Op deze pagina artikelen uit HARD gras        

----------DECEMBER 2009---------------------

Rechtsbacks als anti-helden

 

Piet Romeijn (rechts)
Wie is beter? Het wonderkind Johan Cruyff of de geniale Piet Keizer? Nu is dat een uitgemaakte zaak. Maar in de tijd dat Studio Sport nog Sport in Beeld heette konden de analisten in koffiekamers en café’s hier een hele boom over opzetten.
Maar een ander groot dilemma waar met name taaie rechtsbacks eind jaren zestig mee werden gepest is nog niet opgelost..Wie was beter? De kale Theo van der Burch of de rossige Piet Romeijn?
Er waren toentertijd andere voor linksbenige dribbelaars hoogst irritante kuitenbijters op die plek – denk aan Volendammer Klaas ‘blubber’ Karregat, de latere Bredase fysiotherapeut Jan van Gorp, de Amsterdamse dandy Frits Flinkevleugel en uiteraard Wim Suurbier, de koning van de achterzet – maar zij hadden niet zo mooi hun uiterlijk mee voor wat toen de belangrijkste taak van de rechtervleugelverdediger werd geacht – de directe tegenstander het spel onmogelijk maken door geen centimeter van hem te wijken. De kale kruin van de Haagse timmermanszoon Van der Burch en de norse blik van de Schiedamse havenwerker Romeijn stonden model voor de meedogenloze mannetjesdekkers die de grote sterren op de linksbuitenplaats van die tijd -  Keizer natuurlijk maar ook Coen Moulijn, DWS’er Rob Rensenbrink en PSV’er Lambert Verdonk –  tot wanhoop dreven door ze geen bal te laten aannemen. Wim Suurbier – de Pietje Bell van het Nederlandse voetbal – was weliswaar de onbetwiste nummer één op de rechtsbackplaats, maar Van der Burch en Romein waren de perfecte gevangeniscipiers die zonder enige glamour hun taak verrichtten. Terwijl de linkerspitsen de echte helden waren in een tijd dat voetbal voor het eerst wekelijks op televisie was te zien, waren zij als de rechtsbacks de grote anti-helden.
Vier decennia later staan ze nog in ieders geheugen gegrift. De linksbuitens uit die tijd herinneren allemaal de titanengevechten met deze directe tegenstanders. Ondanks hun reputatie staan Van der Burch en Romeijn niet bekend als schoffelaars. Integendeel, de directe tegenstanders van die tijd hebben juist opvallend veel respect voor de voetbalkwaliteiten van zowel Theo van der Burch als Piet Romeijn. Addy Brouwers, de voetballende onderwijzer die vanaf 1968 tot 1978 bij NAC speelde, noemt ze ongepolijste publiekslievelingen. ‘Maar het scheermes van Wim Suurbier vreesde ik veel meer dan de tackles van Romeijn en Van der Burch. Wie echt gemeen was? Cor Hildebrand van DOS en later FC Utrecht. Ik weet dat we na een duel allebei opstonden. Hij deed net of hij mij in het kruis zou grijpen. Ik doe mijn hand naar beneden om hem tegen te houden. En op dat moment spuugt hij mij in het gezicht. Voor een volle tribune. Ik heb mij nog nooit zo vernederd gevoeld.’
Coen Moulijn speelde meestal betere wedstrijden tegen Suurbier dan tegen Van der Burch. ‘De laatste schakelde mij vrijwel altijd uit zonder overdreven hard te zijn. De hardste back waar ik tegen heb gespeeld was Harry Brull van Roda JC.’
Rob Rensenbrink, die tussen 1965 en 1969 bij DWS speelde voordat hij naar België verhuisde, vond de beide verdedigers ook geen schoppers. ‘Van der Burch was een nette voetballer. Niet groots. Maar zeker geen schopper. Ook Piet Romeijn herinner ik mij niet als overdreven hard of gemeen.’ Zijn moeilijkste tegenstander? ‘Fons Bastijns van Club Brugge.’ Theo Pahlplatz van FC Twente zegt dat ‘eind jaren zestig de duels tegen ADO en Feyenoord altijd geweldige wedstrijden waren’. Hij stond dan tegen Van der Burch of Romeijn. ‘Allebei waren het hele slimme backs. Die zie je tegenwoordig niet meer. Ik had het tegen beide spelers heel moeilijk. Maar – zo ben ik nu eenmaal – de minpunten uit mijn carrière vergeet ik graag.’ Gerry Clement van het toenmalige Telstar: ‘Ik was heel rap. En had niet zoveel moeite met die spelers. Ik vond Piet Romeijn zeker niet echt gemeen of hard. Rinus Israel, dat was pas erg.’ Lex Schoenmaker is een van de spelers die nog met allebei heeft gevoetbald. ‘Het waren spelers die een vaste waarde waren voor hun club. Maar zeker niet gemeen.’
Van der Burch en Romeijn delen veel, die twee straatschoffies van respectievelijk het toenmalige ADO en Feyenoord. Ze  zijn bijvoorbeeld allebei even onsterfelijk geworden als Cruyff en Piet Keizer – Theo van der Burch dankzij Harrie Jekkers stadsballade ‘Oh, oh, Den Haag’ en Piet Romeijn dankzij zijn fameuze woede-uitval ‘hondenlul’ die de inspiratie vormde voor de toeschouwers-evergreen  ‘Hi,. Ha hondenlul’ die later op de tribunes werd aangeheven na vermeende scheidsrechterlijke dwalingen totdat ‘Je moeder is een hoer’ in zwang kwam.
Veertig jaar later zitten ze er niet mee dat ze vooral dankzij die feiten aan de anonimiteit zijn ontsnapt. Ze willen dolgraag terugkijken. Ze zijn hartelijk, joviaal en bijna gedienstig – iets wat journalisten van de huidige generatie profvoetballers niet meer gewend zijn.
Piet Romeijn heeft zelfs het per ongeluk weggegooide blaadje met mijn telefoonnummer uit een al in de vuilcontainer van zijn flat gedeponeerde grijze zak gevist om te kunnen melden dat de eerste afspraak moet worden verzet vanwege een sterfgeval in de familie. ‘Ik ben er de hele middag mee bezig geweest, want ik zou niet gewild hebben dat u voor niets was gekomen. Ik heb de grijze zak opengemaakt en tussen de koffieprut en andere rotzooi zitten zoeken. En ik vond het ook nog’, zegt hij bijna triomfantelijk.
In de woonkamer van zijn gehuurde appartement op de vijfde etage van het enorme flatcomplex aan het Bachplein in Schiedam is geen voetbalherinnering te zien. Een groot wit bankstel bepaalt het nogal interieur. Naast een groot zeemansgezicht hangen er enkele stillevens en een kopie van de Nachtwacht plus enkele foto’s van de kleinkinderen. Er hangen spiegels en er staan meubels met Hinderlooper schilderwerk. Er blinkt veel, maar niet van de trofeeën. ‘Ik zou niet weten wanneer ik de winnaarsmedaille van de Europa Cup 1 voor het laatst heb gezien’, merkt hij op.
Romeijn is nu 70 jaar en is al negen jaar met werken gestopt. ‘Ben ik trots op de hondenlul-uitspraak? Nee hoor, dat niet. Maar misschien had ik er octrooi op moeten aanvragen.’
         Van der Burch ontvangt me de eerste keer in zijn eigen bedrijf SBR Vloeren en Interieuren BV langs de A4 in Rijswijk waar hij op 67-jarige leeftijd nog geen afscheid kan nemen hoewel een opvolger voor het directeurspluche is gevonden. ‘Ja, mijn uiterlijk heeft nog altijd voordelen. Ik word vaak meteen herkend als die voetballer. Ik ben niet veranderd, afgezien van die al die kilo’’s extra’, zo zegt hij. Van der Burch weegt tegenwoordig 118 kilogram schoon aan de haak bij een lengte van 1,78, terwijl hij in zijn tijd als profvoetballer een spijker was van nog geen 60 kilo.
: ‘Ik ben te zwaar natuurlijk. En als je ouder wordt, krimp je ook nog een paar centimeter, En dan lijkt het nog erger’, zegt hij tijdens het tweede bezoek in zijn eenvoudige rijtjeswoning aan de Sir Winston Churchilllaan in Rijswijk, waar hij sinds drie jaar met zijn vriendin woont. ‘Ik ben zakenman. En bij zaken doen hoort ook een etentje. Maar ik ben vandaag bij de arts geweest voor een keuring. En die vond dat ik nog geen pilletje nodig heb.’
Zijn vriendin is toevallig een aantal dagen in Engeland. ‘Wat wil je drinken? Koffie of thee zetten kan ik niet. Misschien een glas wijn. Ik heb ook cola.’ Hij pakt een blikje cola uit de koelkast en opent een tupperware-doosje met plakjes metworst.
Ook in zijn huis zijn weinig voetbalherinneringen te zien. Op kantoor wel. Jekkers spitsvondige zinsnede ‘Lekker kankeren op Theo van der Burch en die lange Van Vianen’ beschouwt hij als de beste reclame die hij ooit voor de zaak heeft gehad. Aan de wand van zijn kantoor in Rijswijk hangt daarom een schilderij met ADO-coryfeeën en de tekst ‘Mooie club achter de duinen’, naast een elftalfoto uit het seizoen 1965/1966.
‘En wie was er dan beter? Ik was de beste back van Nederland in die tijd’, zegt Van der Burch. ‘Niet alleen beter dan Romeijn, maar ook beter dan Wim Suurbier.. Ik voetbalde alleen voor de verkeerde club en daarom heb ik het Nederlands A-elftal niet gehaald. Maar ik heb wel in alle andere Oranje-elftallen gestaan: van Jong Oranje tot Nederland B. Ik ben daar zelfs aanvoerder geweest.’
Van der Burch heeft geen last van valse bescheidenheid. Toen niet, nu niet. Hij zegt de eerste opkomende rechtsback van Nederland te zijn geweest. En de eerste speler die elke dag trainde op de verre uitgooi. Kortom, hij was iemand die zijn tijd hier ver vooruit was. Voorbeelden in Nederland heeft hij daarom niet echt gehad. Zijn grote voorbeeld was de Belgische international Georges Heylens van Anderlecht totdat die ‘de domme fout’ beging zijn kale kruin onder een toupet te verbergen.
Romeijn heeft wel vier keer in het Nederlands elftal gespeeld. Hij scoorde zelfs met een schot in de kruising het tweede doelpunt in de met 3-1 gewonnen wedstrijd tegen de Sovjet-Unie, hoewel bondscoach George Kessler riep dat hij niet mocht schieten maar de bal moest voorzetten. ‘Ik speelde in Oranje samen met ondermeer Hans Eijkenbroek omdat de Ajax-spelers hadden bedankt. Suurbier had anders toch een streepje voor. Niet omdat hij zoveel beter was, maar omdat hij voor Ajax xpeelde.’
Van der Burch en Romeijn waren allebei (semi-)professionals die ongeveer tien jaar op het hoogste niveau speelden - tussen 1962 en 1971  Heel toevallig speelden ze op precies dezelfde dag hun allerlaatste wedstrijd voor hun club: op 28 november 1971. Op die dag speelde FC Den Haag thuis tegen een andere nieuwe fusieclub FC Utrecht.. Van der Burch stond in de basis, maar Leo van Veen zette de bezoekers in de eerste helft op een voorsprong, 0-1. Coach Vaclav Jezek besloot Van den Burgh tijdens de rust te vervangen door de nieuwe aankoop Thijs Wijngaarde. FC Den Haag speelde beter in de tweede helft en Sjaak Roggeveen maakte de gelijkmaker. Van der Burgh zou niet meer in het eerste staan.
            Ook Piet Romeijn speelde die dag zijn laatste wedstrijd voor Feyenoord 1 in een met 2-0 gewonnen wedstrijd van Sparta in De Kuip. Romeijn kwam een kwartier voor tijd in het veld als invaller voor Theo van Duivenbode. Hiermee kwam een einde aan twee lange en illustere carrières bij dezelfde club.
Van der Burch maakte zijn debuut voor ADO op 16 juni 1963 tegen Willem II. In totaal zou hij 211 wedstrijden spelen voor de club, 198 voor ADO en 13 voor FC Den Haag. Piet Romeijn maakte al een half jaar eerder, op 7 oktober 1962, zijn debuut in de wedstrijd DOS-Feyenoord (1-0). In totaal zou hij 201 competitiewedstrijden voor Feyenoord spelen en inclusief beker- en Europacup-wedstrijden 253 officiële duels.
Beide spelers waren oogappels van de briljante Ernst Happel. En ze waren allebei bluffers en gangmakers. Zowel Van der Burch als Romeijn speelde voor Jong Oranje. Het waren allebei tot verdedigers omgevormde spitsen. Ze deinsden er allebei niet voor terug de tegenstander met woorden of een tikje op de hielen duidelijk te maken dat er vandaag weinig eer te behalen zou zijn. In de befaamde Europa Cup-wedstrijd tegen toenmalig bekerhouder AC Milan in De Kuip op 26 november 1969 gaf Romeijn meteen na het beginsignaal sterspeler Prati een geweldige stomp. ‘Ik wilde hem niet blesseren. Ik wilde wel laten zien dat met Feyenoord niet te spotten valt’, zei hij na afloop van de met 2-0 gewonnen wedstrijd. En beide spelers verlieten hun club met de stille trom – de een met als afscheidscadeau een Parker-pen, de ander met een foto van een wedstrijdmoment dat hij zichzelf niet kon herinneren.
Her waren niet de sterren. Het waren vooral boegbeelden van onverzettelijkheid en symbolen voor de identiteit van hun clubs. Dat maakten ze buitengewoon populair. ‘Supporters zagen aan mijn hoofd dat de spelersbus van ADO er aan kwam’, zegt Theo van der Burch. Piet Romeijn straalde de werkersmentaliteit van het toenmalige Feyenoord uit. Met Veldhoen, Laseroms en Israel vormde hij een echte ‘hand in hand de kameraden’-verdediging. Opvallend was dat zowel Romeijn als Laseroms maar 1,72 meter waren en dat de Feyenoord-verdediging juist in de lucht niet te kloppen was dankzij de geweldige timing van beide verdedigers.
Beiden speelden in de gouden tijd van hun clubs. Romeijn stond in de basis van het elftal van Feyenoord dat twee keer de dubbel won en in 1970 voor de eerste en enige keer de Europacup 1 veroverde en het seizoen daarop in twee beladen duels tegen Estudiantes de wereldcup voor clubteams binnenhaalde.
Van der Burch was de rechtsback toen ADO na Ajax en Feyenoord de nummer drie van Nederland was. Negen seizoenen lang eindigde de club bij de eerste zes, vier keer werd de bekerfinale bereikt en een keer de finale van de Intertoto-competitie. ‘Gemiddeld kwamen er 19 duizend mensen naar onze thuiswedstrijden in het Zuiderpark. In topwedstrijden wel 28 duizend’, herinnert Van der Burch zich.
In het seizoen 1971/1972 werd de club bijna kampioen na een ongeslagen reeks van zeventien wedstrijden. Het Nederlands elftal haalde Van der Burch niet, maar hij zag als voetballer de hele wereld. Van der Burch bezocht met ADO onder meer Polen voor een reeks wedstrijden. In 1967 werd juist ADO uitgenodigd om met verschillende andere Europese topclubs zoals Wolverhampton Wanderers, Stoke City, Calgliari, Aberdeen, FC Dundee een  legendarische demonstratietournee door de VS te maken – toen nog een bijzonder exotisch voetballand.
De ADO-spelers die nog nooit een wolkenkrabber hadden gezien, sliepen in New York op de 132ste verdieping. Ze speelden met rug- en borstnummers, omdat ze herkenbaar moesten zijn op de televisie. ‘De Amerikanen waren hun tijd ver vooruit. Ze rekenden uit hoeveel tijd in een wedstrijd een speler op televisie te zien zou zijn aan de achterkant en aan de voorkant. Ook mochten we niet in onze eigen shirts spelen, maar moesten aantreden in een shirt van de sponsor.’
Veel spelers hadden heimwee. Van der Burch was volgens een van de vele anekdotes hevig verliefd en lag op zijn kamer voortdurend met een laken over zijn hoofd brieven te lezen van zijn vriendin Jopie Kuipers, die in het jeugdteam nog verkering had gehad met een van de andere spelers. Toen manager Eddy Hartmann er wat van zei, dreigde hij boos zijn koffers te pakken. ‘Krijg ik mijn tickets niet. Dan betaal ik het zelf wel. Ik ben morgen weg.’, zei hij tegen Hartmann en trainer Happel. Van der Burch zegt dat het verhaal anders in elkaar zit. ‘Ik weet dat we een avond naar de bioscoop moesten. Ik had daar geen zin in, omdat ik nu eenmaal geen Engels verstond. Dat versta ik nog steeds niet. Maar ik moest mee, want anders zou niemand gaan. Toen ben ik voor iedereen uit de bioscoop ingelopen, maar er tegelijkertijd weer uitgelopen. Aanvankelijk merkte niemand iets. Maar in de pauze viel ik door de mand. En toen klopte Hartmann ’s avonds bij terugkeer op mijn kamerdeur. Ik deed echter niet open en riep “morgen ben je de eerste”. Dat werd een geweldige rel.’ Theo zou in december van dat jaar met Jopie Kuipers trouwen. Vijf jaar geleden overleed zij aan longkanker.
Van der Burch liep in de VS ook een zonnesteek op. In Dallas speelde ADO bij een temperatuur van 42 graden Celsius. De zon brandde onbarmhartig op de kale kruin van Van der Burch. ‘Ik liep op een gegeven moment in een kring. Of de bal nu links of rechts langs mij kwam, ik bleef in een kring lopen. Bevangen door de warmte.’ Hoe je het op kon lossen? ‘Ik kreeg zouttabletten, maar daar werd ik kotsmisselijk van. Ik leerde dat je je alleen tegen warmte bescherm door veel water en bier te drinken.’
Van der Burch was in die tijd gek op filmen en maakte ook een eigen film in de VS. Toen de film terug in Den Haag na de training werd vertoond aan de andere spelers liep er een zwarte draad door het beeld. Een van de spelers vroeg Theo: ‘Wat is dat toch?’ Een andere riep: ‘Dat is een haar. Maar van wie?’ Een derde schreeuwde, kijkend naar de sterk uitgedunde haardos van Van der Burch. ‘Die is vast van Theo.’ Iedereen lag in een deuk.
Happel ontpopte zich in de VS als een bijna wrede dictator.  Hij trommelde soms om elf uur ’s avonds de spelers weer uit hun bed. ‘Was machtst du? Kaarten, zei hij dan. En na vijf minuten: Was gibt es zu trinken? Wodka. Dan moest je tot drie uur met hem kaarten.’ Van der Burch zegt dat hij meestal het maatje was van Happel als ze gingen klaverjassen. ‘We waren allebei heel goede klaverjassers en we konden allebei niet tegen ons verlies. Happel wilde altijd en overal kaarten. Ik weet dat hij onder middag heel vaak naar zijn vriend Willy Praga ging aan de Lange Poten om daar te kaarten.’
Over Happel gingen ook altijd verhalen over drankmisbruik. ‘Er zijn veel vermoedens geuit, maar er is geen enkel bewijs. Ik heb hem nooit dronken gezien. Wel rookte hij drie pakjes sigaretten per dag’, zegt Van der Burch. Ook volgens Romeijn was Happel geen alcoholist, hoewel hij in de tijd bij Feyenoord wel een keer werd aangehouden voor rijden onder invloed.
Van der Burch verdronk in de VS ook nog bijna een keer. Hij werd door zijn medespelers in een zwembad gejonast, terwijl niemand wist dat hij niet kon zwemmen. Elke keer als hij spartelend boven kwam, duwden zijn medespelers hem tot groot vermaak weer terug. Maar op een gegeven moment bleef hij zo lang onder dat Aad Mansveld onraad rook. Er ontstond grote paniek. ‘Ik kwam er uiteindelijk uit. Hoe? Ik weet het zelf niet meer.’ Overigens kan hij nog altijd niet zwemmen.
Van der Burch was een kind van de volksbuurt Schilderswijk. Net als Aad Mansveld (Laakkwartier) en Dick Advocaat (Transvaalbuurt) en Harrie Vos (Transvaalbuurt)  was hij een gewone Haagse volksjongen. Zijn vader was timmerman - Theo had nog een tweelingzus en een jongere zus.- en woonde aan de Vaillantlaan in een woningblok dat inmiddels is gesloopt. Zijn vader was zelf een uitstekende voetballer geweest – net als zijn neef Theo Kleindijk die ook voor ADO voetbalde – en de kleine Theo bleek al snel de goede familiegenen te bezitten.
Als kind had hij rossig haar – net als Romeijn. ‘Omdat mijn moeder mij kleedde met een rode broek en geel shirt kreeg ik op straat de bijnaam van ‘de kanarie’.’, vertelt hij. Dat hij de rode haarkleur deelde met Romeijn, is voor hem een teken aan de wand. ‘Ik denk dat mensen met rood haar uiteindelijk succesvoller zijn in het leven. Ze zijn fanatieker. Ze willen zich nog meer bewijzen.’
Hij zegt zelf niet onder zijn haarkleur of bijnaam te hebben geleden, want als voetballer was hij iedereen de baas. En tot zijn geluk viel zijn haar ook nog al snel uit. Op zevenjarige leeftijd werd hij lid van de amateurclub HMSH (Houdt Moedig Stand Haag) in een tijd dat kinderen eigenlijk pas op tienjarige leeftijd lid van een voetbalclub mochten worden. Maar toen Theo tien was zat hij al in het jeugdelftal van het grote ADO – een club die nog niet zo lang daarvoor (1942 en 1943) twee keer kampioen van Nederland was geworden en de ambitie had in de top van Nederland mee te willen spelen.
Het jeugdelftal van ADO was zo sterk (ook Aad Mansveld, René Pas en keeper Nico de Wit speelden daarin) dat Theo van der Burch in zeven seizoenen als jeugdspeler slechts één wedstrijd verloor. ‘We werden uit de competitie teruggetrokken omdat we te goed waren. We organiseerden uiteindelijk alleen nog onderlinge wedstrijden.’ Van der Burch speelde daar als linksbinnen in de voorhoede.
Op zijn 19de jaar maakte Van der Burch op die positie zijn debuut in het eerste profelftal van ADO. In het elftal speelden gevestigde sterren als de internationals Carol Schuurman, Mick Clavan, Guus Haak en als doelman ‘de lange’ Martin van Vianen. ‘Ik debuteerde tegen Willem II in de laatste wedstrijd van het seizoen. Het werd een gelijkspel waardoor Willem II degradeerde. Een week later moesten we weer tegen Willem II spelen in de bekerfinale. Toen verloren we met 3-0.’
Van der Burch herinnert zich nog dat de grote Mick Clavan hem in die tijd met de fiets van huis kwam afhalen. ‘Ik ging zitten op de stang, terwijl mijn sporttas op de koplamp rustte. Als je dat vergelijkt met het wagenpark van de spelers van nu….’
Een jaar later werd Ernst Happel als nieuwe trainer aangetrokken. ‘Hij kwam met de trein uit Wenen aan in Den Haag. Ik moest mee om hem van het station af te halen, omdat ik als enige zijn gezicht kende. Ik had meegedaan aan een jeugdtoernooi van Happels club Rapid Wien in Oostenrijk waar hij mij de prijs als beste speler had uitgereikt. Ik weet nog dat zijn koffers op de kolenkar van Sjaak Smit werden gegooid die voor de gelegenheid wel was schoongeveegd. Voor Happel stond een splinternieuwe auto klaar: een strijkijzer-Citroën.’
Happel was een enorme autoriteit die geen inspraak dulde, ook niet van de gevestigde sterren. Hij zei meteen niet van plan te zijn Nederlands te leren. ‘Helaas verstonden de meeste van ons geen Duits, maar hij kon zich heel goed duidelijk maken:  ‘Nur gucken und das Maul halten’. De vedetten Carol Schuurman en Mick Clavan werden uit het team gezet. Guus Haak werd voor 275 duizend gulden – toen de hoogste transfersom ooit – verkocht aan Feyenoord, want Happel had geld nodig om een nieuw team op te bouwen.
        Veel spelers die het eerste team van ADO niet meer haalde werden getransfereerd naar Holland Sport in Scheveningen dat in het Zuiderpark ADO II werd genoemd. Ook Martin van Vianen verhuisde naar Holland Sport, omdat Happel Ton Thie als doelman beter vond. Van der Burch en Van Vianen hebben zogezegd niet zo heel veel wedstrijden samen gespeeld, hoewel ze in Jekkers lied in één adem worden genoemd.
Van der Burch werd door Happel op de rechtsback-plaats gezet, Hij was daar zo verbolgen over dat hij aanvankelijk dreigde zijn contract in te leveren. ‘In de eerste drie wedstrijden op die plek stond ik tegenover Keizer, Moulijn en Verdonk. Ik speelde ze alledrie uit de wedstrijd. Daarna wilde ik nooit meer op een andere plaats staan.’
Van der Burch werd naast Mansveld een nieuwe vaste kracht in de defensie. Van der Burch had in alles een voorbeeldige inzet. Veel meer dan een timmermansdiploma had hij nooit gehaald. Maar hij ging studeren: handelsavondschool. En hij haalde zijn middenstandsdiploma en typediploma. Hij werd uiteindelijk op zijn 17de in dienst genomen als vertegenwoordiger bij een bedrijf in bouwmaterialen en tegels. Hij moest eerst postzegels plakken, maar de rap van de tong gesneden Van der Burch was al snel gepromoveerd tot vertegenwoordiger in de showroom.
Hij gebruikte bij het doen van zaken zijn bekendheid als voetballer. Klanten konden altijd een praatje met hem maken over het voetballen hij had altijd een paar ADO-kaartjes bij de hand om een order te bezegelen. Van der Burch was al gauw in zijn werk bloedfanatiek als op het veld. Als hij niet hoefde te trainen was hij van  ’s morgens zeven tot ’s avonds elf op de zaak. En zaterdag en zondag stonden in dienst van het voetbal. Van der Burch was de ideale semi-professional van de jaren zestig – iemand die naast zijn carrière als voetballer al aan de toekomst dacht.
Happel wist Van der Burch te waarderen. Maar de Oostenrijker kon ook in woede onsteken.. Zo gooide hij een keer Van der Burchs schoenen in de sloot, omdat die de dag daarvoor vanwege zijn huwelijk niet op de training was verschenen. ‘Dat is niets voor jou’.
De terriërmentaliteit van Van der Burch werd in de eredivisie even berucht als zijn kale hoofd.  Veel linksbuiten vreesden de wedstrijden tegen ADO in de jaren zestig. Het “Van der Burch-complex’ werd een begrip. Coen Moulijn met zijn passeerbeweging  – binnendoor of buitenom – had bijna altijd een slechte middag als hij oog in oog stond met Van der Burch. ‘Moulijn moest de bal altijd aangespeeld krijgen door Cor Veldhoen. Ik wist dat en sprong er dan telkens voor. En dan begon Coen te schelden op Cor. “Waarom speel je de bal niet eerder?”. En dan gooide ik wat olie op het vuur.’  Coen Moulijn erkent dat hij het altijd moeilijk had tegen Van der Burch, hoewel hij het woord complex wat overdreven vindt. ‘Hij speelde altijd goed tegen mij. Meestal werd ik door hem uitgeschakeld.’
Keizer kreeg tegen Van der Burch geen tijd voor zijn fameuze schaar. ‘Piet Keizer speelde een keer de bal tussen mijn benen en stond daarna te lachen. Ik zei meteen tegen hem: ‘binnen vijf minuten ben je uit de wedstrijd’ – en binnen vijf minuten was hij ook uit de wedstrijd.’
Van der Burch moest het vooral ook van zijn werklust hebben. ‘Er is nooit een speler geweest die twee duels tegen mij goed heeft gespeeld. Als hij mij de eerste wedstrijd in de luren legde, dan was ik de tweede zo geconcentreerd dat ie geen kans tegen mij had.’
Van der Burch speelde graag het man tegen man-duel en schuwde daarbij de benen van de tegenstander niet als hij de bal niet kon raken. ‘Ik kon afhankelijk van de positie met beide benen een sliding maken. Maar ik deed het nooit met beide benen tegelijkertijd.’
Zijn moeilijke tegenstander? Gerard Hoenen die in de jaren zestig achtereenvolgens bij PSV en MVV speelde. ‘Die raakte de ballen altijd maar een keer. Hij gaf ze meteen af, meestal door ze terug te leggen.’

