Op deze pagina de speech van Wouter Bos.
Speech Wouter Bos 18 april 2006 op Citylunch in Nederlandse kerk in Londen
De Europese Economie: Lissabon voorbij. Wat nu?
‘Niets mag veranderen’, deze impliciete stelling wordt door Oud Links in Europa veel te vaak gehuldigd. Kennelijk in de veronderstelling dat behoud van hoe onze samenleving in elkaar stak de beste waarborg voor een mooie toekomst is. Iedere hervorming wordt afgedaan als een neo-liberale maatregel bedoeld om de sociale zekerheid uit te hollen en verworven rechten af te nemen. Er wordt alleen zelden bij verteld dat in deze wereld stilstand achteruitgang betekent en dat het alleen maar krampachtig verdedigen van wat er nu is, de uitholling van onze levensstandaard, de ondermijning van de sociale cohesie en de aantasting van ons milieu alleen maar sneller naderbij zal brengen. Tegelijkertijd stel ik vast dat Nieuw Rechts, zoals dat ook in Nederland op dit moment aan de macht is, precies de tegenovergestelde stelling betrekt: ‘Alles moet veranderen’. Kennelijk in de veronderstelling dat dát de beste waarborg voor een mooie toekomst is. Maar daarmee gaan zij dubbel in de fout: in de eerste plaats door de perspectieven van onze samenleving negatiever af te schilderen dan zij zijn, waardoor de mensen vaak de moed in de schoenen zinkt en het optimisme, zo bitter noodzakelijk bij ieder hervormingsproces, in de kiem wordt gesmoord. En in de tweede plaats door meer onzekerheid te creëren dan nodig, zodat mensen murw gebeukt de hakken in het zand zetten en zich helemaal afkeren van iedere hervorming. Hierdoor ontstaat het risico dat rechts precies het omgekeerde bereikt van wat wordt beoogd, want de kiezers keren zich van hen af en voelen zich nog meer aangetrokken tot de ‘oud’ linkse stelling die de illusie predikt dat alles kan blijven zoals het is. In zekere zin hebben we de afgelopen weken deze confrontatie tussen Oud Links en Nieuw Rechts in Frankrijk zien plaatsvinden. Vele zelfs hoog opgeleide jongeren hebben zo weinig vertrouwen in de bedoelingen van hun regering dat zij de zekerheid van werkloosheid in combinatie met het magere perspectief op een vaste aanstelling verkiezen boven de onzekerheid van tijdelijke contracten, zelfs als hiermee het perspectief op werk aanzienlijk toeneemt. In Frankrijk staat op dit moment een kwart van de jongeren aan de kant en is ook door de onvoorstelbare starheid van de arbeidsmarkt de toegang tot banen bijna onmogelijk. In plaats van die starheid in de hele arbeidsmarkt aan te pakken, stelde de Franse regering voor om extreme flexibiliteit voor een relatief kleine groep -de jonge nieuwkomers- in te voeren. Deze aanpak is niet alleen weinig rechtvaardig te noemen, het zal ook weinig opleveren, omdat het niets doet aan de kern van het probleem en dat is de mobiliteit in de gehele arbeidsmarkt. Er is een alternatief, niet Oud Links, niet Nieuw Rechts maar Modern en Progressief. Daarin hoeven flexibiliteit en zekerheid geen vijanden van elkaar te zijn maar kunnen ze elkaar versterken. Daar waar Oud Links mij veel te vaak de realiteiten van een veranderende, vergrijzende, globaliserende en steeds onzeker wordende samenleving simpelweg ontkent om vervolgens er ook geen consequenties aan te verbinden; daar waar Nieuw Rechts mij veel te vaak mensen die nieuwe wereld door de strot wil duwen zonder oog te hebben voor de onzekerheden die dat bij mensen teweeg brengt en zonder oog te hebben hoe die onzekerheden ons gezamenlijk vermogen te presteren, aantast; daar is ook een alternatief van moderne progressieve politiek die de veranderende realiteiten voluit onderkent, die de noodzaak tot hervormingen onderschrijft maar er voluit voor wil strijden dat mensen in staat gesteld worden deze noodzaak tot 2 verandering te accepteren en zelfs positief te