Op deze pagina geschiedenis
De geschiedenis van de Arabische koningen
Tunesië, Egypte en Libië hebben hun dictators en presidenten in de Arabische lente aan de kant geschoven. Zij kwamen aan de macht door in staatsgrepen de koningen weg te zenden. Wie waren die koningen? En wie zijn hun nageslacht?
Idris, de laatste koning van Libië
Hij werd door de Nederlander Adriaan van Pelt tot koning aangewezen. Maar Idris kon geen opvolger leveren. Een macaber sprookje van 1001 nacht.
Koning Idris I was de eerste en laatste koning van Libië. Hij werd in 1890 geboren als de kleinzoon van Mohammed Ali al-Senoussi, een nomadenleider in het noorden van Afrika die een nieuwe soefi-orde had opgericht, de Senoessi. De ontmanteling van het Ottomaanse rijk en de Eerste Wereldoorlog leidde ook in de omgeving van Benghazi waar de stam rondtrok tot vele bloedbaden. ‘Ik denk dat onze mensen genoeg hebben geleden onder armoede, honger en ziekte. En ik ben vastbesloten de Britse en Italiaanse autoriteiten te vragen hier een einde aan te maken’, zei Idris die in 1916 de leider was geworden.
Na de Eerste Wereldoorlog zagen de Britten en Italianen in Noord-Afrika hem als een bruikbare en gematigde man. Hij werd benoemd tot emir van Cyrenaica, het oostelijk deel van Libië waarvan Benghazi de belangrijkste stad was. De Italiaanse kolonisten vertrouwden hem een deel van het bestuur toe waarvoor hij een maandelijkse toelage zou krijgen. Maar de Italianen waren teleurgesteld dat Idris weinig deed om de nomadenstammen die zich tegen de Italianen bleven verzetten, te ontwapen.
Mussolini wilde na zijn machtovername in 1923 korte metten maken met het verzet. Idris week uit naar Egypte, waarna de daadwerkelijke opstand werd geleid door Bedoeïenleider Omar Mokhtar (bekend van de film De Leeuw van de Woestijn) die in 1931 door de Italianen werd gearresteerd en opgehangen. Idris zelf bouwde in Egypte tussentijds nauwe banden met de Britten op, waardoor hij tijdens de Tweede Wereldoorlog zelfs aan hun kant vocht in de strijd tegen het woestijnleger van de Duitse generaal Rommel. Toen de nazi’s uit Noord-Afrika waren verdreven vestigde Idris zich weer in Benghazi. Na de Tweede Wereldoorlog bleef de voormalige Italiaanse kolonie achter al een volkomen straatarm land, waar het recyclen van oorlogsmateriaal de enige bedrijfstak was. Koloniale interesse was er niet. De nieuwe VN mochten met het gebied doen wat ze wilden. Alleen wilden de Amerikanen, Britten en Fransen niet dat de Sovjets er voet aan de grond zouden krijgen.
Een voormalig Nederlands vertegenwoordiger bij de Volkenbond en ex-journalist Adriaan van Pelt, die later nog met een straatnaam in Tripoli werd beloond, kreeg in 1949 de nieuwe post van Hoge Commissaris voor Libië. Hij moest voor 1 januari 1952 de voormalige Italiaanse koloniën Cyrenaica en Tripolitanië en het Franse gebied Fezzan tot één federale staat vormen. Het onderling wantrouwen tussen de stammen was enorm groot, maar onder druk van de Britten werd Idris, de emir van het oostelijke Cyrenaica, op 24 december 1951 tot koning benoemd.
Idris probeerde eenheid te brengen. Hij besloot de vlag van Cyrenaica – een zwarte met een witte ster en halve – te verrijken met een rode streep boven – voor het bloed dat de Libiërs in hun strijd met de fascisten hadden geofferd – en een groene onder – om de onafhankelijkheid te benadrukken..Het land kreeg twee hoofdsteden: Tripoli werd de zetel van het parlement en Benghazi van de regering. Zelf ging Idris wonen in Tobruk, zo ver mogelijk weg van Tripoli. Hier vonden de paleisintriges plaats die in het sprookje van 1001 nacht niet zouden misstaan. Idris was, na drie huwelijken waarvan geen van de kinderen het kraambed had overleefd, in 1931 getrouwd met zijn grote liefde Fatima. Maar hun enige zoon stierf al na één dag. De koning voelde zich gedwongen nog een keer te trouwen, waarna een van zijn naaste adviseurs zijn eigen zijn eigen dochter naar voren schoof. Een boze neef van Fatima schoot die adviseur dood. Hij werd geëxecuteerd, waarna Fatima zelf werd belast een nieuwe vijfde vrouw voor haar man te gaan zoeken. Haar twee kandidaten werden afgewezen. Nadat wel een keuze was gemaakt en Idris opnieuw trouwde, weigerde zij het paleis te verlaten. Uiteindelijk koos de koning voor Fatima.
Idris had al snel veel van zijn goodwill verspeeld. Niet alleen had hij de Britten en Amerikanen geholpen met legerbases in het land, maar hij had zich ook gekeerd tegen de naasting van het Suez-Kanaal door de in Libië populaire Egyptische president Nasser. Het feit dat de 20 jaar jongere Fatima zoveel invloed op de koning had – en Libië als een van de eerste Arabische landen vrouwenkiesrecht invoerde – leidde ook tot ongenoegen. In die tijd werd voor het eerst ook olie gevonden in het land. Idris onderkende de gevaren. ‘Ik wou dat er water was gevonden. Met water kunnen mijn mensen werken. Olie doet ze alleen maar dromen.’ Al gauw ontstond onvrede dat de nieuwe rijkdom zich concentreerde bij het establishment rond het hof en buitenlandse olieconcerns die in Libië neerstreken.
Niettemin kon hij zich handhaven met Westerse steun. Voorstellen om af te treden wegens zijn slechte gezondheid werden verworpen, omdat er geen opvolger was. Eind augustus 1969 besloot hij af te treden ten gunste van zijn neef Hasan al-Senoessi en vertrok naar Turkijevoor een medische behandeling. Voordat Hasan een dag later kon aantreden als koning greep een groep officieren onder leiding van Kadhafi de macht. De monarchie werd afgeschaft en de socialistische republiek en eenheidsstaat Libië werd uitgeroepen. Hasan werd samen met de andere familieleden van Idris onder huisarrest geplaatst en al hun bezittingen in beslag genomen. Idris reisde via Griekenland opnieuw naar Egypte waar hij politiek asiel kreeg. Hij verbleef hier tot zijn dood op 25 mei 1983. Hij werd uiteindelijk begraven in de Saoedische bedevaartsplaats Medina (Saoedie-Arabië). Hasans zoon – prins Mohammed – is nu een van de degenen die claimt de meeste rechten te hebben op de troon. Ook een verre neef – de playboy prins Idris al-Senoessi – maakt aanspraken maakt op de troon.
Andere afgezette Arabische koningen
Egypte
Faroek 1. Koning van Egypte van 1936 tot 1952. Hij volgde zijn vader Foead 1 op. Tijdens de Tweede Wereldoorlog stond zijn populariteit al onder druk omdat hij te veel partij koos voor de Britten. De stichting van de staat Israel leidde tot een verdere ondermijning van zijn populariteit. Een stofwisselingsziekte leidde tot grote overgewicht. Daarnaast leed de koning aan kleptomanie, hetgeen hem de bijnaam de dief van Egypte bezorgde. Hij werd na de staatsgreep van kolonel Nasser in 1952 gedwongen te abdiceren. Zijn enige enkele maanden oude zoon Foead II werd op 26 juli 1952 tot opvolger uitgeroepen, maar een jaar later werd het land een republiek. Faroek en zijn familie vluchtten met een luxe jacht naar Europa. Hij bleef een playboy-achtig leven leidde tot hij in 1965 in Rome stierf. Foead II trouwde in 1976 met de Francaise Paule Madeleine Picardadie daarna de naam koningin Fadila kreeg. Ook de drie kinderen kregen de titel prins en prinses. In 1997 scheidde het echtpaar waarna Foead vijf jaar later zijn vrouw de titel van koningin ontnam. Hij woont sindsdien in een appartement bij Geneve. Hij heeft onder de naam mijnheer Foead al enkele keren Egypte bezocht en is zelfs op televisie geweest. Als gevolg van talrijke soaps over zijn vader Faroek en moeder, de kleurrijke koningin Nazli, is de bekendheid in eigen land gestegen.
Tunesië
Muhammad al-Amin (Mohammed VIII). Bey en koning van Tunesië van 1956 tot 1957. Hij was in 1943 bey (stamleider) geworden van het Tunesische beylik nadat de Fransen zijn neef Mohammed VII hadden afgezet omdat die zou collaboreren met het Vichy-bewind van generaal Petain. Tot 1956 zou hij bey blijven. In dat jaar riep hij zichzelf uit tot koning van een onafhankelijk Tunesië. Maar zijn premier Habib Bourguiba beviel dat niet. Hij wilde ook staatshoofd worden als president en verving de Koninklijke Garde die het Carthage Paleis bewaakte door eigen troepen. Zij sneden alle contact van de koning met de buitenwereld af. Op 15 juli 1957 werd hij onder huisarrest geplaatst en tien dagen later afgezet. Hij mocht in het land blijven, hoewel hij zijn rechten op de troon nooit opgaf. Hij overleed in 1962 en ligt begraven in een eigen koninklijke tombe. Er zijn nog altijd verschillende toonpretendenten, onder wie nazaten van zowel Mohammed VIII als Mohammed VII. Mohammed VII trouwde vier keer, waaronder twee keer met een nicht. Bij de eerste nicht prinses Traki had hij vier kinderen. Met zijn vierde vrouw Lalla Arbiya woonde hij tot zijn dood.
(29-8-2011)
Nederland lijdt al 200 jaar aan de Griekse ziekte
De Griekse staatsschuld ligt ver boven de 60 procent van het bbp die in Europa is toegestaan. Dat is voor Nederland de gewoonste zaak van de wereld.
Ik zou voorstellen: een belasting op de sous-pieds (slobkousen) en het opgestoken haar’, suggereerde een columnist schertsend in 1840. In dat jaar had Nederland een enorme staatsschuld van 2.250 miljoen gulden – 243 procent van het toenmalige bruto binnenlands product (bbp) of ruim 100 procentpunten meer dan Griekenland nu heeft. En de regering overwoog een inkomstenbelasting in te voeren, iets wat het toentertijd krantenlezend publiek absoluut niet zag zitten.
Ook vlak na de Tweede Wereldoorlog kwam de staatsschuld boven de 200 procent. Toen kon het probleem verholpen worden met een hoge groei en een negatieve inflatie. In de jaren negentig van de vorige eeuw werd een heel andere methode gebruikt om de schuld terug te brengen tot onder de EMU-norm van minder dan 60 procent van het bbp: de uitverkoop van staatsbezittingen
Afgezien van twee kleine periodes tussen 1964 en 1983 en 2000 en 2008 is de staatsschuld van het Koninkrijk der Nederlanden in bijna tweehonderd jaar altijd hoger geweest dan de nu door het Groei- en Stabiliteitspact toegestane 60 procent. De staatsschuld was het laagst in 1977 – 39 procent van het bbp – toevallig het laatste jaar van het kabinet-Den Uyl, het meest linkse kabinet in de Nederlandse geschiedenis.
De Griekse ziekte, zoals die wordt genoemd, is voor Nederland net zo chronisch geweest als voor Griekenland nu. Vlak voor de Franse inval in 1795 was het land al zo goed als failliet. De kinderdichter Hiëronymus van Alphen was in die tijd de thesaurier-generaal. ‘Zonder credit, geen geld; zonder geld, geen leger: geen binnenlandse defensie: noch te land, noch te water.’ Het was niet aan dovemansoren gericht. De Fransen vielen het land binnen en Van Alphen moest als overtuigd orangist opstappen.
Tijdens de Bataafse Republiek stopte Nederland definitief met het afbetalen van de staatsschuld, waarna het in 1810 werd ingelijfd bij Frankrijk. Schoon schip kon niet worden gemaakt. Nadat met instemming van Frankrijk Willem I in 1814 de troon van het Koninkrijk der Nederlanden had bestegen, moest Nederland in ruil voor erkenning honderdduizend gulden schadevergoeding betalen.
De ambitieuze koning-koopman begon al met een staatsschuld van 160 procent van het bbp. Toen in 1830 de Zuidelijke Nederlanden een onafhankelijk België uitriepen, moest hij ook nog een leger bekostigen. In 1840 trad Willem I gedesillusioneerd af. De schuld was opgelopen tot 243 procent van het bbp. Van de rijksbegroting van 71 miljoen gulden in 1840 ging 42 miljoen naar het betalen van rente op die schuld.
De nieuwe koning Willem II moest de overheidsfinanciën saneren. Op dat moment waren de accijnzen de belangrijkste belastinginkomsten. Die werden niet alleen geheven op luxegoederen maar ook op primaire levensbehoeften zoals brood. Het arme deel van de bevolking was daardoor de dupe van de bezuinigingen. Ziektes, pauperisme en honger werden in de jaren veertig van de 19de eeuw zulke grote problemen dat de Amerikaanse zaakgelastigde A. Davezac met gevoel voor understatement opmerkte dat ‘de situatie in het koninkrijk verre van welvarend was’. ‘Eenderde van de bevolking krijgt alleen wat voedsel (alleen aardappelen) omdat het meer welvarende deel die uitdeelt.’
De rijke kooplieden en grootgrondbezitters verzetten zich heftig tegen de invoering van een inkomstenbelasting, zoals in Groot-Brittannië al was gedaan. Die vonden dat de koloniale baten maar moesten worden opgevoerd. En door Nederlands-Indië uit te persen lukte het ook 17 miljoen gulden aan extra inkomsten voor de schatkist te genereren. Het was echter onvoldoende.
‘Onregtvaardig’
Minister van Financiën Jan Jacob Rochussen opperde een successieheffing, waardoor de belastingdruk iets eerlijker zou worden verdeeld over armen en rijken. Zijn voorstellen werden door de Tweede Kamer verworpen en hij trad af. Zijn opvolger stelde voor de huurwaarde te verhogen, de opcenten op grondbezit te verdubbelen en de invoering van een inkomstenbelasting van 5 tot 10 procent voor ambtenaren. Ook dit werd als ‘onregtvaardig, niet doeltreffend en onstaatkundig’ van de hand gewezen en ook hij trad af.
De nieuwe minister werd de bankier Floris van Hall. Hij wist dat belastingverhogingen niet haalbaar zouden zijn en wilde daarom de uitgaven verminderen. Maar op defensie, onderwijs en andere voorzieningen was niet te korten. De grootste uitgaven waren de rentelasten op de staatsschuld. Hij wilde die verminderen door een nieuwe staatslening uit te schrijven tegen een rente van 3 procent, waarmee de oude leningen zouden worden afgelost. Deze rente lag verder onder de marktrente van die tijd.
Indien de Kamer niet akkoord zou gaan, was een eenmalige belasting op alle bezittingen de enige uitkomst, zo dreigde hij. Dat hielp. Niet alleen de oude en nieuwe koning schreven in op de lening, ook de rijke patriciërs. Uiteindelijk stemde de Tweede Kamer in 1844 in en kon de begroting stukje bij beetje in evenwicht worden gebracht. Pas in 1871 zou de staatsschuld onder de 100 procent van het bbp komen. Van Hall werd niettemin uitgeroepen tot de redder van het vaderland.
De staatsschuld zou tot de Eerste Wereldoorlog tussen de 80 en 100 procent blijven. Ondanks de dure mobilisatie tussen 1914 en 1918 wist Nederland van de oorlog te profiteren (De Nederlandsche Bank wist de goudvoorraad te verdubbelen) en kon de staatsschuld verder worden teruggebracht naar precies 60 procent in 1916.
De crisis van de jaren dertig leidde ertoe dat de staatsschuld opnieuw snel zou oplopen, maar het was uiteindelijk de Tweede Wereldoorlog die het land opnieuw aan de rand van het faillissement bracht. Nederland kwam totaal verarmd uit deze oorlog. In 1946 was de schuld opgelopen tot 224 procent – nog hoger dan de schuld die Willem I na de Franse bezetting erfde. Tegelijkertijd waren enorme bedragen nodig voor de wederopbouw. Niettemin lukte het Nederland dit keer opnieuw de schuld heel geleidelijk af te bouwen. De inflatie stak een helpende hand toe. De spaarzame bevolking zette zijn geld op de bank dat de overheid daar kon lenen tegen een percentage dat onder de inflatie lag – een negatieve rente. Spaarders konden niet uitwijken naar het buitenland; de financiële markten waren nog gesloten door het in Bretton Woods afgesproken systeem van vaste wisselkoersen.
Daarnaast was de groei hoog en waren de begrotingen tot begin jaren zeventig vrijwel altijd in evenwicht. Pas na de eerste oliecrisis in 1973 veranderde dit. Niettemin zou juist in het laatste jaar van dit kabinet de staatsschuld dalen tot het laagste niveau in tweehonderd jaar: 39 procent van het bbp.
Tafelzilver
Tijdens het kabinet-Van Agt/Wiegel liepen de tekorten weer volledig uit de hand en kwam de rente op staatsleningen op 12 ¾ procent. Oorzaak was de tweede oliecrisis en de industriële aftakeling van Nederland. De eerste twee kabinetten-Lubbers keerden het tij. Het tekort werd teruggebracht van 11 naar 5 procent. Niettemin verdubbelde de staatsschuld nog tot 77 procent van het bbp in 1993. Pas daarna kon die door de paarse kabinetten worden teruggebracht tot onder de EMU-norm van 60 procent. Dat gebeurde niet door begrotingsoverschotten te creëren, maar door een uitverkoop van staatsbezittingen. Nederland verkocht het tafelzilver om aan de EMU te kunnen deelnemen.
Het SP-Kamerlid Geert Reuten berekende in 2008 dat ‘tussen 1983 en 2007 het bezit van de overheid was teruggelopen van 45 tot 24 procent van het bbp door onder meer de verkoop van de staatsbelangen in KPN, DSM, Hoogovens, KLM en NOB’.
De kredietcrisis van 2008 was een nieuw breekpunt. De staat moest niet alleen miljarden uitgeven om de banken te redden, ook moest de economie worden gestimuleerd. Een nieuw kabinet moet de schuld weer onder de 60 procent zien te brengen. Het is erg afhankelijk van de economische groei en de inflatie of dat binnen enkele jaren kan, zoals Griekenland moet, of vele decennia duurt, zoals in het verleden in Nederland het geval was.
(1-7-2011)
De comeback van Ma Bell
De Amerikanen zijn trots op de aangekondigde overname van het Duitse T-Mobile door AT&T. Weer een creatie van de pioniers van de Amerikaanse industrialisering uit het slop.


