelen tot een Bandstad rond het Groene Hart, een lint van geconcentreerde bebouwing, verbonden door hoogwaardig openbaar vervoer met onderbrekingen naar natuurgebieden daarbuiten, zoals de duinen.
In Haarlem ontwierp hij ook zelf, onder meer. woningen en scholen en de bekende muziekkoepel in de Haarlemmerhout.
Maar hij liet zich niet weerhouden ook andere projecten aan te pakken, zoals woningen en ecologisch en pedagogisch verantwoorde scholen in Delft en Leiden, en zijn meesterwerk, het drijvende beeldenpaviljoen van Sonsbeek (1986) in Arnhem waarvan de herbouw nu door een naar hem genoemde stichting wordt aangepakt.
In 1988 werd hij (deeltijd)hoogleraar ‘Ontwerpen Gebouwen’ in Delft. Hij wilde zijn kennis en gedachten doorgeven en die baan gaf hem ook de tijd om te publiceren. Na zijn emeritaat in 2001 schreef hij in 2004 samen met de toenmalige Rijksbouwmeester Jo Coenen een standaardwerk over het behouden van Rijksgebouwen, getiteld Gesloopt, gered, bedreigd. Ook was hij actief in de Stichting Gras en Wolken die streed voor het behoud van ’t Groene Hart. Daarnaast hield hij zich bezig met het ontwerpen van diverse bruggen in Utrecht en het ontwerp van een nieuwe inbouw voor de katholieke kathedraal van Casablanca om daar theatervoorstellingen en concerten te kunnen geven, waarvoor hij veel naar Marokko reisde.
(9-8-2011)


Hoss van Hardeveld (1945-2011)

Een van de beste bassisten

Peter de Waard

De Volendamse Cats waren eind jaren zestig misschien de bekendste band van Nederland. De zang is onmiskenbaar Volendams maar de muziek van de eerste palingsound zou in de studio van Bovema zijn ingespeeld door Pierre van der Linden (drums), Jan Akkerman (gitaar) en Hoss van Hardeveld (bas). Van der Linden en Akkerman waren bekend geworden met Focus, Van Hardeveld met de groep Unit Gloria. De grootste hit van de laatste, The Last of The Seven Days uit 1969, is nog altijd te horen in de laatste week van het jaar op Radio 2, als de Top-2000 wordt uitgezonden. Van Hardeveld was het muzikale brein van deze groep, die met Robert Long en Bonnie St. Claire vele hits scoorde.
Van Hardeveld is op 5 juli op 66-jarige leeftijd overleden aan de gevolgen van kanker, die zeven jaar geleden bij hem werd ontdekt. Hij laat een vrouw en drie kinderen achter.
Hoss van Hardeveld wordt geboren aan de Catherinasingel in Utrecht, waar zijn vader een delicatessenzaak runt. Muziek wordt hem met de paplepel ingegoten. Zijn ouders stimuleren hem pianoles te nemen. Hij raakt al gauw verslingerd aan de gitaarmuziek van The Shadows. De echte popscene is begin jaren zestig echter te vinden in Den Haag. Van Hardeveld vindt daar emplooi bij The ­Sioux en de John Russell Band, waarmee hij in het voorprogramma van het legendarische Beatles-concert in Blokker optreedt.
In Utrecht ontmoet hij ondertussen de gebroeders Hol. Samen met Ad Hol ontwikkelt hij in 1965 plannen om een eigen Utrechtse band op te richten. Een jaar later komt Gloria tot stand met naast Hardeveld (bas en toetsen) en Ad ‘Mouse’ Hol (gitaar, zang) ook diens broers Gerrit ‘Meep’ Hol (drums) en Geert Hol (zang). De laatste wordt een jaar later vervangen door de uit Veenendaal afkomstige Robert Long. In 1968 neemt de groep zijn eerste single op, So it Goes, die wordt geproduceerd door George Kooymans van Golden Earring. Maar het succes komt pas een jaar later, als Bobby Graham het nummer The Last Seven Days voor de groep produceert.
Hoss Hardeveld gebruikt daarbij als eerste basgitarist in de wereld een wah-wahpedaal, waarmee een zeer specifiek geluid kan worden gecreëerd. Het nummer haalt niet alleen de top van de Nederlandse hitparade, maar ook die in België, Duitsland, Italië, Spanje, Frankrijk, Zwitserland en zelfs Engeland. Om de groep meer kans te geven in de Verenigde Staten, wordt de naam veranderd van Gloria in Unit Gloria. De band treedt onder die naam een week lang op in het Hollywood Palladium aan Sunset Boulevard. Om de concerten precies op de plaatmuziek te laten lijken, ontwikkelt Hardeveld een nieuw soundsysteem dat partijen weergeeft die niet live kunnen worden uitgevoerd.
Na The Last Seven Days scoort Unit Gloria hits met Our Life, Wild Bird, Our Father en Back in the Sun. Daarnaast maakt de band onder inspiratie van Hardeveld in die tijd de jingles voor de radiopiraat Veronica. Met de langspeelplaat Ultrajectum wordt in 1971 het accent meer verschoven naar rock, niet Hardevelds favoriete genre. Een jaar later kiest Robert Long voor een solocarrière. Zijn plaats wordt ingenomen door de Amsterdamse zangeres Bonnie St. Claire, met wie de groep hits scoort als Clap Your Hands And Stamp Your Feet en Waikiki Man. Hardeveld verlaat de band in 1974. Hij gaat werken in de zaak van zijn vader en wordt studiomuzikant. In de jaren daarna concentreert hij zich meer en meer op zijn favoriete Shadows-muziek. Hij speelt in bands als The Black Albinos, The Dakotas en Seaside Shadows. Veel succes heeft hij met FBI, waarmee hij in de jaren tachtig in Ahoy speelt tijdens de Lee Towers-concerten.
(2-8-2011)


Willem Geenen (1954-2011)

Een bourgondiër met een zakelijk talent.

Peter de Waard

Als hij een week met familie of vrienden op reis was, vierde Willem (roepnaam Wim) Geenen drie keer zijn verjaardag. Zo leerde hij vele mensen Lang zal hij leven in verschillende talen zingen. Wim Geenen was de ultieme bourgondiër - een echte Limburger die genoot van het leven. Hij werkte zijn hele leven bij de familiebrouwerij Lindeboom, waarvan hij sinds 1998 de algemeen directeur was. Op 1 juli overleed hij op pas 56-jarige leeftijd aan de gevolgen van longkanker. Zijn broer en mededirecteur Ben Geenen was in 1998 aan dezelfde ziekte overleden op nog veel jongere leeftijd.
Wim en Ben waren de vierde generatie van het illustere brouwerijgeslacht in Neer. De Lindeboom werd in 1870 opgericht door Willem Geenen die hiervoor toen toestemming had verkregen van Gedeputeerde Staten van het Hertogdom Limburg. De brouwerij werd opgezet in de schaduw van een statige linde in Neer. Willem Geenen verspreidde zijn bieren vooral in de regio Neer-Roermond, maar ook veel Maas-schippers die in de haven aanmeerden, namen een kratje mee, waardoor Lindeboom ook landelijke bekendheid kreeg. De tweede en derde generatie moderniseerden de brouwerij en gingen ook bier met ondergisting brouwen, het zogenoemde pils. Het afzetgebied werd verbreed tot Weert en Venlo.
Wims vader, ook Wim geheten, bouwde een nieuw brouwhuis en schakelde als eerste Limburgse brouwer over van de open gistkuip naar de gesloten-gisttankmethode. Eind jaren vijftig was hij gedwongen daardoor geld te lenen bij een bank, iets waar hij een grondige hekel aan had. Wim kreeg vier kinderen. De oudste dochter Marie-Louise werd president van de rechtbank in Arnhem, zoon Gé werd radioloog. De brouwerij werd uiteindelijk overgenomen door twee broers: Ben, geboren in 1949, en Wim, geboren in 1954. De rolverdeling was het resultaat van hun studies. Ben volgde de Economische Hogeschool in Tilburg en haalde daar zijn kandidaats economie. Hij werd de commerciële man. Wim, de jongste, ging naar de brouwerijschool Lievens in Gent en werd de technische man.
Lindeboom wist zich in de Limburgse regio goed te handhaven tussen de grote merken en zelfs marktaandeel te winnen in de vele cafés. In 1980 werd alleen nog pils, oud bruin en meibok gebrouwen. Maar in 1987 kwam Lindeboom met de Gouverneur en twee jaar later met de Meibock. Ook werd enige tijd Raaf pilsener gebrouwen uit ecologische grondstoffen. 'Wim was de bindende kracht in het bedrijf', zegt zijn oudste broer Gé. 'Hij kon goed met iedereen opschieten en wist mensen aan zich te binden.'
Na het overlijden van zijn broer Ben lukte het Wim als algemeen directeur de commerciële kant moeiteloos over te nemen. Tot ieders verrassing ging het al gauw nog beter met Lindeboom. Met de slogan 't Bier van Hier benadrukte hij het regionale karakter.
Wim Geenen stond bekend als een uitstekend redenaar die bestuursfuncties niet schuwde. Maar hij kon zich ook goed ontspannen met golf en vakanties. 'Wim was een markante persoonlijkheid die als geen ander kon relativeren en ons allen met een kwinkslag weer met beide benen op de grond deed belanden', werd gezegd op zijn begrafenis, waar talrijke vertegenwoordigers van schuttersgildes, harmonieën en ook vele café-eigenaren uit de omgeving naartoe kwamen.
Zijn zoon Bernd die nu nog studeert, zal ooit de brouwerij voortzetten, want Lindeboom Bierbrouwerij blijft een familiebedrijf.
(26-7-2011)


Mary Michon (1939-2011)

Strijder voor de oudere generatie

Peter de Waard

Ze was een socioloog die rondtrok door het land.’ Zo typeerde Paul Schnabel van het Sociaal-Cultureel Planbureau actrice, programmamaakster en schrijfster Mary Michon tijdens de afscheidsdienst. Zij overleed 21 juni op 71-jarige leeftijd na een complicatie bij een operatie. De laatste jaren ontpopte ze zich als een fanatiek voorvechter van de oudere generatie.
Michon maakte voor de IKON vele taboedoorbrekende programma’s, waarvoor ze ondermeer de Nipkow-schijf kreeg. Maar ze vond ook de lichtheid in het bestaan door de vele voorstellingen die ze zingend en tappend deed in het theater. Ze trad op in de beroemde Annie MG Schmidt-musical Heerlijk duurt het langst en de musicals van Jos Brink en Frank Sanders als Maskerade, Amerika, Amerika en Evenaar. Ook maakte ze deel uit van de jury van het Musical Awards Gala. Daarnaast was ze een bekend feministe.
Michon wordt geboren in een vrijzinnig gereformeerd gezin in Amersfoort waar haar vader schoolhoofd was. Als kind wordt ze door haar moeder veelvuldig meegenomen naar theater en film. Na de middelbare school besluit ze naar de kleinkunstacademie te gaan. In 1965 maakt ze haar debuut in Heerlijk duurt het langst. Maar ze heeft ook andere ambities. Vooral televisie fascineert haar. In 1969 wordt ze door de IKON aangenomen als programmamaakster. Met de Geloof-, Hoop- en Liefdeshow, gepresenteerd door Wim Neijman en geregisseerd door Fons Rademakers, zet Mary Michon een totaal nieuw programma op de kaart. Voor de eerste keer geven mensen voor de camera de meest intieme details uit hun leven prijs en praten vrijuit over seksualiteit, verliefdheid, abortus, eenzaamheid en de dood. Sommige critici zijn lovend, anderen vinden dat het gif via de televisie over ons wordt uitgestort.
De show trekt echter twee miljoen kijkers en wordt bekroond met de Zilveren Nipkow-schijf. De serie loopt van 1970 tot 1979. De inhoud krijgt een soort van vervolg in Een Spannend Bestaan, de allereerste docudrama. Ook die zal met de Nipkow worden beloond. Ze zal ook daarna talrijke (jeugd)series en documentaires maken voor de IKON. In de jaren negentig scoort ze hoog met Prima Donna, een serie over de derde feministische golf. Met de serie In het Teken van het Hout over beelden van Jezus wint ze de Spaanprijs.
Als ze in 1999 met pensioen gaat, verzet ze zich tegen het Zwitserleven-gevoel dat ouderen alleen maar mogen rentenieren. Ze publiceert in dat jaar haar boek Later als ik oud ben over de strijd tegen lichamelijk verval Zij wil dat ouderen een vuist maken en blijven werken. Zelf maakt ze op haar 63ste jaar de theatervoorstelling Hinderlijk Blij. Ze richt zelfs een stichting op onder de naam Grey Power die ‘de grijze energie tot een grijze macht wil maken’. ‘We hebben nog een enorme tijd voor ons. De gemiddelde leeftijd die vrouwen tegenwoordig halen is 83 jaar. Voor mannen is dat 81 jaar. Mijn vader is 92 geworden! Ik zou dus nog een half leven voor me kunnen hebben. Laten we de koppen bij mekaar steken en kijken wat we als jonge nieuwe bejaarden kunnen doen’, zegt ze in 2003 in een interview met Trouw. Tegelijkertijd probeert ze de fysieke aftakeling en vergane glorie – ‘het haar wordt dunner, de rimpels smeer je niet meer weg, die zwembandring om je taille’ – als iets natuurlijks te accepteren.
Ze blijft ook actief met het coachen van televisietalent. ‘Bij de Ikon was ze al bezig jonge stagiairs en makers op te leiden, en toen ze stopte ging ze gewoon daarmee door. Vanaf mijn stage en daarna als jonge programmamaker, heeft ze me de kneepjes voor het vak bijgebracht’, zegt programmamaakter Ida Overdijk. in mei 2009 verschijnt haar boek Van die damesdingen over de kunst van het ouder worden’. Op 29 april 2010 wordt ze benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Mary Michon heeft wel enige tijd een relatie gehad, maar laat zelf geen kinderen na.
(19-7-2011)


Christa Rosier-Veldkamp (1960-2011)

Kunstenares van de psalmen

Peter de Waard

'Hoe meer je het gevecht met God aangaat, hoe meer God zich ook laat zien', zo zei ze. Ze had enorm geworsteld met het geloof toen eerst in 2001 haar zoon overleed en in 2005 borstkanker bij haar werd ontdekt. Maar uiteindelijk vond ze troost in de grote verdieping van het geloof, die het gevolg was van deze grote tegenslagen.
Christa Rosier-Veldkamp overleed op 19 juni. Ze was 50 jaar geleden in Hilversum geboren in een gelovig protestants-christelijk nest. Ze groeide op tegenover het omroepkwartier. Haar vader was psycholoog, maar werkte een blauwe maandag voor de Evangelische Omroep (EO). Als kind was ze gek op tekenen en schilderen. Maar na de havo ging ze studeren voor medisch secretaresse. 'Haar vader zag een opleiding aan de Kunstacademie absoluut niet zitten', zegt Victor Rosier, nu weduwnaar, en zelf regisseur en programmamaker voor de EO.
Ze werkte een jaar als medisch secretaresse, maar besloot daarna journalistiek te gaan studeren aan de christelijke school voor journalistiek, die toentertijd in Amersfoort was gevestigd. Hier ontmoette ze ook haar latere man Victor Rosier. Ze liep stage bij de EO en dat beviel de omroep zo goed dat ze aan de slag kon als productieassistente bij de afdeling verkondigende programma's, waar Henk Binnendijk in die tijd de scepter zwaaide. Als productieassistente was ze ook automatisch van de partij bij screentesten voor nieuwe omroepers en omroepsters. Kandidaten moesten haar interviewen. Regisseur Dirk-Jan Bijker stelde tijdens een van de interviews voor de rollen om te draaien. Ze bleek meteen de geschikste kandidaat. Aanvankelijk met tegenzin, omdat ze geen rol voor de camera wilde, begon ze in 1984 als omroepster. Ze zou het dertien jaar volhouden. Tussentijds presenteerde ze ook andere programma's, zoals het middagmagazine Van Hart tot Hart. Ook viel ze in voor Manon Thomas, bij het programma Kook TV. 'Grappig was dat zij als EO-presentatrice in tegenstelling tot de mensen van de TROS en Veronica, haar kandidaten geen fles wijn mocht meegeven', weet Victor Rosier.
In 1996 besloot de EO plotseling het fenomeen omroepers af te schaffen en hiermee verdween Christa van het scherm. Vlak daarna werd haar zoon Ephraïm ernstig ziek, daarmee kwam het werk op het tweede plan. Ephraïm had de ziekte primaire erytromelalgie, een zeldzame pijnaandoening waarbij de patiënt het gevoel heeft dat zijn benen in brand staan. Hij overleed in 2001. Na zijn dood pakte Christa het schilderen serieus op. Tot die tijd schilderde ze voornamelijk stillevens, portretten en paarden. Nu ging ze psalmen symbolisch proberen weer te geven. Ze putte de inspiratie uit de gedachte aan haar zoon, die zo graag psalmen las. Uiteindelijk verscheen een boek met haar kunstwerken en de psalmen.
In 2005 werd bij Christa een kwaadaardige vorm van borstkanker ontdekt. Ze kreeg chemotherapie en bestraling en er werd een borst afgezet. In 2008 keerde de ziekte terug en verloor ze ook haar andere borst. Even was ze weer gezond, totdat de ziekte dit voorjaar toch bleek te zijn uitgezaaid. Haar lange survivalstrijd beschreef ze in columns voor het vrouwenblad Eva. Ze zijn gebundeld in het boek Ik wil vliegen. Geregeld was ze in die tijd te gast bij televisieprogramma's om over haar leven en werk te vertellen. Zo was ze in 2008 te zien in Herberg De Verandering, waarin ze met Andries Knevel praatte over haar verdriet en angst. Vlak voordat ze overleed, trouwde haar dochter. Eind dit jaar zal er nog een laatste boek van haar verschijnen, met als titel Lijden in Gods hand.
(12-7-2011)


Michael Smit (1957- 2011)

Mode-ondernemer pur sang

Peter de Waard

Misschien was Michael Smit nog meer ondernemer als stylist. Hoewel hij graag in gezelschap van andere ontwerpers als Piet Hein Eek en Piet Boon verkeerde, had de zorg voor zijn modeketen Sissy Boy prioriteit. Op 7 juni overleed hij aan het non-Hodgkin-lymfoom, een chronische ziekte die twee jaar geleden de kwaadaardige vorm had aangenomen.
‘Hij was eigenlijk nooit echt met zijn ziekte bezig’, zegt Dave Lens – een van zijn naaste medewerkers bij Sissy Boy. 'Op het laatste moment dacht hij aan zijn zaak en kwam hij met ideeën.’ ‘Hij beschouwde de ziekte als een vriend die hij moest omarmen’, vertelt zijn vriendin Tanja Kuindersma. ‘Hij was flamboyant, energiek maar vooral positief. En dan bedoel ik: echt positief.’
Michael Smit werd geboren in Koog aan de Zaan. Zijn vader en moeder exploiteerden een bonthandel. Zijn vader maakte de bontjassen en zijn moeder verkocht die in een zaak aan de Gedempte Gracht in Zaandam. Michael was als jongste van de drie kinderen al snel geïnteresseerd in mode. Hij maakte de MULO af, sjeesde op de Pedagogische Academie en stond daarna op de markt met hoedjes en houthakkersoverhemden. En als hij onvoldoende verkocht had, ging hij nog eens langs bij de bars en café’s in de stad om de rest proberen te verkopen.
In 1982 begon hij zijn eigen modezaak in de winkel van zijn ouders. De naam luidde Scoot. Een jaar later opende hij al een winkel in de Kalverstraat in Amsterdam. Hij besloot ook zelf kleding te gaan ontwerpen die hij liet naaien in België. Hij wilde nog meer een persoonlijk stempel op de winkels leggen. ‘Michael was een filmfreak. Hij kon overdag bij een wandeling zo een bioscoop induiken om een film te gaan zien. En hij was ook gek op de Sissy-reeks met Romy Schneider. Dus die naam wilde hij. Maar het moest niet alleen dameskleding zijn. Daarom werd er Boy achter gezet.’ Smit richtte zich met zijn kleding op mannen en vrouwen van 25 tot 50 jaar – te oud voor de hippe boetiek maar te jong voor C&A. Zijn collectie was eigentijds, vrolijk, basis en ‘ontzettend draagbaar’. Daarnaast moest de presentatie in de winkels warmte uitstralen. Het labeltje Sissy Boy was al snel een begrip.
In 1995 had hij al 21 zaken geopend. In dat jaar werd de ziekte bij hem ontdekt. Hij was toen pas 35 jaar. ‘Het is dan wachten wanneer de ziekte transformeert van laaggradig naar hooggradig. Michael kon er heel lang mee leven.’ De ziekte noopte hem wel de leiding van het bedrijf tijdelijk over te geven.
De nieuwe managers maakten een potje van de bedrijfsvoeringen. Het geld werd met ladingen tegelijk over de balk gesmeten. Uiteindelijk was een faillissement onontkoombaar. Nog geen zes uur nadat het bedrijf failliet was gegaan, kocht Smit al weer zeven zaken terug van de curator en begon opnieuw. Uiteindelijk besloot hij naast mode ook andere producten te gaan verkopen waarin hij zelf geïnteresseerd was zoals meubels en verzorgingsproducten. Tien jaar later was de keten weer uitgegroeid tot 31 winkels, waarvan alleen al zeven in Amsterdam en een zelfs in een strandtent in Bergen aan Zee. In 2009 opende hij nog zijn eerste winkel in België. Hij wilde Sissy-Boy laten uitgroeien tot een Europese keten. In dat jaar lanceerde Sissy-Boy ook een nieuw concept: Homeland junior, met meubels- en kleding voor kinderen. Het was ook het fatale jaar dat de ziekte was getransformeerd en hij scheidde van zijn vrouw Marloe die nauw met hem had samengewerkt, en met wie hij drie kinderen had.
(5-7-2012)


Jan van Roessel (1925-2011)

Hij was de populairste voetballer toen Willem II de beste club was.

Peter de Waard

Hij werd in 1999 door de supporters van Willem II verkozen als de speler van de eeuw. Hij was nog altijd een publiekslieveling, hoewel alleen stokoude supporters hem hadden zien spelen. In 1959 had hij zijn schoenen al aan de wilgen gehangen.
Jan van Roessel overleed vrijdag 3 juni op 86-jarige leeftijd. Hij leed al enige tijd aan Alzheimer maar op het laatste moment werd ook kanker ontdekt. Als voetballer stond hij bekend vanwege zijn harde schoten en kopkracht. Hij was de topscorer in de jaren dat Willem II twee keer landskampioen werd (in de seizoenen 1951/52 als amateurclub en 1954/55 als betaalde vereniging) waardoor hij een legendarische status verwierf. In de 168 wedstrijden die Van Roessel voor Willem II speelde, zou hij liefst 152 maal scoren.
Van Roessel was een geboren en getogen Tilburger. Zijn vader werkte al in de textielindustrie. Op zijn 14de jaar ging hij werken bij de weverij AaBe. Van de katholieke voetbalclub St. Willibrord stapte hij over naar het grote LONGA. Dankzij de vroege bevrijding kon het voetbal in Tilburg sneller opgepakt worden dan in de steden ten noorden van de rivieren. Naast LONGA speelden in de na-oorlogse jaren ook het meer volkse NOAD en het sjiekere Willem II in de top.
Nadat hij als speler van LONGA in 1949 zijn debuut voor het Nederlands elftal had gemaakt in de wedstrijd tegen Finland – hij scoorde tweemaal – stonden de clubs in de rij voor hem. Hoewel hij vlak daarna zijn been brak probeerden PSV en NAC hem te contracteren. Maar een rancuneus LONGA verraadde dat Van Roessel in de jaren daarvoor was betaald – iets wat absoluut was verboden in het toenmalige amateurvoetbal. Van Roessel werd voor een jaar geschorst en was daarover zo woedend dat hij een jaar daarna overstapte naar stadsgenoot Willem II. Op 21 oktober 1951 maakte hij zijn debuut bij Willem II in de wedstrijd tegen RBC. Hij scoorde meteen een hattrick. Met die club werd hij in 1952 kampioen van Nederland. Pas toen speelde hij ook zijn tweede interland tijdens de Olympische Spelen in Helsinki tegen een oppermachtig Brazilië. Ook dit keer maakte hij een doelpunt. Van Roessel was nu ook begeerd bij buitenlandse clubs. Het Italiaanse Torino bood hem een driejarig contract aan met een jaarsalaris van 80 duizend gulden – toen een vermogen. Van Roessel reisde naar Italië om daar over het contract te praten. ‘Ik was met hem mee’, zegt Louisa van Roessel, de vrouw met wie hij in 1946 was getrouwd. ‘Maar onze tolk vonden we niet betrouwbaar. En dan doe je ook geen zaken.’
Toen hij weer terugkeerde in Tilburg haalde de toenmalige Willem II-coach Frantisek Fadrhonc hem over toch bij Willem II te blijven. Dankzij de invoering van het betaalde voetbal kon hij nu een vergoeding krijgen, hoewel het slechts een fooi was in vergelijking tot wat hij in Italië had kunnen verdienen. In 1955 werd Willem II de eerste kampioen van de betaalde competitie. Maar de club bedankte voor deelname aan de Europa Cup 1. Twee jaar later degradeerde Willem II al weer uit de hoogste klasse. In 1957 werd Van Roessel zelf getransfereerd naar BVV in Den Bosch waar hij zich niet gelukkig voelde. Hij raakte regelmatig geblesseerd en haalde zijn oude vorm niet meer. Hij besloot zijn voetbalcarrière bij LONGA in 1959 als stopperspil.
Van Roessel is zijn gehele leven in Tilburg blijven wonen en heeft zich tot het laatst toe betrokken gevoeld bij Willem II. ‘Als het even kon ging hij kijken naar Willem II’, zegt zijn weduwe. Hij zou in de jaren na zijn voetbalcarrière in de textiel blijven werken totdat alle textielfabrieken in Tilburg gesloten waren. Daarna zou hij nog enige jaren in een gieterij de kost verdienen.
(28-6-2011)


Henny Thijssing-Boer (1933-2011)

De koningin van de streekroman

Peter de Waard

Dolf Thijssing zegt dat ze vaak de inhoud van haar boeken met hem besprak. ‘Ik las ze altijd nog wel een keer als ze uitkwamen.?Maar dan ging ik er driftig doorheen.’ Zijn vrouw Henny Thijssing-Boer werd met twee miljoen verkochte boeken de koningin van de streekroman genoemd. Op 24?mei overleed ze, 78 jaar oud, in Winschoten aan een longziekte.
Eigenlijk stak het haar dat ze niet serieus werd genomen door de literatuurcritici. Terwijl de namen van veel grote literatoren in de vergetelheid raakten, stonden haar boeken steevast in de toptien van de uitleenboeken in de bibliotheken. Zelf zei ze daarom geen literatuur te lezen. ‘Zo’n boek wordt dan enorm aangeprezen, maar als ik het uit heb, denk ik vaak: nou, nee. Dan valt het tegen.’
Ze werd in het Groningse dorp Sint-Annen geboren als dochter van een boerenknecht. Op 9-jarige leeftijd verhuisde zij naar Warffum. In 1945 moest ze na de lagere school meteen in de huishouding en ging ze ’s middags naar naailes. In 1953 trouwde zij met Dolf Thijssing, een beroepsmilitair. Ze kregen twee kinderen, een dochter (Marga, 1954) en een zoon (Theo, 1959) die later zou trouwen met Leida Verhagen, een schrijfster die aanvankelijk in de voetsporen van Thijssing-Boer zou treden maar zich nu vooral richt op stichtelijke lectuur.
Het werk van haar man dwong het echtpaar kriskras door het land te trekken. Na Warffum woonde ze in ’s Hertogenbosch, Arnhem, Assen, Amersfoort, Appingedam, Uithuizen, Wirdum, Drachten, Groningen, Appingedam en Winschoten.
Als klein meisje schreef ze al graag verhaaltjes. Na haar huwelijk zette ze het schrijven stiekem voort. ‘Terwijl andere vrouwen aan het breien en naaien waren, was ik aan het schrijven. Daar voelde ik me weleens schuldig over’, zei ze later. Op aanraden van haar dochter besloot ze een script naar een uitgever te sturen.
Haar eerste boek Als de tijd daar is verscheen in 1976. Het was een succes. Omdat ze niet meer dan lagere school had, besloot ze zowel een studie Nederlands als een cursus Algemene Ontwikkeling te volgen. Vanaf 1981 konden lezers van de Vereniging Christelijke Lectuur (VCL) via haar uitgeverij Kok zich op haar boeken abonneren. Gemiddeld schreef ze vanaf dat moment drie boeken per jaar. In uitzonderlijke gevallen, zoals in 1997, lukte het haar zelfs zeven boeken te schrijven. Ze werkte heel gedisciplineerd: vijf dagen per week vanaf ’s morgens tien uur. ’s Avonds las ze het over en ging delen schrappen. ‘Elk boek schrijf ik eigenlijk twee of drie keer.’
Al haar boeken hebben een kern van waarheid. De protestants-christelijke signatuur is te herkennen, net als de achtergrond van het Groningse platteland. Zelf vond ze niet dat ze streekliteratuur schreef, maar vertellingen over gewone mensen die op eigen kracht, door volharding en geduld, hun problemen weten te overwinnen. Ze schuwde hedendaagse thema’s niet. Een van haar boeken gaat over twee lesbische vrouwen. Ze schreef ook een boek over een getrouwde man die ontdekt dat hij homo is.
In 1992 behaalde ze de eerste plaats in de top-100 van de leenrechtvergoeding over 1991. In 1996 ontving ze een koninklijke onderscheiding en in 2002 ontving ze de zilveren Erepenning van de stad Groningen. In 2008 verscheen de roman Het jongetje Duco, waarna ze besloot te stoppen. In totaal zijn 98 romans van haar hand verschenen en publiceerde ze in 335 diverse uitgaven. Henny Thijssing-Boer zei zelf over haar auteurschap: ‘Schrijven is voor mij een vorm van liefhebben en is dat niet het mooiste wat er is?’
(21-6-2011)


Daan Dura (1932-2011

Man met zaagsel in het haar

Peter de Waard

Ondernemen was voor hem tamelijk simpel. 'Opereren binnen de spelregels en zorgen dat er uiteindelijk meer in de buidel komt dan eruit gaat. O ja, en dat moet nu ook op maatschappelijk verantwoorde wijze.'
Daan Dura, beter bekend als 'mijnheer Dura', overleed 13 juni op 78-jarige leeftijd in Rotterdam. Hij was de vierde generatie van het 150 jaar oude bouwbedrijf Dura dat in 1998 fuseerde met de Vermeer Groep tot een van de grootste bouwbedrijven van het land. In 2003 trad hij terug uit de leiding van Dura Vermeer. Zijn zoon Job en Age Vermeer namen de leiding over. Via de houdstermaatschappij Puissance bezat Daan Dura nog altijd de macht in het bedrijf waarvan de omzet ongeveer 1,1 miljard euro bedraagt. Zijn persoonlijke vermogen werd door Quote geschat op 109 miljoen euro. Maar hij ontkende daadwerkelijke zeggenschap te hebben, hoewel hij bij zijn goedgemeende adviezen 'de ruiten in de sponningen kon laten trillen'.
Daan Dura's vader heette ook Job. Hij - bijgenaamd De Wervelwind - bouwde een simpel bouwbedrijf met een betonmolen uit tot een middelgrote NV die zich in de jaren dertig had gespecialiseerd in de betonbouw. Daan werd door zijn vader tijdens de oorlog op een woonboot bij Woubrugge in veiligheid gebracht. Hij fantaseerde daar om boer te worden, maar was voorbestemd om zijn vader in dit bedrijf op te volgen. Na de oorlog studeerde hij aan de HTS in Utrecht. Om geld bij te verdienen werkte hij in zijn vrije tijd mee aan de bouw van de Lijnbaan die het gebombardeerde stadshart van Rotterdam vorm moest geven. Zijn vader wilde dat hij ook buitenlandse activiteiten zou ontplooien. 'Het was begin jaren vijftig, toen er een grote angst voor de Russen heerste. Heel Scheveningen lag vol met vluchtboten van ondernemers. Veel bedrijven keken dus naar uitbreiding van de activiteiten in het buitenland', vertelde hij in een interview met Het Financieele Dagblad.
Uiteindelijk leidde dat ertoe dat Dura zich helemaal ging concentreren op de uitbouw van de buitenlandse activiteiten in Australië, Brazilië en Zuid-Afrika. Het werk in dat laatste land leidde tot conflicten, omdat daar toentertijd nog een apartheidsregime de dienst uitmaakte. Onder druk van de Rotterdamse burgemeester Bram Peper moest Dura zich uit dat land terugtrekken.
Daan Dura was ook de man die het sociale netwerk van de onderneming beheerde. Hij was samen met havenondernemer Jacques Schoufour de drijvende kracht achter het paardensportevenement CHIO in Rotterdam en oprichter van de Stichting Job Dura Fonds en het Dura Kunst Fonds. Daan Dura wilde Rotterdam iets teruggeven voor de vele projecten die het bouwbedrijf na de oorlog waren gegund in het kader van de wederopbouw, zoals het Groothandelsgebouw, het Hilton, de aankomsthal van de Holland-Amerikalijn, de Thaliabioscoop en de Lijnbaan. De fusie met Piet Vermeer ('hij heeft bagger aan zijn schoenen en ik zaagsel in mijn haar') was zijn laatste grote project.
(20-6-2011)


Co de Koning (1935-2011)

De man achter 14 fusies


Organisatieadviseur Co de Koning ontving de bestuurders van multinationals in zijn tuinhuisje. Ik ben een waarzegger die ook vertrouwt op zijn intuïtie.

Eigenlijk wist Co de Koning van geen ophouden. De voormalige organisatieadviseur richtte vorig jaar samen met de KLM de Sky Health Club op die een vakantie met zorg combineerde in een gebied met een aangenaam en helend klimaat. De eerste reis ging natuurlijk naar De Konings geliefde Bonaire.
De Koning had toen net zijn eigen vrouw verloren. Afgelopen vrijdag overleed hij zelf op 76-jarige leeftijd, nadat hij drie weken geleden een herseninfarct had gehad. ‘Onze pater familias is er niet meer. Het feest wordt ergens anders voortgezet’, schreef de familie in een rouwadvertentie.
De Koning was in de jaren zeventig en tachtig de bekendste organisatieadviseur van Nederland. De meeste AEX-bedrijven wonnen in die tijd wel eens advies bij hem in. Hij ontving de topmannen in zijn tuinhuis achter zijn woning aan de Prinsengracht. Hier konden ze vertrouwelijk spreken over fusies en reorganisaties. Hoewel De Koning nooit uit de school klapte over zijn cliënten, maakte Aegon-baas Kees Storm bekend dat hier bijvoorbeeld in 1983 de fusie van de verzekeraars Ago en Ennia werd beklonken.
De Koning studeerde economie en econometrie in Rotterdam. Na zijn studie ontplooide hij zich als een avonturier. Hij reisde met een verbouwde ijsbreker langs de kust van Groenland, ging met een klein bootje door het Panamakanaal, rondde Kaap Hoorn. In 1956 ontmoette hij in een brouwerij in Helsinki zijn Deense vrouw.
Hij ging werken voor het toen bekende adviesbureau van Jan Wage. Hij noemde zich geen strateeg, maar een waarzegger – iemand die weet hoe een plan gaat uitpakken. Hij werkte graag intuïtief. In 1962 zat De Koning in de trein die bij Harmelen verongelukte. Hij voorvoelde de ramp, ging in een andere coupé zitten en overleefde.
‘Financieel, strategisch, juridisch en analytisch ben ik van alle markten thuis. Ik doorzie meteen dat cijfers niet kloppen’, beweerde hij.
In 1968 richtte hij samen met Dirk Horringa het organisatieadviesbureau Horringa & De Koning op. Tien jaar later stapte hij op na onenigheid en begon voor zichzelf.
Hij schreef een boek (Goed Bestuur) en richtte een club op (KLOS) van mannen die in raden van bestuur zaten. Met zijn humor, eruditie en charme wist hij bestuurders voor zich te winnen. Hij vertelde eens in veertien grote fusies als adviseur te zijn opgetreden. Slechts een daarvan mislukte – die van BolsWessanen.
De Koning stond bekend als een levensgenieter. Hij had vier huizen, verzamelde kunst en hield van de geneugtes van het leven.
(9-6-2011)


Theo Quené (1930-2011)

Beschaafd vechter voor overlegeconomie

Ruim tien jaar was hij voorzitter van de SER. ‘Honderd procent toegewijd aan de publieke zaak.’

Peter de Waard

Toen Theo Quené in 1985 voorzitter werd van de Sociaal-Economische Raad (SER) was dit orgaan nog het symbool van de Nederlandse consensus en overlegeconomie. Hier bespraken werkgevers en werknemers samen met gewichtige kroonleden de toestand van het land en brachten adviezen uit die regeringen zonder een enorme rel niet in de wind konden slaan. Toen Quené elf jaar later wegging, werd de SER door Frits Bolkestein weggehoond als ‘de Sociaal-Economische Ren’.
Quené overleed afgelopen zaterdag op 80-jarige leeftijd. Hij werd in 1930 in Oostzaan geboren als een verre afstammeling van de Franse Hugenoten. In 1940 verhuisde het gezin naar Tiel waar zijn vader directeur van het Ziekenfonds werd. Op school blonk hij uit, niet alleen qua resultaten maar ook qua leiderschap. Op het gymnasium werd hij altijd gekozen tot klassevertegenwoordiger. Hij werd voorzitter van de vereniging van gymnasiasten en van de NJN, de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie.
Hij studeerde voor landbouwkundig ingenieur in Nijmegen. Nadat hij in 1956 zijn studie had afgemaakt kon hij bij bierbrouwer Heineken terecht. Maar hij wilde zijn aandeel leveren aan de na-oorlogse wederopbouweconomie. ‘Nog geen fractie van een seconde heb ik over het aanbod van Heineken nagedacht. Ik wilde het algemeen belang dienen.’ Om dezelfde reden weigerde hij later ook een ministerspost in het kabinet Den Uyl (1973-1977).
Quené vergeleek zichzelf met bijvoorbeeld Sicco Mansholt, de latere Europees Commissaris voor Landbouw, en Emiel van Lennep, de latere secretaris-generaal van de OESO. Hij werd zelf na zijn studie hoofd directie algemene zaken Rijksdienst voor het Nationale Plan. Van 1967 tot 1972 was hij directeur van de Rijksplanologische Dienst en vervolgens secretaris-generaal van VROM en directeur van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR).
Quené volgde in 1985 Jan de Pous, bijgenaamd Jan Compromis, als SER-voorzitter op. De SER was in 1950 opgericht als het toporgaan van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties. Op dat moment kende Nederland een geleide loonpolitiek waarbij werkgevers en werknemers gezamenlijk een advies uitbrachten.
Onder De Pous waren de tegenstellingen al flink verscherpt, maar de SER genoot nog altijd de status van een belangrijke autoriteit. Toen Quené aftrad, was nog maar enkele jaren eerder het Akkoord van Wassenaar gesloten voor loonmatiging. Vanaf 1985 kalfde de consensus af. De Reaganomics en het Thatcherism waaiden over naar Nederland, het kapitalistische model herleefde. Hoewel Quené een diplomaat was kon hij zich er flink aan ergeren dat de SER minder serieus werd genomen.
Wijlen FNV-voorzitter Johan Stekelenburg typeerde Quené als iemand die beschaafd vocht voor de overleg­economie en voor fatsoenlijke arbeidsverhoudingen, in een wereld vol stijlloosheid. De huidige SER-voorzitter Alexander Rinnooy Kan leerde Quené kennen als VNO-topman. ‘Hij was volstrekt integer en honderd procent toegewijd aan de publieke zaak. Hij was zeer gezaghebbend door zijn intellectuele kwaliteiten.’
Na zijn vertrek in 1996 werd hij nog even burgemeester van Zaanstad en bijzonder hoogleraar in Leiden. Hij grossierde verder in bijbanen als voorzitter van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten, het Prins Bernhardfonds, de Boekmanstichting en de raad van toezicht van het Rijksmuseum Amsterdam.
(8-6-2011)


Gerard Keijzers (1951-2011)

Voorganger in duurzaamheid

‘Ze zagen me oorspronkelijk als een halve communist’, zei hij bij zijn afscheid van Nyenrode in maart van dit jaar. Als voorvechter van het milieu en ontwikkelingssamenwerking nam hij op de Nyenrode Business Universiteit een bijzondere plaats in.
Gerard Keijzers overleed op 10 mei aan de gevolgen van kanker. Hij was net 60 jaar geworden. In 2000 was hij van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) naar Nyenrode gekomen als hoogleraar duurzaamheid. Hier richtte hij het Center for Sustainability op. Hij maakte er met zijn enorme passie een gerenommeerd kennisinstituut van, dat bedrijven de kans bood van duurzaamheid business te maken.
Gerard Keijzers werd in 1951 geboren. Hij was de oudste in een katholiek gezin van vier kinderen in Oss. Zijn vader werkte bij Philips. Hij kreeg de kans economie te studeren, aan wat toen nog de Katholieke Hogeschool in Tilburg heette. Nog tijdens zijn studie, op 21 jarige leeftijd, trouwde hij zijn schoolliefde Inez Toncman.
Nadat hij was afgestudeerd trad hij als ontwikkelingseconoom in dienst van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij werd uitgezonden naar de idyllische Cook-eilanden in de Stille Oceaan, waar hij de regering hielp met het opstellen van jaarrekeningen. Daarna werkte hij voor de Verenigde Naties in Bangkok.
Begin jaren tachtig keerde het echtpaar met twee kinderen terug in Nederland. Hij werkte achtereenvolgens als wetenschappelijk medewerker aan de Vrije Universiteit, voor de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en als raadslid en wethouder namens de PvdA in zijn toenmalige woonplaats Leiderdorp.
In 1990 trad hij in dienst van het ministerie van VROM, waar hij milieu-econoom werd. Hij stelde daar de Nationale Milieu Plannen op, de eerste serieuze poging een strategie op het gebied van duurzaamheid op te zetten. In 2000 werd hij hoogleraar aan Nyenrode. Drie jaar later promoveerde hij. Als belangrijkste taak zag hij het behoud van de wereld voor nieuwe generaties. ‘Wij moeten er voor zorgen dat ook de kinderen van onze kinderen op deze planeet kunnen leven zoals wij gedaan hebben.’
Keijzers combineerde een groot idealisme met een uitermate pragmatische kijk op de wereld. Hij was een doordouwer, maar kon uiteindelijk ook met humor zijn werk relativeren. Bovenal wist hij altijd de mensen om zich heen te binden door zijn eigen openheid en enthousiasme. Zowel bij VROM als bij Nyenrode werd hij gezien als een pater familias. Hij nodigde zijn teams veelvuldig uit voor wandel- en praatsessies door de duinen naar de uitspanning Boerderij Meyendel bij Wassenaar.
Twee jaar geleden maakte hij nog een wereldreis waarbij hij onder meer terugkeerde naar de Cook-eilanden. Bij terugkomst werd kanker bij hem geconstateerd. Hij moest de dagelijkse leiding van het Center opgeven. Hij zocht vooral afleiding in klassieke muziek en geschiedenis – twee van zijn grote hobby’s. Tot overmaat van ramp kreeg zijn echtgenote tijdens zijn ziekte borstkanker, waarvan ze inmiddels is genezen.
Zijn ex-collega Anke van Hal heeft samen met Danielle Zandee zijn werk overgenomen. ‘Gerard heeft zo veel voor mij en zijn collega’s betekend. Het is enorm triest dat dat hij maar zo kort heeft mogen meemaken dat zijn visie op duurzaamheid in grote delen van het bedrijfsleven en binnen Nyenrode gemeengoed is geworden.