waarderen. Niet door de strot maar vanuit het hart als het ware. Laten we als voorbeeld nog eens terug gaan naar die demonstrerende jongeren. Demografische en economische ontwikkelingen zouden bij jongeren nu juist tot optimisme moeten leiden, want hun positie op de arbeidsmarkt kan op wat langere termijn alleen maar beter worden, en dan heeft men ook met flexibele contracten goede vooruitzichten Maar de onzekerheid in die groep is zo diep geworteld, dat men het te zeer een sprong in het duister is gaan vinden. Waar optimisme de boventoon zou moeten voeren, is pessimisme aan de orde van de dag. En dat mag ‘nieuw’ rechts zich zeer aantrekken, want met een andere benadering van de problemen, die mensen geen angst aanjaagt, maar ze juist meeneemt op het hervormingspad, zou een wereld te winnen zijn. Voor flexibilisering van de arbeidsmarkt is immers veel te zeggen, zeker ook uit sociaal-democratisch perspectief. In de Scandinavische landen zien we dat als de onzekerheid die ontegenzeggelijk samenhangt met tijdelijke contracten of een soepeler ontslagrecht wordt ondervangen door een stevig en betrouwbaar sociaal vangnet en een maximale inspanning, ook van de kant van de overheid, om mensen die hun baan kwijt raken weer aan een andere baan te helpen, mensen de flexibilisering als een voordeel voor henzelf gaan zien en niet als een negatief uitvloeisel van de globalisering. Het kan dus wél! Terug naar de stelling van ‘oud’ links. In mijn ogen is er niets progressiefs aan het alleen maar verdedigen van het bestaande. ‘Ideals survive through change’ is een stelling van Tony Blair waar ook ik sterk in geloof. Onze samenleving komt onder toenemende externe druk te staan: door demografische ontwikkelingen, de mondialisering van de economie, de opkomst van de Aziatische tijgers, voortdurende technologische veranderingen, de toenemende afhankelijkheid van fossiele brandstoffen etcetera. Allemaal uitdagingen die om een antwoord van Europa vragen. In een groeiend aantal Europese landen loopt het bevolkingscijfer terug. De levensverwachting van de baby boomers is steeds beter, zodat het aandeel van ouderen in de maatschappij alleen maar toeneemt. Velen van hen zijn vroeg, in sommige landen zeer vroeg, uit het arbeidsproces gestapt. Tegenover iedere gepensioneerde staan nu nog krap vier werkenden. Binnen één generatie zal dat aantal, bij ongewijzigd beleid, gehalveerd zijn. Dat betekent dat er toenemende druk zal ontstaan op de solidariteit tussen de generaties. Binnen vakbonden vindt een moeizame strijd plaats over de mate waarin verworven rechten van oudere generaties moeten wijken voor de gerechtvaardigde verlangens van de jongeren. Ook overheden gaan daar lang niet altijd voortvarend en vaak inconsequent mee om. Waarschijnlijk niet in de laatste plaats vanwege het toenemende electorale belang van de ouderenstem. Solidariteit tussen de generaties is alleen maar mogelijk als de offers daarvoor ook gelijkelijk door de generaties worden opgebracht. Van jongeren mag worden verwacht dat zij de tijdelijke onzekerheid van flexibelere arbeidscontracten accepteren en dat zij premies betalen voor de sociale zekerheid waar veel ouderen op zijn aangewezen. Maar dan mag van ouderen worden verwacht dat zij ook flexibiliteit accepteren, liefst zelfs omarmen bij bijvoorbeeld het moment waarop zij met pensioen gaan of de wijze waarop zij hun arbeidzame leven over een langere periode afbouwen en daarbij ook bereid zijn financiële offers te brengen. Maar ook hier geldt: de analyse op zich zal mensen niet motiveren mee te gaan op dit pad. De neiging om verworven rechten te beschermen zal sterk zijn. Oud Links zal dat steunen. En Nieuw 3 Rechts zal de veranderende wereld aangrijpen als legitimatie om koste wat kost de arbeidsmarkt verder te liberaliseren en de pensioengerechtigde