De luchtacties tegen Libië ontlokken weinig warme nationalistische gevoelens bij de Amerikanen, maar over de zakendeal van AT&T wappert trots de Stars & Stripes.‘Een overwinning voor Amerika’, zo beschreef de populaire internetkrant Digital Daily de aangekondigde overname van het Duitse T-Mobile door Ma Bell, zoals AT&T weer liefkozend kan worden genoemd. Voor het eerst sinds AT&T door de anti-trustautoriteiten in 1984 werd opgesplitst in een reeks van kleinere bedrijven – Baby Bells – is het nu weer de grote leidinggevende telecomaanbieder op de Amerikaanse markt, zowel op het vaste als op het mobiele net. ‘Dit is de grootste opsteker voor het Amerikaanse bedrijfsleven in jaren.’
De Amerikanen hebben zich jarenlang een beetje beschaamd gevoeld over hun in verval geraakte concerns. Maar General Electric, General Motors (het eerste echte autoconcern), US Steel en nu ook AT&T zijn allemaal weer de trots van de natie. De bedrijven dateren uit de negentiende eeuw. Het zijn de creaties van de pioniers van de Amerikaanse industrialisering zoals Thomas Alva Edison, Alexander Graham Bell, Andrew Carnegie en William Durant. In de jaren negentig van de vorige eeuw en het eerste decennium van deze eeuw werden ze veelvuldig bijgezet op de zogenoemde rust belt (roestgebied) van de Amerikaanse industrialisering. Maar nu zijn ze terug onder het parool A Good Company Never Dies.
AT&T was eigenlijk in 1984 al ten onder gegaan. In dezelfde periode wist Jack Welch met nieuw elan General Electric uit het slop te trekken. US Steel ging in de jaren negentig als gevolg van de staalcrisis op in de nieuwe onderneming USX en General Motors kon twee jaar geleden alleen met overheidssteun overeind worden gehouden. Nu zijn ze klaarblijkelijk gezond en kan AT&T 39 miljard dollar neertellen voor een overname. AT&T was in de twintigste eeuw de monopolist op de Amerikaanse telefoonmarkt zoals de PTT in Nederland. Al in 1907 werd Grahams Bells bedrijf het monopolie gegund door de Amerikaanse president. ‘Eén beleid, één systeem en één wereldwijde telefoondienst’, zo vonden de autoriteiten. Meteen na de Eerste Wereldoorlog werd de doelstelling vastgelegd dat ieder Amerikaans gezin een telefoon zou moeten hebben met het opschrift: Bells Property. Not for sale.
Het monopolie van AT&T was uiteindelijk niet houdbaar. In de liberaliseringsgolf van de jaren tachtig werd AT&T gedwongen zich op te splitsen en mocht de moeder alleen de lange afstandstelefonie behouden. Al snel groeide een aantal van de Baby Bells uit tot bedrijven die de eigen moedermaatschappij naar de kroon staken. De opkomst van de mobiele telefonie leek de definitieve doodsteek voor AT&T. In 2005 werd AT&T ook overgenomen door de voormalige dochter Southwestern Bell Corporation (SBC). Maar SBC was slim genoeg om nog in hetzelfde jaar de naam AT&T te adopteren omdat nog altijd 95 procent van de Amerikanen dit merk koestert. In 2007 sloot AT&T een contract met de elektronicagigant Apple. AT&T werd de enige provider van de populaire iPhone in de VS. Meteen na de nieuwe overname brak ook kritiek los: een nieuw groot AT&T zou de gezonde concurrentieverhoudingen in de VS weer kunnen verstoren. Net zoals in 1984.
(23-3-2011) Graham Bell
De erfenis van Thomas Alva Edison
Forbes rekende General Electric vorig jaar tot het een na grootste bedrijf in de wereld op grond van marktkapitalisatie, verkopen en bezittingen.