Theo vd Burch (linksboven)
Zijn opvallende uiterlijk zorgde ervoor dat Van der Burch een mikpunt werd van supporters, zowel van zijn eigen club als die van de tegenstander. Hij was kaal in een periode waarin The Beatles en hippies de haarmode bepaalden. In het Zuiderpark leidden vooral de kopballen van Van der Burch tot veel hilariteit omdat de bal hoorbaar tegen zijn kale kruin ketste. Van der Burch was geen groot kopper – in tegenstelling tot de meest kale voetballers – en raakte de bal nogal eens verkeerd. ‘Krijte – Theo – krijte’, riep het stadion dan.  Hij leed er niet onder. Integendeel. ‘In het begin vond ik het vervelend dat mijn haar uitviel. Later heb ik er alleen maar publiciteit uitgeslagen. Dat hoofd van mij is mijn handelsmerk geworden. Ik kwam makkelijker ergens binnen dan een minister.’ Scheldpartijen van de tribunes deden hem niets. ‘In uitwedstrijden werk ik altijd uitgescholden. Pleuriskale, kankerkale, tyfuskale. Ik kreeg van alles naar mijn kop. Maar het prikkelde mij alleen maar om nog beter te gaan spelen.’
Van der Burch die uiteindelijk 30 duizend gulden per jaar verdiende – toen een topsalaris – besloot het met voetbal verdiende geld en de vele publiciteit rond zijn persoon te gebruiken voor het opzetten van een eigen zaak. In 1967 opende hij zijn eigen vloeren- en interieurbedrijf in Rijswijk. Aannemers konden bij hem in één pakket de hele inrichting van nieuwbouwwoningen regelen. Supporters haakten er meteen op in en riepen dat hij een Heugafelt-tegel op zijn eigen hoofd zou moeten leggen. Van der Burch wist ook het voetbal te gebruiken om zijn vloeren te promoten. ‘De journalisten van De Haagsche Courant en andere bladen verdienden in die tijd bitter weinig. Ik verdiende vier keer zoveel.. Dus ik gaf ze wat als ze mijn bedrijf in het wedstrijdverslag noemde.’
Van der Burch was een belangrijke gangmaker in de ploeg. Toen ADO na vijf competitiewedstrijden een keer stijf onderaan stond, zei Happel dat een deel van de spelers na de training van donderdagavond de koppen bij elkaar zouden moeten steken. Van der Burch: ‘Het werd een heel gezellige avond met veel drank. De traditie van die donderdagavondbijeenkomst hebben we in ere gehouden en we werden dat jaar gewoon weer derde.’ Van der Burch is niet bang met boute stellingen naar buiten te komen. Maar zijn herinnering is af en toe selectief. Zo beweerde hij ooit in een televisie-uitzending dat ADO in zijn periode bij de club nooit van Holland Sport had verloren. Prompt zonden Holland Sport-fans beelden op van een wedstrijd die door Holland Sport met 4-2 werd gewonnen en waarin Van der Burch ook nog werd weggetikt.
ADO won in 1968 de KNVB-beker. Twee jaar later stond de club zelfs aan de top van de eredivisie. Er werd ook Europees gespeeld. Fameus is de uitwedstrijd tegen Wolverhampton Wanderers, die ADO na al thuis al met 3-1 te hebben verloren met 4-0 verloor. Van der Burch scoorde wel, net zoals twee andere ADO-spelers (Aad Mansveld en Kees Weimar), maar in eigen doel.  Het toenmalige Haagse dagblad Het Vaderland schreef in het wedstrijdverslag dat de Britse supporters al begonnen te juichen als een ADO-speler aan de bal kwam.
Toch kreeg Van der Burch ook erkenning buiten Den Haag. Borussia Dortmund en Anderlecht die toen tot de top van Europa behoorden, informeerden bij ADO naar een mogelijke transfer. En ook Ajax had interesse. Wat Van der Burch op rechts kon, zou hij misschien in de hoofdstad ook op links kunnen. ‘Eigenlijk was het al bijna rond. Ik zou 50 duizend gulden gaan verdienen. En dan ga je denken aan auto’s en tweede huizen. Dus toen Ajax mij kwam scouten, liep ik met mijn hoofd in de wolken en presteerde niets. Volgens mij zijn ze toen verder gegaan met Ruud Krol.’
Happel vertrok in dat jaar naar Feyenoord en met diens opvolger Vaclav Jezek kon Van der Burch het slechter vinden. ‘De tactische besprekingen van Happel waren altijd kort: vijf minuten voor de wedstrijd tegen Feyenoord en helemaal niet tegen Volendam omdat we toch wel zouden winnen. Maar Jezek kwam uit het Oostblok. En als die met een rede van twintig minuten begon, stopte die echt niet na negentien minuten.’
Van der Burch was iemand die geen blad voor de mond nam en ongezouten zijn mening naar buiten bracht. Dat werd niet altijd op prijs gesteld. Toen Van der Burch openlijk in de media solliciteerde naar de rechtsbackplaats bij het Nederlands elftal (de kop boven een artikel in Voetbal International was: ‘In naam van Theo van der Burch, doe open de poort naar Oranje’), besloot bondscoach George Kessler hem juist niet te selecteren onder het motto: ‘mensen die vragen worden overgeslagen’. Van der Burch baalde. Toen Kessler hem een keer als B-international opdroeg de stoelen bij de etenstafel recht te zetten, weigerde hij. Van der Burch zou niet meer voor een nationaal team worden opgeroepen.
    In 1971 fuseerde ADO met Holland Sport tot FC Den Haag. Het was het begin van de teloorgang van Den Haag als de grootste voetbalstad van Nederland. Het aantal clubs zou snel verminderen en FC Den Haag zou nog zelden een hoofdrol spelen in de hoogste divisie.
Van der Burch zou weigeren de nieuwe naam te gebruiken en bleef de club ADO noemen. ‘Bij mij heeft clubliefde wel degelijk meegespeeld. Ik kwam op mijn negende bij ADO in het rode shirtje van HMSH. Daar had mijn vader een groene baan op gestikt. Zulke dingen vergeet je nooit.’
FC Den Haag kocht van Telstar een nieuwe rechtsback met de naam van Thijs Wijngaarde – iemand die volgens Theo van der Burch wel harder kon lopen maar niet beter kon voetballen. . Van der Burch belandde langzaam op het tweede plan. Over de wedstrijd tegen FC Utrecht – een andere fusieclub – scheef VI: ‘De momenten van net-geen-goal bleven mede door het uitstekende werk van Thie en het kale hoofd van Van der Burch aanvankelijk overheersen.’ Maar later constateerde het voetbalblad: ‘Bonsink tikte Van der Burch volkomen zoek’.
De rechtsback verhuisde vlak daarna naar het B-elftal. Vrijwillig, riep hij, ‘want als ik zou willen dan zou ik nog gewoon in het eerste staan.’ Van der Burch bleef zelfs in het tweede de populairste speler van FC Den Haag. Maar twee jaar nadat ADO opgehouden had te bestaan stopte Van der Burch, pas 29 jaar oud, nadat de KNVB besluit de competitie voor B-elftallen af te schaffen. ‘Het voetbal moet blijkbaar saaier worden. Populairiteitsfiguren zoals Harrie Vos en ik mogen niet meer spelen.’
Hij voetbalde nog enige tijd bij de amateurs van RVC die hij de tweede club van Den Haag wilde maken. Zijn afscheid was geruisloos. Er was geen benefiet, geen feest. ‘Het aantal bloemetjes dat ik heb gekregen was op de vingers van een hand te tellen’, spoot hij zijn gram in Voetbal International. Zijn enige afscheidsgeschenk was een foto – ‘van een spelmoment dat ik mij niet eens kan herinneren’. Gelukkig had hij met zijn eigen zaak al een nieuwe uitdaging gecreëerd voor een nieuwe carriere na het voetbal. Van der Burch Vloeren BV had al acht werknemers. Een daarvan was ADO-collega Dick Advocaat. ‘Hij ging de administratie doen. Moet je voorstellen dat hij later juist hij de koning van Rusland is geworden.’ Advocaat die nu trainer is van het nationale team van België, zegt dat hij zo’n anderhalf jaar bij Van der Burchs bedrijfje werkte. ‘En ik heb er ook nog wat geleerd’.
Ook Lex Schoenmaker en Aad Mansveld zouden ook enige tijd bij Van der Burch werken.
Lex Schoenmaker: ‘Theo koketteert er wel een beetje mee. Ik heb hem in 1991 een tijdje geholpen, omdat ik toen weinig te doen had in de ochtend. Hij heeft het met zijn zaak niet gemakkelijk gehad. Hij is ook een keer failliet gegaan. Maar hij is een doorzetter. Hij begon gewoon weer opnieuw. Hij was eigen baas en wilde eigen baas blijven.’
Piet Romeijn oogt in vergelijking tot Van der Burch nog als een echte atleet. Hij is slank en gespierd. Zijn dikke haardos is nog in tact, zij het dat zijn rode haar enigszins vergrijsd is. Maar hij erkent dat hij de laatste jaren veel gezondheidsproblemen heeft gehad. Hij heeft een nieuwe bloedvat gekregen in zijn been. Naast trombose had hij ook een longembolie. Toen hij daarvoor in het ziekenhuis belandde, werd tevens prostaatkanker geconstateerd. ‘Er is de laatste jaren veel aan mij gesleuteld’, stelt hij lachend. Iedereen in zijn omgeving kent hem dan ook als een geboren optimist.
De voormalige Feyenoorder werd als Pieter Dirk Gerrit Romeijn op 10 september 1939 geboren in de arbeiderswijk De Gorzen in Schiedam. Zijn vader die ook Piet heette, werkte bij de plaatselijke superfosfaatfabriek. Op negenjarige leeftijd werd Pietje zoals hij toen genoemd  lid van de nabij gelegen voetbalclub SVV. ‘Ik had mij aangemeld als keeper. Maar er waren al twee andere keepers en die jongens waren langer dan ik. Zij kregen de voorkeur, dus ik moest maar midvoor worden.’ In zijn allereerste wedstrijd scoorde hij meteen drie doelpunten. Het betekende het einde van zijn keeperambities.
Hij zou in de spits blijven spelen tot en met de junioren en honderden doelpunten scoren. Op zijn zestiende jaar maakte hij zijn debuut in het eerste elftal van SVV dat toen in de tweede divisie van het betaalde voetbal uitkwam. ‘Toevallig op de rechtsbackpositie, omdat daar een plaats vacant was.’ Hij zou de rest van zijn carrière op die positie blijven spelen. De eerste wedstrijd was tegen Haarlem. ‘Mijn directe tegenstander was oud-international Piet Groeneveld. Ik ging nogal tegen hem tekeer en schopte hem twee keer de goot in. Daarna maanden de andere oudere spelers mij tot kalmte en ging het een stuk beter.’
Piet Romeijn bleek al snel een af en toe driftig baasje te zijn die moeilijk de autoriteit van scheidsrechters kon accepteren. ‘Ik ben geen type voor hard voetbal. Maar als het nodig is, dan ga ik het niet uit de weg’, riep hij. Op zijn 18de jaar speelde hij met de UEFA-jeugd tegen België, in een team met Willy van der Kuylen, Piet de Vries, Jan Villerius en zijn latere Feyenoord-maatje Cor Veldhoen.
Drie minuten voor tijd toen Nederland met 3-2 voorstond kregen de Belgen een penalty. Romeijn begon een felle discussie met de Franse scheidsrechter, waarna op het veld de nodige geharrewar ontstond. Hij werd uit het veld gestuurd. De straf was ongekend zwaar – een uitsluiting van twee jaar voor vertegenwoordigende teams en een schorsing van acht wedstrijden voor SVV.  Romeijn zegt alleen veel misbaar gemaakt te hebben tegen de scheidsrechter. ‘Frans sprak ik echt niet. Maar blijkbaar begreep hij wat ik zei’, zo verklaart hij de ongekend hoge straf.
Hij viel echter ook al gauw op als een groot talent. Scouts van GVAV, Sparta en PSV kwamen langs. Maar Romeijn bleef tot zijn 23ste jaar bij SVV totdat Feyenoord-manager Brox aanklopte. ‘Ik wist dat ze mij bij Feyenoord wilde hebben en daar heb ik op gewacht.’ Brox zag in hem de ideale vervanger voor Gerard Kerkum die had aangekondigd te willen stoppen. Voor 65 duizend gulden werd Romeijn op 27 juli 1962 getransfereerd naar Feyenoord.
Voorlopig zat Romeijn nog op de bank bij Feyenoord dat in zijn eerste seizoen ondermeer de halve finale van de Europacup tegen Benfica speelde. Romeijn mocht mee naar Lissabon, maar speelde daar niet. Hij zou zijn debuut maken in een wedstrijd tegen DOS onder de toenmalige coach Franz Fuchs. ‘Vergeleken met Kerkum was ik een lieverdje. Die was hard en gemeen. Ik weet een keer dat een speler van Lausanne na een Europa Cup-wedstrijd totaal onder het bloed en met een halve arm het veld afkwam nadat hij tegen Kerkum had gestaan.’
Romeijn speelde in Feyenoord toen met ervaren cracks als Jan Klaassens, Eddy Pieters Graafland,  Frans Bouwmeester, Rinus Bennaars, Reinier Kreijermaat, Pummy Bergholtz, Henk Schouten en natuurlijk Coen Moulijn.
Van het voetballen kon Romeijn niet leven. ‘Ik zag nooit geld. Wat Feyenoord betaalde, ging naar mijn ouders. Op mijn vijftiende was ik al begonnen met werken bij Hoek Loos, een producent van industriële gassen. Daarna was ik dakbedekker geworden.
Op een keer kwam de nieuwe coach Willy Kment langs de bouwplaats en zag mij daar grint scheppen. Ik bracht zakken van vijftig kilo op mijn schouder de ladder op. “Dat is geen werk voor een voetballer”, riep hij. Ik moest maar wat anders gaan doen. Kment ging werk voor mij zoeken en vond een baantje bij het expeditie- en scheepsbevrachtingsbedrijf Transimex.dat in handen was van de voorzitter van de supportersclub.’ Hij kon hier terecht als controller voor twee uur per dag – van zeven tot negen elke ochtend. Vier keer per week kon hij nu gaan trainen. ‘En dat is ook echt nodig als je in het eerste van Feyenoord wil spelen’, zei hij toen. Romeijn maakte in dat jaar ook zijn debuut in Jong Oranje waar hij aanvoerder werd.
Romeijn ging als jonge semi-prof na het werk met de scooter naar de training in De Kuip Op de training hadden de spelers altijd de grootste lol. Romeijn was gek op geintjes. Maar Henk Schouten was toen nog de grootste gangmaker. Romeijn herinnert zich nog hoe hij een keer met het burgerkloffie van de nieuwe aanwinst Hans Kraay onder de douche ging staan. ‘Kraay was de meest serieuze speler van het team. Een week eerder was Pummy Bergholtz met mijn plunje onder de douche geweest en Kraay moest er geweldig om lachen. Toen Schouten een week later met iemand anders kleren en een afgeknipte stropdas onder de douche stond, moest Kraay weer lachen totdat hij ontdekte dat het zijn kleren waren. Hij werd toch kwaad.’. Een andere keer arriveerde Schouten in een overhemd waar uit het borstzakje duizend gulden stak  ‘We hebben allemaal opslag gehad’, grapte hij tegen Kraay die van niks wist en meteen naar boven rende om verhaal te halen bij manager Brox.
In 1965 werd hij voor het eerst met Feyenoord kampioen van Nederland. In de eerste ronde van de Europacup speelde Feyenoord versterkt met nieuwe aankopen als Hans Venneker, Piet Fransen en de Zweed Harry Bild tegen het fameuze Real Madrid.van Gento, Amancio en Puskas.
Het werden twee beruchte wedstrijden. In de thuiswedstrijd op 8 september begon Feyenoord uitstekend met de buitenspelers Coen Moulijn en Frans Bouwmeester als uitblinkers. Maar Venneker kon de kansen niet benutten. Real scoorde uit een uitval 1-0 en probeerde daarna met steeds hardere charges Feyenoord van scoren af te houden. Hans Kraay kreeg een schop van Pachin in zijn gezicht en moest met een bloedend hoofd verder spelen. Pas een kwartier voor tijd maakte Venneker gelijk. Het werd 2-1 nadat Kruiver doelman Betancourt het spelen onmogelijk had gemaakt. Real was ziedend en zon op wraak. Doelwit was Coen Moulijn die door de Madrileense back Miera vlak voor tijd onderuit werd geschoffeld. Moulijn zette bij wijze van hoge uitzondering de achtervolging in op de speler om hem een schop te verkopen. Miera liep in paniek juist de kant op waar de Feyenoord-spelers onder wie Romeijn zich hadden verzameld. Uiteindelijk slaagde Piet Kruiver erin hem tegen de grond te schoppen. De wilde klopjacht eindigde in een massale vechtpartij toen ook het publiek het veld opstroomde. Puskas schopte een Feyenoord-fan in zijn kruis. Het televisiecommentator van
Bob Spaak was legendarisch: ‘Coen, Coen! Behéérs je alsjeblieft, Jongens, jongens, dit kan toch niet. Dit kan toch niet! Wat een afschuwelijke vertoning.’ Romeijn gniffelend: ‘Ik stond aan de andere kant van het veld, maar wist niet hoe snel ik er bij moest zijn..’
Feyenoord won met 2-1, maar werd in Madrid met 5-0 verpulverd. Romeijn zag alleen de hielen van vleugelspits Gento, zo erkent hij. ‘We kregen de rekening gepresenteerd. Piet Fransen moest Puskas dekken. Ik weet niet waar die mee bezig was. Maar Puskas dekte hij niet. Gento liep mij voorbij, gaf de bal aan Puskas en die schoot er vier in.’
Ben Peeters werd in 1967 de nieuwe trainer van Feyenoord. Hij wilde van Feyenoord het fitste elftal van Nederland maken. ‘Elke dag drie kwartier conditietraining’, herinnert Romeijn zich. ‘Ik had er voordeel van, want ik kon mij nu ontwikkelen tot opkomende back.’ Maar Romeijn bleef zijn problemen met scheidsrechters houden. Opnieuw werd een heel nieuw elftal gecreëerd. Spelers als Rinus Israel en de Zweedse spits Ove Kindvall kwamen naar Feyenoord. In maart 1967 kwam Piet Romeijn opnieuw in opspraak. Hij zou grensrechter Van Dorp voor imbeciel hebben uitgescholden tijdens de wedstrijd Feyenoord-DOS. Van Dorp zei er in de wedstrijd niets over, maar de scheidsrechter noteerde op zijn advies wel een officiële waarschuwing op het wedstrijdformulier dat na de wedstrijd werd opgemaakt. Romeijn en ook Israel die eveneens iets onaardigs had gezegd, werden daarna door de KNVB voor drie wedstrijden geschorst. Ze misten daardoor de topontmoeting tegen Ajax. Voorzitter Kieboom en manager Brox waren woedend en namen het woord klassejustitie in de mond.
Het zou niet het laatste incident rond Piet Romeijn zijn. Op 26 januari 1969 speelde Feyenoord uit bij AZ’67. Kindvall scoorde maar Siem Tijm maakte voor de Alkmaarders gelijk. Feyenoorder Henk Wery kreeg tijdens de wedstrijd ruzie met Bob van Rijssel. De Alkmaarse persfotograaf Ed Lohman wilde het incident gaan vastleggen, maar Piet Romeijn was er als de kippen bij en haalde uit. Lohman viel op het bevroren veld, scheurde zijn broek en hield er een pijnlijke knie aan over. Hij zocht de publiciteit en eiste dat Romeijn schriftelijk zijn excuses zal aanbieden omdat anders een rechtszaak dreigde. De zaak liep met een sisser af. ‘Ik kan mij niet herinneren dat ik ooit mijn excuses heb gemaakt.’
Feyenoord won de dubbel in 1969 en mocht het nieuwe seizoen onder de nieuwe coach Ernst Happel opnieuw in de Europacup 1 uitkomen een jaar nadat Ajax daar de finale had bereikt, waarin het door AC Milan vernietigend was verslagen door ondermeer een hattrick van Pierino Prati.
De nieuwe sterren van Feyenoord waren met name te vinden op het middenveld met de van Xerxes overgenomen Wim van Hanegem, de Oostenrijker Franz Hasil en Wim Jansen uit de eigen jeugdopleiding, Romeijn vormde met Israel, Theo Laseroms en Cor Veldhoen een sterke en keiharde verdediging. ‘Het motto was Theo vangt ze op en Rinus schopt ze onderuit’, zegt Romeijn. Happel kon oogsten wat Brox en Ben Peeters hadden gezaaid: een talentvolle ploeg die een ijzersterke conditie had. Hij bracht discipline in het team. ‘Zo mochten we als spelers niet meer roken, terwijl Happel zelf de hele tijd rookte, behalve in de spelersbus. Want dat kon absoluut niet. ‘Laseroms en ik rookten wel eens stiekem achterin. In een wedstrijd tegen GVAV in Groningen werd Laseroms een keer betrapt door Happel. Hij werd meteen op de trein terug naar Rotterdam gezet.’
In de tweede ronde van de Europa Cup speelde Feyenoord tegen bekerhouder AC Milan.. ‘Voor de eerste wedstrijd waren we al voor het weekeinde naar Milaan gereisd, zodat we zondags de derby Inter tegen AC Milan zouden kunnen zien. .’Inter had Tarisco Burgnich op Prati gezet. Die liep steeds naar voren waardoor Prati achter hem aan moest lopen. “Zo doe jij het woensdag ook’, zei Happel tegen mij. En dat lukte ook zo.’
Feyenoord verloor daar niettemin met 1-0 maar won thuis met 2-0. Voor Romeijn is die wedstrijd nog altijd de beste uit de geschiedenis van de club. ‘Ik denk niet dat er ooit nog zo’n geweldige sfeer in de Kuip is geweest.’ Romeijn gaf Prati in de eerste minuut al een stomp in de buik. ‘Niet uit onsportiviteit, maar om te laten zien dat ik er sta.’ In de rest van de wedstrijd had hij geen kind meer aan de Italiaanse ster.
Op 7 december - vlak na de overwinning op AC Milan - speelde Feyenoord in de competitie uit tegen FC Twente. Dankzij een doelpunt van Kindvall nam Feyenoord de leiding. Vlak voor tijd sloot scheidsrechter Arie van Gemert voor een overtreding van Theo van Duivenbode zonder dat er volgens de boze Feyenoorders iets onreglementairs is gebeurd. De vrije trap leidde tot een hoekschop van Antal Nagy die door Theo Pahlplatz werd verzilverd, 1-1.  Vlak daarna werd Romeijn getorpedeerd, maar hij kreeg geen vrije trap. De Feyenoorder was des duivels. Als Van Gemert vlak daarop af floot, liep Romeijn op hem af en zei “Bedankt voor de leiding, hondenlul”. Romeijn nu: ‘Waarom dat woord? Het flapte er zo uit. Ik had ook paardenlul kunnen zeggen. Ik wilde na afloop mijn excuses aanbieden, maar Van Gemert weigerde mij te ontvangen. Hij was zwaar beledigd, ook omdat vlak daarvoor zijn eigen hond was overleden – en maakte er rapport over op dat naar de KNVB werd gestuurd.’
Van Gemert ontkende echter dat de Feyenoorder excuses had willen maken. ‘Alleen aanvoerder Israel is bij mij in de kleedkamer geweest en die heeft er niets over gezegd.’ Hij erkende dat hij vanwege de dood van zijn eigen hondje nogal overstuur was van de opmerking en misschien Romeijn niet had genoteerd als hij ‘kikker’ of ‘kattenmepper’ had gezegd – scheldwoorden die toen in de eredivisie vrij gebruikelijk waren – maar het woord hondenlul had hij nog nooit gehoord. De zaak werd tot enorme proporties opgeklopt. Kranten interviewden in de dagen daarop massaal clubbestuurders en andere scheidsrechters om de mening over het incident te vragen. De Volkskrant hield op 8 december 1969 zelfs een mini-enquëte waarin de scheidsrechters Van Ravens, Boosten, Derks en Dorpmans zich pal achter collega Van Gemert opstelden. Het woord hondenlul kon absoluut niet.
        Feyenoord probeerde ermee weg te komen. Romeijn moest voor de tuchtcommissie in Zeist verschijnen en arriveerde daar samen met een hele delegatie onder wie voorzitter Cor Kieboom en manager Guus Brox. Op advies van Kieboom zei Romeijn dat hij “Bedankt, onbenul” had gezegd en niet ‘hondenlul’. Niemand geloofde hem. De zaak leidde daardoor nog tot meer publiciteit.. De KNVB legde hem uiteindelijk een boete op van 350 gulden – betaald uit de gezamenlijke boetepot van de spelers. ‘De kranten bleven erover schrijven. Ik kreeg thuis tientallen brieven van boze hondenbezitters die vonden dat ik hun dier had beledigd ’ Maar dat het een gevleugeld gezegde zou worden in voetbalstadions had hij nooit verwacht. Toon Hermans gebruikte de uitdrukking later zelfs voor een van zijn shows maar dan als ‘Hi Ha Holland’.
Feyenoord strafte Romeijn zelf ook. De speler werd te verstaan gegeven zich in het veld gedisciplineerder te gedragen.en niet zo driftig uit te vallen. Op 4 maart 1970 – aan de vooravond van de kwartfinalewedstrijd in de Europacup tegen Vorwärts Berlin in Oost-Berlijn – uitte hij hierover al zo zijn twijfels. ‘Een scheidsrechter maakt fouten en wij maken ook fouten. Maar wat wil je. Je bent gespannen en geprikkeld. Je flapt er wel eens wat uit. Hoe het komt? Ik weet het niet. De laatste tijd gaat het gelukkig weer. Mijn vrouw zegt wel eens: “Piet houd je mond dicht”. Ik doe mijn best, want liever wil ik zulke geintjes niet meer hebben.’ Zijn vrouw Nel zat die avond in het Walter Ullbricht Stadion op de tribune. ‘Ik heb een angstig voorgevoel. Noem het vrouwelijke intuïtie. Ik heb Piet nog even gezegd: ‘Je houdt je wel rustig’.
De wedstrijd vond plaats in ijzige omstandigheden. De linksbuiten van Vorwärts, Jürgen Piepenburg, was een even irritante als gevaarlijke speler. Hij scoorde in de tweede helft het eerste doelpunt voor Vorwärts Berlin. Een minuut later gaf Romeijn hem een stomp in de maag zoals hij eerder tegen Prati had gedaan. Maar dit keer werd het wel gezien door de grensrechter. En de Britse scheidsrechter Ken Jones stuurde Romeijn het veld uit, ‘Wim Jansen werd door die speler getreiterd. En hij zei dat tegen mij. Toen ging die Piepenburg ineens op mijn voeren staan en gaf ik hem een klap in zijn maag.’
Piet Romeijn (dan al 30) vreesde na de wedstrijd voor zijn carrière. ‘Ik ben de bus ingegaan en heb praktisch de hele avond niets meer gezegd. Ik weet niet wat het met me is. Buiten het veld ben ik een rustige jongen. Maar binnen de lijnen handel ik te impulsief. Dan ben ik een heel ander mens. Een verkeerd mens, wel te verstaan. Ik ben heel stom geweest. En die boetes die gaan wel in de papieren lopen’, reageerde hij na afloop.
Hij werd niet alleen beboet. Romeijn werd door de UEFA voor drie wedstrijden geschorst en miste de thuiswedstrijd tegen Vorwärts en de beide halve finales tegen Legia Warschau. Guus Haak verving hem, hoewel ook Ruud Geels als gelegenheidsback speelde. Romeijn ging wel mee naar Warschau – ‘als begeleiders van de spelersvouwen’, lacht hij nu.
In de finale tegen Celtic zette Ernst Happel Romeijn toch weer gewoon weer in de basis in plaats van Guus Haak. Haak, die evenals Van der Burch in Den Haag geboren was en  bijna tien jaar voor ADO speelde voordat hij werd getransfereerd naar Feyenoord, is daar nog altijd boos over. In vergelijking tot Van der Burch en Romeijn was hij een speler die het vooral van zijn techniek moest hebben en zo statig over het veld liep dat hij de Nederlandse  Franz Beckenbauer werd genoemd. ‘Als we hadden gewonnen maar mijn broekje was vies dan had ik zelf verloren. Ik maakte nooit een sliding, omdat ik het zag als wapen van de onmacht. Als je een sliding moest maken, was je te laat’, zegt hij nu.
Haak speelde bij Feyenoord vooral als middenvelder, maar werd door Happel als stand-in als rechtsback gebruikt. Hij deed het zo goed dat hij dacht ook in de finale te kunnen spelen. Dat zou hij ook doen, maar pas in de verlenging als plaatsvervanger voor Romeijn – vol opgekropte woede. ‘Gustav, du spielst’, had Happel eerder tegen me gezegd. Maar toen ik in Milaan vier uur ’s middags de opstelling moest gaan lezen op de deur van de kleedkamer, bleek is niet in de basis te staan. Ik rende naar Happel en riep “je bent een Oostenrijker en net zo erg als Hitler’. Hij trok zich er uiteraard niets van aan.’
Basisspeler Romeijn wist de grote Murdoch van Celtic zonder problemen te bedwingen. Hij beleefde zijn hoogtepunt de dag naar de finale tegen Celtic toen Feyenoord op de Coolsingel met de cup door een kwart miljoen uitzinnige Rotterdammers werd toegejuicht. ‘Allejezus’ riep Romeijn tegen een verslaggever. ‘Dat ik dit nog mag meemaken.’
Het seizoen 1970/1971 was het laatste van Romeijn als basisspeler in het eerste van Feyenoord. In de transferperiode was van Go Ahead Dick Schneider gehaald als vervanger voor de gestopte Guus Haak. Maar Romeijn stond in de basis in de beide wedstrijden tegen Estudiantes voor de wereldcup.. ‘Vooral de reis naar Argentinië is mij bijgebleven. We trainden bij Boca Juniors op een veld dat omringd was door politiebusjes. We werden zelf ook vervoerd in getraliede busjes. Ik weet dat we voor de wedstrijd het veld opkwamen en het munten regende. Johan Boskamp liep daardoor een gat in zijn hoofd op. Eerst zouden we niet spelen, toen deden we het toch. De wedstrijd in Buenos Aires eindigde in 2-2. Thuis won Feyenoord met 1-0 dankzij het doelpunt van Joop van Daele.
De deceptie kwam al snel – de uitschakeling in de eerste ronde van de Europacup door toedoen van het nietige Ut Arad uit Roemenië. ‘Pure ellende’, zo beschrijft Romeijn het. Maar het seizoen werd succesvol afgesloten met het kampioenschap. Na de in De Kuip tegen Haarlem behaalde titel verzekerde Brox Romeijn dat hij onmisbaar zou blijven voor Feyenoord. Maar Romeijn kwam daarna nauwelijks in actie, behalve dan in enkele vriendschappelijke wedstrijden en nog een keer als invaller in zijn laatste wedstrijd tegen Sparta. Happel had hem laten vallen en Romeijn belandde in het B-elftal. ‘Verschrikkelijk’, liet hij iedereen weten. ‘Mensen die je altijd de groeten doen, zien je nu ineens niet meer staan. Daardoor kon ik mij ook niet meer voor het tweede elftal motiveren.’
Aan het einde van het seizoen nam Coen Moulijn afscheid met een benefietwedstrijd tegen het nationale elftal van Uruguay. Romeijn verliet Feyenoord ook, maar door de achterdeur. Het bestuur gaf hem een Parker-pennenset als afscheidscadeau plus een bloemetje voor zijn vrouw. Het contrast met het grootse feest voor Moulijn was zo groot dat de spelers medelijden met hem hebben en in een collecte duizend gulden ophaalden dat ze in een gesloten enveloppe stopten.
Romeijn keerde daarmee terug naar Schiedam, waar hij met ingang van het seizoen 1972/73 weer voor SVV ging spelen dat op dat moment uitkwam in de eerste divisie. De teruggekeerde trainer Rinus Gosens zag in Romeijn de ideale aanvoerder en laatste man. Romeijn was boos dat Feyenoord nog een transfersom van drieduizend gulden eiste na zoveel voor de club te hebben gedaan.
Na drie maanden bleek het geen succes te zijn. SVV modderde onderaan de eerste divisie. Romeijn raakte geblesseerd nadat Gosens hem de aanvoerdersband had ontnomen omdat hij na de wedstrijd tegen Helmond Sport scheidsrechter Boosten weigerde te bedanken. ‘Dat kan ik niet pikken’, aldus Gosens. Romeijn: ‘Ik deed in het veld soms rare dingen waarvoor ik zelf ook geen verklaring heb. En dat heb ik nog. Ik begin soms te babbelen en dan kan ik amper stoppen. Ik heb er al twee gele kaarten voor gehad. Die band is niets voor mij. Dat gaat ten koste van mijn spel.’
Maar ook zonder band lukte het niet bij SVV. Romeijn leek met jaloezie naar de prestaties van Wim Rijsbergen, een van de nieuwe helden van Feyenoord die qua uiterlijk zoveel op hem scheen te lijken. ‘Daar hoor ik te spelen. Als ik zie wat hij doet, kan ik dat ook nog’. Voor zijn oude club SVV kon hij zich naar eigen zeggen niet echt inspannen. ‘Ik kan het niet meer opbrengen mij waar te maken.’.
Gosens in het dagblad De Tijd: ‘Ik zou wel eens willen dat zijn inzet wat hoger was. Ik kan het voor Piet voorstellen dat het psychologische erg moeilijk is om van een topclub te verhuizen naar een club die in de eerste divisie niet best draait.’  Na een half jaar was Romeijn al weer weg bij SVV. Hij zou zijn carrière afsluiten bij de  amateurs van DHS, waar Rob Jacobs toen trainer was. Daarna zou hij nog vier jaar voetballen in de zaal. ‘Maar na mijn 40ste jaar heb ik nooit meer serieus aan sport gedaan.’
Romeijn was niet binnengelopen door zijn voetbalcarrière, maar kon van het geld een sportzaak openen in Vlaardingen. ‘Het liep te goed’, waarmee Romeijn bedoelt dat het al snel op de fles ging. Hij werd daarna lasser en pijpfitter bij De Amerikaan, een bouwbedrijf voor booreilanden. Hij deed het vijf jaar voordat hij een meer eenvoudige cash & carry-sportzaak opende.
Wie was beter, Van der Burch of Romeijn? Guus Haak kent geen aarzeling. Als hij moet kiezen tussen Romeijn en Van der Burch kiest hij duidelijk voor de eerste. ‘Allebei waren het fysieke verdedigers. Maar Romeijn was een veel betere voetballer. Zoveel beter dat Van der Burch zijn schoenveters nog niet vast zou mogen knopen. ’ Nu is Haak bevooroordeeld, want Romeijn was bij Feyenoord naast zijn concurrent voor de rechtsbackplaats ook zijn vriend en slapie.
René Pas, die tussen 1960 en 1973 voor ADO voetbalde, kent evenmin twijfels. ‘Van der Burch. Dat was een echte ijzervreter. Daar kwam je niet langs.’ Lex Schoenmaker die met allebei heeft gevoetbald, vindt het een moeilijke vraag. ‘Het verschil? De een had haar, de ander niet’, grapt hij. ‘Of de een kon zwemmen en de ander niet’, verwijst hij naar de gebeurtenissen in de VS. ‘Ach, je zou echt een vergelijking kunnen maken als Van der Burch een tijdje voor Feyenoord zou hebben gespeeld en Romeijn voor ADO.’
Ook buitenstaanders van die tijd als Rensenbrink, Clement en Brouwers vinden het moeilijk te kiezen.  Piet Keizer (Ajax) geeft niet thuis: ‘Ik heb geen antwoord voor u’.’ Cor Adelaar die tussen 1961 en 1965 bij Sparta speelde, kan geen keuze maken. ‘Romeijn was fysieker. Maar Van der Burch kwam je drie keer tegen. Hij was een echte terriër’, aldus de oom van de huidige Sparta-trainer.
De ‘lange’ Martin van Vianen, de keeper met wie Van der Burch in het liedje van Jekkers een twee-eenheid is geworden, noemt Van der Burch een ‘simpele voetballer. Van Vianen, die nu analist is voor TV West, zegt dat hij vooral legendarisch is geworden voor zijn wedstrijden tegen Feyenoord. ‘Hij ging Moulijn kort dekken. Die mocht er niet langs. In andere wedstrijden ging hij wel regelmatig naar voren. Maar ik denk dat Romeijn uiteindelijk meer techniek had.’ Piet de Zoete, een speler die jaren voor ADO uitkwam, zegt dat Van der Burchs kwaliteiten vooral zijn felheid en drang naar voren waren. ‘Hij had een goede voorzet en hij was echt een persoonlijkheid. Maar ook ik denk dat Romeijn technisch meer begaafd was.’
Dick Advocaat, nu manager op het hoogste niveau, noemt Theo van der Burch een bijzonder goede voetballer. ‘Hij was een van de betere backs in Nederland. Hij wist precies hoe hij zijn tegenstanders moest aanpakken.’ Of Van der Burch beter was dan Romeijn? Advocaat: ‘Hij ging vaker naar voren. Hij was zijn tijd verder vooruit.’ Coen Moulijn die het altijd zo moeilijk had tegen Van der Burch, twijfelt. ‘Romeijn was technisch een voortreffelijke speler. Hij had een zeer goed lange afstandsschot. Misschien was het geen groot kopper maar dat was Van der Burch ook niet.’
Rinus Israel vindt ze onvergelijkbaar – ‘alleen al qua uiterlijk’. ‘Piet was een aardige jongen die heel goed lag in de groep. Hij hield het voetbal simpel en maakte nooit onnodige fouten. Hij zou nooit een aanvaller op riskante wijze uitspelen. Hij was sportief in de duels, maar kon ook een tegenstander zomaar een knal verkopen.’ Hans Kraay sr., die ook jaren met Romeijn bij Feyenoord speelde, prijst zijn atletisch vermogen en onbevangenheid. ‘Piet liet zich nooit gek maken in het veld tegen wie hij ook speelde. Hij was de opgeruimde jongen, met een zonnig karakter, altijd optimistisch, alleen ook iemand die af en toe een woede-uitbarsting had.’
Een objectief oordeel is niet te krijgen van wie echt de beste back van die tijd was. Suurbier, de onbetwiste nummer één omdat hij nu eenmaal bij Ajax zat, had de meeste snelheid maar kon geen voorzet geven. Romeijn had de meeste techniek maar kon niet zo heel goed koppen.  En Theo van der Burch was de slimste maar niet de meest technische.
        Van der Burch en Romeijn zijn club-iconen gebleven van respectievelijk ADO en Feyenoord. Van der  Burch heeft een haat-liefde verhouding met ADO. Hij keerde zich van de club af, kwam weer terug op het oude nest – bijvoorbeeld als leider van de landelijke jeugd – keerde zich er weer van af en kwam weer terug om in het nieuwe stadion zijn 65-ste verjaardag te vieren. ‘Theo is een man met een grote mond en een klein hartje. Je kunt altijd op hem rekenen, maar dan moet hij je wel mogen’, aldus Pas. Hij blijft de eeuwige mopperaar. Toen in 2007 in het nieuwe stadion een tegelwand bleek te zijn gemaakt met de namen van de oude helden, klaagde hij dat er ‘Van den Burch’ stond en niet ‘Van der Burch’. Hoewel hij zich jarenlang in de voetbalannalen ook als Van den Burch had laten registreren zonder er ooit wat van te zeggen, wilde hij nu zijn goede tussenvoegsel zien staan. ‘Maar tot nu toe is het niet aangepast’.
Romeijn is Feyenoorder in hart en nieren gebleven. Hij speelde in oud-Feyenoord en is nu nog altijd te vinden op de tribune. Hij zegt met alle spelers van toen goed op te kunnen schieten. ‘Ik spreek ze allemaal nog. En in jubileumwedstrijden ontmoet ik zelfs Hasil en Kindvall. Alleen Van Hanegem komt nooit meer. Ik weet niet of het met zijn scheiding van Truus te maken heeft. Maar sindsdien vind ik het maar een eng mannetje. En ik ben de enige niet bij Feyenoord.’