leeftijd ter discussie te stellen; om daarmee de onzekerheid die mensen toch al voelen alleen maar te vergroten. Maar ook hier is er een modern en progressief alternatief dat oog heeft voor die onzekerheden en toch wil hervormen. Ik ben ervan overtuigd dat daar draagvlak voor is. Bijvoorbeeld door tegenover een flexibeler arbeidsmarkt en langer werken houvast te bieden op een aantal andere gebieden, daar juist de zekerheid te benadrukken. Denk aan de zekerheid van een waardevast pensioen, de zekerheid van goede en betaalbare medische voorzieningen, de zekerheid van een solidaire samenleving. Je komt er dan niet met het benadrukken van de eigen verantwoordelijkheid van mensen. Je zult ze juist het houvast moeten verschaffen dat er ook nog zoiets is als een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, een aantal zaken waarvan we met zijn allen afspreken dat we daar voor ons allen verantwoordelijkheid voor nemen. Mijn stelling is dan ook dat het verder afbreken van solidaire arrangementen in onze publieke sector en meer in het bijzonder onze sociale zekerheid in naam van de eigen verantwoordelijkheid, precies het verkeerde antwoord is op de zorgen en onzekerheden van allerlei mensen. Juist in een tijd waarin iedereen zijn baan kwijt kan raken aan een Indiër of een Chinees willen mensen horen dat ze er niet alleen voor staan maar dat er ook nog zoiets is als een collectieve verantwoordelijkheid. Terug naar de arbeidsparticipatie. Zoals gezegd, er zullen veel meer mensen dan vandaag deel moeten gaan nemen aan het arbeidsproces. In Nederland staan veel te veel mensen die wij hard nodig hebben nog aan de zijlijn. Terecht heeft de Europese Commissie kritiek op het feit dat de Nederlandse regering er sterk onvoldoende in slaagt vrouwen, jongeren en allochtonen aan het arbeidsproces te laten deelnemen en ouderen die dat willen in het arbeidsproces te houden. Werken is in Nederland vooral voor vrouwen met kinderen nog steeds niet aantrekkelijk genoeg. Het is een fact of life: als er geen kwalitatief hoogstaande of alleen onbetaalbare kinderopvang is, zullen vrouwen eerder dan mannen daaraan de consequentie verbinden dat zij niet of slechts zeer beperkt kunnen werken. Ontstellend veel talent gaat zo verloren. Dat het ook anders kan, bewijst Zweden waar kinderopvang niet als een privé-zaak wordt gezien maar als iets wat de hele samenleving een zorg zou moeten zijn. Daarnaast moeten mensen ook toegerust zijn voor de arbeidsmarkt. Kennis en innovatie zijn daarbij sleutelbegrippen. Onze maatschappij zal steeds meer op kennis zijn gebaseerd. Deze kennis moet beter worden verspreid onder de bevolking en veel beter worden vertaald in concrete toepassingen om ervoor te zorgen dat onze productiviteit en ons aanpassingsvermogen aan mondiale ontwikkelingen toenemen. Hier kunnen we niet voor een dubbeltje op de eerste rang zitten. Er moet meer geld naar onderwijs, ook vanuit het bedrijfsleven, en het beschikbare geld moet veel beter worden uitgegeven. Deze onderdelen van een nationale hervormingsagenda die ik graag aan de Nederlandse bevolking zou willen voorleggen, zijn natuurlijk ook antwoorden op externe ontwikkelingen die zich aan Nederland en alle andere Europese landen opdringen. Excellentie is allang niet meer een exclusief Europese of Noord-Amerikaanse aangelegenheid. In India heb ik vorige maand kunnen zien hoe ook een ontwikkelingsland in staat is op zeer grote schaal excellente technici, wetenschappers en onderzoekers af te leveren. Er studeren jaarlijks 2,4 miljoen mensen in India af aan de universiteit, waarvan 350.000 ingenieurs. En dat zijn geen zielige fietsenmakers, dat zijn mensen met topkwaliteit, die overal ter wereld zonder problemen aan de slag zouden kunnen en die in eigen land voor een fractie van het salaris van