Hans Wijnberg (1922-2011)

Ondernemer en hoogleraar

Peter de Waard

Hij begon als hoogleraar in Groningen met het idee 70ste jaar actief te blijven. Toen hij in 1987 toch werd verplicht werd op zijn 65ste jaar met pensioen te gaan, hield hij een vlammend betoog waarin hij onder de titel ‘Tot Ziens’ betoogde dat in geen enkel land ‘oudere vakmensen zo werden gedumpt als in Nederland’. Na zijn pensionering begon hij voor zichzelf en richtte het bedrijf Syncom op.
Hans Wijnberg was een van de bekendste chemici van Europa, hoogleraar in Groningen en succesvol ondernemer. Hij was ook CIA-agent, luitenant van het Amerikaans leger en een jager op de Nazi’s die zijn familie hadden vergast en vermoord.
Professor Hans Wijnberg overleed op 25 mei in zijn woning aan het Zuidlaardermeer na een op zijn zachts gezegd tumultueus leven. Hij werd in 1922 samen met zijn tweelingbroer Louis in een joodse familie in Overveen geboren. Zijn grootvader had in Amsterdam de bandenplakfabriek Simson opgericht. Zijn vader Leonard Wijnberg was hier directeur. In de jaren dertig keek hij met groot achterdocht naar de gebeurtenissen in het vooroorlogse Duitsland. In tegenstelling tot veel andere Nederlanders geloofde vader niet dat dit land neutraal zou blijven. Daarom nam hij in 1939 een tweede hypotheek op zijn huis. Met het geld werden Hans Wijnberg en zijn tweelingbroer Louis – hij kreeg de nieuwe naam Loek - met het stoomschip s.s. Statendam naar New York gestuurd. Tevens werd voor hen allebei 3000dollar op een bank in New York gezet. Ze konden hier worden ondergebracht bij een Nederlandse vrouw met de naam Elly Frank.
Hans Wijnberg – pas 17 jaar oud – ging een opleiding volgen aan een technische high school in de wijk Brooklyn. Hij was gefascineerd door het vak scheikunde en die fascinatie werd versterkt toen hij daarna enige tijd op het researchlaboratorium van het farmaceutisch bedrijf Pfizer mocht werken. Daar werd in de oorlog onder leiding van de beroemde chemicus Peter Regna voor het eerst fabrieksmatig vitamine C en penicilline gemaakt.
Wijnberg werd aan het einde van de oorlog ingelijfd bij het Amerikaanse leger. Hij kwam cht in Oostenrijk terecht , waar hij als spion van de OSS, de voorloper van de CIA, onder de naam Hugh Wynn (you win) vluchtende nazi’s moest proberen te pakken. Na de bevrijding van Nederland vroeg hij verlof om zijn ouders en jongere broer Robert op te zoeken in het ouderlijk huis in Overveen. Maar daar bleken vreemden te wonen. Een tante in Den Haag vertelde hem dat zijn moeder en jongere broer in Auschwitz waren vergast en dat zijn vader van uitputting in een ander concentratiekamp was gestorven.
Na de oorlog kon hij met een GI-studiebeurs scheikunde in Ithaca gaan studeren. Hij promoveerde in 1952, in Madison, Wisconsin. Na een periode als postdoc en assistentprofessor in Iowa verhuisde Wijnberg, inmiddels met vrouw en vier kinderen, per ss Rotterdam naar Nederland. Hij werd eerst Fulbright fellow in Leiden en in 1960 hoogleraar Organische Chemie aan de Rijksunversiteit van Groningen. Met een mix van Europese degelijkheid en Amerikaans opportunisme zette hij de organische chemie van Groningen op de internationale kaart. Hij zou 63 promovendi begeleiden, waaronder een twaalftal – onder wie de winnaars van de Spinozaprijs Ben Feringa en Bert Meijer – dat het ook tot hoogleraar zou schoppen. Na zijn 65ste begon hij met een nieuw bedrijf dat farmaceutische en chemische bedrijven hielp het productieproces te versimpelen. In ruil voor de octrooien moesten de fabrikanten de uren betalen die de mensen in het onderzoek staken.
(31-5-2011)


Jan Brunnekreef (1935-2011)

Ster van het billiard artistique

Peter de Waard

Op 5 maart 1989 won Jan Brunnekreef in Grubbevorst de nationale titel kunststoten door in de finale Jan Bessems te verslaan. Meteen zei de Tukker bescheiden tegen Volkskrant-journalist Ben de Graaf: ‘De beste van de wereld is en blijft Jan Bessems.’
Brunnekreef, die op 12 mei na een lang ziekbed op 75-jarige leeftijd overleed in zijn geboorteplaats Goor, was geen formidabel biljartliefhebber noch eerzuchtig. ‘Er zijn duizend dingen die ik liever doe dan biljarten. Maar dit gaat mij het beste af.’
Brunnekreef was in alle opzichten een markante persoonlijkheid. Hij wilde eigenlijk wielrenner worden, voetbalde in de zaal met Twente-sterren Spitz Kohn, Epi Drost en Eddy Achterberg, bijgenaamd De Keu, won de Europacup met het waterpoloteam, schreef een feuilleton in een streekblad en zong cassettebandjes vol met liedjes.
Hij was ook eigenaar van café en discotheek De Zon, waar hij de dorpelingen vermaakte met kunststoten: ballen op een fles, glazen op het biljart, een carambole buiten in de goot.
De Brunnekreefs zouden naar zijn eigen zeggen Poolse wortels hebben gehad. Zijn voorouders kwamen vanuit Markelo in Goor waar ze een café kochten dat al snel het dorpsleven in Goor bepaalde. Zijn moeder overleed al toen hij 3 was, zijn vader hertrouwde maar overleed, nog maar 50 jaar oud, zodat hij door zijn oma werd opgevoed. Als kind stond hij al in het café – meestal achter het biljart. Als 14-jarige had hij al een moyenne van twee. Maar in die jaren dacht niemand aan een biljartcarrière. De sport was puur cafévermaak, met de plaatselijke bakker en plaatselijke slager. Op zijn 23ste stopte hij er helemaal mee. Hij ging voetballen. Toen een blessure die sport onmogelijk maakte, pakte hij de keu weer op. Eerst speelde hij driebanden in een hoofdklasseteam. Dat verveelde hem. ‘Veel plezier hebben en goed biljarten gaan bij mij niet samen. Ik sluit mij aan bij de gezelligen’, verklaarde hij zijn gebrek aan succes. Brunnekreef wilde lachen. ‘Als ik zie hoe weinig er wordt gelachen, lijkt het of de meeste mensen al dood zijn.’
De Belgische biljarter René Vingerhoedt bracht hem op het idee te gaan kunststoten. Hij kende de sport niet, maar leerde de honderd figuren van het billiard artistique uit een boekje. Na vijf jaar oefenen stond hij aan de top. De perfectie van het kunststoten fascineerde hem – ‘eenhonderdste afwijking op de speelbal is verderop twee meter’, zei hij in 1987 in een interview met de Volkskrant. Hij bedacht zelf nieuwe figuren: vijftig glazen op het biljart en een carambole maken zonder een glas te raken. En dan zijn fameuze gootstoot: de witte bal buiten in de goot, de deur van het café open, de stootbal vliegt van het biljart, passeert de drempel en raakt de bal in de goot.
Hij deed ook mee aan verscheidene EK’s en WK’s. Hij werd een keer tweede en een keer derde. Samen met Bessems en de in januari overleden Belg Raymond Steylaerts vormde hij een topdrie. Maar kunststoten was geen grote sport. Hij werd landelijk nog het meest bekend van de carnavalshit Roekie Zoekie die hij met zijn band Jan van de Zon (zijn bijnaam in Goor) en de Specials maakte. Ook presenteerde hij samen met zangeres Marga Bult jarenlang een programma op RTV Oost onder de titel ’n Bult Zon. Zeven jaar geleden onderging Brunnekreef een operatie aan zijn hartkleppen. Sinds die tijd kwam het niet meer goed met zijn gezondheid.
(24-5-2011)


Eddy van der Enden (1928-2011)

Een cinematografische Vermeer

Peter de Waard

Op dinsdag 26 april blies Eddy van der Enden (82) in het Rosa Spier Huis in Laren zijn laatste adem uit. Een hersentumor en een cocktail van medicijnen hadden hem geveld. Tegen het einde van zijn leven vond hij alsnog rust in het geloof van zijn zo vroeg overleden moeder.
Van der Enden was een van de beste en bekendste Nederlandse cameralieden. Hij was betrokken bij 47 speelfilms (waaronder Bert Haanstra’s Fanfare), 100 documentaires (waaronder Jan Vrijmans De werkelijkheid van Karel Appel, en Haanstra’s Oscarwinnende Glas) 400 commercials (waaronder de Grolsch-campagne Vakmanschap is Meesterschap) en 12 televisieseries (waaronder Hollands Glorie en De Komst van Joachim Stiller). Zijn belichtingstechniek was zo bijzonder dat Van der Enden de cinemafotografische Vermeer werd genoemd.
Van der Enden werd in 1928 geboren als enige zoon van een Haagse ambtenaar die was getrouwd met een Nederduits gereformeerde vrouw. De oorlog die hij als puber beleefde, had grote invloed op hem. Hij zag de strijd vlak om zich heen.
Hij volgde na de lagere school de elektrotechnische school. Toen de oorlog was afgelopen, moest hij onmiddellijk in militaire dienst. Hij kreeg daar uiteindelijk een functie als cartograaf bij de filmdienst. Maar al snel nam hij zelf de camera ter hand. Hij was er meteen aan verslaafd.
Nadat hij was afgezwaaid, kreeg hij de kans aan een uitwisseling met Italiaanse filmstudenten mee te doen. Zij zouden in Nederland studeren, hij en nog enkele andere Nederlanders in Italië. Uiteindelijk zou Van der Enden liefst vijf jaar een opleiding volgen aan het Centro Sperimentale di Cinematografia in Rome. Hier kwam hij in aanraking met beroemde naoorlogse Italiaanse filmmakers van wie hij onder meer leerde om te gaan met het licht. Terug in Nederland ging hij werken bij de Cinetone Studio’s in Diemen. Bert Haanstra vroeg hem in 1958 voor de documentaire Glas, die later dus een Oscar kreeg.
Maar zijn hoogtepunt was de De werkelijkheid van Karel Appel uit 1962. Op magistrale wijze bracht Van der Enden de scheppingskracht van de kunstenaar in beeld, die een doek met verf te lijf ging. Hij plaatste zijn camera achter het doek, zodat het gezicht van de wild schilderende Appel continu te zien was.
Hoewel het gezin hecht was, verbleef hij soms maanden voor opnamen in India, de Verenigde Staten, Frankrijk en België. Behalve met Haanstra en Vrijman zou hij veel werken met Fons Rademakers, Louis van Gasteren en Harry Kumel in België. Tot zijn succesvolste films behoorden Dorp aan de Rivier, Mira met Willeke van Ammelrooy en het voor de beste cinemafotografie gelauwerde Monsieur Hawarden. Eddy van der Enden was voor de crew altijd de tegenhanger van regisseurs die het onmogelijke eisten. Hij was een rustpunt en bracht ook discipline. Als er 12 uur gedraaid was, wilden de anderen vaak stoppen. Van der Enden zei dan: laten we nog even doorgaan.
Eddy van der Enden zou tot zijn 74ste jaar blijven doorwerken. Daarna gaf hij vooral adviezen en bezocht hij zo vaak het kon zijn geliefde Italië, waar het allemaal begonnen was.
(17-5-2011)


Jaap de Groot (1923-2011)

Bouwondernemer met een museum

Peter de Waard

Over de laatste vijf jaar van zijn leven lag een schaduw. Het tweede grote levenswerk van Jaap de Groot was hem volgens zijn dochter Jeanette Spaans ontstolen. Het oorlogs- en verzetsmuseum Overloon had zijn kostbare collectie oorlogsvoertuigen in handen gekregen en hem de toegang onmogelijk gemaakt.
Op 12 april overleed De Groot, 88 jaar oud. Jarenlang gold hij als de koning van de staalbouw. Hij was een van de grote ondernemers van de naoorlogse wederopbouw. Het door hem en zijn vader in 1948 opgerichte staalconstructiebedrijf Grootint zou uitgroeien tot een internationaal concern met vierduizend werknemers. In 1990 verkocht hij het familiebedrijf uit Zwijndrecht aan de Heerema Groep, omdat hij geen opvolgers had. Hij stortte zich vanaf dat moment op zijn tweede levenswerk: het verzamelen van legervoertuigen.
De Groot werd in 1923 geboren. Hij was de oudste zoon van Pieter de Groot uit Alblasserdam, die constructietekenaar was bij Kloos Kinderdijk, een voorloper van het latere Hollandia Kloos. Jaap de Groot volgde enkele jaren de technische school. Maar de oorlog maakte een verdere opleiding onmogelijk.
In 1945 werd een berooid en verwoest Nederland bevrijd. Samen met zijn vader Pieter de Groot begon Jaap een bedrijf dat vernielde spoorbruggen en spoorrails sloopte. Al gauw werd De Groot Staalconstructie, zoals het bedrijf eerst heette, ook een bouwbedrijf. Dankzij de Marshallhulp kon de wederopbouw voortvarend van start gaan, al hadden veel bouwondernemingen als materiaal slechts oude legervoertuigen tot hun beschikking. De Groot bouwde vooral bruggen (de Moerdijkbrug, de brug bij Ewijk, de Tweede Brienenoordbrug, de Erasmusbrug, de Willemsbrug), bedrijfsruimten en industriële gebouwen. In de jaren zeventig werd een nieuwe markt ontdekt: de offshore. In de loop van de tijd werden diverse ondernemingen overgenomen, zoals in 1977 Penn & Bauduin uit Dordrecht. De Groot Staalconstructie werd Grootint en begon enorme platforms te bouwen voor de olie-exploratie en -productie op zee.
Jaap de Groot was de patriarch: streng maar rechtvaardig. Hij leefde voor zijn werk. Zijn enige hobby’s waren het berijden van dressuurpaarden en het verzamelen van oude militaire voertuigen. Hij richtte in Zwijndrecht hiervoor zelfs zijn eigen museum – het Marshall Museum – op. In 2005 werd hij volgens zijn dochter overgehaald de collectie onder te brengen in het Liberty Park in Overloon. Hij kreeg daar zijn eigen kantoor, maar de toegang werd hem ontzegd toen hij de directie in Overloon ervan beschuldigde slordig met de collectie om te gaan. De Groot besloot zijn collectie op te eisen en spande een rechtszaak aan. Die zaak zal door zijn erfgenamen worden voortgezet. De Groot, die enkele jaren geleden nog tussen Johan de Witt, Elco Brinkman, Albert Cuyp, Ferdinand Bol, Kees Verkerk, Cor van der Gijp en Ronald Giphart op het lijstje van ‘Grootste Drechtstedeling Aller Tijden’ stond, is begraven in Hendrik Ido Ambacht.
(10-5-2011)


Seve Ballesteros (1957-2011)

Voorloper van de Europese golfelite

Hij won 87 toernooien en bracht de Ryder Cup naar Europa. Seve Ballesteros was geliefd bij fans en collega’s.

Hij was al een levende legende. Hij zal door zijn vroege dood nog een grotere legende worden. De Spanjaard Severiano Ballesteros heeft net zo veel, zo niet meer, voor zijn sport golf betekend als Tiger Woods.
Dankzij Ballesteros werd deze tot dan toe vrijwel uitsluitend in
Engelstalige landen beoefende sport, populair op het Europese continent en later ook Azië. Hij gaf met zijn vaak magische ballen, emotionele uitbarstingen en jeugdige overmoed de als saai en statisch bekende staande sport flair en joie de vivre.
Alle golfgrootheden reageerden afgelopen weekeinde verslagen en emotioneel op zijn dood. ‘Hij was een groot entertainer’, zei de Amerikaan Jack Nicklaus. ‘Hij was het Cirque de Soleil van het golf’, aldus Nick Faldo. ‘Seve was de meest creatieve speler ooit’, reageerde Tiger Woods.’
Ballesteros was de eerste speler van het continent die het Britse Open won en de eerste Europeaan die zegevierde op The Masters in
Augusta, de twee meest prestigieuze toernooien van het jaar. Dankzij Ballesteros werd de Brits/Ierse ploeg voor de Ryder Cup – de tweejaarlijkse titanenstrijd tegen de VS – een Europese ploeg.
Met Ballesteros in de gelederen won Europa vijf keer de Ryder Cup, nadat de Amerikanen 28 jaar lang de beker in handen hadden gehad.
Ballesteros overleed zaterdag in zijn woning in Noord-Spanje waar hij ook een privé-golfbaan had. Hij verloor de lange strijd tegen kanker. De laatste jaren werd op alle grote toernooien stilgestaan bij de ziekte van de man die niet alleen een groot speler was maar ook een zeer charismatische en flamboyante man. Hij verwierf daarmee de koosnaam Seve. ‘Seve Ballesteros is vredig ingeslapen in het bijzijn van zijn familie’, luidde een korte verklaring.
Ballesteros werd geboren in het Spaanse plaatsje Pedrena. Als klein jongetje begon hij op strand tegen ballen te slaan met een ijzeren vijf die hij op de kop had getikt. Hij wierp zich daarna al snel op als caddie. Helemaal uit het niets behaalde hij in 1976 zijn allereerste overwinning op de Europese Tour: de Dutch Open in Zandvoort.
In hetzelfde jaar kwam ook zijn grote doorbraak. Op het Britse Open op Royal Birkdale deed hij als 19-jarige jongen ineens mee voor de titel. Hij behaalde uiteindelijk een gedeelde tweede plaats met de Amerikaan Jack Nicklaus. Zijn naam was gevestigd. En in 1979 zou hij het Britse Open winnen, gevolgd door The Masters in het jaar daarop. Hij zou ook in 1984 en 1988 het Britse Open winnen en in 1983 nog een keer The Masters.
In totaal boekte Ballesteros in zijn carriere 87 toernooi-overwinningen, waarvan 50 op de Europese Tour – een record dat door niemand ook maar is benaderd. Na zijn overwinning in 1976 zou hij ook nog twee keer het Dutch Open winnen dat toen al het KLM Open heette. Tussen 1986 en 1989 voerde hij 61 weken de officiële wereldranglijst aan.
Na Ballesteros kwam een hele nieuwe generatie van grote Europese golfers op – de Duitser Bernhard Langer, de Engelsman Nick Faldo, de Schot Sandy Lyle, de Welsh Ian Woosnam en Ballesteros’ landgenoot Jose Marie Olazabal. In 1997 won hij als teamcaptain nog een keer de Ryder Cup – zijn laatste grote overwinning. In 2007 stopte hij definitief. Hij werd golfambassadeur en een veelgevraagd golfcommentator.
In 2008 stortte hij op het vliegveld van Madrid in. Er werd een hersentumor geconstateerd. Hij zou vier keer worden geopereerd en langdurig chemotherapie ondergaan. Maar uiteindelijk verloor hij na twee jaar en zeven maanden die strijd.
(9-5-2011)


Willem Wagenaar (1941-2011)

De man van de waarheidsvinding

Peter de Waard

Willem Albert Wagenaar gaf begin vorig jaar een wetenschappelijke verklaring voor de foute wissel van Sven Kramer op de 10.000 meter tijdens de Olympische Spelen in Vancouver. ‘Verschillende spelers maken vergissingen die voortvloeien uit het beperkte functioneren van hun psychologische functies. Die vergissingen komen om de haverklap voor, maar leiden zelden tot rampen omdat ze op tijd worden gecorrigeerd, en omdat noodlottige combinaties zeldzaam zijn. In dit geval gaat het om vergissingen van zowel Kramer als zijn coach Gerard Kemkers. Het zal vaker zijn voorgekomen dat Kramer onzeker was over de te maken wissel, of dat Kemkers een verkeerde aanwijzing gaf. Alleen het samengaan van die vergissingen is noodlottig,’ zo schreef hij in een opiniestuk in NRC Handelsblad. Dat ze in dit geval allebei in de fout gingen, had te maken met de absurde omstandigheden van de Olympische Spelen.
Hoewel het land ervan op zijn kop stond, was de verkeerde wissel van Kramer een van de meer triviale problemen van de rechtspsycholoog en internationaal bekende geheugendeskundige Willem Wagenaar die 27 april op 69-jarige leeftijd in Utrecht is overleden.
Wagenaar heeft een belangrijke rol gespeeld bij de wetenschappelijke onderbouwing van de waarheidsvinding tijdens juridische procedures. Voor het grote publiek werd de altijd met vlinderdas uitgedoste Wagenaar vooral bekend als getuige-deskundige in talrijke geruchtmakende strafprocessen zoals de Eper incestaffaire (de zaak Yolanda van B.) en die tegen de oorlogsmisdadiger John Demjanjuk. In totaal was hij deskundige in meer dan duizend zaken, waarbij hij vaak probeerde aan te tonen hoe weinig betrouwbaar en selectief het geheugen is bij herkenningen. Hij zocht met zijn bevindingen niet zelden de publiciteit op.
Wagenaar werd in 1941 geboren in Utrecht en studeerde in 1965 aan de universiteit van die stad cum laude af in de experimentele psychologie. Hij werkte eerst bij het TNO-instituut voor Zintuigfysiologie in Soesterberg voordat hij hoogleraar werd in Leiden. Hij deed zelf continu in de praktijk onderzoek. In 1986 schreef hij een gezaghebbend artikel over zijn eigen onderzoek naar waarnemingen, geheugen en herinneringen. Hiervoor had hij zelf zes jaar lang elke dag twee zaken opgeschreven die hij zich later moest proberen te herinneren.
Een jaar later trad hij in Israel op in het eerste proces tegen Demjanjuk die door getuigen zou zijn herkend als een bewaker van het concentratiekamp Treblinka. Wagenaar noemde de getuigenverklaringen onbetrouwbaar en Demjanjuk werd in 1993 vrijgesproken. Pas elf jaar later bleek dat hij als kampbewaarder zou hebben gewerkt in een ander kamp Sobibor. Hierna werd hij door de Amerikanen uitgeleverd aan Duitsland.
Wagenaar speelde ook een grote rol in de zogenoemde Eper incestaffaire in 1994 waarbijYolanda van B. door dorpsgenoten seksueel zou zijn misbruikt en daarna abortussen en satanische rituelen had moeten ondergaan. Wagenaar plaatste vraagtekens bij de verklaringen van Yolanda, hoewel de daders werden veroordeeld – een rechterlijke dwaling, aldus Wagenaar. In 2000 werd in Schiedam de 10-jarige Nienke Kleiss vermoord, waarvoor de Vlaardinger Cees B. werd veroordeeld. Vier jaar later bleek hij onschuldig te zijn. Wagenaar concludeerde dat het Openbaar Ministerie ‘in één op de 20 zaken onvoldoende bewijs heeft maar daarna via kunst en vliegwerk dossiers probeert rond te krijgen.’ Het OM zou geen onpartijdig magistraat meer zijn die zaken aan de rechter voorlegde maar een partijbehartiger die zaken wilde winnen. In de boeken De Slapende Rechter en Broddelwerk die respectievelijk in 2009 en 2010 verschenen, kwam Wagenaar met talrijke voorbeelden van rechterlijke dwalingen, waarbij verdachten soms tijdens het politieverhoor onder druk herinneringen hadden opgedrongen gekregen – een vorm van hersenspoeling, aldus Wagenaar.
Wagenaar was van 1 februari 1997 tot en met 31 januari 2001 was Wagenaar rector magnificus van de Universiteit Leiden. In 2001 kwam hij met een nieuwe discipline in Leiden: het artistiek onderzoek. Wagenaar was een gepassioneerd verzamelaar van toverlantaarns; in zijn huis had hij een theater voor het geven van voorstellingen laten bouwen. Wagenaar was vanaf 2004 universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht en was lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). In 2006 ging hij met emeritaat.
(4-5-2011)


Gerard van Straaten (1924-2011)

De man die Hielke en Sietse een gezicht gaf

Peter de Waard

Zijn dochter Astrid herinnert zich dat ze als kind een Droste-reep op zijn tekentafel zag liggen. ‘Ik wilde de reep pakken met mijn kleine kindervingers. Voordat het vies zou worden, greep mijn vader in. Het bewijst hoe echt mijn vader kon tekenen en schilderen.’
Op 6 april overleed Gerard van Straaten, onder meer de illustrator van honderden kinderboeken, waaronder de Kameleon-serie. Voordat een film over de Friese tweeling de fantasie doorbrak, moeten miljoenen Nederlandse jongens Hielke en Sietse Klinkhamer, Gerben Zonderland en agent Zwart zich voorgesteld hebben zoals Van Straaten ze had getekend.
Gerard van Straaten was de tweede zoon uit een gezin van vijf jongens van wie vader architect was. Ze hadden allemaal iets met tekenen. De jongste telg Peter van Straaten (nu 76) zou later roem vergaren als de bedenker van de strip Vader en Zoon, het feuilleton Agnes en de rubriek Dagelijks Leven.
Gerard droomde van een carrière als zeeman. Hij bracht veel van zijn vakanties door in Giethoorn. Gerard moest in 1942 voortijdig de hbs verlaten, maar kon later wel studeren aan de Kunst- en Nijverheidsschool in Arnhem. In 1944 sloot de school als gevolg van de bezetting. Pas ver na de bevrijding, in 1947, kon Gerard van Straaten zijn studie afmaken. Hij ging daarna voor een reclamebureau werken, maar vertrok al na een jaar naar de Toonder Studio’s. Hier tekende hij diverse strips, zoals Rex Rijvers, die vanaf 1948 verscheen in Het Vrije Volk. Hij tekende ook vele jaren strips voor in die tijd fameuze stripbladen als Tom Poes, Ping en Pep.
In 1953 maakte hij de illustraties en omslag voor het boek Patavia de holenjongen van C. Wilkeshuis. Het werd het begin van een langdurige samenwerking met uitgeverij Kluitman, die hem vroeg ook de tekeningen te maken voor de boeken van Hotze de Roos over de Kameleon-tweeling. ‘Gerard was heel precies. Hij had als tekenaar het architectenbloed. Technisch moest alles kloppen. Zijn broer Peter tekende meer uit het hart’, zegt Astrid van Straaten.
Gerard van Straaten trouwde, kreeg twee dochters en verhuisde naar Hilversum. Hij deelde het bohémienkarakter van de Van Straatens, maar was ook serieus. In tegenstelling tot Peter van Straaten, die na de oorlog behoorde tot de opstandige jeugd, was Gerard onderdeel van de gevestigde orde. ‘Maar ze deelden ook veel’, zegt zijn dochter Astrid. ‘Gevoel voor humor en misschien een beetje cynisme. Maar ook liefde voor de natuur.’ In 1969 verhuisde Gerard met zijn gezin vooral daarom naar een boerderijtje bij Empe. Hier kon hij een van zijn grootste hobby’s beoefenen: kijken naar de natuur en vogels. Hij ging in de loop van de jaren ook steeds meer schilderen, onder meer zeiljachten, zijn oude liefde.
De laatste jaren ging het bergafwaarts met zijn gezondheid en kwam hij via een serviceflat in een verzorgingshuis terecht, waar hij ook overleed. Zijn dochter Astrid, zelf tekenaar en illustrator, heeft op uitdrukkelijk verzoek van haar vader beloofd het eenmansbedrijfje voort te zetten. Bij de crematieplechtigheid van Gerard van Straaten werd hij herinnerd door zijn oudste dochter Marieke, Mascha van Straaten (dochter van Peter, die op Curacao was), zijn broer Jan, een 17-jarige fan van de Kameleon-serie en de voorzitter van de stichting Vrienden van de Kameleon, die nu al zijn tekeningen in beheer heeft.
(2-5-2011)


Pietro Ferrero (1963-2011)

Beleefd en verlegen

Peter de Waard

De fiets was zijn grote hartstocht. Pietro Ferrero, de CEO van de fameuze chocolademultinational Ferrero SpA, haalde graag grote Italiaanse wielrenners naar zijn bedrijf. Onlangs had hij nog Ivan Gotti – een drager van de roze trui in de Ronde van Italië – als vertegenwoordiger in dienst genomen.
Overal waar hij voor zijn werk kwam, ging hij een rondje fietsen. Met een delegatie van het bedrijf was hij in Zuid-Afrika om te praten over de opening van de negentiende fabriek van het concern. Hij maakte zijn fietstochtje. Onverwacht zagen zijn lijfwachten hem van zijn fiets vallen. Hij overleed vermoedelijk aan een hartstilstand. Pietro Ferrero was pas 47 jaar.
Ferrero is een familiebedrijf dat bekend is van producten als de chocoladepasta Nutella, het snoepje TicTac en de bonbons Ferrero Rocher en Mon Chéri. Het bedrijf haalde vorig jaar een omzet van 6,3 miljard euro. Pietro’s vader Michele Rocher (85) is nog steeds de voorzitter van het bestuur, maar de dagelijkse leiding droeg hij in 1997 over aan zijn twee zonen Pietro en Giovanni.
Het bedrijf werd in 1942 opgericht door zijn grootvader, die ook Pietro heette. Hij had een koffie- en gebakzaak in Piedmont. In de oorlog was er een groot tekort aan cacao. Hij ontwikkelde daarom een hazelnootpasta, die onder de naam Nutella op de markt werd gebracht. Zijn zoon Michele nam het bedrijf in 1957 over. Hij bouwde Ferrero uit tot een wereldconcern met 20 duizend werknemers door allerlei nieuwe producten te bedenken. In 1969 introduceerde hij Tic Tac op de Amerikaanse markt.
Zijn zoon Pietro studeerde biologie aan de universiteit van Turijn. In 1985 kwam hij in dienst van het bedrijf en in 1992 werd hij het hoofd van de Europese divisie van Ferrero. Hoewel Italiaan en schatrijk, stond hij niet bekend als een playboy. Hij was eerder een voorbeeldig huisvader: getrouwd en met drie kinderen. In Italië stond hij bekend als beleefd en verlegen. Zijn beste eigenschap pen waren discretie en creativiteit. Zo zocht hij naarstig naar een wijze waarop de afzet van chocoladeproducten in de zomermaanden op peil kon worden gehouden.
‘Italië heeft een zakenman verloren die de kwaliteiten van onze industriële geschiedenis goed representeerde’, aldus minister Franco Frattini van Buitenlandse Zaken. ‘Hij was altijd op zoek naar het beste. Hij was creatief en vastberaden overeind te blijven in de meest moeilijke omstandigheden. Daardoor werd het merk Ferrero een symbool van Italië.’
De dood van Ferrero komt op een ongelukkig moment. Ferrero is verwikkeld in een overnamestrijd rond Parmalat SpA, het grootste zuivelbedrijf van Italië. Een door de regering gesteunde groep van investeerders probeert daarmee te voorkomen dat Parmalat in handen komt van de Franse groep Lactalis.
In 2009 probeerden Pietro en Giovanni Ferrero het Britse snoepconcern Cadbury Plc over te nemen, maar hierbij werden ze afgetroefd door het Amerikaanse Kraft Foods. Volgens Forbes is het persoonlijk fortuin van Michele Ferrero 18 miljard dollar. Daarmee zou hij de rijkste man van Italië zijn.
Ferrero geniet in Italië groot respect vanwege verscheidene zogenoemde ‘sociaal-maatschappelijke bedrijven’ in landen als India, Kameroen en Zuid-Afrika.
(20-4-2011)


Louis Tas (1920-2011)

De psychotherapeut van de grachtengordel

Peter de Waard

Louis Tas was de psychotherapeut van de Amsterdamse grachtengordel. Kunstenaars, acteurs, schrijvers die of met hun carrière overhoop lagen, de in een midlifecrisis zaten of op een andere manier met zichzelf in de knoop lagen, konden terecht bij de man die gold als de meest vooraanstaande psychoanalyticus van Nederland en trouwe volgeling van Sigmund Freud.
Tas overleed afgelopen donderdag op 90-jarige leeftijd. Twee jaar geleden behandelde hij nog zo’n dertig mensen. Lang niet alle BN’ers liepen ermee te koop dat ze bij hem hadden aangeklopt. Maar sommigen vonden het een fascinerende ervaring en vertelden erover. Ischa Meijer behoorde daartoe. Ook het echtpaar Edwin de Vries en Monique van der Ven bekende in Trouw na de dood van hun kind bij hem te rade te zijn gegaan. Hij had altijd een luisterend oor en was iemand die met droge humor bij tegenslagen een helpende hand kon bieden.
Louis Tas werd geboren in een joods gezin van twee kinderen. Zijn vader was de psychiater Jacques Tas en zijn moeder de schilderes Frieda Herzberg. In 1943 werden Tas en zijn ouders door de Duitsers opgepakt en via Westerbork naar Bergen Belsen getransporteerd. Ze overleefden alledrie de oorlog. Zijn zus zou als onderduiker aan het transport weten te ontkomen. In 1947 verschenen Tas’ kampmemoires in boekvorm, Dagboek uit een kamp, gepubliceerd onder het pseudoniem Loden Vogel.
Twee jaar later kreeg hij angstaanvallen. Hij ging ermee naar iemand bij wie hij korte tijd in analyse was geweest. Die dacht dat de oorzaak lag in uitgestelde examenangst, omdat Tas kort daarvoor zijn kandidaatsexamen had gedaan. Aan het kamp dacht hij niet en Tas suggereerde dat ook niet.
Tas wilde eigenlijk hersenchirurg worden. Maar het vak leek bij nadere beschouwing toch niet zo geschikt voor hem. Daarom werd hij net als zijn vader psychiater. Hij concentreerde zich op de psycho-analyse die toentertijd nog niet zo geaccepteerd was in Nederland.
In 1958 begon Tas met een eigen praktijk als psychotherapeut. Pas toen alzheimer het werken onmogelijk maakte, stopte hij met de praktijk. ‘Eigenlijk ben ik een grote luiaard en als ik niet moet, doe ik niks. Maar ik heb naast drie kinderen uit mijn eerste huwelijk ook nog vier schoolgaande kinderen uit mijn volgende. Ik moet wel’, zei hij in een interview met De Groene. Later in een interview met Coen Verbraak in Vrij Nederland verklaarde hij dat het vak hem nog altijd boeide. ‘Het is prachtig om over het vak te theoretiseren, maar als je het daarnaast niet uitoefent in de praktijk lukt dat theoretiseren domweg niet.’
Tas’ behandelmethode bestond vooral uit veel luisteren. ‘Ik interview mensen. Niet voor de openbaarheid maar voor de eeuwige stilte.’ Hij was gefascineerd door de filosofie. In 1967 maakte hij een inleiding bij het door hemzelf vertaalde boek van Jean Paul Sartre Magie en Emotie. Hoewel hij zelf talrijke essays schreef, vond hij dit nog altijd een van de hoogtepunten van zijn oeuvre.
Filosofisch consulent Harm van der Gaag (eigenaar van Denk dieper) zegt dat Tas hem overtuigde filosoof te worden. ‘Ik wilde ook in de psychotherapie. Ik belde hem daarover op. Hij luisterde drie kwartier. En toen zei hij dat ik beter filosoof zou kunnen worden. Dat advies heb ik opgevolgd. En ik ben er hem nog altijd dankbaar voor.’
Schaamte was het kernbegrip in de behandelmethode van Tas. Hij formuleerde die schaamte ‘als het gevoel dat je in de ogen van anderen compleet waardeloos bent en dat ze daarin nog gelijk hebben ook’. Schaamte was daardoor in zijn ogen zeer verwant aan depressie. Tas liet het over aan de patiënt zelf wanneer die vond dat de behandeling ten einde liep. ‘Ik vergelijk het altijd met een kolenmijn: als de kosten van het delven groter worden dan de opbrengst, moet je ermee ophouden.’
De laatste jaren ergerde hij zich steeds vaker aan de behandelmethodes die Freud bij het oud vuil leken te zetten. Ook de houding van de zorgverzekeraars en het feit dat psychologische problemen vooral met geneesmiddelen werden bestreden, was hem een doorn in het oog. De farmaceutische industrie had volgens hem het vakgebied in gijzeling genomen.
Over de dood zei hij in het interview met Vrij Nederland. ‘Ik ben slecht op het sterven voorbereid en ben er echt bang voor. Ik begrijp heel goed dat Jezus daar een goudmijn mee heeft aangeboord. ‘Ik heb de dood overwonnen. Hoe? Ja, dat zeg ik niet. Geloof nou maar gewoon in mij, dan komt het goed’. Dat geeft mensen in die laatste momenten misschien wat zekerheid.’
(19-4-2011)


Ellen Helmus (1958-2011)

Beste dwarsfluitist van Nederland

Peter de Waard

Ze heeft zich wel eens achter de oren gekrabd, zo denk ik’, zegt haar partner Hans Voskamp. In 1983 kreeg ze het aanbod om Rundo Rosso (het ingekorte laatste deel uit het fluitconcert van Saverio Mercadante) op te nemen op een cd. Ze deed het niet omdat ze het idee te commercieel vond. Vervolgens werd het Berdien Stenberg gevraagd, twee maanden jonger en ook iemand die aan het Haags Conservatorium lichte muziek had gestudeerd. Stenberg scoorde er een nummer één-hit mee, niet alleen in Nederland, ook in veel andere Europese landen.
Ellen Helmus, die 26 maart op 53-jarige leeftijd overleed aan de gevolgen van borstkanker, is onder het grote publiek nooit zo bekend geworden als Strnberg. Maar muziekkenners achten haar talent vele malen groter. Ze werd algemeen beschouwd als de beste dwarsfluitist van Nederland en misschien van Europa. Ruim dertig jaar stond ze aan de top van met name de internationale jazzwereld en trad ze met alle groten op, onder wie de dwarsfluitist Hubert Laws en pianist-zanger Georgie Fame.
Helmus was ook bekend van de jaarlijkse tuinfeesten in het Gooise Laren, waar ze voor een school in Kenia geld inzamelde. Voor 50 euro konden BN’ers in de tuin van Ben Pandelaar en Nancy Vollebregt luisteren naar de beste muzikanten ter wereld. Afgelopen zomer vond het eerste lustrum plaats. Het werd meteen Ellen Helmus’ laatste optreden in deze tuin.
Helmus werd in 1957 geboren in Beverwijk. Haar vader werkte bij het provinciale waterbedrijf van Noord-Holland. Al jong trad ze met haar zuster op tussen de schuifdeuren. Toen speelde ze vooral nog gitaar. Maar voormalig Focus-dwarsfluitist Thijs van Leer – iemand met wie ze nog niet zo lang geleden optrad – inspireerde haar ook dit instrument ter hand te nemen.
Ze ging studeren op het Haags Conservatorium. Meteen daarna richtte ze haar eigen Ellen H. Band op met haar toenmalige partner, de pianist Robert-Jan Vermeulen. Vanaf het begin had ze succes en werd ze gevraagd voor optredens in binnen- en buitenland. Volgens Voskamp hield ze zo van jazz omdat die muzieksoort het instrument de volle vrijheid gunt. ‘Maar het moest altijd wel melodieus zijn. Ze had een hekel aan piep knor-improvisaties waarbij iedereen zo maar wat deed.’
Ze maakte uitstapjes naar andere muzieksoorten. Zo nam ze een cd op met Gipsy Boys die gebaseerd was op klassieke werken. Ze onderscheidde zich ook door haar rechtvaardigheidsgevoel. Ze nam het graag op voor mensen die buiten de samenleving raakten. Ze ontmoette de reclameman Hans Voskamp, die betrokken was bij een onderwijsproject in Kenia. ‘Ik vroeg haar met mij mee te gaan. Maar dat weigerde ze aanvankelijk. Toen hadden we een keer op het laatste moment nog geen bestemming voor onze vakantie en besloot ze toch mee te komen. Meteen was ze verkocht.’ Helmus richtte de Stichting Asante Sana op voor de bouw en instandhouding van de school in Kalaani. Ze ging er twee keer per jaar naartoe om ‘haar 250 kinderen toe te spreken’.
In 2007 kreeg ze borstkanker, maar ze genas. Ze wilde er daarna niet meer over praten. Ze bleef componeren en trad op samen met het Rosenberg Trio. Een jaar geleden verhuisden Ellen Helmus en Hans Voskamp naar een oude boerderij buiten het Brabantse Wanroij, waar ze ook een studio bij wilde bouwen. Daarnaast had ze de Ellen H. Band opnieuw opgericht – samen met Frans Tunderman en de jonge drummer Jamie Peet en jonge pianist Daniël von Piekartz. ‘Met deze band wil ik oud worden’, zei ze toen. Maar in augustus bleek de kanker te zijn uitgezaaid.
(19-4-2011)


Albert Harkema (1934-2011)

Veehouder die zijn eigen nederzetting schiep

Peter de Waard

Eigenzinnigheid was een van zijn kenmerken. ‘Als er op zijn terrein een boom weg moest, kapte hij die gewoon. Die boete nam hij op de koop toe’, zegt zijn vriend Dirk Ferwerda.
Op 14 maart overleed Albert Harkema (77), de Groningse veehouder die op zijn bedrijf in Den Ham bij de stad Groningen een complete reconstructie maakte van een middeleeuwse nederzetting, inclusief het befaamde kerkje van Harkema. Ook deze nederzetting was zonder de benodigde vergunningen gerealiseerd,maar uiteindelijk gaf de gemeente haar fiat en paste het bestemmingsplanaan. Nu komen er jaarlijks tienduizenden toeristen.
Eigenzinnigheid kenmerkte ook zijn vader, die op een boerderij vlakbij (aan de aaikemadijk) veehouder was. Hij weigerde in de oorlog melk te leveren aan de Duitsers en werd opgepakt en stierf op 15 januari 1945 in Dachau. Albert Harkema moest het al heel jong alleen zien te redden. Hij begon zelf in 1960 in het boerenbedrijf, trouwde en kreeg twee dochters, Janneke en Frouwkje. Al vanaf het begin zocht hij nieuwe uitdagingen. Zo ontwikkelde hij een speciale melkcarrousel. Hij liet de koeien na binnenkomst een draai maken zodat ze, in plaats van met de koppen, met de uiers aan de binnenkant kwamen te staan. De koeien konden zo vanuit het lager gelegen middengedeelte gemolken worden. Dat bespaarde tijd. Hij verwierf er zelfs een patent op.
Harkema wist toen al dat hij op een historische plaats woonde. In de eerste helft van de 20ste eeuw was op de boerderij een gedenksteen gevonden waarop de naam Arbere stond – een oud-Fries woord voor ooievaar. In een bewaard gebleven oud geschrift van 1313 van de abt van het klooster in Aduard wordt gesproken over ‘een plaats die Arbere heet’. Hij wist dat zijn land moest zijn bewerkt door zogenoemde conversen of halfmonniken, die zelf vanwege de afstand niet in het klooster van Aduard woonden, maar op de boerderij, waar naast de eet- en slaapzaal ook een kapel was gebouwd. Deze agrarische kloostergemeenschappen werden ‘voorwerk’ genoemd. Harkema besloot de ‘voorwerk’ compleet te gaan reconstrueren.
Harkema begon met het uitgraven en vergroten van de oude gracht om de kloosterboerderij en bouwde de kop-hals-rompboerderij in miniatuur na. Daarna bouwde hij een toren en een kerk, waarvoor hij 12 duizend bakstenen haalde uit België, een orgel uit IJhorst en mariabeelden uit nog zuidelijker oorden. Ten slotte bouwde hij ook nog in een container een theeschenkerij, zodat bezoekers even iets konden nuttigen. Het hele project duurde – inclusief de door de gemeente Zuidhorn opgelegde bouwstops–meer dan dertig jaar. Zijn veehouderij kwam daarna op een laag pitje te staan en Albert Harkema werd de gids op zijn eigen erf. In 2009 overleed zijn vrouw. Indie periode bleek ook Harkema een herseninfarct te hebben gehad. Uiteindelijk moest hij zijn hele hebben en houden verkopen en werd hij opgenomen in een verzorgingstehuis. Daar sleet Harkema de laatste jaren, nog altijd zijn verhalen vertellend.
(12-4-2011)


Pierre Celis (1925-2011)

De man en zijn witbier

Peter de Waard

Wat Bacchus was voor de Romeinen was Pierre Celis voor Vlamingen. De god van het witbier overleed zaterdagavond op 86-jarige leeftijd aan kanker. Ruim vijf jaar geleden slaagde Pierre Celis erin de brouwerij in Hoegaarden open te houden na een intensief gevecht met de biermultinational AB InBev, de eigenaar van Hoegaarden witbier. Het leverde hem het ereburgerschap van Hoegaarden op.
Celis was een simpele melkventer in het dorp Hoegaarden, dat tot na de Tweede Wereldoorlog een florerende bierindustrie had. In 1957 moest echter de laatste brouwer van witbier Tomsin de deuren sluiten omdat het witbier de concurrentiestrijd met pils leek te hebben verloren.
Pierre Celis had daar vaak gezien hoe het specifieke witbier werd gebrouwen. Hij geloofde er nog in en besloot in 1965 de productie weer op te pakken. Hij noemde zijn bier Hoegaarden witbier of bière blanche, want hij wilde hoe dan ook verkoopmogelijkheden hebben in Wallonië. Hij wist een partij confituurpotten op de kop te tikken waarin het bier moest worden uitgeschonken. Dit werd de basis voor het nu zo klassieke glas waarin witbier moet worden gedronken.
In 1978 stichtte Celis de brouwerij NV De Kluis en een jaar later verhuisde Celis van zijn eenmansbrouwerij naar de huidige fabriek. In 1985 vloog die in de brand. Celis kon alleen een herbouw financieren door in zee te gaan met AB InBev (toen nog Interbrew).
Pierre Celis verhuisde daarna naar de Verenigde Staten en richtte in 1992 in Austin, de hoofdstad van Texas, een nieuwe brouwerij op, die Celis White op de markt bracht. Die verkocht hij tien jaar later aan het concern Miller.
Teruggekeerd in België besloot hij Grottenbier te gaan brouwen. In 2005 wilde InBev de productie van witbier in een nieuwe brouwerij in Jupille concentreren. Maar dankzij een campagne van Celis werd dit voorkomen. Andermaal wilde hij nu weer naar de VS gaan om daar weer opnieuw te beginnen. Maar door ziekte lukte dat niet meer.
Celis heeft alles samen 25 types gebrouwen, van witbier tot Grand Cru, Verboden Vrucht, Grottenbier en Celis White. In de jaren negentig werd witbier een hype en kwam elke brouwerij met zijn eigen variatie. Maar Hoegaarden bleef de moeder van alle witbier. AB InBev distribueert Hoegaarden nu wereldwijd.
(11-4-2011)


Hans Martens (1945-2011)

De laatste van de circus-Boltini’s

Peter de Waard

Nog een keer waarde zijn aura rond. Vorige week maandag was op Het Laar in Tilburg een circustent opgezet voor de begrafenisplechtigheid van Hans Martens, een van de laatste grote circusexploitanten van Nederland. Op 19 maart overleed hij aan de gevolgen van kanker. De voorstellingen van zijn circus – het Staatscircus van Moskou - waren toen al geannuleerd. Of dat ooit nog wordt opgepakt, is een grote vraag. Hans Martens zelf zal er nooit van loskomen. Als er een ander leven is na de dood, dan is het in het circus. ‘ Ik ga heen maar ik ben niet weg, ik kan het circus niet verlaten’, stond op de condoleancekaart.
Martens was degene die in 1990 Oleg Popov, waarschijnlijk de beroemdste circusclown ooit, naar Nederland haalde toen perestroijka en glasnost de grenzen van de Sovjet-Unie opende.
Martens wordt in december 1945 geboren. Hij is de oudste zoon van Mimi Boltini en de eerste kleinzoon van de goochelaar Johan Akkerman die de artiestennaam Boltini heeft aangenomen. Voor de oorlog trekt deze Boltini met een variété-theater langs de kermissen in Nederland. Johan Boltini en zijn jonge tienerzonen Willi, Toni en Johnny koesteren aanvankelijk sympathie voor de nieuwe orde, maar later worden ze ook actief in het verzet.
In de oorlog is voor kermisreizigers door een gebrek aan benzine en diesel het werken onmogelijk. Hierdoor ontstaat het idee te beginnen in een vaste tent. Als begin jaren vijftig ook dieren (leeuwen) worden aangekocht, is er een echt circus. Toni Boltini is de grote man, maar ook de andere familieleden werken erin mee. Een van hen is Mimi Boltini die al jong is getrouwd met Johnnie Martens, die werkt bij een dierenpark op de Cauberg bij Valkenburg en later ook een restaurant en discotheek daar zou exploiteren. Hans Martens wordt in 1945 geboren en zo gauw hij kan lopen wordt hij – net als zijn vijf broers en zusters – ingeschakeld bij de voorstellingen. Mimi scheidt al in 1947 van Martens en hertrouwt met Herman Lijffering. Samen met Willi Boltini begint Lijffering zijn eigen circus Tosca, waarin Hans met zes pony’s de act ‘Hongaarse Post’ heeft. Vervolgens werkt Hans Martens vanaf 1961 in circussen in België en Zuid-Afrika. Hij ontwikkelt zijn eigen ‘vliegende trapeze act’. Als hij in 1967 terugkeert in Nederland vormt Martens zijn eigen trapezegroep ‘De Valkenburg Flyers’, waarmee hij dertien jaar lang in vele Europese circussen optreedt. Martens heeft de moeilijke taak van vanger – hij moet de mensen die van de rekstokken springen en driedubbele salto’s maken weer bij de armen vastpakken en ook weer teruggooien. Hij trouwt met een Spaanse danseres met wie hij één dochter krijgt. Later zou hij nog twee keer trouwen.
Eind jaren zeventig wordt Hans Martens te oud voor het trapezevak. Hij vindt emplooi als bedrijfsleider bij het Russische staatscircus en raakt bevriend met de grote Russische clown Oleg Popov. In 1980 begint hij met Willem Smitt een eigen circus onder de naam Circus Holiday. Hij koopt drie Afrikaanse olifanten, huurt zangeres Conny Vink in als spreekstalmeester en laat Ramses Shaffy een komische act verzorgen. Maar pas na de val van het communistische bewind kan hij zelf Popov vragen in zijn circus op te treden dat meteen wordt omgedoopt tot het Staatscircus van Moskou. Bij de première in 1991 in Amsterdam is prinses Juliana nog aanwezig. In 1988 scheiden de wegen van Smitt en Martens. Smitt begint zijn eigen Russische staatscircus dat vooral door Duitsland toert, Martens gaat verder met het Staatscircus van Moskou. Geldproblemen zijn nooit een beletsel. Antoinette Hendriks – een nicht van Hans Martens - noemt grenzeloze optimisme zijn grote kracht. ‘Soms konden mensen blind van woede bij hem binnenstappen. Maar als ze Hans dan zagen, smolten ze en wisten ze niet eens meer waarover ze zo boos waren.’
Hans Martens is naast zijn moeder Mimi Boltini begraven in Breda. Veel te vroeg. Volgens Antoinette Hendriks wilde hij eigenlijk nog jaren doorgaan. ‘In december was hij 65 jaar geworden. Maar het circus was zijn leven.’