Peter de Waard

----------FEBRUARI 2009---------------------

Eigenlijk was Tijoe een Duitser

Joe Gaetjens (midden)
Hij veroorzaakte de grootste schok in de historie van het WK. En daarnaast is Joe Gaetjens ook het grootste
mysterie in de WK-geschiedenis. Hij is in zijn vaderland Haïti doodgezwegen en is in de VS alleen als een harlekijn afgeschilderd. Wie is deze speler die in 1964 onder het bewind van de wrede dictator Papa Doc werd vermoord?

 

 

 

 

 

 

 


‘Joe…who?’ Joe DiMaggio, ja die kennen ze. Maar Joe Gaetjens…Joe Keetjens zoals de Amerikanen de letters uitspreken – ach…daar hebben ze nooit van gehoord. Ook niet in het wereldse New York en zelfs niet in Miami, waar zoveel voetbalminnende Latino’s wonen.
In duidelijke letters uitgeschreven wordt de naam zondagmorgen om zeven uur  voorgelegd aan een oudere man die samen met zijn echtgenote in een Wendy’s een afzichtelijk ontbijt verorbert van Classic Cinnamon Swirl, Spicy Chicken Filet en een supersize Twisted Frosty. Met zijn honkbalpet, omvangrijke buik, grijze snor, T-shirt en korte broek lijkt hij een model-Amerikaan. ‘Joe…hoe spreek je het uit….oh…soccer…..nee hoor, maar om over een andere sport te spreken….heb je gisteravond de Pittsburgh Steelers tegen Baltimore gezien. Daar zag je een Joe. Joe Flacca.’ Vier uur later en honderden fastfood-klanten verder zijn talrijke Joe’s de revue gepasseerd, maar is er nog steeds niemand die de naam Joe Gaetjens kent.
De VS mogen dan een WK Voetbal hebben georganiseerd, een wereldtitel bij de dames op zak hebben en stijlicoon David Beckham naar Hollywood hebben gehaald, de geschiedenis van het soccer is bij het grote publiek even bekend als die van het langebaanschaatsen in Marokko.
Godenzonen zijn er in het honkbal, zoals DiMaggio, niet in het voetbal. DiMaggio’s tijdgenoot Joe Gaetjens is totaal vergeten, hoewel hij het beroemdste doelpunt in de Amerikaanse voetbalgeschiedenis maakte en eigenlijk
de meest opzienbarende van alle WK’s: namelijk de enige goal tijdens het WK-duel tegen Engeland, dat in 1950 in het Braziliaanse Belo Horizonte werd verspeeld. De bal schampte maar even zijn hoofd, maar daardoor won een ‘stelletje bordenwassers’ van het op dat moment nog onaantastbare Engeland met legendarische sterren als Stanley Matthews, Tom Finney, Billy Wright, Alf Ramsey en de gevreesde spits Stanley Mortenson, de enige speler die ooit een hattrick in een FA Cup Final zou scoren. Nog altijd geldt deze uitslag als de grootste schok in de geschiedenis van het WK – een nog grotere sensatie dan de overwinning van de Noord-Koreanen op Italië in 1966 of die van Senegal op Frankrijk in 2002.
Jack Huckel van de Soccer Hall of Fame in Oneonta (New York State) moppert over het gebrek aan erkenning voor die wedstrijd in eigen land. ‘We hebben in de VS nu miljoenen mensen die voetbal spelen. Maar ze kennen alleen Pelé en Beckham. Geen Amerikaanse spelers. Er is geen enkel historisch besef voor  soccer.’  In zijn museumpje is een hoekje gewijd aan dat voor de Amerikanen zo befaamde WK. Er hangt een te klein ogend wit shirt met een schuine rode balk, een aftands trainingsjasje, enkele foto’s en een paar krantenknipsels met het verslag over de legendarische overwinning op Engeland; USA Stuns World In English Win’, luidt de opvallendste kop uit de New York Times van 30 juni 1950.
Jaarlijks bezoeken 20 tot 25 duizend mensen de Soccer Hall of Fame. Het is een fractie van de honderdduizenden die jaarlijks naar de Baseball Hall of Fame gaan in het amper een half uur rijden verder gelegen Cooperstown, New York State. Arrogant noemt dat museum zich gewoon Hall of Fame. Voor honkbalfans is een bezoek aan deze Hall of Fame een heilige plicht die je eens in je leven moet hebben gedaan. Maar velen gaan er elk jaar naartoe om Joe DiMaggio te kunnen aanbidden. Hij is getrouwd geweest met Marilyn Monroe, hij is bezongen in Mrs Robinson van Simon & Garfunkel. Hij heeft een praalgraf in Californië.
        De Soccer Hall of Fame kent geen pelgrimage. Gaetjens had geen beroemde vrouw, is niet bezongen en heeft geen graf. Hij heeft ook geen urn. Onduidelijk is zelfs de datum van zijn sterven – of de datum waarop hij werd gedood, of eigenlijk werd vermoord. Want Joe Gaetjens stierf vrijwel zeker in 1964 in een  gevangenis van de beruchte dictator Papa Doc in de Haïtiaanse hoofdstad Port-au-Prince.
Misschien is hij daardoor vergeten. De Amerikanen die hem niet kennen, hoeven zich niet eens zo te schamen. De hele voetbalwereld is hem vergeten. Wie zijn naam opwerpt onder Nederlandse insiders, krijgt een reactie van fronsende blikken. Een variety-artiest misschien? Een Zuid-Afrikaanse rugby’er? Of een voormalige Belgische veldrijder? Zelfs op de sportredacties van de grote Nederlandse kranten doet zijn naam geen lichtje branden. Gaetjens deed mee aan wat het laatste onbekende WK mag worden genoemd, vier jaar voor het Wunder von Bern met Puskás en Helmut Rahn en acht jaar voordat de zeventienjarige Pelé de voetbalwereld betoverde.
Bij het WK Voetbal van 1950 waren geen Nederlandse journalisten. Er waren hoe dan ook heel weinig journalisten. Er zijn geen beelden van Gaetjens goal. Er zijn foto’s, maar daar zit de goal ook niet bij hoewel anders is gesuggereerd. Het handvol  fotografen dat bij de wedstrijd was, zat achter de Amerikaanse doelman, Huckel: ‘We hebben het de BBC gevraagd of er iets van archiefmateriaal is. Maar ze zeiden dat er niets te vinden is. Misschien hebben ze het ook wel expres vernietigd, want aan die nederlaag willen ze niet meer worden herinnerd.’ Er is tien seconden film, maar daarin worden alleen beelden getoond van het publiek in het stadion en het op de schouders wegdragen van de Amerikaanse spelers, onder wie Gaetjens, na de wedstrijd.
Voor de rest is er alleen de mondelinge overlevering - verhalen van een gering aantal mensen dat erbij was toen de VS een onmogelijke overwinning op Engeland haalde. Zo onmogelijk dat veel Engelse kranten zelfs de verkeerde uitslag publiceerden. In de overtuiging dat de door het persbureau Reuters vermelde uitslag van 1-0 voor de VS een vergissing van de telextypiste moest zijn, maakten ze er in de uitslagenblokken 10-0 of 10-1 voor Engeland van, want Engeland kon niet verliezen van wat op voorhand als een stelletje hillbilly’s was beschreven.
De Engelsen voelden zich superieur. Tot 1950 had het land niet meegedaan aan het WK vanwege een conflict met de FIFA over betalingen aan spelers. Maar iedereen was overtuigd dat Engeland anders probleemloos de titels van 1930, 1934 en 1938 had gewonnen. Ten opzichte van de Engelse profs waren de spelers in de rest van de wereld goedwillende voetbalamateurs. Het heilige gras van Wembley was een exclusief eigen koninkrijk. Wie als ander ‘amateurteam’ tegen Engeland zou willen spelen, kon dat doen tegen een Engelse amateurelftal ergens in Huddersfield.
Het zou nog drie jaar duren voordat Hongarije als eerste land de Engelse profs zou verslaan op Wembley en een einde maakte aan het misplaatste superioriteitsgevoel. Tot 1950 speelden de Engelse profs het liefst demonstratiewedstijden, zoals de Harlem Globetrotters in het basketbal. Zo speelde een groep topspelers, onder wie Stanley Matthews – toen beschouwd als de beste voetballer ter wereld -, in de zomer van 1950 tien demonstratiewedstrijden in Canada. Nu Matthews toch aan de andere kant van de grote plas was, kon hij ook wel even naar Brazilië gaan om zich bij een selectie van andere toppers te voegen die met Engeland de wereldtitel ging ophalen. De bookmakers lieten er geen misverstand over bestaan. Engeland stond 3-1 genoteerd, de VS 500-1 in een competitie van dertien landen.
Alleen nonchalance zou Engeland kunnen opbreken, want het belang van het WK werd niet hoog ingeschat. Voor de Engelse spelers was in die tijd de eigen FA Cup Final oneindig veel belangrijker dan het WK, aldus de legendarische international Laurie Hughes die vlak daarvoor met Liverpool deze finale had verloren van Arsenal. Hij arriveerde met het Engelse team pas vijf dagen voor de openingswedstrijd van het WK in Rio de Janeiro. De reis was vermoeiend en het was in Brazilië erg warm.  In de eerste wedstrijd won Engeland in de hitte van het gigantische Maracana Stadion in Rio tamelijk moeizaam van Chili met 2-0. Maar in de tweede wedstrijd in het splinternieuwe Estadio Independicia in Belo Horizonte zou er met dubbele cijfers worden gewonnen. Het team was geacclimatiseerd en de wedstrijd was zo’n formaliteit dat op 28 juni aanvankelijk maar tienduizend  Brazilianen naar het stadion waren gekomen om daar te kijken hoe de uitvinders van het voetbal Amerika zouden verpletteren.
Niemand had rekening gehouden met een verrassing. Het woord underdog was eigenlijk nog een eufemisme voor het team van de VS dat gebouwd was rond vijf in St. Louis (Missouri) geboren voetballers. Twee jaar eerder tijdens de Olympische Spelen in Londen had Amerika in de eerste ronde met 9-0 van Italië verloren. Op de terugweg werden ze door Noorwegen verslagen met liefst 11-0 en in Belfast door Noord-Ierland nog eens met 6-0. In de kwalificatie was twee keer overduidelijk verloren van Mexico (0-6, 6-2), maar dankzij een overwinning op Cuba had het land zich toch geplaatst. Hoewel daarna een aantal spelers aan de selectie waren toegevoegd, onder wie Gaetjens, een geboren Belg met de naam Joseph Maca en de in Schotland geboren prof Ed McIlvenny, leek het elftal niet echt sterker geworden. In de aanloop naar het WK maakte het Turkse Besiktas met een 5-0 overwinning nog even duidelijk dat de Amerikanen onthutsend zwak zouden zijn. Zelfs de eigen coach Bill Jeffrey had het team afgeschreven. ‘We zijn lammeren die klaar zijn voor de slacht.’ Het team had eigenlijk niet eens een echte aanvoerder. Afgesproken werd dat Walter Bahr aanvoerder zou zijn in de groepswedstrijd tegen Chili, Harry Keough tegen Spanje (hij sprak tenminste Spaans) en Ed McIlvenny tegen Engeland (hij kende de Engelse spelers en kon ze vragen medelijden te hebben met de Amerikanen).
Van Gaetjens wisten zelfs zijn medespelers niets. Een aardige vrolijke jongen, iemand die je er best bij kon hebben, zo wordt hij herinnerd. Hij kwam uit Haïti. Maar zijn naam klonk niet erg Frans. En hij had een bijna blanke huidskleur. Gezien het ‘jens’ werd later door voetbalhistorici verondersteld dat de familie iets met Vlaanderen te maken zou hebben. Dus Gaetjens werd een Belgische vader toegedicht – een verhaal dat uiteindelijk tot vaststaand feit in de voetbalannalen werd verheven.
Maar Joe’s vader kwam helemaal niet uit België. In Vlaanderen is de naam Gaetjens net zo ongebruikelijk als die van McIlvenny. Uit stamboomonderzoek blijkt dat Joe Gaetjens vader Edmond een Duitse nationaliteit had, maar in Haïti werd geboren. Diens grootvader Thomas Gaetjens was al in de 19de eeuw uit Bremen geëmigreerd naar Haïti, toen het tweede land na de VS in Amerika dat zijn onafhankelijkheid had verworven. Waarschijnlijk was Thomas in het Noord-Duitse Sleeswijk-Holstein geboren, waar de naam Gaetjens – ook op zijn Deens gespeld als Gätjens – zeer vaak voorkomt. Thomas Gaetjens werd nog door de koning van Pruisen als handelsvertegenwoordiger naar Haïti gezonden. Hij trouwde daar met Leonie Dejoie, de dochter van de generaal die Haïti’s onafhankelijkheid had bewerkstelligd en bouwde een groot zakenimperium op. Eind negentiende eeuw was hij een van de machtigste ondernemers van het land. Maar de Eerste Wereldoorlog gooide roet in het eten. Duitsland werd geïsoleerd. Ook kregen de zonen van Thomas onderling ruzie. In 1915 bezetten de VS voor de zekerheid Haïti, zogenaamd om een Duitse invasie te verijdelen. Hoewel de Gaetjens-familie het protestantse Noord-Duitse geloof inmiddels had ingewisseld voor het katholicisme – en dat nieuwe geloof ook in de voortplanting had gepraktiseerd – verloren ze in die periode de grote rijkdom. De vele familietwisten hadden daar ook mee te maken. Nadat de Amerikanen in 1934 vertrokken, wisten de Gaetjens de status van aanzienlijke burgers terug te veroveren. Joe Gaetjens vader Edmond, een verkoper maakte deel uit van de sociale elite met kennissen in de hoogste kringen. Edmond had zijn geboortecertificaat laten registreren op de Duitse ambassade, zodat hij formeel Duitser was en een Duits paspoort zou kunnen aanvragen. Of hij dat ooit gedaan heeft is niet zeker, maar wel waarschijnlijk.
Joe werd op 19 maart 1924 in Port-au-Prince geboren als het derde kind van Edmond en zijn echtgenote Toto. Hij kreeg de doopnamen Joseph Nicolas (en niet Joseph Edouard, zoals ten onrechte wordt vermeld in de voetbalannalen). Het gezin dat het protestantse Noord-Duitse geloof inmiddels had ingewisseld voor het katholicisme, zou later zeven kinderen tellen – vier jongens en drie meisjes. Ze hadden het niet arm. ‘Het idee dat Joe iemand uit de slums was die op straat met blote voeten tegen een prop papier leerde voetbal spelen zoals de Amerikanen hem hebben afgebeeld, is uit de lucht gegrepen,’ zegt James Gaetjens (62), de zoon van Joe’s oudste broer Gérard, die nu zoals veel andere uit Haïti gevluchte familieleden in Florida woont. ‘Joe leerde voetballen op echte voetbalschoenen in de eigen tuin van de familie in Port-au-Prince.’
Nog altijd is de familie welvarend. James heeft een riant appartement, dat uitkijkt op de cruisehaven van Miami, Key Biscane en Miami Beach, een vakantiewoning bij St. Tropez en een splinternieuwe Mercedes. De familie wil niet snoeven over een armoedige afkomst. ‘Wij zijn mensen die weggeven, geen mensen die de hand hoeven op te houden’, zegt zijn tante Mireille Cassagnol-Gaetjens, Joe’s zuster, die in San Juan in Porto Rico woont.
Joe – of Tijoe (kleine Joe) zoals zijn koosnaam luidde - bleek al snel als voetballer zeer getalenteerd te zijn en werd op veertienjarige leeftijd gecontracteerd door L’Etoile Haitienne, toen een topclub van dat land. In 1941 speelde hij met die club tegen een National Soccer League all-star team van New York dat in dat jaar een tournee maakte door het Caribisch gebied. Twee keer zou hij met deze club landskampioen van Haïti worden: in 1942 en 1944. De inmiddels tachtigjarige Mireille kan zich de wedstrijden van die tijd nog herinneren. ‘We gingen heen met de hele familie. In de nachten daarvoor konden we niet slapen. Joe was onze voetbalheld. Hij scoorde alle doelpunten. Hij nam ook de penalty’s. Hij miste nooit. Tot een keer in een beslissende wedstrijd. Hij huilde. Wij huilden allemaal. Ik denk dat er de hele avond alleen werd gehuild.’
Maar van voetbal kon Joe in Haïti niet leven. En zijn vader kon hem eigenlijk ook geen toekomst meer bieden in het verarmde familiebedrijf. Na de oudste zoon Gérard, die al in de jaren dertig een boekhoudcursus op Columbia University in New York had mogen volgen, werd ook Joe naar New York gestuurd. In 1947 verruilde hij het ouderlijke huis aan de Rue de Bois-Verne van Port-au-Prince voor de Big Apple. Hij pakte een studie accountancy
op aan de Columbia University maar ging ook werken. Hij kreeg een baantje als bordenwasser in een restaurant. Maar echt gemotiveerd voor dit werk was hij niet. Hij was een beetje een flierefluiter. Op een dag zei hij tegen de Duitse eigenaar van het restaurant dat hij graag zou willen voetballen. ‘Als je voetbalt zoals je borden wast, dan kun je er beter meteen mee stoppen,’ merkte die schamper op. Maar Joe Gaetjens werd lid van Brookhattan New York, een team (in 1958 opgeheven) dat toen uitkwam in de American Soccer League, een semi-professionele competitie aan de oostkust. Hij viel meteen op door zijn afgezakte sokken, zijn snelheid en vooral zijn bizarre doelpunten uit vaak onmogelijke situaties. Maar een wereldster in wording leek hij niet.
Gaetjens werd in 1950 pas op het laatste moment aan de Amerikaanse selectie toegevoegd, nadat hij door de St. Louis-boys nog eens een keer was getest. Er waren twijfels over zijn inzet en zijn technische kunnen. Maar de Amerikanen moesten een beetje schipperen om een complete afgang in Brazilië te voorkomen. Een betere spits dan Joe was er ook niet. Een probleem was wel dat Joe geen Amerikaans staatsburger was, maar een Haïtiaan. Net als Maca en McIlvenny had hij alleen zogenoemde First Papers, een soort visum met de intentie ooit Amerikaan te worden. Dit werd door de toenmalige American Soccer Football Association voldoende gevonden om voor het nationale elftal te worden geselecteerd. De wereldvoetbalbond FIFA wist het niet - of stak zijn kop in het zand - omdat het WK in Brazilië al werd geteisterd door afzeggingen.
Toenmalig Amerikaans international Walter Bahr zegt dat de nationaliteit van spelers in de Amerikaanse competitie er in die tijd ook al weinig toe deed: ‘Net als nu speelden in de jaren vijftig nogal wat gastspelers uit Europa in de Amerikaanse competitie. Er werd geld betaald, 25 dollar per wedstrijd. Maar daar kon je toen niet echt van leven. Ik weet dat we tijdens het WK honderd dollar per week kregen. Dat was meer dan ik als onderwijzer verdiende, maar het was geen topsalaris. Wie als voetballer ambities had, moest naar Europa verhuizen.’
Maar de Amerikanen vormden een hechte vriendenclub die buitenstaanders gemakkelijk opnam, zeker zulke flamboyante als Gaetjens. Onderling konden de jongens het goed met elkaar vinden. ‘We lagen elkaar,’ aldus Bahr.
Binnen het Engelse team was er geen eenheid. ‘Als we met Liverpool hadden gespeeld hadden we de Amerikanen met grote cijfers verslagen,’ zegt Laurie Hughes (nu 84), een van de vier Engelse internationals van die wedstrijd die nog leeft. De Engelse coach was Walter Winterbottom. Maar hij moest naar de pijpen dansen van een Engelse elftalcommissie die bestond uit één man: topbobo en latere FIFA-president Arthur Drewry. Hij was geen fan van de pingelaar Stanley Matthews die voor de wedstrijd tegen Chili formeel werd gespaard. Matthews mocht ook voor het duel tegen de VS achterblijven in Rio de Janeiro, zodat hij volgens Drewry voldoende rust zou hebben genoten als het er later tegen bijvoorbeeld de Brazilianen echt om zou gaan.
Maar de grote sterren Stanley Mortenson, Billy Wright en Tom Finney werden wel opgesteld voor het duel tegen de VS in het noordelijke Belo Horizonte. Engeland speelde daar in het blauw, de Amerikanen in het wit met een rode balk.Toen de spelers het veld betraden was het stadion nog niet half gevuld. ‘Ik denk dat er niemand in het publiek is die een van onze namen kent,’ verzuchtte Bahr tegen zijn keeper Frank Borghi. De Engelse spelers waren allemaal wereldberoemd. Engeland was sterker en kreeg ook kansen. Maar die werden niet benut. In de 37ste minuut ontving Walter Bahr de bal na een uitgooi van McIlvenny. Hij schoot in het wilde weg op doel. De Engelse keeper Bert Williams leek makkelijk te kunnen redden, maar toen maakte Gaetjens een snoekduik naar de verdwaalde bal. Die raakte even zijn hoofd en zette daardoor Williams op het verkeerde been. Gaetjens lag zelf met zijn gezicht in het gras en zag niet hoe de bal in het net verdween. Het was 1-0 voor de Amerikanen. De Engelse voetbalhistoricus Cris Freddi die alles van die wedstrijd heeft gespaard, noemt het echter onzin om het doelpunt als een ‘geluksgoal’ af te schilderen. ‘Ik heb er genoeg mensen over gesproken. En het was een briljant doelpunt.’ Laurie Hughes, de verdediger die hem had moeten afdekken, erkent dat: ‘Het was een gerichte kopbal.’
De 81-jarige Harry Keough, een toenmalig speler van het Amerikaanse team die nu in Mexico woont, zegt dat het een typisch Gaetjens-doelpunt was. ‘Joe was een speler die je de hele wedstrijd niet zag en ineens een briljant moment had en dan scoorde.’
Van het Amerikaanse team van die dag leven nog vijf spelers, allemaal tachtigers. Niet allemaal zijn ze gezien de hoge leeftijd nog in een even optimale fysieke en geestelijke conditie. Walter Bahr (82) en Keough kunnen de herinneringen nog het beste verwoorden. Bahr, een voormalig onderwijzer, woont in Boalsburg, Pennsylvania – de geboorteplaats van Memorial Day. ‘Was het een bedoelde doelpoging? Ach, Joe scoorde wel vaker van die rare doelpunten.’ Bahr erkent dat de Amerikanen als individuele spelers allemaal een klasse minder waren dan de Engelsen. ‘Maar de chemie in ons team klopte. In de loop van de wedstrijd werden wij beter en raakten de Engelsen steeds meer in paniek. In 99 van de honderd gevallen zouden de Engelsen ons toch hebben verslagen. Maar die dag konden ze het niet. Ze scoorden niet.’
Bahr zegt dat er voor de Engelsen eigenlijk geen excuses waren. ‘Ze klaagden over een vermoeiende reis. Maar die hadden wij ook gehad. Wij hebben drie dagen erover gedaan om naar Rio te vliegen. De eerste tussenlanding was al in San Juan in Puerto Rico. Met vertraging stegen we daar weer op en toen bleek het toestel een technische storing te hebben, waardoor we weer terug moesten keren. Vervolgens vlogen we via Caracas naar Rio, waar we een hotel hadden, en vandaar met een militair toestel naar Belo Horizonte.’ Het was een mooie zomerdag, zegt hij, maar niet echt heet. ‘Het veld was hobbelig, wat een nadeel was voor de betere ploeg. Maar het was altijd nog beter dan alle velden waarop ik tot dan toe in de VS had gevoetbald.’
Na het eindsignaal waren de Amerikaanse spelers dol van vreugde. ‘Het was tijd dat we die klootzakken een keer zouden verslaan,’ zei middenvelder Charlie Columbo tegen zijn medespelers. Keough reageerde: ‘Ik vind het zielig voor die klootzakken. Hoe zullen ze ooit met die nederlaag kunnen leven?’
Het Braziliaanse publiek dat door het opzwepende radioverslag na de rust alsnog was toegestroomd, vond het prachtig. Toeschouwers klommen over de hekken en namen de Amerikaanse spelers op de schouders. Want nu Engeland eruit lag, zou Brazilië probleemloos wereldkampioen worden. De Amerikanen bouwden een groots feest. Later kwamen er verhalen over drinkgelagen, maar Bahr zegt dat daarvan niets waar was. ‘Twee spelers dronken misschien te veel, acht anderen onder wie Gaetjens dronken twee biertjes en drie of vier dronken helemaal geen alcohol.’
Het Engelse team was allang afgedropen in de blauwe shirts die ze daarna nooit meer zouden dragen. Het was een ongelooflijk fiasco. Maar de Engelse kranten besteedden er nauwelijks aandacht aan. Het was ver van huis. Kranten waren door de naoorlogse papierschaarste nog erg dun en het aantal sportpagina’s zelden meer dan één. ‘Toen we terugkwamen uit Brazilië had niemand het er nog over,’ zegt Hughes. En het drama tegen de VS vond tegelijkertijd plaats met een ander sportdrama: de eerste cricketnederlaag in de geschiedenis tegen de West-Indies. Er waren niet veel Engelse journalisten bij de wedstrijd in Belo Horizonte. ‘En hun artikelen waren niet erg accuraat,’ stelt de voetbalkenner Colin Jose, de huishistoricus van de Soccer Hall of Fame. ‘Misschien kwam het door het tijdsverschil of de slechte verbindingen tussen Belo Horizonte en Londen, maar de Engelse journalisten sjoemelden met de feiten.’
De meest gezaghebbende Engelse reporter van toen was Charles Buchan die na zijn eigen voetbalcarrière rond de Eerste Wereldoorlog journalist was geworden bij de News Chronicle en in 1951 het allereerste voetbaltijdschrift ter wereld zou oprichten: Charles Buchan’s Monthly Magazine. Erg objectief was hij niet. Hij beschreef de nederlaag zelfs als een Engelse voetbaldemonstratie en noemde het resultaat buitengewoon ongelukkig. Hij gaf de schuld aan de Italiaanse scheidsrechter Generoso Datillo, die de rugbytackles van de Amerikanen niet bestrafte en een glaszuiver Engels doelpunt afkeurde, en de foute tactiek (‘het inbrengen van Stanley Matthews zou een groot psychologisch effect op de Amerikaanse verdedigers hebben gehad’). Maar Buchan was toch vooral boos op de Amerikaanse verdediger Charlie Columbo, die Mortenson in het strafschopgebied had omver gekegeld. De penalty kwam er vervolgens niet, mogelijk omdat Columbo de Italiaanse referee had ingepalmd door continu ‘buono, buono’ tegen hem te roepen.
Buchan vond dat er ook geen consequenties aan het verlies zouden moeten worden verbonden. Walter Winterbottom zou nog vele jaren de coach blijven en Drewry bleef de bobo die hij al was. Engeland was ondanks de nederlaag nog altijd het beste team ter wereld – beter dan Uruguay dat uiteindelijk voor 200 duizend toeschouwers in het Maracana Brazilië zou verslaan en daarmee de wereldtitel veroverde. De nederlaag had in zijn ogen zelfs een voordeel: de Amerikanen zouden na deze opsteker het voetbal als sport misschien serieus gaan nemen.
Maar het tegendeel was het geval. Als een stelletje hillbilly’s zo gemakkelijk de beste voetbalnatie in de wereld konden verslaan, was voetbal geen serieus te nemen sport, zo vond men in de VS. De Amerikaanse kranten, die het in de zomer van 1950 vooral druk hadden met het verslaan van het begin van de Koreaanse oorlog, hadden geen enkele journalist naar de wedstrijd gestuurd. Alleen Dennis McSkimming van de St. Louis Post woonde de wedstrijd bij, omdat hij toevallig op vakantie in Brazilië was. Jose: ‘Maar hij schreef er geen letter over.’ Er was alleen een uitgebreid verslag van persbureau UPI dat verscheen in de New York Times. Maar de naam van de doelpuntenmaker werd daarin verkeerd vermeld: Ed Souza – geen familie van de fameuze dribbelaar John Souza die ook in dit team zat.
De Amerikaanse overwinning leek een toevalstreffer, vooral omdat de volgende wedstrijd tegen Chili met 5-2 werd verloren en de Amerikanen samen met de Engelsen alsnog naar huis gingen. Hoewel de Engelsen niet meer op de nederlaag terugkwamen, leidde de Amerikaanse overwinning later alsnog tot fikse opschudding binnen de FIFA. In november 1950 stelde de FIFA een onderzoek in naar de nationaliteit van de drie spelers die met alleen First Papers voor het Amerikaanse team op het WK hadden gespeeld: gelegenheidsaanvoerder Ed McIlvenny, doelpuntenmaker Joe Gaetjens en Joseph Maca. Reden was een interview dat Maca had gegeven aan een Belgische krant, waarin de journalist vroeg hoe hij voor de VS had kunnen spelen nadat hij eerder al voor een Belgisch militair elftal was uitgekomen. Dit artikel werd opgemerkt door Rodolphe Seeldrayers, een Belgische sportbestuurder die tot vice-president van de FIFA was opgeklommen en in 1954 Jules Rimet zou opvolgen als president van de wereldvoetbalbond. Hij gelastte een onderzoek, dat door de secretaris-generaal van de FIFA dr Yvo Schricker zou worden uitgevoerd. In de Britse sportpers verschenen ineens verhalen dat het winnende Amerikaanse team in de fameuze grenspost ‘Ellis Island’ was geselecteerd.
Schricker oordeelde in een op 15 november geschreven brief aan het FIFA-bestuur dat de drie spelers nooit hadden mogen worden opgesteld omdat ze geen Amerikaanse ‘onderdanen’ waren zoals het officiële FIFA-reglement van de World Cup – toen nog Jules Rimet Cup genoemd - vereiste. ‘Voor Maca is er nog een tweede reden dat hij niet zou hebben mogen meespelen. Hij had al over de grenzen gespeeld met een Belgisch paspoort, zodat toestemming nodig zou zijn geweest van de Belgische Voetbalbond om voor een ander land uit te komen,’ aldus het oordeel van Schricker. Tijdens een vergadering op 2 december besloot het bestuur de hele zaak echter in de doofpot te stoppen. Het standpunt van de Amerikaanse voetbalbond dat op het WK van 1950 het ‘Engelse reglement’ had gegolden waarin stond dat iedere voetbalbond zijn eigen selectienormen zou mogen hanteren, werd aanvaard. Uit de notulen van deze vergadering, die onder leiding stond van Jules Rimet, (en waar heel pikant naast Seeldrayers ook de Engelse selectiemanager Drewry en de Amerikaan Randolph Manning bij aanwezig waren) blijkt dat de zaak wordt afgedaan met de opmerking ‘dat volgens de Engelse tekst van het reglement de spelers waren geautoriseerd voor de VS uit te komen’. Manning, in 1948 bestuurslid van de FIFA geworden om voetbal in dat land te propageren, had de grootste mond. ‘Je kunt jongeren die naar de VS komen om te werken of te studeren niet beletten in een team te spelen’. Seeldrayers is het oneens. Hij wil dat die spelers tenminste een transfercertificaat naar een Amerikaanse club hebben voordat ze in het nationaal team gaan spelen. ‘Het zou een zootje worden als ieder land dat ging doen,’ zei de Belg.
Het was mosterd na de maaltijd. Engeland had niet geprotesteerd en Drewry zei tijdens die vergadering volgens de notulen niets over dit onderwerp. Gaetjens maakte zich al helemaal niet druk om de juridische haarkloverij in Zürich. Hij was een avonturier, een meer dan wereldwijze student die behalve Engels ook vloeiend Frans en Spaans sprak. Na het WK speelde hij nog enkele maanden in New York. Maar voordat hij zijn studie aan de Columbia University had afgemaakt, verhuisde hij naar Frankrijk. Begin 1951 had hij een aanbieding van Racing Club de Paris – nu Racing Club de France  - gekregen om in een land te voetballen dat toen samen met Engeland, Italië en Spanje de sterkste voetbalcompetitie van Europa had. Gaetjens was niet de enige die zijn WK-faam te gelde maakte. Ook Ed McIlvenny (bij Manchester United) en Joe Maca (bij Racing White (later gefuseerd met Daring Molenbeek tot RWDM) gingen in Europa voetballen. Alleen de in 1989 overleden McIlvenny, de gelegenheidsaanvoerder in de wedstrijd tegen Engeland, slaagde. Zijn weduwe Sheila: ‘Hij was altijd een echte prof. Ik weet nog dat hij bij Manchester United begin jaren vijftig de enige speler was die niet rookte en dronk.’ Maca zei later over zijn carrière bij het toen in de derde divisie spelende Racing White: ‘Ik denk dat de meeste spelers hier beter zijn dan die van het Amerikaanse team van 1950.’
Gaetjens haalde in Frankrijk evenmin de top. Hij kon tenminste niet tippen aan de trefzekere Nederlandse spitsen Bertus de Harder en Bram Appel, die in deze jaren de Franse competitie bovenaan de topscorerslijst stonden. Gaetjens was een bon-vivant die zich maar moeilijk aan de strakke discipline van het Franse professionele voetbal kon aanpassen. ‘Hij was gek op de Franse vrouwen. Hij zei altijd dat hij beter speelde als hij in de nacht voor de wedstrijd seks had,’ zegt James Gaetjens. Hij zou maar vier wedstrijden spelen voor Racing Club de Paris die toen uitkwam in de hoogste Franse divisie. Hij scoorde nog wel twee goals. Oud-spelers van de club die allemaal ver in de tachtig zijn, zeggen zijn naam te kennen, maar weten eigenlijk niets meer van zijn voetbalprestaties.  Gaetjens kreeg al snel last van slijtageverschijnselen aan de knie en was daardoor vaak geblesseerd. Racing Club de Paris wilde hem kwijt en bood hem aan bij het een divisie lager spelende Troyes AC in de Champagne-streek (sinds het bankroet in 2000 heette de club Estac). De bedoeling was hem te ruilen tegen een jonge talentvolle Troyes-spits, maar voordat de deal kon worden gedaan was Gaetjens al afgekeurd door zijn aanstaande werkgever en hij verdween naar een andere club ver in het zuiden van Frankrijk. In het seizoen 1952/1953 zou hij nog vijftien wedstrijden spelen voor Olympique d’Alès, een club uit de Cevennes-streek die nu is teruggezakt naar amateurniveau maar in het jaar 2002 de huidige wereldster Franck Ribéry nog in zijn selectie had . Hier scoorde Gaetjens ook twee keer, maar zijn diensten werden het seizoen erna niet meer op prijs gesteld. ‘Hij voldeed niet aan de verwachtingen. Onze keeper en spil gingen naar Stade de Reims. Joe mocht terug naar huis,’ weet een journalist van de lokale krant Midi Libre.
In 1953 keerde Gaetjens terug in Haïti. Zijn zus Mireille zegt dat hij met vlaggen werd verwelkomd. ‘Duizenden mensen waren op de been. Hij was een held die voor L’Etoile Hatienne weer grote daden zou verrichten.’ Maar Joe was 29, had blessures gehad en bleek ook ook andere lichamelijke ongemakken te hebben. ‘Hij kreeg om duistere reden bij grote inspanningen vaak bloedneuzen,’ zegt James. Omdat hij ondanks zijn belofte van 1950 nooit Amerikaan was geworden, kon hij alsnog voor zijn eigen land uitkomen. Op 27 december 1953 speelde hij voor het nationale team van Haïti in een kwalificatiewedstrijd voor het WK in Zwitserland tegen Mexico. Hij kreeg opnieuw een bloedneus en presteerde weinig. Het was zijn laatste wapenfeit als voetballer.
Begin 1954 kwam het team van de VS in dezelfde kwalificatiereeks naar Haiti.  Gaetjens voetbalde toen al niet meer. Wel nodigde hij alle spelers uit bij hem thuis, hoewel hij teleurgesteld was dat zijn beste Amerikaanse vriend John Souza – ze hadden in New York dicht bij elkaar gewoond - geen deel meer uitmaakte van de selectie. Walter Bahr: ‘We waren als Amerikaanse spelers allemaal bij hem thuis uitgenodigd. Hij woonde in een enorme villa, die over Port-au-Prince uitkeek. Wel vijftig familieleden waren aanwezig. Hij was het stralende middelpunt van een groots feest.’ Harry Keough herinnert Gaetjens daar als een ‘grote persoonlijkheid’. ‘Hij was joviaal, een beetje ondeugend en een heel levendige jongen. Iedereen mocht hem. Jammer genoeg hebben we hem daarna eigenlijk nooit meer gezien.’
Volgens de familie wordt de rijkdom van toen overschat. ‘Het was geen enorme villa. Eerder een gewoon huis. Maar we hadden huispersoneel, drie meisjes en een huisknecht. En dat geeft al gauw de indruk van grote rijkdom,’ aldus James Gaetjens.
Na terugkeer uit Frankrijk was Joe in Haïti woordvoerder geworden voor de Amerikaanse zeepfabrikanten Colgate en Palmolive. In 1955 trouwde hij met zijn nicht Liliane. ‘Ze was de vriendin van zijn zuster Mireille. Dus dat moest dan maar. Joe vond het goed en Liliane ook. Het lijkt geen echte liefdesgeschiedenis, maar zo ging het vaak in die tijd in Haïti,’ vertelt James. En al gauw bleek het een goede keuze te zijn. Joe was gek op zijn vrouw. Ze kregen drie kinderen: Richard, Leslie en Jerry.
Gaetjens had in Port-au-Prince ook een stomerij geopend. In zijn vrije tijd kweekte hij rozen en trainde hij jeugdelftallen. Zijn jongste zuster Matho Lamothe-Gaetjens, die nog altijd in Haïti woont, zegt dat hij enorm veel werk verzette om het voetbal te propageren’. ‘’De ervaringen die hij had opgedaan in de professionele Franse competitie paste hij toe op de trainingen van L’Etoile Hatienne.’’
Ook gaf hij veel geld weg om jonge voetballertjes in de slums van Port-au-Prince een kans te geven zich te ontwikkelen tot betere spelers. ‘’Hij ging ’s morgens altijd weg met een zak geld en kwam ’s avonds met lege zakken terug,’ aldus zijn andere zus Mireille.
Joe had alleen maar vrienden en daarnaast hoge connecties. Zo was hij goed bevriend met de politiecommissaris van Port-au-Prince, de later zo beruchte kolonel Daniel Beauvoir, die ook in het bestuur zat van zijn voetbalclub. Hij maakte zich ook geen zorgen over het politieke tumult dat het land steeds meer in zijn greep kreeg.
In 1957 vonden in Haïti verkiezingen plaats voor het presidentschap tussen de zwarte arts Francois ‘Papa Doc’ Duvalier en de kleurling Louis Dejoie, een ver familielid van de Gaetjens. Gaetjens familie – zelf van gemengd bloed - steunde de laatste. Duvalier won en ontpopte zich meteen daarna als een wrede dictator die een nietsontziende vervolging begon van iedereen die ooit tegen hem was geweest, onder wie vooral de aanhangers van Dejoie. Vele Haïtianen namen de wijk naar de VS, de Dominicaanse Republiek en Puerto Rico. Maar de Gaetjens-clan liet zich niet zo gemakkelijk wegjagen. Ze waren aanhangers van Dejoie, maar ze hadden ook goede contacten met de Duvalier-clan. Papa Doc werd begin jaren zestig echter steeds meer paranoïde. Zijn geheime politiekorps Tonton Macoutes pakten steeds vaker willekeurig vermeende politieke tegenstanders op. Naar gelang het humeur van de president – of de connecties – werden ze na enige tijd weer vrijgelaten of werd er nooit iets meer van ze vernomen.
Gérard Gaetjens, die actief Dejoie had gesteund, kreeg herhaaldelijk bezoek van de politie. Maar hij had voldoende vrienden om telkens tijdig te ontkomen. Zijn zoon James: ‘’De dienstdoende agenten maakten bewust zoveel lawaai op de lange oprijlaan dat Gérard de benen kon nemen. Ik weet dat ze een keer aanklopte en mijn vader net zijn schoenen aandeed. Op een schoen vluchtte hij het huis uit. Een politieman kwam binnen en zei: ‘waarom zijn de kleine kinderen zonder hun kleine vader’. Mijn moeder antwoordde: ‘De kleine vader is niet van lotje getikt’. Toch werd Gérard uiteindelijk een keer aangehouden en meegenomen. Maar zijn vrouw ging toen om vijf uur ’s morgens naar het paleis, liet Duvalier uit zijn bed halen met de belofte dat ze een plan had om alle armen in het land een tandenborstel te geven. Duvalier kwam zijn bed uit en stond haar te woord: ‘Die tandenborstels zijn rommel. Maar ik zal er wat aan doen’. De volgende ochtend was Gérard vrij.’’
Duvaliers humeur verslechterde echter toen hij vernam dat twee andere broers van Joe – Jean-Pierre en Fred – contacten zouden hebben gehad met gevluchte politieke tegenstanders die vanuit de Domicaanse Republiek een coup tegen hem beraamden. In 1964 riep Papa Doc zich uit tot president voor het leven. Mireille Cassagnol-Gaetjens kan zich de avond van 7 juli nog herinneren. ‘’Kapitein Edouard Guillot, een bevriende politieofficier, kwam bij mijn jongste zuster Matho en haar man langs. Ze zei dat de familie beter zou kunnen onderduiken. En zo snel mogelijk. ‘Sla die waarschuwing niet in de wind,’ benadrukte hij. Mijn moeder, mijn zuster en andere familieleden pakten ook meteen de spullen en zijn de volgende ochtend om zes uur vertrokken. Maar Joe niet. Die vond dat hij niets had misdaan. Aan politiek deed hij niet.’’
Guillot klopte om tien uur ’s morgens aan bij de stomerij, waar alleen Joe’s schoonmoeder aanwezig was. James: ‘ “Waar is Joe?” vroeg hij. Ze zei het niet te weten. Guillot bleef binnen wachten. Twee andere politiemensen stonden buiten. Joe’s schoenmoeder zag ineens zijn auto langsgaan. En ze riep dat Joe zo snel mogelijk weg moest gaan. Maar de agenten hielden de auto tegen. Joe werd meegenomen.
Hij werd vervolgens overgebracht naar de beruchte politiegevangenis Fort Dimanche, waar ook Gérard eerder had vastgezeten. Daarna ontbreekt ieder spoor. Joe’s broer Jean-Pierre was ervan overtuigd dat hij op 10 juli hier is  geëxecuteerd. Joe’s beste vriend, politiecommissaris Daniel Beauvoir, zou de executie persoonlijk hebben uitgevoerd. Ooggetuigen ervan zijn er niet en Beauvoir zelf, die enkele jaren geleden overleed, heeft het altijd ontkend. Slechts één medegevangene, die werd overgeplaatst naar een andere gevangenis, vertelde later aan Jean-Pierre dat hij van een cipier te horen had gekregen dat hij geluk had gehad. ‘’De mensen die zijn gebleven leven niet meer.’’
Volgens James Gaetjens heeft zijn vader Gérard nooit geloofd dat Beauvoir persoonlijk bij de executie was betrokken. ‘Hij vermoedde dat Joe veel langer als een soort van gijzelaar is vastgehouden. Als Duvalier inmenging van buiten het land vreesde, pakte hij familieleden van de mogelijke infiltranten op. Die stonden garant met hun leven dat er niets zou gebeuren.’
Joe’s familieleden zijn echter nooit direct bij een couppoging betrokken geweest. James Gaetjens kan alleen maar raden waarom Joe dan toch is omgekomen als hij niet door Beauvoir is vermoord. ‘’De ontberingen zouden zijn dood hebben kunnen veroorzaakt. Er gaan verhalen dat hij aan diaree leed.’’ Maar hij zou ook later kunnen zijn gedood. De familie hoorde echter niets over zijn lot. Die behield de hoop dat Joe zou terugkeren uit gevangenschap, net zoals Gérard twee jaar eerder.’
Vlak voor oudjaar 1964 probeerde de familie Joe nog vrij te krijgen. Mireille: ‘We zijn ’s morgens om 7.00 uur in de rij voor het paleis gaan staan. Om 11.00 uur ’s avonds waren we aan de beurt. Duvalier zei dat we ons geen zorgen hoefden te maken. De volgende dag zou Joe vrijkomen. Maar er kwam niemand de volgende dag. Toen wisten we dat hij dood was, want Papa Doc was een bruut, maar hij hield zich altijd aan zijn woord.’
Gaetjens tragische dood leidde niet tot protesten. Uiteraard niet binnen het dictatoriaal geregeerde Haïti maar ook niet buiten Haïti. Er verscheen geen enkele necrologie. Hij was in de VS al lang vergeten. Het voetbal in dat land was in de jaren vijftig en zestig totaal doodgebloed.  Pas in 1970 – twintig jaar later en zes jaar na de dood van Gaetjens – zou er voor het eerst in de VS over de wedstrijd tegen Engeland worden gepraat en geschreven. Bahr: ‘Het duurde 25 jaar voordat ik voor de eerste keer werd geïnterviewd over de overwinning op Engeland.’ Initiatiefnemer was een voormalig naar de VS verhuisde Engelse sportjournalist Clive Toye, die vond dat deze historische overwinning een grotere plek verdiende in de Amerikaanse sportannalen. Hij was begin jaren zeventig president geworden van de New York Cosmos en probeerde het Amerikaanse voetbal nieuw leven in te blazen door ondermeer Pele en Beckenbauer naar die club te halen. In 1972 werd Gaetjens geëerd als ‘Little Joe’ tijdens een wedstrijd van de New York Cosmos en in 1976 werd hij bijgezet in wat nu de Soccer Hall of Fame heet.
Toye probeerde tegelijkertijd in Haïti te achterhalen wat er was gebeurd met de doelpuntenmaker. Clive Toye : ‘Ik heb contact opgenomen met de Organisatie voor Amerikaanse Staten (OAS) die beloofde contact op te nemen met de autoriteiten in Haïti. Maar veel heeft het niet opgeleverd, behalve de bevestiging dat Joe op 8 juli 1964 was gearresteerd door twee officieren in burger onder bevel van een politiekapitein en later was overleden.’ Een verzoek tot een officieel doodscertificaat werd afgewezen.
Gaetjens bijna voltallige familie, waaronder zijn vrouw en kinderen en al zijn broers en zusters – met uitzondering van de jongste zuster –, verliet in 1965 het land. Vanuit de VS bleef men onvermoeibaar voor zijn eerherstel strijden. James Gaetjens weet dat niemand anders zich er echt om bekommerde. ‘Mijn oom Jean-Pierre kwam wel een keer in Puerto Rico de voormalige politiecommissaris Beauvoir tegen. Het leidde tot een enorme vechtpartij, omdat hij Beauvoir ervan verdacht Joe te hebben vermoord.’
Papa Doc bestuurde het land tot zijn dood in 1971, waarin hij naast Joe Gaetjens nog 30 duizend andere burgers ombracht. Zijn zoon Jean Claude ‘Baby Doc’ Duvalier zou daarna nog tot 1986 met ijzeren vuist regeren. Pas daarna kon Joe’s broer Jean-Pierre voor het eerst onderzoek gaan doen naar het lot van zijn voetballende broer. Maar veel kon hij niet achterhalen. Joe’s zoon Richard reisde eveneens naar Port-au-Prince en zei net als Jean-Pierre te zijn overtuigd dat Beauvoir Joe heeft geëxecuteerd. Hij is verraden door zijn beste vrienden’ Maar ook zijn woorden kunnen niet worden gecontroleerd. De dood van Joe bleef een mysterie.
Nieuwe tragedie teisterde de familie. ‘Zoveel van de mensen in de familie Gaetjens zijn niet alleen op tragische wijze maar ook onder verdachte omstandigheden gestorven’, zegt Mary Gaetjens, een nicht van Joe die nu woont in Rio de Janeiro. Gérard Gaetjens, die onder Duvalier zo vaak met de schrik was vrijgekomen, werd in augustus 1990 vermoord tijdens het bewind van president Aristide door een politieke bende. Ondanks uitdrukkelijk afraden van de familie was hij na de dood van Baby Doc weer teruggegaan naar Haïti in de hoop dat de situatie zou verbeteren en hij zelf in de politiek een rol van betekenis zou kunnen spelen.
Alleen Joe’s jongste zus Matho is altijd in Haïti gebleven. Zij was zelfs minister in de regering van Aristide en wist altijd haar connecties op hoog niveau te houden. Ze is nu 71, vorig jaar hertrouwd en bezig met een opleiding voor kleine ambachtslieden in het zuiden van Haïti. Haar dochter heeft de bloemenzaak in Port-au-Prince overgenomen. Zij uit zich zo weinig mogelijk over de huidige politieke situatie, want Haïti is tot op de dag van vandaag nog altijd een politiek instabiel als arm. Uitlatingen over Joe kunnen gevaarlijk zijn. Bendes die niet terugdeinzen voor moord en kidnapping hebben banden met voormalige politici als Jean Claude Duvalier (in Frankrijk in ballingschap) of Jean-Bertrand Aristide (in Zuid-Afrika in ballingschap).
Mary Gaetjens: ‘We hebben als familie allemaal littekens overgehouden aan het bewind van de Duvaliers, soms fysiek, soms psychisch. We willen daar niet graag over praten, maar we moeten het een keer doen voordat iedereen die dit nog kan navertellen, is overleden.’ Jean-Pierre Gaetjens – de broer van Joe die zoveel jaren voor zijn eerherstel heeft gestreden – overleed in december 2008 aan kanker. De Federation Hatienne de Football, zoals de Haïtiaanse voetbalbond heet, heeft zelf nog weinig gedaan aan de rehabilitatie van een van zijn grootste sterren. Joe staat op de lijst van oud-spelers op de website van de bond, maar de informatie is net zo fout als die over Joe Gaetjens in de VS. En over de toedracht van zijn dood wordt helemaal niets gezegd. Voorzitter Yves Jean-Bart van de voetbalbond weet weinig over Joe. Hij kan slechts vertellen dat zijn club L’Etoile Hatienne in 2003 opgehouden heeft te bestaan. ‘’Onder het Duvalier-regime waren alle leden al gevlucht. Daarna is een poging gedaan de club weer op te bouwen, maar dat is uiteindelijk niet gelukt. Er is alleen nog een zaalvoetbalafdeling.’’
De voetbalbond koestert zijn eigen helden uit het verleden: de spelers die in 1974 meededen aan het WK in West-Duitsland en daar overigens alle drie groepswedstrijden roemloos verloren.
In 2000 – vijftig jaar na zijn goal – leek het erop dat de regering genegen zou zijn een postzegel uit te brengen met een afbeelding van Joe Gaetjens. ‘’Maar zoals het altijd gaat in Haïti, kwam er een regeringscrisis, was er geen premier meer en leed het plan schipbreuk,’’ aldus James Gaetjens. Een ver familielid Emmanuel Pressoir was in de jaren negentig journalist bij de Haïtaanse televisie, wat even de hoop deed opleven dat Joe alsnog een plekje zou krijgen in de sportannalen van het land. Maar in het politiek zo onstabiele land zijn er geen zekerheden. Pressoirs journalistieke carrière was al snel voorbij.
Er zijn door buitenstaanders pogingen gedaan om het leven van de voormalige voetballer te reconstrueren, maar Joe…who? bleef Joe…who? Hollywood maakte in 2005 een patriottische film over de overwinning van het Amerikaanse elftal op de Engelsen. De film heette aanvankelijk The Miracle Match, maar werd later Game of Their Lives genoemd naar een in 2002 verschenen boek van Geoffrey Douglas. De ‘op een waar verhaal gebaseerde scenario’ van de film over de Amerikaanse overwinning is volgens Colin Jose echter vooral fictie. Centraal in de film staat het Braziliaanse heldenavontuur van de vijf vrienden uit The Hill, de Italiaanse wijk van St. Louis: Harry Keough, Robert Annis, Charles Columbo, Gino Pariani en keeper Frank Borghi. Die laatste krijgt met zijn onmogelijke reddingen de heldenrol toebedeeld, terwijl Gaetjens (gespeeld door een zwarte acteur terwijl Joe zoals de meeste Gaetjens een zeer lichte teint had) als een soort voodoopop uit de slums is neergezet. Daarnaast bevatte het verhaal zoveel andere historische onjuistheden (zo werd Walter Bahr tot aanvoerder gebombardeerd, zat het stadion overvol met 30 duizend toeschouwers en eindigden de Engelse doelpogingen continu tegen de lat en de paal) dat noch historicus Jose noch de Gaetjens-familie er een goed woord voor over hebben. Sheila McIlvenny, de in de Engelse badplaats Eastbourne woonachtige weduwe van de Amerikaanse gelegenheidsaanvoerder, zegt de film niet te willen zien.
‘’Het is niet accuraat. De acteur die Eddy moest spelen in de film, zei zelfs teleurgesteld te zijn dat er zo was gesjoemeld met de feiten. Maar dat doen de Amerikanen altijd, net zoals in hun oorlogsfilms.’’ De BBC nam op zijn eigen wijze revanche. De Britse omroep zou later zelf een documentaire maken met de titel Game of Their Lives, maar nu over de overwinning van de Noord-Koreanen op Italië uit 1966.
James Gaetjens zegt dat de Amerikaanse filmmaker aan het slot nog een scène had bedacht waarin Joe een Amerikaans paspoort kreeg toen hij in New York terugkeerde uit Brazilië uit dank voor zijn goal. ‘’Liliane heeft ertegen geprotesteerd. Er was niemand om hem te ontvangen. Joe moest zijn eigen buskaartje nog kopen. En toen Joe werd vermoord in 1964 hebben de Amerikanen niets van zich laten horen.’’
Van de directe familie van Joe Gaetjens leven na de dood van Jean-Pierre nog zijn weduwe Liliane (zij heeft nooit over zijn dood willen praten), twee van de kinderen en zijn zussen Mireille in Puerto Rico en Matho in Haïti. ‘’Met de dood van Jean Pierre is ook de door hem opgezette Joe Gaetjens Foundation een stille dood gestorven. Misschien kunnen wij het oppakken. Maar ons doel is niet meer een standbeeld of een postzegel van Joe, maar een fonds dat kinderen uit Haïti de mogelijkheid geeft om in de VS te voetballen en te studeren – tenminste: dezelfde kansen te krijgen als Joe toen heeft gehad,’’aldus James Gaetjens. Mary Gaetjens vindt dat de geschiedschrijvers Joe recht moet doen. ‘’Het is toch jammer dat de Soccer Hall of Game Joe beschrijft als ‘iemand die werd gearresteerd en waarvan nooit meer wat werd gehoord’. Het klinkt of hij een crimineel was.’’Matho Gaetens ziet wel enige vooruitgang: ‘Een bank heeft mij gevraagd om een foto van Joe op hun kalender te mogen zetten.’
Dat is ook gebeurd. Joe Gaetjens pronkt dit jaar tussen andere prominenten uit de geschiedenis van het land, ondermeer samen met een andere beroemde Haïtiaanse voetballer: Eammanuel Sanon, de man die historie schreef door de Italiaanse doelman Dino Zoff tijdens het WK van 1974 voor het eerst te passeren nadat deze 1142 minuten zijn doel schoon had gehouden.
Net zoals niet meer kan worden achterhaald hoe Joe is omgekomen, is moeilijk na te gaan hoe goed de voetballer Joe Gaetjens was. Beelden van hem als speler zijn er niet. Colin Jose denkt niet dat hij bijzonder goed was. ‘Ik zou zeggen: niveau Engelse derde divisie.’ Walter Bahr herinnert zich hem als een bijzondere atletische voetballer die aan een half kansje genoeg had om een doelpunt te maken. ‘Hij was een spits, een echte spits. Als verdediger of zelfs als buitenspeler zou je niets aan hem hebben gehad. Maar scoren kon hij, vooral als het onmogelijk leek. Je moest hem zijn gang laten gaan. Opdrachten van een coach waren niet aan hem besteed.’ Harry Keough: ‘Hij kon wel wat. Maar in dat Amerikaanse team van toen was John Souza volgens mij de beste speler.’ Zijn zus Mireille zegt onomwonden: ‘Ik heb hem het meeste zien spelen. Ik herinner mij het spandoek uit 1953 toen hij terugkeerde in zijn geboorteland: De Beste Voetballer van Haïti, de VS en de Hele Wereld. En zo was het.’
In de Wendy’s in Miami zullen ze het niet kunnen beamen.