onze mensen even creatief en innovatief aan de slag gaan. Het is dom en arrogant om te veronderstellen dat wij die ontwikkeling voor zouden kunnen blijven. Met een begrip als concurrentie kom je in het licht van deze 4 ontwikkelingen dan ook niet zo ver. Het gaat om de vraag hoe we als Europese economie mee kunnen profiteren van dit economisch wonder. Er zal in de Europese landen hoe dan ook meer dan nu moeten worden geďnvesteerd in onderwijs, in onderzoek en ontwikkeling. Ook zal er veel meer gedaan moeten worden in het poolen van de middelen op Europese schaal. Nog te vaak vindt hetzelfde onderzoek op vijf of zes verschillende plekken in de Europese Unie tegelijkertijd plaats. Deze maatregelen hoeven niet al te lang op zich hoeven te laten wachten. Laat ik hem dan nu maar noemen: de Lissabon Agenda! U zult zich misschien hebben afgevraagd: wanneer begint hij er over? Welnu, ik praat er al vanaf het begin over, maar dan niet in de termen van het Europese jargon, noch in de woorden die er tijdens de Europese Top van vorige maand aan zijn gewijd, maar vanuit de uitdagingen waar onze samenleving in de komende generatie voor staat. Als je de ernst en omvang van die uitdagingen op je in laat werken, maakt alleen al de term ‘Lissabon Agenda’ een bijna zielige indruk. Maar dan heb je het nog niet eens over het officieel vastgestelde doel van die Agenda gehad, want dan wordt het je helemaal zwaar te moede. Europa moet in 2010 ‘de meest dynamische kenniseconomie van de wereld hebben’. Met andere woorden: over vier jaar moeten we de VS hebben ingehaald en Azië ver achter ons hebben gelaten. Ik ben optimistisch van aard en ik weet dat wij een hele hoop kunnen, maar dit is ridicuul. Een dergelijke onrealistische doelstelling komt de geloofwaardigheid van de noodzaak tot hervormen niet ten goede. Erger nog dan dat, is het feit dat het geformuleerde doel geen doel is, maar een middel. Het zal de gemiddelde Europeaan namelijk volstrekt koud laten of wij de meest dynamische economie hebben. Ook zal het haar of hem weinig interesseren of wij al dan niet de Amerikanen hebben ingehaald. Waar Europese burgers in zijn geďnteresseerd is de vraag of wij in de globalisering kopje onder gaan of dat de overheden van de verschillende Europese landen er in slagen wat wij allemaal belangrijk vinden ook duurzaam overeind te houden. Het feit dat in menige Europese discussie de Lissabon-doelstellingen vaak samengevat worden tot dat ene onderdeel dat gaat over de procenten economische groei, en dat al het andere wat ook zo belangrijk is voor de kwaliteit van ons bestaan, niet of nauwelijks meer aan de orde komt, geeft wat dat betreft te denken. Voor een Europese hervormingsagenda is de steun nodig van de bevolking. Die steun komt er alleen als de gestelde doelen ook aansluiten bij hetgeen de mensen verwachten van de maatschappij waarin zij wonen, bij hetgeen zij waardevol vinden en waarvoor zij willen strijden. En als we daarbij niet over de angsten en onzekerheden die mensen vaak zeer begrijpelijk hebben, heen walsen. Op dit moment ontbeert die hervormingsagenda deze meer ‘ideologische’ ambitie en deze meer ‘populistische’ stijl. Toch is dat de enige manier om de indruk te bestrijden dat het Europa alleen maar zou gaan om de winstgevendheid van de multinationals en dat die winstgevendheid in tijden van globalisering alleen maar kan worden bereikt door het inleveren van zekerheden die door de Europeanen als waardevol worden gezien. Een schrijnend voorbeeld van de doofheid van veel politici hiervoor is hoe er vorige maand bij de Europese Top meer gesproken werd over het overnemen van energiebedrijven, dan over de demonstraties in Frankrijk en waar die eigenlijk voor stonden. Mensen snappen best dat er moet worden hervormd en zien ook dat naast de nationale, ook de Europese schaal daarbij nodig is, maar zij weigeren een sprong in het totale duister, zij weigeren hun lot in handen te leggen van leiders die kennelijk economische groei en winstgevendheid tot hoogste doel hebben verklaard en elke zorg die mensen daarover hebben, daaraan ondergeschikt verklaren. Daarom is het funest voor het Lissabon proces dat een middel tot doel is verklaard. 