Willem Cordia (1940-2011)

De Onassis van Rotterdam

Peter de Waard

Hij werd de Onassis van Rotterdam genoemd. Of Willem de Veroveraar. Met een vermogen van 330 miljoen euro stond Willem Cordia (70) op de 80ste plaats in de Quote 500. Art News rekende hem tot een van de grootste kunstverzamelaars in de wereld.
Willem Cordia – een van de laatste grote havenbaronnen in Nederland- is donderdag in de Zwitserse plaats Verbier onverwacht overleden als gevolg van een hartstilstand. ‘Hij was een man met een brede kennis en een grote maritieme statuur’, zo zegt Elly Groenendijk van HES Beheer, het bulkoverslagbedrijf dat hij in 1997 samen met de gebroeders Peterson redde.
Behalve bij HES Beheer, het offshore reparatiebedrijf Workships en het kraanbedrijf Huisman, was hij commissaris bij textielbedrijf Van Heeck Ten Cate en nog een zestal andere ondernemingen die in verschillende bedrijfstakken werkzaam waren. Hij had belangen in hotels, kuuroorden en olievelden. Hij was ook een bekend paardenfokker en jarenlang de grote man achter het CHIO in Rotterdam.
Cordia werd in Rotterdam geboren als de zoon van een Shell-ingenieur maar groeide op in Arnhem. In 1958 kwam hij als leerling-stuurman terecht bij de Holland Amerika Lijn. Tijdens de vele Atlantische oversteken behaalde hij zijn MO Wiskunde en raakte geboeid door het vervoer van goederen over de wereldzeeën. Hij besloot in 1967 twee studies te combineren – een aan de Hogere Zeevaartschool voor gezagvoeder en een aan de Economische Hogeschool in Rotterdam voor doctorandus economie. ‘Ze zaten tegenover elkaar, dus ik hoefde maar even over te steken.’ Nadat hij beide studies had voltooid, trad hij in dienst bij het cargadoors- en stuwadoorsbedrijf Furness. Hij trouwde snel daarna met Marijke Laan wiens vader een rederij had in zware ladingen. Hier werd hij meteen directeur. Dit gespecialiseerde bedrijf Dock Express nam een grote vlucht toen in de jaren zeventig complete olieraffinaderijen over de wereld werden verscheept. In 1983 verkocht de familie Laan het bedrijf voor veel geld aan rederij Van Ommeren. Cordia ging aan Harvard Businness School studeren maar richtte meteen een eigen familie-onderneming op. In 1986 trad hij voor het eerst uit de anonimiteit door te trachten zijn oude werkgever Furness (dat later zou worden overgenomen door Pakhoed) tot een ander beleid te dwingen.
Maar het liefst bleef hij op de achtergrond. Hij werkte in de tweede helft van de jaren tachtig vaak samen met andere investeerders – zoals Jan Onderdijk, Berry van den Brink, ex-directeur Peter de Ridder van het Centraal Planbureau en de nu omstreden Joep van den Nieuwenhuyzen – bij grote overnames in de Rotterdamse haven. Samen vormden ze de Groupe Courtier. Meestal nam hij een klein belang in bedrijven van wie de directie hem vertrouwen inboezemde (‘dat zie ik binnen een kwartier’), zoals ECT, bergingsbedrijf Wijsmuller. Maar niet alles was een succes. Zo verloor hij vele miljoenen bij de mislukte investering in TV10 eind jaren tachtig. ‘Waar Cordia is, is ook nieuws’, zo schreef Jort Kelder in Quote. De aandacht voor paarden kwam door zijn dochter die zo gek was op de televisieserie Black Beauty. Al snel had hij zijn eigen stal Juwelenhof waarvoor ondermeer Olympisch kampioen Piet Raymakers voor reed.
Daarnaast was Cordia een bekend schilderijenverzamelaar met als topstuk Stilleven met Korenbloemen van Vincent van Gogh Hij bleef echter ook als ondernemer actief. Twee jaar geleden stapte hij op bij Smit Internationale omdat hij het niet eens was met de overnamebod van Boskalis. Cordia woonde jarenlang in het Belgische Brasschaat, maar verhuisde later naar Zwitserland
(2-4-2011)


Ben Pauw (1943-2011)

Een bekwaam ristelaar

Peter de Waard
Vorige week vrijdag was hij nog op kantoor. ‘Kan jij dit even doen?’ ‘Vergeet je die klant niet?’ Ben Pauw was 67 jaar oud. Drie maanden eerder was bij hem een fatale vorm van alvleesklierkanker geconstateerd. ‘Maar van stoppen wilde hij niet weten. Hij werkte eigenlijk nog steeds zeven dagen per week’, zegt zijn collega Meindert Stolk van het bureau Pauw Sanders Zeilstra Van Spaendonck. Hoewel Pauw van zijn ziekte op de hoogte was, had hij zelf al zijn eigen 25-jarig jubileumfeest georganiseerd. Het jubileumboekje was al gereed. Afgelopen zondag overleed hij.
Pauw geldt als de godfather van de public affairs in Nederland, een mooi woord voor lobbyen. Hij begon in 1986 in de wandelgangen en borrelgelegenheden in en om het Binnenhof de zaken van bedrijven te bepleiten. Zijn eerste klant was Joep Brentjes van het toenmalige VNU, dat naast publiekstijdschriften als Libelle, Margriet en Revu ook kranten uitgaf. VNU had ambities. Zo wilde Brentjes een commercieel televisiekanaal beginnen. Ben Pauw moest de Haagse politici voor zich zien te winnen. ‘Hij was een eersteklas adviseur’, blikt Brentjens terug. Tot die tijd hadden politieke partijen vooral contacten met de maatschappelijke organisaties van de eigen zuil. Maar in de jaren tachtig was de ontzuiling voltooid en moesten bedrijven op een andere manier hun standpunten in Den Haag zien kenbaar te maken. Pauw was daar de ideale figuur voor: aimabel, oprecht geïnteresseerd, onvermoeibaar en bescheiden.
Pauw werd in Rijswijk geboren en studeerde rechten in Tilburg. Zijn eerste baan was die van adjunct-secretaris van het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW). Later werd hij hoofd interne en externe communicatie van de Sociaal-Economische Raad (SER). In 1986 begon hij zijn eigen bureau public affairs Pauw & Partners dat later zou opgaan in Van Spaendonck en uiteindelijk met Sanders & Zeilstra zou fuseren tot een bureau waar nu dertig mensen werken.
Pauw voldeed niet aan het beeld van de Hollywood-lobbyist, een man met een snelle auto die tijdens copieuze diners en drankorgiën vooral gebakken lucht probeert te verkopen. Hij nuttigde in perscentrum Nieuwspoort liever een broodje ham en reed daarna op een tweedehands Tomos-brommer met wapperende jas en sigaar naar zijn Haagse cliënten. Lobbyen was niet alleen mensen bewerken. Voor Pauw was het ‘ritselen’ een echt vak. Samen met hoogleraar politicologie Rinus van Schendelen schreef hij boeken over de kunst van het lobbyen. Lobbyisten waren geen boodschappenjongens, maar mensen die moesten analyseren, tegengas moesten geven en zeggen wat haalbaar was. ‘Hij was niet alleen een vakman. Hij was iemand die werd vertrouwd en ook kon worden vertrouwd’, zegt voormalig parlementair journalist Max de Bok. Daarom lukte het bijvoorbeeld de bouwlobby tijdens het kabinet Lubbers-Kok een verhoging van de huurwaardeforfait te voorkomen. Het lukte niet om de Hoge Snelheidslijn in Den Haag te laten stoppen; er kwam wel een aftakking naar het kopstation. Ook kreeg Pauw voor elkaar dat de kleine tabakshandelaren toch zwakalcoholische drank mochten verkopen toen minister Els Borst dat via een wijziging van de drank- en Horecawet probeerde te voorkomen.
Cliënten kwamen nooit bedrogen uit. Veel van hen werden zelfs zijn beste vrienden. Ze kwamen op zijn jaarlijkse Haagse nazomerborrel. Op de laatste, op 9 september vorig jaar, waren onder anderen Alexander Pechtold, Ed Nijpels, Ruud Lubbers, Hans Hillen en Marja van Bijsterveld aanwezig. Veel CDA’ers, want Ben Pauw wist het lidmaatschap van deze partij en zelfs zijn schrijvende werk voor partijblad CDActueel te combineren met zijn lobbywerk. De Bok: ‘Hij was enerzijds heel close met toenmalig premier Lubbers, maar stond anderzijds ook boven de partijen.’ Zijn contacten met Lubbers bleven heel nauw. De premier besloot op Pauws advies zelfs het hoogleraarschap in Tilburg in plaats van in Rotterdam te aanvaarden.
(31-3-2011)


Frans Moerland 1933-2011

De laatste molenaar

Peter de Waard

Hij was een van de laatste echte molenaar van Nederland. Op 1 maart overleed door een hartstilstand Frans Moerland (77), voor wie het malen op windkracht nog een broodwinning was. Volgens zijn broer Kees Molenaar (78) had hij de dag daarvoor de wieken van zijn molen in Halsteren nog laten draaien om tarwe, gerst, rogge en mais te malen.
‘Hij had zijn vaste klanten. Veel Marokkanen en Turken kochten bij hem 5 kilo meel voor 3,50 euro.’ Frans j was nog lang niet van plan op te houden. ‘Ik ga door zo lang het nog kan en dat is wat mij betreft heel lang’, vertelde hij in december nog aan een lokale krant. ‘Eigenlijk was hij helemaal gezond. Frans mankeerde nooit iets. En ineens hield het op’, aldus Kees.
De karakteristieke witte korenmolen ‘St. Antonius’ met groene deur is een baken in het landschap van West-Brabant. En dat was eigenlijk ook de witte krullenbos van de molenaar Frans Moerland. Hij was een bekend gezicht. Suus zoals zijn bijnaam luidde - naar Franciscus - was bijvorbeeld vaak op het voetbalveld van de zeer katholieke vereniging RKSV?Halsteren te vinden, hoewel hij zelf van protestantse huize was.
Hij was de derde generatie in de molenaarsdynastie. Zijn grootvader Anthony Moerland begon hier in 1909 koren te malen. Na zijn dood nam diens zoon Gerard Moerland de molen over. De jonge Frans was gefascineerd door het vak. Oudere Brabanders herinneren hoe hij samen met zijn vader Gerard langs de boerderijen kwam om veevoer te bezorgen. Ze deden dat toen nog met paard en wagen en dat alles in een tempo van die tijd: stapvoets.
In 1979 werd Frans de derde molenaar. Al gauw werd duidelijk dat de tijd van paard en wagen voorbij was en dat hij van het malen alleen niet langer zou kunnen leven. Daarom combineerde Frans het molenaarsbestaan met een veevoederbedrijf. De laatste jaren leverde hij vooral het voer aan de hobbyboeren en de talrijke maneges en fokkerijen rond Halsteren. Zijn klanten haalden bij hem het voer of hij bracht het zelf.
Maar hij bleef in de eerste plaats de plaatselijke molenaar, altijd met een meelpetje op zijn hoofd. ‘Het was meer dan een liefhebberij. Het was een hartstocht’, zegt Kees Moerland die zelf 43 jaar instructeur was op een flight simulator van de Koninklijke Luchtmacht.
Frans was de eeuwige vrijgezel en toen Kees zijn vrouw vrouw enkele jaren geleden overleed trok hij bij zijn broer naast de molen in. ‘Bij windkracht 3 of 4 liet Frans altijd de molen even draaien. Alleen liepen de kosten enorm uit de hand. Het onderhouden van een molen kost tegenwoordig tienduizenden euro’s per jaar. ’
In augustus 2002 brak bij het malen de binnenroede. Moerland maalde twee jaar lang met één binnenroede door. Daarna werd de molen stilgezet voor restauratie. Er kwam een stichting Vrienden van de St. Antonius tot stand die dankzij particuliere giften meehielp met de financiering. Mogelijk zal deze stichting de molen nu ook in eigendom overnemen. Kees Moerland heeft zelf geen verstand van het molenaarsvak. ‘ Frans probeerde jongeren te interesseren voor het werk, maar de meesten haakten al snel af. Maar er is een jonge knaap van 18 jaar. Die heet Raymond. En die zou er wel verder mee willen gaan. Mogelijk kan het een toeristische attractie worden.’
Frans is op 5 maart begraven. Op die dag stonden de molens in Brabant in de rouwstand. Honderden mensen uit heel Brabant waren op de uitvaart afgekomen. En iedereen wist dat met zijn uitvaart ook een oud vak ten grave werd gedragen.
(29-3-2011)


Bert Heemskerk (1943-2011)

Rabo’s missionaris in krijtstreep

Peter de Waard

Hij werd een bankier in habijt genoemd. Of een missionaris in krijtstreep. Bert Heemskerk leidde van 2002 tot 2009 de Rabobank. Dinsdag overleed hij na een kort ziekbed in zijn woonplaats Noordwijk. De huidige bestuursvoorzitter Piet Moerland zei gisteravond geschokt te zijn door het toch plotselinge overlijden van Heemskerk die het laatste decennium zijn stempel op de Rabobank heeft gedrukt, vooral tijdens de kredietcrisis.
Dankzij de coöperatieve structuur en een omzichtig beleid hoefde de Rabo niet zoals de concurrenten ING, SNS, ABN?Amro en Fortis bij de staat aan te kloppen voor steun. Ook had hij een broertje dood aan prestatiegerelateerde bonussen. ‘Ik heb 23 jaar bij de Amrobank gewerkt en 23 jaar zonder bonussen.’ Heemskerk groeide op in Noordwijkerhout in een katholiek gezin van acht kinderen. De plaatselijke pastoor predikte hel en verdoemenis, maar Heemskerk vond dat, zo zei hij in een interview met de Volkskrant, op een bepaalde manier wel machtig. Hij ging theologie en filosofie studeren. En hij studeerde af bij niemand minder dan Joseph?Ratzinger, de huidige paus. ‘Hij was een extreem inhoudelijke en zachtaardige man.’
Het offer van het celibaat weerhield hem uiteindelijk pastoor te worden. ‘Ik zag mijzelf toch niet in habijt lopen.’ Hij koos voor het krijtjestreep wat hij ook daadwerkelijk bijna altijd zou dragen. Heemskerk werd bankier. In 1969 begon hij zijn carrière bij de Amro Bank. Hij zou voor deze bank naar vele landen worden uitgezonden. In 1991 maakte hij de overstap naar de private bank Van Lanschot in Den Bosch. In 2002 zette hij de kroon op zijn carrière bij de Rabobank. Piet Moerland: ‘Hij ontdekte tot zijn eigen, niet geringe verbazing dat coöperatief bankieren echt bestaat. En dat klantwaarde geen slap aftreksel is van aandeelhouderswaarde.’
Heemskerk schuwde het niet om zich uit te spreken over grote maatschappelijke problemen zoals de voedselproblematiek en de opwarming van de aarde. In 2003 sprak hij zich duidelijk uit tegen de oorlog in Irak, waar ook de regering van Jan Peter Balkenende aan meedeed. Hij zei tijdens de kredietcrisis ook dat president Bush de verkeerde Amerikaanse banken redde. Moerland: ‘Bert geloofde in de maakbaarheid van de wereld en vond terecht dat ook een bancaire dienstverlener kan en moet bijdragen aan een leefbare wereld.’ Zo schreef hij een boek over duurzaam bankieren ‘Een gezonde krimp’, aldus Moerland. Hij bemoeide zich zelfs met de uitsluiting van de Rabo-renner Rasmussen in de Tour de France.
De financiële crisis brak in 2007 uit in het jaar dat Heemskerk met pensioen zou gaan. Vanwege de ernst van de crisis besloot hij nog twee jaar aan te blijven. Hij liet tijdens de crisis continu van zich horen. Hij legde de oorzaak bij de zelfverrijking van bankiers. Op de vraag of iedere bank het Rabomodel zou moeten hebben, zei hij in 2009: ‘Dat zou absoluut een borg voor een betere wereld zijn.’
(23-3-2011)


Hans Boskamp (1932-2011)

Van voetbalinternational tot vermaard acteur

Peter de Waard

Hij was een goede voetballer, maar dat was in het pré-televisietijdperk zodat hij daar nog niet bekend mee werd. Hans Boskamp, die dinsdag op 78-jarige leeftijd in zijn woonplaats Dordrecht aan een herseninfarct overleed, werd pas beroemd toen hij als acteur op de televisie kwam. Zijn rollen als Lange Pier in de serie Floris met Rutger Hauer en oom Titov in Ti Ta Tovenaar – een dagelijkse serie in het begin van de jaren zeventig – maakte van hem een bekende Nederlander. Hij zou in die tijd ook rollen spelen in de filmklassieker Turks Fruit – ook met Hauer – en televisieseries als Ja Zuster, Nee Zuster (met het lied Stroei Voei) en Sil de Strandjutter.
Of voetbalinternational, acteur en zanger niet genoeg waren voor een kleurrijk leven, beoefende Bosman ook enige tijd het beriep van kastelijn, hoekman op de beurs, spreekstalmeester in het circus, directeur van een platenmaatschappij en manager van artiesten. Hij was de man die de Lennon en Yoko Ono in 1969 begeleidde bij hun bed-inn voor de wereldvrede in het Amsterdamse Hilton Hotel. ‘Stilzitten is niets voor mij. Ja, af en toe een boek en een wijntje, maar in godsnaam geen geraniums voor m'n neus', zei hij ooit.
Hij werd in Rotterdam geboren als zoon van de joodse acteur Johan Hoelscher die als chansonnier, operazanger en acteur het pseudoniem Boskamp hanteerde. Zijn moeder was katholiek. Toen het gezin naar Amsterdam verhuisde nam ook Hans de naam Boskamp aan. Zijn vader wilde dat hij niet zou acteren, maar het bloed kroop waar het niet kon gaan. ‘Ik ben achter het toneel geboren, tussen de coulissen’, verklaarde hij. Hij was een intelligente jongen. Na het Barlaeus-gymnasium ging hij rechten studeren en ging werken bij een bank. In die tijd was hij ook gaan voetballen bij Ajax.
Als voetballer was hij een creatieve jongen – een schauspielerer noemde bondscoach Elek Schwartz hem nog. Hij begon als aanvaller maar Ajax-coach Jack Reynolds zette hem begin jaren vijftig linksback. Toen er een wilde profcompetitie ontstond ging Hans Boskamp spelen bij de profclub Amsterdam dat later opging in DWS. Tussen 1952 en 1954 speelde Boskamp vier keer voor het Nederlands elftal – twee keer tegen Zwitserland en twee keer tegen Denemarken. Hij beroemde zich er op dat hij daarnaast ook nog 47 keer reserve was. In 1960 werd zelfs ter gelegenheid van zijn 40ste reservebeurt een feestje georganiseerd. In werkelijkheid was hij maar zeven keer reserve. Boskamp kwam in 1957 in een wedstrijd tegen MVV zo hard in aanraking met een tegenstander dat zijn oogkas werd verbrijzeld en splinters tot enkele centimeters van zijn hersenen doordrongen. Drie maanden later speelde hij weer. ‘Hij was een redelijk goede back’, zo herinnert Volkskrant-sportjournalist Ronald ten Brink hem. ‘Arrogant. Met de borst naar voren.’
Als acteur en zanger brak hij door in de zestiger jaren. Zijn vader had een vervanger nodig voor Johan Kaart die in 1960 uit de het al tien jaar lopende toneelstuk Potasch en Perlemoer stapte. Hans kreeg een kans die hij meteen aanpakte. Andere rollen in musicals als Anatevka en Hair volgden. Hij genoot van zijn celebrity-status en was niet wars van gekke dingen. Zo nam hij met zijn oude voetbalmaatje Rinus Michiels een bekend duet uit de Parelvissers op. Hij bleef zijn hele leven een veelgevraagd musical- en televisie-acteur. Zo speelde hij in de laatste dertig jaar in series als Dossier Verhulst, Oppassen!, Baantjer, het Zonnetje in Huis en Toen was geluk heel gewoon. Ook gaf hij voorstellingen met Jiddische liederen en trad hij op in de musical My Fair Lady. In 2006 speelde hij zijn laatste rol in een Sinterklaasaflevering. Hans Boskamp werd in mei 2008 ziek nadat hij streptokokkenbacterie had opgelopen. Hij bleek uitgedroogd en zijn nieren functioneerden niet goed meer.
(23-3-2011)


Klaas de Jong Ozn (1926-2011)

Leraar, schrijver, staatssecretaris en redder van het Friesch Dagblad

Peter de Waard

‘Een stamboek gereformeerde intellectueel’, zo noemt zijn zoon romancier Oek de Jong (58) – ondermeer Opzwaaiende Zomerjurken - zijn vader Klaas de Jong Obzn die op 28 februari in Sneek overleed. Hij was een enorm veelzijdig persoon: leraar, rector, musicus, columnist, dichter, prozaschrijver en staatssecretaris van Onderwijs in twee kabinetten – die van Den Uyl en Van Agt.
Hij kwam uit ‘de emancipatiebeweging van de kleine luyden’ – een echt ARP-nest in Drachten. Hier had zijn vader voor de oorlog een meubelzaak met wat toen nog heette tien gezellen. Na veel omzwervingen kwam hij weer terug in Friesland om uiteindelijk te worden begraven in de Friese klei. ‘Hij was wat je noemde een Een Fries om utens – een Fries buiten Friesland. Zelfs toen we in Goes woonden, waar mijn vader rector was van het Lyceum, kwam de Dokkumer Courant bij ons thuis.’
Klaas de Jong verkeerde in de jaren zeventig binnen de ARP op de progressieve vleugel van Aantjes en Boersma. ‘De ARP was altijd een partij die goed kon regeren met de PvdA. Mijn vader kon heel goed opschieten met toenmalig minister van Onderwijs Jos van Kemenade. Ze hebben samen heel nauw samengewerkt bij de plannen voor de Middenschool.’ De christelijke en Friese achtergrond verklaart ook zijn enorme inzet voor het Friesch Dagblad – eigenlijk de nog enige overgebleven verzuilde regionale krant. ‘Zonder Klaas de Jong had het Friesch Dagblad niet meer bestaan’, zei de hoofdredacteur Lútsen Kooistra op de uitvaartdienst.
Zijn moeder was een onderwijzeres. Klaas was de oudste in een gezin van vijf kinderen. Hij studeerde Nederlands en geschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. In 1953 werd hij leraar in Dokkum, van 1960 tot 1972 was hij rector in Goes – waar zijn zoon Oek les van hem kreeg - en van 1972-1975 rector van het Farel College in Amersfoort. Hij was een gedreven leraar met een eigen visie op het onderwijs. Hij had toen al veel bestuursfuncties, waardoor hij in 1975 werd gevraagd voor de post van staatssecretaris van Onderwijs in het kabinet-Den Uyl. Vanaf 1978 zette hij die functie voort in het kabinet-Van Agt/Wiegel voor het CDA. ‘Het klikte beter met Van Kemenade dan met Pais die in dat laatste kabinet minister van Onderwijs was. Maar ook in die periode heeft hij veel kunnen betekenen – met name voor de scholenbouw’, aldus Oek de Jong. In zijn laatste jaar als staatssecretaris verdedigde hij met succes een wetsvoorstel in de Tweede Kamer dat het verschil tussen gymnasium alfa en bèta en atheneum alfa en bèta zou opheffen
Zijn vader was van 1982 tot 1991 voorzitter van de Unie School en Evangelie. In die functie reisde hij veel naar Indonesië en Afrika. Hij ging steeds meer schrijven. Zijn enorme kennis van de parlementaire geschiedenis gebruikte hij voor columns voor de Haagsche Courant. Verder schreef hij onder andere dichtbundels zoals Even ritselt het papier (1989) en Cantus firmus (1991), alsmede de novellenbundel Kiezen. Hij ging kerkmuziek componeren en werd voorzitter van de Gereformeerde Organisten-Vereniging. Hij werkte mee aan het Liedboek voor de Kerken en als cantor-organist.
In de jaren tachtig was hij ook lid van de redactiecommissie van het Friesch Dagblad worden. Tien jaar later leek de krant ten dode opgeschreven, Samen met dominee. Ype Schaaf en professor. Klaas Runia wist De Jong een klimaat te scheppen waarin de krant uiteindelijk de problemen te boven kon komen.Zijn levenswerk werd de tweedelige geschiedschrijving over het Friesch Dagblad onder de titel Zij zullen het niet hebben. Op zijn overlijdensdag verscheen nog een column van zijn hand waarin De Jong zijn grote zorgen uitte over de landelijke politiek en over het CDA in het bijzonder.
(22-3-2011)


Paul van Hilten (1947-2011)

De stem van de Albert Cuyp

Peter de Waard

Het was een schok op de Albert Cuyp: op 10 maart is groenteman Paul van Hilten overleden. Hij was een van de bekendste gezichten van wat de grootste dagmarkt van Europa heet te zijn.
Paul van Hilten stond sinds mensenheugenis in de groentestal. Hij kwam er al als kind, met zijn opa. Dat moet meer dan vijftig jaar geleden zijn geweest. Zijn welluidende stem was in Amsterdam even bekend als die van Philip Bloemendal die ooit de metrostations omriep. Van Hilten kwam om het leven door een verkeersongeluk, nadat hij achter het stuur een hartaanval had gekregen. Niemand kon het zich voorstellen. Hij was pas 63 en leek onsterfelijk. ‘Als marktkoopman had hij geen vijanden. Hij had alleen maar vrienden’, zo wordt gezegd in koffiehuis De Markt.
Zijn groentestalletje op de Albert Cuyp is er nog. Er brandt een kaarsje, er is een condoleanceboek, er hangt een foto van hem en overal liggen bloemen en bloemstukken. Vandaag wordt hij begraven op de Nieuwe Ooster. Klanten noemen hem een magiër. ‘Hij kon zo voordelig zijn, omdat zijn komkommers niet altijd even recht waren. Als je ’s ochtends kwam, kon hij achteloos minderwaardige paprika’s terzijde gooien, tot hij die ene perfecte voor jou had gevonden. Je zou zeggen dat hij aan het eind van de dag alleen maar rotzooi overhield, maar dit kunstje herhaalde hij moeiteloos om half 5 als iedereen al weg was en hij nog handel dreef’, schrijft een klant op het internet.
Een andere noemt hem de ‘alleraardigste, allereerlijkste en allerwijste marktkoopman’. ‘De Cuyp zal nooit meer zijn zoals het was.’ Een van zijn klanten is wetenschapscolumniste professor Marita Mathijsen: ‘De marktlieden en bezoekers zijn geschokt, want Paul was de aardigst denkbare groenteman en tevens vakman die zich niet inliet met allerlei liflafgroenten. Bij hem kon je terecht voor een halve selderijknol, hij verpakte erwtensoepgroenten in een krant en verkocht uiteraard zuurkool uit het vat.’ Van Hilten was een vernieuwer. Zo ontdekte hij dat Surinaamse en andere allochtone klanten de groente wilden aanraken voordat ze het kochten. Dat was niet mogelijk. ‘Je bestelde je sperziebonen en de groenteman deed ze in een papieren zak. Paul stalde zijn waar zo uit dat ook de nieuwe Nederlanders klant werden’, zegt een voorbijganger. Mathijsen: ‘Het vreemde is, dat Van Hilten alleen groente verkocht voor de Hollandse pot. Zijn nieuwste groente was misschien nog de broccoli.’
(17-3-2011)


Jan Verwer (1946-2011)

Wiskunde als hoogste vorm van denken

Peter de Waard

‘Een dag zonder fouten is een dag zonder wiskunde’, is de titel van de oratie die Jan Verwer in 2001 uitsprak bij het aanvaarden van het ambt van hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Verwer was een vooraanstaand onderzoeker in de numerieke wiskunde. In januari ging hij met emeritaat en werd hij geridderd in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Nog geen maand later, op 16 februari, overleed hij in zijn woonplaats Heiloo aan een hartstilstand.
Jan Verwer groeide op in een tuindersgezin van elf kinderen in Heerhugowaard-Noord. Net als zijn broers werd van hem verwacht dat hij met zijn handen zou gaan werken. Zijn ouders stuurden hem daarom naar de ambachtsschool. Verwer vond er het zijne van en weigerde na drie weken impelweg nog naar deze school te gaan.
Hij volgde mulo-A en -B, waar een enthousiaste docent zijn interesse voor wiskunde wekte. Jan Verwer werd toegelaten tot de hbs en bewees later zijn oudere broer – die samen met hun vader het landbouwbedrijf bestierde – een broederdienst door in zijn plaats de militaire dienstplicht te vervullen. Dit bood hem de gelegenheid in de avonduren een LOI-cursus wiskunde te volgen, waarna hij werd toegelaten tot de Universiteit van Amsterdam. Na zijn afstuderen werd hij in 1973 aangenomen bij het CWI, het Centrum Wiskunde & Informatica in Amsterdam, waar hij in 1977 promoveerde.
Hij ontwikkelde zich bij het CWI tot een gerenommeerd onderzoeker.Hij stortte zich op de numerieke wiskunde, een relatief jong vak waarmee door middel van algoritmen problemen in de natuurkunde en techniek worden opgelost. Hij schreef er twee standaardwerken over en publiceerde vele artikelen, begeleidde jonge onderzoekers en vervulde wetenschappelijke en bestuurlijke functies.
‘Het is tegenwoordig uniek dat iemand hier 37 jaar werkt’, aldus zijn CWI-collega Willem Hundsdorfer.
In de numerieke wiskunde deed Jan pionierswerk in wat Hundsdorfer ‘de ontwikkeling van impliciete en expliciete methoden’ noemt. ‘Als je bijvoorbeeld ‘x + 3/x =1’ zegt, werk je met één onbekende. In de numerieke wiskunde werkt men met computermodellen waar er wel tien miljoen of honderd miljoen onbekenden zijn.’ Die modellen zijn bedoeld als wiskundige benaderingen van de werkelijkheid, maar de keerzijde van benaderingen is dat ze per definitie niet exact zijn, aldus Hundsdorfer. ‘Daarom is een dag zonder fouten een dag zonder wiskunde.’
Verwer was internationaal vermaard om zijn wiskundige algoritmen voor computermodellen. Zijn rekenmethoden worden gebruikt in tal van toepassingen, zoals de weersvoorspelling op de langere termijn of het bepalen van de optimale vorm van vliegtuigvleugels voor vermindering van het brandstofgebruik. Dankzij zijn inspanningen is het nu mogelijk betrouwbare weersvoorspellingen over een periode van zes in plaats van drie dagen te doen. In 2004 werd het door hem geleide CWI-onderzoekscluster Modelling, Analysis and Simulation met het hoogst mogelijke cijfer beoordeeld. Ook leidde hij het miljoenenproject Bricks met succes en was hij jarenlang voorzitter van de landelijke WerkgemeenschapScientific Computing.
Jan trouwde in 1971 met Tineke Kraakman, de liefde van zijn leven. Samen kregen zij drie kinderen en in november werd hun eerste kleinkind geboren. Volgens zijn gezin wordt Jan tekortgedaan door wiskunde zijn werk te noemen. Het was zijn vak, passie en kunst. ‘Als er een schijnbaar onoplosbaar probleem was, dan bleef dat door zijn hoofd spelen. Hij moest het snappen’, zegt Tineke. ‘Hij noemde wiskunde niet voor niets de hoogste vorm van denken.’
(15-3-2011)


Toon Ebben (1930-2011)

Boegbeeld van de Nederlandse springsport

Peter de Waard

Hij was de eerste nationaal bekende springruiter na viervoudig gouden medaillewinnaar Charles Pahud de Mortanges.Toon Ebben was in de jaren zestig en zeventig het boegbeeld van de Nederlandse springsport. Zijn relativeringsvermogen, zijn sigaartje, zijn borreltje, zijn tweed jasje, zijn pet en zijn verantwoordelijkheidsbesef – hij ging vanwege de verzorging van zijn paarden nooit op vakantie – kenmerkten hem.
Anton (Toon) Ebben overleed op 4 februari op 80-jarige leeftijd na een langdurig ziekbed in zorghotel Jagtlust te ’s-Graveland. Ebben werd in 1930 geboren. Zijn vader was als pikeur werkzaam in de rijschool van de heren Van Loon in Tilburg. De jonge Toon (hij had nog één broer) wilde circusacrobaat worden, maar dat vond zijn vader te riskant. Hij besloot daarop ook in de stallen van Van Loon te gaan werken. Als jongeman ging hij in 1952 als groom met Max en Ernest van Loon mee naar de Olympische Spelen in Helsinki. In 1957 ging Toon Ebben van start in het Belgische Le Zoute in de eerste van de ruim zestig landenwedstrijden die hij voor Nederland zou rijden. In 1963 werd hij voor het eerst in Hoofddorp Nederlands kampioen.
Hij won ook de Nederlandse titel in 1970 in Arnhem met Abadan.Maar zijn sterkste troef was het paard Kairouan, in bezit van de Scheveningse vastgoedkoning Reinder Zwolsman, waarmee hij een koningskoppel vormde. Zij werden in 1966 vijfde bij het EK inLuzern en derde bij de Grote Prijs van Aken. Daarnaast hadden zij een groot aandeel in de tweede plaats die de Nederlandse equipe dat jaar wist te veroveren op het Rotterdamse CHIO.
Op grond van deze prestaties kwalificeerde Toon Ebben zich voor de wereldkampioenschappen in Buenos Aires. De reis werd een tiendaagse helletocht met treinen, vliegtuigen en auto’s over drie continenten. Niettemin werden Ebben en Kairouan in de eerste wedstrijd derde. In de derde en beslissende wedstrijd tikte Kairouan in de eerste manche vier balken uit de lepels en daar kwamen in de tweede ronde nog eens twee springfouten bij. Ebben haalde de finale niet.
Zijn carrière kwam in de jaren zeventig opnieuw in een stroomversnelling toen hij de van Millerole afstammende ruin Jumbo Design (in bezit van Jan des Bouvrie) mocht gaan berijden. Met dit paard nam Ebben deel aan de Olympische Spelen van 1976 in Canada.Met 7 jaar was Jumbo Design toen nog net iets te jong voor het grote werk, maar een jaar later won Ebben samen met Johan Heins, Henk Nooren en Harrie Wouters van den Oudenweijer goud op de Europese Kampioenschappen in Wenen. Op datzelfde kampioenschap won Ebben individueel brons. Dit Nederlandse ruiterteam werd Sportploeg van het Jaar en is daarmee de enige ruiterequipe die deze prijs ooit wist te winnen. In 1978 werd Toon Ebben Ridder in de Orde van Oranje Nassau. In dat jaar werd hij ook Nederlands Kampioen met Jumbo Design, zijn laatste grote succes. Na zijn carrière heeft hij voornamelijk leiding en advies gegeven aan de Stal de Limiten in het Gooi. Ebben was jarenlang getrouwd met Olga Verrijn Stuart, ook een bekende springruiter. Zij overleed tien jaar geleden. Het echtpaar had geen kinderen.
De laatste dertig jaar woonde Ebben in Naarden Vesting, waar hij een bekende persoonlijkheid bleef. Hij gaf zijn naam aan de Anton Ebben Award voor de succesvolste Nederlandse springruiter tijdens Jumping Amsterdam. Voor de rest verzorgde hij de paardrijlessen voor de koninklijke familie. Koningin Beatrix schreef hem nog een brief toen hij ziek werd.
(8-3-2011)


Han Peijnenburg (1924-2011)

De man die met ontbijtkoek heel Nederland veroverde

Peter de Waard

In Lech kwam hij in de sneeuw koningin Juliana tegen en hielp haar galant met oversteken. Ze bedankte hem en vroeg ‘U bent zeker verkenner geweest’. ‘Nee’, zei hij, ‘Ik ben Ridder in de Orde van Oranje Nassau, om u te dienen.’
an Peijnenburg overleed op 4 februari op 86-jarige leeftijd. ‘Mijnheer Han’ was in de woorden van zijn zoon Stephan de ouderwetse patriarch. De ontbijtkoekfabrikant uit het Brabantse Geldrop stond midden in de gemeenschap. Bij het wel en wee van zijn 150 werknemers was hij ten zeerste betrokken, net als dat van de hele plaats. Het was niet altijd een gemakkelijk heerschap. Hij was temperamentvol en kon zijn ongelijk maar moeilijk bekennen. Hij was de laatste Peijnenburg voor wie de koekfabriek nog een echt familiebedrijf is geweest dat hij helemaal zelf had uitgebouwd – ondermeer door de overnames van Klinkhamer in Groningen van de Groninger Koek en Wieger Ketellaper in Friesland van de Snelle Jelle.
Peijnenburg werd in 1883 in Geldrop door zijn grootvader Harry Peijnenburg opgericht als een van de vele bakkerijwinkels in de gemeente. De familie maakte brood, beschuit en ook koek.
In 1915 nam de tweede generatie het bedrijf over. Om twee zonen een bedrijf te kunnen geven werd Peijnenburg opgesplitst. De ene zoon kreeg de bakkerijwinkel en de andere zoon – Johan – de koekafdeling. Die specialiseerde zich in de industriële productie van de beroemde ontbijtkoek – naturel, met gember en rozijnen. In de loop van de jaren nam het assortiment enorm toe. Er werd speculaas, taai-taai, talloze koeksoorten en zelfs chocolade als bonbons geproduceerd. ‘Mijn grootvader had tien kinderen. Die wilde dat er ook voor ieder een bedrijfje zou overblijven’, vertelt Stephan Peijnenburg.
Uiteindelijk zouden twee zonen verder gaan met bedrijf: Henk en Han. De laatste werd in 1952 directeur van wat toen al een Naamloze Vennootschap was geworden. Han Peijnenburg ontwikkelde Peijnenburg van een regionale tot een nationale fabrikant. In 1967 moest in de eerste STER spot voor Peijnenburg gemaakt worden. Han Peijnenburg wilde graag de beroemde acteur Ko van Dijk, maar die had geen zin in om in een reclamespot op te treden. Hij besloot toen hem een speciaal geselecteerd pakket koeken te bezorgen. Ko van Dijk vond ze zo lekker dat hij alsnog zijn medewerking verleende. Toen Han Peijnenburg begon waren er in Nederland vijftig ontbijtkoekfabrikanten. Toen hij dertig jaar later stopte niet meer dan een handvol, waarbij Peijnenburg zelf 60 procent van de markt in handen had.
In 1988 stopte hij ermee en ging zijn zoon Stephan als laatste familielid nog 12 jaar door. In 2000 verkocht zijn familie het bedrijf aan het management en het risicokapitaalfonds Gilde Ventures dat het uiteindelijk weer doorverkocht aan het Belgische Lotus Bakeries.
‘Hij vond het moeilijk te begrijpen dat ik de mooiste baan in het mooiste bedrijf ter wereld opgaf en dat er geen Peijnenburg meer aan het roer stond, maar hij heeft dat uiteindelijk wel kunnen begrijpen’, zegt Stephan die daarna directeur van Max Havelaar zou worden.
Han Peijnenburg was jarenlang lid van het kerkbestuur in Geldrop. Ook was hij baldakijndrager bij de bedevaarten naar Handel. Hij zou na zijn pensioen veel reizen, ondermeer naar zijn favoriete Zuid-Frankrijk. Zijn hobby’s waren kunst en bloemen.


Nel Lievegoed-Schatborn (1909-2011)

De werkster achter de Lievegoeds heilpedagogie

Peter de Waard

Zogenoemde geneeskrachtige kruiden worden niet onherkenbaar verdund. En het wordt uitsluitend gebruikt in combinatie met reguliere gezondheidszorg.
Antroposofische heilpedagogie is minder omstreden dan homeopathie. Maar niet onomstreden. Er zijn critici die ook dit als kwakzalverij omschrijven. Maar er zijn hoogleraren en artsen die wel degelijk overtuigd zijn dat naast het lichaam er ook zoiets moet bestaan als een ziel of geest.
Op 4 februari overleed Nel Lievegoed-Schatborn. Ze was met een gezegende leeftijd van 101 en een half jaar tenminste een levend bewijs voor het succes van heilpedagogie. Meer dan zestig jaar was ze arts en directrice van Zonnehuizen Veldheim-Stenia in Zeist, waar antroposofische geneeskunde wordt toegepast op verstandelijk gehandicapte kinderen.
Ze was de weduwe van de in 1992 overleden onderwijsvernieuwer en schrijver Bernhard Lievegoed, de bekendste Nederlandse volgeling van Rudolf Steiner, de grondlegger van de antroposofie. Samen had het stel zes kinderen. Bij haar overlijden had Nel Lievegoed niet minder dan vijftien achterkleinkinderen.
Bernard Lievegoed begon al in 1931 op eigen kosten met een tehuis voor kinderen met een verstandelijke beperking, dat aanvankelijk in Bosch & Duin was gevestigd, maar later naar Zeist verhuisde.
Nel Schatborn werd in 1909 geboren aan de Bergweg in Rotterdam. Haar vader was een bekende directeur van een groothandelsbedrijf, die door een ongeluk overleed toen Nel nog maar 11 jaar was. Enkele jaren later kwam ze in aanraking met de leer van Steiner. Ze studeerde medicijnen in Leiden van 1926 tot 1934 en wilde zich eigenlijk vestigen als antroposofisch huisarts in Rotterdam, maar Lievegoed vroeg haar of ze niet in het drie jaar eerder opgerichte Zonnehuis wilde werken, omdat de toenmalig arts was vertrokken.
Schatborn zei ja. Meteen werd Nederland getroffen door een mazelenepidemie, zodat Lievegoed haar inzet goed kon gebruiken. Ze werden ook verliefd en trouwden een jaar later. Drie jaar woonden ze zelf in het tehuis, totdat ze in 1937 een nieuwe woning lieten bouwen aan de Prof. Sproncklaan.
In 1954 richtte Lievegoed het NPI (Nederlands Pedagogisch Instituut voor het Bedrijfsleven op), een van de meest vermaarde instellingen van de wederopbouw. Hij vroeg Nel: ‘Hoe zou jet het vinden als ik in de toekomst drie dagen per week van huis ben?’ Zij antwoordde: ‘Jij bent nu al drie dagen per week weg.’
Hierna richtte hij zich volledig op organisatieadviezen, educatie (hij werd hoogleraar aan de Erasmus Universiteit en mede-oprichter van de Universiteit Twente), de schrijverij (hij won zelfs een Gouden Ganzenveer) en uiteindelijk op de politiek (hij was een blauwe maandag lid van DS’70).
Het werk in het tehuis kwam volledig op de schouders van zijn vrouw terecht, die vanaf 1954 als directeur een managementteam van vijf mensen leidde. Zij deed zelf de toelating van de kinderen en blonk uit door haar fenomenale geheugen. Zo kende ze in die tijd elk jaar alle 270 kinderen bij naam. In 1976 ging ze gedwongen met pensioen, maar ze bleef nog tot haar 82ste jaar innig verbonden met het huis. Iedere morgen stond ze bij het ‘ochtendlied’ tussen wat ze zag als haar kinderen.
(21-2-2011)


Rinus Budding (1949-2011)

De laatste orgelman die nog echt naar de wijk kwam

Hij was een van de laatsten in een beroep dat bij de dorpssmid en scharensliep kan worden gezet: de voortrekkende orgelman.
Rinus Budding, die 20 januari op 61-jarige leeftijd is overleden, bleef tot zijn dood de echte orgelman. Hij trok langs de huizen in de Overvecht van Utrecht. Hij liet zijn draaiorgelmuziek horen, wars van moderniteiten. ‘Geen Jan Smit en K3 maar gewoon serenades, walsjes en marsen’, zegt zijn broer Joop Budding die zelf meestal zijn orgel neerzet bij de roltrappen van Hoog Catherijne zodat niemand aan zijn bakkie kan ontsnappen.
Joop (nu 44 jaar) was de jongste in een gezin van tien kinderen, Rinus de op een na oudste. Ze groeiden op in de Oranjestraat in wijk C, het centrum van Utrecht. Hier was vader Evert na de oorlog orgelman geworden, dankzij zijn vrouw Annie de Bruin die een draaiorgel had ingebracht als een soort van bruidsschat. De kinderen werden al op jonge leeftijd van school gehaald en moesten mee met vader om langs de deuren van de huizen te trekken en de kost voor het gezin te winnen.
In de jaren zestig kon Rinus zijn eigen draaiorgel huren. In Utrecht waren er al zes orgelmannen, zodat hij moest uitwijken naar omliggende gemeenten als Zeist en Driebergen. Uiteindelijk kon hij toch een plekje krijgen in Utrecht zelf.
Het gehuurde draaiorgel stond op een driewieler. ‘Er waren twee mannen nodig om het voort te duwen, een man was nodig om het orgel met de hand te bedienen en twee mannen om bij de huizen aan te bellen met het centenbakje’, herinnert Joop Budding zich. De kinderen moesten daardoor helpen. In principe moest een orgel echter met twee man kunnen worden bediend: een draaier en een manser. Laatstgenoemde liep met het mansbakje te mansen, geld op te halen op een vrij onontkoombare wijze, en verwisselde ook de orgelboeken. Draaier en manser wisselden elkaar af, want draaien met de hand is zwaar werk.
Rinus werd een markant figuur in de Utrechtse binnenstad. Hij had talrijke bijnamen: Bulkie, Rien of Bruintje – naar de achternaam van zijn moeder. Hij zou nooit trouwen, maar wel twee kinderen verwekken. Als hij niet met zijn orgel liep, dronk hij koffie in Hoog Catherijne. Uiteindelijk kocht hij ook zijn eigen draaiorgeltje, De Beauty genaamd. In de jaren negentig werd die door een pony voortgetrokken. Kinderen mochten vaak mee op de bok. Hij trok door de wijken Oog in Al en Wittevrouwen of hij stond met zijn draaiorgel bij het winkelcentrum Overvecht.
Rinus besefte dat niet iedereen zijn muziek op prijs stelde. Het liefst belde hij aan bij de bekende adressen en later bleef hij gewoon op straat met zijn koperen bakkie rammelen.
Uiteindelijk werd op de driewieler een jlo 2-takt motor gezet, waar ook de melkboer vroeger de wijken mee rond ging, waardoor hij van zijn bedrijf een eenmanszaak maken die nog enigszins rendabel bleef. Deze eeuw bleven Rinus en Joop over als de laatste professionele orgelmannen van Utrecht. Joop Budding denkt dat er in het hele land misschien niet meer dan tien zijn die beroepshalve een draaiorgel exploiteren naast de talrijke hobbyisten die als bijverdienste nog zaterdag in winkelcentra staan of een draaiorgel voor feesten en partijen verhuren.
Als gevolg van een longemfyseem was Rinus Budding de laatste jaren kortademig geworden. Hij werkte niettemin nog altijd vier dagen per week: op dinsdag, donderdag, vrijdag en zaterdag. Vorig jaar werd een tumor in zijn buik ontdekt. Die werd hem uiteindelijk fataal. Joop Budding heeft beloofd de Beauty te adopteren en die goed te zullen conserveren.
(14-2-1011)


Jaap van Proosdij (1921-2011)

Hij was de Nederlandse Oskar Schindler

Peter de Waard

Hij zou de Nederlandse Oskar Schindler kunnen worden genoemd. Maar over de advocaat Jaap van Proosdij is geen speelfilm gemaakt, hoewel hij net als Schindler tijdens de bezetting met list en bedrog zeshonderd joden van een zekere dood in een vernietigingskamp redde. Hij wist als advocaat met valse stempels, valse papieren, valse attesten en valse getuigenissen onzekerheid te creëren over hun daadwerkelijke afstamming waardoor zij aan deportatie naar Polen ontkwamen. Daarbij sjoemelde hij zelfs op het Binnenhof met documenten. ‘Bloedlink werk’, aldus Joggli Meihuizen die een boek schreef over de advocatuur in oorlogstijd.
Van Proosdij die in 1997 de Yad Yashem (‘Rechtvaardige onder de Volkeren’)-onderscheiding kreeg, is op 22 januari op 89-jarige leeftijd in Zuid-Afrika overleden. Vijf maanden eerder brak hij zijn been, waarna zijn gezondheid snel verslechterde. Hij is in Zuid-Afrika gecremeerd.
Jaap van Proosdij werd in 1921 geboren als de zoon van de Amsterdamse advocaat en procureur A.G. van Proosdij, die zijn praktijk had aan de Nassaukade. Hij groeide met nog twee broers – zij zouden allebei arts worden – en twee zussen op in een gereformeerd nest.
Dat hij rechten ging studeren aan de Vrije Universiteit Amsterdam was ook niet meer dan logisch. Als 21-jarige advocaat trad hij in 1942 in dienst bij het kantoor Van Krimpen & Kotting. Samen met mr. Nino Kotting ging hij zich inzetten om joden te ‘ariseren’ oftewel te ‘ontjoodsen’.
Ze vervalsten stambomen en attesten met bloedonderzoeken waardoor joden konden aantonen dat ze bijvoorbeeld kinderen waren van een slippertje van een ariër. Hoewel veel joden het emotioneel moeilijk vonden hun afkomst op deze wijze te verloochenen, wist hij ze te overtuigen dat het de enige manier was om ze te redden.
Hun zaken werden voorgelegd aan de Duitse advocaat Hans Calmeyer, die verantwoordelijk was voor jodenkwesties en kantoor hield op het Binnenhof. ?Van Proosdij slaagde er daar in papieren in dossiers om te wisselen of zelfs zoek te maken. Over de rol van Calmeyer zelf is altijd discussie geweest, maar het staat vast dat hierdoor in totaal zes- à zevenduizend Nederlandse joden de Holocaust hebben overleefd. Kotting en Van Proosdij namen er zeshonderd voor hun rekening. Van Proosdij heeft persoonlijk joden uit Westerbork opgehaald. Elsa Jessurun d’Oliveira, die was opgepakt door landwachters van de NSB, werd via een telefoontje vrijgelaten. Op een vraag of zij echt mocht worden vrijgelaten, blufte hij: ‘Das stimmt’.
In 1951 emigreerde Van Proosdij naar Zuid-Afrika. Hij wilde de oorlog achter zich laten en zijn vrouw Rosien Middelberg wilde dichtbij haar ouders in Zuid-Afrika gaan wonen. Nadat zijn eerste vrouw jong overleed, hertrouwde hij met de kunsthistorica Frieda Harmsen. Zij beschrijft hem als een onconventioneel mens, vol humor en iemand die zich als een terriër kon vastbijten als er sprake was van onrechtvaardigheid.
Van Proosdij zou veel blanke en zwarte Zuid-Afrikaanse kunst verzamelen. Daarnaast was hij enorm sportief en hield hij van de natuur – hobby’s die hij mooi kon combineren in lange bergtochten. Spielberg zou geen film over hem maken, maar hij zou wel geïnterviewd worden in het kader van diens Holocaust-project.