Peter de Waard

Bronnen:
VS:
Walter Bahr (ex-speler), Jack Huckel (Soccer hall of fame), Colin Jose (historicus), Clive Toye (ex-Cosmos directeur), Roger Allaway (historicus). James Gaetjens, Mireille Lebrun en Chantal Lebrun (familieleden)
Groot-Brittannië:
Cris Freddi (historicus), Sir Tom Finney (ex-speler), Laurie Hughes (ex-speler),  Sheila en Shona McIlvenny (weduwe en dochter ex-speler). Adrienne Maguire (filmmaker)
Haïti
Matho Lamothe-Gaetjens (familielid), Yves Jean-Bart (president voetbalbond)
Mexico:
Harry Keough (ex-speler)
Puerto Rico:
Mireille Cassagnon-Gaetjens (familelid)
Brazilië:
Mary Gaetjens (familielid)
Frankrijk:
Carlos Cassis (Troyes AC), Jean Michel Baldy (Olympique d’Alès), Roger Roux (journalist Midi Libre), Hakim Hamouche (Racing Club de France)
België:
Francois Colin (journalist en historicus)
Zwitserland:
Marlene Gerber (FIFA-medewerkster)

 

----------SeptemBEr 2008----------------

Puskas van de Zuiderzee

 

Dick Tol  

Kick Smit, Faas Wilkes, Abe Lenstra,

Dat waren begrippen toentertijd.

Bij elkaar gevoegd: Kick Wilstra.

Een onvervalste drie-eenheid.

 

Maar van één man sloeg mijn hart op hol.

Zijn naam zat in mij vastgeroest.

De legendarische en onvergetelijke Dick Tol.

Geen Kick Wilstra dus, maar gewoon ‘De Knoest’.

 

Gerrie Mühren

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gerrie Mühren schreef twintig jaar geleden dit lofdicht op Dick Tol. Het is even pretentieloos als de daarin beschreven voetballer zelf was. Volendammers zijn wars van hoogdravendheid. Ook de 62-jarige Mühren, misschien de meest begenadigde technicus uit de geschiedenis van de eredivisie, zegt dat Volendammers in hun muziek, in hun poëzie en in hun voetbal altijd dicht bij de gevoelens van het eigen volk blijven. ‘En dat moet worden geuit. Ik ben gek op dichten. Het zit in onze genen. Ons Spaanse bloed.’

 Mühren kan op die wijze de bewondering voor zijn eigen idool uitdrukken. Niet Cruyff of Keizer met wie hij zoveel jaren bij Ajax successen heeft gehad, maar Dick Tol, de midvoor van zijn eigen dorpsclub Volendam van 1955 tot 1967.

 ‘Dick Tol was mijn held. Ik weet dat hij een keer op de training zijn scheenbeschermers was vergeten. Ik mocht die halen. Dat was al geweldig.’ Als schooljongetje verzamelde hij alles over Tol en plakte het in oude kasboeken van zijn vader. Hij wijst op de kenmerkende foto’s van Tol: tanden op elkaar en geweldig uithalen. Zoals in de wedstrijd van Volendam tegen DFC op 6 november 1958. ‘Volendam stond 3-1 achter. Tien minuten voor tijd werd het door Tol 3-2. En toen kwam die knal. Vanaf de dug-out schoot hij de bal in de bovenhoek, 3-3. Bennie Steur maakte er 4-3 van.’

 ‘Scherpschutter Tol doet iets verschrikkelijks’, luidde de kop in de Volkskrant. Het was het seizoen dat RKAV Volendam voor de eerste keer kampioen werd van de eerste divisie en de toen nog katholieke de Volkskrant daarvoor inclusief de felicitaties van het episcopaat twee pagina’s uittrok.

 ‘Ik weet niet of ik het idealiseer. Maar dit was voor mij het sterkste Volendam ooit.’ Het zou nog vier seizoen duren voordat een 16-jarige Gerrie Mühren zelf zijn debuut maakte in Volendam 1. ‘Hoogtepunt? De eerste keer dat ik scoorde. En dat Dick Tol mij daarna uit pure vreugde in de lucht tilde.’

 Wie op de Dijk of voor het stadion van Volendam aan de fans van de dit seizoen weer in de eredivisie teruggekeerde club vraagt wie hun beste voetballer ooit is geweest krijgt steevast het antwoord: Dick Tol. ‘Als hij nu had gevoetbald, zou hij 300 miljoen hebben opgebracht’, aldus een oude Volendam-supporter. ‘Moest je begin jaren zestig een keer in Volendam komen kijken en Tol deed niet mee. Je zag alleen maar lange gezichten. Iedereen kwam voor hem’, zegt Cor Westerveld van de supportersvereniging Volendam.

 Niet alleen van 60-plussers die hem echt hebben zien voetballen, zijn lyrisch over hem, ook de jongeren die van hun vaders en ooms de legendarische verhalen over Tol hebben gehoord, kennen allemaal de naam van deze blonde spits die 276 doelpunten maakte voor Volendam en in het seizoen 1961/62 topscorer van de eredivisie werd. ‘En dat was een seizoen dat Volendam degradeerde’, zo wordt er continu aan toegevoegd.

 Hoewel het niet waar is – Volendam werd dat seizoen zevende in de eredivisie – begint ook de huidige voorzitter van FC Volendam Henk Kras zo zijn verhaal. ‘Is het niet waar? Maar het is wel een mooi verhaal dat we erin moeten houden om iedereen te laten weten hoe goed hij was.’

 Dick Tol kwam nooit uit voor het Nederlandse A-elftal. En toch is zijn verering in Volendam vele malen groter dan die van de gebroeders Mühren, Wim Jonk, Keje Molenaar en Pier Tol, Volendammers die allemaal international werden, voor topclubs speelden en nationale en Europese prijzen haalden.

 Was hij echt beter dan hen? Of heeft zijn roem te maken met het feit dat hij op de jonge leeftijd van 39 jaar overleed aan kanker, zes jaar nadat hij in 1967 ineens was gestopt met voetballen? Kortom, is Dick Tol de Kennedy, de prinses Diana, de Janis Joplin, de James Dean of Marilyn Monroe van het Nederlandse voetbal?

 Dick Bond (65), een andere bekende speler van het Volendam van de jaren zestig, zegt dat de legende Tol niet alleen te danken is aan zijn vroege dood. ‘Hij was bij zijn leven ook al een legende. Hij was niet alleen een geweldige goalgetter, maar ook een grote persoonlijkheid. In het veld en buiten het veld. Hij droeg de Volendamse mentaliteit uit. Ik weet nog dat hij op de vraag of zijn zoontje Wilfried in zijn voetsporen zou treden, opmerkte: “Als die jongen buiten speelt, dan maakt hij van een propje papier een voetbal. Die schiet hij dan zowel door de voor- als achterruit”.’

 Tol was de absolute leider van een team dat toen nog altijd met elf geboren Volendammers speelde. Hij was het toonbeeld van onverzettelijkheid van de katholieke dorpsclub. Alleen met zijn stoere bijnaam van De Knoest stak hij al uit boven andere spelers die door de gemeenschap met minder benijdenswaardige bijnamen waren opgezadeld zoals Blubber (Klaas Karregat), Snert (Jaap Kroon), Poes (Harmen Veerman), Troet (Thames Tol) of Jut (Jaap Smit).

 Daarnaast was Tol een sociale man, iemand van het Volendamse volk die zich om anderen bekommerde. De toenmalige middenvelder Bennie Steur (68) zegt dat hij het altijd voor zijn teamgenoten opnam. ‘Hij was veruit onze bekendste speler. Als we ergens kwamen, dan boden de mensen hem meteen koffie of iets anders aan. “Oké, zei hij dan, maar alleen als de rest hetzelfde krijgt”.’ Steur weet nog dat hij zijn eerste diploma als oefenmeester moest halen op de dag dat de kermis in Volendam begon. ‘De examens vonden plaats op het veld van Zeevogels in Egmond aan de Hoef. Hoewel dat vijftig kilometer uit de buurt was, bood Dick Tol aan te rijden. Toen we in Egmond arriveerden stond er een hele rij van kandidaten te wachten. We leken de kermis mis te lopen. Maar Tol ging onmiddellijk naar de beoordelingscommissie. “Kunnen mijn jongens eerst?” “Ja, maar, ze moeten wel laten zien dat ze kunnen voetballen”, was het antwoord. “Gaat u daar maar staan, zestig meter verderop. Dan leggen ze de bal wel even in jullie kruis”. Na een paar dribbels en trappen kregen we het diploma.’

 Tol hielp ook spelers van andere clubs, zelfs die van de ketterse aartsvijand uit Alkmaar. Piet Buis van het toenmalige Alkmaar ’54 kreeg na een liesblessure van Tol de naam van de Duitse chirurg die hem van eenzelfde blessure had afgeholpen. ‘Ik durfde hem zelf niet te bellen, zo keek ik tegen hem op. Maar mijn vrouw wel en die kreeg meteen het adres. En toen mijn herstel niet zo goed verliep, gaf hij mij weer advies’, aldus Buis.

 Jack Tuyp, de huidige spits van Volendam die vorig seizoen 26 goals maakte – het grootste aantal in één seizoen van een Volendam-speler sinds Dick Tol – kent Tol alleen van de overlevering. ‘Als je de verhalen hoort en de statistieken ziet, dan besef je hoe goed hij moet zijn geweest. Topscorer van de eredivisie voor Volendam! Daar kan ik alleen van dromen.’

 De voetbalgenen zijn in Volendam ondanks het drank- en drugsprobleem aan de Dijk nog rijkelijk te vinden. Volendam is ook nu de kleinste plaats van Nederland met een betaald voetbalclub. In de selectie van de huidige club zitten naast Tuyp nog vier andere geboren Volendammers, waarvan er zeker drie in de basis staan. Maar daarnaast voetballen nog zeven Volendammers bij andere betaalde voetbalverenigingen.

 Jack Tuyp is verwant met het geslacht van De Knoesten, zoals de familie van Dick Tol wordt genoemd om ze van de andere Tollen uit Volendam te onderscheiden. Tuyps oma, Neel de Knoest, was een zus van Dick Tol. Ondanks die familieband deelt Tuyp qua voetballer behalve de positie in de punt van de aanval niets met zijn oudoom. Dick Tol moest het hebben van agressie, kop- en schotkracht en snelheid. Hij werd het liefst in de diepte aangespeeld. Tuyp is juist flegmatiek, niet snel en ook geen geweldige kopper. Hij wil het liefst in de voeten worden aangespeeld.

 Zelfs heeft Tuyp geen bijnaam, hoewel de familie van zijn vader Bulldog wordt genoemd en van zijn moeder Prop. Maar net als Dick Tol voelt hij zich het beste thuis in Volendam. Bij een uitstapje van een seizoen naar FC Groningen kwam hij niet aan de bak. Daarnaast hadden ze allebei gevoel voor cijfertjes: Tol haalde tijdens zijn voetbalcarriere het praktijkdiploma boekhouden, Tuyp heeft nu een diploma HEAO, bedrijfseconomie.

 Van Dick Tol zijn weinig beelden bewaard gebleven voor het nageslacht. Hij behoorde tot de generatie voetballers die speelde in de jaren dat het professioneel voetbal in Nederland net was begonnen en Sport in Beeld/Studio Sport in de kinderschoenen stond. Zijn reputatie berust op overlevering, krantenartikelen en radiofragmenten.

 Dick Tol werd in 1934 geboren. Zijn vader was de visventer Kees Tol – een tak van de Tollen die in het dorp De Knoest werden genoemd omdat een van de voorouders op de Zuiderzee dankzij krachtdadig ingrijpen een scheepsramp had overleefd.

 Dick Tol deed de reputatie van De Knoest al gauw alle eer aan. De blonde Dick – daarom door zijn beste vrienden ook wel ‘De Witte’ genoemd – blonk al heel jong uit in alle sporten. Hij kon hoog springen, salto’s maken en vooral heel snel lopen (in de jaren vijftig zou hij de 100 meter ooit binnen 10,8 seconden lopen, hetgeen toen een toptijd in Nederlandse atletiek was).

 Daarnaast bleek hij een keihard schot te hebben. Met tegeltjetrap – jongetjes moesten elkanders rechtopstaande tegel zien om te krijgen met de bal - schopte hij een keer een tennisbal door een schoolruit. Ook zou hij een keer een tegel dwars doormidden hebben getrapt.

 Dick Tol liep toen nog in Volendammer klederdracht – ruige pijbroek met blinkende klapschilden op de buik en gouden knopen op het befje – en op klompen. Maar hij was al zo fanatiek dat hij de klompen extra dun schuurde om sneller te kunnen zijn. Dit tot ergernis van zijn moeder omdat hierdoor nogal eens een klomp brak.

 In de oorlog speelde hij vooral straatvoetbal. In september 1945 werd hij lid van de plaatselijke voetbalclub Volendam en ging deel uitmaken van een aspirantenteam. In 1949 won zijn team met 48-0 van RKEDO, nog altijd een nationaal record voor een wedstrijd van 2 maal 30 minuten. Tol maakte 12 doelpunten. In een wedstrijd tegen een aspirantenteam van Limmen stond Volendam al met de rust 12-0 voor (tien goals van Tol), waarna de Limmenaren besloten het bijltje er bij neer te gooien en niet meer voor de tweede helft terug te keren.

 Tol stond al in het eerste elftal voordat het betaalde voetbal werd geïntroduceerd. Bekend werd een promotiewedstrijd naar de hoogste klasse uit 1953 tegen EBOH uit Dordrecht die Volendam met 1-0 verloor. Het radioverslag van Leo Pagano werd live uitgezonden. Wim Broere van EBOH kon niet meedoen. ‘Ik kreeg een schop van Dick Tol in mijn gezicht en kon daardoor negen weken niet eten.’

 Bij de oprichting van het betaalde voetbal in 1955 kreeg Dick Tol een contract bij de plaatselijke club die in de eerste divisie begon. Tol werd meteen in het eerste seizoen 1955/56 topscorer van de club met dertig doelpunten. In het volgende seizoen maakte hij zelfs 36 goals en werd topscorer van de eerste divisie. Twaalf seizoenen zou hij onafgebroken topscorer van de club blijven. In 1958 wist de club uit het dorp van toen nog geen tienduizend inwoners voor het eerst de nationale top te bereiken toen Volendam in de bekerfinale in het Olympisch Stadion aantrad tegen Sparta, de club die een seizoen later met de lange Volendammer Janny Schilder landskampioen zou worden. Volendam verloor met 4-3, maar de prestatie van de kleine dorpsclub en zijn midvoor Dick Tol kregen nationale weerklank.

 Tol was een ‘ruwe bolster, blanke pit’-voetballer. Hij was eerlijk en recht-door-zee, maar niet altijd even diplomatiek. Hij kon behoorlijk vloeken in het veld en driftig tegen scheidsrechters te keer gaan: ‘Je kenne d’r gien zak van’. ‘Hij had een broertje dood aan rangen en standen. Ik weet dat een scheidsrechter die Van Male heette, een keer na de wedstrijd excuus van hem eiste. Voorzitter Arnold Mühren zei tegen Tol: “Ga even naar mijnheer Van Male en zeg dat je er spijt van hebt. Dick Tol antwoordde: ‘Moet ik mijnheer Van Male zeggen? Dan ben ik voor hem mijnheer Tol”.’

 Tol was eigenlijk een toonbeeld van sportiviteit ondanks alle schoppen die hij zou moeten incasseren. Slechts één keer zou hij in zijn carriere uit het veld worden gestuurd, nadat Hans Kraay hem in de wedstrijd tegen Feyenoord op 8 oktober 1961 aan het shirt vasthield en Tol zich probeerde los te schudden en in de ogen van de scheidsrechter een elleboogstoot uitdeelde. Kraay lag tenminste schijnbaar bewusteloos langs de kant. Maar in Volendam vond iedereen dat Kraay simuleerde.

 Gerrie Mühren: ‘Eigenlijk had Kraay moeten worden weggestuurd.’ De huidige voorzitter Henk Kras van Volendam kan zich er nog over opwinden. ‘De tuchtcommissie hield toen zijn zittingen nog in Den Haag. Tol kreeg een schorsing van vijf wedstrijden en toen hij daar op de televisie iets over zei werden dat er zelfs zes. Dat had bij een speler van Ajax, Feyenoord of bij Tonny van der Linden van DOS nooit gebeurd.’

 Hans Kraay (71) zelf erkent dat hij Tol aan het shirt vasthield. ‘Het stond 1-0 op dat moment. Het moest wel, anders was hij er vandoor en was het 1-1 geworden. Ik ben later nog met hem meegegaan naar de tuchtcommissie. Ik zei dat ik wel wilde toegeven dat ik hem aan zijn shirt had getrokken. Maar dat zou hij moeten zeggen van de elleboogstoot. Maar dat wilde hij niet. “Ik heb niets gedaan”, zei Tol, terwijl het hele stadion de elleboogstoot had gezien.’

 In het seizoen 1958/59 was Ger Stroker Leen van Woerkom  als trainer van Volendam opgevolgd. Een gouden periode begon. Stroker introduceerde totaal nieuwe trainingsmethoden: kopgalgen, tennisvoetbal en het opstellen van poppen op het trainingsveld waarop spelers de zogenoemde Matthews-schijnbeweging moesten oefenen. ‘Hij liet ons ook schieten met extra zware plastic ballen die niet vooruit waren te krijgen. Alleen Dick Tol kon er net zo hard mee schieten’, weet Mühren zich nog te herinneren die als tiener voortdurend rond het veld heen zwierf, waar zijn ooms Arnold (voorzitter) en Pé (speaker) en zijn vader Jan ook continu te vinden waren.

 Strokers opvolger Bram Appel die in het seizoen 1960/61 aantrad, richtte zich vooral op het verbeteren van de conditie van het elftal. ‘Al die Volendammers kunnen geweldig voetballen, maar ze kunnen het niet lang volhouden.’ Het probleem was ook het gebrek aan een goed trainingsveld. Het complex van Volendam lag op veengrond waarop geen grassprietje groeide en die de strook van Gaza werd genoemd. Er werd getraind op sintels, prut en paardenhaar waar de ratten uit de omliggende sloten rondslopen. Uitwijkplaats voor de trainingen was noodgedwongen het veld van Vrone in het bij Alkmaar gelegen St. Pancras.

 Volendam was begin jaren zestig op zijn sterkst. Bennie Steur, Janny Schilder, Klaas Karregat, Jaap Smit en de jonge Johan Pelk vormden samen met Dick Tol een sterrenteam dat zich drie seizoenen in de eredivisie wist te handhaven. Jan Cottaar wijdde een heel programma van de KRO aan de prestaties van de dorpsclub. Tol werd als de veel scorende spits de beroemdste speler van Volendam. Adrie van Ophem uit Schagen, een trouwe Volendam-supporter die in 1995 een essay over De Knoest schreef: ‘Ik mocht met mijn vader eens in de twee weken mee naar het voetballen in Volendam. Het was daar een gekkenhuis met al die auto’s, bumper aan bumper. Als ik uit school kwam en op straat ging voetballen koos je een naam van een toenmalige ster. De een was Abe, de ander Coen Moulijn. Ik was Tol of eigenlijk Tolletje, omdat ik nogal klein was’, aldus Van Ophem.

 Mühren: ‘Toch was in die periode ook de omslag van het voetbal in Volendam. Tot 1961/62 was Volendam vooral een karakterploeg. Tol en Karregat waren daar de voorbeelden van. Maar er kwamen steeds meer technische spelers bij. Na Bennie Steur kwam Dick Bond en daarna kwamen Wim Kras en ik.’ Steur: ‘Er was altijd een strijd tussen de karaktervoetballers en technische voetballers. Als het fout ging, dan kregen de technische jongens de schuld.’

 Kenmerkend voor Tol waren behalve zijn grote snelheid vooral zijn kopballen en zijn harde schoten. ‘Sprong- en schotkracht’, vat Dick Bond de kwaliteiten van zijn toenmalige medespeler samen. Gerrie Mühren: ‘Hij schoot niet alleen hard maar ook ongekend zuiver. Toen hij mij leerde om te schieten, lukte het hem op een bal twintig keer onhoudbaar in het zijnet van de binnenkant van het doel te krijgen.’ Maar Tol hoefde niet altijd te richten.

 ‘Als je tijd hebt richt je de bal. Als je geen tijd hebt ga je recht op het doel af, doe je je ogen dicht en schiet zo hard mogelijk’, aldus De Knoest. Alle keepers in de eredivisie waren bang voor hun hachje als hij een kanonskogel op doel afvuurde. Een stadionomroeper riep eens: ‘Wil Dick Tol rustig aan doen, onze keeper heeft een kunstgebit’. Een keeper brak een sleutelbeen toen hij een strafschop van Tol probeerde te stoppen, een ander (Rinus l’Ami van Vitesse) werd met bal en al achter de lijn geschoten. Gerrie Mühren: ‘Ik weet dat de keeper van DWS altijd met zijn ogen dicht en handen voor het gezicht uitliep als Dick Tol op hem afkwam, zo bang was hij voor de schoten. Op een keer zei Appel tegen Tol dat het veel makkelijker was om de keeper in dit geval te omspelen. Tol luisterde voor een keer. Hij ging langs de keeper maar miste toen voor een leeg doel. Dit was zijn stijl niet.’ De volgende keer schoot Tol de bal zo verwoestend langs de keeper dat in het Olympisch Stadion volgens Volendammers nog altijd een stuk verschroeid gras ligt.

 Mühren over een wedstrijd tegen NAC: ‘Na een paar minuten kreeg Tol de bal en die lag ineens in het doel. Niemand juichte. Niemand begreep het. Niemand had het gezien, zo snel gebeurde het.’. Steur: ‘Wat Tol kon en wat ik weinig spelers daarna nog heb zien doen was op volle snelheid schieten. Iedere speler houdt even in om te schieten. Tol deed dat niet.’ Keeper Jan Ruiter was op 17-jarige leeftijd van Enkhuizen naar Volendam gekomen. Hij speelde in een laag elftal totdat Volendam ineens een keepersprobleem kreeg en Ruiter werd opgeroepen voor het eerste elftal. ‘Hier hoor je de ballen fluiten’ werd hem op zijn eerste training verteld. ‘Wat? Fluiten?’ vroeg hij vol onbegrip. Daarna schoot Dick Tol een aantal ballen op zijn doel. ‘Ik heb ze alleen horen fluiten’, gaf Ruiter (later keeper van ondermeer Anderlecht) grif toe.

 Met het hoofd was hij ook trefzeker. Steur: ‘Hij sprong boven alle keepers uit. Ik weet een keer dat we tegen GVAV speelde en de lange Otto Roffel daar op doel stond. We wonnen met 5-2, met name doordat Tol elke keer de keeper in de lucht de baas was.’ Met aanvankelijk de twee snelle vleugelspitsen Henk en Hein Jonk – bijgenaamd Spijker en Pinkel - en later spelers en Gerrie Mühren en Wim Kras werd Tol van de flanken ook op maat bediend. Vooral Mühren was een precieze aangever. Tol over Mühren: ‘Als ik de bal op de derde haar van mijn wenkbrauw wilde hebben, kreeg ik die daar ook.’

 Tol was niet de spits van de lepe boogballetjes of het omspelen van keepers. Ook niet iemand van de één-twee. ‘Als je dat met hem probeerde, kreeg je de bal in je nek terug’, zegt Mühren. Ook zijn eerste aanname was niet geweldig. De ballen wilden nogal eens van zijn voeten afspringen. Maar zijn kop- en schiettechniek waren geweldig. Hij heeft doelpunten gemaakt als die van Van Basten in de finale tegen Rusland in 1988. Fameus werd zijn goal in de wedstijd Feyenoord-Volendam waarbij hij een verre uittrap van zijn eigen keeper met zijn hak controleerde, over de laatste verdediger Hans Kraay wipte en op keeper Pieters Graafland afging die hij simpel passeerde. Deze wedstrijd die Volendam met 2-5 won, was de ultieme wraak voor het een seizoen eerder verloren duel waarbij Tol uit het veld was gestuurd.

 Tol wilde het liefst in de diepte aangespeeld worden, omdat hij elke verdediger op snelheid kon verslaan. ‘Op de training kon je hem op de 100 meter nog wel bijhouden. Maar de eerste twintig meter was hij onverslaanbaar. Hij was zo explosief’, aldus Dick Bond.

 Steur kent een ander verhaal: ‘Tijdens een wedstrijd in het Olympisch Stadion tegen DWS zei de spijkerharde verdediger Klaas Karregat een keer tegen Tol: ‘Als ik op mijn vingers fluit, kun jij gaan lopen.’ Tot vier keer toe bleken de dieptepasses van Karregat na het fluiten op zijn vingers afzwaaiers te zijn. Toen Karregat voor de vijfde keer floot, bleef Tol staan en wees hij tot groot vermaak van het publiek het bekende gebaar naar zijn kruis.’

 Dick Tol vond dat hij de doelpunten moest maken en dat de buitenspelers hem moesten bedienen. Dribbelaar Wim Kras, een speler die op zijn 15de jaar al in het eerste stond, had daar niet altijd een boodschap aan. Hij wilde zelf scoren. ‘Geef-nou-toch-eens-voor’, schreeuwde een wanhopige Tol een keer met zijn armen omhoog, waarop Kras zei: ‘Ja, en jij ‘m inkoppen zeker.’ Piet Buis van Alkmaar ’54 stond in talrijke Noord-Hollandse derby’s in het veld tegen Tol. ‘Het was een voetballer zonder franje. Waar iemand anders nog even de bal zou controleren, zocht hij onmiddellijk het doel.’