Oprichter is Thomas Alva Edison, de uitvinder van de gloeilamp. In 1890 bracht hij al zijn zakelijke belangen onder in Edison General Electric. Twee jaar later werd het na een fusie General Electric dat in 1896 een van de twaalf bedrijven zou zijn in de allereerste Dow Jones-index. Het bedrijf ging net als Philips allerlei soorten elektronica maken zoals radio’s, televisies en computers. Maar ook hier leek de Japanse concurrentie een Amerikaans bedrijf te machtig te worden. Het was de nieuwe manager Jack Welch die in de jaren tachtig van de vorige eeuw General Electric uitbouwde tot een conglomeraat met elektriciteitscentrales, vliegtuigmotoren, televisiezenders, kunststoffenfabricage, medicijnproductie en zelfs financiële dienstverlening. General Electric werd de uitzondering op de regels dat conglomeraten niet werken en bleef er ook vasthouden toen andere bedrijven in de jaren negentig weer terugkeerden naar hun kernactiviteiten. De kredietcrisis bracht de financiële poot in problemen, maar dankzij de andere activiteiten dreigden nooit verliezen.
De allereerste autofabriek
General Motors mag zich weer het op een na grootste autoconcern ter wereld noemen, nadat het twee jaar geleden bankroet was.
D
e oorsprong van het bedrijf ligt bij het merk Oldsmobile dat in 1899 de allereerste autofabriek van de VS stichtte. Onder de pioniers William Durant en Alfred Sloane werden later merken als Chevrolet, Cadillac, Buick, Pontiac met Oldsmobile samengevoegd tot een groot concern dat General Motors (GM) werd genoemd. In Europa werden in de jaren twintig Opel en Vauxhall overgenomen waarmee de eerste echte automultinational ontstond.
De oliecrisis en de opkomst van de kleine Japanse automerken in de VS leidden ertoe dat GM de verkopen in de jaren zeventig langzaam zag teruglopen. In de jaren negentig was het niet meer de grootste onderneming ter wereld en later werd het door Toyoto overtroffen als de grootste autoproducent. De saneringen en reorganisaties volgden elkaar op. Vanaf 2005 namen de verliezen zo snel toe dat uiteindelijk uitstel van betaling moest worden aangevraagd en de Amerikaanse staat te hulp moest schieten. De schuld was opgelopen tot 300 miljard dollar. Maar door een strategiewijziging en een uitverkoop kwam GM de problemen te boven. In november 2010 ging GM opnieuw naar de beurs. Het verkoopt nu auto’s in 120 landen en is een van de grootste autoproducenten in China.
William Durant
Het eerste bedrijf van meer dan één miljard dollar
U.S. Steel is weer opgeklommen tot het op zes na grootste staalbedrijf ter wereld.
U.S. Steel werd gevormd toen staalpionier Andrew Carnegie in 1901 zijn staalbedrijf voor de toen immense som van 480 miljoen dollar verkocht aan de fameuze bankier John Pierpont Morgan. Morgan maakte door fusies en overnames van het staalbedrijf uit Pittburgh een gigant die de Amerikaanse staalmarkt zou moeten domineren zoals toentertijd Standard Oil van John D. Rockefeller de oliemarkt. Nog negen andere bedrijven werden erbij genomen wat het totaalbedrag op 492 miljoen dollar bracht. Morgan bracht het bedrijf naar Wall
Street. Het was de deal van de eeuw. Met een marktkapitalisatie van 1,4 miljard dollar werd US Steel het eerste bedrijf in de wereld dat meer dan één miljard dollar waard was. Op het hoogtgepunt in de jaren vijftig zouden er 340 duizend mensen werken. Liberalisering en toenemende concurrentie vanuit ondermeer Japan leidden tot de teloorgang van US Steel in de jaren zeventig en tachtig. Het bedrijf begon te experimenteren op nieuwe markten zoals energie en ging tenonder in een nieuwe gigant USX. In oktober 2001 werd het weer afgesplitst als staalbedrijf en werd de naam US Steel in ere hersteld. Zes jaar later kon het bedrijf door de overname van een grote Canadees bedrijf opnieuw de leidinggevende staalproducent in Noord-Amerika worden.
Andrew Carnegie
TOEN NOG HET KIELE KIELE KOEWEIT KLONK
Het is het carnaval van ‘Kiele Kiele
Koeweit’, de hit uit het satirische tv-programma Farce Majeure. Terwijl Nederland in 1974 met de autoloze zondag wordt geconfronteerd, staan de bouwbedrijven in de startblokken om zaken te doen in de Arabische wereld.
Nederland mag dan het doelwit zijn van een Arabische boycot vanwege zijn innige banden met Israël, ondernemend Nederland kijkt begerig naar de petrodollars die in steeds grotere hoeveelheden naar het Midden-Oosten stromen. Sjeiks, sultans en koningen willen havens, vliegvelden, wegen en nieuwe steden aanleggen. En niemand kan dat beter dan de Nederlandse bouwers.
‘Maar jullie moeten de Arabieren wel tegemoet komen. Als we dat doen, ontdekken we misschien wel interessante dingen van elkaar en zal het een betere wereld worden’, zegt de Saoedische olieminister sjeik Yamani, die in die jaren bekender is dan menig Nederlands minster.De wederopbouw van Nederland is voltooid, net als de Zuiderzeewerken en het gasleidingennet vanaf Slochteren.
Farce Majeure: Kiele Kiele Koeweit Weg naar Bahrein
Zelfs de Deltawerken, die de Nederlandse bouwsector het imago van de meest vernuftige van de wereld hebben opgeleverd, beginnen op hun einde te lopen.
Nederland heeft dankzij deze projecten de grootste bouwconcerns in de wereld: de Hollandsche Beton Groep, Brederode (de aannemer van Hoog Catherijne), de Koninklijke Adriaan Volker, de Stevin Groep, Boskalis en Ballast Nedam. Scheepsbouwer RSV en electriciteitsbedrijf OGEM zijn bezig te diversificeren in die markt.
In 1975 haalt Ballast Nedam het eerste project van meer dan een miljard gulden binnen. Daarna volgen voor tientallen miljarden projecten. Philips levert telecommunicatievoorzieningen, HBG bouwt King Fahd City, Volker Stevin baggert een haven uit en Ballast Nedam bouwt zevenhonderd gebouwen en hangars voor de Saoedische luchtmacht.
Niemand praat over smeergeld, want dat hebben de Nederlanders niet nodig. Goodwilltrips vinden wel continu plaats. Zo reist toenmalig premier Lubbers met een massief gouden tulp in een bokaal van kristal als cadeau voor koning Fahd naar Riyad. En elfduizend echte tulpen om de andere hoogwaardigheidsbekleders te paaien. ‘Was the imam a religious or a political leader?’, vraagt Lubbers na een van de bezoeken.
Nederland heeft er veel voor over om bij de Arabieren in het gevlei te komen. Als de orderstroom even opdroogt, wordt in 1980 onder Arabische druk de ambassade in Israël verplaatst van Jeruzalem naar Tel Aviv. ‘Dat is een enorme oppepper voor de Nederlandse zakenrelaties met de Saoedi’s’, meldt de Financial Times. Ballast Nedam mag voor 564 miljoen gulden een weg aanleggen van Bahrein naar Saoedi-Arabië.
Berend-Jan Udink, een voormalig minister die baas van OGEM is, haalt een order van 1,35 miljard gulden voor de bouw van een complete stad bij Damman in de Saoedische woestijn. Verdeeld over 32 woontorens, worden 1.700 appartementen gerealiseerd. De gebouwen worden volledig in prefab aangevoerd vanuit Nederland in speciaal daarvoor aangepaste schepen. De wanden worden rechtop en de vloeren liggend vervoerd. De rest van de wereld kijkt ademoos toe. RSV, reeds noodlijdend, kondigt aan energiecentrales in Algerije te gaan bouwen. Pas begin jaren tachtig komt Nederland bij zinnen. Het Algerijnse project van RSV is een fiasco en OGEM gaat aan wanbeheer ten onder. De andere bouwers gaan baggeren en bouwen in Kranen in Damman andere markten totdat aannemers uit opkomende landen de projecten goedkoper aanbieden.
(26-2-2011)
De geschiedenis van het industriebeleid
HET ZWALKENDE INDUSTRIEBELEID VAN NEDERLAND
Peter de Waard
Industriebeleid wordt in Nederland als toverrecept voor elke crisis aangedragen. Maar zo gauw het weer iets beter gaat, wordt er niets meer van gehoord. ‘In Nederland heerst de sfeer van anti-industrialisatie’, zei Joop den Uyl in 1979. ‘In Duitsland is een echte baan een baan in de industrie. In Nederland niet.’
Het probleem is dat Nederland nooit een industrieland is geweest en eigenlijk ook nooit heeft willen zijn. Waarschijnlijk zit Nederland daardoor zo vaak in de knoop met het industriebeleid. Keer op keer kondigen ministers ambitieuze plannen aan zonder dat daar veel mee wordt gedaan. Meestal zijn het vooral woorden en geen daden. Behalve vlak na de Tweede Wereldoorlog toen via de Marshall hulp drie miljard gulden in het potje werd gestort voor de wederopbouw, werd er ook nooit echt geld beschikbaar gesteld voor een actieve industriepolitiek. Wel werden er miljarden in een bodemloze put gestopt om het lijden van bedrijven die tot de ondergang waren gedoemd te redden.
Industriebeleid past ook niet in de Nederlandse ziel. Als handelsnatie met een open economie schuwen Nederlanders het stimuleren of afschermen van de industrie zoals de Fransen of de Japanners. Daarnaast zijn Nederlanders in de woorden van voormalig minister van Economische Zaken Koos Andriessen – een van de grote voorgangers van het industriebeleid - vooral een ‘alfa en gamma volk’. En industriebeleid kan niet zonder beta-mensen en technologie.
Dit betekent niet dat industrie in Nederland nooit in hoog aanzien heeft gestaan. Als Nederland uit een crisis moet komen is industrialisatie bijna altijd het toverwoord. Chauvinisme is daarbij ook Nederland niet vreemd.
Koning Willem I was na de Franse bezetting de eerste die het industriebeleid op grote schaal aanpakte. Aanvankelijk werd de industrie vooral geconcentreerd in de zuidelijke Nederlanden. Toen die zich van het noorden afscheidden in het nieuwe land België, werden ook hier complete industrietakken met overheidsgeld van de grond getild. Het bekendste voorbeeld was de textielindustrie in Twente – een agrarisch gebied waar toen al veel kleine huishoudelijke nijverheid aanwezig was.
Nadat Napoleon bij Waterloo werd verslagen en de Fransen het land verlieten, bleek slechts 0,4 procent van de Nederlanders in een zogenoemde industrie te werken. De volgende Oranje vorsten noch de 19de eeuwse regeringen deden veel aan industriepolitiek. Dat Nederland een industrie kreeg was te danken aan een handvol pioniers. Charles Stork die met textiel begon, wist een machine-industrie in Nederland te vestigen, Van den Bergh en Jürgens legden de basis voor een margarine-multinational en Gerard Philips voor een gloeilampenfabriek.
In de Eerste Wereldoorlog bleef Nederland neutraal. Maar als gevolg van een economische blokkade ontstonden van alle kanten tekorten. Dat was een van de redenen voor het kabinet Cort van der Linden – de laatste liberale premier voor Mark Rutte - om een industriebeleid te ontwikkelen. Het leidde tot de oprichting van Hoogovens in IJmuiden, zodat Nederland in de toekomst niet meer afhankelijk zou zijn van het buitenland voor de aanvoer van het onmisbare ijzer en staal. Hoogovens zou overigens na talrijke tegenslagen pas in 1924 met de productie beginnen. In de crisisjaren dertig stond niet zozeer industriebeleid als wel werkverschaffing centreaal.
Een echt structurele industriepolitiek ontstond pas na de Tweede Wereldoorlog waarin bijna 40 procent van het industrieel potentieel van Nederland was vernietigd. Eerst probeerde Nederland de schade te herstellen en de betalingsbalans weer op orde te brengen. In 1949 verscheen de eerste ‘Nota inzake de industrialisatie van Nederland’ van de toenmalig minister van Economische Zaken Jan van den Brink en zijn directeur-generaal Albert Winsemius. Er zouden tot 1963 nog acht van de industrienota’s volgen. De bevolking moest in de woorden van Van den Brink ‘industrierijp’ worden gemaakt. In de nota’s stonden duidelijke kwantitatieve doelstellingen met betrekking tot industriële productie, werkgelegenheid en investeringen, net zoals in de planeconomieën van het toenmalige oostblok. De KVP’er Van den Brink wilde dit afhankelijk stellen an private economische beslissingen, coalitiepartner PvdA gaf de voorkeur aan overheidsdirigisme.
Dankzij de Marshall-hulp, het geleide loon- en prijsbeleid kon de industrie worden opgebouwd, buitenlandse industrieën worden aangetrokken en de doelstellingen worden gehaald. De breuk kwam met de loongolf van 1963. De teloorgang van de industrie werd door de toenemende concurrentie van lage lonenlanden als Japan onontkoombaar. In 1972 kwam minister Langman van Economische Zaken met zijn zogenoemde herstructureringsbeleid – een langzame afbouw van industrietakken die niet meer concurrerend waren. Dit zou worden gereguleerd via overheidssubsidies. Uiteindelijk verdwenen miljarden aan overheidssubsidies in een bodemloze put wat eindigde in het RSV-debacle.
Langmans opvolger minister Lubbers van Economische Zaken publiceerde in 1976 zijn geruchtmakende ‘Nota Inzake de Selectieve Groei’. De overheid zou door sturing van particuliere investeringsbeslissingen de economische groei in een gewenste richting moeten sturen. Er zouden industrieën moeten ontstaan die energiezuinig waren, weinig milieubelastend en pasten in de Nederlandse kleinschaligheid. Eigenlijk moest Nederland niet veel meer hebben van zijn zware petrochemische en staalindustrie.