Gerben de Boer (1960-2011)

Een reus in de wereld van blinden en slechtzienden

Peter de Waard

Hij kon de omgeving niet zien, maar hield van het gekwetter van de meeuwen en het ruisen van de zee. Wadlopen was een van de passies van de blind geboren Gerben de Boer. Een andere was schaatsen op de ijsbaan van Alkmaar. Hij schaatste met vrienden. En ook een keer met Carl Verheijen en Henk Gemser.
Gerben de Boer is op 11 januari aan de gevolgen van darmkanker overleden. Liefst driehonderd vrienden en een tiental honden waren vijf dagen later op de uitvaartdienst in het protestantse kerkje van het Noord-Hollandse Uitgeest afgekomen. De blindengeleidehonden, waarvoor waterbakken achter in de kerk stonden, hielden zich muisstil – alsof ook zij het plechtige van het moment beseften.
De grote belangstelling kwam niet onverwacht. Gerben de Boer is een markant figuur in de wereld van blinden en slechtzienden geweest. Groot, bonkig en koppig. Een echte Fries. En nu is hij geveld. Pas 50 jaar oud. Zestig mensen wilden spreken, maar slechts elf zouden een woordje kunnen doen.
De darmkanker is in de vroege zomer ontdekt, en bleek al zo ver te zijn uitgezaaid dat chemotherapie slechts een verlenging van zijn lijden had betekend. Dat wilde hij niet, ook omdat De Boer het risico had gelopen het gevoel in zijn vingers kwijt te raken. Hij zou als blinde dan niet meer kunnen communiceren en dat was het laatste wat hij wilde.
Gerben de Boer wordt geboren op een boerderij in het Friese dorpje Wijtgaard, maar moet in het verre Bussum naar school om braille te leren. Hij is intelligent en gaat na de middelbare school bestuurskunde studeren in Groningen. Ondanks zijn handicap stort hij zich volop in het studentenleven. Hij discussieert, debatteert, sport en zijn koelkast is altijd gevuld met bier.
Na zijn studie wordt hij actief in de organisaties voor blinden en slechtzienden. Hij richt onder meer de Stichting Fietsbuddies op. Bij een sportopleiding geeft hij gastlessen over omgaan met een handicap. Hij is redacteur van Zienswijs en Mensenleven – tijdschriften voor blinden en slechtzienden – en vaste columnist van de website De gekleurde bril. ‘Ik ben groot en lomp en direct in mijn gedrag’ zo introduceert hij zich in zijn eerste column. In 1998 gaat hij in Uitgeest samenwonen met de eveneens blind geboren Gerda Schuddeboom.
Nadat hij zonder werk is komen zitten, helpt zijn vriend Peter Dooijeweerd, directeur van de ROC ASA in Utrecht, hem aan een baantje. ‘Gerben wilde altijd spijkers met koppen slaan. Als je een telefoongesprek met hem had, rondde hij dat niet af. Hij legde meteen de hoorn op de haak.’ Sjoerd Bunnik hoofdredacteur van Zienswijs, zegt dat de wereld van blinden en slechtzienden in Nederland een reus heeft verloren.’ Gerben werkt mee aan een expositie waar niets te zien valt. In een kerkje in Velsen-Noord zijn alledaagse situaties in het volslagen donker nagebouwd, zodat iedereen kan ervaren hoe het is om gebruik te maken van andere zintuigen dan de ogen.
Dit werk geeft hem grote voldoening. ‘Dat maakt me blij’ is een gevleugelde uitdrukking van hem. Zijn zwager Joop Schuddeboom heeft nu pas eigenlijk ontdekt hoeveel energie Gerben had. ‘Thuis had hij in het fietsenhok een hometrainer staan. Vóór zes uur zette hij die buiten en ging dan ‘even flink raggen’.


Jan Pustjens (1946-2011)

Van de dorpsfanfare tot het Concertgebouworkest

Peter de Waard

Zijn mooiste concert gaf Jan Pustjens op de Uitmarkt van 1988. Het chique Concertgebouworkest trotseerde bij hoge uitzondering de weergoden, hoewel de leden er tegenop hadden gezien hun dure violen aan het vrije spel van de elementen bloot te geven. Ze zouden misschien ontstemd kunnen raken. Of nog erger: het houtwerk zou krom kunnen trekken door de hoge vochtigheidsgraad van de buitenlucht.
Onder leiding van dirigent Riccardo Chailly werd het een onvergetelijk optreden. De show werd gestolen door slagwerker Jan Pustjens die de kleine trom bij Ravels Bolero voor zijn rekening mocht nemen. Jan Pustjens, die 7 januari op 64-jarige leeftijd overleed in Amsterdam, heeft het vak van trommelaar in het klassieke orkest glans gegeven.
De slagwerker was daarvoor de man die volgens het STER-reclame­stereotype drie minuten voor het einde van het concert kon arriveren om nog even de laatste klap op de pauk of het tikje tegen de triangel te geven. ‘Het kan nog erger’, bekende Pustjens acht jaar geleden in een interview met de Volkskrant. ‘Ik ben wel eens met Haitink op toernee geweest, zat er alleen maar slagwerk in de toegift. Maar die deed-ie dan niet, want Haitink hield niet van toegiften.’
Het was ook niet zo vreemd dat Pustjens de enige student was die toentertijd op het Conservatorium in Maastricht slagwerk studeerde en ook nog slaagde met een Bach-concert op xylofoon.
Pustjens was een echte Limburger. Hij werd geboren in Sittard en groeide op in Roosteren, waar hij ging trommelen bij de fanfare De Maasoever. Na zijn conservatoriumstudie droomde hij van een baan in het Limburgs Symphonie Orkest, maar het werd het Amsterdams Philharmonisch Orkest. In 1974 werd hij slagwerker bij het Concertgebouworkest en vier jaar later promoveerde hij tot soloslagwerker. Pustjens ging later ook zelf les geven aan het Conservatorium in Amsterdam, waar hij honderden slagwerkers van beroemde orkesten uit de hele wereld heeft opgeleid. Daarnaast opende hij in de hoofdstad een eigen slagwerkzaak: Pustjens Percussion Productions. Hij probeerde het aantal slaginstrumenten en het lesmateriaal in Nederland te verbreden. Totdat hij kwam, waren er in de klassieke muziek alleen pauken, trommels en mallets. Pustjens’ winkel heeft een collectie met aambeeld, buisklokkenspel, xylorimba en honderden andere slaginstumenten.
Pustjens had geluk dat in zijn tijd slagwerkmuziek populairder werd dankzij de invloed van bijvoorbeeld de Afrikaanse cultuur en popmuziek. Moderne componisten schreven vaker speciale muziek voor slagwerk. De stap van klap ’ns in je handjes naar de virtuoze hantering van de triangel in een Mahler-symphonie was in zijn ogen levensgroot. ‘En gek genoeg loopt die vaak via de fanfare of dorpsharmonie.’ Naast slagwerker was hij een fanatiek golfer (handicap 8) en werd hij na de scheiding van zijn eerste vrouw, de fluitiste Kitty Nijhuis, ook een uitstekend kok. ‘Slagwerkers zijn de gangmakers in het sociale leven van het orkest. Zij organiseren uitjes.’
Nadat in 2007 een hersentumor bij hem werd vastgesteld, ging hij een jaar later met vervroegd pensioen. Hij bleef nauw bij het Concertgebouworkest betrokken, waar zijn tweede vrouw Else Broekman als chef toerneezaken aanbleef.
(24-1-2011)


Gualtherus baron Kraijenhoff (1922-2011)

Spitfire-piloot die het Akzo-concern zou vormen

Peter de Waard

Begin jaren zeventig leidde hij een bedrijf van 105 duizend werknemers. Als een van de architecten van de wederopbouw stond Gualtherus (Guup) baron Kraijenhoff aan de basis van het huidige concern AkzoNobel. Onder zijn leiding werd de fusie tussen de AKU, Enka-Glanzstoff, Organon en Koninklijke Zout Unie gerealiseerd. Na vier jaar dreigde de fusie door de enorme verliezen in de vezelindustrie op een fiasco uit te draaien. Het tij kon alleen worden gekeerd door 35 duizend banen te schrappen.
Baron Kraijenhoff is vorige week donderdag op 88-jarige leeftijd overleden. Zijn leven is getekend door vallen en opstaan. Zijn vader - ingenieur bij de Nederlandse Spoorwegen en Batavia Spoorwegen – en moeder scheidde al op jonge leeftijd. Hierdoor groeide hij op in internaten en kostsscholen in Zwitserland. Vlak voor de oorlog had hij zijn gymnasium-diploma’s A en B gehaald. Vanuit Zwitserland slaagde hij erin in 1941 via Gibraltar naar Engeland te komen. Hier meldde hij zich bij de RAF. Hij volgde in Engeland en Canada een opleiding tot Spitfire-piloot. Op een van de laatste dagen voordat hij klaar was, verloor een vrachtwagenchauffeur op het vliegveld de controle over het stuur. Zijn beide benen werden verbrijzeld. Amputatie dreigde, maar hij weigerde. In de rest van de oorlog zou hij veertien keer worden geopereerd en twee jaar in het ziekenhuis liggen. In Engeland raakte hij bevriend met Soldaat van Oranje Erik Hazelhoff-Roelfzema en de koninklijke familie.
Aan het ongeluk hield hij een blijvende handicap over doordat zijn linkerbeen korter was dan zijn rechterbeen. Toen hij terugkwam in Nederland, was zijn bedje ondanks zijn status als oorlogsheld niet gespreid. Pas twee jaar later kon hij een baantje vinden bij Saal van Zwanenberg, een joodse ondernemer die in de oorlog met behulp van een Urugyaans paspoort ook naar Engeland had kunnen uitwijken. Van Zwanenberg was een grote vleesverwerker die van het slachtafval van dierlijke organen een farmaceutisch bedrijf opzette. Kraijenhoff trouwde in 1947 met Yvonne Kessler, de dochter van kunstverzamelaar en voormalig Nederlands Elftal-speler Dé Kessler. Hij maakt al snel carriere. ‘Zo net na de oorlog waren wij ondernemers jong en optimistisch. We wilden de wereld weer opbouwen. Alles groeide. Alles ging. Zodra je een beetje geld had en iets wilde opzetten, dan kon dat,’stelde hij. Uiteindelijk werd Kraijenhoff in 1963 de baas van wat Zwanenberg-Organon was gaan heten. Vier jaar later fuseerde dit bedrijf met en Koninklijke Zout-Ketjen tot KZO (Koninklijke Zout Organon). En in 1969 volgde de fusie met de Nederlands-Duitse vezelfabrikant AKU Enka Glanzstoff tot de reus Akzo. Kraijenhoff werd uiteindelijk de voorzitter van de raad van bestuur die echter als gevolg van de fusie-afspraken niets te vertellen had over de vezeltak die door de opkomst van vezels uit goedkope lonen-landen diep in de verliezen raakte. In 1975 werd een miljoen gulden per dag verloren. Het hele Akzo-concern dreigde bankroet te gaan. Saneringen, massa-ontslagen en bedrijfsbezettingen bij de Akzo-dochter waren schering en inslag. Toen Kraijenhoff in 1978 met pensioen ging, was de sanering in gang gezet om het aantal personeelsleden terug te brengen naar 70 duizend. Hij zou daarna nog zelf 11 jaar zitting hebben in de directie van de Britse zakenbank SG Warburg. Maar hij concentreerde nu zijn aandacht op het Rode Kruis waarvan hij 20 jaar voorzitter zou worden. Daarnaast werd hij commissaris De Nederlandsche Bank en Sara Lee DE. Hij ha Hij werd een van de meest gedecoreerde Nederlanders. Naast grootofficier in de orde van Oranje Nassau werd hij ook Commandeur van het Britse rijk en drager van zowel het Grootkruis in de Orde van Verdienste in Spanje als die van Duitsland.
Tot zijn vrienden behoorde onder meer Pieter van Vollenhoven. Toen die met prinses Margriet trouwde, werd massaal een mislukt huwelijk voorspeld. Vooral in aristocratische kringen was met sceptisch over de relatie van de prinses met een burgerman. Kraijenhoff was er ontspannen over: 'U moet de komst van Pieter vergelijken met de ontdekking van de elektriciteit. Toen die werd geïntroduceerd, dachten onze voorouders ook dat de wereld instortte.' Vorige maand was Kraijenhoff samen met prins Maurits nog eregast bij de première van de musical Soldaat van Oranje.
(24-01-2011)


Thierry Baron van Zuylen Van Nijevelt van de Haar (1932-2011)

De kasteelheer die zijn landgoed moest opgeven

Peter de Waard

Het had iets triest. Hij bleef het ‘zijn kasteel’ noemen. Twee weken voor zijn dood wilde de familie hem nog van zijn woonplaats Londen naar Haarzuilens brengen. Zijn vurige wens. Maar zijn gezondheid was te slecht.
Thierry van Zuylen van Nijevelt van de Haar – beter bekend als baron Van Zuylen – vond het uiterst pijnlijk dat hij noodgedwongen in 2000 het zes eeuwen oude familiebezit had moeten afstoten. Een stichting kreeg het kasteel en park en de Vereniging Natuurmonumenten de landerijen. Zij waren in staat de 50 miljoen euro kostende restauratie van ‘zijn’ Kasteel de Haar te bekostigen, waarvoor hij zelf het geld niet had.
Hij had getracht voldoende geld bijeen te harken, maar een veiling van porselein, meubilair en schilderijen leverde in 1998 niet meer dan 3 miljoen gulden op, een druppel op een gloeiende plaat.
Baron Thierry van Zuylen overleed op 2 januari en werd vorige week op aristocratische wijze ter aarde besteld. Haarzuilens mocht toekijken hoe de stoet de baron van de Brink naar het landgoed bracht, waar hij werd bijgezet in de grafkelder van de familiekerk. Hij kreeg een vermelding in de fameuze necrologierubriek van The Times en onder zijn overlijdensadvertentie stond de naam van niemand minder dan Edouard de Rothschild die oom tegen hem moest zeggen.
Kasteel de Haar was al sinds de 15de eeuw familiebezit. Maar in de 19de eeuw was het vervallen geraakt tot een ruïne. In 1887 sloeg Thierry’s grootvader Etienne van Zuylen de puissant rijke Hélène de Rothschild aan de haak, waarna hij de architect Pierre Cuypers kon inschakelen om het kasteel weer op te bouwen. Hiervoor werd het hele dorp Haarzuilens 1500 meter verplaatst en werden zevenduizend bomen vanaf de Utrechtse Heuvelrug gehaald voor een bos. De boomkarren moesten dwars door de stad Utrecht. Toen bleek dat ze enkele bochten niet konden maken, kocht de baron de hoekhuizen gewoon op en liet ze slopen.
Permanent zou de familie er nooit wonen. Egmont van Zuylen, die in 1934 zijn vader als kasteelheer opvolgde, kreeg zijn twee dochters, waarvan de oudste ook met een Rothschild trouwde, en enige zoon Thierry in Parijs. Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog week de familie uit naar de VS.
Thierry studeerde bedrijfseconomie op Harvard. Hij trouwde met ene Gabrielle Iglesias met wie hij vier dochters kreeg. Hij werkte blauwe maandagen in het bankwezen en de tijdschriftenbranche. Maar hij was vooral een societyfiguur – gek op golf en paarden en het gezelschap van mooie vrouwen. Zijn tweede vrouw was Susanna Hofman, een vriendin van zijn oudste dochter. Naar verluidt liep zij al tijdens de huwelijksreis bij hem weg. Uit zijn derde, ook al mislukte huwelijk met Bianca Johnson werd een vijfde dochter geboren.
In 1960 werd hij kasteelheer, iets wat zijn gepasseerde oudere zus niet zinde. Thierry, die alleen in september op De Haar woonde, ontdekte later dat Cuypers in al zijn genialiteit niet had bedacht dat zijn ontwerp te zwaar was voor de middeleeuwse fundering.
Na honderd jaar moest het kasteel opnieuw op stevige bodem worden gezet. De familie moest het opgeven. Wel kregen de Van Zuylens het recht er te blijven wonen. Thierrys oudste dochter Alexandra (53) – een lerares Engels uit Parijs – zal er als nieuwe kasteelvrouwe in september haar intrek nemen..
(17-1-2011)


Mieke Van de Voort (1972-2011)

Zelfdoding zonder schuldcomplex

Peter de Waard

Ze was 1 meter 68. En ze ging met een camera en tien filmblikken naar China om daar door het land te trekken als onderdeel van een project voor de Shanghai Biënnale’, zegt haar vader Pieter Van de Voort. Ze volgde hier het voetspoor van de communist Henk Sneevliet die in 1921 door China was gereisd en zelfs Mao als partijleider zou hebben voorgedragen. Om te kunnen communiceren met de Chinezen had ze even snel Esperanto geleerd omdat ze wist dat oudere communisten deze taal hadden moeten leren om de wereldrevolutie te realiseren
In Amsterdam werd ze door vrienden Jeanne d’Arc genoemd vanwege haar kleding, haar schoonheid, haar strak gevlochten haren die ze naar achteren speldde en haar eeuwige strijd voor rechtvaardigheid.
Altijd wilde ze filosoferen over de grote dingen van het leven – over de rechten van de minderbedeelden, over de keerzijdes van het leven. ‘Ze was heel serieus. Niet alleen over zichzelf, maar ook over haar kunst en de mensen om haar heen’, aldus Nicoline van Harskamp, een vriendin met wie ze het laatste jaar een studio in Amsterdam deelde.
Woensdag werd beeldend kunstenares Mieke Van de Voort (38) gecremeerd op de Nieuwe Ooster in Amsterdam. Negen dagen eerder had ze een einde aan haar leven gemaakt.
Haar vader en moeder accepteren haar beslissing. ‘We hebben kinderen gekregen in de stellige overtuiging dat door hen de wereld mooier zou worden. En dat wás ook zo’, zei haar moeder Dorijke aan het begin van de crematieplechtigheid.
Ondanks de zelfdoding was Miekes overlijden niet tragisch en haar leven niet zinloos. Ouders hoeven er geen schuldcomplex aan over te houden als een kind een einde maakt aan zijn of haar leven, zo vinden de Van de Voorts. ‘Ze was volkomen autonoom’, zegt haar vader. Ze kleedde zich zoals ze zelf wilde en niet wat de omgeving of het modebeeld haar opdrong. En ze besloot uiteindelijk ook zelf over het al dan niet voortzetten van haar leven.
De algemene opvatting dat leven de voorkeur had boven niet-leven is te gemakzuchtig, schreef een vriendin op internet. ‘Misschien gold die opvatting voor anderen. Niet voor haar.’
Mieke Van de Voort was al langer depressief. Ze vocht zich er telkens uit. Maar de paniekaanvallen werden zo erg dat ze begin dit jaar totaal op was. Met de kerstdagen was ze gelukkig nog even thuis in Wognum. Toen schoot de beangstigende gedachte al weleens door het hoofd van haar ouders heen: dit zou wel eens haar laatste bezoek kunnen zijn.
Mieke ging terug naar Amsterdam. Elke dag hadden haar ouders contact met haar. Pieter Van de Voort: ‘Maar wat doe je eraan? Psychiaters geven een pilletje waardoor je een zombie wordt en alle creativiteit wordt gedood.’ Omdat Mieke Van de Voort niet langer meer kon leven als als een opgewekte, vrolijke en energieke vrouw, gunnen de ouders haar de keuze die ze heeft gemaakt. En daarom willen ze haar dood ook niet als een taboe zien.
Mieke Van der Voort was de perfectionist in alles wat ze deed. Haar kunst was bijzonder: foto’s, video’s, beelden, schrijfsels, performances en veelal een combinatie van die kunstuitingen. ‘Het creatieve proces was moeizaam. Ze vond het nooit goed genoeg. Ze kon niet iets maken en dan van het hele proces van de totstandkoming ook genieten’, zegt Van Harskamp.
Mieke Van de Voort werd in 1972 in Nijmegen geboren. Op haar 6de verhuisde het gezin naar Wognum. Mieke was een briljante scholier - ‘iemand die enorme hoeveelheden kennis opzoog’. Op haar 8ste concludeerde ze dat God niet bestond. Voor Mieke waren barbies geen aankleedpoppen, maar woeste heldinnen die tegen onrecht streden. Ze was van jongsaf een van de sociaalste mensen die haar vrienden kenden.
Nadat ze op haar 18de jaar het gymnasiumdiploma had behaald, ging ze met een vriendin naar India. In Goa ontmoette ze na acht maanden een tien jaar oudere Zuid-Afrikaanse bevrijdingsstrijder, met wie ze naar zijn vaderland ging. Samen begonnen ze een zeefdrukkerij in Johannesburg waar spandoeken werden gedrukt voor de massademonstraties na de vrijlating van Nelson Mandela.
Eind 1994 kwam ze terug naar Nederland. Ze ging fotografie studeren aan de Kunst Academie in Den Haag. Een van haar jaargenoten was Judith Jockel, met wie ze een hechte vriendschap kreeg. ‘Ze was een fascinerend, levendig en boeiend persoon.’ ‘Met haar lach kon ze graniet doen smelten’, zei een van haar vrienden. Daarom liet de familie tijdens de crematie juist haar lach horen.
Als intellectueel had ze aan fotografie niet voldoende om zich uit te drukken. In 2004 was zij een van de twee kandidaten die uit 1200 aanmeldingen werden uitverkoren om resident te worden bij de Rijksakademie voor Beeldende Kunsten. Hier kon ze haar fascinatie voor de geschiedenis en de wetenschap omzetten in kunst.
‘Het was nooit de geschiedenis uit het boekje. Het was altijd de geschiedenis waarmee ze zich betrokken voelde’, vertelt Martijntje Hallmann, hoofd atelier van de Rijksakademie. In 2005 metselde ze als kunstwerk een gedenksteen in de vloer van de Rijksakademie. Een herinnering aan de poging van de socialist Pieter-Jelles Troelstra om op 12 november 1918, een dag na het einde van de Eerste Wereldoorlog, ook in Neder land een revolutie te ontketenen. Het kunstwerk ging gepaard met workshops en een performance van cavaleristen en een oude communist die De Internationale zong.
In Suriname ontmoette ze een jonge afstammeling van gevluchte slaven wiens lichaam ze in was besloot af te gieten. Niets was haar te veel. Hallmann: ‘Ze accepteerde tot in het extreme de consequenties van wat ze deed.’ In de nieuwbouwwijk in Hardewijk, waar Volkert van der G. vandaan kwam, bouwde ze een rijtjeswoning om tot volière. Behalve in Nederland exposeerde ze in New York, Seoul, Reykjavik, Londen en Milaan.
Haar laatste project, Schets voor Vinije, die in het kader van de groepsexpositie Monumentalisme in het Stedelijk te zien was, werd zondag gesloten - zes dagen nadat Miek van de Voort een einde aan haar leven had gemaakt.
Woensdag was ze gewikkeld in een lijkwade die van haar eigen kleding was gemaakt door de vriendin met wie ze ooit naar India was geweest.
(13-1-2011)


Dick Winters (1918-2011)

De ultieme held van de Easy Company

Peter de Waard

Nederlanders zullen bij de naam van de Amerikaan Dick Winters het eerst denken aan Damian Lewis, de roodharige Britse acteur die hem vertolkte in de televisieserie Band of Brothers van Steven Spielberg en Tom Hanks.
Majoor Dick Winters van de E (Easy)-Company, die betrokken was bij de Operatie Market Garden en de bevrijding van Eindhoven en hiervoor de eremedaille van de stad ontving, is 2 januari op 92-jarige leeftijd overleden. Zijn familie heeft dat pas zondag bekendgemaakt. Hij was voor de Amerikanen de ultieme oorlogsheld. De in 1918 geboren Winters was betrokken bij de invasie op D- Day, de verdediging van Bastogne tijdens het Duitse Ardennenoffensief, de bevrijding van Eindhoven en de verovering van Hitlers Adelaarsnest in Berchtensgaden.
Richard D. (Dick) Winters meldde zich in 1941 aan bij het Amerikaanse leger. Na zijn opleiding werd hij paratrooper en pelotonleider van de E -compagnie.
De opleiding was ongekend hard. In het kamp was er geen elektriciteit, geen stromend en heet water en werden de manschappen ‘opgevreten door de muggen’.
In 1943 werd zijn E-compagnie als onderdeel van het 506de Parachute Infantry Regiment, 101 Airborne Division, overgeplaatst naar Engeland. In de voorbereiding voor de invasie raakte hij gebrouilleerd met zijn commandant. Winters trok aan het langste eind.
Bij de aanval op vier Duitse 105 mm kanonnen na D- Day werd hij voor het eerst onderscheiden. Een geschiedkundige schreef dat hij 150 man had voor die aanval, terwijl het er maar 13 waren.
Zijn nuchtere reactie: ‘Met zoveel man hadden we Berlijn ingenomen.’ Tijdens de oorlog in Korea vervulde hij een functie in de opleiding. Hij trok zich daarna terug op zijn boerderij in Hershey in Pennsylvania. In 1992 werd het verhaal van de Easy Compagnie opgetekend in het boek Band of Brothers.
In 2006 zou hij nog zijn eigen autobiografie Beyond Band of Brothers publiceren. Dick Winters werd in maart 2007 het ereburgerschap van Eindhoven verleend. Daarvoor reisde burgemeester Alexander Sakkers naar Hershey om Winters de gouden onderscheiding op te spelden.
(11-1-2011)


Jos Mulder-Gemmeke (1922-2010)

Saluutschoten voor de laatste echte oorlogsheldin

Peter de Waard

Ze was de laatste echte oorlogsheldin; verzetsstrijder én geheim agente. Militairen van 13 Gemechaniseerde Brigade namen daarom op 27 december 2010 in Den Haag met saluutschoten afscheid van Jos Mulder-Gemmeke. Zij was de enige vrouw naast koningin Wilhelmina die ooit de Militaire Willems-Orde kreeg. Een week eerder was zij onverwacht op 88-jarige leeftijd overleden.
Jos Mulder-Gemmeke was zelfs voorzitter van de Koninklijke Vereniging van Ridders der Militaire Willems-Orde, die na haar dood nog slechts zeven leden (zes Nederlanders en een Amerikaan) telt. Aan het ceremonieel eerbetoon rond haar crematie namen ruim 100 militairen deel, waaronder ook het Koninklijke Militaire Kapel Johan Willem Friso en het Regimentsfanfare Garde Grenadiers & Jagers.
Haar verzetswerk tijdens de Duitse bezetting bestond onder meer uit de publicatie en distributie van het blad Je Maintiendrai, dat uiteindelijk een oplage zou bereiken van 25.000 stuks. Eind 1944 bracht ze per fiets geheime documenten door de vijandelijke linies naar het hoofdkwartier van prins Bernhard in Brussel. Daar vandaan ging ze naar Londen voor een opleiding als geheim agente en kreeg ze de codenaam Sphinx. Op 10 maart 1945 werd ze bij Nieuwkoop met wapens, radiozenders en geld per parachute gedropt door een bommenwerper. Bij de landing in de ijskoude nacht viel ze door de wind buiten de droppingzone in een sloot en liep rugletsel op. Verzetsmensen wisten haar te redden, maar ze zou last van haar onderrug blijven houden. Niettemin wilde ze nooit zittend naar militaire parades kijken. Altijd nam ze die staande af, ferm in de houding.
De stof van de parachute die zij bij de sprong in Nieuwkoop gebruikte, diende in 1946 als verlovingsjurk voor Bep de Kuijer, die de parachute voor de Duitsers verborgen had weten te houden in een peluw zak. Nu is die te zien in het Crash Luchtoorlog- en Verzetsmuseum in Aalsmeerderbrug.
Jos Gemmeke werd geboren op 3 juni 1922 te Amsterdam. Haar vader was legerofficier, maar werd door zijn echtgenote die niet wilde dat hij zoveel van huis zou gaan, gedwongen het zakenleven in te gaan. Na een studie in Delft werd hij directeur-eigenaar van een papiergroothandel in Amsterdam. Daar werd Jos geboren, maar omdat haar oudere zusje Mia last had van moeraskoorts, verhuisde de familie vrij snel daarna naar het minder drassige Den Haag.
Jos kreeg een streng katholieke opvoeding. Ze was echter lastig en haalde veel kattenkwaad uit. Ze ging eerst naar het meisjeslyceum, voordat ze haar studie voltooide aan de mulo. Ze wilde verpleegster worden en verzorgde in de eerste dagen van de oorlog gewonde militairen. Via de Haagse student Cock van Paaschen kwam ze in aanraking met het ontluikende verzet.
Na de bevrijding werkte ze enige tijd in Londen voordat ze begin 1947 trouwde. Ze zou nog twee keer trouwen, als laatste met Joop Mulder, een oorlogsvlieger bij de RAF. In de jaren tachtig verscheen een boek over haar en begon ze over haar ervaringen te vertellen. De oorlog is haar altijd blijven achtervolgen. ‘Ik ben de rest van mijn leven alert gebleven. Waar ik ook ben, ik ga altijd strategisch zitten, met mijn rug naar de muur en met goed zicht op de uitgang, zodat ik iedereen in de gaten kan houden.’
(10-1-2011)


Lia Dorana (1918-2010)

De Ali Cyaankali van de Nederlandse kleinkunst

Peter de Waard

Lia Dorana zal nooit hebben gedroomd dat een van haar creaties op bizarre wijze nog over de grenzen ging. De begin vorig jaar opgehangen Iraakse oorlogsmisdadiger Hassan al-Majid kreeg in Nederland de bijnaam Ali Chemicali, een verwijzing naar Dorana’s beroemdste lied, Ali Cyaankali.
Dorana overleed op 4 december op 92-jarige leeftijd in Lage Vuursche. Ze was in de vorige eeuw een van Nederlands bekendste cabaretières, chansonnières en actrices. Ze speelde Liesbeth Doorsnee in het fameuze radioprogramma De familie Doorsnee, in een tijd dat het volk nog geen televisie had en radio door de hele natie werd beluisterd. Later speelde ze rollen in televisieseries als Boerin in Frankrijk en De Kleine Waarheid.
Dorana werd als Beppy van Werven geboren in Den Haag. Haar vader was accountant, maar ook dichter, en haar moeder pianiste. Ze begon al jong te zingen, onder meer bij het Roemeens zigeneunerorkest Serban. Ze werd in 1943 ontdekt door Wim Sonneveld, waar de artiestennaam Dorana werd bedacht. Met de vorig jaar overleden Conny Stuart speelde ze na de oorlog in het succesvolle programma Alleen voor dames. Ook maakte ze kort deel uit van het ABC-cabaret van Wim Kan.
Vanaf 1951 was ze regelmatig te horen in cabaretprogramma's die Wim Ibo maakte voor de VARA. Nationale roem vergaarde Dorana in het door Annie M.G. Schmidt geschreven hoorspel In Holland staat een huis, dat bij de luisteraars bekend werd als De familie Doorsnee. Dorana speelde de rol van de rebelse dochter Liesbeth Doorsnee. De serie was tussen 1952 en 1958 een keer in de twee weken te horen op de VARA-radio. In haar dubbelrol als de wulpse Alie (‘de gevaarlijke vrouw uit Rotterdam’) zong ze Ali Cyaankali, dat een van de klassiekers van het Nederlandse kleinkunstrepertoire werd. Andere bekende nummers waren Geachte cliënten en 't Wordt lente..
In 1954 werd Lia Dorana door acteur Jan Teulings gevraagd toe te treden tot het Rotterdams Toneel. Hier speelde ze onder meer in Thee en symphatie naast Hans Croiset en in een opvoering van Tsjechovs De meeuw. Ondersteund door regisseur George Vitaly en Ton Lutz schreef ze in 1960 de muziektekst voor het stuk Irma la Douce, waarin ze bovendien de titelrol voor haar rekening nam. Vier jaar later was ze de ster in Cole Porters musical Kiss Me Kate. In hetzelfde jaar kreeg ze voor haar repertoire een Edison. In 1968 nam ze een nummer op van Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh.
Door de Aktie Tomaat en de opkomst van het experimentele toneel vervreemdde ze van de bühne. Dorana trok zich terug op het Franse platteland. ‘Ze is veel gaan zingen. Jammer dat daarvan zo weinig op plaat is gezet’, zegt haar neef Leopold Wijdeveld. Het theaterbloed ging weer stromen in 1989, na een revival van De familie Doorsnee met haar vriendin Hetty Blok en Kees Brusse.
Ze accepteerde de rol van pensionhoudster Fraulein Schneider in de door Joop van den Ende geproduceerde musical Cabaret. Tijdens de Cabaret-tournee ontstond een romance met haar tegenspeler Guus Verstraete sr. Het was haar derde relatie, na die met de schouwburgportier Hein Hoogland en de architect Reinier Jan Verwijs. Met Verstraete was ze van plan het toneelstuk Herfst in Riga te gaan spelen. Wegens gebrek aan belangstelling werd hiervan echter afgezien. Verstraete overleed in 1994. Sindsdien heeft Lia Dorana niet meer gewerkt.
(3-1-2011)


Willem Maris (1939-2010)

De tenniskampioen die een Philips-dochter groot bracht

Peter de Waard

Hij was een groot tenniskampioen maar verdiende er als amateur geen cent mee. Dat hij later alsnog rijk werd, was te danken aan zijn bindende kwaliteiten als manager. Hij en zijn collega’s inden 450 miljoen gulden toen ze in 1995 het drie jaar eerder afgeschreven bedrijf ASM?Lithography (ASML) in Veldhoven naar de beurs brachten. ‘Soms begrijp ik het ook niet dat het aandeel zo duur is geworden’, zei hij in een interview met deze krant toen de koers van ASML binnen een jaar van 14 naar 178 gulden ging.
Willem Maris is op 16 december op pas 71-jarige leeftijd totaal onverwacht na een hartaanval overleden. Maris werd vlak voor het begin van de oorlog in Den Haag geboren als de zoon van de toenmalig directeur-generaal bij Rijkswaterstaat. Hij leerde tennissen bij Leimonias. Hij werd afgezien van dubbeltitels ook twee keer Nederlands kampioen in het enkelspel (1958, 1962). Vele jaren speelde hij op Wimbledon en Roland Garros.
Maar geld leverde het allemaal niet op. Gelukkig had Maris werktuigbouwkunde gestudeerd aan de TU in Delft. In 1964 kon hij bij Philips aan de slag. Hij trouwde en kreeg drie kinderen. Het gezin zou vele jaren voor Philips in Mexico en Zuid-Korea wonen. ‘Omdat hij te goed was om met mijn moeder te tennissen zijn ze samen gaan golfen’, herinnert zijn dochter Elsbeth Haex-Maris zich.
Uiteindelijk keerde hij in Nederland terug, waar hij ging werken bij de Philips Semiconductors in Eindhoven. In 1990 werd hij aangesteld als directeur van ASM?Lithography dat machines maakte voor de chipsproductie.
Philips-topman Jan Timmer wilde dit bedrijf als onderdeel van zijn operatie Centurion twee jaar later sluiten vanwege de verliezen. Mariswist Timmer te overtuigen dat het bedrijf wel degelijk toekomst had. Hij en zijn collega Martin van den Brink namen een optieregeling als bewijs dat zij hun inkomen er afhankelijk van wilden stellen.
Van den Brink was de Willy Wortel die een nieuwe machine ontwikkelde. Maris de bindende kracht die alle neuzen in een richting wist te krijgen, zo constateerde Van den Brink op diens begrafenis. Hij wist ASML op de wereldkaart te zetten en nieuwe klanten als het Amerikaanse Intel en het Koreaanse Samsung binnen te halen.
In 1995 kreeg ASML beursnoteringen aan het Damrak en Wall Street. De optieregeling was nu goud waard. Maris was teleurgesteld dat de buitenwereld vooral aandacht had voor de ‘zelfverrijking’ van de managers en niet voor de redding van het bedrijf. Zelfs door sommige personeelsleden werd de top ‘Ali Baba en de veertig rovers genoemd. ‘Zeer ten onrechte. Papa was een zeer bescheiden mens die alles met iedereen probeerde te delen’, aldus zijn dochter.
Zijn managementstijl was afstandelijk. Hij hamerde op eigen verantwoordelijk. Bij zijn vertrek in 2000 was ASML marktleider, de omzet gestegen van 150 miljoen naar 1,8 miljard gulden, het aantal werknemers van 600 naar 2500. Maris bleef daarna actief als president-commissaris bij BE Semiconductor en Vanderlande Industries.
Hij werd ook een bekend sportbobo: eerst was hij enige jaren vice-voorzitter van de tennisbond KNLTB en vanaf 2003 tot 2008 president van de snelgroeiende Nederlandse Golffederatie. Hij speelde zelf gezien zijn handicap van 11 als amateur niet onverdienstelijk op de Eindhovensche Golf .