 In het seizoen 1961/62 werd Volendam zevende in de eredivisie en Dick Tol was met 27 doelpunten topscorer van Nederland. De krantenkoppen waren lyrisch. ‘Tol de Schicht’, ‘Tol scoort twee keer’, ‘Excelsior geveld door vier projectielen Tol’, ‘De Knoest velde DWS’ ‘Dick Tol zaait paniek bij SVV’, ‘Tol sloeg bressen in verdediging DOS, 4-0’. Kranten doopten De Knoest om als de Puskas van de Zuiderzee. Scheidsrechter Leo Horn applaudisseerde zelfs een keer bij wijze van hoge uitzondering voor de Volendamse spits na een ongelooflijke goal van Dick Tol in de door hem geleide wedstrijd op 14 januari 1962 tegen Sportclub Enschede die de Duitse legende Helmut Rahn in de gelederen had. ‘Leo Horn was Volendam-fan. We waren altijd heel blij als hij floot. Toen het een keer in de wedstrijd tegen MVV niet lukte, floot hij steeds vaker in ons voordeel. Maar we scoorden niet. Na afloop zei Horn: “Ik kan alleen fluiten, jullie moeten ze zelf zetten”,’ vertelt Henk Kras. De club versloeg niet alleen Feyenoord (met spelers als Bergholtz, Bennaars, Kraay, Kruiver, Kreyermaat, Klaassens en Moulijn) met 2-5 in de Kuip, maar won ook van Ajax (met Henk Groot, Bennie Muller, Sjaak Swart, Co Prins en Tonnie Pronk) met 4-3, waarbij Tol alle goals (drie kopballen en een schot) maakte.

 Tol trouwde in 1961 met Eefje Sier: één jaar later zou zijn dochter Carola worden geboren – vernoemd naar een verpleegster die hem na de liesoperatie in het Duitse ziekenhuis had verzorgd – en vier jaar later zijn zoon Wilfried.

 Verschillende grote clubs toonden op dat moment belangstelling voor Dick Tol. Volgens Janny Schilder, die zelf enige tijd bij Sparta had gespeeld maar gauw op het oude nest terugkeerde, werden blanco cheques aangeboden waarop hij zelf het bedrag mocht invullen. Maar Tol durfde zijn baan bij de gemeente Edam niet op te geven. ‘Je moet ook denken aan een goed pensioen’.Volendam-voorzitter Arnold Mühren had er slim voor gezorgd dat De Knoest zijn baan bij papierhandel Proost & Brandt in Amsterdam kon verruilen voor een baan bij de gemeente Edam, waar ook zijn maatje Bennie Steur werkte. Tol werd de assistent van gemeente-ontvanger Kees Tuyp en moest belastingcenten gaan innen. Elke dag ging Tol met drie andere Volendammers – onder wie Bennie Steur die bij Gemeentewerken in dienst was – op de fiets van Volendam naar Edam. Steur: ‘Hij was nooit te laat. Hij hield van zijn werk en was daarin heel secuur.’

 Dick Tol peinsde er ook niet over Volendam te verlaten. ‘Tol kon niet buiten het klaphek’ zoals de grens van Volendam wel wordt genoemd. Hij zou bij de dorpsclub blijven voor een contract van uiteindelijk tweeduizend gulden per jaar en premies van 55 gulden voor een overwinning en 20 gulden voor een gelijkspel. Andere spelers vertrokken wel. De gebroeders Smit kozen al bij de start van het betaalde voetbal voor een beter contract bij de regionale aartsvijand Alkmaar ’54. Janny Schilder speelde enige tijd bij Sparta en Dick Bond een aantal jaren voor Telstar. Bond: ‘Je moet niet denken dat er bij andere clubs in die tijd zoveel meer kon worden verdiend. Hoogstens het dubbele als je naar Ajax ging. Dick Tol vond zijn baan daarvoor te belangrijk.’ Volendammers die naar een andere club gingen, werden in het dorp laatdunkend ‘overwappers’ (overlopers) genoemd. Bond: ‘Het was een vorm van verraad. En Tol kon dat niet maken, nu hij van de voorzitter zo’n mooi baantje had gekregen.’ Mühren: ‘Tol schuwde ook het avontuur. Hij was eigenlijk bangelijk. Als hij naast je zat in de auto was hij voortdurend in paniek. “Kijk uit, kijk uit” riep hij de hele tijd.’

 Hij bleef liever veilig in Volendam. Waarschijnlijk kostte dit wel zijn interlandcarriere. Tol speelde verschillende malen voor Nederland B zoals Jong Oranje toen werd genoemd, maar zou nooit het A-elftal halen. Eerst was de concurrentie van Abe Lensta en Faas Wilkes te groot, later van Henk Groot, Piet Kruiver, Carol Schuurman en vooral Tonny van der Linden, de DOS-aanvaller die in tegenstelling tot Tol wel over een fluwelen techniek beschikte. Elek Schwartz – bondscoach van 1957 tot 1964 – had zo zijn twijfels over Tols kwaliteiten. Hij prees hem de hemel in - ‘Tol is in vrije positie voortdurend gevaarlijk. En hij maakt prachtige doelpunten’ – maar gunde hem geen plek.

 Uiteindelijk selecteerde hij de Volendammer een keer voor het A-elftal: voor een wedstrijd tegen Denemarken. Maar op de zondag daarvoor werd Tol door ADO-verdediger Guus Haak uit de wedstrijd geschopt. Een gescheurde enkelband was het gevolg. Boze tongen beweerden dat Haak hiermee clubgenoot Carol Schuurman een goede dienst had willen bewijzen. Dick Bond: ‘Tol had het nadeel dat hij voor een kleine club speelde. Dat was toch een trapje lager. Daar kwam de bondscoach ook niet zo vaak kijken. Grote clubs gebruikten dit als extra lokkertje om spelers aan te trekken. Je zou makkelijker in het Nederlands elftal komen als je bij hen zou gaan spelen.’ Mühren: ‘Volendammers waren toch boeren, palingboeren weliswaar, maar boeren. En de hele entourage rondom het Nederlands elftal was in die tijd tamelijk sjiek.’ Henk Kras kan maar twee redenen bedenken waarom Tol niet in de spits van het Nederlands elftal stond dat in die jaren buitengewoon slecht presteerde met ondermeer een nederlaag tegen Luxemburg. ‘A, hij was katholiek. B, hij kwam uit Volendam. Die mensen moesten ze in Zeist niet. Gerrie Mühren stond bij Volendam ook nooit in het nationale elftal. Hij speelde amper twee weken bij Ajax of hij was geselecteerd. Denk je nu echt dat hij in die twee weken zoveel beter was geworden?’ Volendam had de reputatie van een enigszins achterlijke club uit een dorp waar de mensen nog in klederdracht liepen. Enkele spelers zoals Jaap ‘Jut’ Smit kwamen ook in klederdracht naar de wedstrijd.

 Buitenstaanders zijn minder overtuigd of Tol international had horen te zijn. Voormalig sportjournalist Herman Kuiphof (88) heeft Dick Tol vele malen zien voetballen. ‘Had hij in het Nederlands elftal gestaan als hij bij een grote club gespeeld had? Dat sluit ik zeker niet uit. Zeker als hij naar Ajax zou zijn gegaan. Maar was dit ook terecht geweest? Ik denk het niet. Ik vond Van der Linden technisch beter.’ Fons van Wissen (75) – voormalig PSV’er en aanvoerder van het Nederlands elftal in die dagen – heeft tegenover Tol in het veld gestaan: ‘Hij was een goaltjesdief, maar ik vond hem toen niet de beste spits van Nederland.’

 Tol had wel degelijk de ambitie om A-international te worden. Later werd Tol opnieuw opgeroepen voor een wedstrijd tegen Luxemburg, maar nu voor het B-elftal. Een woedende Tol belde KNVB-bestuurder Toon Martens op een zei hem de uitnodiging maar in het kanaal te frommelen. Tol zou nooit meer een uitnodiging krijgen

 Een van zijn zwakke punten was zijn conditie. Tol rookte zware shag en Black Beauty-sigaretten, had een zittend beroep als gemeente-ambtenaar en hield daarnaast niet van conditietraining die in die tijd vooral bestond uit het eindeloos lopen van rondjes rond het veld.

 Steur: ‘Bram Appel liet ons een keer per week hardlopen naar Edam en terug. Ik weet dat Dick Tol altijd achterbleef en al op de heenweg bij een van de volgauto’s instapte.’ Op woensdag trainde Appel altijd zonder bal. ‘Je moest met een man op je schouders de staantribune oprennen en weer terug. Tol deed dat gewoon niet.’ Bram Appel – die door Tol altijd Bram ‘Peer’ werd genoemd – ergerde zich er voortdurend aan. Toen hij Tol een keer toeriep mee te doen, antwoordde de spits: ‘Je kan naar het gas’. Appel ontnam Tol daarop het aanvoerderschap. Steur: ‘Ik weet dat we met de hele selectie bij elkaar kwamen. Alleen Klaas Karregat mocht er niet bij zijn, want die was bevriend met Appel. En we besloten zondag niet te voetballen als het besluit niet werd teruggedraaid. We wisten dat hij tot alles in staat was, want eerder had hij al een keer elf verdedigers opgesteld nadat hij ontevreden was over de inzet van de voorhoedespelers. Maar nu ging hij overstag.’

 Het gebrek aan conditie brak Tol vaak aan het einde van de wedstrijd op. Medespelers hoorden hem veelvuldig zuchten en hijgen. ‘Nadat hij in de wedstrijd vier keer had gescoord, riep hij “niet meer op mij, want ik ben moe”.’

 Mühren zegt dat Tol zich hiermee niet onderscheidde van andere spitsen uit die tijd. ‘Cruyff, Geels en Brokamp liepen ook altijd helemaal achteraan met rondjes lopen. Als spits hoefde je toen geen conditie te hebben, als je maar sprintjes kon trekken. Ik weet dat Johan Cruyff ook veel rookte als speler. Hij zat in de rust zelfs op het toilet te roken.’ Tol was mogelijk daardoor ook zeer blessuregevoelig. ‘Had dat met conditiegebrek te maken? Ik weet het niet. Cruyff was een veulen, die ontweek tackles. Tol niet. Die ging er doorheen.’

 Tol had zoveel blessures dat het weekblad Revue een speciale tekening van hem lieten maken met alle plekken waar hij geblesseerd was geweest. Tol was zeer explosief en had korte spieren. Omdat warming ups en krachttraining nog niet bestonden, waren zijn spieren snel overbelast. ‘Op maandag reed voorzitter Arnold Mühren de geblesseerde spelers altijd naar de katholieke chirurg dokter Boersma in Purmerend. Dick Tol zat bijna altijd in de Boersma Express. De spits werd zelfs lange tijd behandeld bij specialisten in Amsterdam en Duitsland. Bijzonder ernstig was de blessure die hij opliep tijdens een door Abe Lenstra georganiseerd demonstratieduel tegen het Braziliaanse Santos. Door Santa Maria werd Tol zo hard aangepakt dat hij het bot van het borstbeen brak.

 Volendam degradeerde in het seizoen 1963/64 weer naar de eerste divisie. Tol zou in de jaren daarna veelvuldig topscorer worden van de eerste divisie. Langzaam boette hij aan snelheid in en herstelde hij moeilijker. In het seizoen 1966/67 werd Volendam weer kampioen van de eerste divisie. Tol maakte 32 goals. Maar hij wilde niet nog een jaar verder gaan. Hij stopte in april 1967. Tol was 33 jaar en had in zijn hele carriere zo’n 35 duizend gulden verdiend. De spelers probeerden hem over te halen verder te gaan. ‘We boden hem zelfs al onze wedstrijdpremies aan, maar hij was onvermurwbaar’, aldus Gerrie Mühren. De laatste wedstrijd was een bekerduel tegen Telstar. Volendam stond vlak voor tijd met 2-1 achter. Tol kopte uit een voorzet van Mühren de gelijkmaker in. In de verlenging bezorgde Mühren uit een voorzet van Tol met een magistraal doelpunt vanachter zijn standbeen Volendam de overwinning.

 Mühren vind het moeilijk om Tol te vergelijken met spelers van nu. ‘Dirk Kuyt komt er misschien nog het dichtste bij. Kees Kist was een soortgelijke voetballer. Was hij de beste Volendamse voetballer ooit? We zullen het niet weten. Hij heeft het nooit op het hoogste niveau geprobeerd. Dan waren er andere factoren mee gaan spelen zoals de spanning. De druk bij Ajax is toch anders dan die bij Volendam.’ Muhren wijst erop dat ook andere grote talenten die bij Volendam excelleerden het niet echt gemaakt hebben buiten de vissersplaats. ‘Dick Bond was een geweldenaar. Maar eigenlijk is hij bij Telstar blijven steken.’ Fons van Wissen: ‘Tol had het geluk dat bij Volendam iedereen in zijn dienst speelde. Dat was bij een grote club anders geweest.’

 Wie is dan de beste Volendamse voetballer uit de geschiedenis geweest? Volendam-voorzitter Henk Kras noemt onomwonden Dick Bond (bijgenaamd Sport) ondanks dat hij de club in de steek liet voor Telstar. ‘Hij had zo’n fantastische techniek op de vierkante meter. Daarnaast kon hij wedstrijden volledig naar zijn hand zetten.’ Gerrie Mühren komt met een opvallende naam: ‘Misschien Wim ‘Pier’ Tol, de broer van Kees ‘Pier’ Tol die bij AZ gespeeld heeft. Hij kon net zo hard schieten als Dick Tol en had meer techniek. Maar hij ging na een ruzie spelen bij de amateurs van Marken waar hij jarenlang topscorer was.’ Bennie Steur houdt het echter op Kees ‘Pier’ Tol als beste speler van Volendam ooit. ‘Helaas nam die zijn vak niet serieus. Hij wilde altijd gewisseld worden. Ik weet dat ik als trainer bij Volendam toen hij vroeg te worden gewisseld, tegen hem zei: “Eerst schiet je er twee in”. Binnen vijf minuten lagen er twee in en wilde hij alsnog worden gewisseld.’ Hans Kraay sr. noemt de laconieke Billy Bond – een speler uit de jaren zeventig die het ook niet maakte – de beste Volendamse voetballer ooit. ‘Maar als je het over spitsen hebt, dan moet je Dick Tol noemen. Hij was fysiek sterk, imposant met zijn helblonde haren, verschrikkelijk snel en had een hard en vlug schot. Vooral in de jaren zestig toen verdedigers nog zonder rugdekking van een vrije man speelde, was hij een geweldenaar.’ Cor Westerveld van de supportersvereniging: ‘Je kunt lang discussiëren wie de beste Volendamse voetballer ooit is geweest. Maar je kunt niet discussiëren over wie als voetballer het meest heeft betekend voor Volendam. Dat is zonder twijfel Dick Tol.’

 Dick Tol werd na zijn carriere trainer – eerst bij de amateurs van OSV is Oostzaan. Hij testte zelf de keepers met zijn vaak onhoudbare poeiers. Toen een keeper bij vorst klaagde over koude handen, zei Tol: ‘Dan pis je over je handen heen, dan worden ze vanzelf warm. De keeper deed het en berouwde het al gauw.

 Maar na twee seizoen keerde hij terug naar Volendam. Hij werd coach van ondermeer het zaterdagamateurteam, waar later nog zijn zoon Wilfried voor zou gaan spelen. Aan het diploma oefenmeester C had hij voldoende. ‘Dick had nooit ambitie om trainer van een betaald voetbalvereniging te worden ergens anders. Daarvoor was hij te veel verknocht aan Volendam.’

 In 1973 werd Tol ziek. Bennie Steur: ‘Hij was ineens zichzelf niet meer. Hij bleef na afloop in de kleedkamer zitten, ineengedoken. De dokter dacht dat hij overspannen was en gaf hem valium.’ Toen hij later toch voor nader onderzoek naar het ziekenhuis moest, bleek hij darmkanker te hebben die al ver was gevorderd. Steur: ‘We waren allebei trainer bij Volendam. Ik weet dat we ons de laatste keer omkleedden voordat hij naar het ziekenhuis zou gaan. “Ik kom niet meer terug”, zei hij toen al tegen mij.’

 Dick Tol overleed op 13 december 1973 op 39-jarige leeftijd. Vier dagen later liep het complete dorp uit voor zijn begrafenis. De voetballer Dick Tol was er niet meer, de legende De Knoest was geboren.

 Tol is de enige voetballer met zijn eigen straat in Volendam. Hans Kraay: ‘En welke voetballer kan dat zeggen? Dick Tol is een legende en op een legende staat geen maat.’

 

Peter de Waard

 

Interviews: Gerrie Mühren, Ben Steur, Dick Bond, Henk Kras, Cor Tol, Cor Westerveld, Adrie van Ophem, Hans Kraay sr., Fons van Wissen en Piet Buis.

----------April 2008----------------

De dag dat Alkmaar in huilen uitbarstte

 

------april 2008---------------

Het was misschien de meest traumatische ervaring in de geschiedenis van een betaald voetbalclub. AZ verspeelde op 29 april 2007 op bizarre wijze de titel. Een jaar later heeft de krankjorume ontknoping van de eredivisie nog altijd zijn weerslag in Alkmaar. Een terugblik op een dag vol intrige, mannen met koffers en voetbalvriendschappen. Eindhoven had het draaiboek voor het kampioenschap al aan Alkmaar gegeven.

 

 

 

 