5 Ons doel is een Nederland dat barst van het zelfvertrouwen, dat niet bang is voor de buitenwereld en al het aanwezige talent benut; een land met een vreedzame samenleving, waar het prettig wonen is omdat mensen bescherming wordt geboden tegen onveiligheid, tegen ziekte, tegen werkloosheid. Om dat te realiseren zullen wij onze samenleving moeten moderniseren. Dat is nodig vanwege interne ontwikkelingen en externe uitdagingen. De Europese schaal is daarbij onontbeerlijk en grootschalige aanpassingen zijn daarvoor nodig, in onze economie, in onze sociale zekerheid, onze zorg, ons onderwijs. Mensen zijn niet gek, zij weten dit. Maar zij zetten de hakken in het zand als zij niet het vertrouwen hebben dat met de hervormingen het collectieve belang wordt gediend en als zij het gevoel hebben iedere greep op de hervormingen – en dus ook op de inkleding ven hun eigen leefomgeving – te hebben verloren. Oude zekerheden staan ter discussie; de politiek moet daar niet op reageren door de onzekerheden te ontkennen of nog groter te maken maar door houvast te bieden en een aantal zaken te definiëren die niet ter discussie staan. De eigen verantwoordelijkheid die iedereen heeft voor zijn of haar eigen toekomst wordt ook door mij niet bestreden maar willen we in een wereld waarin de onzekerheid over de eigen toekomst, de eigen baan, het eigen inkomen alleen maar toe neemt, mensen er toe motiveren die onzekerheid te accepteren en misschien zelfs te waarderen, dan moeten we niet alleen hun eigen verantwoordelijkheid benadrukken maar ook onze gemeenschappelijke verantwoordelijkheid om niemand aan zijn lot over te laten. ‘Het komt door de globalisering. Het moet van Europa’, deze al te makkelijke rechtvaardiging van pijnlijke maatregelen, heeft zeer negatieve gevolgen gehad op het publieke draagvlak voor noodzakelijke hervormingen. De onzekerheden bij mensen zijn alleen maar toegenomen, het fatalisme evenzeer. ‘Alles zal wel slechter worden, maar wij zullen ons zo lang mogelijk vastklampen aan wat we hebben’, lijkt vaak de houding van mensen die zich van de politiek afkeren. Niets is zo erg voor een samenleving als fatalisme. Maar het is ook helemaal niet nodig. Collectieve zekerheden kunnen vormgegeven worden in een moderne samenleving die de competitie met de buitenwereld aankan. Er zal meer van mensen worden gevraagd, laat dat duidelijk zijn. Meer aanpassingsvermogen, meer flexibiliteit, meer bereidheid risico’s te accepteren. Meer verantwoordelijkheid, bijvoorbeeld als zij zonder werk zitten. Minder vrijblijvendheid, bij de bereidheid scholing te volgen, langer door te werken en beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt. Maar daar staat tegenover dat er ook meer zal worden geboden. Meer mogelijkheden om werk en zorgtaken te combineren. Meer kansen op studie en opleiding gedurende de hele loopbaan. Meer bescherming tegen tijdelijke perioden van werkloosheid. Meer zekerheid als mensen niet meer in staat zijn te werken. In Nederland en in Europa is de balans tussen deze zaken nu zoek. Eerst het zuur en dan nog meer zuur, zo ervaren de mensen de nationale en Europese hervormingsagenda. Alleen als nationale en Europese politici ook werk maken van die zaken die mensen voor zichzelf en voor hun omgeving als essentieel ervaren, zullen zij erin slagen mensen mee te krijgen op de weg naar een toekomst die zeker offers zal vragen, maar die ook zeer veel te bieden heeft. |