Harry van Seumeren (1937-2010)

Altijd trouw aan zijn idealen

Peter de Waard

Het herdelen van kennis, macht en inkomen was geen utopisch ideaal om een aards paradijs te creëren. Het was voor Harry van Seumeren een simpele visie op de inrichting van een beschaafde en welvarende maatschappij.
In zijn laatste stukje voor de Volkskrant, op 12 juni 1998, stelde hij droef vast dat sinds het einde van het kabinet-Den Uyl de inkomensongelijkheid in Nederland met 8 procent was toegenomen. Dit dreigde nog veel erger te worden. De ‘exhibitionistische zelfverrijking’ van topmanagers was slechts een eerste signaal.
‘In West-Europa, dus ook in Nederland, voltrekt zich een cultuuromslag, waarbij de marktideologie een dominante positie krijgt. De onderliggende beweging is een verschuiving van het Rijnlandse naar het Angelsaksische model’, schreef hij. Tien jaar later stortte die beweging in een crisis waarvan de naweeën nu nog voelbaar zijn.
Harry van Seumeren, die 36 jaar in dienst was van de Volkskrant waarvan 33 als sociaal-economisch redacteur, overleed woensdag na een ziekbed van twee weken. Hij is 73 jaar geworden.
Op die 12de juni 1998 vond in het SER-gebouw zijn afscheidssymposium plaats. Onderwerp: ‘De rol van de sociale partners in Europa’. Nu zouden politici het zo seksloos vinden dat het nog moeilijk zou zijn hiervoor een europarlementariër te strikken. Toen spraken onder voorzitterschap van Klaas de Vries onder meer Ruud Lubbers, Wim Duisenberg en Sweder van Wijnbergen.
Zoals zo veel Volkskrant-redacteuren in de jaren zeventig en tachtig lagen de wortels van Harry van Seumeren in Brabant. Hij werd zelf geboren in Rotterdam. Zijn vader werkte in de koopvaardij en overleed al in de eerste jaren van de oorlog. Van Seumeren volgde het gymnasium voordat hij zijn schreden zette in de journalistiek. Nadat hij zijn journalistieke loopbaan was begonnen bij De Maasbode, kwam hij in 1961 in dienst van de Volkskrant. Twee jaar later volgde hij Ad Langebent op bij de Haagse redactie. In de jaren zeventig was Van Seumeren een van de meest invloedrijke sociaal-economische journalisten van Nederland.
Wie zich bemoeide met de discussie over financieringstekorten, loonrondes en vermogensaanwasdeling kon niet om de mening van Van Seumeren heen. Hij was in die tijd een van de weinige journalisten die goed konden rekenen en gebruikte die kwaliteit continu om de koopkracht van de minima aan te halen. Hij had een meer dan uitstekend netwerk op het Binnenhof waarbij hij door politici stukken kreeg toegespeeld. Wim Duisenberg bekende op het eerdergenoemde afscheidssymposium: ‘Zo heeft Van Seumeren mij enorm geholpen bij het vertalen van de 1-procentsoperatie’, de eerste bezuininigsronde van Duisenberg als minister van Financiën.
Van Seumeren schreef veel en had een uitstekend netwerk in Den Haag. Zijn kracht was, zoals redacteur Kees Bastianen op zijn 25-jarig jubileum vaststelde, ‘het vermogen om mensen vertrouwen in te boezemen’. Hij was een goed luisteraar. Hij hoefde geen boeken te schrijven om in Nederland gezag te krijgen. ‘Ik schrijf elke week een boek’, stelde hij vast. Alleen stonden de letters daarvan allemaal in de krant.
In 1981 verruilde Van Seumeren de Haagse redactie voor die in?Amsterdam. Hij was enige tijd coördinator van de sociaal-economische afdeling, maar de verantwoordelijkheid van het chefschap lag hem niet zo. Hij was liever de stille solist die haarscherp maatschappelijke veranderingen aan de kaak stelde. In 1988 stapte hij over naar de toenmalige economiebijlage op de zaterdag. Hiervoor schreef hij jarenlang de column Het Slijk der Aarde.
Hij nam wel verantwoordelijkheid op andere gebieden. Hij was lid van de redactieraad, de commentaargroep, de Raad van Uitvoering cao- dagbladjournalisten (een arbeidsrechtelijk scheidsgerecht) en de onderhandelingsdelegatie van de NVJ.
(31-12-2010)


Agathe von Trapp (1913-2010)

Haar vader was niet zo streng, haar stiefmoeder niet zo aardig

Peter de Waard

De wereld kende haar als Liesl. Maar Agathe von Trapp, die dinsdag op 97-jarige leeftijd in Baltimore overleed, vond dat de befaamde musical en film The Sound of Music nogal met de feiten sjoemelde. Haar vader was niet zo streng, haar stiefmoeder niet zo aardig en hun huwelijk niet zo ideaal.
Agathe von Trapp werd in 1913 in het toenmalige Oostenrijk-Hongarije geboren als de oudste dochter van de marinekapitein Baron Georg von Trapp en Agathe Whitehead. Het stel kreeg nog zes kinderen voordat Agathe Whithead overleed.
Von Trapp hertrouwde in november 1927 met Maria Kutschera – de rol die in de film wordt vertolkt door Julie Andrews. Deze jonge novice uit een klooster in Salzburg was gevraagd de zeven kinderen van de baron les te geven. Vier maanden na het huwelijk werd hun eerste kind geboren, hoewel formeel een geboortedatum in 1929 werd opgegeven om een schandaal te vermijden.
In de film trouwt het echtpaar in 1938 vlak voor de Anschluss met Nazi-Duitsland. De familie ontvluchtte het land omdat Von Trapp weigerde met de Duitsers samen te werken. Drie jaar eerder was het gezin al bankroet gegaan, omdat Von Trapp zijn geld in heilloze projecten in Oostenrijk had geïnvesteerd. Daarom moest de kost worden verdiend door optredens als zingende familie.
De Von Trapps stapten na de komst van de Duitsers op de trein naar Italië. ‘We vluchtten niet over de bergen naar Zwitserland zoals in de film wordt verteld’, aldus Agathe. Via Italië reisden ze door naar Amerika, waar ze als de Von Trapp Family Singers veel succes hadden. In 1942 lieten ze een huis in het wintersportcentrum Stowe in de staat Vermont bouwen. Dat dient nu nog als familiehuis en wordt als zodanig ook toeristisch geëxploiteerd.
Agathe was de sopraan in het familiekoor. Toen George von Trapp in 1947 overleed, stopten de optredens. Maar het verhaal van de Von Trapps ging de wereld over, vooral dankzij de autobiografie van stiefmoede Maria von Trapp-Kutchera die in 1952 verscheen. In 1959 maakten Rodgers en Hammerstein er de Broadway-musical The Sound of Music van, die in 1965 leidde tot een met vijf Oscars bekroonde film.
Agathe von Trapp bemoeide zich daar niet mee. Ze leidde een teruggetrokken bestaan met haar vriendin Mary Louise Kane. Samen waren ze in Stowe een katholieke Kindergarten begonnen, die in 1958 verplaatst werd naar Baltimore. Hier veranderde ze zelfs haar naam in Miss Trapp – ze liet Von vallen – om niet continu aan de film te worden herinnerd.
Pas in 2003 schreef ze haar herinneringen op in het boek Agathe von Trapp: Memories Before and After The Sound of Music, waarin ze het ware verhaal achter de film probeerde te vertellen aan de hand van zelf getekende kaarten, portretten en andere illustraties.
(31-12-2010)


Noppie Koch (1932-2010)

Het eerzame beroep van ‘Den Zwarten 43’

Peter de Waard

Vroeger was het een eerzaam beroep dat door sommigen zelfs achter hun naam in het telefoonboek stond: gangmaker. Het was in de jaren dat het baanwielrennen net zo populair was als de wielerkoersen op de weg. De stayerwedstrijd vormde een hoogtepunt van een wieleravond in een volgepakt Olympisch Stadion. Dankzij de zuigende werking van de zware motoren of lichtere motorfietsen – derny’s genaamd – met staande gangmakers konden snelheden van 80 kilometer per uur worden gehaald. Renners als Piet de Wit, Matthé Pronk, Cees Stam, Gaby Minneboo en Martin Venix waren echte wielerhelden.
Norbert – ‘Noppie’ – Koch was volgens Peter Post de allerbeste gangmaker. Hij was zeker de bekendste. Hij overleed 7 december op 78-jarige leeftijd in Nieuwegein. Hij was al geruime tijd ziek.
Norbert Koch was het enige kind van een Utrechtse straatfotograaf. Zijn moeder noemde hem Noppie. Hij was eerst zelf wielrenner. In 1945 op pas 13-jarige leeftijd won hij zijn eerste koers in Venlo. Het leverde hem 135 gulden en een schemerlamp op. ‘Den Zwarten 43’ noemden de Limburgers hem, de man met de zwarte trui en startnummer 43. Hij zou nooit meer een andere kleur trui of startnummer willen hebben. Hij trainde door achter de brommer van zijn vrouw naar de wedstrijden en weer naar huis te fietsen. In 1954 won hij een etappe van liefst 312 kilometer in de Ronde van Nederland en in 1955 en 1956 was hij de beste in het profcriterium op het circuit van Zandvoort. Hij had aanvankelijk nog een eigen bedrijfje voor de fabricage van kentekenplaten.
Een ongeluk met een diepvriesleiding leidde tot een leververgiftiging waardoor hij geen lange afstanden meer mocht rijden. Hij moest zich richten op de baan. Drie keer werd hij achter zijn gangmaker Bertus de Graaf Nederlands kampioen. ‘Werd ik goddomme net als Anton Geesink in een open landauer door Utrecht gereden.’ In 1964 verruilde hij de fiets voor de motor. Zijn eerste was een Anzani, aangedreven door een omgebouwde 2.400 cc vliegtuigmotor. Koch werd met Piet de Wit in 1966 en 1967 wereldkampioen bij het stayeren voor amateurs. In 1967 won hij met Leo Proost ook de wereldtitel voor professionals. Daarna werd hij wereldkampioen met de Belg Theo Verschueren (1971 en 1972), de Nederlander Martin Venix (1979 en 1982) en Matthé Pronk (1979 en 1981). Koch was een handig sleutelaar en een slim gangmaker die de koers als geen ander kon lezen. Een keer reed hij vijf verschillende renners naar een finale.
Hij was niet altijd een gemakkelijk heerschap. Samen met mede-gangmaker Bruno Walrave spande hij een rechtszaak aan tegen de UCI toen werd bepaald dat een team van gangmaker en renner dezelfde nationaliteit moest hebben. In 1976 reed Koch in het Olympisch Stadion tegen de jurytafel, nadat hij en Fred Rompelberg waren gediskwalificeerd. Een jurylid liep een enkelblessure op. Koch gaf de schuld aan niet-werkende remmen. Zijn laatste grote succes was de Europese titel van Stan Tournee in 1987. Zijn loopbaan werd in december 1988 abrupt beëindigd na een zware val in de Zesdaagse van Keulen. Met ernstige verwondingen in het gezicht werd Koch opgenomen in het ziekenhuis. Daarna stortte Koch zich op zijn andere passie: het biljarten. Hij speelde hoofdklasse totdat hij volgens zijn vrouw Ann ‘niet meer om de tafel kon lopen’.


Tommaso Padoa-Schioppa (1940-2010)

De man die ze de vader van de euro noemden

Peter de Waard

‘Het grootste risico voor de euro is uitputting bij het herstructuren van de overheidsfinanciën. Het redden van de munt is geen kwestie van maanden. Het is iets van jaren. Misschien wel een decennium.’
Het waren vorige week nog de woorden van de Italiaanse bankier Tommaso Padoa-Schioppa (70). Afgelopen zaterdag stierf de man die wel de vader van de euro wordt genoemd. Hij overleed in een ziekenhuis in Rome nadat hij een hartaanval had gehad, tijdens een diner met honderd vrienden.
Eerder dit jaar was hij nog benoemd tot de speciale adviseur van de Griekse premier George Papandreou. Hij moest helpen met de budgettaire en structurele hervormingen die Griekenland moest doorvoeren, waardoor het land met geld uit het speciale noodfonds van de EU en het IMF orde op zaken kon stellen.
Zijn bijnaam, de vader - of de architect - van de euro, had hij te danken aan voormalig voorzitter van de Europese commissie Jacques Delors. De Fransman benoemde Padoa-Schioppa in de jaren tachtig als de secretaris van een commissie die een traject naar een eenheidsmunt uit moest zetten. De Italiaan komt met een zo krap tijdschema dat geen enkel land de mogelijkheid zou hebben van gedachten te veranderen.
De strategie lukt niet helemaal - Groot-Brittannië en Denemarken haakten af - maar in 1999 wordt de euro ingevoerd. Padoa-Schioppa gaat deel uitmaken van het zes koppen tellende bestuur van de Europese Centrale Bank, waarvan Wim Duisenberg de baas wordt. ‘Onze nieuwe valuta verenigt niet alleen economieën, maar ook de mensen van Europa’, zegt hij in juni 1999. ‘Het is nu een Europese samenleving, geen nationale samenleving.’
Na zijn aftreden bij de ECB in 2005 wordt hij in Italië nog minister van Financiën in de regering-Prodi. Hij beseft continu hoe moeilijk zijn eigen land het heeft met de regels van het Stabiliteits- en Groeipact, maar weet als minister het begrotingstekort terug te dringen totdat het kabinet valt.
Tomasso Padoa-Schioppa werd in juli 1940 geboren in het Noord-Italiaanse Belluno. Hij studeert economie in Milaan voordat hij in 1966 een opleiding volgt aan het Masschusetts Institute of Technology. Hier leert hij vloeiend Engels en later ook Duits spreken. In de VS wordt hij ook een fervent voorstander van een geïntegreerd Europa.
Hij werkt een blauwe maandag bij C&A voordat hij in het bankwezen belandt. Hij is 13 jaar plaatsvervangend directeur-generaal van de centrale bank van Italië voordat hij zijn kans krijgt in Brussel. Van 1979 tot 1983 is hij directeur-generaal economische en financiële aangelegenheden bij de Europese Commissie. Een terugkeer naar de centrale bank volgt voor de volgende vier jaar, nu als directeur-generaal economisch onderzoek.
De integratie gaat elke keer met twee stappen vooruit en een stap terug. Padoa-Schioppa kan er grappen over maken, maar hij ziet uiteindelijk maar een richting. ‘De EMU’, zo zegt hij over de Economische & Monetaire Unie, ‘kan net als de gelijknamige vogel niet achteruit vliegen.’
Zijn integriteit staat buiten elke twijfel. Succes kent vele vaders, falen heeft er vaak geen enkele. Padoa-Schioppa bleef ook de vader van de euro toen het dit jaar mis ging in Griekenland. Over zijn laatste positie als adviseur van Papandreou zei hij: ‘Ik ben onafhankelijk. Ik heb geen andere belangen en ik wil niet betaald worden voor wat ik doe.’
(20-12-2010)


Arjan Vermeulen (1952-2010)

Het aimabele gezicht van een paarse krokodil

Peter de Waard

‘Ik heb mij wel eens afgevraagd hoe het kan dat iemand met zo’n gezond lijf ineens zo ziek blijkt te zijn. Hebben wij hem wel voldoende comfort gegeven?’ Voormalig PvdA-politicus Flip Buurmeijer vraagt zich nog steeds af waarom bestuursvoorzitter Arjan Vermeulen van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) in Driebergen zo plotseling op pas 57-jarige leeftijd is overleden aan de gevolgen van kanker. Op 2 augustus had hij als voorzitter van de raad van toezicht met hem nog het toekomstplan voor de CIZ doorgenomen. Want het nieuwe rechtse kabinet wil in de bezuinigingswoede opnieuw aan het indicatiesysteem gaan sleutelen. Vlak daarna werd Vermeulen ziek.
Sinds het CIZ zes jaar geleden werd opgericht en Vermeulen topman werd, heeft de instelling als een soort van paarse krokodil onder vuur gelegen. Het CIZ kreeg het monopolie om indicaties af te geven voor de vergoedingen die mensen op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten konden claimen - de kosten voor persoonlijke verzorging (douchen, aankleden), verpleging, begeleiding, verblijf in een instelling zoals een verpleeghuis of behandeling (opnieuw leren lopen na een hersenbloeding). Maar veel mensen vonden het CIZ veel te formeel en wilden dat die indicaties door direct betrokkenen als de huisartsen of thuiszorg zouden worden gedaan.
Vermeulen besefte de spagaat waarin het CIZ moest werken - enerzijds onafhankelijk blijven door afstand te houden en anderzijds betrokkenheid bij de mensen tonen. Deze taak werd steeds moeilijker omdat het CIZ zelf gedwongen werd te bezuinigen - van een budget van 160 miljoen in 2005 tot 120 miljoen vijf jaar later -, terwijl het aantal indicaties steeg tot bijna een miljoen per jaar.
Vermeulen werd geboren in Amsterdam en groeide op Velp. Hij was daar ondermeer lid van de padvinderij. Hij voelde zich al snel betrokken tot het jongerenwerk en volgde een opleiding aan De Nijenburgh in Baarn - de hoge school voor sociaal en cultureel werk. Na zijn afstuderen werkt hij eerst in de wijk Overvecht in Utrecht en later in Floradorp in Amsterdam-Noord - een achterstandswijk die in de na-oorlogse jaren nog ’s avonds ‘op slot’ ging. Begin jaren tachtig werd hij beleidsambtenaar in Den Haag. Maar de praktijk trok hem meer. Hij was directeur van achtereenvolgens de Sociale Dienst in Leiden en Utrecht voordat hij bij Cadans terechtkwam. Toen die organisatie opging in het UWV kwam hij via een tussenstap bij Meavita - een overkoepelende organisatie van verzorgingstehuizen - uiteindelijk terecht bij het CIZ.
Volgens zijn echtgenote Cissy Steyn voelde hij zich hier in zijn element. ´Hij kon goed omgaan met de stress. Als hij thuiskwam, stortte hij zich op de privédingen. De volgende dag ging hij weer monter naar het werk.´ Vermeulen was een aimabele man, maar ook een daadkrachtig bestuurder. Hij vergaderde om een ronde tafel - snel en besluitvaardig. Hij wilde zo weinig mogelijk bureaucratie maar hij wilde ook dat de indicaties zo nauwgezet waren dat ze bestand waren tegen beroep- en bezwaarprocedures.
Hij was naast idealist ook realist - iemand die wilde dat mensen die recht hadden op de AWBZ-zorg die ook moesten krijgen maar dat de explosief stijgende kosten in de hand moesten worden gehouden. Hij bleef echter in uiterste instantie de opbouwwerker van weleer. Zijn hart lag bij de mensen die zorg nodig hebben. In gesprekken bracht hij het onderwerp vaak terug tot de kern: hoe zou ik het als cliënt ervaren.
Hij bleef altijd studeren en cursussen volgen en haalde nog in 2006 zijn MBA. Maar zelfs met een wetenschappelijke studie en een topfunctie bleef hij zichzelf, zijn idealen en de publieke taak trouw.
(20-12-2010)


Rie de Boois (1936-2010)

Kamerlid dat het milieu op de PvdA-agenda zette

Peter de Waard

Ze was politica in de tijd dat er nog geen Partij voor de Dieren nodig was. Tweede Kamerlid Rie de Boois werd in 1986 tot dierenbeschermer van het jaar uitgeroepen. ‘Daar was ze echt trots op’, zegt haar broer Herman de Boois.
Rie de Boois overleed op 16 november in haar woonplaats Kerk-Avezaath aan een hartaandoening. Ze werd in 1936 in Zierikzee geboren als oudste in een ‘heidens’ gezin van zes kinderen. Haar vader - een Amsterdamse PvdA’er die met een Drentse vrouw was gehuwd - had daar een baantje gevonden op de Ambachtsschool.
Het hele gezin was in de na-oorlogse jaren lid van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie die excursies organiseerde over planten en dieren. Via Doetinchem kwam het gezin uiteindelijk in Utrecht terecht. Hier ging Rie biologie studeren aan de Rijksuniversiteit Utrecht, waar ze later ook zou promoveren op een dissertatie met de titel Schimmelgroei in strooisellagen van enkele bosgronden.
Nadat ze in 1962 afstudeerde, doceerde ze een blauwe maandag, maar dat was niet haar roeping. Het wetenschappelijk aspect van het vak sprak haar meer aan. Ze was blij dat ze een baan kon vinden als wetenschappelijk medewerker bij het Rijksinstituut voor Natuurbeheer in Arnhem.
In 1964 trouwde ze met Karel Nagel, die ze nog kende van de Jeugdbond voor Natuurstudie. Net als Rie zat hij in de linkste hoek. Hij was zowel milieu-activist als atoompacifist. Via de provincie Noord-Holland zou Nagel in 1973 tussentijds gekozen worden in de Tweede Kamer. Op dat moment was het huwelijk al op de klippen gelopen en was De Boois zelf al kamerlid. Nagel overleed in 1979, op 44-jarige leeftijd.
De Boois begon later een relatie met de bekende televisiepersoonlijkheid en museumdirecteur Pierre Janssen. Ze had hem via haar contacten in de culturele wereld leren kennen. Tot diens dood in 2007 woonden ze samen in hun 18de eeuwse boerderij in Kerk-Avezaath.
Haar eerste opstapje in de politiek maakte ze in 1966 toen ze voor de PvdA lid werd van de gemeenteraad in Arnhem. Van 1972 tot 1987 was ze Tweede Kamerlid. Ze maakte naam als een nuchter politica die duidelijke taal bezigde. In de Kamer hield ze zich vooral bezig met milieu- en natuurbeheer en verder met cultuur, wetenschapsbeleid en koninkrijksaangelegenheden.
In 1975 voerde ze het woord tijdens het debat over de onafhankelijkheid van Suriname. Bij de jachtwetwijziging van 1977 stelde ze voor de drijfjacht op wilde zwijnen af te schaffen, maar als gevolg van ernstige bezwaren vanuit het koninklijk huis en adellijke kringen werd het initiatief getorpedeerd. De Boois had het meteen gehad met de monarchie. In 2002 maakte ze bezwaren toen het Prins Bernhard Cultuurfonds de stoelen voor het huwelijk van Maxima en Willem-Alexander in de Nieuwe Kerk subsidieerde.
Na haar Kamerlidmaatschap werd ze directeur van het Zuiveringsschap Amstel- en Gooiland. Van 1996 tot 2004 was De Boois voorzitter van Vogelbescherming Nederland. Ze maakte deel uit van de commissie Boertien, die onderzoek deed naar de verhoging van de Deltadijken, en de Raad voor het Landelijk Gebied, waarvan Henk Vonhoff voorzitter was. In 2002 werd ze bestuurslid van het Gelders Archief. ‘Op de dag van haar dood lag er een brief in de bus van staatssecretaris Zijlstra dat ze nog twee jaar voor deze commissie was herbenoemd’, zegt Herman de Boois.
(13-12-2010)


John Fagel (1930-2010)

Beroemd om kalfniertjes in mosterdsaus

Peter de Waard

John Fagel kan de stamvader van de naoorlogse Nederlandse eetcultuur worden genoemd. Maar hij was wars van sterrendom en het televisiekoken was in die tijd nog onbekend. Met zijn motto ‘Smaak zit in je hoofd, niet in een recept’, wist hij proevend het meest fantastische gerecht te maken zoals kalfsniertjes in mosterdsaus, coq au vin de Bourgogne, kreeft à l’Armoricaine en wildgerechten als fazant. Altijd puur en zonder opsmuk.
Fagel overleed op 6 november in Amsterdam op 80-jarige leeftijd. Tien jaar eerder had hij zijn muts aan de wilgen gehangen. Hij was de oudste zoon in een katholiek gezin in Apeldoorn van negen broers en een zus. Nadat zijn vader, de ondernemer Anton Fagel, was begonnen met de exploitatie van een restaurant in Utrecht, wilde hij zijn zonen de horeca proberen in te krijgen. Dat lukte in acht gevallen, terwijl een het klooster inging.
Toevallig bleken ze alle acht ook nog zo enorm creatief te zijn dat ze elk een geheel eigen vernieuwende visie op de Nederlandse eetcultuur in praktijk konden brengen. Zo stonden ze aan de wieg van de Nederlandse versie van de Franse bistrot en introduceerden ze het restaurant met louter entrecote op het menu. In totaal hebben ze bij 30 restaurants in Nederland de scepter in de keuken gezwaaid. Frans Fagel, gezien als vader van de Nederlandse bistro, overleed in 2005. Martin Fagel, samen met de in 1989 bij een roofoverval vermoorde Gerard Fagel eigenaar van De Hoefslag in Bosch & Duin, stierf een jaar later. Van de Fagels is nu nog Paul Fagel actief achter het fornuis in Het Arsenaal in Naarden, waarbij hij af en toe nog wordt bijgestaan door Ton Fagel. Frans’ dochter Pascale heeft een eigen restaurantje in Den Bosch.
John Fagel wilde eigenlijk liever naar de toneelschool. Maar zijn vader vond dat hij beter de handen uit de mouwen kon steken en stuurde hem naar de hotelschool.
Hij volgde een praktijkopleiding in Parijs voordat hij in de jaren zestig in Katwijk zijn eigen eerste restaurant begon. Daarna nam hij het heft in handen in zijn vaders zaak in Utrecht. Zijn liefde voor theater en circus kon hij moeilijk van zich afzetten. Hij probeerde, met Henk Elsink, theater te combineren met gastronomie in het Amsterdamse restaurant De Kopermolen. Toen hij in de Eindhovense Stadsschouwburg het Bistro du Théâtre dreef, nam hij het paardendressuurnummer in het wintercircus voor zijn rekening. ‘Sociaal en een vakman’, zo herinneren voormalige medewerkers hem.
Commercieel zette niet al zijn initiatieven zoden aan de dijk. In 1981 trok hij weer naar Amsterdam en opende zijn nieuwe zaak: Le Restaurant Tout Court, Het Restaurant Zonder Meer. Hier legde hij zich toe op traditionele Franse gerechten, die met eigentijdse technieken werd bereid. Fagel stond altijd zelf in de keuken of ‘achter de kachel’ zoals hij dat noemde. De sauzen maakte hij zelf. Fagel trouwde twee keer. Met zijn eerste vrouw kreeg hij drie kinderen. Volgens zijn zoon Fabian Fagel, zelf leraar aan de Hotelschool in Den Haag, was zijn vader een echte Bourgondiër. ‘Tout Court was ook zijn huiskamer waar vrienden altijd welkom waren, ook als het restaurant gesloten was.’
Bij zijn afscheid in 2000 werd Fagel Ridder in de Orde van Oranje-Nassau . Hij trok zich terug in een huis op het Franse platteland met twee keukens: een voor zijn vrouw en een voor hem. Koken werd daar weer een hobby.
(6-12-2010)


Alfred van der Poorten (1942-2010)

Van Joodse onderduiker tot getalswetenschapper

De eerste drie jaar van zijn leven heette hij Frits Teerink. Het Joodse jongetje Alfred van der Poorten was toen een van de jongste onderduikers van Nederland. In 1951 emigreerde hij met zijn ouders naar Australië, waar hij een bekend computerpionier en een van de gezaghebbendste wiskundigen van het land werd. Alfred van der Poorten overleed op 9 oktober aan de gevolgen van longkanker.
Van der Poorten was in de meest letterlijke zin een wereldburger. Elke vier jaar nam hij zes maanden een sabbatical om in een ander werelddeel te gaan wonen, meestal in een universiteitsstad. Als professor had hij een groot, wereldwijd netwerk. Een van zijn beste vrienden was Michel Mendes France, zoon van een vermaarde Franse premier.
Alfreds – of Alfs – vader was David van der Poorten, die voor de oorlog een bloeiende huisartsenpraktijk had in de Amsterdamse Sarphatistraat. Tijdens de oorlog probeerden de nazi’s hem voor hun karretje te spannen voor het keuren van Joden voor de werkverruiming, maar Van der Poorten gebruikte zijn positie om mensen die voor werkkampen waren opgeroepen te adviseren ziektebeelden te simuleren en hen daarop af te keuren.
Uiteindelijk werd Van der Poorten verraden en kwam hij via Westerbork in het concentratiekamp Theresienstadt. Het echtpaar had hun beide kinderen – dochter Marieke en zoon Alf – naar een onderduikadres kunnen brengen. In Theresienstadt was zijn vrouw Marian Stokvis betrokken bij de verzorging van de ‘onbekende kinderen’, wat later werd verteld in het gelijknamige boek van Daphne Meijer. Elke twee jaar komt Marian van der Poorten-Stokvis – inmiddels 96 jaar oud – nog naar Nederland om de reünie van de onbekende kinderen bij te wonen.
David van der Poorten en Marian Van der Poorten-Stokvis overleefden het concentratiekamp en na de oorlog kon het gezin worden herenigd in een nieuwe huisartsenpraktijk aan de Gerrit van der Veenstraat in Amsterdam. Hier kregen ze een derde kind. Uiteindelijk besloten ze een nieuw leven te beginnen aan de andere kant van de wereld. Omdat zijn huisartsendiploma in Australië niet werd erkend, moest hij opnieuw medicijnen studeren.
De jonge Alf werd een fanatiek supporter van de rugbyclub St. George die tussen 1956 en 1966 elf keer kampioen van Australië werd. Later ging hij wiskunde studeren aan de Universiteit van New South Wales. Omdat de studie hem gemakkelijk afging en hij niet wist wat er in toekomst mee te doen, studeerde hij daarnaast ook filosofie en haalde een MBA-diploma.
In de jaren zestig werd hij een actief voorvechter van de Zionistische beweging, maar later verflauwde zijn aandacht daarvoor. Hij werd professor in de wiskunde en publiceerde 180 wetenschappelijke studies. Ook had hij verscheidene boeken op zijn naam staan. Internationaal werd hij vooral vermaard als getalswetenschapper met publicaties als Continued Fractions en Effective Diphantine Approximation.
In Nederland werkte Alfred bij zijn onderzoeken samen met de wiskundigen Hendrik Lenstra en Robert Tijdeman. In 2008 werd longkanker bij hem ontdekt. In de tweeënhalf jaar die daarop volgden, werd hij drie keer geopereerd en volgde hij twee radiotherapie- en chemotherapiebehandelingen
(29-11-2010)


Henriette Barones van Lynden-Leijten (1950-2010)

Ambassadeur met een heerlijk gevoel voor humor

Peter de Waard

Henriette barones van Lynden-Leijten wist haar internationale diplomatencarrière voor de buitenwereld probleemloos te combineren met de opvoeding van drie dochters en de afwezigheid van een man die in de brandhaarden van de wereld zijn leven op het spel zette.
‘Ze was toegewijd, consciëntieus, geëngageerd en had een heerlijk gevoel voor humor. Toen ze een tweeling kreeg in Londen was ze zes weken later al weer aan het werk’, zegt haar vriendin Cora Minderhoud, ambassadeur in Mexico.
Op 6 november overleed Henriette Leijten op 60-jarige leeftijd aan de gevolgen van alvleesklierkanker. Bizar genoeg was haar dood een van de belangrijkste onderwerpen in het Bulgaarse televisiejournaal, terwijl ze ruim vijf jaar eerder als ambassadeur uit het land was vertrokken. ‘Het maakte duidelijk wat ze had betekend voor de relaties met Nederland’, zegt haar echtgenoot Aernout van Lynden.
In 2009 was ze benoemd als de nieuwe ambassadeur bij de Heilige Stoel. Ogenschijnlijk stelt die post niet veel voor, maar het Vaticaan heeft een van de grootste netwerken in de wereld. Zo hield Van Lynden zich bezig met het beter coördineren van anti-aidsprogramma’s in Afrika en hielp ze Boris Dittrich in zijn campagne voor betere rechten van homoseksuelen in Afrika.
Henriette Leijten werd in 1950 geboren in een boerenfamilie in het Brabantse Gilze-Rijen. Haar vader zou daar directeur worden van de Boerenleenbank. Ze studeerde eerst aan de Sociale Academie en later filosofie en Arabisch aan de Universiteit van Amsterdam. In 1981 werd ze benoemd tot persattaché en derde secretaris op de ambassade in Cairo. Hier leerde ze Cora Minderhoud kennen, die daar de portefeuille ontwikkelingssamenwerking had. ‘We waren toen nog allebei vrijgezel en deden heel veel samen. We maakten schitterende tochten door de woestijn’, zo weet Minderhoud zich te herinneren.
Van Cairo ging ze naar Libanon, waar toen nog een hevige burgeroorlog woedde. Hier leerde ze de vijf jaar jongere Aernout van Lynden kennen, een oorlogscorrespondent voor kranten als The Observer, The Washington Post en het NOS Journaal. Van Lynden kwam uit een diplomatiek nest van aristocratische huize en was geboren en opgegroeid in Londen. Ze trouwde hier met hem. Omdat Libanon geen burgerlijk huwelijk kent, werd de plechtigheid verricht door de ambassadeur zelf.
Op de volgende post in Londen werden hun drie kinderen geboren. Van Lynden was intussen jarenlang correspondent in het voormalige Joegoslavië, toen daar in 1991 de strijd ontbrandde. Daarna volgden voor Leijten posten in Brussel en Wenen, voordat ze in 2001 voor het eerst ambassadeur werd in Bulgarije. Haar man die in Ramallah was getroffen door een rubberen kogel, besloot zich hier ook te vestigen en ging journalistiek doceren aan de Amerikaanse universiteit in Sofia. Bij terugkeer in 2006 werd ze op het ministerie van Buitenlandse Zaken directeur Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Op 2 november 2009 mocht ze haar geloofsbrieven overhandigen aan paus Benedictus XVI. Afgelopen zomer werd ze ziek. Ze verbleef de laatste maanden dicht bij haar familie in een verbouwde boerderij in de buurt van St. Oedenrode.
(22-11-2010)


Ad Verhoeven (1949-2010)

Beschermheer van witteboordenwerkers

Peter de Waard

In de Volkskrant-ranglijst van invloedrijkste Nederlanders stond deze vakbondsman in 2007 nog op nummer 65: net achter Cor Herkströter (Shell) en Ben Verwaayen (toen nog topman bij BT).
Ad Verhoeven, die zondag 14 november op 61-jarige leeftijd overleed, was waarschijnlijk de meest gezaghebbende bestuurder uit de geschiedenis van de vakcentrale voor Middelbaar en Hoger Personeel (MHP).
Verhoeven was een echte autodidact. Hij begon al heel jong met werken, onder meer in de bouw en later bij de Kamer van Koophandel. in 1976 werd hij vakbondsbestuurder bij wat toen de Unie BLHP heette, de vakbond voor de witte boorden.
Vele jaren was hij voor deze bond de vaste onderhandelaar bij Philips, waarmee hij diverse spraakmakende CAO’s afsloot. Nadat Verhoeven in 1998 voorzitter was geworden van de MHP bleef hij vanwege zijn kennis van dit bedrijf nog lange tijd een veelgevraagd Philips-watcher.
Begin 2004 werd hij door de MHP-bond, de Unie, beschuldigd van ‘onzichtbaarheid’ en ‘zelfverrijking’ en kreeg hij de schuld voor het feit dat het ledenaantal was teruggelopen tot 160 duizend. Even dreigde zelfs een scheuring bij de vakcentrale, maar de andere bonden namen het voor hem op.
Museumplein-akkoord:
Toen het kabinet Balkenende het mes wilde zetten in het prepensioen en de sociale zekerheid was hij in 2004 juist de voorman die met Lodewijk de Waal (FNV) en Doekle Terpstra (CNV) een grote manifestatie op het Museumplein organiseerden.
In totaal kwamen er meer dan 200 duizend betogers op de manifestatie af, waarmee het een van de grootste vakbondsdemonstraties in de geschiedenis werd. ‘Je bent een rund als je met zoveel mensen stunt’, schreeuwde Verhoeven de mensen toe.
Verhoeven noemde de bijeenkomst een van de hoogtepunten van zijn carrière. Het leidde uiteindelijk tot het zogenoemde Museumpleinakkoord.
Uiteindelijk zou Verhoeven zou tien jaar voorzitter van de MHP blijven. Hij was een rustige, vastbesloten en strijdvaardig bestuurder die er niet voor terugdeinsde nog hogere eisen te stellen dan de meer radicale bonden als de FNV en het CNV. In 2006 kondigde hij aan een einde te maken aan de tijd van loonmatiging en kwam met een eis van een loonsverhoging van 5 procent.
Verhoeven had een groot netwerk, waaraan hij zijn hoge notering in de lijst van invloedrijkste Nederlanders te danken had. Zo was hij jarenlang onder meer lid van het Dagelijks Bestuur van de Sociaal-Economische Raad, het bestuur van de Stichting van de Arbeid en tevens lid van de Bankraad, adviesorgaan van De Nederlandsche Bank.
Voor zijn belangrijke rol in het sociaal-economisch overlegmodel werd Verhoeven in 2008 koninklijk onderscheiden. Na zijn aftreden als voorzitter is Verhoeven nog verbonden gebleven aan de MHP als beleidsadviseur, totdat hij ernstig ziek werd.
(16-11-2010)


Maud Keus (1944-2010)

De ‘warme deken’ van Het Simplisties Verbond

Peter de Waard

Veel van de creativiteit die in de afgelopen veertig jaar bij de VPRO tot stand werd gebracht, was niet mogelijk geweest zonder Maud Kaus. ‘Ze was altijd vrolijk, was nooit grieperig en had nooit in de file gestaan. Ze kon op een heleboel manieren lachen, maar uitlachen hoorde daar niet bij’, aldus Kees van Kooten. ‘Zonder Maud waren wij nergens.’
Twee dagen nadat Harry Mulisch op Zorgvlied werd begraven, werd hier ook producer en regisseur Maud Keus (66) ter aarde besteld. Zij was de producer van spraakmakende en vernieuwende VPRO-programma’s uit de jaren zeventig en tachtig: Het Gat van Nederland van Hans Keller en het Simplisties Verbond en Keek op de Week van Van Kooten en De Bie.
Programmamaker Frank Wiering noemt haar ‘de warme deken van rust en creativiteit; iemand die de namen leek te zingen als ze sprak’.
Keus overleed op 2 november aan de gevolgen van een hersentumor. Ze werd maar 66 jaar. De fatale ziekte was precies een jaar geleden in het Onze Lieve Vrouwen Gasthuis in Amsterdam bij haar vastgesteld. Tot de ziekte haar het werken onmogelijk maakte, ging ze door. De laatste vijf jaar was ze regisseur en samensteller van indringende televisieportretten van bekende Nederlanders, zoals volksschrijver Gerard Reve, PvdA-politicus Jan Schaefer en journalist Willem Oltmans.
Keus werd geboren in Laren (Noord-Holland) als de dochter van beeldend kunstenaar Kees Keus. Op haar negende jaar verhuisde ze met haar ouders naar een huis aan de Amsterdamse Keizersgracht waarin ze tot haar dood zou blijven wonen. Als kind straalde ze al een natuurlijk overwicht en rust uit. Ze werkte eerst met haar zus bij het kostuumatelier van het Nederlands Dans Theater voordat ze in 1970 in dienst kwam van de VPRO. Twee jaar later begon Hans Keller met het met de Nipkow Schijf bekroonde Het Gat van Nederland. Toen dat in 1974 stopte, werkte ze bijna een jaar lang als producent aan de VPRO-documentaire over de oorlogsjaren met als titel ‘Vastberaden maar soepel en met mate’ – een ‘anti-epos’ over gewone burgers en hun verwarring. Vervolgens produceerde ze voor de VPRO twaalf afleveringen van Herenleed, voordat ze liefst 21 jaar samenwerkte met Van Kooten en De Bie.
In 1984 ging ze samenwonen met televisiepresentator en filmrecensent Cees van Ede. ‘Toen ik het voorstelde, zei ze: Als jij er bij wilt komen, kan dat, maar dan zal je er wel voor moeten zorgen, dat m’n leven nog leuker wordt.
‘Misschien had Maud één kleine frustratie. Dat ze niet had doorgeleerd. Maar wie heeft een universitaire opleiding nodig als je op de universiteit hebt gezeten van Hans Keller, Hans Verhagen, Cherry Duijns, Armando, Kees van Kooten en Wim de Bie?’, zegt Van Ede.
Maud Keus had alleen maar vrienden. Ze was de stabiele factor van de zogenoemde Panini-club (genoemd naar Caffe Panini aan de Vijzelgracht) met onder anderen Hanneke Groenteman.
Die bijeenkomsten gingen bij haar thuis door toen ze niet meer kon reizen. Tot haar dood kreeg ze elke morgen de Volkskrant op haar bed, ook toen ze niet meer kon lezen. Van Ede: ‘Urenlang kon ze de voorpagina bestuderen’. Toen ze dinsdagmiddag 2 november stierf, sliep ze in met wijd open ogen en een glimlach op het gezicht.
(15-11-2010)


Willem Vogel (1920-2010)

De meester met de grote M

Peter de Waard

Zijn dood was een item in het 8-uurjournaal. En op zijn begrafenis had hij al een herdenkingsmonument: een bladmotief in een van de koorbanken van de Oude Kerk in Amsterdam.
Willem Vogel (90) die 7 oktober in Amstelveen overleed, zou zelf daarover een relativerende toon hebben aangeslagen. Hij was waarschijnlijk de belangrijkste naoorlogse componist van kerkmuziek, maar liep daar niet mee te koop.
Zijn melodieën? ‘Ze waren er al, ik heb ze alleen maar opgeschreven.’
Hoe was de uitvoering? ‘Ach, de mensen vonden het mooi.’
Willem Vogel was vooral ook bekend als de huisorganist van de Oude Kerk, midden op de Wallen. Hij was hier een begrip. Zijn Bach-concerten begonnen steevast een kwartier tot twintig minuten te laat, omdat de mensen in lange rijen voor de deur stonden, zo vertelde hij bij zijn afscheid.
Vogel werd in 1920 geboren als het enige kind van een Amsterdamse steendrukker die voor de oorlog naar Weesp verhuisde. Hij kreeg de muziek niet met de paplepel ingegoten, maar hoorden al heel jong ‘woorden op nootjes’. Hij was gefascineerd door het orgelspel in de plaatselijke kerk. Hij kreeg zijn opleiding bij de rooms-katholieke organist Johan Schafstall en van de organist van de Grote kerk in Weesp, Piet Esselman.
Voor de Tweede Wereldoorlog was hij zelf al kerkorganist. Hij begon in Amstelveen – nu een Chinees restaurant – ging naar de Hervormde Emmakerk in Watergraafsmeer – nu De Bron – en was van 1961 tot 1973 cantor en organist van de Nieuwezijds Kapel in Amsterdam – nu The Amsterdam Dungeon.
Toen die gesloten werd, vond hij nieuw emplooi bij de Oude Kerk en de cantorij volgde hem. Na bijna dertig jaar lang de scepter hebben gezwaaid – hij was toen al 82 – nam hij in 2002 afscheid als organist van de Oude Kerk.
Zijn leven stond in dienst van de kerkmuziek. ‘Hij maakte geen kerkmuziek met een grote K, maar kerkmuziek voor de mensen die elke week de lofzang gaande houden: koren en cantorijen, kerkgangers en speellieden. Daarin is hij de meester. De meester met de grote M’, zegt zijn opvolger Christiaan Winter.
Het doel van zijn composities was de kerkgangers te laten zingen, zodat de melodieën gemakkelijk in het gehoor moesten liggen. Hij huldigde eenvoud in vorm en muzikale taal, zoals hij dat ook deed in levensstijl – hij bleef zijn hele leven in een huurhuis wonen en ging nooit op vakantie.
Hij zou ook succes kunnen hebben gehad in de jazz of pop. Maar Vogel hield volgens zijn weduwe eigenlijk alleen van kerkmuziek en dan met name van Bach. Hij werd de icoon van de liturgische beweging. Met zijn geschriften Voorspelen in de eredienst leerde hij organisten dat improviseren iets anders was dan ‘vormloos gefantaseer’. Twintig van zijn melodieën werden klassieken die in het Liedboek van Kerken zijn opgenomen.
Vogel bleef zijn hervormde achtergrond muzikaal trouw, maar voerde ‘katholieke’ elementen toe aan de gezangen. In de officiële katholieke bundel Gezangen voor Liturgie staan van zijn hand drie onberijmde psalmen, vier vaste gezangen en elf liederen met onder andere teksten van Huub Oosterhuis, Muus Jacobse en Willem Barnard.
(8-11-2010)


Annemieke Gloudemans-Boonman (1975-2010)

Sterrenkundige met baanbrekend onderzoek

Peter de Waard

Als jong sterrenkundige was ze gefascineerd door de schoonheid van het universum, inclusief de aarde zelf. Dat is een van de redenen dat Annemieke Gloudemans-Boonman altijd verder keek dan haar eigen wetenschappelijke domein. Dat heeft er uiteindelijk toe geleid dat ze gevraagd werd voor National Geographic Channel documentaire Earth from Above. Het zou haar eerste en laatste documentaire zijn. Gloudemans overleed op 11 oktober aan kanker, op pas 35-jarige leeftijd.
Drie jaar geleden presenteerde Gloudemans een baanbrekend onderzoek: de koolmonoxide die tijdens het bosbrandseizoen boven Australië hangt, is voor een groot deel niet afkomstig van Australische, maar van Zuid-Amerikaanse bosbranden. Via onderzoek hoog in de atmosfeer had ze een beter beeld gekregen van de intercontinentale verspreiding van koolmonoxide.
Ze werd als Annemieke Boonman geboren in september 1975 in Kwadendamme, een dorpje in de zak van Zuid-Beveland. Haar vader was onderwijzer op de plaatselijke basisschool waar ook zij naartoe gaat. Later gaat ze naar het atheneum in het 17 kilometer verder gelegen Goes. Ze slaagt in acht vakken en nog voordat ze 18 wordt studeert ze al wiskunde en sterrenkunde in Leiden. In 1994 behaalt ze cum laude haar propedeuse in deze studierichtingen. Zij beperkt zich daarna tot sterrenkunde, waarin ze in 1997 afstudeert. In Leiden is ze lid geworden van het Leidsch Astronomisch dispuut ‘F. Kaiser’, waar ze ook haar latere levenspartner Roel Gloudemans ontmoet. Ze trouwen in 2002.
Een jaar later promoveert ze bij professor Van Dishoeck op een proefschrift met als titel: Spectroscopy of Gases around Massive Young Stars. Op pagina 178 van haar proefschrift schrijft zij: ‘Samenvattend laat dit proefschrift zien, dat de analyse van spectra van verschillende moleculen in verschillende golflengtegebieden, complementaire informatie oplevert over de chemische processen in het omhulsel van massieve protosterren. Dit maakt spectroscopie een krachtig middel om de evolutie van massieve protosterren te bestuderen.’
Voor veel van haar vrienden is het abracadabra. Maar in de wetenschappelijke wereld is haar naam gevestigd. Ze krijgt een baan bij het Nederlands instituut voor ruimte-onderzoek SRON, waar zij onderzoek doet naar processen in de atmosfeer van de aarde.
In 2005 wordt een melanoom in haar knie ontdekt en verwijderd. Zij lijkt zich goed te herstellen en kan zelfs weer schaatsen op de Uithof, hoewel ze in stelling 8 bij haar proefschrift betoogde dat ‘schaatsen op interstellair ijs ongezond is’.
Ze is gefascineerd door de schoonheid van het zuidereiland van Nieuw-Zeeland – het land dat ze kende van de Lord of the Rings-filmcyclus – en reist er drie keer naartoe.
Ook wordt ze in 2008 moeder van een zoon, hoewel ze gezien haar verleden eerst een advies heeft ingewonnen over de risico’s bij het Antoni van Leeuwenhoek-ziekenhuis.
Op 20 augustus van dit jaar voelt ze een knobbeltje in haar oksel. Enkele dagen later hoort ze dat er uitzaaiingen zijn en dat genezing niet mogelijk is. Op woensdag 6 oktober gaat ze naar het ziekenhuis vanwege obstipatie en bloedarmoedecomplicaties. Ze weet dat ze dood gaat.
(1-11-2010)


Jens van der Vorm-de Rijke (1957-2010)

Een LPF’er met een rijdend Unifil-museum

Peter de Waard

Hij was net 19 jaar toen hij voor het eerst politiek actie voerde. Op 1 mei 1975 haalde hij de rode vlag van het gemeentehuis van Dordrecht die daar ter gelegenheid van de Dag van de Arbeid wapperde.
‘Hij heeft vanaf zijn jeugd een rechtse inborst gehad’, zegt zijn partner Martijn de Rijke-van der Vorm over Jens van der Vorm-de Rijke met wie hij in 2001 trouwde.
Op 9 oktober overleed Jens van der Vorm-de Rijke op 53-jarige leeftijd aan een agressieve vorm van darmkanker.
Hij was een kleurrijke man die zoveel energie had dat hij eigenlijk dubbel heeft geleefd. Uit zijn eerste huwelijk – met een vrouw van wie hij in 1989 scheidde – laat hij twee kinderen na.
Landelijk werd hij onder meer bekend als de lijsttrekker van de LPF bij de Europese verkiezingen van 2004. Hij haalde net geen zetel, ook omdat de LPF toen al over zijn hoogtepunt heen was. ‘Hij kwam bij de partij toen zijn dochter de jonge Fortuynisten wilde oprichten. Ze had geen geld voor de oprichtingsacte, zodat Jens moest bijspringen’, aldus zijn partner.
Van der Vorm zou vier jaar provinciale statenlid voor de LPF zijn en landelijk secretaris. In die laatste functie mocht hij uiteindelijk de stekker eruit trekken. Daarna werd Jens van der Vorm-de Rijke lid van de lokale partij Beter voor Dordt (BVD). In maart werd hij nog in de gemeenteraad gekozen, een maand later werd kanker geconstateerd.
Jens van der Vorm werd geboren in Dordrecht als de zoon van een administrateur bij het GAK. Na de havo en het vwo besloot hij in 1979 als dienstplichtig militair naar Libanon te gaan op een van de allereerste UNIFIL-vredesoperaties. In het zuiden van Libanon schoten de vijandige partijen – Israël en de Palestijnen – over de VN-kampen op elkaar zonder dat de blauwhelmen veel konden uitrichten. Hij gaf daar het Nederlands VN-detachementsblaadje uit, de Dubbel Vier.
Jens van der Vorm was op dat moment al actief in de Raad voor het Jeugdbeleid in Dordrecht. Van 1976 tot 1982 was hij voorzitter van Jeugdraad. Nadat hij uit dienst was afgezwaaid, kwam Van der Vorm in 1980 in dienst van de Algemene Nederlandse Bond van Groenten- en Fruitexporteurs. Hiervoor deed hij ook de public relations. In 2000 zou hij secretaris worden van het Hoofdbedrijfsschap Agrarische Groothandel Groenten en Fruit.
Hij was in 1984 medeoprichter van Stichting Dordt in Stoom, waarvoor hij zich meer dan twintig jaar inzette. Zijn liefde voor de stad was zo groot dat hij zich nog op zijn sterfbed druk maakte over de historische binnenstad.
Hij koesterde ook de herinnering aan zijn dienstperiode in Libanon, waar een van zijn maten Philip de Koning het leven verloor nadat hij op een mijn was gereden. Van der Vorm kocht twee witte Unifil-voertuigen, waaronder een ‘dikke DAF’ met het nummer UNIFIL 3103 waarin De Koning overleed. Hij noemde het zijn ‘rijdend Unifil-museum’ dat hij graag meenam naar de veteranendagen in Wageningen. In 2009 stelde hij nog het actiecomité ‘Wageningen, we gaan’ samen, naar aanleiding van het voornemen dat jonge veteranen niet langer welkom zouden zijn in Wageningen. In juli van dit jaar werd hij benoemd tot lid van de Orde van Oranje-Nassau.
(25-10-2010)