Het is elf minuten voor drie op zondag 29 april 2007. In Rotterdam is het kwik gestegen tot 23 graden Celsius. In Tilburg, waar Ajax tegen Willem II speelt, en in Eindhoven, waar PSV het seizoen afsluit met een thuiswedstrijd tegen Vitesse, is het nog een graad warmer.
De apotheose van de eredivisie valt op het einde van een maand die toch al opmerkelijk warm is geweest. Nederlanders zijn die zondag massaal buiten. In de tuin, op het balkon of op de terrassen. Maar ze hebben hun transistor naast zich staan – soms hebben ze uren besteed om die weer op zolder te vinden en aan de praat te krijgen, desnoods met de batterijen van scheerapparaten of wekkerradio’s.
Voor het eerst in vele jaren is Nederland zondagmiddag weer aan de radio gekluisterd als de snelle Excelsior-aanvaller Andwélé Slory de aanvoerder van AZ Tim de Cler de hielen laat zien. Als hij het strafschopgebied ingaat, wordt Andy, zoals zijn medespelers hem noemen, getorpedeerd door AZ-keeper Boy Waterman. Scheidsrechter Ruud Bossen aarzelt geen moment. Niet alleen wijst hij naar de stip, hij haalt ook de rode kaart tevoorschijn voor Waterman. AZ komt met 1-0 achter en moet ook met tien man verder. Iedereen is in shock. De 3500 toeschouwers op Woudestein die bijna allemaal uit Alkmaar komen, onder wie vele fanatieke aanhangers die meer dan honderd euro voor een kaartje hebben betaald en waarvan één al AZ Kampioen 2007 op zijn enkel heeft laten tatoeëren, geloven hun ogen niet. De luisteraars naar Langs de Lijn hun oren niet. In Tilburg, waar Ajax speelt, en Eindhoven, waar PSV voor een hopeloos lijkende opdracht staat, heerst ineens bedrijvigheid op de bank.
Op Woudestein is AZ-manager Louis van Gaal woedend op scheidsrechter Bossen. Een penalty… en rood. Dat heeft-ie nog nooit gezien. De gefrustreerde AZ-spits Danny Koevermans die op de bank zit, is wanhopig. ‘Ik snapte Van Gaal niet. Natuurlijk was het rood. Als het een partijtje was voor de zesde plaats, dan had geel volstaan. Maar nu ging het erom. De scheids moest wel.’
Op de redactieburelen van de Alkmaarsche Courant is de spanning te snijden. Zal de kant-en-klare bijlage wel om half vijf van de persen rollen?
Zondebok Boy Waterman drentelt weg. ‘Wat ik voelde? Verbazing over de rode kaart. Ik maakte er ineens geen deel meer van uit’, zegt hij nu. Directeur Voetbalzaken Marcel Brands herinnert zich nog precies het moment: ‘Ik zei meteen tegen het bestuur op de eretribune: “Dit kost ons het kampioenschap”.’
     Slory woont bij zijn ouders in Heemskerk – een Noord-Hollandse gemeente tien kilometer van Alkmaar, waar veel  AZ-supporters wonen. Zelfs de broer van zijn vader is een fanatieke AZ-fan. Maar hij wil winnen – vanwege de eer, de arrogantie van de AZ’ers die de kampioensschaal al voor de wedstrijd hebben opgeheven en een riante bonus die spelers van Ajax in het vooruitzicht hebben gesteld.
Niet alleen de familie van Slory koestert sympathie voor AZ. Excelsior heeft ook Kees Luyckx in zijn gelederen die in Castricum woont – nog dichter bij Alkmaar. Hij staat zelfs onder contract bij AZ en is aan Excelsior uitgeleend. Ook reserve-keeper Theo Zwarthoed van de club uit Kralingen is eigenlijk in dienst van AZ.
De hele week is Luyckx al gepest door zijn medespelers: ‘Je doet zondag wel je best.’ Luyckx weet zich de overtreding van Waterman goed te herinneren en heeft evenmin twijfels over de juistheid van de rode kaart. ‘Slory was doorgebroken. De bal schoot iets van zijn voet af, maar hij had hem zeker nog gehad. Het was een scoringskans.’
De rode kaart is pas het begin van de grootste thriller in de geschiedenis van het Nederlandse betaalde voetbal. Drie clubs kunnen op de laatste dag nog kampioen worden. Ze hebben een gelijk aantal van 72 punten, maar het doelsaldo van AZ (+53) is superieur aan dat van Ajax (+47) en PSV (+46). Wat voor Ajax en PSV alleen een enorme meevaller lijkt te kunnen zijn, is voor AZ ineens een must geworden. ‘Wij hadden het in eigen hand. We moesten tegen een klein duimpje. Niemand geloofde dat we eigenlijk konden verliezen’, herinnert Waterman zich.
Ook de buitenwereld denkt dat AZ het kampioenschap niet meer kan ontglippen. Er wordt zelfs gespeculeerd over een permanente machtsgreep van AZ die de vaderlandse competitie definitief zal veranderen. De traditionele topdrie zal een topvier worden. AZ – één keer kampioen in de 20ste eeuw – koestert de ambitie deze eeuw elke decennium drie of vier keer kampioen van Nederland te worden. De capaciteit van het nieuwe DSB-stadion moet naar 40 duizend worden gebracht. Geldschieter Dirk Scheringa heeft zich voor vele jaren aan de club verplicht. Toppers staan in de rij om naar Alkmaar te komen. Klaas Jan Huntelaar wil naar AZ, schrijft het AD. Ismail Aisatti zou zich bij Scheringa hebben gemeld over een eventuele transfer, aldus VI. De Eindhovense slogan – ‘elk jaar wordt PSV kampioen’ – zal niet meer zo vaak klinken van de tribunes.
De titel van het seizoen 2006/2007 is al zo goed als binnen. De enig echte kampioensschaal is daarom op Woudestein, net als de enige echte KNVB-praeses Henk Kesler die hem daar moet gaan uitreiken.
De ene reportagewagen van Langs de Lijn is hier ook en de andere staat in Alkmaar om daar verslag te gaan doen van de feestelijkheden. Tele2 schotelt de abonnementkijkers rechtstreeks de wedstrijd Excelsior-AZ voor, omdat hier de kampioen zal worden gehuldigd. Satellietkijkers kunnen ook Willem II-Ajax nog ontvangen, maar de wedstrijd van het op de derde plaats staande PSV zal niet eens live worden uitgezonden.  Het kampioenschap is AZ in de schoot geworpen en de ploeg die in topvorm verkeert, zal zich het niet laten ontglippen.
Eerder die maand had Alkmaar zich al voorbereid dat er iets te vieren zou zijn met de club. AZ beleeft een topjaar. ‘We leven boven onze stand’, benadrukt Van Gaal keer op keer. Op 11 april heeft een commissie binnen de gemeente Alkmaar al een keer vergaderd over een eventuele huldiging van AZ dat dan nog op drie fronten strijdt: kampioenschap, beker en UEFA Cup. Vooral met de mogelijkheid van het winnen van de UEFA Cup wordt dan rekening gehouden. Als dat gebeurt, moet de stad feest vieren.
Alkmaar heeft in januari een nieuwe burgemeester gekregen: Piet Bruinooge die daarvoor actief was geweest in Renkum als burgervader en Middelburg als wethouder – bepaald geen steden met topsporttraditie.
Bruinooge: ‘Ik weet dat iemand van de vertrouwenscommissie bij de sollicitatie vroeg wat ik van AZ vond. Ik erkende volmondig dat bepaalde aspecten bij mij misschien nog wat zouden moeten worden ontwikkeld en dat het soms ook wel eens niet zou kunnen lukken. Ik had eigenlijk niets met voetbal.’
Bruinooge begrijpt echter wel het belang van AZ als visitekaartje van de stad. ‘De club deed het al enige tijd geweldig goed. En daarmee werd Alkmaar internationaal op de kaart gezet.’ Maar één dag na de eerste bijeenkomst over een eventuele huldiging wordt AZ door Werder Bremen uit de UEFA Cup geknikkerd. Het is een grote teleurstelling.
Eind april lijkt alleen nog een kans op het winnen van de Nederlandse beker te resten, want PSV lijkt op de titel af te stevenen. Het is het doelpunt van Utrechter Aljé Schut waarmee in Alkmaar de victorie lijkt te beginnen. Hij maakt op 22 april vlak voor tijd in de wedstrijd FC Utrecht-PSV 1-1 waardoor PSV twee kostbare punten verspeelt en het winnen van de titel niet meer in eigen hand heeft.
 De voorzitters van de supportersvereniging van AZ brengt het nieuws van de Utrechtse gelijkmaker naar de stadionomroeper in Alkmaar waar AZ tegen Heerenveen speelt. In het DSB-stadion klinkt een gejuich op. Maar veel mensen vragen zich af of het geen grap is. Nee, het is geen grap.
‘De week ervoor was een beetje de stemming van “Stel je voor dat” en nu was het daar. Ook wij werden totaal overvallen’, zegt AZ’s toenmalige perswoordvoerder Erik van Leeuwen.
AZ-aanvoerder Tim de Cler hoort het gejuich over de gelijkmaker in Utrecht tijdens het slot van de wedstrijd tegen Heerenveen. ‘Ik denk dat dit het mooiste moment van dat seizoen was. De sfeer was niet te beschrijven.’ Club-topscorer Koevermans zit op de tribune. Hij herstelt van een blessure. Zijn vervanger Simon Cziommer heeft drie goals gescoord in de bekerwedstrijd tegen NAC en maakt er tegen Heerenveen weer twee. ‘Natuurlijk zat ik mij te verbijten. Maar het kampioensschap is zoiets moois dat ik Cziommer nog nooit zo graag zijn doelpunten heb gegund. Nadat ik van de 1-1 in Utrecht hoorde, ben ik naar beneden gerend en heb de laatste minuten van die wedstrijd op de televisie gezien.’
De euforie in Alkmaar kent geen grenzen. Excelsior mag in de laatste wedstrijd geen probleem zijn. De club heeft niets te winnen of verliezen, het moet zich sparen voor de nacompetitie. In Alkmaar is Excelsior in december met 5-0 weggespeeld. Slory: ‘Ik was echt onder de indruk van AZ. Volgens mij was het op dat moment veruit het beste team van Nederland.’
De Cler: ‘Binnen de selectie was na de overwinning tegen Heerenveen geen twijfel dat we kampioen zouden worden. Een overwinning van 1-0 was genoeg.’ Van Gaal houdt tegen de media nog een slag om de arm. Hij vertelt na de wedstrijd tegen Heerenveen een anekdote uit 1990 toen Ajax (Van Gaal was daar toen zelf hulptrainer onder Leo Beenakker) het kampioenschap aan PSV verspeelde door een 1-0 nederlaag tegen FC Dordrecht op de laatste dag.
     Maar de volgende dag is die waarschuwing in Alkmaar vergeten. De AZ-spelers lopen met hun hoofd in de wolken. Excelsior lijkt de handdoek al in de ring te hebben gegooid. ‘Toen we maandagmiddag op de training kwamen, waren we bij Excelsior bang te worden afgedroogd. AZ was zo goed dat het wel eens 6 of 7-0 zou worden’, zegt toenmalig Excelsior-speler Sieme Zijm, nu FC Dordrecht.
PSV lijkt zich te hebben verzoend met het feit dat het kampioenschap in Utrecht is verspeeld. Het team heeft een enorme voorsprong van elf punten weggegeven en trainer Ronald Koeman is eerder na de nederlaag tegen NAC zelfs door supporters bedreigd. Phillip Cocu heeft toen het Eindhovense legioen gerust moeten stellen. Na het gelijkspel tegen Utrecht is ook voor het bestuur de maat vol. Voorzitter Frits Schuitema laat doorschemeren ongelukkig te zijn met de wissels van de trainer in die wedstrijd. PSV lijkt voor het eerst in vele jaren de Champions League mis te lopen, want zelfs Ajax heeft nog een beter doelsaldo.
AZ gaat voor goud. Op maandag 23 april worden in Alkmaar alle verloven ingetrokken. Perschef Van Leeuwen moet zijn vrije dag opgeven om te overleggen met de stadiondirectie, met de veiligheidsmensen en met algemeen directeur Toon Gerbrands. ‘De burgemeester wilde een bustocht door de stad als we kampioen zouden worden. Het probleem was dat we naar Rotterdam moesten en niet voor zeven uur of half acht terug zouden zijn. Hoeveel zou er dan niet zijn gedronken?’
Er wordt serieus overwogen om het team met helikopters naar Alkmaar te vliegen. ‘Maar de praktische problemen waren groot. Er was niets meer te krijgen omdat op de maandag daarna Koninginnedag zou worden gevierd. Er waren geen muziekbandjes meer te krijgen, geen mobiele toiletten en ga zo maar door.’
Bruinooge erkent dat op maandagmorgen eerst aan een bustocht werd gedacht. ‘Maar al gauw werd dat een boottocht door de Alkmaarse grachten, omdat het veiliger zou zijn. AZ wilde de huldiging van het team per se in het eigen stadion laten plaatsvinden. Maar wij vonden dat er een juich- en wuifmoment voor de Alkmaarders moesten zijn die geen seizoenkaart zouden hebben. Het is niet alleen een club van de 17 duizend mensen die in het DSB Stadion konden, maar ook van tachtigduizend Alkmaarders en nog vele meer mensen in plaatsen in de omgeving.’
De Alkmaarse wethouder Hans Meijer, de officier van justitie en de politiecommissaris hebben ’s morgens overleg met ondermeer Toon Gerbrands en marketing-directeur Joost Bellaart over het juich- en wuifmoment. Hoofd public affairs van de gemeente Alkmaar Kees Kraakman is daarbij, net als André Bakker van de afdeling communicatie van de gemeente. ‘Het Waagplein was te klein voor een huldiging. Daar zouden vijfduizend mensen een plekje kunnen vinden. En er zouden er zeker veertigduizend komen. Wij wilden een rondvaart op het Noordhollands Kanaal, waarbij het publiek de spelers zou kunnen zien zonder dat het gevaarlijk of opdringerig zou worden.’
Besloten wordt de KNVB te vragen de Kampioensschaal in het DSB Stadion te laten uitreiken, zodat de ceremonie niet in Rotterdam hoeft te worden gedaan en het team eerder terug kan zijn. Maar de KNVB is onvermurwbaar.
Ook op het industrieterrein aan de Edisonweg wordt vergaderd. Op de burelen van de Alkmaarsche Courant wordt gesproken over een speciale kampioensbijlage die zondag meteen na de wedstrijd zal worden uitgedeeld. De volgende ochtend zal die dan bijgesloten worden voor de abonnees van de krant. Chef-sport Ype Minkema: ‘Het idee was zondagavond ontstaan. Maandag werden spijkers met koppen geslagen. Alle geledingen van het bedrijf waren erbij betrokken. De plannen werden in de loop van de vergadering steeds krankzinniger. De drukpers zou zondagmiddag een kwartier na afloop van de wedstrijd worden aangezet. Alle verhalen zouden klaar zijn, behalve de omslagfoto – een AZ’er met de kampioensschaal – en de middenpagina’s – een wedstrijdverslag en een teamfoto met de kampioensschaal.’
’s Middags vergaderen twintig ambtenaren samen met mensen van de GGD, politie, brandweer, de Alkmaarse horeca en vele andere instanties. Het enige draaiboek dat Alkmaar heeft voor het organiseren van een volksfeest is dat van de intocht van de televisie-Sinterklaas drie jaar eerder. ‘Je moet zoveel regelen’, herinnert Jan Pels van de afdeling stadstoezicht zich. ‘Dranghekken, toiletten, vergunningen.’ Er zijn extra complicerende factoren. Het laatste kampioensfeest van AZ in de eerste divisie tien jaar daarvoor is op rellen uitgelopen. En diezelfde dag dat AZ kampioen kan worden, zal om zes uur ’s avonds de Koninginnedagmarkt in de stad beginnen. Hoe kan worden voorkomen dat dronken AZ-supporters zich tussen de amateur-marktkooplieden met hun op straat uitgespreide kleedjes vol spullen zullen begeven. ‘De stromen mensen zullen niet door elkaar mogen raken’, zo wil de gemeente.
Omdat vanwege Koninginnedag onvoldoende politiemensen kunnen worden opgetrommeld, zullen particuliere beveiligingsbedrijven worden ingeschakeld. Op dinsdagochtend ligt een plan van aanpak klaar.
Hoe overtuigd iedereen is dat AZ de titel zou grijpen, blijkt wel op dinsdagmiddag. Twee ambtenaren van de gemeente Eindhoven komen persoonlijk in Alkmaar het draaiboek voor een kampioensfeest brengen. ‘Zij hadden al langer met dat bijltje gehakt. Wij waren alleen kampioen geweest in 1981 maar toen waren nog geen draaiboeken nodig’, aldus André Bakker. In het draaiboek staan allerlei dingen waarmee nog geen rekening is gehouden: ‘het weghalen van het straatmeubilair, het insmeren van de lantaarnpalen met frituurvet en het inslaan van brandwondenzalf als gevolg van het mogelijk gooien van Bengaals vuur’. Op donderdag uit Kees Kraakman in een brief zijn grote dank aan zijn collega Erik Vos in Eindhoven voor alle adviezen. ‘We hebben jou informatie heel nuttig kunnen gebruiken.’
AZ-directeur Toon Gerbrands is dan al echter bezig zijn eigen draaiboek in elkaar te zetten. Hij heeft besloten om de huldiging vrij sober of ‘beheersbaar’ te houden. De huldiging zal alleen in het stadion plaatsvinden. Daar zal ter hoogte van de middenstip een podium worden neergezet. Hier zal Gerard Joling zijn hit ‘Maak Mij Gek’ ten gehore brengen en presentator Gijs Staverman zal het publiek moeten opzwepen. Alle supporters krijgen een T-shirts met de tekst ‘AZ Kampioen van Nederland Eredivisie 2006/2007’. Op elke plaats zullen klappers worden neergelegd met dezelfde tekst. En aan de buitenkant van het stadion zullen enorme spandoeken worden opgehangen met de slogan ‘AZ Landskampioen’. De horecamensen krijgen de opdracht champagne te bestellen.
         Het stadion is die dagen het domein van de spelers die daar trainen. ‘Dat kon makkelijk worden afgesloten. Louis wilde besloten trainingen, niet uit tactische overwegingen maar om de rust te handhaven’, aldus Van Leeuwen.
De spelers zien daardoor met eigen ogen de voorbereidingen. Er worden dozen met champagneglazen aangevoerd, servetten klaargelegd, delen van het te bouwen podium langs de kant van het veld klaargezet. Koevermans: ‘Ik begrijp dat je iets moet gaan doen. Maar je moet het niet voor de ogen van de spelers doen. Er waren nogal wat spelers die daardoor dachten dat de wedstrijd tegen Excelsior slechts een formaliteit was.’
De gemeente weet dinsdag nog niet dat AZ al heeft besloten het kampioensfeest helemaal in het eigen nieuwe stadion te concentreren. De burgemeester leest de volgende ochtend in De Telegraaf dat AZ afziet van een boottocht, waarvoor al een vaarroute is uitgestippeld. ‘We werden voor een fait accompli geplaatst. Er zou geen huldiging in de binnenstad plaatsvinden. Toen lag er ineens een probleem op ons bordje. Wat zouden we moeten doen met de tienduizenden mensen die naar de stad zouden komen en geen kaartje voor het stadion hadden? We zaten opgescheept met een enorm openbare orde en veiligheidsprobleem’, aldus Pels.
De gemeente vermoedt dat Van Gaal erachter zou hebben gezeten om geen juich- en wuifmoment in de binnenstad te houden. Hij wil nog geen grootste huldiging. Hij wil de spelers sparen voor de bekerfinale van 6 mei, want de eerzuchtige Van Gaal wil de dubbel. Maar de manager ontkent dat: ‘Als je kampioen wordt, moet je een feestje houden. De geest is dan belangrijker dan het lichaam. Maar met de details daarvan heb ik mij niet bemoeid.’
Marcel Brands beaamt het: ‘De reden was puur organisatorisch. Als er eerst een boottocht zou moeten worden gehouden zou de huldiging in het stadion pas om negen uur zou kunnen beginnen. Hoeveel zou iedereen dan al niet gedronken hebben?’
Supporters van AZ zijn teleurgesteld. Op de AZ Fansite wordt de gemeente alsnog gevraagd zondagavond een extra feest op de drafbaan – naast het oude stadion de Hout – te houden. Maar gezien de Koninginnedagnacht is dat  organisatorisch niet te verhapstukken.
Woensdag en donderdag wordt gedacht aan het plaatsen van schermen in de stad. ‘Ze werden aangeboden maar het was technisch gecompliceerd. Gelukkig was er al een feest op het Waagplein gepland met een dj van Radio 538. Daar zouden we tenminste de radio kunnen laten horen met het wedstrijdverslag voor de mensen die geen plaats konden vinden niet in de kroegen’, zegt André Bakker.
Voor spits Danny Koevermans wordt de spanning woensdag al ondragelijk. Hij roept dat hij de klok liefst een flinke zwieper naar rechts wil geven: naar zondagmiddag half vijf als het kampioenschap binnen moet zijn. ‘Als ik er te veel aan moet denken, slaat mijn hoofd op hol. Misschien was het beter geweest als we nu in de UEFA Cup tegen Espanyol hadden gespeeld. Dan was er afleiding geweest. Dat zou die week van wachten kunnen breken.’
Maar lang niet alle spelers lijden in dezelfde mate onder de druk. Boy Waterman, die pas in februari van Heerenveen naar AZ is gekomen en in alle wedstrijden tot dan toe soeverein heeft gekeept, is uitermate nuchter. ‘Ik beleefde de voorbereiding voor dit duel niet anders als die voor andere wedstrijden.’
             Kees Luyckx, de huurling bij Excelsior, kampt met een persoonlijk dilemma. ‘AZ-spelers belden mij. Ik weet dat ik ondermeer nog die week met Koevermans over de telefoon heb gesproken en met Job Bulters, een van de reservekeepers. Ze wilden weten hoe ik zou gaan spelen. Alle media kwamen bij mij langs om te informeren, omdat ik onder contract stond bij AZ. Ik gunde AZ de titel. Maar als sportman wilde ik winnen, ook van AZ. Ik zou het gevoel moeten uitsluiten – tenminste het gevoel voor AZ.’ Koevermans herinnert zich het gesprek met Luyckx nog: ‘Ik zei tegen hem: “je doet wel rustig aan, hè”. Maar hij antwoordde dat hij gewoon zijn best zou gaan doen.’
In Alkmaar gelooft niemand dat Excelsior enige kans zal hebben. Burgemeester Bruinooge vraagt de politie om een risico-analyse te maken over het te verwachten kampioensfeest. Die ligt de volgende ochtend al op zijn bureau. Het beste is het feest rond het Waagplein te concentreren zodat de supporters niet over de stad uitzwermen. Vrijdagmiddag ligt er een draaiboek van 56 pagina’s klaar, deels gebaseerd op dat van Eindhoven. Besloten wordt een oproep te doen aan de mensen niet naar het Stadion bij het verkeersknooppunt Kooimeer zelf te gaan, omdat dat tot gevaarlijke verkeerssituaties zou kunnen leiden, maar naar de binnenstad. ‘We hadden geen idee hoeveel mensen zouden komen. Maar voor de zekerheid hadden we mogelijkheid geschapen voor de politie op de Kanaalkade en alle straten die daar naartoe zouden leiden helemaal af te sluiten voor het verkeer. Mocht het uit de hand lopen, dan zou via RTV Noord-Holland mensen worden opgeroepen helemaal niet naar Alkmaar te gaan’, aldus Kees Kraakman.
Tevens besluit de burgemeester de ogen dicht te doen voor mensen die al zondagmiddag 29 april op de vrijmarkt zouden gaan staan. ‘Officieel zou die om zes uur pas mogen beginnen, maar dat zou dan samenlopen met de terugkeer van de spelers. Dat leek ons minder wenselijk.’ Vrijdag moeten alle redacteuren van de Alkmaarsche Courant hun verhalen voor de bijlage inleveren, zodat afgezien van de omslag en de middenpagina’s de hele krant klaar is.
             In Eindhoven lijkt het laatste vertrouwen op het prolongeren van de titel al te zijn weggeëbd. Dinsdag heeft voorzitter Schuitema zijn manager in bedekte bewoordingen de wacht aangezegd. De naam van Bert van Marwijk als nieuwe manager gonst al in Eindhoven. Een gesprek tussen Ronald Koeman en Schuitema donderdagochtend is vruchteloos. Koeman lucht zijn hart in de media. ‘Als je in de publiciteit dingen in het luchtledige laat hangen, dan creëer je een sfeertje. Dan geeft dat ruimte voor allerlei speculaties. Dan geef je iedereen de mogelijkheid het maar zo in te vullen als hij zelf wil. Als het fout afloopt, heb je als trainer een probleem, dat besef ik ook wel.’
De ervaren spelersgroep van PSV trekt zich weinig van de bestuurlijke intriges aan. Het idee dat er niets meer te verliezen valt, werkt eigenlijk bevrijdend. Terwijl in Alkmaar de stress toeneemt, vermindert die in Eindhoven.
Bij Ajax ligt dat weer anders. Het team is in vorm en heeft een beter doelsaldo dan PSV. Mocht Excelsior stunten, dan kunnen de Amsterdammers er als eerste van profiteren. Ten Cate roept dat de kampioensschaal en Henk Kesler beter naar Tilburg kunnen komen. ‘Ik heb mijn vriend Ton Lokhoff gebeld en die zegt dat ze zullen winnen van AZ. Wij hoeven alleen maar te winnen van Willem II’, zo roept hij. Hij wijst erop dat Excelsior dat seizoen ook PSV en Ajax op een gelijkspel heeft gehouden. ‘Ik denk dat Excelsior-AZ 2-2 wordt. En wij zullen winnen van Willem II. Omdat we een beter doelsaldo hebben dan PSV worden we kampioen’, bluft hij.
Ten Cate kent de Excelsior-manager nog uit zijn tijd bij NAC. Lokhoff houdt zich aan zijn belofte. Na de training op maandmiddag zegt de Excelsior-trainer al meteen dat niemand zich in de wedstrijd tegen AZ moet gaan sparen voor de nacompetitie. Er zal zondag gespeeld worden in de sterkste opstelling en er zal moeten worden gewonnen.
Ten Cate traint met zijn groep spelers in het Amsterdamse bos. Hij mag naar buiten toe roepen dat Ajax best kampioen kan worden, maar twijfelt of een peptalk van Lokhoff voldoende zal zijn om de Excelsior-spelers tegen AZ op scherp te zetten. De spelers van Excelsior hebben nog een andere prikkel nodig.
             Op dinsdag heeft Slory contact met de stoere Ajax-verdediger Johnny Heitinga met wie hij dezelfde zaakwaarnemer deelt. Al gauw lekt in de selectie van Excelsior uit dat Heitinga aan Slory zijn kampioenspremie heeft beloofd als Excelsior gelijk speelt of wint van AZ. ‘Het is niet zo dat Slory ineens voor de groep stond en dit verhaal ging vertellen. Het gerucht ging van de ene naar de andere. En daarna ging iedereen individueel Slory vragen om opheldering’, aldus een van de Excelsior-spelers. Slory beloofde dat hij voor iedere speler iets zou vragen. Bedragen tot negenduizend euro bruto per man gingen rond. Of het een dolletje is of een serieus plan is voor de meeste spelers onduidelijk.
Exceslior-spelers krijgen te horen dat mister Ajax Sjaak Swart is gevraagd geld in te zamelen voor de zogenoemde aanmoedigingspremies. Als Excelsior wint van AZ, zullen de de Ajax-spelers hun kampioenspremie overmaken aan die van Excelsior. Netto komt dat voor elke Excelsior-speler neer op 2500 euro per man.
Voor de spelers van Excelsior die voor een gelijkspel bruto 450 euro krijgen en voor een overwinning 1350 euro, is dat een ongekend bedrag. Een Ajax-ingewijde bevestigt het verhaal: ‘Ten Cate is toch een beetje Amsterdamse bluf met Spaanse flair. Hij kende die praktijk van zijn Barcelona-tijd. In Spanje zijn aanmoedigingspremies heel gewoon. Daar reizen bij de ontknoping van de competitie vaker mannen rond met koffers geld om de spelers van clubs die niets meer te winnen of verliezen hebben aan te sporen. El hombre de la maleta – de man van de koffer - worden die mensen genoemd.’
De spelers van Excelsior reageren voorlopig nog met enig ongeloof. El Hombre de la maleta is in Nederland geen bekend begrip. Waar komt het geld vandaan? Wie gaat het verdelen? En hoe? Zevenduizend euro voor de basisspelers en tweeduizend voor de bankzitters? Er wordt in de kleedkamer druk over gepraat. Reservekeeper Theo Zwarthoed van Excelsior (nu RKC) zegt dat hij vanaf het begin twijfels had of het een serieus voorstel was. ‘Ik heb nooit geloofd dat het geld ook daadwerkelijk zou worden betaald.’ Luyckx: ‘Er heeft nooit iets zwart op wit gestaan.’
Zwarthoed – op dat moment uitgeleend door AZ aan Excelsior – is een van de spelers die nauwe banden hebben met spelers van AZ. Hij sms’t met Koevermans en Barry Obdam. Het verhaal sijpelt al snel door in Alkmaar. In de AZ-selectie wordt er aanvankelijk luchtig over gedaan. Het zal wel niet waar zijn. De Cler: ‘We maakten ons er helemaal geen zorgen over. We zouden gewoon gaan winnen, zelfs als iedereen bij Excelsior een ton zou krijgen.’
    Danny Koevermans is de enige AZ’er die er niet zo gerust op is. Hij zoekt al de hele week afleiding om de klok sneller te laten lopen. Als hij vrijdag hoort, dat hij zondag niet in de basis zal staan, wil hij even weg uit de Alkmaarse hectiek. Vrijdagavond wordt er bij zijn oude voetbalclub Excelsior ’20 in Schiedam een voetbalquiz gehouden. Ook Excelsior-speler Sieme Zijm – een goede vriend van hem – doet mee aan de quiz.  Koevermans heeft met de Texelaar nog in Sparta gevoetbald. Na afloop van de quiz spreekt Koevermans Zijm erop aan. Die bevestigt het verhaal. ‘Ze konden dertig keer de normale winstpremie krijgen’, aldus Koevermans. ‘Nou ja, zoiets.’ Zijm: ‘Koevermans was hartstikke ongerust. Hij zei dat zijn medespelers veel te lichtzinnig over de wedstrijd praten. Zelf was hij zo  gefocused op de wedstrijd, terwijl hij zelf niet eens mocht meedoen.’
Louis van Gaal rept er nog helemaal niet over als hij vrijdagmiddag in het DSB Stadion zijn persconferentie houdt. Hij wil ook niets van de woorden spanning, druk en verkramping weten. ‘De media doen er alles aan om AZ onder druk te zetten. Je leest niets over het feit dat AZ het beste uitgemiddelde heeft.’ Enerzijds laat hij doorschemeren zelf ook gespannen te zijn: ‘Kampioen met AZ worden zal de grootste prestatie uit mijn carriere zijn. Met AZ kampioen worden is veel moeilijker dan met Ajax.’ Anderzijds probeert hij de druk van de ketel nemen: ‘Ook als we het kampioenschap niet pakken, hebben we een fantastische prestatie geleverd.’
Zaterdagmiddag traint de hele selectie nog in het eigen DSB Stadion, waar de voorbereidingen voor het kampioensfeest in volle gang zijn. Koevermans vertelt wat hij van Zijm heeft gehoord. Na de training reizen achttien spelers en tien man van de staf rond half vijf met de bus af naar Rotterdam, waar zij zullen overnachten in hotel NH Capelle, niet meer dan een kwartier rijden van het Excelsior-stadion Woudestein.
Behalve Louis van Gaal zelf behoren zijn assistenten (Martin Haar, Edward Metgod en Jan Nederburgh tot het tiental. Verder is Van Leeuwen daarbij, fysiotherapeut Maarten Goseling, masseur Jan de Boer, clubarts Willem Becking, teammanager Piet Hartland en de chauffeur van de bus.
In de avonduren vindt een eerste tactische bespreking plaats. Daarna wordt er gegeten en kunnen spelers zich laten masseren. Voor twaalf uur liggen de spelers op bed. De Cler: ‘Het was een normale week geweest. Ik denk dat iedereen ervan overtuigd was: ‘morgen gaat het gebeuren.’
Erik van Leeuwen: ‘Toen de spelers naar bed gingen, dronken we met de staf nog een paar glazen wijn. Ik heb daarna op mijn kamer nog even op mijn laptop gekeken. Ik lag om één uur, half twee lagen we in bed. Iedereen was zich bewust dat het een drukke dag zou worden’, zegt Van Leeuwen.
Piet Hartland, die in overleg met Van Gaal het draaiboek heeft gemaakt, is volgende morgen rond negen uur op. De zon schijnt, de temperatuur is aangenaam – ideaal voor een wedstrijd en een feestje. Om tien uur drinken de stafleden en trainers een kop koffie. De spelers worden officieel pas om elf uur gewekt. Maar een aantal is al eerder op en probeert de tijd te doden. ‘Ik denk dat ik om tien uur beneden rondliep’, zegt De Cler.
Er staat om elf uur een brunch klaar met jus d’orange, omeletten en cornflakes. En er was een aparte tafel voor de staf waar Louis van Gaal zo was gezeten dat hij uitzicht had op de spelers. Wie zit er wel en niet goed in zijn vel?
Er wordt daarna wat gewandeld. ‘De sfeer was goed, een beetje stiller dan anders. Sommige spelers hadden de i-pod op’, weet Van Leeuwen. Waterman zegt dat de sfeer ontspannen was. ‘Iedereen had er vertrouwen in.’
Om half één volgt de laatste wedstrijdbespreking. Van Gaal wint zich nu niet meer op. Hij praat rustig. AZ moet van zijn eigen kracht uitgaan. Het team is veel beter dan Excelsior. Afgesproken wordt dat De Cler de snelle Slory kort zal dekken. Ryan Donk moet rugdekking geven.