Het herstructureringsbeleid werd pas met de komst van minister Gijs van Aardenne in het kabinet Van Agt/Wiegel na 1977 aangepast. De defensieve strategie van het in leven houden van verliezende bedrijfstakken via staatssubsidies – backing losers – moest worden omgebogen in een offensieve van het selecteren van nieuwe groeisectoren – picking winners.
Een commissie onder leiding van Shell-topman Gerrit Wagner kwam daarop met 14 sectoren die haar ogen zeer kansrijk waren, de zogenoemde aandachtsgebieden. Het omvatte bijna de gehele Nederlandse industrie. Jaarlijks zou daar zeven miljard gulden in moeten worden geïnvesteerd waarvan 2 miljard afkomstig zou zijn van de overheid.
In de kabinetten Lubbers moest echter drastisch worden bezuinigd. De no-nonense politiek leidde ertoe dat er van verbreding van de industrie niet veel meer terecht kwam. Nederland concentreerde zich op bestaande sectoren als de chemie en de voedingsmiddelenindustrie. De overheid trok zijn handen van het bedrijfsleven af door bedrijven (DSM, Postbank, PTT) te privatiseren. Pas minister Koos Andriessen zou in 1990 met de nota Economie met Open Grenzen weer een soort van industriebeleid in gang zetten – geen grote geldbuidels meer maar matiging van kosten en lasten en minder overheidsregels. Niettemin gaat de overheid zich weer even fors bemoeien met de industrie. Na de teloorgang van Fokker en DAF Trucks besluit de staat zelfs weer het overheidsaandeel in Hoogovens en KLM te verhogen. Ook worden subsidies gegeven aan innovatieve bedrijven. In de zomer van 1992 werd een nieuw industriefonds opgezet, waaruit bedrijven geld zouden kunnen putten voor onderzoek naar en ontwikkeling van kansrijke produkten. Met veel moeite wist banken, verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen begin 1993 zo ver te krijgen dat ze samen borg stonden voor 880 miljoen gulden risicodragend kapitaal. In de nota wordt expliciet gewezen op het gebrek aan industriële traditie in Nederland. In tegenstelling tot Duitsland hebben Nederlanders weinig op met de industrie, wat ook blijkt uit het geringe aantal jongeren dat een technische opleiding kiest.
Na 1999 maakt de overheid weer een terugtrekkende beweging. Nu is het minister Jorritsma die de ommezwaai in gang zet met twee nota’s – een industriebrief en ICT-nota – waarin de overheid zich weer terugtrekt en staatssteun wordt afgezworen. Pas als de crisis in 2008 uitbreekt en de staat de banken moet gaan helpen, duikt het woord industriebeleid weer op, Met de dreigende ondergang van Organon in 2010 wordt het zelfs weer actueel en wordt opnieuw gesproken van aandachtsgebieden. Oude wijn in nieuwe zakken.
(8-2-2011)
1830-1860 In 1830 werkt slechts 4 procent van de Nederlanders in bedrijven met tien of meer werknemers. Na afscheiding België probeert Nederland zelf ook te industrialiseren. Zo ontstaan de textielindustrie in Twente en Brabant. Daarnaast bouwen pioniers als Charles Stork (machines) voor het eerst industriële bedrijven op
1860-1914 Nederland ziet zichzelf vooral als koloniale mogendheid en handelsland. Concentratie op de handel met het Duitse en Belgische industriële achterland
1914-1930 Eerste Wereldoorlog en blokkade leidt tot besef dat Nederland naast eigen landbouw ook eigen industrie moet hebben. Staat helpt bij ontwikkeling staal- en auto-industrie.
1930-1945 Crisis en Tweede Wereldoorlog.
1945-1963 Marshall-hulp en herindustrialisatie, geholpen door stringent loon- en prijsbeleid. In 1952 worden door minister Van den Brink taakstellende schema’s opgesteld. Staat investeert ook zelf in bedrijven zoals breedbandwalserij Hoogovens
1963-1975 Snelle teloorgang Nederlandse industrie vanwege concurrentieverslechtering door loonstijgingen. Overheid probeert via regionaal stimuleringsbeleid werkloosheid te bestrijden.
1975-1980: Defensief industriebeleid, gebaseerd op zogenoemde herstructeringsbeleid (Nehem) – gericht op geleidelijke afbouw industriële sector Noodlijdende bedrijven worden geholpen met overheidssubsidies wat eindigt met het RSV-debacle. Nota inzake de selectieve groei van minister Lubbers: industrialisering moet worden afgewogen tegen andere zaken als energie en milieu.
1980-1984: Nederland moet zich richten op hoogwaardige kennisintensieve industrieën vanwege de opkomst van lage lonen-landen. Kabinet lanceert MIP (Maatschappij Industriële Projecten) en investeringsregelingen WIR en SIR. Daarnaast moet Nederland vooral een dienstensamenleving worden. Rotterdam aangewezen als poort van Europa.
1984-1990: Op advies commissie Wagner beperkt de overheid zich tot voorwaardescheppend ‘no-nonsese’ industriebeleid.. Staat moet zelf geen geld meer in industrie steken. Nederlandse regering privatiseert DSM, Postbank en PTT
1990-1999 Reveil voor nieuw industriebeleid. Nota Economie met Open Grenzen van minister Andriessen. Nederlandse staat vergroot belang in Hoogovens en KLM nadat Fokker en DAF Trucks ter ziele zijn gegaan na buitenlandse overnames. Extra aandacht voor technologiebeleid via verhoging subsidies en gunstig ondernemersklimaat
1999-2008 Industriebrief en ICT-brief van minister Jorritsma (Paars 2): Nederland moet goede randvoorwaarden door het scheppen van een vrije marktontwikkeling en het bevorderen van het aanpassings- en vernieuwingsvermogen in de industriële en dienstensector. 'Sterke overheidsbemoeienis', 'selectief groeibeleid', 'grootschalige steunoperaties' en 'directe sturing van de industriële ontwikkeling' zijn vormen van ongewenst interventionisme.
2008-2011 Nieuwe crisis leidt tot oproep om opnieuw industriebeleid te gaan voeren. Dreigende Organon-sluiting maakt debat actueel.
Peter de Waard
Kan Philips beter de consumentenelektronica opgeven? Opnieuw wordt de vraag opgeworpen. Als sinds het begin van de jaren tachtig willen beleggers dat Philips de produktie van beeld- en geluidsapparatuur opgeeft, omdat het niet concurrerend zou zijn. Vorige week bleek bij de presentatie van de cijfers over het 4e kwartaal van 2010 dat Philips verlies lijdt met de produktie van televisies.
Beleggers vinden dat Philips eigenlijk het best zou moeten worden opgesplitst in de drie onderdelen die nu nog resteren van het ooit zo omvangrijke conglomeraat: Healthcare, Lightning en Consumerlifestyle. Philips zou weer terug moeten naar zijn oorsprong: de gloeilampenfabriek uit het zuiden van het land.
Auteur Marcel Metze die drie boeken schreef over de geschiedenis van Philips, kan niet zoveel voordelen zien. ‘Er wordt al dertig jaar over gepraat. Maar het is vooral een wens van aandeelhouders die de opbrengst wel willen cashen. Maar daar is geen concernbelang mee gemoeid. Dat zou er alleen zijn als de opbrengst van de andere twee onderdelen zou worden gebruikt voor investeringen in het overblijvende onderdeel. Dat zou toegevoegde waarde kunnen creëren, maar ik zie daarvoor geen strategische plannen klaar liggen.’
Metze denkt dat Philips nu nog beter af is als conglomeraat. Als het slecht gaat in een onderdeel, bijvoorbeeld licht, kan dat worden gecompenseerd door de andere onderdelen: consumentenprodukten of medische apparatuur.
De Volkskrant heeft de resultaten van deze drie onderdelen sinds 1980 op een rijtje gezet. En die lopen gek genoeg nauwelijks veel uit elkaar. Van 1980 tot en met 2010 (in totaal 31 jaar) bedroeg het bedrijfsresultaat van Philips per jaar gemiddeld 1137 miljoen euro, in totaal een bedrag van 35 miljard euro. De nettowinst kwam nog iets hoger uit vanwege de hoge boekwinsten die het concern maakte op de verkoop van bedrijfsonderdelen zoals ondermeer witgoed, halfgeleiders, telecom, PolyGram en BSO Origin. Het bedrijfsresultaat van Licht kwam per jaar uit op gemiddeld 409 miljoen euro, dat van consumentenlifestyle (van televisies en cd-spelers tot koffiezetmachines en scheerapparaten) op 368 miljoen euro en dat van medische apparatuur (voor 1997 inclusief professionele apparatuur) op 325 miljoen euro.
Consumentenelektronica is van deze onderdelen veruit het meest volatiel. Hoge winsten wisselen zich af met forse verliezen. Licht is de meest stabiele inkomstenbron. ‘Maar dat hoeft niet altijd zo te blijven. Als een concurrent met een nieuwe revolutionaire techniek komt, kan die markt ineens geheel draaien’, aldus Metze.
De divisie consumentenelektronica is al veertig jaar doelwit van speculaties. In de jaren zeventig – toen de divisie nog RGT heette (Radio Grammofoon Televisie) – en de jaren tachtig – toen werd gesproken van Beeld en Geluid – werd al geopperd te stoppen met de productie van radio, televisie en hifi. In 1983 en 1984 raakte de divisie al diep in de rode cijfers door de concurrentie van Japanse fabrikanten. Philips vond zichzelf technisch superieur maar kon niet tegen de marketingkracht van de gezamenlijke Japanse elektronica-industrie (Sony, Toshiba, Matsushita mer de merken Panasonic en JVC, Sharpen Hitachi) op. Topman Wisse Dekker besloot in 1985 zelfs veertig journalisten op kosten van Philips naar Japan mee te nemen om te laten zien hoe deze fabrikanten zich schuldig maakten aan dumping.
De cd was met de cassettedeck misschien wel de belangrijkste vinding van Philips. Daarna ging het bergafwaarts met de introductie van nieuwe producten. Na Video 2000 werd ook de beeldplaat een fiasco. Onder topman Jan Timmer in de jaren negentig werden voor het laatst met weinig succes nieuwe vindingen gelanceerd als de digitale cassette en de cd-I. Daarna gaf Philips het min of meer op. De allerlaatste grote vinding was de samen met Douwe Egberts ontwikkelde Senseo. Metze: ‘Alle grote vindingen van Philips dateren uit een grijs en ver verleden.’
Fundamenteel daarbij was dat Philips in de jaren tachtig zowel uit de telecommunicatie als uit de computerindustrie was gestapt. Eind jaren negentig kwamen de nieuwe doorbraken allemaal uit die sector: iPod, digitale camera’s, MP3-speler, smartphone, iPad. Philips miste op die terreinen de know-how. Kleisterlee gooide min of meer de handdoek in de ring door ook de divisie componenten te verkopen. Voormalig directeur Leo Groosman betreurt dit nog altijd. ‘Al onze apparaten zijn gebaseerd op micro-elektronica en software of het nu een mobiele telefoon of een scheerapparaat is. Dus daar moet je gewoon in actief zijn. Ik vind het nog altijd jammer dat Philips de productie van componenten heeft opgegeven en ook BSO/Origin heeft verkocht. Je lever je daardoor uit aan de leveranciers van onderdelen.’
Maar net zo min als Metze ziet Groosman een reden nu Philips ook maar verder op te splitsen. Consumentenproducten en medische apparatuur liggen dichter bij elkaar dan iedereen denkt. ‘Ademhalingsapparatuur, bloeddruk meters, bloedsuikermeters – al die dingen zijn ook gericht op consumenten. In de toekomst zullen ze door de vergrijzing op de nachtkastjes van de consumenten zijn te vinden.’
Groosman herinnert zich dat hij in 1987 een opdracht kreeg van toenmalig topman Cor van der Klugt om bij de presentatie de divisie Licht in een apart schema te zetten. ‘Van der Klugt dacht erover die te verzelfstandigen. Maar de toenmalige directeur van de lichtdivisie was woedend. Van der Klugt kwam er uiteindelijk op terug.’
Als Philips stopt met consumentenelektronica dan is de wereldmarkt voor audiovisuele apparatuur geheel in Aziatische handen en vooral in Japanse handen. Sony, Matshushita, Hitachi, Sharp, Toshiba zullen samen met bijvoorbeeld het Koreaanse Samsung de technologische vooruitgang kunnen reguleren en de prijzen kunnen bepalen. Dat is goed voor hun winsten maar slecht voor de consumenten. Ten tweede is Philips wereldwijd nog altijd een groot merk. De waarde daarvan wordt een stuk minder als het bedrijf alleen nog in medische apparatuur actief is. Ten derde raakt Nederland als kennisland een groot stuk innovatie kwijt als Philips opsplitst. ‘Als je fundamenteel research wilt doen, heb je een brede onderneming nodig – een concern dat op zoveel terreinen actief is’, zegt Metze.
Dat Philips het zo lang heeft kunnen bolwerken tegen de gezamenlijke Aziatische concurrentie heeft veel te maken met de flexibiliteit die het heeft betracht. Het personeelsbestand is sinds 1980 teruggelopen van 370 duizend tot nog geen 120 duizend. Daarnaast worden continu fabrieken verhuisd naar de plekken waar het op dat moment het goedkoopst werken isEn het uiteindelijke product is Nederland, ook als het in Indonesië of Mexico van de lopende band rolt. Philips moet daarom volgens Metze en Groosman ook op de consumentenmarkt actief blijven. De BV Nederland is meer dan het belang van de beleggers.
Belangrijke data:
HET H-WOORD VALT AL 120 JAAR
Peter de Waard
De hypotheekrenteaftrek is zo Nederlands als schaatsen op natuurijs. Nu wordt gesproken over afschaffing. Maar dat is b
epaald niet voor het eerst. 'Het was de enige keer dat ik in het kabinet een onaanvaardbaar heb uitgesproken', herinnert Hans Wiegel (VVD) zich. In 1978 diende CDA-staatssecretaris voor Financiën Ad Nooteboom een wetsvoorstel in waarbij de hypotheekrenteaftrek voor bedragen boven de 540 duizend gulden (250 duizend euro) werd beperkt tot de helft. Nooteboom - een voormalig belastinginspecteur en liberale CDA'er - wilde eigenlijk af van de belastbare eigen woning. 'Het hinkte op twee benen'', zegt hij. 'Het huurwaardeforfait werd bij het inkomen geteld, maar de betaalde hypotheekrente ging eraf. Het probleem was toen al dat die laatste veel meer steeg dan de eerste.'
De CDA-ministers steunden hem. Maar de VVD'ers kwamen in opstand. 'Ik herinner mij nog dat een van de ministers riep dat mensen met dure huizen grote culturele en maatschappelijke verdiensten hadden. Ik zei: dat is mooi, maar dan wel op eigen kosten. Uiteindelijk heb ik de kwestie in de ministerraad op tafel gegooid. Gaat het om de techniek of om het principe? Is het politiek onverteerbaar? Toen zei Wiegel: ik wil het niet.' Wiegel nu: 'Namens het VVD-smaldeel heb ik toen gezegd dat we uit het kabinet zouden stappen als de ministerraad er in meerderheid voor zou stemmen.'
Toenmalig premier Dries van Agt kan zich de dag nog herinneren.'Het was echt spannend. Ik heb de knoop doorgehakt: als we dit door de strot van de VVD zouden duwen, was het einde van de coalitie in zicht, heb ik gezegd.' Het was niet de eerste vergeefse poging en zeker niet de laatste om de hypotheekrenteaftrek aan banden te leggen. Dat het taboe over het H-woord deze verkiezingscampagne wordt doorbroken, is niet juist. Het H-woord is misschien wel het oudste beladen woord in Den Haag. Er wordt al 120 jaar over gesproken. En niet alleen linkse partijen hebben het ter discussie gesteld, ook christen-democraten (Ruud Lubbers, Hans Hillen, Frans Andriessen en Ad Nooteboom) en tegenwoordig ook liberalen (Ben Verwaayen). Maar de onbeperkte hypotheekrenteaftrek is even Nederlands als schaatsen op natuurijs. In het land van de coalitieregeringen en consensus stuit iedere beperking wel op een veto van een van de partners. Iedereen weet dat de aftrek eens zal moeten sneuvelen. Geen enkel ander land in Europa kent de onbeperkte aftrek, maar in Nederland staat het al meer dan een eeuw als een huis.
De aftrekmogelijkheid was een gevolg van de eerste belastingherziening in 1893. Tot die tijd kende Nederland alleen indirecte belastingen als accijnzen op allerlei producten als suiker, zeep en meel. Omdat die voor iedereen even hoog waren, vormden ze voor de arme bevolking een zware last. 'Hervorming van het onbillijke belastingstelsel is een dringende eis der rechtvaardigheid', zei koningin-regentes Emma daarom in de troonrede van 1891. Het kabinet-Van Tienhoven ging het stelsel wijzigen. Nicolaas Pierson, die later ook nog premier en president van De Nederlandsche Bank zou worden, introduceerde als minister van Financiën de inkomstenbelasting.
Nederlanders zouden een heffing moeten betalen over hun inkomen. Behalve lonen vielen daaronder ook huren. Huizen waren tenslotte bezittingen waarmee geld kon worden verdiend. En wie in een eigen huis woonde, spaarde huur uit. Daarvoor werd een fictief bedrag ingesteld - het zogenoemde huurwaardeforfait. De gegoede klasse was niet van deze aanslag op het inkomen gediend. In 1894 werd een Vereeniging tot het Weigeren van Belastingbetaling opgericht. Pierson werd zelfs de toegang tot de Haagse sociëteit De Witte ontzegd. Omdat de inkomsten van de woning werden belast waren echter ook de kosten aftrekbaar. Dat gold zowel voor het onderhoud als de kosten voor de financiering. Vanaf het begin waren die kosten hoger dan de opbrengsten en sinds die tijd kost de belasting op het woninggenot de Nederlandse staat meer dan het oplevert. Voor vrijwel iedere Nederlander resteert een negatieve opbrengst. In de nieuwe Wet op de Inkomstenbelasting van 1914 werd dat nog eens bevestigd, net als in die van 1964.
In de eerste decennia van de nieuwe eeuw konden de 'kleine luyden' het fiscale voordeeltje echter niet meepakken. Een eigen woning was voor veruit de meeste Nederlanders nog veel te hoog gegrepen. Wie bij een bank een hypotheek wilde hebben, moest eenderde van het bedrag zelf inbrengen. Het bevorderen van het eigenwoningbezit stond niet hoog op de agenda. Zowel de christelijke partijen als de socialistische SDAP wilden vooral huurwoningen bouwen. In 1945 was het eigenwoningbezit nog maar 28 procent. Pas na de oorlog kwam de omslag. KVP en ARP vonden dat eigenwoningbezit goed was voor het volk. Het zou spaarzin en verantwoordelijkheidsgevoel bevorderen. Maar de PvdA was in 1952 nog fel tegen: 'Gemeenschappelijk bezit van woningen door tussenkomst van een woningbouwvereniging is een hogere vorm van bezit.' Pas eind jaren zestig ging de PvdA om. Tijdens het linkse kabinet-Den Uyl riep D66-minister Hans Gruyters van Volkshuisvesting zelfs dat Nederland zou moeten komen tot een Belgische situatie: eenderde huurwoningen, tweederde eigen woningen, iets wat overigens in 2010 is gerealiseerd.
Maar meteen werd ook de aftrekbaarheid van de hypotheekrente ter discussie gesteld. De mensen met de hoogste inkomens konden voor de aankoop van de eigen woning 73 procent lenen op kosten van de fiscus - het hoogste belastingtarief in die tijd. De aftrekbaarheid van andere rentekosten zoals consumptieve kredieten werd in die tijd aan banden gelegd. In 1976 besloot de Hoge Raad in een arrest dat de hypotheekrente onbeperkt aftrekbaar was. Niet alleen de PvdA vond dat onacceptabel, ook binnen het CDA was er kritiek. Mensen met een hoog inkomen zouden 'op kosten van de fiscus boten en tweede woningen kopen' - een exces dat zou moeten worden bestreden. In het kabinet-Van Agt/Wiegel, dat in 1977 het kabinet-Den Uyl opvolgde, was er veel sympathie voor. Maar uiteindelijk kon voor het voorstel van een halvering van de aftrek voor hypotheken boven de 540 duizend gulden geen meerderheid worden gevonden. Nooteboom: 'Ik kan mij herinneren dat ik felle discussies in de Kamer had met Hans Kombrink, die toen financieel woordvoerder was van de PvdA. Hij had een heel goede inbreng. Maar de PvdA wilde een hoger forfait. Ik wilde geen forfait maar dan ook geen aftrek. Eigenlijk was dat een links idee. Maar daar schaam ik mij niet voor.'
In het kabinet-Van Agt II - met PvdA en zonder VVD - werd het voorstel nieuw leven ingeblazen en aangescherpt. Hypotheekbedragen boven de 430 duizend gulden (200 duizend euro) zouden niet meer aftrekbaar mogen zijn, vonden de coalitiepartners. Maar Van Agt II sneuvelde al na negen maanden, waarna Lubbers de nieuwe premier werd in een regering met de VVD. Het CDA wilde eerst het voorstel van voormalig PvdA-staatssecretaris Kombrink er nog doordrukken. Maar in 1982 stortte de huizenmarkt in en vond de partij dat de risico's te groot waren. 'Niemand ziet in het kopen van een woning nu meer een methode om vermogenswinst te behalen', constateerde het CDA. 'De maatschappelijke en juridische gronden voor een beperking van de aftrek zijn komen te vervallen.'
Maar daarna stegen de woningen weer in prijs. In 1990 deed heel onverwacht toenmalig premier Lubbers de suggestie de hypotheekrenteaftrek te beperken. Tegenover collega-ministers stelde hij voor nog maar tweederde van de rente aftrekbaar te maken. Het zou 2 miljard gulden aan bezuinigingen opleveren. Maar CDA-fractieleider Eelco Brinkman en PvdA-fractieleider Thijs Wöltgens brachten de suggestie meteen om zeep met het argument dat in het regeerakkoord voor CDA en PvdA 'duidelijk staat dat geen afbreuk zou mogen worden gedaan aan de stimulering van het eigenwoningbezit'. Lubbers zag dat Nederland zich met de onbeperkte hypotheekrenteaftrek in Europa isoleerde, omdat geen enkel ander land die mogelijkheid kende. In 1991 besloot Zweden - toen een voorbeeldnatie voor Nederland - een einde te maken aan de onbeperkte aftrek. Het IMF en de OESO suggereerden keer op keer dat ook Nederland er eens een einde aan zou moeten maken. Maar de politiek aarzelde, zeker toen in Zweden de huizenprijzen na de ingreep met 30 procent daalden. Dat mocht niet gebeuren. Er was ook geen eensgezindheid over een andere methode, zoals een beperking van de renteaftrek voor duurdere woningen. Het leverde weinig op, maar zou bij het electoraat de schrik om het hart doen slaan.
In de paarse kabinetten-Kok kwam de hypotheekrenteaftrek keer op keer weer ter discussie. Maar de VVD wilde er niet van weten en de PvdA was bang dat de ongesubsidieerde bouw zou instorten. 'Organiseer een meerderheid voor de afschaffing van de hypotheekrenteaftrek en er valt over te praten', zei minister Melkert van Sociale Zaken in 1996. Toen was er in tegenstelling tot nu echter een meerderheid op tegen. Bij de PvdA was de angst voor onvriendelijke Telegraaf-koppen diepgeworteld. Toen de PvdA-Kamerleden Rick van der Ploeg en Adrie Duijvesteijn de nota De ongedeelde stad presenteerden, waarin werd gesteld dat de financiële bevoordeling van huiseigenaren in het parlement ten onrechte een thema non grata was,, kopte de wakkere krant meteen: 'PvdA: hypotheekrenteaftrek beperken'. De fractie stond op zijn achterste benen. 'Een goudgerande manier om weer in de oppositie te belanden', zo werd gebriest. Van der Ploeg betoogde dat de normale hypotheken niet zouden worden aangepakt, alleen de luxe. Maar hij werd door de eigen partij in de hoek gezet. Premier Kok: 'Bij mij zijn de middeninkomens veilig.'' Zowel staatssecretaris Willem Vermeend als D66-staatssecretaris van Volkshuisvesting Dick Tommel sloot zich erbij aan. ''Weet Van der Ploeg wel dat alle voorstellen over beperking zijn afgestemd op PvdA-congressen?' aldus Vermeend in die tijd. Toen het D66-Kamerlid Francine Giskes in het tv-programma Den Haag Vandaag de suggestie deed voor een beperking, werd ze onmiddellijk door de eigen partij tot de orde geroepen. 'Sorry, ik had tevoren niet met de fractie overlegd', verontschuldigde zij zich.
Hetzelfde gold voor PvdA-partijvoorzitter Marijke van Hees, die in 1999 nog eens een knuppel in het hoenderhok gooide. 'Over tien jaar bestaat de hypotheekrenteaftrek niet meer', riep zij op het PvdA-congres. In het Europa van de euro zou deze aftrekpost onhoudbaar zijn. Ze verwees naar een gewichtig advies van de Raad van State bij de rijksbegroting van dat jaar: 'Er moet afstemming plaatsvinden van de Nederlandse directe belastingen met die in andere lidstaten van de Europese Unie. Daarbij kan de wijze waarop bij ons de eigen woning in de heffing wordt betrokken niet buiten beschouwing worden gelaten.'Kok en fractievoorzitter Melkert reageerden woedend op de suggestie van Van Hees. 'Hier worden gewone werknemers met een eigen huis de dupe van. Wij zijn de partij van de rechtvaardigheid, niet van de onzekerheid',, stelde Melkert. Niettemin herhaalde het Kamerlid Van Gijzel nog geen half jaar later de woorden van Van Hees. 'Het is geen juiste toedeling van belastinggeld wanneer huizenbezitters met hoge inkomens worden gesubsidieerd.' Uit cijfers bleek op dat moment dat 45 procent van het fiscale voordeel bij de 7 procent rijkste Nederlanders terechtkwam.
Uiteindelijk kon Vermeend samen met minister Zalm (VVD) een akkoord bereiken over een beperking. In 2001 werd een nieuwe Wet op de Inkomstenbelasting van kracht. De aftrekmogelijkheid voor tweede woningen werd afgeschaft en die voor eerste woningen beperkt tot maximaal dertig jaar. 'Voor verdere beperking was toen geen draagvlak', zegt Vermeend nu. De discussie ging door. 'Dat kwam doordat de kosten van het eigen huis explosief bleven stijgen na de introductie van de aflossingsvrije hypotheek, die de annuaïteitenhypotheek verdrong. Hierdoor stegen de schulden razendsnel en werd ons land opgezadeld met de grootste hypothecaire schuldenberg van Europa', zegt Vermeend. De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten waarschuwden hier volgens hem meerdere keren voor. 'De aflossingsvrije hypotheek is een uitvinding van de banken en past niet in ons fiscale stelsel.''In de jaren daarop werd de roep om beperking telkens weer aangezwengeld (onder meer door Nout Wellink van De Nederlandsche Bank, Pieter Korteweg van de Robeco Groep, de CDA-politicus Hans Hillen en D66'er Laurens-Jan Brinkhorst) zonder dat enig resultaat werd geboekt. De crisis en een nieuwe dreigende huizencrisis maakten er een eind aan, tot begin dit jaar het kabinet viel.
(1-4-2010)
Belasting op wonen heeft de Nederlandse staat vanaf het begin nooit iets opgeleverd
Nicolaas Pierson (Liberaal)