Max Kohnstamm (1914-2010)

Kain was niet slechter dan Abel

Peter de Waard

Hij raakte zijn geloof in God kwijt in het concentratiekamp Amersfoort. Hij kreeg er daar ook een ander geloof voor terug: dat in het Europese ideaal. Het zou een geloof zijn dat hij tot zijn dood bleef aanhangen.
Historicus, diplomaat en intellectueel Max Kohnstamm is woensdag op 96-jarige leeftijd overleden in zijn woning aan de Amsterdamse Prinsengracht. Kohnstamm werd bekend als de secretaris van koningin Wilhelmina in de drie eerste naoorlogse jaren en als groot pleitbezorger van Europese samenwerking. Hij was zelfs voorstander van een Verenigde Staten van Europa. Hij was nauw betrokken bij de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) in 1952, de voorloper van de EU. Ruim 25 jaar lang was hij een persoonlijke vriend van Jean Monnet, de oprichter van de EGKS. Kohnstamm pleidooi voor samenwerking was gebaseerd op de overtuiging dat in het competitieve element van ieder mens de oorzaak van elk conflict was gelegd. ‘Kain was niet slechter dan Abel, maar als twee mensen de wereld willen verdelen gaan ze allebei hun ondergang tegemoet.’
Kohnstamm werd in 1914 geboren. Hij was de zoon van Philip Kohnstamm, een natuurkundige, filosoof en grondlegger van de wetenschappelijke pedagogiek en didactiek in Nederland, en An Kessler – telg uit een geslacht van de oprichters van de Koninklijke Nederlandsche Petroleum Maatschappij – de latere Shell.
Hoewel de familie een Duits-joodse afstamming had, werd aan het geloof nauwelijks iets gedaan. Kohnstamm werd protestants opgevoed in een woning in Ermelo die voor de oorlog een verzamelplek was voor intellectuelen. Hij studeerde moderne geschiedenis. Na zijn kandidaatsexamen ging hij in 1938-1939 een jaar naar de Verenigde Staten voor een studie van de New Deal van president Roosevelt. In 1942 zat hij enkele maanden gevangen in Kamp Amersfoort. De gevangenschap en het schuldgevoel dat te hebben overleefd, hadden een enorme invloed op hem. Hij schreef later een brievenboek over het kampleven tijdens de oorlog. ‘In Amersfoort, waar ik met een groepje medegevangenen, in die koude winter van ‘42-43, sneeuw van de ene naar de andere kant van een vlakte moest sjouwen, heb ik mij voor ‘t laatst, heel sterk, in Gods hand gevoeld.'
Ter gelegenheid van de verjaardag van Adolf Hitler werd hij op 20 april 1943 vrijgelaten, maar in juni van dat jaar werd hij opnieuw gevangengenomen en als gijzelaar in de kampen Haaren en Sint-Michielsgestel opgesloten. In laatstgenoemde kamp behoorde hij tot de Heeren Zeventien, een groep gevangen bestuurders die discussieerden over partijpolitieke vernieuwing na de oorlog. Na WO II was hij drie jaar particulier secretaris van koningin Wilhelmina. De band met de Oranjes bleef altijd warm. Zo was hij de peetvader van prins Constantijn op wiens huwelijk hij ook een speech hield. Vervolgens was hij namens het ministerie van Economische Zaken betrokken bij de uitvoering van het Marshall Plan in Nederland. Vervolgens werd hij secretaris van de Hoge Autoriteit van de EGKS te Luxemburg. ‘De historie bewijst dat daar waar geen gemeenschapsvormen tot stand zijn gekomen -waar dus alleen het competitieve element speelt- het conflict geboren is.’
Zijn inzet voor het ideaal maakte mensen soms bijna gek. Zelfs zijn kinderen waren het 'Europa-gedoe' wel eens zat. De PvdA polste hem een keer om burgemeester van Amsterdam te worden. Maar Kohnstamm zag ervan af en verliet de PvdA zelfs toen partijvoorzitter Ien van den Heuvel in 1975 begrip kon opbrengen voor de bouw van de Berlijnse muur.
Van 1976 tot 1981 was hij de eerste president van het Europees Universitair Instituut te Florence. Hij werd later erevoorzitter van het European Policy Centre in Brussel. In 1977 kreeg Max Kohnstamm de Wateler Vredesprijs, in 1987 de Jean Monnetprijs en in 2004 een Roosevelt Freedom Award. Het stemde Kohnstamm droevig dat in de laatste jaren het debat in Nederland over Europa zich beperkte tot de hoogte van de bijdrage. Hij bleef een Europese idealist, ook toen tegenstanders - Bolkestein zei ooit 'allergisch te zijn voor zijn eurogezwemel' - hem gebrek aan realiteitszin verweten.
(23-10-2010)


Rudolf Mees (1931-2010)

De bankier van de duurzame deurklinken

Peter de Waard

’Jij bent antroposoof, hè?’ werd Rudolf Mees een keer door iemand van katholieke huize gezegd. ‘Heeft die overtuiging invloed op je werk?’ vervolgde hij. Mees antwoordde: ‘Ik hoop het’, keerde de vraag daarop om en de man bleef stil.
Rudolf Mees die 29 september op 79-jarige leeftijd overleed aan kanker, heeft zijn stempel op de idealistische kant van het Nederlandse bankwezen gedrukt. Hij was een van de vier oprichters van de Stichting Triodos waaruit in 1980 de Triodos Bank ontstond - een antroposofische bank die kredieten geeft aan bedrijven die daadwerkelijk iets bijdragen aan de samenleving, zoals fair trade organisaties, biologische boeren, kunst en sociale projecten.
Mees werd in 1931 geboren in Den Haag. Hij was in de verte een telg van het befaamde Rotterdamse bankiersgeslacht dat in 1720 de bank R. Mees & Zoonen oprichtte, een bank die in 1962 fuseerde met Hope & Co tot Mees & Hope en in 1994 weer met Pierson, Heldring & Pierson tot MeesPierson.
Zelf rekende hij zich tot de ‘arme tak van de Mezen’. Zijn vader was huisarts in Den Haag en eigenlijk wilde hij ook iets in de medische sector gaan doen. Uiteindelijk ging aan de Erasmus in Rotterdam toch economie studeren. ‘Common sense made difficult’, zo sneerde hij wel eens over deze studie.
Hij ging eerst werken hij de Continentale Handelsbank voordat hij toch bij Mees & Hope terecht kwam. Hij vond het een uitdaging om zijn antroposofische overtuiging zowel binnen zijn werk als daarbuiten - ondermeer in de Vrije School-beweging - toe te passen. ‘Mijn vader was eigenlijk een voorloper van de jaren zestig-beweging’, zo zegt zijn zoon Vincent Mees, zelf bankier bij de FMO. In de jaren zestig kwam hij in contact met andere antroposofen: de organisatiedeskundige Lex Bos, de fiscalist Dieter Brüll en de econoom Adriaan Déking Dura.
In 1970 richtten zij de Stichting Triodos op. Mees werd verantwoordelijk voor de bankkant. ‘Hij was voortdurend bezig de maatschappelijke kant van bankieren te versterken. Het stimuleren van bewust omgaan met geld was zijn motto’, aldus Peter Blom, de huidige directievoorzitter van de Triodos Bank.
Hoewel hij een van de foundig fathers was van de Triodos Bank werd hij in 1980 door topman Willem Scherpenhuijsen Rom - zelf antroposoof - overgehaald om bij de Nederlandsche Middenstands Bank (NMB) te komen werken. ‘Mees was niet iemand voor startende ondernemingen, meer een voor het grote werk. Daarom koos hij voor de NMB in plaats van Triodos’, zegt Blom.
Hij kwam terecht in de raad van bestuur waar hij ondermeer verantwoordelijk werd voor het personeelsbeleid. Daarnaast bemoeide hij zich met de uitwerking van de bouw van het beroemde nieuwe NMB-hoofdkantoor in Amsterdam-Zuidoost - het zogenoemde ‘Zandkasteel’. Hij wilde zoveel mogelijk duurzame materialen in het kantoor. Uren besteedde hij aan het zoeken van de meest ideale trapleuningen en deurklinken voor dit gebouw. Hij maakte de fusie met de Postbank nog mee maar na die met verzekeraar Nationale-Nederlanden tot deING Groep stapte Mees op en ging met pensioen. Hij kon zich daarna in toezichthoudende functies op het wel en wee van Triodos concentreren en werd lid lid van de Ondernemingskamer aan het Gerechtshof Amsterdam.
(18-10-2010)


Ien van den Heuvel (1927-2010)

Een voorbeeldige ‘rooie vrouw’

Alleen van het noemen van haar naam Ien kregen vele Telegraaf-lezers al nachtmerries. Haar grote bril, haar kleding, haar kapsel en vooral haar standpunten deden rechts Nederland in de jaren zeventig gruwen.
Ze vond de NAVO een ellendig ding, noemde een linkse dictatuur beter dan een rechtse, zei begrip te kunnen opbrengen voor de bouw van de Berlijnse muur en was in de Eerste Kamer de grote voorvechter van legalisering van abortus. Ien van de Heuvel die van 1975 tot 1979 voorzitter was van de PvdA, overleed afgelopen woensdag in haar woonplaats Heemskerk op 83-jarige leeftijd. Ze was voorzitter in de tijd dat de PvdA van Joop den Uyl aan de regering was. In de partij stond ze op de linkervleugel en was ze de grote voorvechter van de rooie vrouwenbeweging. Ze Van den Heuvel zette de polarisatiestrategie die al door haar voorganger André van der Louw was ingezet, voort. Ze pleitte voor een grote socialistische familie van PvdA, de vakbond NVV, de VARA, linkse kranten en linkse culturele organisaties. De PvdA moest een actiepartij worden.
Van den Heuvel werd als Ien de Blank in 1927 geboren als jongste van een gezin van drie kinderen. Haar vader was een kleermaker in Tiel. Ze moest jurken dragen die gemaakt waren van de oude jassen van haar oudere broer, waarvoor ze zich enorm geneerde. Haar ouders waren atheïstisch maar niet rood en hadden niet bijster veel interesse voor politiek. Na de oorlog haalde ze het hbs-diploma, en ging als secretaresse aan de slagging. en bij bedrijven – werk dat ze niet bijster interessant vond.
Ze zocht aanvankelijk een uitdaging in een lidmaatschap van de Vrijzinnig Christelijke Jeugd Centrale (VCJC), maar voelde zich na haar huwelijk in 1950 voelde ze zich steeds meer aangetrokken tot de vrouwenbeweging van de PvdA. Stap voor stap maakte ze carrière in de partij en in met de PvdA gelieerde organisaties als de VARA en de nationale emancipatieraad. Ze vond dat de PvdA bij gelijke geschiktheid een vrouw als voorzitter zou moeten hebben, omdat ‘vrouwen nu eenmaal een enorme achterstand in de maatschappij hadden’. ‘Ik ben socialist omdat ik constateer: deze maatschappij bevalt mij niet, want ik pas er als mens niet in. Ik ben feministe omdat ik zeg: deze maatschappij bevalt mij niet, want ik pas er als vrouw niet in’. In een interview met Het Parool zei ze in 1975 ‘zich alleen gelukkig te voelen in een geradicaliseerde partij’. Ze vond dat de landelijke linkse beweging daarom blijvend verzet moest bieden tegen de Haagse linkse elite.
‘Ik houd niet van de rare ingewikkelde betoogtrant. Wil je dat ik net zo praat als Joop (den Uyl-red.) of Max (van der Stoel-red.)? Dan zou ik pas echt weg moeten gaan’, verklaarde ze in het Vrije Volk. Hierdoor werd ze zelfs een luis in het linkse kabinet Den Uyl. Zij wilde samenwerken met de pacifisten (’als ik een man zou zijn, zou ik dienst weigeren’) van de PSP en opende een dialoog over samenwerking met de CPN. van de onverzoenbare Marcus Bakker. Ze joeg niet alleen veel politici van de VVD en het CDA tegen zich in het harnas, maar ook die van haar eigen PvdA als Ivo Samkalden, Wim Meijer en zelfs Jan Schaefer.
Toen het tweede kabinet Den Uyl er niet kwam stapte ze op als voorzitter en liep ze ook boos weg uit de Eerste Kamer. In 1989 verdween ze uit de landelijke politiek.
(14-10-2010)


Joop Seegers (1957-2010)

De voorvechter van de sociale rechtshulp

Peter de Waard

Zijn grootste verdienste? ‘Misschien dat hij van de sociale rechtshulp een vast onderdeel van elke advocatenpraktijk heeft gemaakt’, zegt zijn partner mr. Jos Lebouille van de maatschap Seegers & Lebouille.
Mr. Joop Seegers was de grote voorvechter van de sociale advocatuur. Dertig jaar stond hij krakers, demonstranten, etnische minderheden en andere underdogs in de samenleving bij. ‘Maar daarbij bleef hij altijd de advocaat. Werd nooit de actievoerder of politieke ideoloog’, aldus Lebouille.
Joop Seegers overleed op 25 september op 52-jarige leeftijd. Hij was twee kilometer voor het einde van de jaarlijkse Dam tot Damloop plotseling in elkaar gezakt. Zes dagen kon hij nog met machines in leven worden gehouden.
Seegers was bekend met hartproblemen, zodat hij op aanraden van zijn cardioloog was gaan sporten. Het werd hem fataal.
Zijn broer Gerard denkt dat zijn verleden misschien een rol heeft gespeeld. ‘Als kind heeft hij een ernstige nierziekte gehad, waardoor hij bijna twee jaar in een ziekenhuis lag. Daar is ook zijn karakter gevormd. Hij stond altijd de zwakkeren in de samenleving terzijde. Als hij met zijn motorclub op stap ging en er moest iemand wegens ziekte achterblijven, dan bleef ook Joop bij hem.’
Joop Seegers werd geboren in het Limburgse Susteren, waar zijn vader stationschef was. Hij studeerde aan het Bisschoppelijk College ‘Kleesj’ in Sittard. Hij was onconventioneel, met haren tot over zijn schouders. Na een studie rechten sloot hij zich aan bij het Advokatenkollektief Staatsliedenbuurt dat was opgericht door Jaap de Groot en Fan Eberhard. Hier werd hij een van de juridische gezichten van de kraakbeweging. Gerard Seegers: ‘Een gevoel voor rechtvaardigheid en vertrouwen in mensen vormde de basis van zijn inzet.’ Toen een keer een parketwachter zijn cliënt te hard aanpakte, probeerde hij die los te trekken. Vervolgens werd Seegers in de houdgreep genomen. ‘Advocaat verdedigde cliënt in woord en daad’, kopte De Telegraaf de volgende ochtend.
Joop Seegers was nooit op geldelijk gewin uit, ook niet toen hij begin jaren negentig zijn eigen praktijk begon met mr. John Wattilete, de huidige president van de regering in ballingsschap van de Zuid-Molukken. In 1993 vormde hij een nieuw partnerschap met Jos Lebouille.
Toen bij de Eurotop in 1997 demonstranten preventief werden opgepakt door de Amsterdamse politie, zei hij in Het Parool over de toenmalige burgemeester Schelto Patijn: ‘Iemand die mensen interneert zonder wettelijke basis, zou eigenlijk geen burgemeester mogen zijn.’
Letselschadezaken werden uiteindelijk zijn specialiteit. Voor werknemers die het slachtoffer waren van een bedrijfsongeval haalde hij tonnen binnen. In de laatste tien jaar zat hij ondermeer in het bestuur van de Vereniging Sociale Advocatuur Amsterdam en de Raad van Toezicht van de Amsterdamse Orde van Advocaten. Het werk was zijn roeping, ook nadat hij vier jaar geleden een dottersbehandeling had ondergaan. Volgens zijn vrienden werkte hij tot aan of zelfs over de grens van uitputting. Maar zijn humor hield hem overeind. ‘Niemand kon zo schitterend de slappe lach hebben als Joop Seegers’, zegt een collega.
(11-10-2010)


Lex van Delden (1947-2010)

De ideale acteur voor het kostuumdrama

Peter de Waard

Als je sprak over Van Oude Mensen en de Dingen die Voorbijgaan, verbeterde hij het meteen: ‘Van Oude Mensen, de Dingen die Voorbijgaan’. Wie de Londense straat Pall Mall uitsprak met een A of zelfs halve O als klinker, werd onmiddellijk gerectificeerd. Het is Pell Mell. Hij hoorde elke foute noot in een muziekstuk en keek dan geërgerd.
Voor een bijna obsessieve perfectionist heeft Lex van Delden bijna ongelooflijk veel gedaan. De acteur en tenor heeft honderden rollen vervuld en gezongen. Van Delden overleed woensdag in Amsterdam na een slopende ziekte.
In de jaren zestig en zeventig was hij de ideale acteur voor het Nederlandse kostuumdrama dat toentertijd nog het hoogtepunt was van elke televisie-avond. Hij brak eind jaren zestig door met de zwart-wit serie De Kleine Zielen, op dat moment de duurste en meest ambitieuze serie ooit. In deze voor de NCRV door Johan de Meester geregisseerde serie, gebaseerd op De Boeken der Kleine Zielen van Louis Couperus, speelde Van Delden de rol van Addy van der Welcke. Daarna gaf televisieregisseur Walter van der Kamp hem meteen de hoofdrol in de televisiebewerking van Bordewijks roman Karakter. Van Delden werd de nationale Jacob Willem Katadreuffe die continu werd tegengewerkt door Dreverhaven, een rol die door zijn eigen oom Ko van Dijk werd vertolkt.
Van Delden werd in 1947 geboren als Alex Zwaap. Hij was de zoon van de actrice Jetty van Dijk en de componist en muziekrecensent Alex Zwaap die na de oorlog zijn onderduiknaam Lex van Delden had geadopteerd. Toen Zwaap in 1966 zelf naar de toneelschool ging koos hij voor de artiestennaam Lex van Delden . Hij begon zijn carrière in 1967 met Ramses Shaffy in het programma Shaffy Verkeerd. ’De regisseur Johan de Meester zocht op dat moment een onschuldig ogende jongeman voor de rol van Addy. Zijn oog viel op mij’, zei hij in 2000 in een interview in deze krant. Van Delden maakte daarna een stormachtige loopbaan door op de Nederlandse televisie. Hij speelde in de jaren zeventig in bijna alle grote klassieke televisiedrama's mee: Karakter, Van Oude Mensen, de Dingen die Voorbijgaan, De Stille Kracht en Hollands Glorie. In deze series werkte hij samen met grootheden als zijn oom Ko van Dijk, maar ook Paul Steenbergen, Bob de Lange, Caro van Eijck en Ellen Vogel.
De leergierige Van Delden vond zelf dat hij in 1978 in Nederland vastliep. 'Ik werd op dat moment niet meer beter als acteur, en dat wilde ik wel worden. Daarnaast wilde ik ook zingen, en in Nederland waren er geen geschikte operagezelschappen waarbij ik mij kon aansluiten. Toen ben ik naar Londen gegaan.' Daar heeft hij de afgelopen 32 jaar in talrijke televisieseries en -producties, opera's en toneelstukken gespeeld en gezongen. 'Ik durf te zeggen dat ik hier professioneel acteur ben geworden. In Nederland was ik het ook, maar zo voelde ik mij niet.' In Engeland werd hij misschien nog het meest bekend van de rol van een Nederlandse zakeman die hij enige tijd speelde in de populairste soap Coronation Street. In de West End speelde hij in toneelstukken van Brecht en zong hij als tenor in opera’s van Puccini, Monteverdi en Offenbach. Net als zijn vader componeerde hij ook af en toe zelf muziek.
Hij bleef leegierig tot aan zijn dood. Hij wilde weten waarom een bepaald schilderij van Van Gogh zoveel mensen aansprak of een opera van Mozart. ‘Ik ben altijd bezig mijn artistieke smaak te verbeteren.’ Londen was voor hem het artistieke mekka - ‘Welke stad in de wereld kent vijf symphonie-orkesten? – en de Engelsen de ideale kunstenaars dankzij hunt vormbesef en de ingeboren professionaliteit – ‘Ze weten hoe het hoort en als ze iets doen, doen ze het goed’. Na 1978 vestigde hij zich hier ook met zijn vriend in de wijk Camden Town. Maar hij kwam veel naar Nederland. Van Delden haalde nooit zijn neus op voor minder hoogdravend werk – als het maar perfect werd gemaakt. Hij speelde rollen in dramaseries als Grijpstra & De Gier, Flikken Maastricht en die van Willem Drees in de serie Juliana. Ook speelde hij in liefst vijftien films waaronder klassiekers als Soldaat van Oranje en Een Brug Te Ver.
(9-10-2010)


Bouk Schellingerhoudt (1919-2010)

Gouden Bouk was voorloper van IJzeren Willem

Peter de Waard

‘IJzeren Willem’ is een icoon van de wielerwereld. Maar ‘Gouden Bouk’ is een van de illustere voorgangers die de Tour de France reed en Nederlands kampioen werd.
Bouk Schellingerhoudt overleed op 19 september in zijn geboorteplaats Zaandam, waar hij jarenlang aan de Zuiddijk een sigarenzaak had. Daarnaast organiseerde hij rondleidingen door de Zaanstreek. Zijn hele leven bleef hij een bekende Zaankanter die tegen zijn klanten altijd graag over zijn wielerprestaties praatte.
Boudewijn Schellingerhoudt – de naam Bouk zou hij pas tijdens zijn wielercarrière krijgen – werd in 1919 geboren in een gezin van tien kinderen in Zaandam. Zijn vader was daar groenteboer. Al voor de oorlog werd hij gegrepen door de wielersport. Hij werd in 1935 lid van de Zaanse wielerclub DTS (Door Training Sterk), waar zijn broer Jan al fietste en waar ook WK-uitblinker Niki Terpstra vele decennia later zijn carrière begon.
Schellingerhoudt reed eerst als amateur, later als zogenoemd onafhankelijk renner – toen een aparte categorie tussen amateurs en profs – en vanaf 1944 als prof.
In 1946 werd hij in Valkenburg kampioen van Nederland, waarbij hij onder meer Gerrit Schulte en Theo Middelkamp te slim af was. Als training voor dit kampioenschap had hij vier keer als training het rondje Zaandam-Valkenburg-Antwerpen gereden.
Het jaar daarop werd hij uitgenodigd voor de Tour de France in een Nederlandse ploeg die was aangevuld met een Pool, een Italiaan en een Belg. Schellingerhoudt wist de door de Fransman Jean Robic gewonnen ronde niet te voltooien. In de zevende etappe kwam hij te laat binnen door drie lekke banden. ‘In die tijd waren er nog geen materiaalwagens en moesten de renners zelf hun banden lappen of andere banden meenemen rond hun nek. Dat was een enorme belasting, omdat ze vaak nog over grintpaden reden’, aldus archivaris Ton R. Vermij van DTS, die dit jaar nog samen met Schellingerhoudt de start van de Tour de France in Rotterdam bezocht.
In de jaren daarop werd hij opnieuw uitgenodigd voor de Tour de France, maar hij zou niet meer meedoen omdat hij de voorkeur gaf aan de Ronde van Zwitserland, die toentertijd financieel lucratiever was. Hier reed hij in 1948 als knecht in dienst van de Italiaanse wielerlegende Gino Bartali.
Schellingerhoudt stond bekend als een enigszins flegmatieke coureur, die zijn momenten uitkoos om te winnen. In 1949 was hij de kopman van de Jocoploeg in de Ronde van Nederland. Hij veroverde de oranje leiderstrui, maar door materiaalpech in Limburg moest hij die afstaan aan Gerrit Schulte. Hij werd uiteindelijk derde.
Schellingerhoudt was toen al getrouwd en had zijn met wielrennen verdiende geld in een sigarenzaak geïnvesteerd. De aandacht ging steeds meer uit naar zijn maatschappelijke toekomst, hoewel hij nog tot 1954 als prof bleef fietsen.
Hij bleef ook daarna bij DTS betrokken. In 1969 richtte hij de jeugdwielerschool op. Bij het veertigjarig bestaan in 2009 werd hij hiervoor nog door de KNWU onderscheiden met het Zilveren Wiel. Schellingerhoudt reed tot zijn 91ste jaar nog vier keer per week tussen de 40 en 60 kilometer op een dag.
(4-10-2010)


Big John Russell (1943-2010)

De soulzanger die door The Beatles werd begeleid

Peter de Waard

Hij smeerde na optredens in de Scheveningse discotheek Pam Pam zijn sigaretten in met Vicks omdat het goed was voor zijn stem. Misschien was het daaraan te danken dat Big John Russell voor zijn fans de beste soulzanger was die Nederland ooit heeft gekend.
John Russell overleed op 12 september volkomen onverwacht aan een hersenbloeding. De oudere generatie zou hem vooral moeten herinneren als de zanger van de hits van het jaren zeventig-duo Spooky & Sue (You talk too much, Would You Like to Swing on a Star en You got what it takes), de nieuwe generatie zal vooral zijn La Presie van de tv-reclame van PTT herkennen.
John Russell – hij had Britse grootouders – werd in 1943 in Paramaribo geboren. In 1959 werd hij door zijn ouders naar Nederland gestuurd om daar te gaan studeren. Zij wilden dat hij patholoog-anatoom zou worden. Maar de muziek trok hem meer, nadat hij een Elvis-talentenjacht in Suriname had gewonnen.
In Nederland kreeg hij een uitnodiging voor optredens in het kindercircus van Toni Boltini. Koningin Juliana zag hem daar en schonk hem een akoestische gitaar. Daarna ging hij toeren in Duitsland, waar hij in de Starclub in Hamburg begeleid werd door The Silver Beatles, de toen nog onbekende groep van Paul McCartney en John Lennon. In juni 1964 mocht Russell in Blokker in het voorprogramma staan bij het enige Nederlandse concert van de inmiddels beroemde The Beatles.
Hij kwam daarna in een band terecht met onder anderen drummer Pierre van der Linden en gitarist Jan Akkerman van de latere groep Focus en won daarmee een tweede prijs in de Muziekparade van de VARA. Bij de legendarische Phonogram-producer Rini Geveke bracht hij zijn eerste single Baby Twist uit.
Vanwege zijn lengte en omvang (hij zou later 200 kilo wegen) kreeg hij de bijnaam Big John Russell.
Begin jaren zeventig kwam Russell in contact met de Britse zangeres Sue Chaloner. Samen hadden ze een reeks hits als duo Spooky & Sue, hoewel Russell tijdens televisieoptredens werd vervangen door de Arubaanse danser Iwan Groeneveld.
Na zijn breuk met Sue Chaloner scoorde Big John Russell tien hits (Never loved a woman the way I love you en Hokie Pokie) waarmee hij in Duitsland zo veel succes had, dat hij in 1981 de Gouden Piramide kreeg als ‘de Beste, de Duurste en de Meest Verkochte Artiest in Duitsland’. Hij investeerde zijn geld in discotheken in Uithoorn (Tutti Frutti) en Amersfoort (Big John’s Dance Palace) en een shoarmazaak (Jeruzalem of Gold). Maar hij was succesvoller als artiest dan als zakenman. In 1985 scoorde hij een hit met Party Time. Hij toerde door heel Europa met Bill Haley, Middle of the Road, Mungo Jerry, Bonnie Tyler, The Tremeloes en The Rubettes. Op verzoek van prinses Irene maakte hij een plaat voor haar discoboek Irene, moeder of rebel, waarvan er 400 duizend werden verkocht. In zijn woonplaats Leusden kreeg hij zijn eigen 36-track geluidsstudio.
Hij bleef concerten geven. Meestal begonnen die met zijn uitvoering van het nummer Papa was a rolling stone, met de fameuze regel ‘It was the 3rd of September, that day we will always remember’. Op de rouwkaart maakten zijn vrouw en vier kinderen er een andere zinsnede van ‘It was the 12th of September’, een dag die zij zich altijd zullen blijven herinneren.
(27-9-2010)


Gerrit Taverne (1944-2010)

De dominee die alleen guldens wilde hebben

Peter de Waard

Hij vond de sterrenkrans op de euro een ‘schoffering van het Woord van God’ en collecteerde daarom nog in guldens. Hij weigerde te bidden voor de koningin sinds Willem-Alexander was getrouwd met een katholiek meisje. Hij wees het huidige staatsbestel af en vond zelfs de SGP te progressief.
Dominee G.F. (Gerrit) Taverne overleed op 27 augustus aan de gevolgen van kanker. Hij wilde geen ziekenhuisbehandeling, omdat hij zich schikte in zijn lot. Taverne was de laatste echte calvinist van Nederland – iemand die alle regels van deze radicale Zwitsers/Franse hervormer tot op de letter eerbiedigde en diens aversie tegen het paapse Rome deelde.
Dat Taverne de euro niet wilde, kwam omdat Europa een symbool heeft met twaalf sterren. En dat was in de ogen van Taverne een verwijzing naar een bijbels symbool. ‘En er werd een groot teken in de hemel gezien: een vrouw, met de zon bekleed, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd’, staat in het bijbelboek Openbaring, hoofdstuk 12, vers 1. Daarnaast waren de sterren neergezet op een hemelsblauwe ondergrond, ‘ter ere van Maria en van Rome met haar perfide paapse mis’.
Taverne werd in 1944 geboren in Den Haag, waar zijn vader G. Taverne dominee was. In 1951 verhuisde het gezin van vier kinderen naar Hoogeveen. Hier overleed op 12-jarige leeftijd het jongste zusje. Later kwam bij een ongeluk in België een broer om. Deze tragedies hadden grote invloed op de latere dominee.
Zijn vader ging na een conflict in 1954 verder als predikant van de Presbyteriaal Hervormde Classis Nederland der Ene Heilige Katholieke Kerk. Hij noemde de kerk van Rome ‘een macht die het licht met list, bedrog en geweld van de kansel en uit de staat weert.’ Hij overleed in 1998 op 95-jarige leeftijd toen zijn zoon al lang in zijn voetsporen was getreden.
In 1977 was Taverne zelf predikant van de vrije hervormde gemeente – een orthodoxe kerkrichting – in IJsselmuiden geworden. Hij had een zware studietijd achter de rug – eerst gepest op school en later op de universiteit in Groningen gemeden vanwege zijn overtuiging.
In 1983 kwam hij in IJsselmuiden in conflict met een deel van de gemeente. Sindsdien hield Taverne voor zijn aanhangers zelf samenkomsten, die bestonden uit een preek en het zingen van psalmen – berijming 1773 zonder orgel – precies zoals het in de achttiende eeuw was in de kerken van de Reformatie. ‘Hij was onbuigzaam en zou uit principe nooit een hand geven aan een katholieke priester, maar voor de rest was hij vriendelijk, bescheiden en eerlijk’, zegt een volgeling.
Hij was tegen de televisie, tegen inenting, tegen verzekeringen, tegen kinderbijslag en AOW. Hij reed naar eigen zeggen met ontheffing onverzekerd in de auto zonder gordel. ‘Wij behoren God toe, de overheid heeft daar slechts naar te luisteren.’ Hij koesterde de strikte Engelse en Schotse tradities – eeuwenoude lectuur over de verborgen omgang met de Here, genade en eeuwig verderf.
Het Verenigd Europa deed Taverne af als een door het Vaticaan – de ‘hoer van Babylon, de moeder der hoererijen en der gruwelen der aarde’ – beraamd plan voor de heerschappij van Europa. Taverne zwoer bij Revius, anno 1629: ‘Oock sal men u, ô Romen noch verbranden.’
(20-9-2010)


Jan Vriezo Voortman (1919-2010)

Een verzetsheld die geen lintje kreeg

Peter de Waard

Hij haalde onder het oog van Duitse soldaten tot twee keer toe springstof weg onder de houten Veenhoopsbrug waardoor de bevrijders in 1945 bij Smilde Drenthe konden binnentrekken.
Het was een unieke daad van moed van Jan Vriezo Voortman, die 28 augustus op 90-jarige leeftijd in een verzorgingstehuis in Westerbork overleed.
Niettemin werd een aanvraag voor een koninklijke onderscheiding in 2003 door de toenmalige commissaris van de Koningin in Drenthe Relus ter Beek afgewezen omdat zijn verzetsdaad ‘te lang geleden’ had plaatsgevonden en een ‘beperkte maatschappelijke herkenbaarheid’ had. Hij kreeg wel een Franse onderscheiding. Tijdens de herdenking in Assen werd het Franse Diplôme d’Honneur van de Amicale des Anciens Parachutistes S.A.S. opgespeld voor zijn hulp aan de Franse parachutisten. Zijn oudste zoon Bertus Voortman publiceerde twee jaar geleden onder de titel De Brug van Jan Vriezo een boekje over de heldendaad.
Jan Vriezo Voortman was een simpele boer in Smilde. Tijdens de oorlog hielp hij zijn broers met het zoeken van onderduikadressen. ‘Hij kon het doen omdat de Duitsers hem zagen als een boertje die gewoon bleef melken. Niet iemand die zich met verzetsdaden bezig hield’, zegt Bertus Voortman. Enkele andere familieleden werden wel opgepakt bij razzia’s maar wisten op weg naar Duitsland uit de trein te springen en te ontsnappen.
De Duitsers hadden in april 1945 onder de Veenhoopsbrug die over de Smildervaart liep, dynamiet aangebracht om de brug te kunnen opblazen als de geallieerden in aantocht waren. Drie Duitsers bewaakten de brug.
De geallieerden dropten op 7 april in het kader van operatie Amherst Franse parachutisten. Een twaalftal kwam verkeerd terecht in de buurt van de weg naar Hooghalen. Ze scholen zich op in een buitenhuisje, ver van de bewoonde wereld. Jan Vriezo Voortman kreeg contact met ze toen hij samen met zijn broer een gewonde parachutist naar dit huis toebracht. Hij stelde ze voor de springstof onder de brug weg te halen, zodat de geallieerden daar later met hun tanks overheen zouden kunnen. Hij sprak geen woord Frans, maar wist via een foto zijn bedoeling duidelijk te maken.
De parachutisten gingen op 10 april met hem mee naar de brug. Daar werd een van de Duitsers doodgeschoten en de andere twee gevangen genomen. Daarna haalde Voortman de springstof weg. De Duitsers slaagden erin de springstof de volgende dag opnieuw aan te brengen toen de parachutisten zich hadden verwijderd.
´Mijn vader en ik stonden met nog drie mensen bij ons huis voor de brug. Ik stelde voor om de springlading weer in het water te gooien. Die andere drie zijn ‘m direct gesmeerd´, zei hij daarover.
Hoewel de Duitsers even verderop lagen, kroop Jan Vriezo Voortman op zijn buik over de spanten onder de brug, maakte de lading los en liet alles in het water vallen. De bevrijders hebben de brug uiteindelijk gebruikt voor het bevrijden van dit deel van Drenthe.
Voortman zou in 1947 trouwen met Nel de Geus, een ‘Hollandse’ uit Zandvoort die in de oorlog met gerepatrieerde bejaarden naar Drenthe was gekomen. In anonimiteit boerde hij voort op het bedrijf waar hij tachtig jaar zou blijven wonen.
(13-9-2010)


Jan ‘Pet’ (1946-2010)

De man die van de Hofstad de bluesstad maakte

Peter de Waard

Hij lag in zijn open kist zoals iedereen hem in Den Haag kende. De klep van de pet op zijn hoofd stak net boven de rand uit. Binnen zijn handbereik stond een flesje bier te midden van een zee van bloemen. Het weer was die maandag stormachtig, net zoals hij zelf was.
Onder massale belangstelling is op 23 augustus op Ockenburg in Den Haag Jan van der Sluis, beter bekend als Jan Pet, gecremeerd.
Zijn vriend Marko Fehres citeerde tijdens de plechtigheid de woorden van T-Bone Walker. ‘They call it stormy Monday, but Tuesday’s just as bad. Het was een dinsdagmorgen dat je dood gevonden werd, en het was een slechte dinsdag.’ Jan Pet was die dinsdag op 64-jarige leeftijd overleden aan een hartstilstand.
Jan Pet was de belangrijkste promotor van de bluesmuziek in Nederland. Hij begon als roadie van de legendarische band Livin’ Blues en eindigde als organisator van bluesconcerten in kroegen en zalen in Den Haag.
Hij was voor iedereen herkenbaar aan zijn onafscheidelijke sjekkie, het biertje in zijn hand, baard, spijkervest en de eeuwige pet.
De laatste tien jaar organiseerde hij de vaste JP-bluesavonden in café Lokaal Vredebreuk in de Haagse Papestraat. Ook was hij betrokken bij de organisatie van het jaarlijkse Hofstad bluesfestival – het grootste bluesevenement in Nederland.
Daarnaast was Jan Pet beeldend kunstenaar die vooral bekend was van met goudverf overgoten installaties van oud speelgoed en afval. Als hij onvoldoende verkocht, deinsde hij er niet voor terug om als toilettenbeheerder te gaan werken in een horecagelegenheid.
Jan van der Sluis werd eigenlijk in Rotterdam geboren, maar kwam als kind naar Den Haag. Omdat zijn vader en moeder al jong overleden, werd hij opgevoed door zijn broers en zus. In militaire dienst haalde hij zijn groot rijbewijs, waardoor hij als vrachtwagenchauffeur aan de gang kon. De dood van Buddy Holly was de omslag in zijn leven. Sinds die tijd was er volgens zijn zoon Dido – een van zijn drie kinderen – maar één ding: muziek.
In het weekeinde gebruikte hij de vrachtwagen om Haagse popbands gratis naar concerten te rijden. Blues was zijn grote liefde. In 1966 werd hij roadmanager van Livin’ Blues. Zes jaar lang toerde hij door Nederland en Europa met deze legendarische band rond Nicko Christiansen, Ted Oberg en John Lagrand.
Het meest memorabele uit deze tijd was het dubbeloptreden van ‘zijn band’ Livin’ Blues en Fleetwood Mac in Club 192. Meer dan 1.200 mensen waren bij het concert waar voor nauwelijks reclame was gemaakt.
Later ging hij zelf concerten organiseren. Hij kende de bluesscene als zijn broekzak. Hoewel hij altijd op de achtergrond wilde blijven, werd hij toch een instituut. Musici als Kaz Lux, Julian Sas en Marcel Scherpenzeel behoorden tot zijn kennissenkring. Jan noemde zichzelf ‘makelaar in Blues’. ‘Hij hield van een biertje, maar hield altijd zijn koppie erbij. Dat maakte hem succesvol’, aldus zijn zoon.
Zijn droom was dat JP Blueslokaal het Paradiso van de blues werd. Hij slaagde er in 2007 in een bluesfestival te organiseren van drie dagen waarbij in dertig cafés artiesten optraden. Dit jaar zal het Hofstadblues Festival in november worden gehouden. De ondertitel zal voor ene keer zijn: Tribute to Jan Pet.
(6-9-2010)


Appie Baantjer (1923 - 2010)

Groot succes met ‘lectuur zonder boodschap’

Peter de Waard

Met ruim zeventig boeken, waarvan er meer dan zeven miljoen zijn verkocht, is Appie Baantjer de best verkochte detectiveschrijver van Nederland.
Hij hoefde geen Ako-literatuurprijs of een Gouden Strop. Appie Baantjer vond het al goed als zijn boek met een mooie omslag voor tien euro in de winkels lag.
‘De anderen schrijven literatuur. Ik schrijf lectuur. Er zit geen boodschap in. Nou ja, een enkele bijbeltekst of een wijsheid van mijn moeder. Normen en waarden, daar hecht ik aan’, zei hij in 2003 in de Volkskrant.
Baantjer, die zondag op 86-jarige leeftijd in een hospice in Alkmaar is overleden aan de gevolgen van een agressieve vorm van slokdarmkanker, zei eens dat ‘een politieagent alleen de tien geboden hoefde te kennen’.
In 2004 werd hij genomineerd voor de NS Publieksprijs. Geert Mak won. Baantjer was niet verbitterd. Hij koesterde zijn eigen triomfen. Hij schreef ruim zeventig boeken. Daar zouden meer dan zeven miljoen exemplaren van zijn verkocht. Niet zoveel als die van Jan Cremer (twaalf miljoen) of Jan de Hartog (tien miljoen), maar voldoende voor de titel van veruit beste verkochte detectiveschrijver van Nederland.
Zijn boeken vormden de inspiratie voor een televisieserie en een film. Hij kreeg een eigen museum onder café Heffer aan de Warmoesstraat in Amsterdam en een plaquette op Urk.
Urk was nog een eiland toen Albert Cornelis Baantjer daar in 1923 werd geboren. Hij groeide op met de bijbel, de zondagsschool, een bedstee met acht kinderen, grote schalen met aardappels en de petroleumlamp.
Op zijn zestiende ging hij werken in een handel in vetten en spijsoliën. Meteen na de oorlog meldde hij zich aan bij de politie van Amsterdam, waar hij kon gaan werken bij de Radio-, Auto- en Motordienst te Amsterdam. Over dat onderdeel schreef hij tien jaar later zijn eerste boek toen hij zelf was overgestapt naar bureau Warmoesstraat.
Het boek, 5 keer 8....grijpt in, flopte echter volkomen bij de publicatie in 1959. Baantjer zette door en won twee jaar later een verhalenwedstrijd voor Het Parool. De figuur van rechercheur De Cock verscheen voor het eerst in 1963 in Een strop voor Bobby en kreeg definitief gestalte in De Cock en de wurger op zondag. Daarna kwamen er bijna elk jaar twee Baantjers uit.
Met zijn vaste redacteur Maran Olthoff van uitgeverij De Fontein zwierf hij jarenlang op de vroege zondagmorgen door de Amsterdamse binnenstad om een omslag te zoeken voor de boeken.
In 1983 stopte hij bij de politie zodat hij kon blijven schrijven. Zijn inspiratie kwam uit de eindeloze reeks verhalen die hij op het bureau Warmoesstraat had gehoord.
Baantjers bekendheid groeide toen de verhalen rond de rechercheurs De Cock (‘met cee-oo-cee-kaa’) en Vledder vanaf 1995 voor de televisie werden bewerkt met Piet Römer en Victor Reinier in de hoofdrollen. Nadat zijn vrouw Marretje in 2007 was overleden, zei Baantjer met schrijven te stoppen. Niettemin bleek hij met Simon de Waal te werken aan nieuwe projecten. Het vorig jaar verschenen boek Een Rus in de Jordaan werd een groot succes, en kwam op nummer 68 van de honderd best verkochte boeken van 2009. In april 2010 kwam het tweede boek van het duo Baantjer en de Waal uit, getiteld Een lijk in de kast.
Op 29 mei 2008 opende Peter Römer (zoon van acteur Piet Römer) in Amsterdam het Appie Baantjer Museum , dat gevestigd is in de kelder van café Heffer in de Warmoesstraat.

‘Hij zat lekker in zijn vel en liep niet naast zijn schoenen.’
Acteur Serge-Henri Valcke, die in de televisieserie commissaris Buitendam speelt

‘De boeken en de serie stonden redelijk los van elkaar. Baantjer had de rechten verkocht en heeft zich er daarna nooit zoveel meer mee bemoeid.’
Acteur Piet Römer, die twaalf jaar lang de hoofdrol van rechercheur De Cock vertolkte.