Om tien voor één staat de bus klaar bij het hotel. Tijdens de ruim een kwartier durende bustocht naar Woudestein – onder politiebegeleiding – wordt er voor het eerst die week zelfs veel gelachen. Koevermans heeft de smaak van het quizzen te pakken. Van Leeuwen: ‘We kwamen toevallig veel voetbalcomplexen tegen van clubs die met name Koevermans herkende. Er werd toen besloten een quiz te houden met vragen als welke speler van Excelsior heeft ooit in het Nederlands elftal gespeeld?’
Vijf kwartier voor het begin van de wedstrijd arriveert AZ op het kleine complex van Excelsior. ‘De sfeer op Woudestein was onwezenlijk. Van de 3500 supporters in het stadion waren er drieduizend uit Alkmaar’, aldus De Cler. Niet alleen de spelers van Excelsior hebben geprobeerd een financieel slaatje uit de wedstrijd te slaan, ook de Excelsior-fans hebben goede zaken gedaan. Ze hebben hun seizoenkaart in één klap terug kunnen verdienen door ze voor de laatste wedstrijd aan AZ-fans te verkopen. ‘Het leek erop dat we een thuiswedstrijd zouden spelen’, zegt Van Leeuwen. Veel prominenten uit Alkmaar arriveren. Voormalige AZ-spelers Peter Arntz en Hugo Hovenkamp hebben vrij gekregen van hun scoutingwerk en mogen de wedstrijd zien. Zij maakten ooit deel uit van het kampioensteam van 1981. Ook Nel Molenaar – de weduwe van toenmalig supersponsor Klaas – is als gast aanwezig.
Van Leeuwen heeft het razend druk. Hij is om half tien ’s morgens door kranten gebeld. Het gerucht over de aanmoedigingspremies die Ajax in het vooruitzicht zou hebben gesteld, is nu ook in de media uitgelekt.
Daarnaast moet hij samen met Marina Witte van de NSP gaan regelen welke journalisten en cameraploegben in de kleedkamer en op de spelergang zouden mogen komen na afloop.
Louis van Gaal zegt nu achteraf dat de verhalen over de Ajax-douceurtjes een van de vervelende aspecten was van de voorbereiding.‘Zondagmorgen kwam het in de media het naar buiten. Maar de spelers wisten het eigenlijk al de hele week.’
Brands wil nog steeds niet zeggen wat hij ervan vindt. ‘Spelers praten voortdurend met elkaar. Zal er dat niet gebeuren? Of dat niet? Zo’n verhaal gaat een eigen leven leiden. Maar spelers zeggen ook niet zomaar wat. We hebben de KNVB het laten uitzoeken. Er valt niets te bewijzen. En als het te bewijzen zou zijn geweest was het niet onreglementair. We zullen wel nooit weten hoe het precies zit. Maar ik denk dat het niet echt heeft uitgemaakt. Door alle media-aandacht waren al die spelers van Excelsior al 100 procent gemotiveerd. Al zouden ze een ton per man van Ajax hebben gehad, dan zou het nog niets hebben uitgemaakt’, relativeert hij eerlijk.
Slory wil er evenmin iets over zeggen. Alleen op die voorwaarde dat er niet over de aanmoedigingspremies wordt gepraat, wil hij terugkijken op deze wedstrijd. Op het moment dat het toch naar wordt gevraagd antwoordt hij met een grote grijns: ‘flauwekul.’ De Cler – nu zijn ploeggenoot bij Feyenoord – zegt dat hij Slory en Luigi Bruins – een andere Excelsior-speler die naar De Kuip is gegaan – nog altijd vol houden er niets van te weten. ‘Maar….als ik in hun ogen kijk, dan zie ik die glinsteren. Ach…ik kom er nog wel eens achter.’
In Alkmaar zijn die zondagochtend vanaf elf uur vijftien ambtenaren, veertig particuliere veiligheidsmensen, dertig EHBO’ers bijeengekomen in het crisiscentrum boven de brandweerkazerne. Van hieruit zal niet alleen de vrijmarkt moeten worden gecoördineerd maar ook de terugkeer van de kampioensformatie.
AZ-supporters arriveren vroeg in het centrum van de stad. Na de koffie wordt er geluncht en gebruncht. In de café’s aan het Waagplein die betaaltelevisie hebben zoals café Te Laat, zoekt iedereen een plekje. Al gauw is het stampvol en stroomt het bier uit de tappen.
In het DSB Stadion is het ook al een drukte van belang. Alle medewerkers zijn gemobiliseerd om het kampioensfeest onvergetelijk te maken. De 17 duizend shirts en klappers die zullen worden uitgedeeld aan de fans worden klaargezet. De opbouwploeg voor het podium is gearriveerd. Er is ook een hoogwerker ingehuurd voor het ophangen van de spandoeken aan de buitenkant van het stadion. In de brasserie is een groot scherm opgesteld waar de tweehonderd in het eigen stadion actieve medewerkers de wedstrijd in Rotterdam kunnen volgen via het sportkanaal Tele 2. Remco Strik, de voorzitter van de officiële supportersvereniging, is ook in Alkmaar gebleven. Hij bereidt in het supportershome van het DSB-stadion de kampioensfestiviteiten daar voor.
Op de redactie van de Alkmaarsche Courant druppelen aan het begin van de middag de chef van het distributiebedrijf, de hoofdredactie en de eindredacteuren binnen. ‘Afgesproken was dat de speciale bijlage voor vijf uur van de pers zou rollen. Er stonden autootjes klaar om de grafici op te halen op het moment dat AZ kampioen zou worden. Daarnaast waren er auto’s geregeld die de kranten naar het DSB Stadion zouden brengen. Bezorgers waren gemobiliseerd om er daar 17 duizend uit te delen’, zegt Ype Minkema.
Langs de Lijn heeft vandaag al zijn mensen gemobiliseerd. Normaal trekt het programma 500 duizend luisteraars. Maar nu worden veel meer luisteraars verwacht. De radioploeg is er blind van uitgegaan dat AZ kampioen zou worden. Voor Woudestein staat al om twaalf uur een reportagewagen met commentator Bas Ticheler en verslaggever Rob Fleur. Zij peilen hier de stemming. Een andere reportagewagen met verslaggever Mattijs van de Wiel van Radio I staat in de binnenstad van Alkmaar. Hij zal berichten over de feestvreugde in de Kaasstad. ‘We hadden rekening gehouden met het scenario dat Ajax mogelijk nog de titel zou afpakken. Dan zou die wagen onmiddellijk naar de Arena kunnen afreizen. Maar Eindhoven daar dachten we toen niet eens meer aan’, vertelt Langs de Lijns vaste AZ-volger Rob Fleur.
Op de perstribune van Woudestein met 32 plaatsen is onvoldoende ruimte voor de 86 journalisten die zich hebben aangemeld. Een groot aantal moet de wedstrijd volgen in de kantine van het bijveld. ‘Ons werd beloofd dat we na de rust in het spelershome de tweede helft op de televisie zouden kunnen zien, zodat ze na afloop onmiddellijk de interviews kunnen afnemen. Maar uiteindelijk hebben ook wij de tweede helft moeten volgen via de radio’, aldus een verslaggever.
Van Leeuwen zit op dat moment al niet lekker in zijn vel. ‘Op de een of andere manier kreeg ik een angstig voorgevoel. De sfeer werd een beetje fatalistisch. Iedereen werd vreselijk nerveus van al die toestanden. De spelers moesten nu het trucje doen. Als technische staf kun je het moment daarvoor kiezen. Dat kunnen de spelers niet. Zij moesten nu aan alle hoge verwachtingen voldoen.’
De uit Alkmaar meegekomen supporters twijfelen echter niet aan de titel. Als Excelsior voor de warming-up het veld opkomt, krijgen de AZ-supporters meteen Kees Luyckx in het vizier. ‘Keessie, Keessie, AZ wordt kampioen’, zingen ze hem toe. Luyckx: ‘Excelsior-spelers stelden mij steeds dezelfde vraag: “Ga je vandaag goed spelen?” En waren ook schampere opmerkingen van “Kees krijgt zijn aanmoedigingspremie van AZ”. Het waren geintjes, maar je voelt het toch.’
Slory zegt zich vooral gestoord te hebben aan het feit dat hij vijf minuten voor het begin van de wedstrijd een aantal AZ-bobo’s met de kampioensschaal zag spelen. ‘Ik was toch al een beetje geïrriteerd, omdat onze supporters het team in de steek hadden gelaten. En nu deed AZ helemaal of die schaal al hun eigendom was. Ik dacht – die moet je nog wel verdienen. Ineens wist ik dat de wedstrijd ergens om ging.’
In de kleedkamer van AZ is de stemming jolig. Enkele spelers hebben fototoestellen meegenomen. Ze willen het historische moment ook zelf op de plaat vastleggen. Koevermans windt zich er mateloos over op: ‘Ik heb dit nooit gezegd. Maar ik was razend in de kleedkamer. “Laten we eerst eens die wedstrijd winnen”, riep ik. Maar de andere spelers vonden dat een beetje kinderachtig.’
Koevermans speelt niet. Dembélé en Averladze zijn de spitsen, de Duitser Simon Cziommer speelt op de nummer 10-positie. De Cler kan de keuze begrijpen. ‘We hadden op dat moment vier in vorm zijnde spelers voor drie plekken.’
 AZ is in het begin beter. ‘Het tempo was laag, maar Shota en Cziommer hadden meteen al scoringskansen. Als die worden benut, wordt het 6-0 voor ons’, zegt Marcel Brands. De Cler: ‘Kansen mag je het misschien niet noemen. Eerder mogelijkheden. Maar hoe dan ook: ze werden niet benut.’
Excelsior laat zich terugvallen en loert op de counter.  Vooral via de rechterkant weet de ploeg ook zelf kansen te creëren. De opportunistische linksback De Cler – aanvoerder en international - kan de snelle Slory niet houden. En Donk vergeet de afgesproken rugdekking te geven.
Koevermans: ‘Er was gewezen op het gevaar van Slory en de steekballen van Luigi Bruins. Die twee voelen elkaar perfect aan. Maar je kunt het wel honderd keer zeggen, ineens gaat het toch mis.’ De Cler die het hele seizoen iedere tegenstander in zijn zak had, is ineens de kluts kwijt.
Slory kijkt achteraf tevreden terug: ‘Ik ben blij dat ik tegen een international zo goed heb kunnen spelen. Luigi en ik zijn moeilijk te verdedigen, want je moet Luigi uitschakelen en achterin rugdekking geven. Maar als je sneller bent, ben je sneller. Ik weet niet wat De Cler daaraan had moeten doen. Het was niet alleen zijn fout.’
AZ wil ook van geen tactische fout weten: ‘Hadden we vooraf dat gevaar van de snelle Slory niet onderkend. Zeker wel. De Cler is een international. Die moest ook Slory kunnen houden’, aldus Brands.
Ook Luyckx wil De Cler niet de schuld geven: ‘Hij is een heel goede verdediger zolang zijn team het initiatief houdt. Maar ik denk dat wij het middenveld in handen hadden. En we konden Slory voeden. En als die dan één tegen één tegenover De Cler staat, weet je wie er op snelheid wint.’
De Cler besluit na een kwartier Slory niet meer kort te dekken, maar vijf tot tien meter achter zijn medeverdedigers positie te kiezen. Hiermee hoopt hij de ruimte voor Slory in de richting van de achterlijn zo klein mogelijk te houden. Dat wordt in de twintigste minuut fataal. Omdat De Cler achter de centrale verdedigers Donk en Jaliens staat, klapt de buitenspelval niet dicht en is er evenmin rugdekking. Slory passeert ook Waterman die hem in een fractie van een seconde besluit onderuit te halen.
Honderd kilometer noordelijker in het DSB Stadion zijn al mensen op een hoogwerker bezig aan de buitenkant van het stadion de spandoeken op te hangen met de titel ‘AZ Landskampioen’. Het podium voor de huldiging is al een flink stuk gevorderd. Er wordt verder getimmerd, hoewel enkele medewerkers nu eens het idee krijgen dat het wel eens voor niets kan zijn geweest.
Louis van Gaal moet door de rode kaart van Waterman een nieuwe keeper inbrengen.
 Verdediger Grétar Steinsson wordt vervangen door reservekeeper Khalid Sinouh. Maar hij kan de strafschop van Luigi Bruins niet stoppen. AZ staat met 1-0 achter. Omdat Ajax gelijktijdig 1-0 voorkomt tegen Willem II en Vitesse bij PSV 2-1 heeft gescoord, zijn de Amsterdammers nu kampioen. Excelsior-spelers dromen van de premie die hen is beloofd.
Van Leeuwen houdt het niet meer uit. ‘Ik ben het stadion uitgelopen en een stukje verder gelopen. Ineens komt er een oude vrouw met grijze krullen op mij af die haar hond uitliet. Ze vroeg mij: ‘Wordt er eigenlijk gevoetbald?” Dat relativeerde de hele wedstrijd.’ Brands: ‘Je zag meteen dat het moeizamer ging.’
             Luyckx: ‘We stegen boven onszelf uit. Het was de wedstrijd van het seizoen voor Excelsior. Meestal ben je meer geconcentreerd voor belangrijke wedstrijden. Maar dit keer speelde iedereen goed. De Cler: ‘Had ik een offday? Ik denk het niet. Na die goal heeft Slory eigenlijk weinig meer gedaan. Ik denk wel dat Excelsior als team de wedstrijd van het jaar speelde. En we waren zelf mat. Waar het aan ligt kan ik niet zeggen. Misschien aan de spanning, misschien onderschatting. Daar kom ik wel nooit meer achter.’ Slory: ‘Ik vond AZ echt stukken minder dan tijdens de wedstrijd in Alkmaar. We waren veel agressiever.’ Louis van Gaal lijkt er niet in geslaagd te zijn zijn spelers aan de nieuwe rol van favoriet te laten wennen na een seizoen lang de underdog te zijn geweest.
Burgemeester Bruinooge volgt de wedstrijd op een terras in Alkmaar met de commissaris van politie. ‘De kroegen waren stampvol. We konden de wedstrijd zelf niet volgen, maar we konden horen aan het gejuich of de teleurstelling uit de café’s hoe de wedstrijd verliep’, stelt Bruinooge. Hij heeft  de speech uitgeschreven die hij hoopt uit te spreken bij de huldiging in het stadion, maar wil nog wat materiaal om te kunnen improviseren.
Op Woudestein maakt Cziommer vijf minuten na de penalty gelijk uit een vrije trap. Zelfs met tien mannen lijkt AZ te kunnen winnen. Een goal is voldoende. Maar het is schijn. ‘Doordat we met tien man speelden moesten we alles anders organiseren. We konden ons eigen spelletje niet meer spelen’, zegt Cziommer.
Agenten in burger patrouilleren rond het Waagplein en de Plat Stenenbrug in het centrum van Alkmaar. Ook dit was een advies van PSV: houd de geüniformeerde manschappen achter de hand om provocaties te voorkomen. Mattijs van de Wiel interviewt voor Langs de Lijn supporters in de kroegen. ‘Zo gauw ze een microfoon zagen, werden ze gek. Maar over het algemeen waren ze heel erg sportief.’
PSV en Ajax staan allebei op winst, maar Ajax heeft een beter doelsaldo en is nu virtueel kampioen. Maar als AZ gewoon wint is er niets aan de hand. In de rust zijn de supporters weer vol goede moed. Op het Waagplein wordt gejuicht en gescandeerd: ‘AZ, AZ’. Boy Waterman denkt dat het ook nog wel zal lukken. ‘Ik keek in de catacombe op een kleine televisie de wedstrijd af. Wat ik wel wist en de spelers niet, dat ook PSV en Ajax voorstonden.’
Op de redactie van de Alkmaarsche Courant heerst een ander soort spanning: Winnen of Niet Winnen betekent hier Wel drukken of Niet drukken.
In de pauze grijpt Van Gaal in. Demy de Zeeuw en Julian Jenner blijven achter in de kleedkamer. Rogier Molhoek en  Danny Koevermans moeten op jacht gaan naar de 1-2. Het doelpunt valt na een uur spelen echter opnieuw aan de andere kant. Excelsior-verdediger Henrico Drost schiet de Rotterdammers opnieuw naar een voorsprong: 2-1. ‘Het was een bizar schot, eentje die hij er zo nooit meer maakt. Maar dat gebeurt dan op zo’n middag. Ineens keert ook het geluk zich tegen je’, zegt De Cler. Kees Luijckx maakt er bijna 3-1 van, maar zijn inzet stuit via de onderkant van de lat uit het doel vandaan. Nu klinken de wanhoopskreten uit de café’s en voetbalkantines in Alkmaar en omgeving, waar voetbalfans zich massaal hebben verzameld om deze wedstrijd op de betaaltelevisie te zien.
PSV komt 3-1 en vervolgens 4-1 voor en lijkt op weg naar de titel. Maar door een doelpunt van Huntelaar is Ajax weer in de race. AZ lijkt uitgeschakeld. Maar net
op het moment dat niemand er meer in gelooft keert het tij weer. Excelsior-speler René van Dieren krijgt zijn tweede gele kaart, dus rood. Het is nu weer tien tegen tien. En Koevermans frommelt vlak daarna de gelijkmaker er in.
AZ heeft opnieuw maar één doelpunt nodig om alsnog kampioen te worden. En er is twintig minuten te gaan. De fans mogen nog hopen. De timmerlieden in het DSB Stadion maken ineens weer meer haast. Komt het allemaal toch nog goed?
Maar de spelers moeten het doen. En zij beginnen na het lange seizoen te verkrampen. ‘De krachten vloeiden weg. We speelden al vanaf de negentiende minuut met tien man’, zegt Cziommer.
Als PSV op 5-1 komt heeft Ajax ook weer één doelpunt nodig. De spanning bereikt zijn climax. Op het Waagplein klinken de stemmen van de Langs de Lijn-commentatoren uit de luidsprekers. Ze lijken te vechten om de microfoon. Toeschouwers luisteren bijna ademloos achter sta-tafels met bier dat soms al dood is geslagen omdat iedereen vergeet te drinken. Continu wordt er tussen de drie stadions geschakeld. Op de A9 naar Alkmaar parkeren automobilisten spontaan op de vluchtstrook. Ze willen de wedstrijd volgen zonder dat het commentaar door motorgeronk wordt overstemd.
Bas Ticheler op Woudestein om 16.10 uur: ‘Ajax moet nog een keer scoren. Geldt natuurlijk ook voor AZ. AZ voert de druk op, steekpass op Koevermans, schiet uit de draai, keihard op de paal, wat een kanonskogel. Een wonder dat de paal er nog staat.’
Andy Houtkamp die bij Willem II-Ajax in Tilburg zit, één minuut later: ‘Ten Cate steekt één vinger op en smeekt zijn spelers. Maak er nog één.’
Meteen weer terug naar Houtkamp: ‘Hill speelt terug op de doelman en we krijgen een indirecte vrije trap voor Ajax op zo’n tien meter van de Willem II-goal, zeg maar een halve penalty, dit is de absolute kans op het kampioenschap. Sneijder, Perez en natuurlijk Huntelaar achter de bal. Perez met het tikje, Roger met het schot, in de muur, bal over de achterlijn.’
In Eindhoven zit Evert ten Napel. Hij spreekt van een ‘krankjorume ontknoping van de competitie’. ‘PSV jaagt nog op dat ene doelpunt dat iets meer zekerheid moet geven. De bal gaat direct naar de spitsen, Farfan met een leep balletje, makkelijk gepakt door de keeper’, klinkt het om 16.14 uur.
16.15 Evert ten Napel geeft de microfoon niet af: ‘Er gaan hier nog vier minuten bijkomen.’
16.15 Houtkamp: ‘Hier wordt er nog drie minuten gevoetbald. Is het genoeg voor Ajax voor die ene goal?’
16.16 Ticheler: ‘Hier al één minuut voorbij van de vier minuten blessuretijd. Nog altijd 2-2. We krijgen een vrijde trap van Cziommer, net buiten de zestien. Bal over de muur, ja, een voortreffelijke redding van de keeper."
16.16 Ten Napel: ‘Benson had moeten scoren voor Vitesse, wat een kans op de doellijn, die had ik nog kunnen maken." Nog 2 van de 4 minuten te spelen.’
16.17 Houtkamp: ‘Nog altijd 2-0, nu ook Stekelenburg naar voren. Davids lijdt balverlies, maar Stekelenburg is net op tijd terug. De seconden tikken weg.’ En dan de fatale opmerking
16.18 Ticheler: ‘Doelpunt …. Maar niet voor AZ, Excelsior maakt de 3-2. AZ kunnen we vergeten.’
16.19 Houtkamp: ‘Ajax gaat het niet redden, hier is het nu afgelopen.’
16.20 Evert: ‘Hier ook afgelopen, de supporters weten het al, de spelers nog niet, staan vertwijfeld te kijken, is de 5-1 voldoende geweest. Ook nu weten de spelers het, wat een ontlading, wat een feest. Het stadion ontploft.’
Niet AZ, niet Ajax maar PSV dat met liefst 5-1 wint van Vitesse wordt dankzij één gescoord doelpunt meer kampioen. Ook Eindhoven en de geteisterde manager Ronald Koeman moeten eraan wennen.
Aanvoerder Phillip Cocu die zelf het beslissende doelpunt heeft gemaakt, krijgt uiteindelijk de schaal uitgereikt, zij het een replica van de echte kampioensschaal die nog op Woudestein is.
Koevermans herinnert zich de 3-2 van Excelsior – het doelpunt dat een einde maakt aan alle kampioenschapsdromen. ‘Ik zag keeper Ronald Graafland van Excelsior juichen of hij kampioen was geworden. Daar moet het vooruitzicht van die aanmoedigingspremies een rol bij hebben gespeeld.’ AZ-spelers horen in het veld ook Excelsior-spelers ‘doekoe’ roepen – Surinaams voor ‘geld’. ‘Op dat moment had ik er niet eens zo’n erg in. Maar achteraf kan ik mij het wel herinneren. Ik denk dat Robert Braber het een keer zei.’
Van Leeuwen: ‘De spelers baalden enorm. Ze moesten tussen de klaargezette bloemen de gang weer doorlopen. Ik weet dat Koevermans nijdig tegen de deur van de kleedkamer schopte.’ Koevermans: ‘Ja, ik schopte de deur kapot. Ik kon alleen maar huilen. We hadden Excelsior gewoon vreselijk onderschat.’ De geblesseerde AZ-speler Stijn Schaars uit zijn ongenoegen over Luijckx: ‘Waar was die mafkees mee bezig? Hij is verdomme van ons’, zegt hij vlakbij een televisiecamera. Luyckx hoort het zelf niet. ‘Ik liep nog op het veld en probeerde de spelers van AZ te troosten. Maar daar waren ze eigenlijk niet voor in de stemming. Ik had echt gemengde gevoelens erover. Ik weet dat ik één minuut voor tijd werd gewisseld. Op de bank keek ik Theo Zwarthoed aan: wij waren echt niet blij.’
In de kleedkamer van Excelsior zijn er gemengde gevoelens. Enerzijds is er vreugde over de ‘geweldige overwinning’. Voor een deel van de spelers is het feit dat PSV en niet Ajax kampioen is geworden, een domper op de feestvreugde. Zullen de aanmoedigingspremies wel worden uitgekeerd? Het woord ‘doekoe’ wordt ineens in vragende zin gebezigd. El hombre de la maleta staat tenminste niet voor de deur van de kleedkamer. Luyckx: ‘Er werden grappen gemaakt. Wanneer krijgen we de flatscreens van Philips?’ Zwarthoed: ‘Ik zei maar dat ik liever AZ kampioen had zien worden. Dat had ik tenminste een feestje gehad. Dat was concreet.’ ‘Ik was vooral blij met mijn eigen goede spel. Maar de afloop vond ik minder leuk. Ik heb gedoucht en ben daarna eigenlijk meteen naar mijn ouders in Castricum gereden. Ik wilde er niets meer van weten’, zegt Luyckx. Slory zegt – nu - dat hij ook AZ graag het kampioenschap had gegund. ‘Maar ik was blij dat het PSV is geworden en niet Ajax.’
Op en rond het Waagplein wordt met ongeloof en gelatenheid gereageerd. Sommige supporters barsten in tranen uit. Een enkeling wordt agressief. Tafels gaan omver. ‘Hé jij, hoef je niet te huilen. Als je Ajax-supporter bent, sla ik je in elkaar.’ Enkele fans moeten worden opgepakt door de politie. Maar Mattijs van de Wiel valt op hoe beheerst de meeste fans reageren. ‘Er was toch over het algemeen de sfeer van “geweldig gedaan, jongens” volgend jaar beter.’
        In de kleedkamer van AZ zelf heerst een doodse stilte. Iedereen is kapot. ‘Er werden echt tranen vergoten. Niet alleen door Koevermans. Sommige spelers waren zo teleurgesteld dat ze niet meer aanspreekbaar waren’, zegt Brands. ‘Scheringa kwam binnen met een asgrauw gezicht. Iedereen had met hem te doen. Dit had de kroon op zijn werk moeten worden. Hij troostte op zijn beurt de spelers; schouderklopje hier, tik op de billen daar.’ Van Leeuwen moet spelers voor de camera zien te krijgen. ‘Ik durfde eigenlijk niemand te vragen. En ineens zag ik Simon Cziommer en Maarten Martens al staan. Dat vond ik geweldig professioneel.’
Op de redactie van de Alkmaarsche Courant heerst vertwijfeling. De grafici zijn om half vier opgetrommeld omdat AZ nog kampioen leek te kunnen worden. Nu moet het drukken van de bijlage worden afgelast. Hoofdredacteur Geert ten Dam besluit echter dat alle inspanning toch moet worden gehonoreerd. Hij laat toch nog 250 kranten drukken. ‘Nu zijn die kranten verzamelobjecten geworden. We hebben er zelf nog maar twee over’, aldus Minkema.
De druiven zijn voor alle Alkmaarders zuur. Langs de Lijn-verslaggever Rob Fleur herinnert zich nog hoe officials van Excelsior aan eenieder die belangstelling had de bloemen weggaven die eigenlijk voor de spelers van AZ waren bestemd. ‘Er liepen allemaal mensen met bloemen. Alleen niemand met een AZ-pak.’
             In en rond Alkmaar is iedereen uit de droom ontwaakt. Mensen pakken de fiets en ga er alsnog even op uit. AZ-supporter Frans Stokman heeft de wedstrijd gezien in de kantine van de plaatselijke voetbalclub in het nabijgelegen Heiloo. Hij fietst nu naar het stadion. ‘Ja, verdiend verloren. Ik ga de seizoenkaart voor het volgende jaar afhalen.’
Even na vijf uur stappen de spelers van AZ weer op de bus. In de bus terug naar Alkmaar wordt heel weinig gezegd. Van Leeuwen: ‘Normaal gaat de televisie aan en kijken we sport. Nu was alles uit. Ik las het boek What is what? Van David Eggers over iemand uit Atlanta die denkt over Darfur. En eigenlijk kon ik mij wel goed daarop concentreren.’ Waterman heeft zijn i-pod opgezet. ‘Ik wilde liever niets horen.’
Als het team na half zeven bij het DSB Stadion arriveert, staan daar toch nog 200 tot 300 supporters die troostrijk applaudisseren.
Kees Kraakman loopt op dat moment door de stad; ‘Het decor was bizar. Iedereen liep letterlijk en figuurlijk met een kater. De mensen dropen één voor één af. Het hele feest doofde als een nachtkaarsje, terwijl de Koninginnenacht nog moest beginnen.’
Bruinooge zit dan al thuis met zijn speech nog in de binnenzak. ‘Ik heb niet naar het voetballen op televisie gekeken. Wat mij bijbleef waren de herinneringen; de tranen van al die supporters. Goh, wat zijn de mensen begaan met hun club.’
De spelers gaan meteen van het stadion naar huis. Ook Waterman vermijdt die avond de televisie.‘Ik wilde het niet zien.’ Brands die in Waalwijk woont, rijdt uit solidariteit met het team ook het hele stuk terug van Woudestein naar Alkmaar. ‘Ik had de radio in de auto uitgezet. Ik voelde eigenlijk niets. Ik was vantevoren 99 procent overtuigd dat we kampioen zouden worden. Maar het werd die ene procent.’
Van Gaal, Brands en andere leden van de staf hebben nog een dineetje met de bestuurders Dirk Scheringa en René Neelissen in het stadion.  Van Leeuwen: ‘Het was meer een galgenmaal In de mixed zone waren ze juist op dat moment weer het podium aan het afbreken die dezelfde ‘middag nog was neergezet voor de huldiging. Om tien uur haalde mijn vriendin Marscha van der Vaart me op. Ik weet nog dat ik in de auto in huilen uitbarstte. Thuis heb ik nog even gezapt in een poging sportkanalen te ontwijken. Ik ging heel vroeg naar bed. Koninginnedag zou ik zoals altijd in Amsterdam gaan vieren. Maar dit keer ben ik naar mijn zusje in Haarlem gegaan en daar heel dronken geworden van de rosé.’
Van Gaal heeft al vaker grote desillusies meegemaakt. Maar deze komt heel hard aan. Nog altijd briest hij over de scheidsrechter. ‘Maken we deel uit van de geschiedenis? Dat zal wel. Daar gaat het mij niet om. AZ had kampioen moeten worden. Weet je wie je moet interviewen? Die scheidsrechter die Waterman een rode kaart gaf. Hoeveel keer heeft-ie daarna nog een penalty plus een rode kaart gegeven?’
Als hij terugrijdt naar zijn woonplaats Waalwijk dringt de realiteit tot Brands door. ‘De gedachten kwamen op. Wat kost ons dit? Niet alleen missen we de miljoenen inkomsten van de Champions League. Ook moeten we accepteren dat die miljoenen nu naar PSV gaan die daar betere spelers voor kan kopen.’ Nu hij terugkijkt zijn de bange voorgevoelens ook bewaarheid. Toen PSV bekendmaakte dat deelname aan de Champions League de club dertig miljoen rijker maakte, sneed dit Brands door zijn ziel.
‘Indien AZ kampioen was geworden was Koevermans waarschijnlijk niet naar Eindhoven gegaan. Want dan had PSV gewoon het geld voor de transfer niet kunnen opbrengen. Koevermans is gekocht met de opbrengst van de Champions League.’
Koevermans moet erom lachen: ‘Misschien is dat zo. Maar ik was wel weggegaan. Van Gaal stelde mij eind mei voor de keuze. “Je mag weg, want ik wil dit team naar een hoger niveau tillen en daar pas jij niet in” of “je mag blijven en dan moet je de kansen zelf bevechten.’ Dus dat was duidelijk. Ik was voor hem niet goed genoeg.’
AZ heeft volgens Brands daarnaast niet de spelers kunnen aantrekken die bij een kampioenschap wel waren gekomen. ‘We waren al in vergevorderd stadium met de Turkse aanvaller Tuncay Sanli over een transfer. Zijn enige voorwaarde was dat we Champions League zouden spelen. Door het verlies tegen Excelsior koos hij voor Middlesbrough.’
Ook De Cler vertrekt bij AZ. Hij stapt over naar Feyenoord, waar hij wordt herenigd met de speler die hem het die middag zo moeilijk heeft gemaakt: Andwélé Slory. Of zijn slechte wedstrijd tegen Excelsior en het eventuele ongenoegen van Van Gaal daarover hier mee te maken hebben, ontkent hij. ‘Ik had al besloten te vertrekken.’
Luyckx (nog altijd op leenbasis bij Excelsior, maar volgend seizoen weer AZ’er) wordt door de wedstrijd held en anti-held. ‘Ik had een uitnodiging voor de bekerfinale AZ-Ajax. Maar ik vond het maar beter mij daar niet te laten zien. Ik word er nog steeds aan herinnerd. Vorige keer belde mijn vader namens mij een zorgverzekeraar op. Toen hij zei: “Met Kees Luyckx” was het antwoord: “Dat is toch die jongen van het gemiste kampioenschap”.’
Hoewel Ajax geen kampioen is geworden ondanks de overwinning van Excelsior zegt Slory op maandag dat de aanmoedigingspremies toch zullen worden betaald. Als Excelior-speler Robert Braber drie of vier dagen na afloop van de wedstrijd door een journalist van De Stem wordt gebeld of het geld al is overgemaakt, zegt hij ‘dat er nog niets is ontvangen’. Het bericht leidt tot onrust bij Ajax. ‘Hoe is dit uitgelekt? Wie weten hiervan?’ Ajax stelt een intern onderzoek in en besluit uiteindelijk de zaak in de doofpot te stoppen. De spelers van Excelsior zullen de aanmoedigingspremies uiteindelijk niet krijgen.
             Excelsior-directeur Simon Kelder besluit dat de Excelsior-spelers er naar buiten toe niet meer over mogen zeuren. Zijm: ‘Door de opmerking van Braber kon Ajax niet meer betalen. En Lokhoff zei voor de nacompetitiewedstrijd tegen Veendam, dat we ons niet meer moesten laten afleiden omdat we anders volgend jaar Jupiler League zouden spelen.’
De ene AZ-supporter die te voorbarig AZ Kampioen 2007 als tatoeage had laten aanbrengen, is met de schrik vrijgekomen. Hij heeft de tatoeage veranderd in een tribal-teken – ‘eigenlijk iets waar ik van tevoren rekening mee had gehouden’.
De klappers die waren besteld om het kampioenschap te vieren, werden in de week daarop bij het oud papier gezet. De 17 duizend kampioenshirts worden in opdracht van stadionmanager Wijnand Vermeulen door het hoofd groenvoorziening Henk Ubbels naar de vuilverbranding worden gebracht. Persoonlijk ziet hij erop toe dat de dozen niet worden opengemaakt en de shirts niet worden vervreemd. Slechts één blijft er achter in een diepe lade van het stadion. Als er later in de regionale krant een afbeelding van uitlekt, is stadionmanager Vermeulen zo verontwaardigd dat hij zelf dit museumstuk verbrandt. AZ wil niet meer herinnerd worden aan 29 april 2007.
Het Eindhovense draaiboek zal niet meer uit de lade worden gehaald. Een nieuw gepland inhuldigingsfeest op de maandag na de bekerfinale gaat eveneens niet door, omdat AZ nu verliest van Ajax. En ook de play-off wedstrijd tegen Ajax wordt verloren. De nederlaag tegen Excelsior wordt een eindeloos lijkend trauma voor de Alkmaarders.
Een jaar later zijn de traditionele machtsverhoudingen weer hersteld. AZ is in de versukkeling, de topspelers zoals Alves mijden Alkmaar, de topdrie is geen topvier geworden en de uitbreiding van het DSB-stadion is op de lange baan geschoven. AZ koestert vooralsnog niet meer de illusie van vier titels in tien jaar – of het moet zoals een supporter onlangs op een spandoek schreef die in de Jupiler League zijn.