Hij vond dat eigen woning een bron van inkomen was.
Hans Gruyters (D66)

Stelde rente al in kabinet-Den Uyl ter discussie.
Ad Nooteboom (CDA)

Hij lanceerde in 1978 plan voor beperking aftrek.
Hans Wiegel (VVD)

Hij noemde plan Nooteboom in het kabinet onaanvaardbaar.
Ruud Lubbers (CDA)

Hij wilde aftrek beperken tot tweederde van hypotheek.
Thijs Wöltgens (PvdA)

Keerde zichtegen plan van premier Lubbers.
Ad Melkert (PvdA)

Eiste een meerderheid in het land voor afschaffing.
Willem Vermeend (PvdA)

Eerst tegenstander, nu voorstander van beperking.
Rick van der Ploeg (PvdA)

Hij kwam ook met een voorstel voor beperking aftrek.
Ben Verwaayen (VVD)

Hij was als VVD'er voor aftrek-beperking.
Verhalen Geschiedeniskrant de Volkskrant en Historisch Nieuwblad
TOEN DE KLINKHAMERS NOG RATELDEN

De NSDM-werf in Amsterdam-Noord in de hoogtijdagen
Peter de Waard
Het was de wereld van de stoere havenwerkers. Sommigen kwamen helemaal lopend vanuit de Zaan of Diemen, andere op de laadruimte van vrachtwagens, de bevoorrechten hadden al een fiets voor het werk. Het complex was zo groot dat de werf 35 portiers in dienst had.
Nu is de kade aan de noordoever van 't IJ het decor van krakers, kunstenaars, ondernemers, horeca-bedrijven, skaters en verzamelaars van cultureel en industrieel erfgoed. MTV Networks heeft er zijn hoofdkantoor en jaarlijks vindt hier het IJfestival plaats naast talrijke andere manifestaties.
Vijftig jaar geleden was hier de Nederlandsche Dok en Scheepsbouw Maatschappij, kortweg NDSM, gevestigd. Jan Cremer beschreef beeldend het ruim honderd hectare grote terrein aan de Klaprozenweg in Amsterdam-Noord .
'Het gonsde en knetterde van de bedrijvigheid, Hier ontstond de wereldindustrie, Het helse lawaai van grote drilboren, geloei van staal op staal, die zich in scheepswanden groefden. Het gebonk en geklop van honderden smidshamers. De schilders die met grote stoffers aan lange bezemstelen de roestige met schelpen bezette bodems van de zeeschepen beteerden en menieden. Het ritmisch slaan van de horde naast elkaar op steigers staande roestbikkers, in een regel van afgeschilderde verfresten, af en toe met vergende gebaren de schilfers van hun overalls slaan. Het leek een stad op zichzelf. Een soort Atlanta der bedrijvigheid, maar dan boven water. Een grote bijeenkorf in bedrijf.'
Cremer was zelf volgens Ik Jan Cremer een klinker die met op bazookanonnen lijkende pneumatische klinkhamers gloeiend hete klinknagels in de stalen scheepswanden moest vastzetten. Hij had het gauw gezien, maar het vak van klinker, lasser of ijzerwerker ging voor veel families over van vader op zoon. Vaak werden ploegendiensten aan elkaar gekoppeld of werd in het weekeinde doorgewerkt, want het schip moest altijd op tijd klaar zijn. Het was onaangenaam werk, maar het werd dankzij de overwerktoeslagen goed betaald.
Scheepsbouw was misschien in de jaren vijftig en zestig de belangrijkste industrie van het land. Nederland was een handel- en scheepvaartnatie. En tijdens de oorlog was de koopvaardijvloot vrijwel weggevaagd. Daarnaast kwamen er steeds grotere vracht- en passagierschepen.
De NDSM kwam voort uit de fusie van de Nederlandsche Scheepsbouw Maatschappij (NSM) en de Nederlandse Dok Maatschappij (NDM) in 1946. Er werden vrachtschepen en marineschepen gebouwd. Maar de belangrijkste klant was Shell die daar olietankers bestelde. In 1957 werd de Vasum van 21 duizend ton opgeleverd. In 1961 kon al het honderdste na de oorlog gebouwde schip de Esso Lincoln (47 duizend ton) hier te water worden gelaten. En in 1967 doopte prinses Margriet de tanker Neverita van liefst 110 duizend ton. Hiermee zat de werf op de top van zijn kunnen.
Een op Goeree-Overflakkee geboren boerenzoon met met de naam van Cornelis Verolme had toen al voorzien dat de markt nog grotere tankers wilde hebben. Verolme was een selfmade-man die voor de oorlog carrière had gemaakt bij Stork maar wist dat hij bij dit familiebedrijf toch de top niet zou kunnen halen. Hij begon voor zichzelf en wist vlak na de oorlog veel geld te verdienen met het opkopen en reviseren van uit gezonken of beschadigde schepen gehaalde motoren.
In 1950 nam hij de werf Jan Smit Czn. te Alblasserdam over. Hij moest die werf via een stroman kopen omdat het havenkartel had bepaald dat vrijkomende scheepsbouwcapaciteit buiten gebruik moest worden gesteld om nieuwkomers te weren. Vier jaar later kon hij ook de hand leggen op een werf in Heusden waar hij nog grotere schepen ging bouwen.
Verolme was een visionaire zakenman en ingenieuze financier die met aanbetalingen op nieuw te bouwen schepen werven kocht.
Het Rotterdamse havenestablishment keek met argusogen naar deze rare indringer die er dankzij zijn goede relatie met oorlogspremier Pieter Gerbrandy zelfs in slaagde kroonprinses Beatrix te strikken voor het dopen van het in Heusden gebouwde baggerschip Queen of the Netherlands.
Verolme daagde de havenbaronnen continu uit. Hij zou de boel eens flink opschudden en van Nederland weer de toonaangevende scheepsbouwnatie maken. Hij zou tankers gaan bouwen die vijf keer zo groot waren als die bij NDSM, Wilton-Fijenoord, RDM en andere Europese werven werden gebouwd - zogenoemde mammoettankers. Zelfs de Amerikaanse en Japanse werven durfden dat nog niet.
In 1955 huurde hij ten zuidoosten van het voormalige eiland Rozenburg een enorm terrein op het nieuw ontwikkelde industriegebied Botlek. Twee jaar later opende Verolme Verenigde Scheepswerven NV hier de grootste en modernste scheepswerf van Europa. Aan orders was geen gebrek. Naast de twee gegraven droogdokken en drie drijvende droogdokken waren er twee nieuwbouwhellingen. Over de grootste helling verscheen een portaalkraan met een hijscapaciteit van 750 ton waarop trots de naam van Verolme te lezen was.
Zijn naam was gevestigd. Maar erkenning bij de de gevestigde Rotterdamse werven als RDM en Wilton-Fijenoord kreeg hij niet. De directeuren moesten niets van de eigenzinnige pionier weten en sloten hem buiten van hun exclusieve club De Maas.
De geldingsdrang van Verolme werd hierdoor alleen nog groter. Net als Dirk Scheringa vijftig jaar later, ging Verolme de uitdaging met het gevestigde bedrijfsleven aan. Hij dacht nog alleen maar in termen van 'groot, groter, grootst.' Hij wilde de grootste werf van Nederland worden, nee...van Europa..oh nee, zelfs van de wereld. Maar hij onderschatte de benodigde know-how en vooral de benodigde arbeidsinzet. Jongeren hadden minder trek in het onaangename en zware werk op de werven. 'Schepen bouwen is verschrikkelijk moeilijk. Je begint met een plaat staal en daar moet een gevaarte van gemaakt worden dat in de moeilijkste omstandigheden blijft functioneren. Dat kun je uitdenken op een tekentafel. Maar op de helling moet het gebeuren. Naast een goede organisatie is arbeidsinzet en motivatie het belangrijkst', zo zei een scheepsbouwer in die tijd.
In de scheepsbouw waren tekeningen vaak niet meer dan aanwijzingen. Voormannen moesten uitdenken of lassers of klinkers al aan de gang konden of dat gewacht moet worden omdat eerst nog een gat in de romp gemaakt moest worden om iets naar binnen te brengen. Het was improviseren - geen lopende bandwerk.
Verolme was zichzelf gaan overschatten. Toen de lonen in Nederland begonnen te stijgen en de markt in 1965 voor het eerst tekenen van stagnatie vertoonde, begon hij met de ontwikkeling van een nieuw superdok in Rozenburg met een lengte van 350 meter en een breedte van 52 meter, waar tankers tot liefst 500 duizend ton zouden kunnen worden gebouwd.
Hij had echter zijn geld al gestoken in overnames in Brazilië en Ierland. Hij kon dit project alleen financieren met hulp van de banken maar die eisten daarvoor een garantie dat het geld zou terugkomen. In 1967 kreeg Verolme van minister De Bock van Economische Zaken een kredietgarantie voor een lening van 75 miljoen gulden. Maar als concessie moest hij fuseren met de NDSM in Amsterdam die al in financiële moeilijkheden was geraakt door de loongolf.
Verolme ging akkoord. In 1970 werd in Botlek het grootste droogdok van Europa geopend met een omvang van 405 bij 90 meter - nog groter dan drie jaar eerder was voorzien.
Nu bleek dat hij zijn hand had overspeeld. Het jaar daarop zat Verolme is de verliezen. De elite had een stok gevonden om hem te slaan. De overheid dwong een nieuwe fusie af. Dit keer moesten Verolme en NDSM samengaan met de Rijn- Schelde Machinefabrieken en Scheepswerven NV, nota bene zelf een fusieproduct van ondermeer RDM en de werf De Schelde. Het resultaat was het nieuwe concern RSV: een gigant met een omzet van 3,1 miljard gulden en 30 duizend werknemers. 'Het was een fusie te veel', zou Verolme later zeggen.

De scheepswerf van Verolme in 1957
In het boek Cornelis Verolme - Opkomst en ondergang van een scheepsbouwer - stelt Arriëte Dekker dat met name Amrobank-topman Jan van den Brink en een aantal KVP-politici een uitgelezen kans zagen om hem op deze wijze buitenspel te zetten. Hij kreeg een miljoen gulden mee, maar mocht zich niet meer met het beleid bemoeien.
Met RSV kwam het niet meer goed. Toen vier jaar later de Lepton te water gelaten - met 318 duizend ton het grootste in Nederland gebouwde schip - zat het bedrijf al diep in de rode cijfers. Efficiency was ver te zoeken. Het voorschip was gebouwd bij NDSM in Amsterdam, waarna het in Rotterdam moest worden gelast aan het daar gebouwde achterschip.
De scheepsbouw in Nederland werd vanaf nu gestuurd door de politiek. Niemand in Den Haag wilde iets weten van saneren - zeker niet nu de werkloosheid zo snel opliep. Naast individuele steun kwamen er allerlei nieuwe regelingen om de noodlijdende scheepswerven overeind te houden: rentesubsidies van 2 procent, investeringspremies, staatsparticipatie in orders.
Tegelijkertijd was de concurrentie van het nieuwe geïndustrialiseerde Japan voelbaar. De Nederlandse industrie was niet concurrerend meer en de scheepsbouw al helemaal niet. Na Japan (loonkosten voor een werfarbeider 41 procent minder dan die in Nederland) kwamen nieuwe nog goedkopere scheepsbouwnaties als Zuid-Korea (83 procent minder loonkosten per werknemer) op. Zij konden schepen bouwen voor de helft van het geld. Tot overmaat van ramp brak in 1973 ook nog de eerste oliecrisis uit.
De orderportefeuille droogde op. RSV ging voor eigen rekening schepen bouwen. In 1977 bedroeg het verlies van RSV - voor rekening van de staat - al 200 miljoen gulden per jaar.
Terwijl Nederland in 1970 gemeten in brutoregisterton nog een marktaandeel van 7 procent had op de wereldmarkt voor scheepsbouw, was dat eind jaren zeventig gedaald tot 0,7 procent. Het aantal werknemers was in die periode al teruggelopen van 51 duizend naar 38 duizend.
Onder druk van de Tweede Kamer, ministers als Jan Terlouw en ambtenaren als de industriepaus Josef Molkenboer werd nogmaals een strategieverandering doorgevoerd. RSV ging kolengraafmachines voor de Amerikaanse markt en energiecentrales voor Algerije bouwen. Maar ook dit leidde alleen tot verliezen. Op de kolengravers werd beslag gelegd en de Algerijnen weigerden de extra kosten van de energiecentrales te betalen.
In 1980 was de rekening voor de staat al opgelopen tot 2,7 miljard. Het zou nog drie jaar duren voordat minister Van Aardenne van Economische Zaken de stekker uit het bedrijf trok en RSV onderuit ging. Verolme zei in 1980: 'Hoge maar onbekwame ambtenaren hebben mijn bedrijf naar de bliksem geholpen.' Een jaar later overleed hij.
De omstreden en bizarre ondergang leidde ertoe dat voor het eerst in 25 jaar een parlementaire enquete in Nederland werd gehouden. De enquete onder leiding van de latere minister Cees van Dijk werd een televisiespektakel. Voor het eerst kreeg het Nederlandse volk een kijkje in de keuken van de Haagse politiek en lobby. Op drooghumoristische wijze ondervroeg Van Dijk samen met ondermeer Marcel van Dam de kopstukken uit het drama onder wie Molkenboer en RSV-topman Jan de Vries. Nederland werd een onthutsend beeld getoond over gemiste kansen, geldsmijterij, naïviteit, arrogantie, meineed, inschattingsfouten en gekwetste ego's. Voor scheepsbouw zou overheidssteun taboe zijn.
Vijftig jaar later is Nederland geen toonaangevende scheepsbouwnatie meer. Maar door 14 duizend mensen worden nog altijd in Nederland schepen gebouwd, zowel voor de beroeps- als pleziervaart. Nederlandse werven hebben zich gespecialiseerd in baggerschepen, ferry's, offshoreschepen, peperdure jachten en speciale transportschepen. Zij laten vaak een casco in de lage lonen landen bouwen dat ze afbouwen in Nederland.
De grote nieuwbouwhellingen in Rotterdam zijn grotendeels afgebroken. In Amsterdam is daarvan eigenlijk niets meer over.
(9-10-2010)
SCHEEPSBOUW IN AMSTERDAM
De basis voor de moderne scheepsbouw in Nederland werd in het begin van de 19de eeuw in Amsterdam gelegd. Hier begonnen de gebroeders Meursing na de opening van het Noordhollands Kanaal met de bouw van een werf in Nieuwendam. Daarbij werd al fors met overheidssubsidies gewerkt. Die werden toen verstrekt door de door koning Willem 1 opgerichte Nederlandsche Handelsmaatschappij - een van de voorlopers van de ABN Amro.
De van voor de Franse tijd overgebleven vloot van 45 houten Oost-Indiëvaarders werd in een periode van 15 jaar uitgebreid tot 321 half zeil- en half stoomschepen. Het waren uiteindelijk de scheepsbouwers Ceuvel en Goedkoop die het Engelse monopolie op het gebied van ijzeren stoomschepen wisten te doorbreken. Na de opening van het Noordzeekanaal ontstond een nieuwe reeks van werven in Amsterdam: de Amsterdamsche Droogdok Maatschappij (1877), de Nederlandsche Scheepsbouw Maatschappij (1894), Verschure (1913), de Amsterdamsche Scheepswerf (1917), de Nederlandse Droogdok Maatschappij (1920) en de Volharding (1921).
Amsterdam-Noord werd de geliefde plek voor de werven. Hier was volop plek. In 1922 verhuisde de Nederlandsche Scheepsbouw Maatschappij (NSM) naar de noordoever van 't IJ. Bekende passagierschepen als de Oranje en de Johan van Oldebarnevelt werden hier voor de oorlog gebouwd, net als de kruiser Sumatra, het schip waarmee prinses Juliana in 1940 uitweek naar Canada. In de nadagen van de oorlog vernielden de Duitsers al de werven.
SCHEEPSBOUW IN ROTTERDAM
Ook Rotterdam kent een lange traditie van scheepsbouw. Maar in het begin van de negentiende eeuw moest die in de stad steeds vaker plaatsmaken voor woonwijken. In 1856 richtte de Schot Duncan Christie de Maatschappij De Maas in Delfshaven op. In 1902 zou de naam de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij NV (RDM) worden aangenomen en verhuisde de werf van Delfshaven naar de Heijplaat aan de zuidelijke Maasoever.
In 1854 was uit de smederij van Bartel Wilton in de stad zelf ook een nieuwe werf ontstaan die langzaam zou uitgroeien. De 'Wilton' zoals de werf in de volksmond heette, kreeg ook een vestiging in Schiedam. Wilton fuseerde in 1929 met de Maatschappij voor Scheeps- en Werktuigbouw Fijenoord NV Dok en Werf Maatschappij Wilton-Fijenoord. In december 1933 werd hier de kiel gelegd voor de kruiser Hr. Ms.De Ruyter die vooral bekend zou worden als het vlaggenschip van Schout-bij-Nacht Karel Doorman tijdens de Slag in de Javazee in 1942.
Hoewel reparatie van schepen de kurk was waar RDM op dreef, werden ook daar nieuwbouwschepen gebouwd. De eerste opdracht voor nieuwbouw van een zeegaand schip, de Alwina, kwam in 1905 binnen. Tot de bekendste schepen die de RDM bouwde behoorden het passagiersschip Nieuw Amsterdam (1937), de kruiser Hr. Ms. De Zeven Provinciën (1953) en het passagiersschip Rotterdam (1958).
EEN BLOEIENDE HERDENKINGSINDUSTRIE
Weer rolt een herdenkingsgolf over het land. En steeds meer plaatsen doen denken aan toen. Ook jongeren willen deelgenoot zijn van ’40-‘45