‘Het korps Amsterdam-Amstelland heeft met groot verdriet kennisgenomen van het overlijden van Appie Baantjer. Hij heeft bijna veertig jaar bij de Amsterdamse politie gewerkt. We herdenken hem als een bijzonder mens en een uitstekend rechercheur.’
Korpsleiding politie Amsterdam-Amstelland

‘Wij hadden geen goede relatie. Baantjer had liever niet gezien dat ik de rol van Vledder had gekregen. Hij vond dat ik te veel een losbol van zijn personage maakte. Als Baantjer niet zo’n geldwolf was geweest, hadden we veel meer geld aan de serie zelf kunnen besteden. Maar hij slokte als geestelijk vader zo’n 50 procent van het totale budget op.’
Acteur Victor Reinier

‘Het zijn feel good boeken. Appie vindt het fijn om een verhaal goed te laten aflopen. De moordenaar wordt altijd gestraft’
Simon de Waal, scriptschrijver van de televisieserie en politieman

‘Vooral aandacht van vrouwen vindt ie mooi, ‘schone vrouwen’ noemt hij ze.’Het is een spel. Maar sommige vrouwen nemen dat serieus en gaan erop in. Zo stond Appie een keer met een moeder en dochter te praten. Die moeder klom zowat in Appie. Dan sta ik er echt met kromme tenen bij. Die dochter schaamde zich ook dood.’
Zijn vriend Douwe Woudstra

(31-8-2010)


Ger Lagendijk (1942-2010)

De netste voetbalmakelaar van Nederland

Peter de Waard

Hij was trots op zijn stal van voormalige en huidige topspelers en trainers zoals Ronald en Erwin Koeman, Hans van Breukelen, Adri van Tiggelen, John Bosman en Ernie Brandts. Hij was trots dat hij Bryan Ruiz had ontdekt die vorig seizoen zo’n groot aandeel had in het kampioenschap van FC Twente.
Maar hij schaamde zich eigenlijk voor zijn vak van voetbalmakelaar. ‘Dit is de wereld van patsers en pooiers. Van snelle jongens, snelle auto’s en het snelle geld’, zo karakteriseerde Ger Lagendijk zijn werkterrein. Hij had er begrip voor dat voetbalmakelaars zo vaak gehaat werden door de fans en zakkenvullers werden genoemd.
Op woensdag 11 augustus overleed Ger Lagendijk aan een hartstilstand. Lagendijk was een pionier bij de voetbalvakbond VVCS en volgens sommigen was hij ‘de enige nette voetbalmakelaar van Nederland’.
Hij deinsde er niet voor terug een klacht bij de KNVB in te dienen als een makelaar een 16-jarig talentje uit de binnenlanden van Brazilië plukte en ver van zijn familie vandaan bij een club in een afgelegen Europees oord wildeplaatsen.
Lagendijk stierf in het harnas. Hij werd onwel tijdens een diner met Heracles-voorzitter Jan Smit en diens directeur Nico-Jan Hoogma met wie hij net een akkoord had bereikt over het contract van de Braziliaan Everton Ramon da Silva.
Lagendijk werd geboren aan de Stokroosstraat in Rotterdam-Zuid en speelde zelf in de jeugd van Feyenoord. Hij was een venijnige rechtsback – ‘een schoffelaartje’ – die niet goed genoeg was voor Feyenoord. Hij speelde in de jaren zestig achtereenvolgens voor ADO, de Volewijckers en PEC voordat hij domicilie vond bij de Schiedamse vereniging Hermes DVS die toen nog betaald voetbal speelde. Lagendijk kon er niet van leven. Hij ging daarom huis aan huis verzekeringen verkopen. Hiervoor richtte hij een eigen kantoortje op in zijn woonplaats Ridderkerk dat de basis werd van zijn latere bedrijf Bureau Lagendijk Assurantie en Advies BV. In 1967 probeerde hij nog een keer een grote slag te slaan als voetballer. Hij ging spelen voor de Vancouver Royals, waar hij speelde met de legendarische Ferenc Puskas als trainer. Een jaar later kwam hij terug naar Nederland en naar Hermes DVS. Vanwege de sanering van het betaalde voetbal kon hij hier de kost niet meer verdienen. Lagendijk werd scheidsrechter en ging zich specialiseren in de begeleiding van profvoetballers. Hij trad in dienst van de Vereniging Voor Contract Spelers (VVCS), die in 1961 door Karel Jansen was opgericht.
Lagendijk was niet alleen een steun en toeverlaat voor spelers bij hun contractonderhandelingen, maar was ook een graag geziene gast bij de clubs. Hij kwam op voor zijn spelers, maar dacht daarbij niet meteen aan zijn eigen portemonnee. Hij werkte nog een blauwe maandag als technisch directeur bij zijn oude liefde Feyenoord, maar het seizoen onder leiding van de Zweedse trainer Gunder Bengtsson werd een fiasco. De afgelopen jaren deed hij veel onderhandelingen voor PSV-voetballers als Wilfred Bouma en Theo Lucius.
Lagendijk was een echte levensgenieter. In de aanloop naar het WK van 2006 nam hij nog samen met Ger Vos een single op: Duitsland wordt Oranje. Zijn bedrijven Ger Lagendijk Players Agent BV en Bureau Lagendijk Assurantie en Advies BV worden voortgezet.
(30-8-2010)


Johan van den Bossche (1938-2010)

De man die niet door de Volkskrant werd aangenomen

Peter de Waard

’Johan, het heeft nog een voordeel: je hoeft dit kabinet niet meer mee te maken.’
‘Wat is het dan, rechts?'
‘Kei rechts. Een minderheidskabinet van CDA en VVD, gedoogd door de PVV.’
‘O God, daar ben ik blij om, dat ik dat niet meer hoef mee te maken.’
Zo ging een van zijn laatste gesprekken met een oud-collega. Donderdag 12 augustus was voor de aan kanker lijdende voormalig Elsevierhoofdredacteur Johan van den Bossche euthanasie de enige uitweg.
Hij was boos dat hij – een niet-roker – was getroffen door longkanker. Maar ondanks de fatale ziekte bleef hij genieten van het leven, van de aandacht van familieleden en ex-collega’s. Maar uiteindelijk kon zelfs de morfine de pijn niet meer onderdrukken.
Van den Bossche werd als kind van Belgische ouders in 1938 geboren in Bergen op Zoom. Nadat hij als adelborst had gewerkt bij de marine en administratief werk had gedaan, kwam hij in 1961 in de journalistiek terecht als leerling op de redactie van het Algemeen Handelsblad. Hij specialiseerde zich tot sociaal-economisch verslaggever. Na zijn overstap naar Het Parool ging hij de stadsverslaggeving doen in een tijd dat in Amsterdam Provo actief werd. ‘Het was een prachtige tijd’, herinnert zijn ex Marchien van Vondel zich, met wie hij toen samenwoonde in de Paleisstraat. Hij werkte een jaar bij het katholieke avondblad De Tijd voordat hij weer terugkwam bij Het Parool. In 1973 ging hij naar Elseviers Weekblad, toen nog een aparte krant naast Ferry Hoogendijks Elseviers Magazine. ‘Het enige wat mij spijt, is dat ik nooit door de Volkskrant ben aangenomen. Dat was toch eigenlijk mijn krant’, zei hij tegen Van Vondel.
Begin jaren tachtig besloot Elsevier een andere koers in te slaan. De nieuwe Elsevier–topman Pierre Vinken besloot het weekblad en magazine in elkaar te schuiven. Onder hoofdredacteur André Spoor werd Johan van den Bossche adjunct naast Sytze van der Zee.
Toen Van der Zee overstapte naar Het Parool moest Van den Bossche Spoor gaan opvolgen. ‘Eigenlijk wilde hij schrijven. Maar hij kreeg in 1988 van Vinken de keuze: of je wordt hoofdredacteur of je wordt ontslagen omdat je anders overbodig bent’, zegt voormalig Elsevier–redacteur Clemens Graafsma.
Van den Bossche wist een cultuuromslag bij het blad te realiseren. Volgens Graafsma was het Van den Bossche en niet diens opvolger Hendrik-Jan Schoo die Elsevier grondig vernieuwde tot het blad wat het nu is. Hij nam nieuwe redacteuren van de Volkskrant, onder wie de jonge Arendo Joustra, en NRC in dienst. Graafsma: ‘Hij vond dat Elsevier per week vier echt goede verhalen moest hebben. Niet meer, want dan zou je de lezer te veel verwennen. Maar ook niet minder. En die vier goede verhalen stuurde hij zelf aan.’
Van den Bossche introduceerde ook een nieuwe zakelijkheid die hem de bijnaam van de boekhouder opleverde. ‘Uitwassen werden fel door hem bestreden. Drank en sigaretten konden niet meer worden gedeclareerd’, aldus Graafsma.
Na vijf jaar hoofdredacteurschap werd hij opzij geschoven en moest in ruil voor een gouden handdruk beloven niet meer te schrijven. Dat viel hem zwaar. Hij scheidde en hertrouwde met een Russische pianiste die hem later in de steek liet. In 2003 moest zijn linkerbeen worden geamputeerd na een bloeding (aneurysma abdominalis). In februari werd longkanker geconstateerd.
(23-8-2010)


Charles Rutten (1920-2010)

Bierbrouwerszoon stond aan de wieg van Europa

Peter de Waard

Charles Rutten wist 25 jaar geleden al waar het mis zou gaan met de Europese eenwording: het Noord-Zuidprobleem. ‘De verscherping van de tegenstelling tussen het rijke Noorden en het minder ontwikkelde Zuiden is mijn grootste zorg’, zei de toenmalig ambassadeur van Nederland bij de EG in 1986.
De bierbrouwerszoon uit Gulpen, die 21 juli op 89-jarige leeftijd in Den Haag overleed, kon als geen ander het eenwordingsproces analyseren. Hij stond aan de wieg van wat eerst EEG heette, en daarna EG en EU. Begin jaren zestig zag hij een kans meerderheidsbeslissingen in de EEG door te voeren. Maar de Franse president Charles de Gaulle dreigde dat zijn land zou weglopen uit de Europese ministerraad als besluiten niet met unanimiteit zouden worden genomen. Rutten achtte De Gaulle verantwoordelijk voor wat hij ‘de non-ontwikkeling van Europa’ noemde.
Charles Rutten werd in 1920 geboren als de tweede zoon van Paul Rutten, de eigenaar van de in 1825 opgerichte Gulpener Bierbrouwerij. Als hij de oudste zoon was geweest, zou zijn maatschappelijke carrière bij voorbaat vastliggen en was hij de baas van de brouwerij geworden. Maar hij kon rechten gaan studeren in Nijmegen.
In 1941 speelde hij een rol in het Nijmeegse studentenverzet. ‘Deze periode – de hele oorlog trouwens – heeft zijn geesteshouding bepaald’, zegt zijn zoon Frank Rutten.
Na de oorlog werd hij actief bij de KVP, waar hij zou opklimmen tot tweede secretaris. ‘Het was Marga Klompé die hem aanraadde te solliciteren bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Daar werkten in haar ogen veel te weinig katholieken. VVD’ers en CHU’ers maakten daar de dienst uit – hervormde mensen van aristocratischen huize’, aldus Frank Rutten.
Rutten zette zich vanaf het begin in voor wat Churchill had gepropageerd als ‘een Verenigde Staten van Europa’. Hij werd hoofd van het Bureau Europese Integratie. In 1952 kwam de EGKS tot stand – de gemeenschap voor kolen en staal. Het was de aanzet voor een veel breder samenwerkingsverband.
In 1955 vergezelde Rutten toenmalig minister Beyen naar Sicilië, waar zes landen praatten over de oprichting van een Europese Economische Gemeenschap (EEG). Hij kreeg de taak de Nederlandse politici van de noodzaak tot oprichting van de EEG te overtuigen. Dat was niet makkelijk, want de PvdA en met name premier Drees stonden er uiterst wantrouwend tegenover.
Maar dankzij zijn diplomatieke gaven wist Rutten het kabinet te overtuigen, waardoor Nederland een jaar later een van de landen werd die het Verdrag van Rome zou ondertekenen. Rutten bleef ook daarna de man die op Buitenlandse Zaken het verdere eenwordingsproces uitdroeg. Hij klom daarbij op tot directeur-generaal politieke zaken en sloot zijn carrière af als ambassadeur bij de EG in Brussel.
Na zijn pensionering werd hij voorvechter van het Energie Handvest, een idee van premier Lubbers om de landen van Oost-Europa met de opbouw van hun economie te helpen door investeringen te doen in hun natuurlijke hulpbronnen zoals olie en gas. Bij het familiebedrijf in Gulpen bleef hij ook betrokken. Tientallen jaren was hij president-commissaris van de Gulpener Bierbrouwerij.
(16-8-2010)


Alexandra van Geleuken (1969-2010)

Kanker gaat tot de kern van de ziel

Peter de Waard

Alexandra van Geleuken wilde als kankerpatiënte niet zielig worden gevonden. Ze wilde sterk zijn en optimistisch. Het blad Zo! moest dat uitstralen. Op Wereldkankerdag 4 februari verscheen het eerste nummer, gefinancierd door de Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties.
‘Kanker is een ziekte die tot de kern van de ziel gaat’, verklaarde Alexandra van Geleuken bij de lancering. ‘En dat is precies wat we met het blad ook willen: doordringen tot de kern. Niet om de hete brij heen draaien, niet klagen, niets beloven, niet schuwen.’ Het mocht geen tranentrekker worden. Zo! moest kracht, trots en zelfrelativering uitstralen. Tumorhumor werd niet gemeden.
Zo! werd misschien daardoor een succes. Er moest een vervolg komen. Van Geleuken kan het tweede nummer niet meer uitbrengen. Ze overleed op 13 juli zelf aan kanker, pas 40 jaar oud.
Van Geleuken is de afgelopen jaren zo vaak geïnterviewd dat ze een symbool werd van vrouwen die aan borstkanker lijden. Na haar dood werd haar Twittersite overstroomd met reacties.
Alexandra van Geleuken werd geboren in Weert. Ze volgde een opleiding aan de Academie voor Journalistiek en ging daarna werken bij uitgeverij Kluwer. Ze was redactrice bij de bladen Ondernemingszaken en Vraag & Aanbod voordat ze hoofdredactrice werd van het nieuwe blad O/N dat zich richtte op studenten die starten op de arbeidsmarkt. In 2004 richtte ze haar eigen uitgeverij Bladeren op. Hierbij zou ze meewerken aan de ontwikkeling van het nieuwe blad Esta.
Amper een jaar later zag ze een knobbeltje op haar borst. De fatale ziekte was al zo ver uitgezaaid dat een lange lijdensweg volgde van preventieve chemotherapie, bestraling en hormoontherapie. Met haar sportieve lichaam en sterke geest wilde ze de kanker de baas worden. Dat leek te lukken. Schijnbaar genezen begon ze het blad Zo! op te zetten. Maar in september 2009 bleken er toch enkele kwaadaardige cellen doorheen geschoten te zijn. Nu was het hopeloos. Maar Van Geleuken ging door. Ze was toch maar een van de 400 duizend Nederlanders die kanker hebben.
Ze ontdekte dat maar 5 procent van de kankerpatiënten is aangesloten bij een van de ruim 25 verenigingen. Alexandra van Geleuken bedacht dat er voor kankerpatiënten één blad moest komen. Dat lukte haar. Vlak voor de schoolvakanties wilde ze zelf nog een keer weg. Ze koesterde mooie herinneringen aan het bergmeer bij het Zwitserse Luzern. Hier stierf ze.
Haar dood was niet onverwacht, maar toch stond de wereld even stil. ‘Niemand is zo’n voorbeeld geweest voor de kankerbeleving in Nederland’, zegt haar vriend Henk Wolters. Haar man Champal Gijzen roemt haar energie, spontaniteit en humor. ‘Ze bleef daadkrachtig, ondanks tegenslag na tegenslag.’ Zeven jaar geleden kreeg ze een zoontje dat de naam Thom kreeg.
Ze werd onlangs herdacht tijdens de door Radio 2 georganiseerde fondsenwervingsactie Alpe dHuZes, waarbij in de 17de bocht van deze berg een kaarsje voor haar gebrand werd. Caroline Tensen volgde haar nog aan het einde van haar leven voor het programma Familieberichten. Het wordt in augustus uitgezonden. Van Geleuken zal het zelf niet meer kunnen zien.
(9-8-2010)


Wil Storm-Landweer (1925-2010)

De moeder van de Nederlandse zwemsport

Peter de Waard

Erica Terpstra had haar vakantie voor de crematie onderbroken, Ada Kok was daar ook en nog vele zwemmers en zwemsters die ooit door Wil Storm zijn getraind of begeleid.
Wil Storm-Landweer die 20 juli op 84-jarige leeftijd overleed, mag met recht de moeder van de Nederlandse zwemsport worden genoemd. Zij zette het Nederlandse zwemmen in de jaren zestig en zeventig op de kaart en legde het fundament voor de latere successen.
Ze werd in 1925 geboren als Willy Landweer in Amsterdam, op 3 minuten lopen van Zwemvereeniging Het Y bij het Sportfondsenbad Oost. Op 8-jarige leeftijd werd ze het jongste lid van wat ze haar ‘cluppie’ zou gaan noemen. Daarna was ze niet meer uit het water weg te slaan. Op 12-jarige leeftijd zwom ze de 100 meter rugslag in 1,54 minuten – nu een tijd waar topzwemsters om lachen, maar toen zo goed dat de voorzitter van Het Y haar ’s avonds thuis kwam feliciteren. Maar de echte doorbraak bleef uit. Daarom ging ze waterpoloën in het eerste damesteam van Het Y. Hier ontmoette ze haar latere echtgenoot Henk Storm.
De zwemsport bleef haar boeien. Ze kocht elk boekje dat over zwemtechnieken was te vinden. Met haar enorme theoretische bagage werd ze na de oorlog trainster bij Het Y.
Met de eeuwige twee stopwatches om haar nek maakte ze van de zwemvereniging in Amsterdam een club van topzwemmers. De beste zwemmers van Nederland kwamen naar het Sportfondsenbad Oost om bij haar te trainen. Haar eerste grote troef was Peter Swijghuijzen, die zich kwalificeerde voor de Olympische Spelen van 1956 in Melbourne, maar daar wegens de Nederlandse boycot niet kon uitkomen.
Tijdens de voorbereiding op de Spelen reisde ze met Swijghuijzen naar een bad in Vlaardingen waar met behulp van autobanden een hogere temperatuur voor het water kon worden gecreëerd. Andere zwemmers die ze trainde, waren de latere bondscoach Bert Sitters, Arthur van Oest, Jan Jiskoot en de poloënde broers Harry en Wim Vriend.
Op nationaal niveau deed ze haar intrede als leidster van de damesploeg bij de Olympische Spelen in Mexico van 1968. Daarna werd ze de chef d’equipe, een functie die ze zou vervullen bij alle EK’s, WK’s en Olympische Spelen tot die in 1984 in Los Angeles.
In 1970 meldde Enith Brigitha, een 15-jarig talentje uit Curaçao, zich als lid bij Het Y. Brigitha had niet alleen talent, ze was volgens Storm ook bereid keihard te trainen. ‘Het belangrijkste wat ik moet doen, is ervoor zorgen dat ze lol houdt in het zwemmen.’ Brigitha excelleerde een decennium lang op de 100 en 200 meter vrije slag, achter een vrijwel zeker door doping gesterkte Oost-Duitse trein. Brigitha (55) over Storm: ‘We hadden veertig jaar een soort moeder-kind relatie. Ze heeft mij van verlegen meisje tot een zelfbewuste sportvrouw gemaakt. Ze heeft later voorkomen dat ik in het zware gat viel.’
Haar dubbelrol als persoonlijk trainster van Brigitha en leidster van de nationale ploeg leidde tot discussie, maar ‘mevrouw Storm’, zoals zij werd genoemd, wist haar functies uitstekend te scheiden. In 1984 stopte ze als chef d’equipe, maar bleef nog acht jaar in de Koninklijke Nederlandse Zwembond (KNZB) actief als bestuurslid en lid van de zwemcommissie.
(2-8-2010)


Theo Albrecht (1922-2010)

Grondlegger discounter even onzichtbaar als rijk

Theo had een vermogen van 16,7 miljard, zijn broer Karl bezit 21,5 miljard, zo berekende het Amerikaanse blad Forbes dit jaar.
Afgelopen zaterdag is de armste – 31ste op de Forbes-lijst van rijkste mensen ter wereld – op 88-jarige leeftijd overleden. De twee jaar oudere Karl – tiende op de lijst – leeft nog wel.
De gebroeders Albrecht zijn in hun leven even onzichtbaar als rijk gebleven. In de enige biografie over hun leven worden ze neergezet als bescheiden en hoffelijk. Van de overleden Theo Albrecht is niet eens de officiële geboortedatum bekend.
Samen legden ze na de oorlog de grondslag voor de moderne discountzaak die vooral op prijs ging concurreren. Dit leidde tot de oprichting van de winkelketen Aldi in 1961.
De jeugd van Karl en Theo Albrecht, geboren in een arbeiderswijk in Essen, werd getekend door de crisis en de Tweede Wereldoorlog. In 1946 namen ze het kruidenierswinkeltje van hun moeder over. In 1950 hadden ze al 30 winkels en tien jaar later 300. In 1961 besloten ze alle winkels te herbenoemen in Aldi, van ALbrecht DIscount.
Ze besloten ook uit elkaar te gaan, volgens sommigen uit fiscale overwegingen. Karl ging zelfstandig verder in het deel van Duitsland ten zuiden van het Roergebied – Aldi Süd – en Theo in het deel ten noorden – Aldi Nord. Zo konden geen conflicten ontstaan, terwijl ze toch zouden samenwerken met bijvoorbeeld de inkoop.
In 1971 werd Theo Albrecht ontvoerd. Hij zat zeventien dagen vast en kwam pas vrij nadat 7 miljoen mark aan losgeld was betaald. Sindsdien leefden Karl en Theo Albrecht een zeer teruggetrokken bestaan. Vanaf 1971 zijn er geen foto’s meer van het tweetal. Bekend is dat Theo twee zonen heeft die allebei in Aldi Nord werken. Hij verzamelde antieke typemachines. Beide broers zijn altijd in Essen blijven wonen.
De winkelketen – weinig opsmuk, goedkope locaties – ontwikkelde zich tot een internationale gigant van meer dan 8.000 zaken en een omzet van 53 miljard euro. Aldi Nord begon in 1975 in Nederland waar nu ruim 400 winkels zijn.
Beide broers zijn al lang uit de leiding van Aldi gestapt. Het concern is nu in handen van twee stichtingen, waarop de familie geen invloed heeft.
(29-7-2010)


Henk Vonhoff (1931-2010)

Markante kop, erudiete ideeën

Peter de Waard

‘Als we willen aantonen dat een kameel drie poten heeft, benoemen we daar in Nederland een commissie voor.’ Henk Vonhoff, die zondag na een kort ziekbed op 79-jarige leeftijd overleed, was als een van de weinige Nederlandse politici in staat tot uitspraken van Churchilliaanse allure. ‘Als je apen wilt als bestuurders, kun je ze ook met pinda’s betalen’, grapte hij eens.
Toen hij als staatssecretaris op het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk door tegenstanders werd uitgejoeld met de kreet ‘Vonhoff, Grote Lul’, antwoordde hij gevat: ‘Gelukkig wordt mijn potentie niet in twijfel getrokken. Bij een nieuwjaarsreceptie als burgemeester in Utrecht, maakt een groepje anarchisten maakt zich als zodanig kenbaar bij het handjesschudden. Vonhoff: 'Zo, en wie is uw voorzitter?'
Hoewel hij maar zeven jaar actief is geweest in de landelijke politiek, was Henk Vonhoff meer dan een prominente VVD’er. Hij was een ‘instituut binnen de VVD’, zegt partijvoorzitter Yvo Opstelten. Van 1967 tot 1971 was Vonhoff voor de VVD lid van de Tweede Kamer. Daarna was hij nog twee jaar staatssecretaris in het kabinet-Biesheuvel. In 1974 verdween Vonhoff naar ‘de provincie’ toen hij werd benoemd tot burgemeester van Utrecht. Zes jaar later zou hij commissaris van de koningin in Groningen worden, een functie die hij zestien jaar vervulde.
Zijn bekendheid dankte Vonhoff deels aan zijn opvallende haardos, markante stem en fysieke omvang. Daarnaast was hij erudiet, gevat en een politiek dier die op geen partijcongres ontbrak. Hij sprak in fraaie volzinnen en had een aperte hekel aan slordigheden. Op het verzoek van een journalist of hij een kritische vraag mocht stellen, antwoordde Vonhoff: ‘Ik gun u dat recht graag, als mijnerzijds maar niet de plicht tot antwoorden bestaat.’ Vonhoff haatte taalvervuiling. Hij pleitte er in 1986 in de Volkskrant voor dat de leerlingen op school ‘weer gedichten uit hun hoofd zouden moeten leren’. Niet voor niets was hij van 1998 tot 2004 juryvoorzitter van het Groot Dictee der Nederlandse Taal.
Hendrik (Henk) Johan Lubert Vonhoff werd in het crisisjaar 1931 in Amsterdam geboren. Van 1957 tot 1967 was hij geschiedenisleraar, daarnaast was hij al sinds 1948 politiek actief als VVD-lid. Hij was een vurig bewonderaar van de liberale hervormer Thorbecke en voelde zich thuis bij het gedachtengoed van Pieter Oud, die van 1948 tot 1963 de VVD leidde. Dat diens opvattingen weliswaar de elite in het electoraat aanspraken maar de partij nooit echt groot zouden maken, was voor Vonhoff minder belangrijk.
Vonhoff was in de woorden van Yvo Opstelten ‘een liberaal pur sang’ die zich afzette tegen de conservatieve partijen. ‘Liberalisme en conservatisme zijn niet alleen historisch maar ook qua mentaliteit elkaars doodsvijanden’, zei hij. En: ‘Liberalen zijn nooit socialist geweest, maar wel altijd links.’ In 1967 werd Vonhoff lid van de Tweede Kamer voor de VVD. Hij onderscheidde zich al snel in de partij, net als een andere nieuwkomer: de tien jaar jongere Hans Wiegel. In 1971 traden zij tegen elkaar in het strijdperk om het fractievoorzitterschap na het vertrek van Molly Geertsema. De net 30 jaar geworden Wiegel won.
Volgens Ed Nijpels heeft de VVD er geen spijt van gehad. ‘Wiegel heeft voor de grote doorbraak gezorgd. Van een elitaire partij maakte hij een volkspartij.’ De tegenstelling tussen hem en de ‘linkse’ Vonhoff heeft Wiegel nooit zo begrepen. ‘We verschilden wel eens van mening, maar reden ook vaak samen vanuit Amsterdam naar Den Haag, in zijn Dafje, met zijn rijstijl. Ik deed m’n ogen maar af en toe dicht.’
Vonhoff kreeg als troost de post van staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk in het kabinet Biesheuvel. Hij had de ondankbare taak om bij vele instellingen op de subsidies te korten, wat tot grote botsingen leidde. Vonhoff hield zich kranig staande en was al snel bekender dan zijn minister Piet Engels.
In 1973 en kwam het kabinet Den Uyl zonder de VVD tot stand. Vonhoff werd daarna benoemd tot burgemeester van Utrecht. Hij slaagde erin zijn stad aan het rijtje Amsterdam, Rotterdam en Den Haag toe te voegen: de G4-steden. ‘Utrecht is een grote stad en de Utrechters zullen aan die gedachte moeten wennen’, merkte hij op. De huidige locoburgemeester van Utrecht, Frits Lintmeijer: ‘ Vonhoff heeft met zijn eigen stijl een belangrijk stempel gedrukt op de stad. In een roerige tijd wist hij veel Utrechters voor zich te winnen.’ Onder Vonhoff werd de wijk Lunetten gebouwd, werd ingestemd met de bouw van Muziekcentrum Vredenburg en met de aanleg van een sneltramverbinding naar Nieuwegein en IJsselstein.
In 1980 werd Vonhoff benoemd tot commissaris van de koningin in Groningen. Hij bleef hier 16 jaar. Zijn opvolger Hans Alders vindt dat Vonhoff het noorden ‘als identiteit op de kaart van Nederland’ heeft gezet. ‘Niemand kon er gaat niets boven Groningen zo mooi uitspreken als hij’, aldus Alders. De intellectueel Vonhoff moest in de promotie van het noorden samenwerken met de populist Hans Wiegel, die de bijnaam had van het Orakel van Leeuwarden. Beiden werden enkele malen gevraagd als minister terug te keren naar Den Haag. Vonhoff weigerde in 1986 de ministerspost van Defensie omdat hij vreesde dat een PvdA’er dan zijn werk in Groningen ongedaan zou maken. Juist op dat moment speelden de kabinetsplannen voor spreiding van de rijksdiensten, waarbij het hoofdkantoor van de PTT naar Groningen zou gaan.
Vonhoff kon boos worden als iemand zei dat de functie van commissaris van de koningin minder was dan die van minister. Hij vond ze minimaal gelijk. Net als Wiegel stond Vonhoff graag in de schijnwerpers. Hij werd bijvoorbeeld lid van de commissie die trachtte de Olympische Spelen van 1992 naar Amsterdam te halen. In 1988 ging hij daarvoor naar de Spelen in Seoul, maar kreeg het verwijt alleen met de officials te hebben gesproken en niet met de sporters. Zijn schnabbels buiten Groningen vielen niet altijd in goede aarde.
Tegenstanders van de Spelen, onder wie de notoire Saar Boerlage, bekogelden hem met eieren. Amsterdam verloor uiteindelijk kansloos in de eerste ronde: de Spelen gingen naar Barcelona. Hierna probeerde Vonhoff nog lid te worden van het Internationaal Olympisch Comité, maar IOC-voorzitter Samaranch gaf de voorkeur aan judoka Anton Geesink. Na zijn vertrek uit Groningen in 1996 bleef hij actief in de politiek hoewel hij nooit meer een hoge functie bekleedde. Van 1995 tot 2001 was hij bijzonder hoogleraar arbeidsvoorwaardenbeleid aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. In 1999 werd hij tijdens een vakantie in Denemarken getroffen door een gescheurde aorta, waarvan hij wonderwel herstelde.
Drie jaar geleden bemiddelde hij samen met VVD-ereleden Erica Terpstra en Frits Korthals Altes in het conflict tussen de VVD-leiding en Rita Verdonk. Die was door fractievoorzitter Mark Rutte uit de fractie gezet, maar weigerde haar Kamerzetel op te geven en wilde ook partijlid blijven. Ook deze bemiddeling mislukte. Vonhoff, die was getrouwd met Louise Luijendijk, laat drie kinderen na.
(27-7-2010)


Peter Schröder (1932-2010)

'Altijd stond zijn koffertje klaar om op reportage te gaan'

Peter de Waard

Amerikaanse media noemden hem in de necrologieën ‘de Walter Cronkite van de Nederlandse radio’. Dat vindt zelfs de AVRO wat overdreven, maar de journalist Peter Schröder was in de jaren zestig en zeventig zonder twijfel de beroemdste Nederlandse correspondent in de VS. Op dat moment had het NOS Journaal daar nog geen echte anchors, zoals later Charles Groenhuijsen en Paul Sneijder, en luisterde Nederland voor het nieuws nog massaal naar de radio.
Schröder overleed op 14 juli in de Amerikaanse stad Pittsburgh waar hij de laatste jaren met zijn derde vrouw Jamie woonde. Hij was tussen 1960 en 1984 radiocorrespondent in New York. Uit twee eerdere huwelijken laat hij vijf kinderen na.
Schröder had een prachtige radiostem die met overtuiging grote historische nieuwsgebeurtenissen uit de VS als de moord op president Kennedy, het Watergate-schandaal en de landing op de maan in Nederland meldde. Hij versloeg even makkelijk de vele revoluties in Latijns-Amerika als de aankomst van The Beatles op JFK Airport.
Maar nog meer blijft zijn traditionele afsluiter bij: ‘Peter Schröder - stilte - AVRO - lange stilte - New York’. Ineens was hij uit de ether verdwenen. Na een opvallende carrièreswitch werd hij internationaal adviseur voor het beheer van tropische kustwateren.
Schröder werd in 1932 geboren op Java, waar zijn vader voorman was op een theeplantage. Tijdens de Japanse bezetting werd hij als kind drie jaar geïnterneerd in een kamp, waaruit hij wist te ontsnappen en onderdak wist te vinden bij een Deense familie. Na het einde van de oorlog werd hij gerepatrieerd naar Nederland, waar hij zijn middelbare school afmaakte en leerling-journalist werd bij de Zwolse Courant.
In 1951 emigreerde Peter Schröder met zijn vriendin naar Nieuw-Zeeland om als financieel journalist bij de The New Zealand Herald te gaan werken. Maar de hoofdredacteur vond dat hij eerst maar eens het land moest leren kennen. Schröder werkte bij de kauwgumfabriek van Wrigley en een rederij in diepgevroren vlees voordat hij bij de krant in dienst werd genomen.
In 1960 vroeg Max Tak van de NCRV hem om reportages te gaan maken in de VS. Schröder besloot met zijn gezin naar New York te gaan. ‘Altijd stond zijn koffertje klaar voor een reportage ergens in de VS of in de rest van Amerika’, weet zijn zoon Eric. Hij verruilde de NCRV voor de AVRO. Daar kwamen freelance contracten voor de BBC en de omroepen van Canada, België en Zuid-Afrika bij. Met zijn zoon Eric Schröder ging hij in 1974 voor de lol een duikbrevet halen. Hij was meteen verslaafd aan de duiksport - hij zou in zijn leven 2.000 uur onder water verkeren - en pakte een studie zeebiologie op. Hij volgde twee Masteropleidingen in de VS en een afsluitende studie in Nijmegen. In 1984 stopte hij als correspondent. ‘Hij was nogal rechts en conservatief en de omroepen in Nederland waren voor hem te links geworden. Peter was niet altijd een makkelijke man’, aldus Eric.
Voor de VN en het Wereldnatuurfonds reisde hij als zeebioloog over de wereld. Schröder zou daarna nog elf keer emigreren en op alle continenten wonen. Na zijn pensioen streek hij neer in Honduras - een land met veel zon en prachtige duikplekken. Uiteindelijk volgde hij Jamie die voor Alcoa werkte naar Pittsburg. Hij overleed aan de gevolgen van prostaatkanker.


Adelbert Josephus Jitta (1938-2010)

Hashhond van justitie

Peter de Waard

Hij stond bekend als een controversieel officier van justitie, maar Adelbert Josephus Jitta was ook de mede-auteur van de euthanasiewet van 2001. Hij had nooit gedacht er zelf gebruik van te maken.
Begin dit jaar werd bij hem echter een hersenziekte vastgesteld die zou leiden tot een serie hersenbloedingen. ‘Mijn vader wilde niet verder aftakelen en volledig van anderen afhankelijk worden’, zegt zijn zoon Daan Josephus Jitta. Op 30 juni beëindigde Josephus Jitta in zijn geboorteplaats Alkmaar zijn leven – ‘op waardige wijze’ aldus de advertentie in de Volkskrant.
Als hoofdofficier van justitie werd hij ooit bekritiseerd als een sjoemelaar en een hardliner. Dat eerste lijkt ten onrechte, want Josephus Jitta was juist zeer rechtlijnig. Maar een hardliner die op het scherp van de snede opereerde, was hij wel.
Dapperheid kon hem ook niet ontzegd worden. Hij wilde de grote jongens oppakken en deinsde er niet voor terug om zelf mee te gaan bij de opsporing. ‘Mijn vader hield zich aan de wet. Maar hij zocht de grenzen op als hij daarmee de opdrachtgevers kon vangen. Hij voelde zich in de steek gelaten als de mensen van bovenaf hem dan niet dekten’, aldus zijn zoon.
Adelbert Josephus Jitta werd in 1938 geboren als de zoon van een bankdirecteur en een scheikundelerares in Alkmaar. Hij studeerde rechten in Amsterdam. Na zijn stages werd hij in 1973 officier van justitie in Alkmaar.
Eén jaar na zijn benoeming kreeg hij landelijke bekendheid toen hij vlak voor Den Helder de viskotter Lammie liet beschieten door de marine omdat die was volgeladen met hasj voor de Nederlandse markt. Het was de eerste keer dat de marine gericht schoot sinds het conflict in Nieuw-Guinea. Jitta dankte er de bijnaam ‘de hasjhond van justitie’ aan.
Door deze zaak ontdekte hij de enorme geldstromen die schuil gingen achter de drugshandel. Hij werd de man achter de inzet van undercover-agenten en was verantwoordelijk voor de ‘pluk-ze’ wetgeving waarmee crimineel verkregen winsten konden worden teruggevorderd. Hij was ook voorstander van het sluiten van deals met drugscriminelen om informatie los te krijgen. Al eind jaren zeventig maakte hij afspraken met drugshandelaren die in ruil voor strafvermindering informatie verstrekten over corruptie bij de Amsterdamse politie. Josephus Jitta wilde kroongetuigen toelaten in processen, maar de IRT-affaire zetten daar een rem op. Pas in 2006 werd de inzet van kroongetuigen geregeld.
In 1994 verliet hij Alkmaar en werd na een kleine tussenstap op het ministerie van Justitie vicepresident van de rechtbank in Amsterdam. Pas twee jaar geleden, na de dood van zijn vrouw, stopte hij daarmee. In 1994 trad Josephus Jitta toe tot het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE). ‘Hij was hiertoe gekomen nadat hij in 1982 geconfronteerd was met iemand die voor de trein sprong. Hij wilde dat mensen die niet verder wilden leven er op een voor anderen niet-traumatiserende manier konden uitstappen’, aldus zijn zoon. In 1995 keerde hij zich in de Volkskrant tegen het uitstel van de euthanasiewet door het kabinet-Kok: ‘Partijpolitieke belangen blijken belangrijker te zijn dan het algemeen belang’, was zijn conclusie.
(19-7-2010)


Jan Jessurun (1934-2010)

Kapitein der mariniers die de cultuurpaus van Nederland werd

Peter de Waard

Het was niet de meest logische carrièrestap, zo erkent ook zijn echtgenote Mariet Willinge. Kapitein der Mariniers Jan Jessurun zou de cultuurpaus van Nederland worden op achtereenvolgens de ministeries van CRM, WVC en VWS. Hij zou ruim tien jaar directeur zijn van de Rijksdienst voor Monumentenzorg en vijf jaar van de invloedrijke Raad voor Cultuur. Als iemand het gezicht was van de Vierde Macht in Nederland was het Jan Jessurun.
Jessurun overleed op 25 juni in Utrecht op 76-jarige leeftijd. Hij werd geboren in een familie met een Portugees-Joodse achtergrond. In de jaren vijftig werd Jessurun marinier. Hij diende ondermeer lange tijd in het toen roerige Nieuw-Guinea waarvoor hij later nog het Herinneringskruis zou krijgen. In 1964 stapte hij over naar het bedrijfsleven. Hij werd inspecteur nautische dienst bij rederij Van Ommeren - nu Vopak - in Rotterdam.
Mariet Willinge: 'Hij had toen al een grote interesse in geschiedenis en bouwkunst. Daarnaast was hij mede dankzij zijn marinierscarrière een goed leider geworden die persoonlijk aandacht had voor iedereen. Maar dat hij hoofddirecteur Rijksmonumentenzorg werd in 1974 bleef een opvallende stap.' Hier bereidde hij de decentralisatie van de Monumentenzorg voor.
In 1985 werd hij plaatsvervangend directeur op het ministerie van WVC waar hij twee jaar later hoofddirecteur cultuurbeheer werd. Hij voerde hier de omstreden verzelfstandiging van de rijksmusea door. Van 1992 tot 1996 was hij plaatsvervangend secretaris-generaal en later, in 1997 secretaris-generaal a.i. op het ministerie van VWS.
In 1996 was Jessurun ook door staatssecretaris Aad Nuis benoemd tot de eerste voorzitter van de Raad voor Cultuur waarin verschillende adviesorganen zoals de Raad voor de Kunst werden gebundeld. Hij had 800 miljoen gulden aan rijkssubsidies te verdelen, terwijl festivals, operagezelschappen, orkesten en muziekensembles, dans- en theatergroepen, bibliotheken, archieven, monumenten-organisaties en instellingen voor archeologie 1,9 miljard hadden aangevraagd. Jessurun raakte niet in paniek. 'Dat er zoveel groeit en bloeit in Nederland is een aardige gedachte', stelde hij in een interview met deze krant.
Hij stond er niet om bekend dat hij iedereen naar de mond praatte. 'In verschillende politiek controversiële zaken heb ik mijn zin gekregen zoals het restauratiefonds en de oprichting van het Nederlands Architectuurinstituut', stelde hij. Jessurun was ook mede-oprichter van Atana die meer allochtonen in culturele functies wilde. 'Het verbaast mij altijd dat we met zijn allen op vakantie gaan omdat we belangstelling hebben voor andere culturen, zoals die van Marokko en Tunesië, maar dat die belangstelling op de laatste vakantiedag weer ophoudt.'
In 2000 ging hij met pensioen, maar zijn werklust bleef. Hij zou tientallen functies in internationale, nationale en lokale culturele organisaties vervullen waaronder die van het voorzitterschap van de Stichting Openstelling Paleis Soestdijk en de Stichting Beeld en Geluid. In 2008 werd slokdarmkanker bij hem geconstateerd. 'De prognose was heel slecht, maar hij heeft nog anderhalf jaar veel kunnen doen', aldus Willinge.
(12-7-2010)


Arie Overbeek (1954-2010)

Een onverwoestbare sequoia is geveld

‘Heb je koffie?’ was altijd de eerste vraag. En op zijn gezicht stond dan een spottende grijns of ik geen koffie kon zetten. Arie liep bij mij de deur niet plat. Af en toe kwam hij op zaterdagochtend even binnen. Hij was een klusser en ik heb twee linkerhanden. Dus ik greep de kans en legde hem altijd een bouwkundig probleempje voor – een verzakkende kast, een lekkende kraan – en de oplossing die ik er zelf voor had gevonden – ‘die en die zal het repareren’. ‘Hoeveel kost dat?’ vroeg hij dan. En daarna kwam Arie met zijn eigen oplossing – of hij repareerde het zelf, of hij gaf zijn zoon de klus of hij had een mannetje ergens anders. Die deden het goedkoper of beter. Deze week zeiden Ans en ik nog tegen elkaar: ‘Eigenlijk is bijna het hele huis Arie’s werk’
Arie Overbeek hield van de dagelijkse routine. 's Morgens om kwart voor zes stond hij op, de boterhammen waren gesmeerd, hij ging te werk in Amsterdam en hij kwam of half vijf thuis. Administratie, daarna een tukkie op de bank totdat de potten rammelden. Daarna een ommetje en even bij iemand langs, want hij was een sociaal dier.
Hij hoefde niet ver weg. De bouwvak voor hem was uitslapen, fietsen en naar de Tour de France kijken. Thuis op de bank. Hij had de biljartclub op vrijdagavond. Hij legde graag een kaartje. Op zondagmiddag was er de voetbal. Hij miste geen wedstrijd van Hollandia T. Bij uitwedstrijden zat Arie achter het stuur en Jacob Kruier naast hem. Op de achterbank buurman Piet, Nico Blom en Klaas Bruin. Zo ging het, zo moest het.
En hij had een sportfiets. Zondagmiddag reed hij nog een tocht van zestig kilometer, waarna hij opgemonterd thuis kwam. Hij mankeerde niets, voelde zich niet moe en keek nog een film voordat hij naar bed ging. De fiets stond deze week in de bijkeuken – glimmend of hij nieuw was. Arie was een Pietje Precies.
Niemand kon toen nog de verschrikkelijke tragedie van de volgende ochtend vermoeden. Hij stond zelf op, schreef nog het woordje yakult op een briefje (want dat was er niet meer) en reed van huis. Een half uur later moet zijn hart het hebben begeven.
Het is onbegrijpelijk en ongelooflijk. Arie Overbeek was een boom van een vent – een onverwoestbare Sequoia die minimaal duizend jaar zou worden. Hij was nog zo jong en energiek. Hij koesterde nog vele dromen. Over de jaren dat hij van zijn verdiende rust zou gaan genieten. Arie O zou ook dan een steunpilaar van de gemeenschap blijven. Een klusje hier, een bezoekje daar, een fietstocht organiseren of een klaverjasavond voor de Club van Honderd van Hollandia T waarvan hij aan de basis had gestaan.
Arie werd geboren in Heerhugowaard. Born to be wild was het, met het zicht op de jaren zestig en zeventig: Puch, schouderlang haar, kralenkettinkje, de Heer van Jericho en de harde muziek van Rory Gallagher. In Heerhugowaard ontmoette hij ook zijn vrouw Will die structuur in zijn leven bracht. Ze gingen wonen in Tuitjenhorn. Arie versleet vele bazen voordat hij bij Jan Deurwaarden ook stabiliteit in zijn werk vond. Hij bleef hier dertig jaar en werd een gezicht van het bedrijf.
Met Will kreeg hij twee kinderen. Ze vormden een hecht gezin dat echter ook een open huis had naar de rest van de dorpsgemeenchap. Als bouwvakker was Arie een vakman. Hij koesterde het vak van timmerman waarmee hij zijn oudste zoon inspireerde het ook te worden. ‘Rory wordt timmerman’, zei hij al toen Rory amper 12 jaar was. En Rory werd dezelfde vakman met hetzelfde plichtsbesef.
Later werd hij uitvoerder. Hij was niet altijd een makkelijk persoon. Buitenstaanders hadden soms een gebruiksaanwijzing nodig om met hem door een deur te gaan, maar als hij je kende en vertrouwde kon je geen kwaad meer bij hem. Hij was even trots op zijn mooie dochter Kelly. Als ze problemen had, ging hij met haar mee en probeerde het op te lossen. Ook hij vond het mooi dat ze van plan was weer een studie op te pakken. Will was zijn steunpilaar. Hij was geëmotioneerd toen ze in december een koninklijke onderscheiding kreeg voor haar inzet voor de gemeenschap – iets wat Arie altijd had gestimuleerd.
Will, Rory en Kelly hadden nog zoveel tegen Arie willen zeggen. Maar ze hebben de kans niet gekregen. Op de fatale ochtend van 5 juli spatte voor hen de zekerheid van het bestaan uiteen. Misschien kan de gedachte aan hun man en vader af en toe een beetje troost bieden. En ik weet zeker dat ze op hun familie en vrienden kunnen terugvallen.
(10-07-2010)


Jos Wijnant (1902-2010)

'Oud worden is leuk, oud zijn niet'

Peter de Waard

Hij ontving in 43 jaar 250 duizend euro aan AOW, terwijl hij er hoogstens enkele honderden guldens aan premie voor had betaald.
Jos Wijnant, die op 26 juni op op 108-jarige leeftijd overleed, zei vorig jaar in het programma van Giel Beelen: ‘En misschien hebben we hiermee de oorzaak van de crisis gevonden.’
Tot zijn dood bleef de geest van Wijnant heel helder, hoewel hij fysiek aftakelde. ‘Ik zal hem geweldig missen’, zegt zijn dochter Ria Robbens-Wijnant, zelf al 78 en weduwe. ‘Ik ging elke dag bij hem langs. Hij kon zo geweldig vertellen. Hij wist nog dat hij in het begin van de Eerste Wereldoorlog als vluchteling van Antwerpen naar Den Bosch kwam. Ik bid God op mijn blote knieën dat ik het geheugen van mijn vader mag hebben.’
Sinds het overlijden van de 106-jarige Adrianus van der Vaart op 28 juli 2008 was Wijnant de oudste mannelijke inwoner van Nederland. Hij heeft deze titel 1 jaar en 333 dagen gedragen.
Wijnant werd geboren in Antwerpen, waar zijn vader als zeeman werkte voor de toenmalige Holland-Amerika Lijn. Zijn ouders waren Nederlanders en nadat de Duitsers in 1914 België waren binnengevallen, werd hij naar een tante aan de Peperstraat in Den Bosch gestuurd. ‘Dat was niet leuk voor hem, want de vluchtelingen uit België werden niet erg vriendelijk ontvangen’, weet Ria Robbens. Niettemin zou Jos Wijnant hier zijn hele leven blijven werken en wonen.
Hij volgde er de middelbare school en begon later als boekhouder bij het accountantskantoor Jürgens. Daarna trad hij in dienst bij het winkelbedrijf De Gruyter, dat hem nog naar Berlijn wilde sturen waar het toen ook winkels had. Maar door de opkomst van het nazisme ging dat niet door. In 1930 werd Wijnant gemeente-ontvanger. Hij zou 37 jaar lang ambtenaar in Den Bosch blijven en zijn carrière besluiten als hoofd Financiën. In 1967 ging hij ‘van Drees trekken’, zoals de tien jaar oude AOW werd genoemd.
In zijn jaren bij de gemeente vielen talrijke diensten onder zijn hoede zoals het slachthuis, het openbare zwembad en woningbouwverenigingen. Ria Robbers-Wijnant: ‘Pap heeft keihard gewerkt voor de gemeenschap. Maar het ambtenarensalaris was in die tijd erg laag. Daarom haalde hij ook zijn leraarsdiploma. In de avonduren kon hij les geven in handelsrekenen.’ Jos Wijnant trouwde met Adriana van den Bosch. Ze kregen vijf kinderen. Zijn vrouw overleed al in 1973.
Hij bleef ook na zijn pensioen actief in Den Bosch. Hij speelde viool, was volgens zijn dochter een uitstekend danser en werd uiteindelijk ook nog kunstschilder. Hij hield van voetbal en was regelmatig in het stadion van FC Den Bosch te vinden.
Nadat hij de leeftijd van 100 jaar was gepasseerd, werd hij een regionaal fenomeen dankzij zijn filosofische uitspraken. Zo zei hij tegen een journalist op zijn 105de verjaardag: ‘Oud worden is leuk, maar oud zijn minder.’ Ter gelegenheid van zijn 107de verjaardag werd op Omroep Brabant een documentaire over hem uitgezonden.
Op zijn 108ste verjaardag tekende De Telegraaf opnieuw een relativerende uitspraak van Wijnant op: ‘Als ik nu een kind had gered, dan zou dat een heldendaad zijn. Oud worden is dat niet.’
(5-7-2010)