Peter de Waard

 

PSV - Vitesse 5 - 1  (2 - 1)
Philips Stadion (Eindhoven): 34.000

Scheidsrechter.: Pieter Vink
1 – 0 Alex 8' (Edison Méndez)

2 – 0 Jefferson Farfán 10' (Arouna Koné)
2 – 1 Theo Janssen 13'
3 – 1 Ibrahim Afellay 59' (Timmy Simons)
4 – 1 Jefferson Farfán 65' (Phillip Cocu)
5 – 1 Phillip Cocu 77'

PSV: Gomes / Alex, Arouna Koné (84’Genero Zeefuik), Carlos Salcido, Edison Méndez (74’Patrick Kluivert), Eric Addo, Ibrahim Afellay (87’Jason Culina), Jan Kromkamp, Jefferson Farfán, Phillip Cocu, Timmy Simons.
Coach: Ronald Koeman

Vitesse: Vladimir Stojkovic (46’Piet Velthuizen) / Civard Sprockel, Danko Lazovic (74’Anduele Pryor), Fred Benson, Giovanny Espinoza, Onur Kaya (46’Mads Junker), Paul Verhaegh, Purrel Fränkel, Ruud Knol, Sébastien Sansoni, Theo Janssen.
Coach: Aad de Mos

Willem II – AFC Ajax 0 - 2  (0 - 1)
Willem II-stadion (Tilburg): 14.000
Scheidsrechter.: Ben Haverkort
0 – 1 Urby Emanuelson 19'
0 – 2 Klaas-Jan Huntelaar 69'

Willem II: Peter Zois / Anouar Hadouir, Arjan Swinkels (75’Geert den Ouden), Cristiano (77’Ronnie Reniers), Delano Hill, Frank van der Struijk, Ibrahim Kargbo, Jens Janse (90’Nuelson Wau), Said Boutahar, Steef Nieuwendaal, Thomas Bælum.
Coach: Dennis van Wijk

AFC Ajax: Maarten Stekelenburg / Edgar Davids, Gabri, George Ogararu, Gregory van der Wiel, Klaas-Jan Huntelaar, Ryan Babel (72’Kenneth Perez), Thomas Vermaele n, Tom de Mul,(46’Nicolae Mitea), Urby Emanuelson (83’Roger), Wesley Sneijder.
Coach: Henk ten Cate

Excelsior - AZ 3 - 2  (1 - 1)
Woudestein (Rotterdam): 3.527
Scheidsrechter: Ruud Bossen
1 – 0 Luigi Bruins 21'
1 – 1 Simon Cziommer 24'
2 – 1 Henrico Drost 60'
2 – 2 Danny Koevermans 71'
3 – 2 Johan Voskamp 94'

Excelsior: Ronald Graafland / Andwélé Slory, Henrico Drost, Jos van Nieuwstadt, Kees Luyckx (89’Daniel Guijo-Velasco), Luigi Bruins, Mitchell Piqué, René van Dieren, Robert Braber (85’Johan Voskamp), Sieme Zijm, Sigourney Bandjar.
Coach: Andre Hoekstra [Hoofdcoach Ton Lokhoff was verwezen naar de tribune   

AZ: Boy Waterman / Demy de Zeeuw (46’Danny Koevermans), Grétar Steinsson (20’Khalid Sinouh), Julian Jenner (46’Rogier Molhoek), Kew Jaliens, Maarten Martens, Moussa Dembélé, Ryan Donk, Shota Arveladze, Simon Cziommer, Tim de Cler.
Coach: Louis van Gaal

Een korte versie van dit artikel is verschenen in de Volkskrant van 29 december

Bronnen: ondermeer André Bakker, Marcel Brands, Piet Bruinooge, Tim de Cler, Rob Fleur, Louis van Gaal, Piet Hartland, Danny Koevermans, Kees Kraakman, Erik van Leeuwen, Kees Luyckx, Ype Minkema, Jan Pels, Pedro Salazar, Andwélé Slory, Remco Strik, Henk Ubbels, Wijnand Vermeulen, Boy Waterman, Mattijs van de Wiel, Sieme Zijm, Theo Zwarthoed