Herdenking Market Garden in Nijmegen
Peter de Waard
De een kwam voor het spektakel, de andere wilde zijn kinderen laten zien wat er zo lang geleden was gebeurd. En een derde vond het op deze zonnige dag wel een leuk uitstapje. ‘Wie weet wie we hier tegenkomen.’En o ja, een man van 82 jaar was naar de plek gekomen om de geallieerde soldaten te herdenken die bij de bevrijding van Nijmegen sneuvelden. Ieder had zo zijn eigen drijfveer.
Een cameraballon was vorige maand nodig om de mensenmassa in Nijmegen in goede banen te leiden. Koningin Beatrix, de Britse prins Philip, de Amerikaanse generaal David Petraeus ‘opperbevelhebber van het US Central Command’ en ex-NAVO-secretaris-generaal Lord Carrington woonden op zondag 20 september de 65ste verjaardag van Operatie Market Garden bij. Zo’n 20 duizend mensen volgden de parade en de overtocht van bootjes over de Waal, een verwijzing naar een soortgelijke operatie in 1944 bij de bevrijding van Zuid-Nederland.
Vijf jaar geleden. op 20 september 2004. kostte het nog moeite om een ambassadeur te strikken voor de herdenking van Market Garden. Maar nu verdrongen de royals zich. De politici konden niet achterblijven, zij het dat voor hen slechts B-herdenkingen waren gereserveerd. Minister van Defensie Eimert van Middelkoop en zijn Britse collega Bob Ainsworth woonden samen met ruim 120 oorlogsveteranen en duizenden belangstellenden een plechtigheid bij in Oosterbeek op de Airborne Begraafplaats.
Daarna heropende de Gelderse commissaris van de Koningin Clemens Cornielje in Oosterbeek het Airborne Museum, dat ingrijpend verbouwd is. Een dag ervoor landden duizend parachutisten op de Ginkelse Heide bij Ede ter herdenking van de massale luchtlanding op 17 september 1944. Premier Jan Peter Balkenende was diezelfde dag in Driel om samen met zijn Poolse collega Donald Tusk het Poolse aandeel in de bevrijding van Nederland te herdenken.
Feico-Jan Amberg, woordvoerder van de gemeente Nijmegen en zelf organisator van het evenement vijf jaar geleden, stelt dat de herdenkingen steeds grootser worden. ‘Het is een landelijke trend. Waarom dat zo is? Ik zou het niet weten. Maar zelfs jongeren stromen massaal toe’ Directeur Nine Nooter van het Nationaal Comité 4 en 5 mei relativeert de grote opkomst enigszins. ‘Het hangt vaak samen met de inspanning van een burgemeester of een gemeentebestuur. Bij de herdenking van 50 jaar Market Garden was de herdenking vooral rondom Arnhem geconcentreerd. Nu is dat Nijmegen.’ Deze herdenkingen zijn niet goed te vergelijken met de nationale herdenking, zegt Nooter. ‘Dit is toch vooral een evenement waarbij de geallieerde soldaten centraal staan. Hier wordt geapplaudisseerd bij de kranslegging. Dat zou op 4 mei op de Dam nooit gebeuren.’
Nederlanders herdenken de oorlog nog altijd massaal. Niet alleen op 4 en 5 mei, maar op bijna alle dagen van het jaar. Niet alleen bij het nationale monument op de Dam, maar bij zo’’n 3.500 monumenten. Als volgend jaar het herinneringscentrum in Bronbeek wordt geopend, telt het land al vier herinneringscentra naast zo’n tachtig musea die aan de oorlog zijn gewijd.
Waar eindigt herdenken? Waar begint historisch ramptoerisme?
Onderzoeker David Barnouw van het NIOD maakt het eigenlijk weinig uit waarom mensen in groten getale gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog herdenken en historische plekken uit die oorlog opzoeken. ‘Iedereen moet het zelf maar weten waarom hij of zij er naartoe wil komen. Feit is dat er naast meer vraag ook steeds meer aanbod is.’
De herdenkingsindustrie breidt zich elk jaar uit. Continu worden nieuwe plekken ontdekt waarop in de vijf oorlogsjaren iets bijzonders is gebeurd. Continu verschijnen nieuwe boeken. ‘Alles rondom Anne Frank is meteen een monument of document, zo is de afgelopen jaren wel gebleken’, stelt Barnouw.
Wereldwijd werd geageerd tegen het omhalen van de kastanjeboom in de tuin van Het Achterhuis. En deze zomer heerste ongenoegen over het feit dat de werkbarak waarin Anne en haar zus Margot in Westerbork batterijen moesten demonteren, 65 jaar later als boerenschuur werd gebruikt. Net toen besloten was de barak terug te brengen naar het voormalige doorgangskamp, vloog ze in brand. Maar gelukkig werden snel nog vijf oude barakken gevonden die vermoedelijk in het kamp hebben gestaan.
Kamp Westerbork is trouwens niet eens altijd een plek van herinnering geweest. Na de oorlog werden er eerst collaborateurs geïnterneerd. Later werd het gebruikt als woonoord voor voormalige KNIL-militairen van Zuid-Molukse afkomst. In 1970 vertrokken de laatste gezinnen, en werd een monument onthuld. Maar pas sinds 1983 bevindt zich in Westerbork een herinneringscentrum. Hier werden in 2002 voor het eerst meer dan honderdduizend mensen ontvangen. Dit jaar zijn er tot en met juli al meer dan honderdduizend mensen geweest. Hoewel dit cijfer mogelijk is geflatteerd door een speciale Anne Frankexpositie, is volgens een woordvoerder de trend elk jaar stijgende. ‘En we trekken elk jaar meer jongeren.’
‘Hoe minder mensen er zijn die zelf de oorlog hebben meegemaakt, hoe meer behoefte er is om de plekken te koesteren’, zegt Barnouw. Zo werd in 2000 een stichting opgericht die de restanten van het gevangenenkamp in Amersfoort wil beschermen, nadat niemand er meer dan vijftig jaar naar had omgekeken. De hoogbejaarde mensen die de oorlog daadwerkelijk hebben meegemaakt, kunnen nu nog hun verhalen vertellen. Iedereen probeert die meteen veilig te stellen. ˜Er worden ook andere kanten van de oorlog belicht. Zo verschijnen er boeken over de zogenoemde vergissingsbombardementen van de geallieerden op Nijmegen of Amsterdam-Noord. Vlak na de oorlog kon je zo’n boek niet schrijven, want de geallieerden waren onze vrienden’, aldus Barnouw.
De psychotherapeut Toine Driessen van de Stichting Centrum ‘40-‘45 zegt dat het herdenken van veel meer groepen slachtoffers ook meer bespreekbaar is geworden, ‘net zoals traumatisering in de jaren zeventig’. ‘Men is zich er bewuster van wat er allemaal buiten de eigen kring is gebeurd. En er is meer behoefte om ook daar samen bij stil te staan. Mensen krijgen tegenwoordig zoveel schokkende dingen op hun bord. Dat leidt niet tot traumatisering, maar men wil het wel delen met anderen en kiest daar specifieke gebeurtenissen voor uit.’
Volgens onderzoek van het Nationaal Comité 4 en 5 mei neemt 86 procent van de Nederlanders twee minuten stilte in acht op 4 mei. En 75 procent vindt de viering van bevrijdingsdag belangrijk. ‘Maar doordat veel mensen die de oorlog hebben meegemaakt overlijden, neemt het persoonlijk belang af. Daarentegen erkennen steeds meer mensen het maatschappelijk belang van die herdenking. We hebben weinig gemeenschappelijke momenten meer die we samen kunnen delen’, aldus Nooter.
Ook 75 procent van de jongeren viert 5 mei. De bevrijdingsfestivals met popmuziek werden dit jaar alleen al door 750 duizend mensen bezocht. De dodenherdenking op de Dam trok 20 duizend mensen, en 5 miljoen mensen bekeken deze gebeurtenis op televisie.
Nooter: ‘Er zijn opvallende tendensen. Bij de dodenherdenking op de Dam zijn er twee groepen bezoekers. Aan de kant van het Damrak staan vooral de Amsterdammers. En die groep kun je onderverdelen in twee categorieën: ouderen die de oorlog hebben meegemaakt en jongeren die er belangstelling voor hebben. De mensen van middelbare leeftijd ontbreken. Aan de andere kant staan de mensen van buiten Amsterdam. Dat zijn vooral gezinnen die vinden dat ze dit één keer met hun kinderen willen meemaken.’
De veruit populairste oorlogsattractie in Nederland is uiteraard het Anne Frank Huis aan de Prinsengracht in Amsterdam. Hoewel het overgrote deel van de bezoekers uit het buitenland afkomstig is, is ook hier het één keer samen beleven een belangrijk argument om te komen.
In 1960 trok het Anne Frank Huis nog maar zesduizend toeristen. In de jaren tachtig was dat aantal gestegen tot boven de 400 duizend. En nu komen er jaarlijks meer dan een miljoen mensen naar de Prinsengracht in Amsterdam voor een bezoek aan de woning waar Anne tot augustus 1944 was ondergedoken.
Barnouw denkt niet dat het herdenken zal stagneren als over twintig tot dertig jaar de laatste mensen zijn overleden die de oorlog bewust hebben meegemaakt. ‘Dat is ook niet het geval bij de Eerste Wereldoorlog. Integendeel, de herdenkingen in Ieper worden steeds grootser. De slagvelden van Verdun trekken elk jaar meer toeristen.’
Het echte herdenken concentreert zich vooral op speciale dagen zoals 11 november voor de Eerste Wereldoorlog en 4 mei voor de Tweede. Uit een enquete die werd gehouden onder bezoekers van het voormalige Kamp Amersfoort bleek dat slechts één van de tien de plek bezocht om de slachtoffers te herdenken. Bij jongeren was dat zelfs slechts een op de vijftig. Het overgrote deel komt vanwege het uitstapje of uit historische nieuwsgierigheid. Bij de jongeren zei eenderde alleen maar naar het kamp te zijn gekomen omdat het moest van school.
Er is altijd geschiedkundige belangstelling voor plekken waar dood en verderf is gezaaid. En dat beperkt zich niet alleen tot de slagvelden (de laatste herdenking van de Slag bij Waterloo vond overigens in Nederland in 1865 plaats). Ook van plekken waar mensen massaal zijn omgebracht, zoals het Colosseum in Rome, Ground Zero in New York of Auschwitz in Polen, gaat een grote fascinatie uit.
In de jaren na de oorlog werden in Nederland vooral de slachtoffers van het verzet herdacht. In de jaren zeventig kwam er volgens Nooter meer aandacht voor de vervolgden, zoals de Joden, zigeuners en dwangarbeiders. ‘Er werd in dat opzicht een inhaalslag gemaakt. De differentiatie van die aandacht heeft zich doorgezet. Ook omdat er nog altijd nieuwe verhalen bijkomen.’ Zo is er pas nu aandacht gekomen voor de gruwelen in het vroegere strafkamp Erika bij Ommen, of voor de lotgevallen van de Russische gevangenen in kamp Amersfoort.

Naast de nationale herdenking, waar negen van de tien Nederlanders aan hechten, hebben nog steeds groepen hun eigen specifieke herdenkingen. Het herdenkingsjaar begon op 3 september toen 65 jaar eerder de eerste gemeenten in het zuiden werden bevrijd en eindigt volgend jaar op 17 augustus met de herdenking van de capitulatie van Japan. Niet alle herdenkingen trekken steeds meer mensen. Zo is de belangstelling voor de herdenking van de Februaristaking al jaren stabiel, net als die voor de Auschwitz-herdenking op 27 januari.
Het Nationaal Comité 4 en 5 mei heeft ook alle herdenkingsmonumenten van de Tweede Wereldoorlog in Nederland in kaart gebracht. Dat zijn er nu 3.433. ‘Maar we zijn niet eens volledig’, aldus Nooter. Op dit moment wordt getracht bij die monumenten ook de verhalen van getuigen vast te leggen, ‘opdat we niet vergeten’. In de jaren negentig kwamen er in Nederland zo’n slordige 500 monumenten bij - vooral rond de vijftigste herdenking van de bevrijding - en in het eerste decennium van deze eeuw 350, nog altijd honderd oorlogsmonumenten meer dan bijvoorbeeld in de jaren tachtig.
Nooter wil niet concluderen dat de herdenking elk jaar grootser wordt. ‘Onze herdenking is anders dan die in Groot-Brittannië, Frankrijk of België. Die landen hebben de herdenking van de Tweede Wereldoorlog met die van de Eerste Wereldoorlog samengevoegd.’
Barnouw denkt dat Nederland de Tweede Wereldoorlog nog vele decennia groots zal blijven herdenken. ‘Wanneer zal dit vervagen? Als er een Derde Wereldoorlog komt.’ ‘Hoe minder mensen er zijn die zelf de oorlog hebben meegemaakt, hoe meer behoefte er is om de plekken te koesteren.’
(10-10-2009)
Miljoenen subsidie
Met het organiseren van de herdenkingen, het onderhoud van 3.500 monumenten en de exploitatie van 80 oorlogsmusea en drie herinneringscentra zijn in Nederland vele miljoenen gemoeid. De rijkssubsidies zijn sinds 2000 opgelopen van 3,8 naar 8,3 miljoen euro: 2,4 miljoen aan herinneringscentra, 2,7 miljoen aan het Nationaal Comité 4 en 5 mei, 1,2 miljoen aan jeugdvoorlichting en 1,8 miljoen aan overige projecten. Daarnaast is in 2007 door het ministerie van VWS een extra subsidie van 27 miljoen euro verleend voor het bijeenbrengen van het oorlogserfgoed, een drie jaar durend project. De ‘herdenkingsindustrie’ brengt ook geld op. Zo betalen de een miljoen bezoekers van het Anne Frank Huis (van wie de meesten uit het buitenland komen) jaarlijks 7 miljoen euro aan entreegelden en souvenirs, waarvan het overgrote deel buitenlandse deviezen. Het Achterhuis is de op negen na grootste toeristische attractie.
LIEVER DE FILE DAN DE BINNENSTAD
De overloop van Amsterdam naar de polder
Sinds het einde van de negentiende eeuw bleef Amsterdam maar groeien. Wethouder Roel de Wit vond in de jaren zestig dat Amsterdam geen mammoetstad mocht worden. Daarom bedacht hij de ‘overloop’ naar steden als Purmerend en Almere. De Wit heeft geen spijt van het overloopbeleid – ook niet als hij elke ochtend op de radio hoort hoe lang de files weer zijn.