Gerrit Engelgeer (1958-2010)

De man van no cure, no pay die niet tegen onrecht kon

Op zaterdag 22 mei 2010 kopte Het Parool boven een twee pagina’s tellend interview met mr. Gerrit Engelgeer: ‘De letselhaai heeft de strijd opgegeven.’ Twee dagen later overleed Engelgeer, de omstreden advocaat die in Nederland het beruchte Amerikaanse systeem van no cury no pay propageerde voor letselschadezaken. Hij was pas 52 jaar.
In het interview dat al was afgenomen voordat longkanker was vastgesteld, zei hij de strijd voor no cure no pay op te geven. Aanleiding was een uitzending van het TROS-programma Radar waardoor zijn bedrijf Letsel.nl op de zwarte lijst was gezet door de Vereniging van Letselschade Advocaten.
Engelgeer had hiertegen een kort geding aangespannen en gewonnen, maar na bijna twintig jaar had hij geen zin meer in een verder gevecht. ‘Het heeft mij verschrikkelijk veel geld gekost. En mijn gezondheid heeft eronder geleden. Anderen mogen deze strijd voortzetten. Ik ben ouder en wijzer geworden.’
Engelgeer was de zoon van een palingvisser uit Harderwijk. Hij begon zijn carrière als crediteurenmedewerker bij ABN Amro. In de avonduren studeerde hij privaat- en fiscaal recht. In 1993 hoorde hij van een bevriende advocaat over een gat in de markt: ‘Werken voor het slachtoffer, terwijl de verzekeraar de nota betaalt. Dat klonk heel interessant, want verzekeraars hebben altijd geld.’
Vijf jaar later richtte hij Letselschade Groep Nederland op die een kantoor betrok in het World Trade Center in Amsterdam. Omdat hij als advocaat zelf niet op no cure no pay basis mocht werken, bombardeerde hij zijn secretaresse tot directeur en plaatste hij op een andere kamer een bordje met Engelgeer Advocaten, zodat zijn medewerking werd verdoezeld.
Aanvankelijk liet de advocatuur hem zijn gang gaan, totdat de dossiers binnenstroomden. Letselschade Groep Nederland was een goudmijn. Met name slachtoffers van medische fouten die vaak niet het geld hadden om een advocaat in te huren die ingewikkelde zaken tegen ziekenhuisspecialisten in behandeling wilde nemen, meldden zich massaal bij hem.
‘Engelgeer kon niet tegen onrecht. Als verzekeraars de boel traineerden, ging hij door, ook als een cliënt geen geld meer had’, aldus Thom Vermeulen, zijn opvolger bij Letsel.nl.
Maar de deken van de Orde van Advocaten liet het er niet bij zitten. Engelgeer moest talrijke processen voeren om zijn werkwijze te verdedigen. In hoogste instantie stelde de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMA) hem in het gelijk, maar minister Hirsch Ballin van Justitie vernietigde dat besluit, omdat het in strijd was met de Advocatenwet. In 2004 hing Engelgeer zijn toga aan de wilgen. Een jaar later werd hij uit de Orde gezet, ook omdat hij in de fout was gegaan met het boeken van een declaratie.
Engelgeer werd een advocaatloze ondernemer die met de website Letsel.nl aan de slag ging en daarmee een nieuw bedrijf wist op te bouwen. ‘Niet om veel geld binnen te halen, want de uitkeringen voor smartegeld in Nederland zijn laag, maar om het principe hoog te houden’, zei hij. In Het Parool voorspelde hij: ‘Binnen een of twee kabinetsperiodes is no cure no pay ook in Nederland geaccepteerd, maar ik zal er niet meer voor strijden.’
(28-6-2010)


Peter Maas (1944-2010)

Het grote rechtvaardigheidsgevoel van Opa Beugen

Peter de Waard

Kabinetsinformateurs moeten ter verantwoording kunnen worden geroepen en daarom moeten ze de status krijgen van een minister. In 1982 lanceerde de latere bijzonder hoogleraar Peter Maas van het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis in Nijmegen deze stelling in zijn standaardwerk over de kabinetsformaties tussen 1959 en 1973.
Op 28 mei overleed Maas op 66-jarige leeftijd aan een longaandoening. ‘Opa Beugen’ zoals hij door zijn zeven kleinkinderen vanwege zijn woonplaats werd genoemd, zou het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis aan de Radboud Universiteit in Nijmegen flink uitbreiden en een nieuwe Stichting voor Parlementaire Geschiedenis in Den Haag oprichten.
‘Toen hij in 1977 de scepter bij het Centrum overnam van professor Frans Duynstee, was het een kleine afdeling van de afdeling staatsrecht. Nu is het een volwassen instituut met tien onderzoekers’, aldus Carla van Baalen, die hem opvolgde en op haar beurt onderzoek doet naar de kabinetsformaties tussen 1977 en 2007.
Peter Maas werd op 1 maart 1944 geboren in Rijswijk. Hij doorliep het Stanislavcollege in Delft, waar zijn vader leraar handelskennis was, en studeerde geschiedenis aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Vanaf 1967 was hij leraar in Oss, Delft en Deurne.
In 1974 promoveerde hij op het proefschrift Sociaal-democratische gemeentepolitiek in katholiek Nijmegen 1894-1927. ‘Hij was een overtuigd sociaal-democraat met een groot rechtvaardigheidsgevoel’, zegt zijn schoonzoon Peter van Griensven.
Nadat hij Duynstee opvolgde en tien jaar later bijzonder hoogleraar werd, zou hij veel onderzoekswerk doen naar de parlementaire geschiedenis. Hij was mede-samensteller van de formatiedagboeken van voormalig premier Beel en schreef mee aan drie delen in de serie Parlementaire geschiedenis van Nederland na 1945.
Landelijk bekend werd hij door zijn stellingname tegen de vaccinatiedwang voor polio. In 1988 publiceerde Maas een boekje over de polio-uitbraken in 1971 (Staphorst) en 1978 (Gelderland, Zuid-Holland en Zeeland).
Hij hekelde daarin onder meer het ‘agressieve optreden’ van de media en het gebrek aan begrip voor de opvatting van bevindelijk gereformeerden die uit overtuiging vaccinatie afwijzen.
Maas behoorde later tot het zogenaamde ‘driemanschap’ dat in 1992 door toenmalig staatssecretaris Hans Simons (Volksgezondheid) werd gevraagd om de strijd met orthodoxe protestanten over vaccinatie aan te gaan. Behalve Maas zaten daarin de vrijgemaakt-gereformeerde ethicus Jochem Douma (voorstander van verplichte inenting) en de docent ds. Aart Moerkerken (tegenstander) aan de theologische school van de Gereformeerde Gemeenten.
Het driemanschap organiseerde gesprekken met verschillende kerkgenootschappen en publiceerde de brochure Polio, een gesprek hervat. Het boekje was speciaal bedoeld voor scholen en de ouders van leerlingen.
Maas bleef tot 1996 verbonden aan het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis. Zijn opvolgster Carla van Baalen zegt dat hij een kundig analist was met een groot gevoel voor humor.
(21-6-2010)


Helmer Koetje (1953-2010)

Burgemeester die genoot van het slotakkoord

Peter de Waard

’Wat zijn we goed in crisismanagement!’, zei hij cynisch tegen zijn echtgenote, nadat in augustus 2009 de diagnose longkanker bij Helmer Koetje was gesteld en iedereen moest worden geïnformeerd.
Optimistisch zei hij daarop: ‘Ik ga van het burgemeesterschap van Hoogeveen nog een mooi slotakkoord maken. ‘Dat is gelukt’, zegt zijn weduwe Petra van der Kwast nu. Na zijn laatste raadsvergadering waarin stevig werd gedebatteerd, kwam hij moe thuis en vertelde: ‘Petra, wat heb ik genoten.’
Op 31 mei overleed op pas 57-jarige leeftijd Helmer Koetje, voormalig Kamerlid voor het CDA, voorzitter van de IKON, voormalig voorzitter van het Commissariaat voor de Media en burgemeester van achtereenvolgens Twenterand en Hoogeveen.
Koetje werd geboren in een protestants, maar geëmancipeerd arbeidersgezin in Veendam. Hij ging bestuurskunde studeren aan de VU in Amsterdam. Met zijn baard en onafscheidelijke spijkerpak ontpopt hij zich daar als een bruggenbouwer. Hij was linksig en iemand die naar Londen ging om de eerste elpee van de Sex Pistols te kopen, maar hij bezocht ook de André van Duin-revue omdat hij heerlijk wilde lachen.
Koetje werd in Amsterdam lid en bestuurslid van de jongerenorganisaties van de ARP en het CDA. Na zijn afstuderen verhuisde hij naar Den Haag, waar Koetje ging werken op het ministerie van Binnenlandse Zaken. In 1986 werd hij gekozen tot Kamerlid voor het CDA. Met zijn Amsterdamse en Haagse achtergrond vertegenwoordigde hij binnen de partij het stedelijke.
Hij liet meteen van zich horen. In een interview met het weekblad De Tijd vertelde hij Frénk van der Linden enerzijds ‘een echt CDA-profiel te willen neerzetten’, maar anderzijds ‘veel van de CDA-idealen niet te begrijpen’. Hij zou acht jaar in de Tweede Kamer zitten. Hier ontmoette hij ook zijn vrouw en werd uiteindelijk op zijn 47ste jaar voor de eerste keer vader. Later zou hij nog twee kinderen krijgen.
Altijd bleef hij in de politiek proberen tegenstellingen te overbruggen. Hij werd de man genoemd van de ‘praatpapieren’.
Vanaf 1994 bekleedde hij een functie in het Commissariaat voor de Media. Hij bestreed de toenemende commercialisering bij de publieke omroepen. Philips hoefde weliswaar niet meer de gloeilampenfabriek uit het zuiden van het land te worden genoemd, maar toen de publieke omroepen samen te veel een nieuwe cd van Marco Borsato plugden, kregen ze een boete van meer dan twee ton. ‘We stellen een voorbeeld’, zei Koetje.
In 2001 werd hij burgemeester van Vriezenveen, dat later opging in Twenterand, en vanaf 1 juli 2009 van Hoogeveen. Sinds 2001 was hij ook voorzitter van de IKON, die hij door moeilijke tijden van reorganisatie en zendtijdverkorting moest heen zien te loodsen. Ook nadat de fatale ziekte werd geconstateerd, bleef hij zo lang als het ging, werken. ‘Ik heb geen tijd om dood te gaan’, zei hij.
‘Hij was meer dan integer, hij was trouw, een spiegel, scherp ook in zaken waar hij geen verstand van had’, aldus zijn vriend Klaas Petter.
Na de eerdere begrafenis in Vroomshoop werd afgelopen donderdag in Hoogeveen een herdenkingsbijeenkomst gehouden.
(14-6-2010)


Hans Verploeg (1945-2010)

Een bevlogen telg van de jaren zestig

Peter de Waard

Als leraar geschiedenis op de onderbouw van de pedagogische academie aan de Loudelsweg in Bergen liet hij scripties schrijven over de Russische anarchist Peter Kropotkin. Het was het schooljaar 1971/1972 en de school van de Ursulinen in Bergen was een gedemocratiseerde school waar de leraren lange haren hadden en leerlingen rookten in de klas.
Hans Verploeg die op 26 mei op 65-jarige leeftijd overleed aan een erfelijke leverziekte, moet toen 26 jaar zijn geweest.
Hij studeerde politicologie en geschiedenis en was een telg van de jaren zestig. Kropotkin (1842-1921) was een revolutionair die hem wel aansprak. Hij zou er later, samen met ‘kabouter’ Roel van Duijn, nog een studie aan wijden die in 1978 werd gepubliceerd. Het leraarschap was niet echt zijn roeping. Die zou hij pas vinden bij de vakbond.
In 1974 kwam hij bij de Kunstenaarsbond van de FNV terecht. Tussentijds stelde hij ook nog bij de Stichting Paradiso orde op zaken. In 1980 stapte hij over naar de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ), waar hij 25 jaar zou blijven.
Uiteindelijk werd de NVJ voor hem een soort familiebedrijf. Wie uit de bond stapte, pleegde hoogverraad. Hij zou er zelfs zijn derde echtgenote en grote liefde ontmoeten. Niet iedereen kon opschieten met Verploeg. Daarvoor was hij een te grote controlfreak. In een portret dat Jacqueline Wesselius bij het afscheid van de NVJ van hem schilderde in De Journalist, werd hij knorrig, mopperig en stug genoemd. Maar Verploeg was ook een bevlogen, loyale en slimme bestuurder.
Hij werd geboren in Zeeuws-Vlaanderen in een middenstands- en boerenmilieu. Hij moest zelf zijn studie bekostigen met een baantje in de horeca. Bij de FNV moest hij in de jaren tachtig financieel orde op zaken stellen en een scheuring van de bond zien te voorkomen toen de FNV de leden opriep tot staking.
Verploeg was wars van stakingen. ‘Het is een klein milieu. Je komt elkaar altijd weer tegen’, zo zei hij. Hij wilde graag een glas wijn met de andere partij blijven drinken. Hij was echter onwrikbaar als het om de vrijheid van meningsuiting ging.
In 1982 werd hij als bestuurder geconfronteerd met de dood van vier IKON-journalisten in El Salvador. In 1999 werd de freelance-journalist Sander Thoenes in Oost-Timor gedood. De daders waren bekend, maar werden, tot woede van Verploeg, nooit vervolgd. In Nederland streed Verploeg voor de journalist Wilem Oltmans, die jarenlang door de Nederlandse staat was getreiterd en tegengewerkt. Uiteindelijk kreeg Oltmans een schadevergoeding van acht miljoen gulden. Verploeg zal ook herinnerd worden als mede-oprichter van Free Voice in 1986 - een organisatie die opkomt voor de persvrijheid in de Derde Wereld.
In de jaren tachtig en negentig waren kranten een goudmijn. Journalisten zagen, dankzij de NVJ, hun salarissen enorm stijgen. ‘Het is wel een dure cao’, werd binnen de bond gezegd toen men zag hoe de eigen mensen die onder deze cao vielen werden betaald.
Na 2000 kwam het keerpunt. Internet bracht de papieren krant in de verdrukking. Verploeg vertrok in 2005. Hij werd ziek – dezelfde ziekte als waaraan zijn vader leed en op 65-jarige leeftijd aan stierf. Een levertransplantatie had zijn leven kunnen redden, maar er was niet tijdig een donorlever beschikbaar
(7-6-2010)


Hans van Swol (1914 - 2010)

Multisporter en televisiepionier

Peter de Waard

Hij blonk uit in bijna alle sporten en werd vijf keer tenniskampioen. Maar bij het grote publiek was hij vooral de tv-dokter.
In 1942 bepaalde de Duitse bezetter dat op de Nederlandse tennisbanen geen Engelse termen mochten worden gebruikt. Drievoudig Nederlands kampioen in het enkelspel Hans van Swol was op een zeker moment het getel in het Nederlands spuugzat en herhaalde de door de scheidsrechter genoemde stand (vijftien-nul) in het Engels: ‘U bedoelt ‘fifteen-love’?’
Het publiek reageerde hierop met een minutenlange ovatie. De scheidsrechter dreigde daarop de tribune te laten ontruimen. Van Swol zou uiteindelijk niet verder kunnen spelen omdat hij weigerde tegen Tod Hughan, die zich had aangesloten bij de NSB, uit te komen. Van Swol, die joodse onderduikers in zijn huis had opgenomen, ging voetballen bij AFC.
Hans van Swol, die deze week op 95-jarige leeftijd overleed, zou na de oorlog weer gaan tennissen en tussen 1938 en 1949 vijf keer kampioen van Nederland en acht keer de beste Nederlander zijn op Wimbledon.
Van Swol werd in 1914 geboren aan de Overtoom in Amsterdam, waar zijn vader een winkel had. Hij mocht medicijnen studeren. Hij blonk als student uit in bijna alle sporten. Volgens kenners was hij de beste rugbyer die Nederland heeft gehad. Als honkballer debuteerde hij met een homerun. En als schoonspringer veroverde hij de Amsterdamse titel.
Hij beoefende al deze sporten in een tijd dat er nog geen televisie was. Dat Van Swol bij de meeste Nederlanders toch vooral zal worden herinnerd als televisiepersoonlijkheid was te danken aan zijn programma Ziek zijn, Beter Worden waarmee hij in 1956 bij de VPRO begon. Jarenlang zou hij de Nederlanders voorlichten over allerlei ziekten en kwalen. Later was hij presentator van het programma Spreekuur. Vanaf 1971 presenteerde hij voor de AVRO het programma Sex in wording, waarin seksuele voorlichting werd gegeven aan tieners. Ook was hij commentator bij tennis- en rugby. Hij schuwde controversiële uitspraken niet. ‘Ik kijk naar herentennis, niet naar de dames. Vrouwen beschouw ik uit een heel ander oogpunt dan tennis’, zei hij in Elsevier.
In 1957 trouwde Van Swol, die al twee keer eerder was getrouwd met de beeldschone en wereldberoemde sopraan Gré Brouwenstijn. ‘Een societyhuwelijk? heb ik het zelf nooit gevoeld,’ zei hij.
(5-6-2010)


Piet Steenbergen (1928-2010)

Mager van de heimwee naar Rotterdam en Feyenoord

Peter de Waard

Feyenoordspeler Piet Steenbergen was een van de eerste Nederlandse voetballers die prof werden. Hij ging in 1950 spelen voor de Franse club Le Havre. Hij arriveerde daar, pas 21 jaar, samen met Arie de Vroet die ook was gecontracteerd door Le Havre. De KNVB had toestemming gegeven, hoewel in Nederland nog geen profvoetbal bestond.
Steenbergen, die op 22 april overleed, speelde vier wedstrijden voor Le Havre. Hij leek het goed te doen. Maar in de vijfde wedstrijd voelde hij zich slap en presteerde hij weinig. Binnen enkele weken viel de 1,82 meter lange speler tien kilo af: van 78 naar nog maar 68 kilo. Te weinig om te kunnen voetballen, vond de club.
Steenbergen – net getrouwd – woonde in bij Arie de Vroet. Elke dag kwam er een verpleegster langs die hem met ‘een injectie voedsel’ toediende. Zonder resultaat. ‘Of het nu door het klimaat kwam, de zware training of heimwee wist ik niet. Maar de club stuurde mij voor drie weken terug naar Nederland om weer op gewicht te komen’, vertelde hij in oktober 1952 in een interview.
In korte tijd woog hij opnieuw 78 kilo. Maar bij terugkeer in Le Havre gingen de kilo’s er meteen weer af. De oorzaak was heimwee. Le Havre was lang niet zo’n gezellige stad als Rotterdam. Hij wilde weg, maar Le Havre wilde hem niet laten gaan.
Pas anderhalf jaar later mocht hij weer terug naar Nederland. En toen duurde het nog een half jaar voordat hij van de KNVB zijn amateurstatus terugkreeg en weer ‘als liefhebber’ voor Feyenoord mocht gaan spelen. Inmiddels was hij vader geworden. Om in zijn levensonderhoud te voorzien, werkte hij als kastelein in het Rotterdamse café van zijn schoonvader Gerrit Smits.
Het zou een lange carrière in de horeca, maar ook bij Feyenoord worden. Hij speelde als oudgediende uiteindelijk nog in een team met Coen Moulijn, Henk Schouten, Cor van der Gijp en Gerard Kerkum. Toen was hij uiteraard semiprof, maar nu in Nederland.
Steenbergen was al op zijn 10de lid geworden van Feyenoord en maakte pas 18 jaar oud in 1946 zijn debuut in Feyenoord 1. Tot 1959 zou hij 229 wedstrijden voor het eerste team spelen en 25 doelpunten maken. Steenbergen kwam twee keer uit voor het Nederlands elftal. In april 1950, vlak voor zijn transfer naar Le Havre, deed hij mee in een uitwedstrijd van Oranje tegen België die met 2-0 werd verloren. Op 1 mei 1955 was hij aanvoerder in een uitwedstrijd van Oranje tegen de Ieren. Het werd een roemloze 1-0 nederlaag.
Na zijn carrière bleef Steenbergen actief bij Feyenoord. Hij werd jeugdtrainer en later ook scout. Hij was een van de oprichters van oud-Feyenoord, waarvan hij 28 jaar penningmeester was. Tussen 1981 en 1989 was hij bestuurslid van Feyenoord en tevens commissaris van Stadion Feijenoord.
Tot hij twee jaar geleden ziek werd, bezocht Piet Steenbergen nog trouw de thuiswedstrijden en kwam hij ook door de week vaak even koffie drinken en met andere oud-spelers praten. In 2003 kreeg hij de gouden speld van de club vanwege het 50-jarig lidmaatschap. In een boek uit 2007 waarin de journalisten Hugo Borst, Henk Spaan en Johan Derksen de top-100 van beste Feyenoordspelers publiceerden (plus een top-100 van de grootste miskopen) kreeg hij een ereplaats.
(31-5-2010)


Henri (Harry) Peschar (1920-2010)

Bij Peschar werd het rood nooit roze

Peter de Waard

Een man die niet graag in de belangstelling stond: zelfs tijdens de beruchte Nacht van Schmelzer bleef Harry Peschar op de achtergrond.
Hij woonde in Bloemendaal en was een fanatiek cricketspeler. Maar bij Henri (Harry) Peschar is het rood nooit roze geworden, zoals je daaruit zou vermoeden. ‘Hij woonde in een bescheiden huis. Hij was een PvdA’er die veel van zijn vrienden binnen de partij had. Zijn vrouw heeft hij leren kennen toen zij folders uitdeelde voor de SDAP’, zegt een nicht. Peschar, die vorige week zondag op 89-jarige leeftijd overleed en in stilte is gecremeerd, was een bescheiden man die niet graag aandacht wilde. ‘Het liefst zat hij thuis op de zolderkamer cijfers te controleren van allerlei stichtingen en verenigingen. Ontelbaar waren de keren dat er rond middernacht nog een lichtje brandde’, aldus de nicht.
De Peschars waren een echte Haarlemse familie. Zijn vader Henri (hij noemde zich Han) werkte in de grafische sector, net als zijn grootvader. Veel familieleden waren in dienst van de beroemde drukkerij Joh. Enschedé. Als bolleboos van de familie mocht Harry gaan studeren. Hij koos voor economie aan de Universiteit van Amsterdam waar hij in 1948 afstudeerde. Hij kreeg een baan als documentalist bij de PvdA, waarna hij ging werken voor het wetenschappelijk bureau van de partij: de Wiardi Beckman Stichting. In 1952 werd hij voor de PvdA in de Tweede Kamer gekozen. Hij was op dat moment het jongste kamerlid. Hij zou tot 1968 in de Kamer blijven. Hij kreeg aanvankelijk de portefeuille middenstandszaken, maar werd later de belangrijkste financieel woordvoerder van de fractie. Zijn moeder vond de politiek maar niets. ‘Stap er maar uit, want in de politiek gaat nooit iets eerlijk’, zei ze.
In 1965 was hij een van de vier PvdA’ers die tegen de Toestemmingswet voor het huwelijk van Beatrix en Claus stemden. Maar voor de rest bleef hij op de achtergrond, zelfs tijdens de beruchte Nacht van Schmelzer waarin Peschar als secretaris namens de fractie in onderhandeling met mensen als Nederhorst en Vondeling nog een val van het kabinet-Cals trachtte te voorkomen. In 1968 werd hij president van de Algemene Rekenkamer, wat hij tot 1984 bleef.
In die periode veranderde het karakter van de Rekenkamer. Peschar concentreerde zich minder op kleine zaken, zoals de vraag of het kleedje voor de nieuwe ambassadeur in Washington niet goedkoper met de boot dan per vliegtuig kon worden vervoerd. Peschar focuste zich op de miljarden die werden verspild door personeelsgebrek, slecht beheer en administratieve tekortkomingen. Zijn opvolger, oud-marineman Frans Kordes, borduurde daar na 1984 op voort en wilde dat de Rekenkamer naast de rechtvaardigheid van uitgaven ook de doelmatigheid ging controleren. In 1976 vormde Peschar met André Donner van het Europees Hof voor Justitie en Marius Holtrop van De Nederlandsche Bank de Commissie van Drie, een door het kabinet Den Uyl ingestelde commissie die de rol van prins Bernhard in de Lockheed-affaire onderzocht. Na het onderzoek besloot het kabinet de prins niet strafrechtelijk te vervolgen. Wel moest Bernhard zijn uniform inleveren. In 1985 vroeg Harry Peschar aan prins Bernhard of hij erg boos op hem was geweest. ‘Nee’, zei Bernhard, ‘Ik was vooral boos op mijzelf.’
Toen hij in 1984 vertrok als president van de Algemene Rekenkamer was Peschar pas 63 jaar. In de jaren daarop vervulde hij talrijke nevenfuncties in sportraden, ziekenhuisbesturen en VN-instanties waarin hij vooral tot taak had de cijfers te controleren. Daarnaast was hij zes jaar lid van het ambtenarengerecht. In 1986 zou hij een onderzoek doen naar de zorgwekkende financiële toestand bij de VARA. In Haarlem was hij 17 jaar lang voorzitter van de Stichting Archeologie te Haarlem.
(25-5-2010)


Wouter Tims (1930-2010)

Vormgever van ontwikkelingsbeleid

Peter de Waard

Als bekwaam cijferaar met een sterke mening oefende hij onder meer invloed uit als adviseur van Jan Pronk.
‘Hij was een Tinbergiaan, net als ik’, zegt oud-minister Jan Pronk over professor Wouter Tims, die op 9 mei op 79-jarige leeftijd overleed.
Tims was volgens Pronk een van de founding fathers van de praktische advisering van ontwikkelingslanden op grond van de macro-economische modellen die de Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen had ontwikkeld. ‘Ik ken hem vooral van zijn wetenschappelijke analyses. Hij was ouder dan ik en had al jarenlang voor Harvard in Pakistan gewerkt toen ik hem ontmoette.’ Tims heeft enorme invloed gehad op het Nederlandse ontwikkelingsbeleid, onder meer als een van de adviseurs van Pronk.
Van 1977 tot 1995 combineerde hij het hoogleraarschap aan de Vrije Universiteit met de functie van directeur van de Stichting Onderzoek Wereldvoedselvoorziening – een gezaghebbende club die voortkwam uit de illustere Club van Rome.
Daarnaast was hij van 1992 tot 1996 voorzitter van het ICCO, de interkerkelijke organisatie voor ontwikkelingssamenwerking.
Hij was ook voorzitter van de buitenlandcommissie van de PvdA, lid van de Evert Vermeer Stiching en bestuurslid van de Triodos Bank. Tijdelijk was hij verder directeur Ontwikkelingssamenwerking op het ministerie van Landbouw en ook nog bewindvoerder namens Nederland, België, Luxemburg, Ierland en Zwitserland bij het International Fund for Agricultural Development in Rome.
Tims werd in 1930 in een Nederlands-hervormd gezin in Rotterdam geboren. Zijn vader was daar belastingambtenaar en hij bleek al snel aanleg te hebben voor cijfertjes. Hij studeerde economie aan de Economische Hogeschool in Rotterdam. Volgens professor Michiel Keyzer die in 1977 zijn adjunct werd bij de Stichting Onderzoek Wereldvoedselvoorziening, werd hij gevormd door de crisisjaren dertig. ‘Hij zag als klein kind met eigen ogen de armoede en stempelarij. En hij wilde dat zoiets nergens meer zou voorkomen.’
Tims was volgens Keyzer een bekwame cijferaar met een helder inzicht. Hij was vriendelijk en een goed netwerker. ‘Hij deed voor de Stichting de externe contacten, ik hield mij vooral met de interne zaken bezig.’
Na zijn studie werkte hij bij het Centraal Planbureau. Daarna kwam hij in dienst van de Harvard Group voor Pakistan, wat leidde tot zijn benoeming als directeur van het Policy Analysis and Projection Department van de Wereldbank. Keyzer: ‘Zijn taak was de data van ontwikkelingslanden te controleren en slechte data door te prikken. Daar had hij weinig moeite mee. Hij zag het onmiddellijk als er met de cijfers was gerommeld. Hij stuurde ze terug of hij zond zijn eigen mensen naar die landen om betrouwbare cijfers op te halen.’ Veel ontwikkelingslanden creëerden een waar doolhof rond hun cijfers, maar Tims wist ze altijd te doorgronden.
In 1972 had de Club van Rome een rapport uitgebracht over de dreigende uitputting van grondstoffen. Hierbij was onder meer uitgegaan van een verdubbeling van de wereldbevolking. Een groep van vier hoogleraren met Jan Tinbergen nam het initiatief om een model te ontwikkelen waarin de voedselvoorziening voor de wereldbevolking centraal stond. Dit leidde tot de oprichting van de Stichting Wereld Voedselvoorziening die eerst kantoor hield in Wageningen en Amsterdam en later werd geconcentreerd in Amsterdam. Tims zorgde er achttien jaar lang voor dat de onderzoeksresultaten de beleidsmakers bereikten.
Maar hij was meer dan een cijferaar. Hij stak zijn eigen mening zelden onder stoelen of banken en schreef talrijke opiniërende stukken. ‘Vrije migratie is goed voor de economie’, constateerde hij in 1994 in de Volkskrant. Het Westen wordt door arbeidsmigratie concurrerender en de ontwikkelingslanden worden rijker. Maar hij zei er toen al bij dat vrije migratie een illusie zou zijn. Vlak na zijn pensionering in 1996 werd hij getroffen door een herseninfarct. ‘Hij bleef helder van geest, maar zijn analytisch denkvermogen liet hem daardoor wel in de steek’, aldus zijn echtgenote Nel Tims. Vier jaar geleden schreef hij nog zijn eigen memoires. Uiteindelijk werd de ziekte van Kahler hem fataal.
(18-5-2010)


Willy Caron (1935-2010)

Tenor van Herbert von Karajan en Gerard Reve

Peter de Waard

Willy Caron zong met Luciano Pavarotti, Hermann Prey en Kiri te Kanawa. Beroemde dirigenten als Karl Böhm en Herbert von Karajan vonden hem een van de beste tenoren van de wereld. Maar de ‘Limburgse Caruso’ werd in eigen land maar matig gewaardeerd.
Zondag werd hij herdacht in de Maaspoort in Venlo, door solisten en het Venloos Operette Gezelschap, waarvan hij beschermheer was. Caron overleed op 26 april 2010 op 75-jarige leeftijd.
Hij was afkomstig uit een muzikale familie uit Montpellier, die in Venlo was neergestreken. Zijn vader en zijn ooms waren violisten in dansorkesten. ‘Eigenlijk hebben we een zigeunerachtergrond. Een van de verwanten was de komiek Johan Buziau’, zegt Etienne Caron, een neef van Willy Caron.
Willy Caron had vier broers en vier zussen. Een van zijn broers, de inmiddels overleden Etienne, was in Limburg een bekend kunstschilder. Al op jonge leeftijd speelde Willy Caron klarinet en saxofoon. Op zijn 26ste werden ook zijn zangkwaliteiten ontdekt en won hij het Internationale Verdiconcours in Venetië.
De Italiaanse pers omschreef hem als ‘een stemwonder om wie ’s werelds grootste operahuizen nog zullen vechten’. Hij kreeg daarna lessen van de beroemdste zangpedagogen ter wereld. Twee jaar later won hij ook het Internationaal Vocalisten Concours in Verviers en was zijn naam gevestigd.
Met de opkomst van de televisie werd hij een bekende Nederlander. Hij trad op met het Promenade Orkest en met diverse orkesten van Dolf van der Linden in programma’s als Successen van Joseph Schmidt, Ik hou van Holland, het Richard Tauber programma en zelfs in de Gerard Reve-show met Adèle Bloemendaal.
Maar het meeste succes had hij in het buitenland. In Salzburg trad hij op met dirigent Herbert von Karajan. Hij vertolkte er verschillende operarollen zoals die van Balthasar Zorn in Richard Wagners Die Meistersinger von Nürnberg. Met de Wiener Philharmoniker trad hij op in Le Nozze di Figaro als Don Curzio en Basilio.
Hij oogstte ook succes in Moskou, Parijs, Londen, München en Barcelona. In Keulen was hij zeventien jaar verbonden aan de Städtische Oper. István Kertész, een van de dirigenten met wie Caron daar samenwerkte, zei over hem: ‘Jouw stem is er altijd. Overdag of ’s nachts, jij bent altijd bij stem.’
In Nederland zong hij ook in opera’s, maar maakte hij vooral naam als solist met de Mastreechter Staar en het Limburgs Symfonie Orkest onder leiding van André Rieu sr. Zijn neef Etienne Caron: ‘Van de optredens van André Rieu jr heeft hij nooit gehouden. Dat vond hij tweedehands kitsch.’
In de jaren tachtig moest Caron door ziekte al een stap terugdoen en trad hij nog maar weinig op. In 1993 verhuisde hij naar Den Haag, waar hij vijf jaar later het Willy Caron Muziektheater zou oprichten. Dit koor van vijftig mensen moest het vocale klassieke muziekrepertoire zo breed mogelijk toegankelijk maken.
Zijn laatste optreden deed hij in november 2009 in Venlo. Een paar dagen na dit optreden werd hij met darmklachten opgenomen in het ziekenhuis. Bij een operatie traden complicaties op, waarvan hij niet meer herstelde.
(17-5-2010)


Ferdinand Grapperhaus (1927 - 2010)

Charismatisch architect van de btw en het huurwaardeforfait

Peter de Waard

Ferdinand Grapperhaus was gefascineerd door belastingrecht. Zondag overleed de oud-staatssecretaris.
Vanwaar die fascinatie voor de belastingwetenschap? vroeg Ischa Meijer hem in 1971. ‘Laat ik heel eerlijk zijn. Ik dacht: daar is geld mee te verdienen. Ik was de eerste jurist in Nederland die een topopleiding in belastingen haalde.’
Zondag 9 mei overleed op 82-jarige leeftijd Ferdinand (‘Frits’) Grapperhaus, staatssecretaris van Financiën in het kabinet De Jong (1967 - ’71), en de man achter twee van de meest roemruchte belastingmaatregelen: de invoering van de btw en het huurwaardeforfait.
Grapperhaus – niet te verwarren met zijn zoon, CDA-programmaschrijver, SER-kroonlid en hoogleraar arbeidsrecht Ferdinand Grapperhaus – was een politicus met een ongeëvenaarde eruditie en charisma. Hij nam geen blad voor zijn mond – ‘Het gerucht dat ik voorzitter zal worden van de KVP. Gelul!’ – wat hem in protestantse kringen zo kwalijk werd genomen dat hij in het volgende kabinet de ministerspost van Economische Zaken misliep.
Hij studeerde rechten in Amsterdam en promoveerde in 1956 op een dissertatie over de fiscale positie van de BV. Hij positioneerde zichzelf graag als een selfmade man die tijdens zijn studie jarenlang op de rand van het bestaansminimum leefde voordat hij als belastingsconsulent succes had.
In 1967 werd hij als 39-jarige vanuit het niets voor de KVP staatssecretaris voor Financiën onder minister Witteveen. Hij liet in vier jaar van zich spreken met een wijziging van de vennootschapsbelasting, de vervanging van de oude omzetbelasting door de belasting toegevoegde waarde (btw), de invoering van de zelfstandigenaftrek en de invoering van het huurwaardeforfait.
Zijn doel was de belastingen simpeler te maken – ‘klare belastingtaal die iedereen begrijpt’ – en hij wilde daarom zelfs alle aftrekposten schrappen en vervangen door een forfait van 18 procent. Maar de topverdieners die toentertijd 72 procent inkomstenbelasting betaalden en vele zaken aftrokken, vonden dat ze daarmee werden benadeeld.
Grapperhaus lag goed bij katholieke ministers als Luns en Veringa die zijn provocaties en directe benadering begrepen, maar slecht bij protestantse ministers als Beernink en Udink die zich ergerden aan uitlatingen als ‘bidden is een weinig essentiële handeling’ en ‘met het vraagstuk van abortus heb ik niets’.
In het kabinet-Biesheuvel kreeg hij nog de post van minister van CRM aangeboden (‘Ik heb wel wat met kunst, maar maatschappelijk werk is voor mij te zweverig.’) maar hij trad terug uit de politiek en werd baas van de bank Mees & Hope. In 1975 werd hij hoogleraar in Leiden.
Belastingrecht bleef zijn fascinatie. Hij schreef vele boeken en artikelen over de belastinggeschiedenis: over die van de omstreden rijwielbelasting, Alva en de tiende penning en de belastinggeschiedenis van zijn eigen, uit het Duitse Grapperhaus afkomstige familie. Hij lanceerde tot op hoge leeftijd ook nieuw revolutionaire belastingplannen. In 1996 deed hij staatssecretaris Vermeend de suggestie de inkomstenbelasting voor individuen af te schaffen en te vervangen door een loonsombelasting bij de bedrijven. ‘Hierdoor worden miljoenen particulieren niet meer in de directe belastingheffing betrokken.’
(11-5-2010)


Dick Top (1941-2010)

Met een hellebaard naast Ramses Shaffy

Peter de Waard

Acteur en regisseur Dick Top schreef in zijn cv ‘in 1945’ te zijn geboren, terwijl hij al in 1941 ter wereld kwam, als zoon van een verwarmingshandelaar in Santpoort. Top, die begon als acteur en de laatste jaren weer acteerde in producties van Ab Gietelink van Theater Nomade, wilde zich echter jonger voordoen dan hij was.
‘Dat hoorde vroeger bij het vak’, zegt Irene Hulst, de vrouw met wie hij 33 jaar het leven deelde.
Top overleed op 16 april aan een hersentumor die vlak na Kerstmis werd ontdekt. Op dat moment bereidde hij zich voor op de productie Der Stellvertreter in New York, waarvan een vereenvoudigde versie ook in Nederland zou worden vertoond.
Hij was op een zeer breed terrein (opera, musical en toneel) internationaal actief. Vorig jaar oogstte hij nog groot succes met de voorstelling Tonight Lola Blau in het LaMaMa Theatre in New York. Als regisseur heeft hij meer dan honderd producties op zijn naam staan. ‘Er is geen regisseur in Nederland met een dergelijke staat van dienst geweest’, stelt Gietelink.
Top kreeg de culturele bagage vooral mee van zijn moeder, die erg van opera hield. Al tijdens zijn laatste jaren op de hbs speelde hij als figurant mee in Gijsbrecht van Aemstel, samen met Huib Rooymans. Met een hellebaard stond hij in die tijd naast Rames Shaffy.
Hij deed een toneelopleiding bij Wijnand Frans in Den Haag totdat Top ontdekte dat die man fout was geweest in de Tweede Wereldoorlog. In Parijs bezocht hij de toneelschool van René Simon. In 1960 begon hij bij Het Masker. Vervolgens speelde Top in de producties van de maatschappij kritische toneelgroep Proloog en de Haagse Comedie.
Met de Actie Tomaat, waarbij een generatie jonge acteurs zich keerde tegen het traditionele toneel, kwam een voorlopig einde aan zijn acteercarrière. Hulst: ‘Hij is voor twee jaar naar de VS gegaan, waar hij als regisseur werkte bij het Drama department van Hartford University. Daar ontdekte hij dat regisseren de essentie is van het theatervak.’
Hij regisseerde opera-, operette- en toneelproducties bij de ‘Stadttheaters’ van Basel, Wenen, Bern, Hamburg, Munster, Kassel en Keulen.
Top leerde hier de zanger Johan Heesters kennen. Toen de van nazi-sympathieën verdachte Heesters in 2008 in Amersfoort wilde optreden, was Top volgens Gietelink de stuwende kracht. ‘Heesters was in zijn ogen niet fout in de oorlog geweest. Hij was blijven werken, maar dat hadden zoveel andere Nederlandse theatermensen via de cultuurkamer ook gedaan’, aldus Gietelink.
In Nederland was Top mede-oprichter van FACT en artistiek leider van de Hoofdstad Operette en het Amstel Toneel. Hij was de sfeermaker van elke groep waarmee hij werkte. ‘Hij kende zoveel anekdotes en wist nog precies wat er bij een optreden in de jaren vijftig in Stavoren was gegeten’, aldus Gietelink.
De laatste jaren was hij weer wat vaker als acteur te zien, in Gijsbreght van Aemstel (2003 en 2008), Het Beloofde Land (2004), Hamlet (2005) en Max Havelaar (2007). ‘De enige die in zijn dialogen Gietelink uit de tent weet te lokken is Dick Top in zijn dubbelrol als Droogstoppel en de Resident’, schreef de Volkskrant toen.
Gietelink: ‘Met Dick Tops dood is definitief de passie van de oude toneeltraditie verdwenen.’
(10-5-2010)


Angus Maddison (1926-2010)

Achter elk getal zat een analyse

Peter de Waard

Angus Maddison werd na zijn komst naar Groningen een van de meest geciteerde economen van Nederland.
Hij noemde zichzelf een chiffrephile, een liefhebber van cijfers. De econoom Angus Maddison, die op 24 april op 83-jarige leeftijd overleed, was gek op getallen. Hij richtte zelfs een club van chiffrephiles op, een titel die hij overigens zelf verzon.
Toen hij 13 jaar werd, las hij het boek How to Pay for the War? van de econoom John Maynard Keynes.
Zeventig jaar lang zou hij daarna reeksen van nummers produceren. Zo berekende hij in 1995 het bbp van 56 landen, terug tot 1820. En in 2005 kwam hij met een berekening van het bbp van de wereld in het jaar 1. In actuele prijzen zou dat 105 miljard euro zijn geweest. Maar het bleef niet bij dorre getallen alleen. Voor Maddison zat achter elk getal ook een verhaal of een analyse.
Maddison was van 1978 tot zijn emeritaat in 1998 verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij werd hier een van de meest geciteerde economen van het land.
Maddison werd geboren in Newcastle-upon-Tyne en groeide op in Schotland. Hij studeerde geschiedenis en economie in onder meer Cambridge. In 1953 begon hij zijn carrière als econoom bij de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (OEES), de voorloper van de huidige OESO, die de wederopbouw van Europa coördineerde.
Niet toevallig ging Maddisons eerste boek over de wederopbouweconomie. In de jaren zestig deed hij landenstudies voor de OESO. Na de eerste oliecrisis richtte hij zich op het westerse arbeidsmarktbeleid. Zijn benoeming in Groningen had ermee te maken dat hij meer vrijheid voor zijn onderzoek wenste.
In Groningen stond Maddison bekend als iemand die wars was van conventies en tijdens promoties een rode toga combineerde met witte gympen. In 2006, ter gelegenheid van zijn 80ste verjaardag, werd hij benoemd tot Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau.
(6-5-2010)


Cor Ridders (1937-2010)

Grondlegger van de moderne microchip

Peter de Waard

Zonder hem zouden we misschien niet zo opgescheept zitten met laptops, iPhones, iPads en andere elektronica. Cor Ridders was een van de grondleggers van de moderne microchip die heden ten dage in bijna alle apparatuur wordt toegepast. Toch kende bijna niemand hem – zelfs niet in zijn woonplaats Roosendaal.
Ridders overleed op 28 maart. Hij was de oudste van een gezin van vijf kinderen. Zijn vader was garagehouder in Roosendaal. Cor had op jonge leeftijd al last van astma en kon daardoor niet overal aan meedoen. Hierdoor ontwikkelde hij een enorme voorliefde voor techniek, waarbij hij op zijn eigen houtje dingen kon doen. ‘Op zijn zesde en zevende jaar knutselde hij al zelf radio’s in elkaar’, zegt zijn broer Jan Ridders. Ad Roset leerde hem op het lyceum in Roosendaal kennen als een introverte en hoogbegaafde jongen. Hij rondde uiteindelijk zijn hbs-b af met een hele reeks van tienen.
‘Hij wilde daarna eigenlijk naar het conservatorium, want hij kon heel goed piano spelen. Maar dat mocht niet van mijn moeder. Die dacht dat daar geen droog brood in te verdienen was’, aldus Jan Ridders.
Daarom ging hij wiskunde en zwakstroomelektronica studeren aan de Technische Hogeschool in Delft. Hij werd hier uiteindelijk ook wetenschappelijk medewerker. Met een speciaal team legde Ridders de grondslag voor de massafabricage van wat later de microchip werd genoemd. Er waren weliswaar al technieken, maar die waren zo ingewikkeld en duur dat massaproductie onmogelijk was. Deze chips werden gemaakt van silicium-halfgeleidermateriaal met behulp van een zevenmaskertechniek. Het team van Cor Ridders wist dit te reduceren tot het absolute minimum van drie maskers.
Via de Technische Hogeschool in Delft werd deze techniek geëxporteerd naar Silicon Valley in de VS, waar bedrijven als Apple Computers ontstonden.
Ridders heeft daarna internationale furore gemaakt in de wiskundewereld met het ontwikkelen van een algoritme om nulpunten van reële functies te bepalen. Daar bestonden er al twee van, maar zijn zogenoemde ‘Ridders method’ is veel sneller en levert ook altijd oplossingen op. Deze methode werd in de ruimtevaart toegepast voor het supersnel berekenen en bijsturen van raketbanen. Ridders deed ook baanbrekend werk met het ontdekken van miljoenen nieuwe priemgetallen – getallen die alleen door zichzelf deelbaar zijn.
Ridders trouwde in 1977 en kwam daarna terug van Delft naar Roosendaal. Hij ging forenzen. In 1992 scheidde hij. Hij ging vervroegd met pensioen en stortte zich daarna op het schrijven van verhalen. Volgens zijn broer waren dat cynisch humoristische stukken. ‘Ik heb ze nu gevonden. En ik verbaas mij erover hoe goed die verhalen zijn.’
Ook schreef hij tientallen ingezonden brieven, onder meer naar de Volkskrant. De laatste jaren leefde h