Overloop Hoorn
Peter de Waard
Zeshonderd jaar geleden was Noord-Holland niet meer dan een groot plassengebied, met aan de kust duinen en strandwallen en een aantal nederzettingen aan de Zuiderzee, zoals Amsterdam en Enkhuizen. Alle grote plassen – de Haarlemmermeer, de Beemster, de Zijpe, de Schermer, de Geesterambacht, de Heerhugowaard en de Purmer –, zijn tegenwoordig bewoond. Ruim 50.000 Heerhugowaarders, 78.000 Purmerenders en 150.000 mensen in de Haarlemmermeer wonen in een gebied dat ooit water was. Zij zijn in de laatste vijftig jaar voor het overgrote deel ‘overgelopen’ uit Amsterdam. Almere en Lelystad zijn voor deze overloop gebouwd in de nieuwe IJsselmeerpolders.
Geestelijk vader van de overloop is Roel de Wit, in de jaren zestig wethouder van Amsterdam, later burgemeester van Alkmaar en uiteindelijk commissaris van de Koningin in Noord-Holland. De Wit (nu 80) woont in Haarlem. Hij heeft geen spijt van het overloopbeleid – ook niet als hij elke ochtend op de radio hoort hoe lang de files weer zijn. De Wit: ‘Wat zou er zijn gebeurd zonder gericht overloopbeleid? Amsterdam zou zijn uitgegroeid tot een mammoetstad met 1 tot 1,5 miljoen inwoners. Daarnaast zou een urban sprawl hebben plaatsgevonden: allerlei dorpjes in West-Friesland zouden ongericht zijn gegroeid; Waterland zou zijn aangetast en het Groene Hart zou zijn bedreigd tot ver voorbij Uithoorn. Particuliere projectontwikkelaars hadden vrij spel gehad. Uiteindelijk was het deel van Noord-Holland rond Amsterdam een grote autostad geworden, zoiets als Los Angeles.’
Tot de eerste woningwet van 1903 kan in Nederland ongericht worden gebouwd. Maar de landbouwcrisis aan het einde van de negentiende eeuw leidt tot een grote trek naar de steden. Friezen en Groningers strijken massaal neer in wijken als de Pijp en Oud-West in Amsterdam, en Brabanders in Rotterdam. Amsterdam kan de toeloop nauwelijks verwerken. In de jaren twintig stelt de stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren daarom het eerste grote stadsontwikkelingsplan voor Amsterdam op. Dit leidt tot het Algemene Uitbreidingsplan van 1935, waarbij de stad de polders aan de eigen stadsrand (Slotervaart, Slotermeer, Geuzenveld, Osdorp en Buitenveldert) volplant met tuinsteden.
Amsterdam koestert op dat moment nog de ambitie een metropool te worden. Maar de oorlog legt de nieuwbouw stil, en na de oorlog is er een schrikbarend woningtekort. Via de toewijzing van contingenten woningwetwoningen probeert het rijk nieuwe betaalbare huisvesting uit de grond te stampen. De grootste contingenten gaan naar Amsterdam, maar ondanks de snelle realisatie van het Algemeen Uitbreidingsplan blijkt er onvoldoende bouwgrond te zijn. De stad kan de contingenten niet volledig plaatsen. Noodgedwongen wordt een deel aan de provincie gegeven – de eerste aanzet voor de overloop. De achterkleinkinderen van de noorderlingen die een eeuw eerder naar de stad waren getrokken, keren weer terug naar het platteland.
Het Amsterdamse gemeentebestuur, met Gijs van Hall als burgemeester en Joop den Uyl als wethouder Publieke Werken, Stadsontwikkeling en Economische Zaken, kijkt met argusogen toe. Er worden plannen ontwikkeld voor woningbouwlocaties ten zuiden van de stad. Hier stuit de grens van Amsterdam echter op die van de gemeenten Amstelveen, Weesperkarspel en Diemen. Een stadsrandcommissie onder leiding van de Noord-Hollandse gedeputeerde Liesbeth Ribbius Pelletier wil Amsterdam de ruimte geven. Zij steunt de plannen voor verdere bebouwing in zuidelijke richting. Voor de bebouwing van de Bijlmermeer en de oostelijke lob moet Amsterdam grond verwerven van de op te heffen agrarische gemeente Weesperkarspel.Als in 1960 de Eerste Nota Ruimtelijke Ordening wordt gepubliceerd, wordt nog over deze uitbreiding van Amsterdam gediscussieerd. Minister Edzo Toxopeus (VVD) van Binnenlandse Zaken keert zich tegen verdere groei van Amsterdam. Hij wil geen grote ‘rode’ stad. Hij wil om de stad heen meer liberaalgezinde onafhankelijke gemeenten creëren. Behalve Amstelveen moet er een nieuwe grote gemeente Diemen komen. Het leidt tot een befaamd Tweede-Kamergevecht om de Bijlmermeer, dat door Amsterdam wordt gewonnen. Van Hall triomfeert. Toxopeus is zo teleurgesteld dat hij wil aftreden, maar juist op dat moment valt het hele kabinet-Marijnen.
Een nieuw kabinet wordt gevormd met Cals als premier. Den Uyl, die voor Amsterdam behalve in de Bijlmermeer ook bouwgrond zoekt in de noordelijke Waterlandgemeenten Oostzaan en Landsmeer, wordt minister van Economische Zaken. Zijn opvolger als wethouder in Amsterdam is Roel de Wit. ‘In de eerste maanden van mijn wethouderschap werd het mij duidelijk dat er een nieuwe afweging moest worden gemaakt,’ zegt De Wit. ‘De regio Amsterdam verder laten groeien of een regionale oplossing kiezen met behoud van de groene ruimten rond Amsterdam. Ter voorbereiding van de Tweede Nota Ruimtelijke Ordening is toen gekozen voor de regionale oplossing: een groeikernenbeleid.’
De Wit heeft al steun van het platteland om de groei van Amsterdam in te perken. Cees Egas – een PvdA-politicus die grote bekendheid geniet vanwege zijn VARA-radiorubriek Van het Platteland – heeft in 1963 in de nota ‘Bedreigd Gebied’ de noodklok geluid over de landbouwcrisis in de kop van Noord-Holland. ‘Een groeikernenbeleid is het antwoord op Noord-Holland als bedreigd gebied en de afkalving van werkgelegenheid,’ concludeert Egas. De Wit: ‘In overleg met Eo Wijers, die toen directielid was van de rijksplanologische dienst, hebben we gefilosofeerd over wat er nu moest gebeuren. Bij dit gesprek raakte ook burgemeester Reinder Kooiman van Purmerend betrokken. Hij wilde zijn gemeente laten groeien.’
De Wit en Kooiman sluiten een deal. Begin 1966 kondigen ze gelijk aan dat over Waterland heen zal worden gesprongen en dat er zal worden gebouwd in de polder de Purmer. ‘De principiële keuze is nu: aanbreien of gewestelijke oplossingen nastreven,’ zegt De Wit in ’66. ‘Wij kiezen voor het laatste. De gemeente Purmerend zal van thans 15.000 inwoners moeten uitgroeien tot 100.000. Wij moeten ons niet meer afvragen: hoeveel inwoners heeft Amsterdam? Maar we moeten ons afvragen: hoe kunnen we Amsterdammers aan woningen helpen binnen het gewest?’ Als de Tweede Nota Ruimtelijke Ordening – vooral het werk van Wijers en planoloog Theo Quené – in september van dat jaar verschijnt, wordt al gezegd dat de woningbehoefte voor de Randstad niet in grotere steden moet worden opgevangen, maar in ‘gebundelde deconcentratie’. Behalve Purmerend worden ook Alkmaar, Hoorn en steden in de toekomstige IJsselmeerpolders zoals Lelystad en Almere als groeikernen aangewezen.
‘We waren hiervoor wezen kijken in Engeland,’ herinnert De Wit zich. ‘Daar werden op dat moment de zogenoemde new towns gecreëerd: nieuwe steden die buiten groene gordels rond Londen werden gebouwd. Dat wilden wij ook.’ Roel de Wit wordt in 1970 zelf burgemeester van Alkmaar, een van de nieuwe groeikernen – ‘op dat moment een vrij besloten provinciestad zonder dynamiek.’ Als De Wit zes jaar later commissaris van de Koningin wordt, heeft de stad naar zijn zeggen een metamorfose ondergaan. ‘Het was een middelgrote stad geworden met een centrumfunctie in de kop van Noord-Holland. Er was een nieuw, groot ziekenhuis gecreëerd en de eerste paal voor het culturele centrum de Vest was geslagen. Mijn erfenis voor Alkmaar werd wel “Roels hattrick” genoemd: 1. het begin van de aanleg van de nieuwe wijk Huiswaard III (later de Mare); 2. de aanleg van het recreatiegebied Hoornse Vaart; en 3. het begin van de aanleg van het industriegebied Beverkoog, waar onder meer fabriekjes uit de Amsterdamse Jordaan onderdak konden vinden.’
Maar ondanks de Beverkoog blijkt de gedachte dat de werkgevers hun werknemers zullen volgen naar de provincie algauw een illusie. De files nemen toe. De Velsertunnel en de Coentunnel worden gigantische knelpunten. Het wegennet noch het openbaar vervoer is berekend op de overloop.. Daarnaast creëert deze ook een ander probleem: de middenklassen trekken weg uit Amsterdam. De stad wordt steeds meer een verzamelplaats voor ouderen en sociaal zwakkere groepen – met name werkloze arbeiders die door de teloorgang van de industrie hun baan hebben verloren. De Bijlmermeer – de laatste uitbreiding die wordt geëffectueerd – moet noodgedwongen worden opgevuld door immigranten. De weerstand tegen de overloopgedachte groeit. De Provinciale Staten van Noord-Holland besluiten de uitbreiding in de Purmer te halveren. Eigenlijk wil een meerderheid helemaal niet bouwen in de Purmer, maar omdat dit een collegecrisis zal veroorzaken wordt voor de optie van de helft gekozen.
De Universiteit van Amsterdam brengt een alarmerend rapport uit waarin gezegd wordt dat ‘het transporteren van de woningbehoefte leidt tot het uitkleden van de stad’. Maar een links meerderheidscollege in Amsterdam met onder meer Han Lammers en Roel van Duijn kan geen spijkers met koppen slaan. Pas als in 1978 een PvdA/CDA-college aantreedt met Jan Schäfer als nieuwe wethouder, wordt er actie ondernomen tegen de overloop. Een van de wapens is de stadsvernieuwing. ‘We gaan met een draaiorgel naar Hoorn en zullen onze bewoners daar terughalen,’ roept Schäfer. Maar de mensen keren niet terug. Ze verkiezen de file boven de binnenstad. De strijd gaat door in de jaren tachtig. Michael van der Vlis, de nieuwe PvdA-wethouder voor ruimtelijke ordening, lanceert het plan voor de compacte stad: bouwen in en rond Amsterdam. Hij wil de groei van Almere beperken en voert daartoe een intensieve lobby. Hij stuit echter op tegenwerking van de provincie, waar Roel de Wit en gedeputeerde Willem van der Knoop de overloopgedachte verder propageren. De status- quo dreigt zelfs te leiden tot een gat in de woningproductie. Uiteindelijk krijgt De Wit zijn zin: Almere mag groeien. ‘De overloop was niet meer terug te draaien,’ stelt De Wit.
Dick Fopma, oud-medewerker van de Provinciale Planologische Dienst, vindt dat er keerzijden zijn aan de overloop. ‘Er is te weinig openbaar vervoer gekomen. De ontsluiting van de HAL-Vinexlocatie (Heerhugowaard, Alkmaar en Langedijk), waar nu 12.000 woningen worden gebouwd, is dramatisch slecht. Er is wel meer werkgelegenheid in het noorden van de provincie, maar voor de betere baantjes moet je nog altijd uitwijken naar Amsterdam. Daar is een grotere en gevarieerdere arbeidsmarkt. En misschien is het uit landschappelijk en cultuurhistorisch oogpunt spijtig dat een vaargebied als de Geesterambacht is verdwenen. Maar laten we eerlijk zijn: er zou ook veel verloren zijn gegaan als de bebouwing rond Amsterdam zelf had plaatsgevonden.’
Velsertunnel 1957
De Wit wijst op de verbeteringen voor de provincie die resultaat zijn van het groeikernenbeleid, zoals de betere culturele en medische voorzieningen voor Alkmaar, Purmerend en Hoorn. Hij vindt het onzin dat er niet gedacht is aan de infrastructuur. ‘Ik noem niet alleen de aanleg van nieuwe tunnels onder het Noordzeekanaal, zoals de Wijkertunnel, maar ook – en dat is heel belangrijk – betere spoorwegvoorzieningen: de Hemspoortunnel tussen Amsterdam en Zaandam, de uitbreiding van de Hemboog naar Schiphol, en de snelle aanleg van spoorverbindingen naar Lelystad en Almere. En het belangrijkste is: we zijn gespaard gebleven voor de mammoetstad Amsterdam, waardoor bewoners in contact zijn gebleven met groene recreatiegebieden als het Amsterdamse Bos, Spaarnwoude en Waterland.’
(9-10-2007)